(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde"

Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



DE ONTWIKKELINGSGANG 



DER 



NEDERLAND8CHE LETTERKUNDE 



i k 



DE ONTWIKKELINGSGANG 



DER 



NEDEBLANDSCHE LETTERKUNDE 



DOOR 



Dr. jan te winkel 

Hoogleeiraar te Amsterdam 



TWEEDE DEEL 



HAARLEM 

DE ERVEN F. BOHN 

1908 



TH" >:f,\v YORK 

PUBLIC LI3RARY. 

453327 

ASTOR. LENOy AND 

Tjlden founpatiöns 
" 1909 L 






• • •*. 

• • • 












' • ■ . 

• t • * 

• ••Va • • 









-• •• 



• • • ' 

• ••• ft 

- • • 









i7 ••• 






• • 
•• • ! 



• • • 



••.:•.•• 






DERDE TIJDVAK. 

(Tweede gedeelte). 



DE BLOEI DER LETTEREN 

1680—1680. 



XX. 
Didericus Rafelsz. Camphuysen. 

Daar Arasterdam door het groot aantal uitstekende dichters, 
die in het eerste kwart der zeventiende eeuw optraden, op 
letterkundig gebied wel als toongevend moest beschouwd wor- 
den, en ook de geschiedschrijvers onzer letteren zich later in 
de eerste plaats met de Amsterdamsche dichters hebben bezig 
gehouden, zou men licht in den waan geraken, dat destijds 
in Amsterdam, zooals tegenwoordig en ook reeds veel vroeger 
in Parijs, de letterkundige beweging zich concentreerde. Dat 
echter was geenszins het geval. De Amsterdammers zelf be- 
schouwden zich min of meer als de vertegenwoordigers der 
door Heinsiüs aangewezen Leidsche richting en bogen zich 
gaarne voor het gezag van den grooten Delftenaar Hugo de 
Groot, sinds 1613 pensionaris van Rotterdam. En ook elders 
in ons land wemelde het van dichters, waaronder verscheidene, 
die in hun eigen tijd in eere waren en ook bij het nageslacht 
een goeden naam hebben behouden, al moesten zij ook ver 
onder doen voor de groote Amsterdammers. Dat in geheel 
Holland de dichtkunst hare beoefenaars vond, werd bij de 
inwijding der Duytsche Academie in 1617 ook uitdrukkelijk 
gezegd door Suffridüs Sixtinus in deze woorden: 

„Daer schuylt een Groot ghemoet en geest in dyne paelen, 
Vermaerde Rotterdam, die trots een yder biet 
In const en wetenschap. Noch eene by de vliet 

De Linge, sterck van stroom en loop; dan noch een graeghe 

Tot const en wetenschap hier by in *8-Gravenhaeghe. 
Ghy Leyde voet oock twee, twee die daer zyn bekent 
Door haere const tot aen des werelts uyterst ent: 

Een lettermoeder HeynSf een cloeck ervaren Schryver.'* 



camphuysbn's jeugd. 



Naast Heinsius en Scriveriüs, die hier genoemd, en De 
Groot, die hier zinspelend aangeduid worden, is hier ook 
sprake van een Hagenaar, waaronder (want Huygens was in 
1617 nog niet als dichter opgetreden) ongetwijfeld Gjjsbert 
VAN HoGENDORP moet verstaan worden. De dichter uit de 
buurt van de Linge kan Rutger Wessel van den Boetse- 
LAER zijn, die heer van Asperen was, of een Gorkumsche 
dichter, hetzij Hbndrick van der Müyr, hetzij Abraham 
Kemp. Een derde — de meest beroemde — dichter, die te 
Gorkum het levenslicht zag, Didericus Rafelsz. Camphuysen, 
was in 1617 als dichter nog onbekend, ofschoon hij in kerke- 
lijke kringen de aandacht reeds eenigszins op zich geves- 
tigd had. 

Na zijne ouders vroeg verloren te hebben was Camphuysen 
door de zorg van zijn ouderen broeder voor schilder opgeleid, 
doch schilderijen van hem bestaan er niet. Van die, welke 
aan hem werden toegeschreven, zijn er enkele van zijne zoons 
of zijne neven, die later ook schilders waren. Bekendheid met, 
maar geenszins liefde voor de schilderkunst blijkt uit zijne 
gedichten. Op achttienjarigen leeftijd (in 1604) begon hij zich, 
op aansporen van den Gorkumschen rector, op de studie toe 
te leggen. Vier jaar later werd hij te Leiden als theologisch 
student in het StatencoUege opgenomen, waar hij, vooral door 
den invloed van zijn vriend Johannes van Alendorp, de denk- 
beelden van Arminius ging aanhangen en voor Alendorp's 
zuster Anna eene standvastige liefde opvatte, die ondanks de 
tegenwerking harer moeder en andere beproevingen in 1613 
tot een huwelijk leidde. Intusschen was hij een tijdlang goe- 
verneur bij Gideon van Boetselaer, heer van Langerak en 
Nieuwpoort, geweest, wiens geheele familie levenslang met hem 
bevriend is gebleven. 

Na zijn huwelijk voorzag hij te Gorkum met lesgeven in 
zijn onderhoud, tot hij in 1614 leeraar w^rd aan de Hiërony- 
musschool te Utrecht. In dien tijd schijnt er een omkeer 
in zijn denken en gevoelen te hebben plaats gegrepen en be- 
gon hij den rug toe te keeren aan al wat wereldsch was. Hij 
predikte toen ook zoo nu en dan, o.a. voor de Doopsgezinden, 
waartoe zijne moeder behoord had, en van wie hij eigenlijk 
meer geestverwant was dan van de Gereformeerden. Ook trad hij 



CAMPHUYSKN ALS PREDIKANT. 5 

soms onder grooten toeloop in den Dom op; maar tegen het 
aanvaarden van het predikambt zag hij op, en groote moeite 
kostte het zijnen vrienden en beschermers om hem (in 1617) te 
bewegen het proponentsexamen af te leggen, waarop hij on- 
middellijk tot predikant te Vleuten werd aangesteld. 

Slechts twee jaar heeft hij dat ambt mogen bekleedeti als 
een bij zijne gemeenteleden zeer bemind en geëerd predikant. 
Wèl behoorde hij tot de allerlaatsten, die als Remonstrant 
werden ontslagen, omdat hij ook eigenlijk nooit als partij- 
ganger der Arminianen was opgetreden, maar toen de van 
predikanten beroofde Utrechtsche Remonstranten bij hem te 
Vleuten ter kerk kwamen, werd hem in 1619 het preeken in 
de kerk te Vleuten verboden, en van dat oogenblik af nam 
bij eenig aandeel aan de Arminiaansche beroeringen. Hij 
predikte nu te Vleuten in de open lucht en gaf zelfs eens — 
in strijd met zijn afkeer van vertoon en schandaal — te 
Rotterdam met eene predikatie aanleiding tot een klein 
oproert] e. 

Uit dien tijd dagteekent ook zijn eerste gedicht, althans het 
eerste dat wij van hem bezitten, want in zijne jeugd had hij 
vele, later weer „ten viere gedoemde", verzen gemaakt. Het 
droeg den titel „Het schilt der verdructer ghemoederen" en 
werd buiten zijn medeweten uitgegeven door den bekenden 
Remonstrantschen pamfletschrijver en hekeldichter Reinier 
Tellb. In het volgend jaar gaf hij er zelf eene verbeterde 
uitgaaf van onder den titel „Ghewillighe patientie ofte lydens 
remedie." 

Verdrietig dat eene heilige en zoo zuiver persoonUjke zaak 
als de godsdienst een onderwerp van openbaren twist en aan- 
leiding tot vervolging was geworden, vroeg hij nog in het- 
zelfde jaar ontslag als predikant. Toch riep men hem op om 
de acte van stilstand te teekenen, en toen hij aan dien oproep 
niet had voldaan, werd hij in het begin van 1620 uit de 
Vereenigde Gewesten gebannen. Hij verliet echter niet terstond 
het land en kwam daardoor ook voor korten tijd in de ge- 
vangenis; maar daaruit weer ontslagen, begaf hij zich in *t 
geheim naar Amsterdam, waar hij met vertalen uit het Latijn 
in zijn onderhoud voorzag en, allengs zich losmakende van 
de Remonstranten, wier hoofdmannen dan ook later slecht 



6 CAMPHUYSEN TE AMSTERDAM; ZIJN „MAYSCHE MORGENSTOND". 

over hem te spreken waren, meer en meer bewees, dat de 
geest der Doopsgezinden en der Socinianen hem bezielde. 

Dat bracht hem vanzelf in aanraking met de Rijnsburg- 
sche coUegianten, eene te Rijnsburg wat vroeger door de 
familie Codde gestichte vrome en tevens zeer vrijzinnige sekte, 
die langzamerhand ook reeds buiten Rijnsburg aanhangers begon 
te winnen en die, afkeerig van alle kerkelijke dogmatiek 
en priestergezag, maar ook van staatsdwang en politieke be- 
moeiingen, hare hoogste zaligheid stelde in onderlinge stich- 
ting door bijbeloefening, een eenvoudig, vreedzaam en lijdzaam 
leven en broederlijke godsdienstplechtigheden, die van het 
ritueel der officiëele kerk afweken. In deze sekte had, door den 
dompeldoop te ondergaan, de wegens Socinianisme door de 
Dordsche synode afgezette predikant Jan Evertsz. Geesteranüs 
zich laten opnemen, en deze behoorde — tot zijn dood toe — 
tot de meest vertrouwde vrienden van Camphuysen, zooals 
o.a. ook blijkt uit het gedicht, dat hij schreef ter aanprijzing 
van Geesteranüs' IdoklenchvSy een uitvoerig Latijnsch dicht- 
werk „tegen 't geestig dom der schilder-konst", waarin zonder 
uitzondering alle voortbrengselen der schilderkunst worden af- 
gekeurd als zinnelijken lust verwekkend, onstichtelijk of zelfs 
profaan. 

Levenslang heeft Camphuysen met de Rijnsburgers vriend- 
schapsbetrekkingen onderhouden, en nog altijd herinnert daar- 
aan een gedenksteen in den gevel van het later te Rijnsburg 
door Spinoza bewoonde huisje, waarop Camphuysen's dicht- 
regelen zijn uitgebeiteld: „Ach! waren alle menschen wijs en 
wilden daarbij wel, De aard' waar haar een paradijs: nu isse 
meest een hel". Deze bekende verzen vormen het slotcouplet 
van Camphuysen's beroemd lied „Maysche Morgenstond", door 
hem in 1621 met een ander Meilied uitgegeven als „May-ge- 
schenk aan de remonstrantsche ghemejiiten", en later aan den 
wand van menige huiskamer in lijst achter glas te vinden, 
met eene ets van Luyken versierd, 't Is eene lieflijk-eenvoudige 
schildering van de kalme, vreedzame natuur op een lente- 
morgen, waarin de schepping van den „wijsen goeden Meester" 
een waar paradijs voor alle levende schepselen wordt genoemd, 
behalve voor „den dwasen mensch" die „zijn eigen rust ver- 
moordt" door zijn „zotten lust en zijn verkeerden wil". Ook 



CAMPHÜYSKN IN FRIESLAND; „STICHTELYCKE RYMEN'^ 7 

is onder de Rijnsburgers niemand ooit populairder geweest 
dan CAMPHuysEN en zijn zijne liederen nergens meer gezongen 
dan d4&r. 

Lang nochtans was het den balling niet vergund onopgemerkt 
in Amsterdam te blijven: reeds in 't midden van 1620 moest 
hij vertrekken, en hij begaf zich toen naar Norden, waar hij 
met Pieter Arendtsz. eene drukkerij oprichtte. Uit dien tijd 
dagteekenen eenige door hem afzonderlijk uitgegeven langere 
gedichten of kleine dichtbundels: 't eerst zijn „Victoria Victis" 
of een dichterlijk betoog van „lydens nutticheyt*', vervolgens 
een bundel van twaalf berijmde psalmen, met korte toepas- 
singen tot slot, onder den titel „Godt de wraeck ofte troost 
der schrift", eene uitbreiding van den 119den psalm onder den 
titel „Den Yver tot Gods wet", en nog een paar bundeltjes 
met vrije berijmingen van psalmen. 

In Norden doorleefde hij overigens zorgvoUe dagen, ook door 
het woeden eener pestziekte, waarbij hij onverschrokken hulp 
verleende evenals zijn vriend Geesteranüs, wien dat echter 
(in 1622) het leven kostte. Zeer spoedig daarop verliet Camp- 
hüysen Norden met zijn gezin, uit vrees voor het woeden van 
Mansfelt's troepen. Hij begaf zich naar Harlingen en vandaar 
naar Ameland, eene onafhankelijke heerlijkheid, waar hij dus 
buiten de macht der Staten was ; maar de zeelucht bleek voor 
zijn gestel zóó nadeelig, dat hij er niet kon blijven, zoodat hij 
zich bij het begin van 1624 te Dokkum vestigde, waar men 
hem oogluikend liet wonen en waar hij met den vlashandel 
in zijn onderhoud trachtte te voorzien en ook met schrijven. 

Eigenlijk stuitte het hem tegen de borst, zeide hij, „ook 
deel te hebben aan de algemeene zotheyd van Boek-maak- 
lust inzonderheyd in deze tijden, waarin dagelijks de wereld 
met boeken en vooral met rymeryen zoo gepropt word, dat 
het eenen verveelen mochte, alleen maar de Tijtels en Op- 
schriften, 'k swyge de Boeken zelfs te lezen.*' Om den broode 
moest hij het echter doen, en duizenden hebben zich daarin 
verheugd, want wat hij in 1624 te Hoorn in twee deelen liet 
drukken waren zijne „SUchtelycke Rymen om te lesen of te 
singen". Dit is de eenige door hemzelf bezorgde uitgaaf. In 
1628, dus na zijn dood, verscheen in Amsterdam de tweede, 
nu in drie deelen, omdat in het derde deel alle vroeger door 



8 camphuysen's dood kn karakter. 

hem afzonderlijk uitgegeven gedichten aan den bundel toege- 
voegd waren ; maar de uitgaven volgden elkaar spoedig op en 
waren soms vermeerderd met gedichten, die op zijn naam 
stonden, maar niet van hem afkomstig waren. Eerst in den 
twaalfden, door Joachim Oudaen bezorgden, druk van 1668 
werd tusschen echt en onecht scheiding gemaakt en het laatste 
bijeengevoegd in een vierde deeltje. In vijf kwarteeuwen zijn 
Camphuysen's Rymen omstreeks vijftigmaal, meestal met bij- 
gevoegde muzieknoten, gedrukt, wat in onze letterkunde van 
geen enkel ander dichtwerk kan gezegd worden. 

Om den druk zijner rijmen te bevorderen begaf Camphxtysen 
zich in persoon naar Hoorn, en op de reis bezocht hij o.a. 
ook de vrienden te Rijnsburg. In 1626 bood Mai*tinius Ruarus, 
de rector der Sociniaansche school te Rakou, hem aan die 
school het hoogleeraarsambt aan, maar hij kon niet besluiten 
het aanbod aan te nemen en bleef te Dokkum, werkende aan 
eene Uytbreiding over de Psalmen^ om gezongen te kunnen 
worden „na de fransche dichtmate van Marot en Beza", zoo- 
als met zijne andere berijmingen van psalmen niet mogelijk 
was; maar ofschoon hij er zich nog in mocht verheugen het 
werk vóór zijn dood voltooid te zien, zag het eerst in 1630 het 
licht, nadat hij in 1627 te Dokkum was overleden, door zijn 
zwak lichaamsgestel niet bestand tegen de vermoeienissen van 
zijn onrustig leven. 

Na zijn dood werd hij door zijne geestverwanten bijna als 
een heilige vereerd. Zijne in goed proza geschreven theologische 
werken (uitgegeven in 1638) konden daartoe minder aanleiding 
geven dan zijne gedichten, waaruit in de eerste plaats een reine 
geest en eene beminnelijke persoonlijkheid spreekt. De zieke- 
lijkheid zijner natuur kon hem wel onverschillig maken voor 
veel in de wereld wat belangstelling verdient, omdat het tot 
het wezen van den gezonden mensch behoort, maar hij was 
een van die lijdzame, lieve, zelfs blijmoedige zieken, die te 
allen tijde het voorwerp der vereering hunner omgeving zijn 
geweest en den indruk hebben gemaakt, alsof zij niet zoozeer 
te zwak als wel te goed waren voor dit leven. 

De grondtoon van Camphuysen's poëzie is minachting van 
de wereld, waarin hij zich zoo weinig te huis gevoelde, van 
die „wereld met haar schijn en vermomde dingen", waarin 



DK GEEST VAN CAMPHUYSEN's POËZIE. 9 

zelfs „Utopia, *t verdichte Nergensland", ook al lag het ergens 
verscholen, nog „ver van volmaakt" zou wezen, en waarin 
voor den „onvernoegden mensch" trots al zijn zoeken en 
trachten „niets nieuws onder de zonne" te vinden is. „Dat in 
't groot eerst is gespeurt, tselve beurt naderhand in 't kleyn' 
en lage: hier by stukken en ten deel, daèr geheel: nu ge- 
stadig, dan by vlagen": want „zoolang menschen menschen 
zijn, zalder pijn, ramp, gevaar en onlust wezen." Dwaasheid 
is het op aarde een paradijs te zoeken. Dat is alleen bij God 
in den hemel te vinden en, gelukkig, „kort is de pijn en 't 
zuchten (want 't leven zelfs is kort), maar lang en zoet de 
vruchte, die ons daardoor geword." Op aarde is alles onbe- 
trouwbaar, maar „wat winden dat er ruyschen, wat regen dat 
er plast, het hooge Huys van Sion staet onbe weegt en vast." 

Daarheen, naar het nieuw Jerusalem, „des hoogsten Konings 
stad", is zijn vurig verlangen: „Hoelang, ach Heer!" roept hij 
uit, „Hoelang noch mist mijn ziel den zoeten stand van 't 
waar verheugen! Helaas, wanneer, wanneer zal ik eens 't 
eeuwig vaderland betreden meugenl" Het leven op aarde is 
een voortdurende strijd voor iedereen, maar 't behoort alleen 
een „Christelyk Gevecht" te zijn met geestelijke wapens, want 
slechts daarin wordt de ware eerkroon behaald, en „van te 
stryden" zong hij daarom een aandachtig en welluidend lied, 
om te leeren „hoe de mensch, die wel wil stryden, heeft te 
stryden en hoe niet". „Al de weereld is vol strydens", zegt 
hij daarin: „stryden is menigerhand: stryden dyd zomtydstot 
eere, stryden diend zomtyds tot schand. Menig stryd een 
dwaas'lyk stryden om 't gering, op 't ongewis: Menig stryd 
een wyss'lyk stryden om 't geen strydens waardig is. Zomtyds 
stryd de mensch een stryden, dat met Godes wille stryd : 
zomtyds stryd de mensch een stryden daar den Hemel in 
verblyd." 

Wie strijdt tegen het leed, dat hem op aarde van buiten 
wordt aangedaan, strijdt den waren strijd niet: strijden moet 
de mensch tegen het kwaad, dat zijn eigen zondig hart hem 
berokkent, want alleen dat kwaad maakt wezenlijk ongelukkig. 
„Het lyden, dat uytwendig raakt, maakt geen goed mensch 
rampzalig: 't Is d' onwil dié ellendig maakt, door lusten, zot 
en dwalig." Zoo is de ware vrijheid ook niet, dat men de 



10 DB GEEST VAN CAMPHÜYSEN's POËZIE. 

gelegenheid heeft aan al zijne begeerten te voldoen: „Is 't u 
om vryigheyd gedaan, zoo vrydt u van de lusten!" Tegen 
dwingelandij, ook van de Regeering, mag men niet in opstand 
komen: „De overheden dieder zijn moet yder Christen eeren: 
gehoorzaam wezen, niet in schijn, maar na 't bevel des Heeren." 
Niet Brutus, maar Christus zij het voorbeeld voor „Gods 
kind'ren": „kruyslyden brengt ons tot de kroon, kruysdoen 
zal z' ons verhinderen". De ware weg tot de vrijheid is, zich 
te ontworstelen aan de slavernij der zonde; en „die voor Gods 
Geest van zond' is vry heeft geen tyran te schromen." Vooral 
liederen als dit waren zoowel in den geest der Doopsgezinden 
als der Rijnsburgsche coUegianten. Ook klinken in de liede- 
ren van dezen vervolgde om het geloof de tonen voort der 
oude schriftuurlijke liedekens, voor langen tijd door de marte- 
laars der Hervorming aangeheven; maar bij Camphuysen 
worden dezelfde denkbeelden als wij daar vernemen in veel 
keuriger, vloeiender en pittiger vorm uitgesproken, terwijl zij 
vermoedelijk door niemand vóór hem ook zoo diep en zuiver 
gevoeld zijn. In zijne rijmen heeft deze dichtsoort inderdaad 
haar hoogtepunt bereikt. Niemand heeft hem daarin later 
kunnen overtreffen, zelfs niet evenaren. 

Nederigheid en gelatenheid zijn de deugden, die hij telkens 
aanbeveelt; maar ook voor hem is liefde de hoogste deugd: 
„Wat is of wezen zal, hoe hoog, by Liefd* is 't minder, ja 
zonder Liefd' is 'tal, hoe nut, onnut en hinder. Elk sta dan 
wie hy zy, de leerling met den leerder, na alle gaven vry, 
maar na de Liefd' noch meerder". Een man, die van deze 
denkbeelden bezield was, kon bij al zijn leed en al zijne 
wereldverachting niet knorrig of zwaarmoedig zijn, en tot 
klagen wekken zijne liederen dan ook niet op, veeleer tot 
blijmoedige tevredenheid. „Vrolijk mach de mensch wel zin- 
gen, als 'tin God geschied", zegt hij zelf, en een zijner troost- 
rijmen eindigt met de samenvatting der geheele levensleer in 
deze woorden: „doe wel en zy verheugd". 

Toch is natuurlijk zijne vreugde hemelsbreed verschillend 
van die der wereldlingen. Veel is er waarin hij zich niet meer 
kon verheugen, zooals wij. Zelfs de kunst is voor dezen man, 
die toch eens voor schilder was opgeleid, geen genot meer. 
Zij is dikwijls verderfelijk, altijd gevaarlijk. Zelfs opent hij 



DE VORM VAN CAMPHUYSEN's POËZIE. 11 

zijn rijmbuudel met een gedicht tegen de kunsten, die in het 
hart des menschen het kwaad zaaien, dat reeds al te welig 
„van zelver wast", tegen de „verweende konst van malle malery, 
die qua lust en fieltsche zotterny voedt", tegen „geyl gedicht 
en minneklachten", die de maagdelijke reinheid wegnemen, 
tegen den tij dverkwi stenden dichter van „logenstories", die de 
hongerige maag paait met wind, tegen den geschiedschrijver, 
die krijgsdaden verheerlijkt en zoo haat en wraakzucht aan- 
wakkert. Toch zegt hij in zijn aardig liedje „Spels-Mate", waarin 
hij handelt van de speelpopjes der menschen, die „elk hun 
byzonder drijven, hun bysondere lust hebben", van zich zelf : 
„rijmpjes maken is het mijn". 

De dichtkunst is dus, wel verre van een vijand in hem te 
hebben, zijn troetelkind. Hij besteedde aan zijne rijmen dan 
ook vrij wat zorg en deed vooral zijn best om te maken, dat 
zij evengoed met regelmatige afwisseling van klemtoon, dus 
rhythmisch, konden gelezen worden, als bij de noten, bij de mu- 
ziek pasten. Vandaar die welluidendheid en vloeiendheid, die ze 
altijd zoo aantrekkelijk gemaakt hebben. Een gedicht acht hij 
volgens zijn rijmbrief, getiteld „Wel-rymens wet", alleen goed, 
wanneer het „volmondig, kort en klaar, indringend, ongestopt" 
is, „met onverkrachten stijl bevalliglijken vloeyt en zelden hort 
of gaapt of 's lezers oor vermoeyt." Van overdreven purisme 
houdt hij niet, maar toch tracht hij te vermijden „al wat onze 
taal en 't Neerlandsch oor niet lijd." „Eenvoud en natuur" 
ging ook in de poëzie bij hem boven alles, en zoo waren dan 
ook zijne liederen de zuivere spiegel van zijn denken en ge- 
voelen, vrij van alle gekunsteldheid, woordenpraal engeleerd- 
heidsvertoon. 

Vooral eischt hij van een gedicht, dat het „spraak- en 
spreukrijk is, zin en zenuw heeft." Uitdrukkelijk zegt hij, dat 
„volheyd en aardigheyd van zin voor al moet gaaa" en dat 
het hem somtijds moeite kostte daaraan „bevalligheydt van 
woorden en syllaben" te paren; hij wist wat er aan zijne 
rijmen ontbrak en begreep, dat ook anderen er vele fouten in 
zouden vinden, zelfs zouden afkeuren wat hij goed achtte. Ook 
in dezen liet hij gaarne aan „een yder 't vermaak van zyne 
opinie". Hij zelf was tevreden, als zijn rijmwerk „den Christe- 
lyken of tot Christelykheydt bereyden lezer stichtte en met 



12 CAMPHUYSEN TEGENOVER DB RENAISSANCE 

eenen vermaakte, 't zy door de stof of konst, waartoe vooral 
van nooden was, klaar en verstandelijk te zijn." De rest achtte 
hij ijdelheid. Daar hij slechts één doel voor oogen had, op 
aangename wijze te stichten, begreep hij ook wel, dat menig- 
een zijn bundel eentonig zou vinden, maar, zeide hij „veel 
beter slecht en altyd eenderhand, dan oyt door qua' ver- 
scheydenheyd t' ontstichten'' ; en terecht beweerde hij van zijne 
liederen: 't is and*re saus, maar al de zelve spijze." Toch 
heeft hij, bij de eenzijdige strekking zijner gedichten en de 
gelijksoortigheid der onderwerpen, nog wel eene zekere ver- 
scheidenheid weten aan te brengen door afwisselenden strophen- 
vorm met of zonder refrein en ook door soms den vorm der 
samenspraak (bv. tusschen Klager en Trooster) te kiezen; 

Camphuysbn's poëzie staat lijnrecht tegen die der Leidsche 
en Amsterdamsche Renaissancemannen over. Pralen „met 
Latijnsch' of Grieksche geleertheyd" keurt hij af; „namen van 
Goddinn' en Goden" mogen in zijne poëzie niet voorkomen; 
vooral heeft hij een afkeer van die dichters, „die, terwijl ze 
d'ondeugd laken, maken 't hart tot ondeugd graag; wiens 
afwijzen is aanwijzen, tegen maken 'svleeschs vermaak; die 
door smakelijke woorden 't quaad doen plegen met een smaak". 
Dat hier dichters als Bredero en Starter bedoeld worden, kan 
men slechts gissen, persoonlijke aanvallen doet Camphuysen 
niet, en daarom is het zeer opmerkelijk, dat de eenige dichter, 
dien hij ook zonder hem te noemen duidelijk als een verderver 
van goede zeden aan de kaak stelt, het hoofd der Renaissance- 
mannen, Daniël Heinsius is, den dichter, volgens hem, „die 
uyt ééne zelve bome zoet en bitter water schonk en vandaag 
ter eer van Christus, morgen weer van Bacchus zong; die als 
strenge wysheydsliever deugd en heylge zeden dreef, en straks 
met dezelve penne zotte minne-ranken schreef'. 

Moet er in onze poëzie • van het begin der zeventiende eeuw 
sprake zijn van twee richtingen, dan is het niet de romanti- 
sche richting, die tegenover de classieke staat, en evenmin de 
streng kerkelijke tegenover de politiek- vrij zinnige, maar de 
vroom-godsdienstige tegenover de heidensch-wereldsche, de 
eerste tevens als de ouderwetsche tegenover de tweede als de 
meer moderne. En welke van beide was nu de nationale kunst- 
richting, als men ten minste van nationaal-Nederlandsche 



OOUDSCHB DICHTERS. 13 

litteratuur wil spreken zonder te bedenken, dat er onder de 
Nederlanders altijd vogels van diverse pluimage zijn geweest, 
en dat het nationaal karakter van ons volk niet altijd het- 
zelfde geweest is? Wij kunnen op die vraag alleen dit ant- 
woorden: Camphuysen's poëzie werd ongetwijfeld bewonderd 
en genoten door de meerderheid van ons volk, voorzoover dat 
althans in poëzie belang stelde, en die van Hbinsius en Hooft 
vond hare vereerders slechts in een kleinen kring van letter- 
kundige fijnproevers. In geen enkel ander land zou poëzie als 
die van Camphüysen zoozeer gesproken hebben tot het hart 
van het volk als zij het hier te lande deed, en daarom kan 
zij voor haar tijd en ook nog wel voor veel later tijd met 
eenig recht de meest nationale poëzie der Nederlanders worden 
genoemd, en als zoodanig verdient zij in eene geschiedenis 
onzer letterkunde ook niet op den achtergrond te blijven. 



XXI. 

De dichtkunst in Holland bulten Amsterdam. 

De dichters der andere Hollandsche steden behoeven ons 
niet zoo lang bezig te houden als Camphüysen. Van de meeste 
is het voldoende ze even te vermelden om te doen zien, dat 
inderdaad in geheel Holland letterkundig leven bestond. Bijna 
allen zijn het óf stichtelijke dichters óf rederijkers in den 
ouderwetschen trant. Zóó bv. te Gouda, waar de kamer „De 
Goudsbloem'' verscheiden leden telde, die wij bij name en 
door sinnespelen of refereinen kennen. Rijssaert van Spiere 
hebben wij reeds aangetroffen, en naast hem trad vooral op 
allerlei wedstrijden Jacob Lucasz. Sasch op den voorgrond. 
Andere Goudsche rederijkers waren Pjbter Melchiorsz. Al- 
CHAS, Goossen Cornelisz. Bot, J. Adriaensz. Schoon, J. P. 
Stam, Jacob Vbrbrügghb en Dirck, Andries en Pieter 
Crijnbn Verveen. Van den onderwijzer in het H.-Geest- 
gasthuis te Gouda, Jacob Jacobsz. Vennip, hebben wij een 
esbatementspeelken van vier personagiën achter zijn „Kort be- 
recht van *t Tuchthuis" (1611). Als lierdichter hebben wij 
MiCHiEL Vlack reeds leeren kennen. In het naburige Haastrecht 



14 HUQO DK GKOOT ALS GELEERDE. 

was A. Taklman leider der rederijkerskamer „De Balsembloem." 

Te Rotterdam schitterde van 1613 tot 1618 de Delftenaar 
HuGO DE Groot boven allen uit. 

Geen onzer voorvaderen meen ik onrecht te doen door hem 
den grootsten man te noemen, dien Nederland ooit heeft voort- 
gebracht. Als een wonder van vroegtijdige ontwikkeling, scherp 
verstand, verrassende vinding en veelzijdige kennis op het ge- 
bied van alle geestelijke wetenschappen, staarden zijne bewon- 
derende tijdgenooten hem aan en staat hij nog bij het nage- 
slacht bekend. 

Met zijn „Mare liberum" (1609) en zijn „De jure belli ac 
pacis" (1625) legde hij de grondslagen van een geheel nieuw 
vak van wetenschap, het volkenrecht; met zijne „Inleiding 
tot de HoUandsche Rechtsgeleertheyd" (1631) gaf hij niet alleen 
den voortreffelijksten leidraad bij de studie van het recht, 
dat tot op het eind van de achttiende eeuw in onze Republiek 
gold, maar bevorderde hij tevens krachtig het streven der 
taalzuiveraars, omdat zijne bedoeling met het schrijven van 
dat werk in de eerste plaats was geweest, de bastaardtaai der 
rechtswetenschap in zuiver Nederlandsch over te brengen. Als 
geschiedschrijver van Holland gaf hij o.a. in zijne „Annales 
et historiae de rebus Belgicis" een meesterlijk verhaal der ge- 
beurtenissen gedurende de eerste helft van den tachtigjarigen 
oorlog, terwijl hij ook door grondige studiën de kennis der 
Oudgermaansche geschiedenis bevorderde. Als theoloog-exegeet 
schonk hij belangrijke aanteekeningen op het Oude en Nieuwe 
Testament, getuigende van zijne diepe en veelzijdige taal- 
kennis, waardoor hij ook als philoloog door de uitgave en 
verklaring van Grieksche en Latijnsche schrijvers — reeds 
van zijn zestiende jaar af — de bewondering der geleerden 
wekte, niet minder dan door zijne Latijnsche lierdichten en 
drama's. Zelfs logica, natuur-, zeevaart- en wiskunde bleven 
niet buiten zijn gezichtskring. 

Gedurende de twisten van het Bestand was hij op politiek 
gebied de ziel der vrijzinnige staatspartij, zooals Uytenbogaert 
dat was van de vrijzinnige partij op kerkelijk gebied, en toen 
hij den strijd had verloren en in 1619 op zesendertigjarigen 
leeftijd tot levenslange gevangenisstraf te Loevestein was ver- 
oordeeld, was daarmee dat krachtige leven allerminst gebro- 



HUGO DE OKOOT ALS STAATSMAN. 15 

ken, en schoon in het sterke slot zoo vast verzekerd, dat er 
voor hem geene kans scheen „van in der eeuwigheit t' ont- 
vlughten," had hij den moed het vernuftig bedenksel van 
„zijn schrandre gemalin en druckgenoot en kruisheldin" (zooals 
Vondel in 1632 Maria van Reigersbergh in zijn bekend lier- 
dicht op „Huigh de Groot's verlossing'' noemde) uit te voeren, 
„in boecken te veranderen" en zich „door den schiltwacht voor 
boecken te laten uitdragen", daarmee zijn leven wagend voor 
zijne vrqheid. 

De beide jaren zijner gevangenschap waren intusschen aller- 
minst onvruchtbaar geweest voor de wetenschap. Hij had, 
evenals eertijds Coornhert, den lof der gevangenschap kunnen 
zingen, omdat hij daardoor, na de onrustige dagen der staat- 
kundige beroeringen, weer in de gelegenheid kwam, zich onge- 
stoord aan de studie te wijden. Opmerkelijk is het, dat hij daar, na 
steeds Latijn te hebben geschreven, blijkbaar uit vaderlands- 
liefde ook de Nederlandsche taal voor eenige geschriften begon 
te gebruiken, zooals voor zijne reeds genoemde „Inleiding", 
die daar werd opgesteld, evenals zijne „Verantwoordingh van 
de wettelycke Regieringh van HoUandt ende West-Vrieslandt", 
in 1622 te gelijk in het Latijn en het Nederlandsch uitgegeven. 
Daar heeft hij ook, naar 't schijnt, voor het eerst Neder- 
lansche verzen gemaakt, die hem echter slechts op een zeer 
bescheiden plaatsje in de geschiedenis onzer letterkunde aan- 
spraak zouden geven, omdat De Groot in alles groot was, 
behalve juist daarin, wanneer niet een man als hij, „wien 't 
vaderlant te klein viel", zooals Vondel zeide, overal eene 
eereplaats verdiende. 

In 1618 werd voor 't eerst van De Groot gedrukt „Vraghe 
en Antwoordt over den Doop, ghestelt in zijn ghevanckenisse 
voor zijn Dochter Cornellia": eene beknopte geloofsleer zonder 
eenige dichterlijke beteekenis, maar merkwaardig om de dui- 
deUjkheid en kernachtigheid, waarmee daarin over ieder ge- 
loofspunt van beteekenis in een enkelen alexandrijn een 
vraagpunt gesteld en in een vloeienden rijmregel er het ant- 
woord op gegeven wordt. In het volgend jaar verscheen eerst 
eene „ Uutlegginghe van het Gebedt ons Heeren", geschikt 
om op eene psalmwijs gezongen te worden, en daarna eene 
korte „ChristeUjcke Betrachtinghe des lydens Christi" en eene, 



16 HUGO DE GROOT'S KLBINERB OBDICHTBN. 

door sommigen aan De Gboot's broeder Willem toegeschre- 
ven, „Samenspraeck over de deught van weynigh spreken". 
In 1621 zag een geheele bundel „Christelicke Gesanghen, 
ghetrocken uyt het Oude ende Nieuwe Testament" het licht, 
in zuiver en vloeiend Nederlandsch berijmd, en op het laatst 
van zijn leven (in 1644) gaf De Groot nog in rijm eene 
„Uutlegginghe des Alghemeynen Sentbriefs van den Apostel 
Joannes" uit, waaraan, toen die vier jaar later, na De Groot's 
dood, herdrukt werd, nog de niet bijzonder gelukte vertaling 
van twaalf Katholieke kerkgezangen was toegevoegd en een 
merkwaardig „Gesangh" of klacht over de jammerlijke ver- 
deeldheid der Christenen, die door den geest der liefde en 
der waarheid nauw verbonden moesten zijn en als „schapen 
die één herder kennen", zich ook moesten laten „wennen tot 
één zelven stal"; maar helaas! zoo klaagt De Groot: „Als 
men 't wel versint, siende zijn wy blint, hoorend zijn wy doof; 
en men mach wel vragen in dees laetste dagen: waer is nu 
't geloof?" „Geen ydle waen toch is het die ons saligh maeckt", 
maar eene kracht van binnen, een licht der waarheid, dat in 
het gemoed ontbrandt door de werking der liefde tot God, 
zich openbarend in liefde tot den naaste. Vooral in het laatst 
van zijn leven was De Groot's ideaal de stichting van eene 
algemeene Christelijke kerk boven geloofsverdeeldheid, die alle 
waarlijk Christelijk voelende menschen ondanks hunne ver- 
schillende meéningen over ondergeschikte punten der gods- 
dienstleer broederlijk zou kunnen vereenigen. Vandaar ook 
in dit gezang zijn gebed, het laatste tevens dat hem van de 
lippen kwam: „Godt, die 't al vermeught, doet ons dese deught, 
doet dit wonder- werck : wilt genadigh heelen de verbroken 
deelen van de Christen -Kerckl" 

Behalve deze kleine gedichten waarbij nog enkele te voegen 
zijn uit den verzamelbundel „Verscheyde Nederduytsche Ge- 
dichten" van 1651, gaf De Groot in 1622 een uitvoerig dicht- 
werk in zes boeken uit: Bewys van den waren OodsdiensL Hij 
schreef dit leerdicht vooreerst om zich zelf in den tijd zijner 
gevangenschap te sterken in het geloof, maar vervolgens ook 
vooral om „zijnen lantsluiden, inzonderheit die de zee bouw- 
den, met dit werk te dienen, opdat ze hunnen tydt in de 
leedigheit der lange zeereizen nuttelyck moghten besteeden en 



n 



BKWYS VAN DEN WAREN GODSDIENST." 17 



zich van kennis voorzien om hunnen Godtsdienst te konnen 
verdeedigen, den ongeloovigen, den Heidenen, Jooden enMa- 
humetanen van de zaalighmaakende waerheit te overtuygen 
en 't Christenrijck verder uit te breiden'*. Hij wenschte, dat 
dit gedicht voor de zeelieden het middel zou worden om „diep 
in 't versenghde landt tot aen het winterhuys end' aen de 
zuyder asch 't Jerusalemsche kruys'* te brengen. 

Hij tracht in dat gedicht in heldere, vloeiende, maar pro- 
zaïsche alexandrijnen door verstandelijke redeneering eerst het 
bestaan van God en het goed recht van den godsdienst te 
bewijzen, vervolgens de voortreffelijkheid van het Christendom 
en de geloofwaardigheid van de Heilige Schrift te betoogen 
en eindelijk aan te toonen, dat het Christendom in waarheid 
en deugdelijkheid verre den godsdienst der Heidenen, Joden 
en Mohammetanen overtreft. Uit het geheele gedicht straalt 
ons een geest van gematigdheid en vrijzinnigheid tegen, die 
De Groot altijd heeft gekenmerkt en die hem meer oog deed 
hebben voor hoofd- dan voor bijzaken. Ook hier reeds komt 
het uit, hoezeer hem de eenheid der Christenen ter harte 
ging: ,Wilt u niet scheurelick van vele Leeraers roemen", 
zeide hij, ,,maer laet u allegaer na éénen Leeraer noemen, ge- 
lijck ghy alle zijt in éénen naem gedoopt". Ook toonde hij 
zich, zelfs in dit zuiver theoretisch gedicht, grooter voorstander 
van het practisch dan van het dogmatisch Christendom. Hij 
wenschte, dat men de niet-Christenen voor het Christendom 
zou winnen „soo door 't gesonde woord als door een heyligh 
leven, betoonende door 't werck de waerheydt van de leer eii 
door der knechten deught de goedtheyt van den Heer". Aan 
zijn „schoon Holland", de „bloem der Nederlanden", droeg 
hij zijn dichtwerk op, en, zijn er fouten — met dit aandoenlijk 
verzoek besluit hij het gedicht — „verschoont veel liever 't 
werck dan dat ghy 't bitter laeckt, en denckt, och Heer! het 
is te Louvesteyn gemaeckt." 

In 1627 heeft De Groot dit gedicht met uitbreiding en 
verbetering in Latijnsch proza vertaald, en onder den lateren 
titel „De Veritate religionis Christianae" is het wereldberoemd 
geworden. Zeker hebben weinige werken ooit zooveel opgang 
gemaakt als dit, want .ofschoon het, in het Latijn telkens 
weder herdrukt, in alle landen kon gelezen worden, is het 

2 



18 ANDERE ROTTERDAMSCHB DICHTERS. 

bovendien nog, en soms meermalen, vertaald in het Pransch, liet 
Hoogduitsch, het Engelsch, het Deensch, het Zweedsch, het Ma- 
gyaarsch, het Arabisch, en ook in het Nederlandsch, voor de tweede 
maal door Joachim Oudaen. In verzen is het Nederlandsch ge- 
dicht in 1631 door Martin Opitz in het Hoogduitsch vertaald. 

Opmerkelijk is het zeker, dat deze groote humanist zich in 
het Nederlandsch b\jna uitsluitend, en zelfs in het Latijn ge- 
woonlijk, als stichtelijk dichter heeft doen kennen en geschre- 
ven heeft in een trant, die volstrekt geen invloed van de 
Renaissance op hem kan doen vermoeden, ofschoon hij die 
natuurlijk beter dan iemand anders kende. 

Toen HuGO de Groot nog pensionaris van Rotterdam was, 
woonde daar ook een zanglievend naamgenoot van hem, 
Lauwbrens de Groot met zijn zoon, den zilversmid Heyn- 
DRiCK Laüwbrbnsz. DB Groot, wier reeds vroeger in verschil- 
lende liedboekjes verspreide stichtelijke liederen, met nog vele 
nieuwe vermeerderd, in 1620 bijeenverzameld uitkwamen onder 
den titel De Orote Korenbloem met een Oroen Spruytjen als toe- 
gift in 1622. Zooals de zoon in de voorrede van den eersten 
bundel zeide, gaf hij zijne liederen uit, omdat „des Heren 
Apostelen in huer Zeynd-Brieven de Ghemeynten Ghoods ge- 
raden hebben, huer onder malkanderen te stichten met geeste- 
lycke gezangen in der Ghenaden". Grooten dank was hij, 
zooals hij daar tevens zeide, verschuldigd aan de hulp en 
voorlichting van Abraham Mathysz. van Ghbrwen, die „wel 
gheoeffent was in de Maat van Dichten, als mede in de weten- 
schap van het Neder-Duyts wel spellen, ende die oock alle 
vreemde woorden van ander talen vermeed". 

Met Van Ghbrwen samen maakte Heyndrick de Groot 
o. a. ook een „konkordansi-lied'' op de letters van 't A.B.C, 
in alexandrijnen, waarin lettergrepen met en zonder klem- 
toon elkaar regelmatig afwisselden. Van Gherwbn was bijzonder 
daarop gesteld, zoodat hij er zelfs een geheel pleidooi voor 
hield in een spel-, taal- en dichtboekj e, getiteld „Voor-loperken, 
inhoudende: Een kort onderricht der Letter-kunst", in 1624 
door hem uitgegeven te zamen met zijn liedboekje De Qhulde 
Fonteynader. In dien bundel komen ook stichtelijke liederen 
voor van Heyndrick de Groot en verschillende andere vrome 
zangers, die echter niet allen Rotterdammers waren. Vóór 



ANDBRB ZUIDHOLLANDSCHE DICHTERS. 19 

dien tijd (in 1617) had hij reeda een veel grooter liedbundel 
uitgegeven: De Ohulde Zangfonteyne, bestemd om „veel Fon- 
teyntjens (dat zyn ghelovighe harten) te winnen om te beleven 
tgheen dat hierin verhaald staat totter hooghster zaligheyd". 
Ook daarin vindt men naast talrijke klinkdichten en liederen 
van hem, waaronder een gi'oot aantal naamdichten, verscheidene 
liederen van Lauwerens en Hbyndrick de Groot en van 
anderen, met name van Jan Senten, die ook zelf eigen stich- 
teUjke liederen met die van anderen uitgaf in een bundel, 
getiteld De nieuwe vrucht des vrynstoch (1625). Al deze bundels 
zijn misschien meer van belang voor onze kennis van het 
godsdienstig oefeningsleven in dien tijd, dan van beteekenis 
voor de kunst, al getuigen zij ook van eene groote liefde voor 
den zang in ernstige kringen. 

Onder de Rotterdamsche rederijkers trad in dien tijd J. J. 
VAN Wassenburgh op den voorgrond, zooals onder de Schie- 
damsche rederijkers Jacob Dwinglo en Jan Barthout, die 
wij reeds noemden, W. Nieupoort en Gerrit Martens, die 
lid was der (vermoedelijk Brabantsche) kamer „'t Vijgeboom- 
ken". Van Job van de Wael, de ziel der Vlaardingsche 
kamer, hebben wij reeds een paar maal gesproken. Als dichter 
van de Maaslandsche kamer „Den Olijfboom" hebben wij 
GiDEON LoocKEFiER te Vermelden. P. Tanenburch was op *t 
eind der zestiende eeuw een Bleiswij ksch dichter. 

Delft, dat aan de Maas haar grooten Rotterdammer Erasmus 
niet behoefde te benijden, omdat „De Groot ruim zoo groot'' 
was, kon zich, behalve op hem, ook nog op een ander ver- 
dienstelijk dichter beroemen, namelijk op Johannes Stalpaert 
VAN DER WiELE, eigenlijk in Den Haag (in 1579) uit een 
aanzienlijk geslacht gesproten, maar, na eerst te Orleans in 
de rechten gepromoveerd te zijn en vervolgens te Leuven en 
ook te Rome theologie gestudeerd te hebben en gedoctoreerd 
te zijn, in 1612 te Delft pastoor en in 1615 aldaar rector van 
het begijnhof en St.-Aagtenklooster geworden. 

Onder de Noordnederlanders staat hij, althans in het eerste 
kwart der zeventiende eeuw, als Katholiek vertegenwoordiger 
der poëzie zoo goed als alleen. Zijne gedichten zijn van tweeërlei 
aard. Deels zijn het lofzangen ter eere van heiligen of dichterlijke 
levensbeschrijvingen van heiligen, deels zijn het strijddichten 



20 JOHANNES STALPABRT VAN DBR WIELK. 

tegen de ketters en voor de moederkerk. Tot de laatste be- 
hooren negen gedichten, gevoegd achter de negen handelingen 
of samenspraken tusschen Pieter den Reyzer als verdediger 
en Abacuk als bestrijder der katholieke leerstellingen, in 1624 
uitgegeven onder den titel Roomsche reys. Behalve het zesde 
gedicht (of bescheid op de zesde handeling), dat in alexan- 
drijnen geschreven en in zes sectiën verdeeld is, zijn zij alle 
geschreven in korte versregels van acht lettergrepen, in gemeen- 
zamen, keuvelenden toon en minder hatelijk dan de liederen, 
die (in 1631) na zijn dood uitkwamen onder den titel Extractum 
Catholicum tegen alle gebreken van verwarde hersenen. Ofschoon 
de 170 doses uit dezen „likkepot", zooals hij zijn bundel ken- 
merkt, alle geschreven zijn in liedvorm met de wijsaangifte 
er boven, is de toon er over het algemeen redeneerend en 
niet zelden ook spottend en schimpend. Dikwijls begint zulk 
een lied met eene min of meer uitgewerkte bewering tegen 
de Kerk in een vorm, waarin men die inderdaad soms van 
de tegenpartij kon vernemen, en daarop volgt dan gewoonlijk 
eene vrij hatelijke weerlegging. Aan het eind van den bundel 
gaf Stalpaeet nog „een peperhuysken" met vijf en twintig 
liedjes of „bygevougde confijten, bequaem om de voorgaende 
recepten oorbaerlijk te versuykeren", en inderdaad getuigend 
van veel gevoel, ook voor het zangerige, en ook wel van 
schertsende vroolijkheid. 

Hooger waarde echter dan zijn hekeldicht bezitten zijne 
heiligenliederen, waarvan bij zijn leven drie bundels uit- 
kwamen. De eerste, *t Hemelrijck^ is eene verheerlijking van 
den martelaar Adrianus, rechter van Nicomedië, in 26 korte 
gedichten. De tweede, De Evangelische Schaty geeft in 16 gedichten, 
wat meer in verhaaltrant, de geschiedenis van St. Laurens en 
St. Hippolytus, waartoe de dichter zich nog te meer opgewekt 
gevoelde, omdat St. Hippolytus de patroon was van Delft, „de 
martelaer des Heeren**, dien „de bultige Lorrain tot Capitain van 
zijn geboude stad" koos. Beide bundels kwamen in 1621 uit en 
zijn geschreven in alexandrijnen, die bij de tijdgenooten den 
naam hadden, bijzonder vloeiend te zijn, omdat aan den gewonen 
Nederlandschen zinbouw nooit geweld wordt aangedaan en de 
caesuur steeds valt na de zesde lettergreep. Door die nauw- 
keurige regelmaat herinneren ons de verzen van Stalpakrt 



JOHANNE8 8TALPAERT VAN DER WIELE. 21 

telkens aan de groote dichtwerken van Cats, ofschoon het niet 
zeer waarschijnlijk is, dat hij daarvan den invloed onderging. 
In denzelfden trant gaf hij in 1622 uit : Vrouwelick Cieraet van 
Sint Agnea versmaedt: eene verheerlijking dezer martelares in 
achttien gedichten, eindigend met eene herinnering aan het 
overbrengen van haar gebeente (in 966) naar „'t Bataviersche 
riick" en het bisdom Utrecht. In eene voorrede en eene toe- 
eigening in verzen wordt door den priester gepleit voor een- 
voud in de kleeding der vrouwen. 

Ofschoon deze drie bundels zich aangenaam laten lezen 
door wie met eenige breedsprakigheid vrede kan hebbeu, 
moeten zij toch onderdoen voor de uitgebreide verzameling 
geestelijke liederen, die Stalpabrt allengs voor zijne gemeente 
bijeenbracht, zoodat zij ten slotte een voUedigen bundel vorm- 
den, de hooge feesten en de heiligen van lederen dag des 
jaars verheerlijkend en dus als het ware eene dichterlijke 
Legenda Aurea uitmakend. Eerst in 1634, na 's dichters 
dood, kwam deze bundel van de pers onder den titel Den 
Schat der geestelycke Lofsangen, Daarin is inderdaad een schat 
van welluidende liederen vergaderd, van welke het lied voor 
21 Januari, „Sint Agnes' Bruyloft", met het refrein „Stroyt 
roo roos' en lelyblaen: Agnes sal te Bruyloft gaen", terecht 
eene groote bekendheid heeft verworven; doch als verdienste- 
lijk Katholiek loflied staat het in dezen bundel allerminst 
alleen. Ook St. Dorothea, St. Bonifaes, St. Lutgardis, St. Maria 
Magdalena, St. Ignatius Loyola, St. Jan (de dooper), de zalige 
Joannes Ruysbroeck, St. Bibiana, St. Columba en anderen 
worden er verheerlijkt in liederen, hunner waardig. „Pi'inci- 
pium a Jesu'*, zoo wijzigde Stalpaert het classieke „a Jove 
principium", en daarom begon hij zijn bundel ook met eene 
opdracht aan Christus: „Ryst, myn Sinnenl ryst myn Sangh ! 
Ryst myn Sinnenl Ryst myn Psouter! om te loven 't heilig 
Outer van myn God u leven langh": met deze aanvangs- 
woorden van de opdracht wekte hij zich zelf op, om God te 
verheerlijken, zooals eenmaal David dat had gedaan; en dat 
deze opwekking niet tevergeefs is geweest, getuigt Stalpabrt's 
geheele liedbundel. 

Begeven wij ons nu van Delft naar Leiden, dan is het 
hoofdzakelijk om de namen van eenige reeds besproken Leid- 



22 LEiDSCHE dichters; jan jansz. orlbrs. 

sche dichtei's in de herinnering terug te roepen. Naast Daniël 
Heinsiüs en Petrus Scriveriüs, de alom bekende hoofd- 
dichters van het Bataafsch Athene, vonden wij daar ook 
reeds den hoogleeraar Jan Bodecher Benningh. Als leden van 
de kamer „De Witte Acoleie" deden zich, naast Salomon 
Davidsz. van Delmanhorst in 1597 en H. van den Bergh 
in 1613 als factor, ook Matthijs Harmansz. van Crenbn- 
BORCH in 1597 als keizer en Jacob Gommersz. van Noorde 
in 't zelfde jaar als prins der kamer kennen, en verder nog 

CORNELIS BOüWENSZ. VAN SiMPüL, ClAES JaNSZ. VAN DE VeU- 

LEN, Joris van den Burch, D. V. Codde, P. Verhagen en 
vooral de kamerzot Pieter Cornelisz. van der Morsch, ter- 
wijl leden van de Brabantsche kamer „De Orangie Lely'* 
waren: Jacob Düym, Jacx)büs Celosse en Maerten Beheyt. 

Tot de Leidsche dichters behoorde in dezen tijd ook nog de 
reeds terloops door ons genoemde neef van Jan van Hout, 
Jan Jansz. Orlers, ofschoon hij zich meer als prozaschrijver 
dan als dichter bekend maakte, vooral door zijne in 1614 
uitgegeven en later meermalen herdrukte „Beschryvinge der 
stad Leyden*', waarvoor de bouwstoffen al door zijn oom Van 
Hout bijeengebracht waren. Vóór dien tijd (in 1610) had hij 
in „Der Nassauschen Laurencrans" reeds eene „beschryvinge 
en afbeeldinge" gegeven van alle overwinningen, door Prins 
Maurits zelf of gedurende zijn stadhouderschap door anderen 
behaald. Van zijne liefde voor het Oranjestamhuis getuigde 
ook nog in 1616 zijn „Geslachtboom der Graven van Nassau". 
Te Leiden 6 Januari 1570 geboren, had hij zich in Amster- 
dam op den boekhandel toegelegd, tot hij in 1596, tegelijk 
met zijn huwelijk, zich te Leiden als boekverkooper neerzette. 
Prins Maurits bracht hem daar in 1618 in de regeering en 
hij klom er vervolgens tot schepen en tot burgemeester op. 
Den lOden Augustus 1646 is hij er overleden. In zijne spreuk 
„OoRdeeLt sondER twiSt" is niet alleen zijn levensbeginsel, 
maar ook zijn naam vervat. 

Als dorpsrederijkers onderscheidden zich te Noord wijk Pie- 
ter VAN BüRGERSDiJCK, te Zoetcrmccr H. van Adrichem en 
te Warmond P. van Leeuwen en J. Blansabrt. 

Noord-Holland deed in dichtoefeningen voor Zuid-Holland 
niet onder, en Haarlem toonde zich ook in dit opzicht eene 



HAARLEMSCHB DICHTERS. 23 

kanststad, al was de oude hoofdplaats van Eennemerland ook 
hierin, zooals in zoovele andere dingen, gedwongen haars on- 
danks allengs de meerderheid van Amsterdam te erkennen. 
Als factor van de „Pellieaen" kennen wij Pieter Aelbertsz., 
van wien op Pinkstermaandag 1590 op de Groote Markt een, 
nog alleen in handschrift bewaard, spel der Machabeën werd 
gespeeld en van wien wij verder nog een sinnespel bezitten, 
waarin vertoond werd „hoe sommich mens al sijn goed be- 
roeft is ende daerom bijna in desperaetie is." Later waren 
H. SoETENDAL factor en Jacob Jansz. van der Beets prins 
van deze kamer. Tot de oudere leden van de karaer „De 
Wyngaertrancken" behoorde Jan Prins, dichter van een spel 
„Van die daet der tirannen" en van een ander „Van d'een- 
voudige mensch die soect daer hy Chrysto best mee behaghen 
can" (1597), en tot de jongere Adam van der Hagen, Jonas 
VAN Ghbrwen en, als een der ijverigste, de reeds meer dan 
eens door ons vermelde Govert van der Eemd. Vooral waren 
er vele schilders van deze kamer lid, met name Frans en 
Dirck Hals, Salomon de Coninck, Simon de Bray, Jan Claesz. 
Loo, Esaias van de Velde, Jan Wijnants, Gerrit Dircksz. 
Brouwer, Adriaen Brouwer, van wien wij enkele versrjes 
over hebben, onder zijne eigene etsen geplaatst, en Steven 
Teünisz. van der Lust, die in veel later tijd (in 1652) 
„Haerlems langhe en strenghe Beleegeringhe ende het over- 
gaen derselver stadt door het scherpe sweerd der ellende*' ten 
tooneele zou brengen onder den titel: „De herstelde Hongers- 
dwang", en van wien in hetzelfde jaar een treurspel „Onghe- 
blanckette Maria Stuart, coninginne van Schotlandt en Ghe- 
waende coninghin van Enghelandt, gedoemt ende gestraft", 
zou gedrukt worden als strijdschrift tegen Vondbl's „Maria 
Stuart", nadat reeds te voren (in 1644) van hem op AUer- 
kinderendag speelswijs de „Kinder-moort van Herodes, begaen 
aen de Bethlehemsche Suyghelingen" door de kamer vertoond 
was. Leden van de Brabantsche kamer „De Witte Angieren" 
waren o.a. Jacob van der Schüere en Pieter Vergeelseune. 
De Haarlemsche boekdrukkers Paschier van Wbstbüsch 
en Vincent (of 2000, zooals hij zich soms schreef) Castelbyn 
maakten zelf gedichten, evenals zij er anderen toe opwekten. 
Ook David van Horenbeeck, de schrijfmeester der Latijnsche 



24 SAMUEL ampzing; alkmaarschb dichtrrs. 

school, besnaarde zoo nu en dan de lier, o.a. in 1618 ter eere 
van Prins Maurits met zijn „Nassous Lof-gesangh", en ook 
ter eere van zijn „goeden vriend", den Haarlemschen predi- 
kant Samubl Ampzing, die onder al zijne rijmende stadge- 
nooten verreweg de vruchtbaarste was, maar zich het meest 
verdienstelijk maakte met de prozatoevoegsels tot zijne be- 
rijmde „Beschryvinge ende lof der stad Haerlem" (1628), 
waarin ook Scriverius' „Laure-kranz voor Laurens Koster 
van Haerlem, eersten vinder van de Boeck-druckerye" is op- 
genomen, en waarvan de voorrede ook „eenig onderwijs van 
onse Nederduytsche Sprake ende Spellinge" geeft. De overige 
dichtwerken van Ampzing zijn bijna alle van stichtelijken 
aard. In 1624 gaf hij een „Rym-Catechismus" uit en in 1631 
in zijn „Bibels Tresoor*' eene beknopte inhoudsopgave van 
alle bijbelboeken in rijm. Zelfs in de liederen van „De Chris- 
ten-Hoogtiiden" kon hij niet anders geven dan berijmd proza, 
ofschoon hij zich toch boven de prozaschrijvers verheven 
achtte door „de Rymkonste eene gave van den Here" te 
noemen en te zeggen, dat „de rijm wat meer op de ribben 
ende wat meer werks aen sich heeft als de Prosa, ende dat 
veele buyten rijm wel wat konnen doen, dat ze in den rijm 
moeten nalaten." Wij willen hem gaarne de eer geven van 
behoorlijk te kunnen rijmen, en bevelen overigens deze en 
andere werken van hem aan bij allen, die stichting boven 
kunstgenot stellen. 

Te Alkmaar, waar ook eene rederijkerskamer de dichtkunst 
beoefende, deed zich Pibter Cornelisz., die er tot 1610 het 
predikambt vervulde, reeds op het eind van de zestiende eeuw 
als dichter kennen, o.a. door een „Referein en Liedt, ghe- 
maect op den blyde Incomste" van Graaf Maurits te Alkmaar 
in 1594. Een Alkmaarsch leeraar der Doopsgezinden, die zich 
later te Amsterdam als boekverkooper neerzette. Jan Philipsz. 
Scababue, schreef geestelijke liederen, die een groot gedeelte 
uitmaken van „Het Ryper Liedtboecxken'' van 1624, dat 
eenigen tijd later steeds samen in één band werd uitgegeven 
met „'t Gheestelijck Kruydt-Hofken" en nog een „Achter- 
Hofken". 

Meer echter dan genoemde dichters deed de Alkmaarsche 
predikant Adolphüs Tbctandbr Venator of Db Jager van 



AD0LPHÜ8 TECTANDKR VENATOR. 25 

zich spreken door de beroering, die er om zijn persoon in 
de gemeente kwam, daar hij in 1610 na dertienjarige ambts- 
bediening wegens onrechtzinnigheid door de classis van Alk- 
maar als predikant ontslagen, maar door de Stedelijke Re- 
geering en de Staten van Holland en West-Friesland in zijn 
ambt gehandhaafd werd. In 1617 echter, toen hij een, weder 
naar veler meening kettersch, • theologisch geschrift had uit- 
gegeven, was hij niet meer te redden: hij ontving zijn ontslag 
en zag zich zelfe, uit vrees voor erger, genoodzaakt eenigen 
tijd later naar Frankrijk uit te wijken, waar hij in 1619 
overleed. 

Als dichter kennen wij hem o.a. door een in 1604 uitgege- 
ven „Nieuw-Jaers-Dicht" ; maar buitendien toonde hij zich 
vooral een liefhebber van tooneelpoëzie. Door eenige leerlin- 
gen, die hij in het Grieksch en Latijn onderwees, liet hij zelfs 
binnenshuis eene comedie van Terentius vertoonen, wat reeds 
aan velen aanstoot gaf; maar erger maakte hij het nog in 
het oog van de streng-rechtzinnigen, die beweerden, dat dit 
„met de deftigheit van sijn ampt niet genoeg overeenquam'*, 
toen hij ook zelf in den trant van het Latijnsche schooldrama 
in 1603 een tooneelstuk uitgaf, getiteld „ Reden- Vreucht der 
Wijsen in haer wellust en Belachen der dwasen quel-lust in 
't lachen Democriti". Daarin laat hij Democritus optreden als 
bespotter van de dwaasheden zijner medeburgers en daarom 
voor krankzinnig gehouden door de Abderieten, die den medi- 
cijnmeester Hippocrates uitnoodigen, hem gade te slaan en 
zijne krankzinnigheid vast te stellen, maar die tot hunne verbazing 
moeten ondervinden, hoe deze wijze geneesheer over den nog 
wijzeren spotter in verrukking geraakt, zoodat hij luide ver- 
klaart: „O wat een dapperen man heb ik bevonden! Wat 
tongh can ghenoech zijn wijsheit vermonden! Wat heerlijcke 
leeringh heb ick ontfanghen! O, mannen, ick weet het u 
grooten danck, dat ghy my hebt gheroepen. Ick heb veel van 
hem gheleerd". De stof voor zijn spel had Venator aan ver- 
schillende Grieksche schrijvers ontleend, zooals hij zegt in de 
opdracht aan zijn vriend Jan Nachtegael, den oudsecretaris 
van Sonoy. In die opdracht geeft hij ook eenige rekenschap 
van taal en versbouw, waarvan hij zich bediende. Rijm heeft 
hij alleen gebruikt om zijn spel „te soeter in 't lesen ende 



26 ADOLPHÜS TECTANDBR VENATOR. 

lleflijcker in 't hooren te doen vallen", maai" „aen de mate" 
heeft hij zich „niet nau ghebonden, opdat door de vrijheyt 
ende minder op malcander vallen des dichts het te meerder 
met de ongebonden reden soude moghen overeencomen". Ook 
daardoor heeft het stuk een wat ouderwetsch karakter, maar 
uitdrukkelijk geeft hij te kennen, dat hij met „den weispre- 
kenden Spieghel", met wien hij te Alkmaar ongetwijfeld in 
aanraking is gekomen, naar zuiverheid van taal heeft gestreefd, 
ook „om niet alleen van den proncksprekers ende haers ghe- 
lijcken, maer oock van den Boeren ende haer tael alleen 
wetenden verstaen te worden". 

In 1611 gaf Venator anoniem nog een 'veel uitvoeriger 
tooneelstuk in het licht, dat een zeer persoonlijk karakter 
draagt, namelijk „Een claer en doorluchtich vertooch van 
d'Alekmaersche kerckelicke gheschillen", waarin verschillende 
Alkmaarders onder zeer doorzichtige schuilnamen optreden 
en hij zelf onder zijn eigen naam eeue hoofdrol vervult. Het 
is voornamelijk gericht tegen zijn collega Hillenius en diens 
vrienden, die hem beschuldigd hadden van aanslagen op de 
eerbaarheid van twee zijner gemeenteleden, en die hij zoekt 
te weerleggen door dramatisch voor te stellen, hoe de zaken 
in werkelijkheid waren geschied en hoe de laster te werk was 
gegaan, om hem in een valsch daglicht te kunnen plaatsen. 
Dat hij inderdaad geheel onschuldig was aan hetgeen waar- 
van men hem betichtte, behoeft natuurlijk niet te volgen uit 
de vrijmoedigheid, waarmee hij hier de zaak voorstelt, maar 
mag gerust geloofd worden op grond van het vrijsprekend 
vonnis door den Hoogen Raad te 's-Gravenhage geveld. Het 
stuk kan beschouwd worden als een merkwaardig voorbeeld 
van de eigenaardige diensten, die de dichtkunst destijds be- 
wees, en is, omdat Venator's zaak in den lande zooveel ge- 
rucht maakte en zoo nauw samenhing met de kerkelijke 
twisten, ook historisch wel van eenige beteekenis. 

Ook het eigenlijke West-Friesland had zijne dichters, zelfs 
in den Noordoostelij ken uithoek, waar te Barsingerhorn reeds 
op het eind van de 16de eeuw de schoolmeester Dirck Adri- 
AENSZ. Valcoogh, later notaris te Schagen, zich door twee 
rijmwerken bekend maakte: den Beghel der Duytsche School- 
meesters (van 1591) en de ChronyckevanLeeuwefiho7'ii(vsLnlbd9), 



DIRCK ADRIAEN8Z. VALCOOGH EN CORN. PJETBRSZ. BIËN8. 27 

Het eerste dezer beide werkjes, waarin de vereiscliten voor 
de schoolmeesters, die tevens „prochie-kercken bedienen", 
uiteengezet en alleriei paedagogische lessen gegeven worden, 
en waarin, naast recepten (in proza) voor het maken van ver- 
schillende inktsoorten, ook eene korte muziekleer in rijm, be- 
rijmde gebeden en spreuken, dienstig als schrijf voorbeelden, 
zijn opgenomen, is voor de kennis van het schoolwezen in de 
16de eeuw van veel belang, maar verdient in eene geschiede- 
nis van onze letteren alleen hierom vermelding, dat het ons 
leert, hoe lang de middeleeuwsche traditie, om nuttige kennis 
liever in rijmvorm dan in proza mee te deelen, zich heeft 
kunnen handhaven. Valcoogh zegt zelf, dat hij zijnboeksken 
„in slecht rijm en Duytsch gbecomponeert" heeft, «om den 
jonghen Scholieren wille, die het rijm soeter ende gheneuch- 
lyker in de ooren clincket ende in 't herte connen drucken, 
dan sware redenen ende duystere materien*'. Opmerkelijk is, 
dat men een der meest bekende gedichtjes uit de „Stichtelyke 
Rymen" van Camphüyskn hier reeds aantreft in korter vorm, 
namelijk: „Hier moet gheleden zijn; Hier moet gestreden zijn ; 
Hier moet ghebeden zijn, Soo wy namaels willen in vreden 
zijn". 

Te Enkhuizen kwam in 1623 van de pers eene nieuwe 
dramatiseering in drie bedrijven van het Ovidiaansche ver- 
haal van Pyramus en Thübe, zonder veel handeling, maar met 
veel Uefdesbespiegeling, die niet anders dan hoogst middel- 
matig kan genoemd worden. Het was Cornklis Pietebsz. 
BiËNS, die daarmee beproefde, zooals hij zelf zeide, zijne „cleyne 
wiecxkens, die noch teer en swack waren, op sijn maniere uyt 
te breyden*'. Later schijnt deze Westfriesche dichter zich van 
het tooneel te hebben afgekeerd en bij voorkeur stichtelijke 
gedichten, ook in emb'ematischen trant, te hebben gemaakt. 
Zoo gaf hij in 1627 een „Handt-Boecxken der Christelycke 
Gedichten, Sinne-beelden ende Liedekens tot troost ende ver- 
maeck der Ghelooviger Zielen'' uit, maar eerst in den tweeden 
druk (van 1635) vindt men bij de zinnebeeldige gedichtjes 
ook prenten. In 1640 verscheen van hem nog een „Stichte- 
lyck Cabinet" en twee jaar later een „Profytelyck Cabinet 
voor den Christelycken Jongelingh", dat behalve zinnebeelden 
ook dialogische gedichten bevat. 



28 CORNELIS TABMSZ. EX DIRCE YELIUS. 

Een tijdgenoot van Valcoogh was te Hoorn Cornelis Taemsz., 
die, na een deel van Europa doorreisd en een uit het Fransch 
vertaalden spreukenbundel, Schat des Deuchts (in J 594) te heb- 
ben uitgegeven, toen hij even te voren tot rentmeester van 
Hoorn was benoemd, in Nov. 1600 op drieëndertigjarigen 
leeftijd een ontijdigen dood vond door 's nachts van de Am- 
sterdamsche veerschuit over boord te vallen en te verdrinken. 
Bij velen had hij ook als dichter groote verwachtingen ge- 
wekt, o.a. bij Van Mander en Zacharias Heynsz., met wie hij 
bevriend was, en zeer werd hij geprezen, „hoewel in de La- 
tijnsche tale niet sonderlingh ervaeren'*, om „zyn fraye en 
aerdighe Duytsche Poësijen, die hy een van de eerste wat 
neerstigher be wrocht en op haer cesuren en behoorlijcke raaet 
ghebracht heeft, hebbende daerin 't behulp van de Italiaensche, 
Fransche, Spaensche, Portugysche en Hoogduytsche Talen, die 
hy neerstigh gheleert en oock de Poëten, die in yder tael 
gheschreven hebben, met groote sorchvuldicheyt ghelesen 
hadde". 

Eene ode van hem „tot lof van den Banne van Hoorn**, 
waaruit wij eenig denkbeeld van zijne dichtgaven kunnen 
krijgen, is opgenomen in het werk, waaraan de aangehaalde 
woorden ontleend zijn, namelijk de Chronück van Hoorn, een 
prozawerk, in 1617 opnieuw en veel vermeerderd in 't licht 
gezonden door Dirck Velius, die, na eerst te Leiden gestu- 
deerd te hebben, in 1694 te Padua tot doctor in de medicijnen 
promoveerde en zich vervolgens in zijne geboortestad Hoorn 
als geneesheer neerzette, waar hij ook van 1600 tot 1618, 
toen Prins Maurits er de wet kwam verzetten, lid van de 
vroedschap was. Behalve klinkdichten en andere Nederlandsche 
verzen heeft hij ook Latijnsche gedichten geschreven, van 
welke een der uitvoerigste, „Westfrisia", in 1648 door den 
Hoornschen rechtsgeleerde J. de Groot in Nederlandsche 
alexandrijnen is overgebracht. Zijn meesten naam echter maakte 
hij door zijne „Chronück'*, in 1648 opnieuw gedrukt en toen 
versierd met zijn portret, waarvoor Vondel een bijschrift 
dichtte. 

Andere lofdichten op dit werk doen ons in 1617 als Hoom- 
sche dichters kennen : den Medicinae doctor en Doopsgezinden 
leeraar Antoni Roscius, die in 1624 zoo ongelukkig aan 



i 



. ANDBRE HOORNSCHK DICHTERS. 29 

zijn einde kwam, toen hij, met zijne jonge vrouw van Hoorn 
naar Amsterdam rijdende, door het ijs zakte en, terwijl het 
water op zijne lippen bevroor, gloeiend van liefde stierf, zooals 
Vondel in een klinkdicht op dit ongeval zeide; Jan Boulisz 
en Israël van der Meersch, van wien liederen en leerdich- 
ten, o.a. een lofdicht op Hoorn van 1605, in handschrift be- 
waard zijn. Ook diens vader Jacob van der Meersch maakte 
zich reeds op het eind van de 16de eeuw als dichter bekend, 
o.a. door „Tgroote Raedtsel-Boeck * inhoudende dry hondert 
nieuwe raedtsels met d'uytlegginghe van dien, in rijme vervaet," 
waarvan in 1614 een tweede druk verscheen. 

In denzelfden tijd leefde daar nog een ander chronyckschrij- 
ver, die den ondergang der tyrannen vanhet begin onzer jaar- 
telling af in twee deelen beschreef (in 1620 uitgegeven), 
PiETER Jansz. Twisk, te Hoorn in 1566 geboren en daar tot 
zijn dood in 1636 Doopsgezind leeraar. Wij kennen hem 
ook als dichter van klaag- en vermaanliedekens en van rijm- 
bespiegelingen over en vertaling van psalmen. 

Hoorn was vooral trotsch op de familie Hogerbeets, die haar 
zoovele geleerden schonk, o.a. den Latijnschen dichter Pieter 
HoGEBBEETS, die ook een enkel Neder landsch gedicht gemaakt 
heeft ter eere van Van Mander, en Mr. Johan Bbbts, Rom- 
bout Hogerbeets' neef en trouwen metgezel te Loevestein, 
die in 1626 aan het eind van zijn studententijd een „bly-eind- 
spel Melissa^' uitgaf en later nog een ander spel, Daphne of 
Boschvryagie, schreef, maar zelf niets meer in 't licht schijnt te 
hebben gezonden, zoodat eerst in 1669, een jaar na zijn dood, 
zijne , Dichtkunst 7an verscheide stoffen" werd uitgegeven door 
zijn schoonzoon Dr. Fran9ois Adriaensz. Piëns. 

Dat ook in Noord-Holland overal het gezang in eere was, 
weet iedereen. In allerlei gezellige bijeenkomsten werd daar 
gezongen, bij feesten en bruiloften vooral. Dan brachten de 
gasten, indien althans de gastheer zelf er geene uitdeeling van 
hield, van die miniatuurboekjes mee, in segrijnlederen of 
fluweelen, en ook zoogenaamde krette (of schildpadden)- 
bandjes, dikwijls met kleine zilveren of gouden slootjes of 
krabbetjes : boekjes, die ook nu nog onder den naam van 
mopsjes in de herinnering zijn bUjven voortleven. Dien naam 
hebben zij allervermoedelijkst te danken aan de veld- of 



30 DE NOORDHOLLAND8CHE „MOPSJKS". 

herderszangen, die er in voorkomen en waarin meermalen de 
herder Mopsus (uit Virgilius' Bucolica) optreedt, o. a. reeds in 
een der eerste liederen met het bijschrift „Coridon hoorende 
Mopsus klagen spreekt hem aan" en de aanvangsregels: „Lieve 
Mopsje, wil je sterven, maakt doch eerst u testament*'. 

Aanvankelijk hadden de meeste Noordhollandsche steden 
ieder haar eigen mopsje van geringen omvang. De oudste van 
deze dagteekenen waarschijnlijk reeds uit het eerste kwart 
der zeventiende eeuw, maar daar deze uiterst zeldzaam zijn 
en een jaartal op den titel, ook later, bijna altijd ontbreekt, 
is de Mopsjeslitteratuur moeielijk te dateeren. Al spoedig schijnen 
twee of meer van die liedboekjes vereenigd te zijn uitgegeven, 
wat den naam „dubbel Mopsje" in de wereld bracht. Van 
dien aard kennen wij uit later tijd „'t Groot Hoorns, Enk- 
huyser. Alkmaarder en Purmerender Liede-boek ' met een 
vervolg, dat in zijn geheel wel eerst uit het laatst van de 
zeventiende eeuw zal dagteekenen, en waarin ook het Edam- 
mer Liedboek is opgenomen. Aan lofliederen op die steden 
ontbreekt het er niet. „Alkmaar wel schoone stee", klinkt het 
in een van die liederen; „o schoone stad van Purmerend", 
in een ander. Ook treffen wij er een „Enkhuyser vryers-lied" 
in aan. In het eerste deel hebben de bruiloftsliederen verre 
de overhand, waarbij het opmerkelijk is, dat de meeste een 
stichtelijk, soms schriftuurlijk karakter vertoonen en daardoor 
grillig afsteken tegen de eenigszins precieuse herderszangen, 
die er naast staan, of de samenspraken op muziek, zooalsb.v. 
de „ Boere- Vryagie" met den aanhef: „Goeden avond, blanke 
Leysje", en vooral tegen de drinkliederen, zooals het bekende 
lied op den Rijnwijn van het „Oud manneken van tachentig 
jaren" (door J. Engels) met het refrein: „O Rinsche wijn, 
Gij maakt geen flerecijn! Ik moet, sey dat oud manneken, 
nog drinken eens een kanneken; ik moet, sey dat oud man- 
neken, nog eensjes vrolijk sijn !" Zelfs aan ondeugende liedjes 
ontbreekt het in den bundel niet: wij vinden er o. a. ook 
Starter's lied van Bommelalire, als een bewijs bovendien, 
dat niet alle liedjes het werk zijn van dichters uit de plaatsen, 
die deze liedboekjes haar eigen noemden. Nog enkele andere 
liedjes zijn uit vroegere bundels overgenomen, maar slechts 



DB ZBBUWSCHE RBDBRTJKKR8KAMBR8. 31 

onder zeer weinige vindt men naam of kenspreuk des dichters : 
de meeste zijn anoniem en zullen dat wel altijd blijven. 



XXII. 
De eerste dichtwerken van Jacob Cats. 

Zeeland wilde voor Holland niet onderdoen. Ook d&ér 
kwamen in het eerste kwart der zeventiende eeuw de dichters 
van overal voor den dag met de bewijzen van hunne liefde 
voor de poëzie. Minder dan in Holland ging daar de letter- 
kundige beweging van de rederijkerskamers uit, want deze 
waren er op het eind van de zestiende eeuw met geweld 
door de Regeering onderdrukt en leidden er een kwijnend 
bestaan. De Vlissingsche kamer „De blauwe Acoleye" gaf in 
1597 nog eenig teeken van leven door een bundel refereinen 
in het licht te zenden, maar zou verder zwijgen om eerst in 
1641 weder onder haar factor Vincent Matthijssen met 
verlof der Regeering een dichtwedstrijd uit te schrijven, waarop 
zeventien kamers (van Zeeland die van Middelburg, Veere en 
Goes) verschenen, en waarvan de vruchten het volgende jaar 
werden uitgegeven onder den titel „Vlissings Redens-lusthof '. 
In Zeeland waren het meest heeren van eenig aanzien, regeerings- 
personen, die buiten de kamers om zich aan de dichtkunst 
wijdden en gezamenlijk optraden onder aanvoering van den 
man, die als van zelf was aangewezen om hun aller hoofd te 
zijn: Jacob Cats. 

Deze was 10 Nov. 1577 geboren te Brouwershaven, waar 
zijn vader Adriaen Cornelisz. Cats tot de gezeten burgerij be- 
hoorde en lid van de vroedschap was. Met zijn broeder Cornelis 
en zijne beide zusters, alle ouder dan hij, werd hij bij zijn 
oom te Zierikzee opgevoed, omdat zijne moeder een paar jaar 
Da zijne geboorte was gestorven en zijn vader later getrouwd 
was met eene Fransche vrouw, aan wie zijne tante de opvoeding 
harer zusterskinderen niet wenschte toe te vertrouwen, om ze 
niet te doen verfranschen. Na zijne schooljaren te Zierikzee 
doorgebracht te hebben, bezocht hij de hoogeschool te Leiden 
om er letteren en vooral rechten te studeeren, en daarna was 



32 CATS' JONOBLINOSJAREN. 

liij geruimen tijd voor verdere rechtsstudie te Orleans, waar 
hij promoveerde en vanwaar het scheiden hem moeielijk viel, 
omdat hij er zoovele lieve vriendinnen had gevonden, want 
zijn „aert was van der jeugt genegen om te mallen en 't vrou- 
welijck geslacht dat heeft hem wel bevallen", zooals hij zelf 
zegt in zijn uitvoerig gedicht „Twee-en-tachtigjaerig leven.*' De 
naïeve openhartigheid, waarmee hij daarin vertelt wat hem in 
zijn lang leven weervoer, wat hij deed en misdeed, maakt dit 
gedicht tot eene betrouwbare bron voor de kennis ook van 
zijn gemoedsleven. De liefde tot het vrouwelijk geslacht was 
echter, zelfs in zijne jeugd, niet van wulpschen aard: „in 
eerbaer onderhout te praten, daer heeft hij 't altijd bij gelaten," 
en ofschoon hij te Orleans wel eene vrouw had kunnen vin- 
den, een zoogenaamd Leuvensch of studentenhuwelijk keurde 
hij af en eene vreemde vrouw mee te voeren naar zijn land 
scheen hem niet bevorderlijk aan beider geluk. Met een bloe- 
dend hart nam hij dan afscheid, toen hij vertrekken moest. 
In Parijs, waar hij vervolgens eenigen tijd verbleef, beviel 
het hem minder goed ; naar Toscane te gaan, waar hij verder 
had willen studeeren, werd hem niet toegestaan, en zoo kwam 
hij dan in ons land terug. 

In Den Haag zette hij zich neer, om er de rechtspractijk 
te leeren, en spoedig was hij geoefend genoeg om als advocaat 
te kunnen optreden. Als zoodanig maakte hij zich reeds als 
jong man grooten naam door het vrijpleiten van eene Goereesche 
vrouw, die van tooverij beschuldigd was. Het geloof aan hek- 
serij heerschte nog altijd onder het groote publiek, en zoo 
heeft dan ook Cats er het zijne toe kunnen bijdragen om 
aan de ellende, door dat wangeloof veroorzaakt, een einde te 
maken. In Den Haag bleef hij voor het vrouwelijk geslacht 
natuurlijk evenmin ongevoelig als elders: het kwam er zelfs 
tot eene verloving, die tot een huwelijk zou geleid hebben, 
als eene langdurige ziekte er hem niet toe gebracht had, ook 
nu ontrouw te worden aan zijne liefde. Na zeven maanden 
aan koorts geleden te hebben, gaf hij gehoor aan den raad 
om in andere lucht herstel te gaan zoeken. Hij begaf zich 
naar Engeland en bezocht er, behalve Londen, ook de hooge- 
scholen van Oxford en Cambridge, waar hij o. a. de lessen 
van den piëtistischen hoogleeraar William Perkens volgde. 



CATS ALS ADVOCAAT. 33 

maar de koorts raakte hij er niet kwijt. Toch, ofschoon ziek 
en lusteloos, had hij na zijn terugkeer in zijn vaderland de 
voldoening, de volledige vrijspraak te verwerven voor een 
jong man, die om het leven van zijn vader te redden een 
moord gepleegd had. Eindelijk, alle vertrouwen op de gepro- 
moveerde geneesheeren verloren hebbend, beproefde hij het 
met huismiddeltjes, die evenmin baatten, en toen, daar het 
leven zooals het nu voor hem was hem tegenstond, besloot 
hij eene laatste gevaarlijke kans te wagen en wierp zich, op 
raad van zijn broeder, in de armen van een alchimist, een 
duivelskunstenaar in het oog van menigeen ; maar hij deed 
het onder biddend opzien tot God, en zoo kon hij het dan 
ook later evenzeer aan Gods gunst als aan het roode poeder 
(waarschijnlijk quinine) van den alchimist toeschrijven, dat hij 
zich op eens een ander mensch gevoelde en plotseling voor- 
goed genezen was. 

De invloedrijke nensionaris van Middelburg, Apollonius 
ScHOTTE, die bijzonder belang in hem stelde, ried hem nu af, 
naar Den Haag terug te keeren, en bewoog hem, zich in 
Middelburg te vestigen, waar uit de kaapvaart telkens processen 
ontstonden. Hij deed het in 1603 en was er weldra een gevierd 
advocaat, die — ook als stadsadvocaat — meer te doen had, 
dan hij af kon. Nu werd het ook tijd voor hem om eene 
vrouw te zoeken. In de Waalsche kerk werd zijne aandacht 
getrokken door een lief gezichtje, dat hem geheel betooverde, 
zoodat hij haar om een praatje over de onderdeur verzocht. 
Spoedig waren zij het beiden eens ; maar Cats was zoo onvoor- 
zichtig geweest, niet vooraf te onderzoeken, wie het was die 
zijn hart had veroverd. Wat te laat vernam hij, dat haar 
vader „ter beurs veracht was en banckqueroet gespeelt" had 
en dat een jong advocaat, als hij, gevaar liep in Middel- 
burg de mooie positie, die hij begon in te nemen, weer te 
verliezen, als hij haar trouwde. Het bericht trof hem als een 
donderslag. Hij was geen man met krachtigen wil, zooals 
Coornhert, die voor eene geliefde vrouw zijne geheele toekomst 
op het spel durfde zetten, hij bracht in strijd en droefenis 
zijne dagen en nachten door, zinnend op een middel om zijne 
liefde te blusschen en geleidelijk den geknoopten band weer 
te ontknoopen. Het toeval was hem gunstig: met haar vader 

3 



34 CATS GEHUWD BN BKKBRRD. 

ytrock de jonge maegt naer Amsterdam" en bij het afscheid- 
nemen gaf hij haar wel genoegzaam te verstaan, dat hij haar 
niet zou volgen. Cats is over dit geval hard beoordeeld. Ook 
terecht? Welk vader zal Cats in dezen aan zijn zoon tot 
voorbeeld durven stellen ? Maar ook, wie zal een veroordeelend 
vonnis durven vellen over de velen, die evenzoo hebben ge- 
handeld als hij, en dikwijls met minder strijd en hartzeer? 

In Elisabeth van Valckenburg vond Cats in 1605 de vrouw, 
die hem paste. Zij was eene Amsterdamsche, maar te Ant- 
werpen geboren, van goeden huize en niet onbemiddeld, 
verstandig en huishoudelijk, af keerig van 't lezen van „roman- 
sche grillen'', maar op degelijke lectuur (b.v. van de levens 
van Plutarchus) gesteld, en bovenal godsdienstig. Dat huwelijk 
bracht eene geheele omkeering bij hem te weeg. Hij was in 
zijiiö «groene jeugt tot ydelheyt" geneigd, wereldsch zonder 
losbandig te wezen, en had er nooit behoefte aan gevoeld, lid- 
maat van een kerkgenootschap te worden. „Dat hy tot Gods 
Kerck ten lesten (in 1607) wert gebrogl", dat was het werk 
zijner vrouw, want Cats was meegaande van natuur. Zelf 
zonder veel initiatief, was hij gaarne bereid te doen wat hem 
met eenigen aandrang werd aanbevolen. Vrienden en bloed- 
verwanten vermochten veel op hem, zijne vrouw zeker niet 
minder, en personen met verdiende of aangematigde autoriteit 
het meest. Ook in zooverre is hij, ondanks zijne uitgebreide 
kennis, veelzijdige ervaring en zin tot nadenken en bespiegelen, 
levenslang kinderlijk gebleven in spreken, denken en handelen. 
Eerzucht bezat hij weinig. De aanzienlijke staatsambten, die 
hij later bekleedde, had hij in de eerste plaats aan zijne, vooral 
juridische, bekwaamheid en aan zijne schikkelijkheid te danken ; 
maar daar hij ze niet najoeg en ze zich telkens in den schoot 
zag geworpen, dankte hij ze aan Gods goedheid, zooals hy in 
zijne gedichten telkens doet uitkomen. 

Weinige jaren na zijn huwelijk brachten de omstandigheden 
ook eene verandering in zijne leefwijze: hij onttrok zich op 
het eind van 1611 aan de rechtspractijk om landbouwer te 
worden. Het sluiten van het Bestand gaf daartoe aanleiding, 
want dat deed er hem voordeel in zien, om met zijn broeder 
samen voor weinig geld ondergeloopen landen in Staats- 
Vlaanderen aan te koopen, droog te leggen en te bebouwen. 



CAT8 OP MUNNIKENHOP; ZIJNE EERSTE DICHTOEFENING. 35 

Op die wijze heeft hij zich, daar de oogst van één jaar soms den 
inkoopsprijs overtrof, in een tiental jaren een aardig kapitaaltje 
verworven en ook zelf van het buitenleven kunnen ge- 
nieten, al bracht hij dat ook juist niet geregeld te Groede, 
Biervliet of IJzendijke in Staats- Vlaanderen door, maar in de 
buurt van Middelburg op het oude, door de Middelburgsche 
abdij gebouwde lusthof Munnikenhof onder Grijpskerke. Daar 
was het zijn hoogste lust om „buyten alle sorg te sitten in 
het groen". Toch werd er ook in dien tijd reeds gal in zijn 
honing gemengd, zooals o.a. door het overlijden van zijne drie 
zoontjes, van welke hij het oudste op tienjarigen leeftijd 
verloor in het begin van hetzelfde jaar 1618, dat Cats als 
dichter zou zien optreden. 

Reeds in zijne jonge jaren was hij „tot dichten seer ge- 
negen" en op de school te Zierikzee schreef hij „menig vers in 
Roomsche taal," totdat „een eerbaer jongeling uyt Brabant 
daer gekomen", wiens naam ons ongelukkig onbekend is, hem 
eerst recht de regels der dichtkunst leerde. Toen kreeg hij ook 
„een nieuw vermaeck in de Zeeusche tael". Aan de Leidsche 
hoogeschool wist hij het zelfs zoover te brengen, dat hij 
Grieksche verzen kon maken, maar in Orleans werd het 
Fransch voor hem een en al: zijne „Zeeusche tael scheen hem 
plomp en sonder luyster", en zoo waren de „klaeg-dichten", 
waarvan hij vertelt, dat hij ze bij zijn vertrek maakte, onge- 
twijfeld in het Fransch gedicht. Van al die verzen uit zijne 
jongelingsjaren is ons niets bewaard gebleven, behalve hetgeen 
hij er, naar hij zegt, in de oudste zijner uitgegeven werken 
gewijzigd van heeft opgenomen; en zoo missen wij dan de 
gelegenheid om Cats in zijne ontwikkeling als dichter te 
volgen. Wanneer hij op veertigjarigen leeftijd optreedt, toont 
hij zich terstond een geoefend verzenmaker, meester over taal 
en rhythmus. 

De verhouding der seksen is levenslang het meest geliefd 
onderwerp zijner Muze gebleven, en daarom is het wel te be- 
jammeren, dat wij van hem niet, zooals van de meeste minne- 
dichters, een aantal van die subjectief-l)a'ische ontboezemingen 
overhebben, die, uit het hart komende, tot het hart spreken 
en dus juist de ware minnepoëzie vormen. In de oudste ge- 
dichten, die wij van hem kennen, handelt hij over de liefde 



36 CATS EN ANNA VISSCHER. 

als een veertigjarig huisvader, die reeds verscheidene jaren 
het huwelijksleven geleid had met eene zoo al niet gestrenge 
dan toch ernstige huisvrouw, aan wie hij ook na haar dood 
onwankelbaar trouw bleef. De eigenlijke „minne" was dus toen 
voor hem reeds meer eene objectief-menschelijke neiging dan 
een persoonlijke hartstocht geworden, die wel bij voortduring 
zijne belangstelling wekte, maar die in hem alleen leefde als 
eene door verstand getoetste herinnering. Niet de stem der 
liefde zelf klinkt ons uit zijne gedichten tegen, maar die van 
den menschkundigen leermeester der liefde. 

Niet onwaarschijnlijk is het, dat zijne kennismaking met 
Anna Visscher hem er toe gebracht heeft, als dichter op te 
treden. De wijze Anna toch, die ook buiten Amsterdam be- 
roemd geworden was, met Heinsiüs en De Groot als persoon- 
lijke vriendin gedichten wisselde en in 1621 „aen den ver- 
maerde constrijcke Petrus Paulus Rubbens" als zijne vriendin 
een gedicht wijdde, was ook voor de Zeeuwen geene onbekende 
gebleven. Haar te ontmoeten en haar te bewonderen was één ; 
met haar ernstig of schertsend te redekaveleu was een éénig 
genot, en dat was ook aan Cats te beurt gevallen. Hij had 
haar, de reeds eenigszins bedaagde maagd, met zaakkennis en 
verstand hooren spreken over het moeielijk punt, hoe een 
meisje zich ten opzichte van de liefde moet gedragen om nog 
te blijven binnen de grenzen van eer en schaamte, die een 
zedig gemoed niet mag overschrijden ; en dat had hem bewogen 
een oud gedicht, waarin hij eens hetzelfde onderwerp behan- 
deld had, uit een vergeten hoekje te voorschijn te halen en 
wat op te polijsten. 

Het was eene samenspraak in Latijnsche verzen , waarbij hij 
nu ook eene vertaling in Nederlandsche verzen voegde, als 
die er ten minste niet reeds van ouds bij behoorde. De jeug- 
dige Phyllis, „een duyve sonder gal, een half ontloken roos", 
en nog in de jaren der onbedachtzaamheid, komt er daarin 
rond voor uit, dat een meisje niet preutsch moet wezen, 
maar om het liefdesgenot te smaken jongelieden wat moet 
aanmoedigen en al haar best moet doen om zoo spoedig moge- 
lijk een man te krijgen. Anna, rijper van verstand, wijst 
daarentegen op de gevaren , „waerin een maegt wel licht ver- 
valt, die veel met jong-mans jockt en malt", en leert hoe 



CATS' „makchdkn-pucht" kn „galathka". 37 

■ 

een fatsoenlijk meisje door overleg en ingetogenheid de klip- 
pen kan ontzeilen, waarop lichtzinnige liefde schipbreuk lijdt. 
Daar Phyllis en Anna beide bij hare redeneering ruim ge- 
bruik maakten van beeldspraak , konden woord en wederwoord 
tevens dienen als bijschriften bij emblematische gravures met 
eene Latijnsche spreuk als opschrift en aanhalingen uit Latijn- 
sche en Fransche schrijvers als onderschrift. Vier en veertig 
van die aardige prentjes versieren het werk, dat in 1618 uit- 
kwam onder den titel „McLechden-plicht , ofte ampt der jonk- 
vrouwen in eerbaer liefde aenghewesen door sinnebeelden". 
Dezelfde prentjes heeft Cats in 1627 nog eens gebruikt bij 
zijne Emblemata moralia et oeconomica, om er in vloeiende, 
meest kortregelige versjes lessen van levenswijsheid, ook bui- 
ten de liefde, uit te trekken. De „Maechden-plicht" wordt met 
een uitvoerig gedicht opgedragen aan Anna Roemers, die 
het levend bewijs heet , dat de vrouw ook in kunst en weten- 
schap met den man kan wedijveren zonder schade voor 
hare eer als vrouw. Na die opdracht volgt nog een gedicht 
ter verklaring van een groot emblema, het „Wapen-schilt*' 
van alle eerbare maagden : een druiventros , waaraan het waas 
der frischheid de grootste aantrekkelijkheid verleent en die 
zich dus, om niet vóór den tijd die bekoorlijkheid te verlie- 
zen, alleen bij het steeltje (d. i. door het huweUjk) mag laten 
aanvatten. 

Aan dit werkje heeft Cats, behalve een paar liedjes, nog 
eene tamelijk uitvoerige „Harders-clachte*' toegevoegd, die later, 
onder den titel Qalathea ofte Hardera-klachte omgewerkt on 
belangrijk uitgebreid, ook afzonderlijk het licht zag. Meteene 
afbeelding van Munnikenhof en eene uitnoodiging om daar 
eens bij hem buiten te komen zond Cats dit gedicht uit 
Grijpskerke naar Catharina van Muylwiick, op wie het, naar 
het schijnt, toepasselijk was. De herder Dafnis klaagt daarin 
over onverdiende achterstelling bij een steedschen medevrijer 
en waarschuwt het landmeisje Galathea, dat zij toch de voor- 
deden van het landleven niet over het hoofd moet zien en 
zich niet moet inbeelden, dat zij in de stad gelukkiger zal 
zijn. Ofschoon het gedicht door zijne inkleeding tot de pastorale 
behoort, zijn toon en inhoud natuurlijk en even realistisch als 
Cats dat ook in al zijne latere werken zou toonen te zijn. 



38 GATS' »SINN'- en MINNB-BBELDBir". 

In hetzelfde jaar 1618 gaf Oats bij den Middelburgschen 
boekverkooper Hans van der Keilen nog een grooter, zuiver 
emblematisch werk uit^ getiteld Silenus Alcibiüdia sive Proieus, 
in Latijn, Fransch en Nederlandsch, waarvan het Nederlandsche 
gedeelte bekend is als „Sinn'- en Minne-Beelden", later ook als 
„Minnebeelden verandert in Sinnebeelden", en, daar zij van 
drieërlei aard zijn, ook als „Minnehjcke, Zedelij cke endeStichte 
lijcke Sinnebeelden". Het werk bestaat namelijk uit drie bundels, 
elk met dezelfde 51 (later 52) door A. van de Venne getee- 
kende en door J. Swelinck gegraveerde plaatjes, maar met 
verschillende bijgevoegde dichterlijke verklaringen in drie 
talen: Latijn, Fransch en Nederlandsch. De laatste bestaan 
alle uit acht zeer regelmatig gebouwde alexandrijnen. In een 
anderen druk zijn de versjes ten deele door een Latijnsch 
prozastuk met Nederlandsche vertaling vervangen, en in latere 
uitgaven vindt men zoowel de versjes als het proza. 

De wijsheid in proza , waarbij aanhalingen uit allerlei schrij- 
vers bovendien van groote belezenheid blijk gaven, en de 
gemakkeUjkheid waarmee de dichter bewees, zich evengoed 
in Latijn en Fransch als in zijne moedertaal te kunnen uit- 
drukken , wekten bij de letterkundigen en geleerden de hoog- 
ste bewondering, die niet alleen door zijne Zeeuwsche vrien- 
den in lofdichten, maar ook door Heinsius in het Latijn 
werd uitgesproken. Het grootere publiek kon slechts het vernuft 
en de levenswijsheid waardeeren, waarvan de Nederlandsche 
dichtjes verrassend getuigden. En inderdaad moet men de 
vindingrijkheid van Cats bewonderen, die dezelfde prentjes 
in het eerste deel wist te verklaren als zinnebeelden op het 
gebied der liefde, in het tweede deel de zinnebeeldige voor- 
stellingen wist toe te passen op maatschappeUjke toestanden 
en verhoudingen, en in het derde deel ze wist voor te stellen 
als godsdienstige symboliek. Zoo b.v. is de schildpad in het 
eerste deel het zinnebeeld van den verliefde, die het liefdes- 
pak altijd met zich voert, in het tweede deel van den armen 
geleerde, die overal zijn geheelen rijkdom meedraagt, en in 
het derde deel van den man met zondige neigingen, die altijd 
gebukt gaat onder den last zijner booze lusten. Meestal zijn 
de versjes beknopt en pittig, niet zelden met een puntig slot, 
zoodat de breedsprakigheid, die ons in latere werken van Oats 



KARAKTER DSR DICHTKUNST VAN CAT8. 89 

zoozeer hindert, aan dezen bundel niet kan verweten wordeo. 
Daarentegen behield Cats levenslang de hier reeds zoo in 
't oog springende gave om in alles wat de natuur of de menschen- 
wereld te aanschouwen geeft het beeld eener gedachte te zien. 
Zoo toonde hij ook in het voornaamste van de toevoegsels 
tot dezen bundel, nameUjk het Kinder-spel, bij eene prent, die 
kinderen voorstelt spelende in den hofderMiddelburgsohe abdij, 
dat de verschillende spelen, waarmee de jeugd zich bezighoudt, 
kannen strekken tot beelden van hetgeen ook de volwassenen 
in de maatschappij verrichten, wier bedrijf eigenlijk is op te 
vatten als kinderspel in 't groot. Al het vergankeUjke was 
Yoor Cats symbool van het eeuwig ware en goede. 

In zooverre bezat hij eene der hoofdeigenschappen, die men 
te allen tijde in den dichter gewaardeerd heeft; en toch zijn 
er velen geweest, die hem niet alleen prozaïsch hebben ge- 
noemd, maar hem zelfs geheel en al den naam van dichter 
hebben willen ontzeggen. De oorzaak daarvan is gedeeltelijk 
in Cats zelf te zoeken, maar gedeeltelijk ook gelegen in de 
wat ai te bekrompen opvatting, die menigeen van de dicht- 
kunst heeft. Bekrompen is het zeker, alleen poëtisch te noemen, 
wat in ongewone, niet alledaagsche woorden als in orakeltaal 
wordt uitgesproken, terwijl Cats zich altijd meer dan eenig 
ander dichter beijvert, in eenvoudig, natuurhjk Nederlandsch 
te spreken, niet als een wezen van hoogere orde, maar als 
een gewoon mensch, die door zijne ondeugendheid nu en dan 
ook een glimlach wekt. Die glimlach past voor velen niet bij 
de verhevenheid der poëzie. Bekrompen is het verder, alleen 
sommige conventioneele beelden poëtisch te vinden, en slechts 
wat in de natuur bevallig en lieflijk is, als bloemen en vlin- 
ders, of grootsch en schitterend, als zon en wolken, sneeuw 
en donder, rots en waterval, geschikt te achten als beeld, en 
het alledaagsche, nietige of lastige in de natuur, als koeien 
en schapen, mieren en vlooien of voorwerpen van huiselijk 
gebruik, vooral keukengerij, te prozaïsch te vinden om als 
dichterUjk beeld dienst te kunnen doen, terwijl Cats juist 
daaraan gewoonUjk zijne beelden ontleent. 

Hij wist trouwens zelf wel, dat de meeste vrienden der poëzie 
daarover anders dachten dan hij en bij het beeld niet genoeg 
hadden aan het punt van vergelijking, waarop alles aankomt, 



40 KABAKTBB DER DICHTKUNST VAN CATS. 

maar ook eene aantrekkelijke bijvoorstelling verlangden, die 
eigenlijk voor hen overbodig moest zijn. Zoo zeide hij later, 
toen hij eene karn als zinnebeeld had gebruikt: „De Leser 
gelieve hem niet te stooten uyt oorsake dat, in een soo voor- 
tre£felycken en gewigtigen sake, als is de Christelicke Self- 
strydt, by ons gebruyckt wert een Sinne-beelt ofte gelyckenisse, 
genomen van een slecht huysmansgereetschap, het welcke wy 
een „keeme'' noemen," en beriep zich dan ter verdediging 
op de gelijkenissen van Jezus, waarin de beelden ook dikwijls 
aan zulke alledaagsche voorwerpen ontleend zijn. In zgne liefde 
voor beeldspraak stemt Cats met de rederijkers overeen; maar 
hunne beelden waren allengs conventioneel geworden : bij Cats 
zijn zij ten deele nieuw en frisch, en bovendien spint hij ze 
niet, zooals zij deden, tot ingewikkelde allegorieën uit, die bij 
de meest oorspronkeUjke schrijvers mank gaan aan gezocht- 
heid en duisterheid. 

Cats wil met zijne beelden, als de ware dichter, onmiddel- 
Ujk trefifen en volkomen duidelijk zijn; doch daarin school ook 
zijne zwakheid, in zooverre als hij zich dikwijls liet verleiden 
tot overgroote duideUjkheid. Door de verklaring zijner beelden 
niet aan den lezer over te laten, maar telkens met den tekst, 
om 't zoo te noemen, tegelijk den commentaar te willen geven, 
verviel hij van zelf van den dichttoon in den onderwijzenden 
prozastijl, waarmee de vloeiende zinbouw zijner verzen, die 
van den prozavorm slechts zelden afwijkt, geheel in overeen- 
stemming is. 

Ook konden de beelden dikwijls een prozaïschen indruk 
maken, omdat zij zoo geheel en al pasten bij de inderdaad 
prozaïsche levenswijsheid van Cats, die hoofdzakelijk bestaat 
in kennis van de menschelijke zwakheden en van de mid- 
delen om zich te hoeden voor de gevaren, waaraan deze bloot- 
stellen. Practisch in het kleine, mist Cats den zin voor het 
groote, voorzichtig tegenover het kwaad, waagt hij zich in de 
richting van het ideëele nooit verder dan zijne berekening 
hem toelaat. Idealiseeren acht hij gevaarlijk, en zoo blijft hij 
in merg en been realist. Vandaar ook zijne neiging om de 
liefde steeds van hare zinnelijke zijde te beschouwen, niet, 
zooals men wel geïnsinueerd heeft, omdat hij zich daar bij- 
zonder in verlustigde, maar omdat hij wist, welk een gevaar- 



DB OODSDIBNST VAN CATS. 41 

lijk zelfbedrog het is, de zinnelijkheid in de liefdesvoorstelling 
te willen verloochenen. Zoo is dan welberedeneerde ingetogen- 
heid zijn hoogste ideaal. 

Toch heeft hij ook wel gevoel voor het verhevene, maar 
dat zocht hij op een afzonderlijk gebied, het gebied van den 
godsdienst. Van nature was hij wereldsch, en dat is hij ook 
tot op gevorderden leeftijd gebleven ; maar zijne vrouw leerde 
hem de verhevenheid van den godsdienst begrijpen, wekte 
daarvoor zijne bewondering, maakte hem tot een geloovige; 
en over de voortreflFelijkheid van den godsdienst raakte hij 
dan ook nooit uitgepraat. Het meest echter waardeerde hij den 
godsdienst als een beproefd voorbehoedmiddel tegen de ge- 
varen, die den mensch in het leven bedreigen, als een steun 
in zwakheid, een staf op den levensweg; maar hij was veel 
te veel verstandsman om zoo geheel van den godsdienst door- 
drongen te zijn, als b.v. Camphuysen dit was. Vandaar dat 
hij soms den indruk gemaakt heeft van huichelaar te wezen, 
wat hij toch inderdaad niet was ; maar daar hij den godsdienst 
als het ware aangetrouwd had, werd deze eene tweede natuur 
naast zijne eigene, wat in zijne gedichten dikwijls door ver- 
rassende, ontwijfelbaar naief-eerlijke tegenstellingen uitkomt. 

Geestdrijver is hij op godsdienstig gebied daarom ook nooit 
geworden, en voor het Calvinisme, dat hij aanhing, heeft hij 
dan ook zoo weinig gestreden, dat geen onzer dichters meer 
geUefd is geworden bij Katholieken, dan hij. Schoon zeer be- 
vriend met een kemphaan als de Middelburgsche predikant 
Willem Teeling, en zelfs waardig gekeurd ouderling der Mid- 
delburgsche gemeente te worden, heeft hij zich slechts eene 
enkele maal en met veel gematigdheid in den partijstrijd van 
het Bestand gemengd, door in 1618 en 1619 met een vlug- 
schrift en gedicht de toen verschenen en als onheilbrengster 
gevreesde „steert-sterre*' te verklaren als een geluksbode, die 
vrede spelde voor de verscheurde kerk, en er met een „lof- 
ghedicht'* bij eene plaat, die de opening der Dordsche synode 
voorstelde, zijne vreugde over uit te spreken, dat de „tuymel- 
gheest", die het land in rep en roer had gebracht, door de 
beraadslaging der van alle kanten samengestroomde geleerden 
nu weldra bedwongen en „de Nederlantsche kerck van wrevel- 
moet bevryt*' zou worden, al kon hij ook ten slotte de bede 



GATS' „SBLFSTRTT" EN „TOONBEL DER M ANNELICKB ACHTBABRHEYT". 

niet terughouden, dat „God syn heylieh werck zoo zou laten 
ghedien", dat het bij deze ééne synode zou mogen blijven. De 
terechtstelling van Oldenbarnevelt betreurde hij : „ick heb het 
beleefd", schreef hij in zijn ouderdom, „dat even groote zielen, 
ach I voor een wreede bijl ter aerde moesten knielen." Op het 
oogenblik dat de bijl viel, zal hij Oldenbarnevelt wel niet 
minder groot en de bijl niet minder wreed gevonden hebben. 

Toen Cats eenmaal als dichter was opgetreden, volgden 
zijne werken elkaar spoedig op. In 1620 verscheen zijn „SeZ/- 
stryt, dat is krachtige beweginge van vleesch en geest, poë- 
tischer wyse voorgestelt in de persoon en op de gelegentheyt 
van Joseph", voor wiens geschiedenis de dichter vooral Flavius 
Josephus raadpleegde. Dit gedicht, in samenspraak tusschen 
Joseph en Sephyra, Potiphars huisvrouw, is niet zoozeer eene 
poëtische uitwerking van het Oudjoodsche verhaal, als wel 
een algemeen pleidooi voor het toegeven aan zinnelijke lusten 
eenerzijds en voor het handhaven van kuischheid en reinheid 
anderzijds. Het doet nog beter dan „Maechden-plicht" ons Oats 
kennen als een vernuftig advocaat, die handig allerlei argu- 
menten vóór en tegen weet aan te voeren. In eene „korte 
inleydinge", die echter tamelijk lang is, geeft Cats ter toe- 
lichting nog drie verhalen in proza en verzen, van Scipio, 
van den Zeeuwschen gouverneur uit den tijd van Karel den 
Stouten, en van vier jongelieden (Roelant, Richart, Briseis en 
Tethys), van welke er een (Richart), in hetzelfde geval ver- 
keerende als Maerlant in zijn „tweeden Martijn" aannam, 
door redeneering de moeielijke quaestie heeft uit te maken, 
welke van twee jonkvrouwen hij het liefst uit levensgevaar 
redden zal, haar die hij zelf liefheeft zonder wederiiefde te 
ontvangen, of haar, die hem lief heeft, maar die hem zelf 
onverschillig is. 

In 1622 liet Cats nog een ander pleitgedicht volgen : To(meel 
der mannelicke CLchtbaerheyt, waarin Charsena het goed recht 
van koningin Vasthi, om zich tegen het onverstandig en ont- 
eerend bevel van koning Assuerus te verzetten, bepleit tegen- 
over 's Konings woordvoerder Menuchan, die de, ten slotte 
ook door een vonnis bevestigde, stelling verdedigt, dat de 
vrouw zich onvoorwaardelijk aan den wil baars mans heeft 
te onderwerpen, omdat vóór alles het gezag van den man 



GATS' OPTBBDBN ALS STAATSMAN. 43 

hoog gehouden moet worden of, zooals Cats besluit, dat „het 
wijf sal swijgen en sal duycken", omdat het redelijk is, dat 
,de man sy vooght in sijn gesin". 

Even vóór dit gedicht in het licht verscheen, had er eene 
geheele omkeering in Cats' leven plaats gegrepen. Het her- 
vatten van den oorlog had het noodzakelijk gemaakt, de door 
hem drooggelegde polders weder te doen onderloopen, en in 
denzelfden tijd werd hem o6k het bezit van andere landerijen 
door de Regeering betwist. Jaren duurde het, vóór zijne rechten 
er op werden erkend, en zoo was hij dan wel gedwongen zijne 
pleidooien voor algemeene onderwerpen te staken en naar 
Den Haag te gaan om zijne eigene belangen te bepleiten. 
Tevens moesten er andere bronnen van inkomsten worden 
gezocht. Zeker was het Cats daarom niet onwelgevallig, dat 
hem in 1621 de leerstoel van het burgerlijk recht aan de 
Leidsche hoogeschool werd aangeboden; maar nauwelijks had 
hij dat aanbod in beraad genomen, of de stad Middelburg 
droeg hem het ambt van tweeden pensionaris op. Zijne „tweede 
ziel en al het naeste bloet'* waren er bijzonder op gesteld, dat 
hij dit ambt zou aanvaarden, en zoo zette hij dan den voet op 
politiek gebied en op de eerste sport der ladder, die hem tot 
het hoogste staatsambt voeren zou, zonder dat hij staatsman 
was van aanleg of neiging en zonder dat hij ooit, zelfs in den 
hoogsten rang, anders dan eene ondergeschikte rol heeft ver- 
vuld. Aan de Leidsche hoogeschool zou hij ongetwijfeld beter 
op zijne plaats zijn geweest, maar de uiterlijke glans der staats- 
ambten verblindde de oogen zijner naaste betrekkingen, en 
misschien heeft niets hem meer moeite gekost, dan aan het 
eind van zijne staatkundige loopbaan met een gerust geweten 
te kunnen verklaren, dat „geen van sijn geslagt of van sijn 
naeste magen" door zijn verzoek of raad ooit „tot eenig ampt 
of eer of hoogen staet gebragt is". 

xxni. 

Cats als het hoofd der Zeeuwsche poëten. 

Toen Cats zijn „Silenus Alcibiadis** aan de „ Zeeusche Jonck- 
vrouwen" opdroeg, zeide hij, er zich over verwonderd te hebben, 



44 DB ZBBUSCHB NACHTR6ABL. 

dat de Zeeuwen zich gedurende den oorlog wel door Mars in 
dichtgloed hadden laten ontvlammen, maar zich dat gedurende 
het Bestand niet hadden laten doen door Venus, die toch 
evenals zij „oock uyter zee gesproten" was. Nu stond immers 
Zeeland achter bij Holland, waar Heinsius, door de Grieken 
ontfonkt, van de liefde zong, waar een geestig Hooft „metsyn 
herders-klagten" tot minnen opwekte, en Bredero Jockte in 
boersche taal". Dat mocht zoo niet blijven, en daarom had 
Cats aan de aanmaning van Venus* „dertel wicht" gehoor 
gegeven en ook van zijn kant in de poëzie een oflFer aan de 
Liefdesgodin gebracht. Tevens gaf hij daarmee aan zijne land- 
genooten een goed voorbeeld, zoodat een geheele kring van 
Zeeuwen zich in de tweede helft van 1621 opmaakte om onder 
zijne aanvoering in de dichtkunst met Holland te wedijveren. 

Men kwam overeen, onder den dubbelzinnig nederigen titel 
van Zeeusche Nachtegael een dichtbundel in het licht te zenden, 
waartoe alle Zeeuwsche dichters het hunne zouden bijdragen, 
en die na lange voorbereiding in 1623 verscheen. In drie 
deelen was die bundel vedeeld. „Minne-sang" heette het eerste 
deel, dat aan de liefde gewijd was, „Seden-sang" het tweede, 
en „Hemel-sang" met stichtelijke gedichten het derde deel: 
eene ondei^scheiding van de dichtstof in drie soorten overeen- 
komstig het drieledig karakter van Cats* Sinnebeelden. 

Van Cats zelf werden ook eenige reeds elders gedrukte ge- 
dichten opgenomen, grootendeels in de afdeeling „Hemel-sang" 
en ter eere van predikanten, maar toch ook enkele ongedrukte. 
Zoo vind men er (doch zonder zijn naam) voor het eerst het 
bekende zinnebeeld der „twee gepaerde schelpen" (waaronder, 
blijkens het prentje, twee halve notendoppen verstaan moeten 
worden), die geen van beide hare volkomen passende weder- 
gade kunnen vinden, als eene van de twee gebroken is. Dezelfde 
gedachte was trouwens reeds in „Maechden-plicht" door hem 
uitgesproken, en in de „Emblemata Moralia" werd het gedichtje 
later wat uitgebreid opnieuw geplaatst, terwijl het eindelijk 
nog eens door hem in zijn „Twee-en-tachtigjaerig leven" werd 
aangehaald bij zijn betoog, waarom hij na den dood zijner 
vrouw niet weer hertrouwde. „Niet en gaet voor d* eerste trou'*: 
daarvan bleef hij ook als weduwnaar overtuigd. 

Het aantal der aan Cats gewijde gedichten is in den „Zeeu- 



JOHANNA COOMANS EN ANNA VI8SCHRR. 45 

achen Nachtegael" niet gering: door verscheidenen werd hij 
er in gehuldigd als het hoofd der Zeeuwsche dichters, ofschoon 
er onder hen ook eenigen waren, die zich reeds veel vroeger 
dan hij als dichter bekend hadden gemaakt. In het gedicht 
,Apollo-feest ofte Goden-cunst-offer'* werd hij zelfs voorgesteld 
als door ApoUo „uytverkoren om de Zeeuwen voor te singhen" 
en als „Vader der Poëten** in den „NachtegaeP' den „boven- 
sanck'' aan te heffen. Dat gedicht was eene hulde, hem ge- 
bracht door de eenige, al te uitbundig en onverdiend door 
hare vrienden geprezen, Zeeuwsche dichteres, die aan den 
bundel meewerkte, Johanna Coomans, eigenlijk eene Haagsche, 
maar sinds 1611 door haar huwelijk met den rentmeester van 
Zeeland, Johan van der Meerschen, eene Zeeuwsche geworden. 
Van haar komen ook nog andere gedichten in den bundel 
voor, die zelfs geopend wordt met een gedicht van haar, 
waarin zij tegenover het „ Wapen-schilt", door Cats voor alle 
eerbare maagden uitgedacht, een „Wapen-schild" aan alle 
„eerlicke jong-mans^' toeëigende^ namelijk eene tong, op win- 
gerdbladen voorgediend: het zinnebeeld van allerlei goeds en 
bovendien bestemd om de druiven te proeven, waarbij Cats 
de jonkvrouwen vergeleken had. Verder vindt men er van 
baar een „Welcoom-gedichf' aan Anna Roemers, die in den 
Zomer van 1622 te Middelburg logeerde en wier komst in 
Zeeland ook door andere dichters met vreugde werd begroet, 
omdat de Faam haar ook d&dr als eene tiende Muze bekend 
had gemaakt. Naast deze „welcoom-ghedichten" prijken inden 
bundel nog verschillende andere ernstige en schertsende verzen 
door de Zeeuwen aan deze tegen de liefde zoo goed gewapende 
Amsterdamsche Minerva gewijd, en ook de verstandig-schert- 
sende antwoorden, die zij met nog andere gedichtjes (o. a. 
eenige berijmde psalmen) voor den „^Nachtegael" afstond. 

Verder werden nog zeventien dichters als medewerkers aan 
den „Zeeuschen Nachtegael" op de eerste bladzijde van den 
bundel vermeld, in alle oorden van Zeeland gevestigd. Brou- 
wershaven werd vertegenwoordigd door zijn burgemeester 
Jacob HoBius met een niet onaardig „ Visscherspraetie*' tusschen 
Steven en Martijntje. Ook Zierikzee toonde hier een dichter- 
lijken burgemeester te bezitten in Adrianus Hopperus, heer 
van Bommenede, die in 1627 ook rentmeester-generaal van 



46 ADRIANUS H0FFBRU8 EN PHILIBBRT VAN BORSELEN. 

Zeeland beooster Schelde werd. Hij was lid geweest vao de 
Dordsche synode en leverde aan den „Nachtegael" niet minder 
dan zestien, alle stichtelijke, gedichten, met eene enkele uit- 
zondering ook opgenomen in zijne Nederduytsche Poemato (van 
1635), die hem tevens als een Latijnsch dichter doen kennen. 

Hij volgde zijn neef Cats door het maken van zinnebeelden 
en bezong bovendien verschillende gebeurtenissen zijns tijds 
en daaronder krijgsbedrijven, als het ontzet van Bergen-op-Zoom, 
de verovering der zilvervloot en de inneming van Wezel en 
's-Hertogenbosch. Als oudheidkundige leverde hij ook bouw- 
stoffen aan Boxhorn's „Chroniick van Zeelandf', die in zijn 
ster^aar, 1644, is uitgegeven en waarin verscheidene Latijnsche 
disticha van hem op Zeeuwsche steden voorkomen. Afzonderlijk 
gaf hij in 1621 nog „Een gebed voor de vrede der Kercke" 
uit, dat door den dreun der zeer korte versregels en ook in 
andere opzichten zeer sterk gelijkt op vele van Cats' latere 
gedichten. Antoniüs Walaeus, die een lofdicht op zijn 
„Rymen" maakte, prees hem, omdat hij zijne eer niet stelde 
„in moosjanckery noch deuntjes die onstichten, maer in lof 
van de deucht, in goed én wijse leer", en Scriverius, die 
terecht „de Godsdienst zijn wit'* noemde, zeide van hem, dat 
hij „lichte boertery en Martiaelschen schamp niet acht dan 
ydelheyt, dan mist, dan roock en damp." Desniettegenstaande 
wist hij, naast Heinsius, Camphuysen en Cats, ook den geestigen 
Hooft te waardeeren en noemde hij zich zelf in hun kring 
nederig „een schrale Gans in 't midden van de Swanen". 
Toch was hij onder de Zeeuwsche poëten nog de minste niet. 

Zijn voorganger als rentmeester van Zeeland beooster Schelde 
was de burgemeester van Tol en, Philibert van Borselen, 
die een „Galmdicht ofte Minnaers Klacht over de Wreedheydt 
zyner Beminde" aan den „Nachtegael" afstond en zich reeds 
veel vroeger door een paar dichtwerken bekend had gemaakt: 
het eerst in 1693 door zijn beschrijvend gedicht in alexandrijnen 
„Den Bincbhorst ofte het lof des gelucsalighen ende gerustr 
moedighen land-levens", merkwaardig vooral omdat het in 
onze letterkunde het eerste, mij bekende, voorbeeld is van de 
later zoo overvloedige hofdichten. De dichter droeg het werk 
op aan zijn vriend Jonkheer Jacob Snouckaert, den heer van 
den Binckhorst, die daar in den goed verzorgden bloemhof, 



ANDERE ZBKUWSCHE DICHTERS. 47 

in den vrijen vogelenzang of in het stille studeervertrek het 
staatsTumoer van Den Haag ontvluchtte. In een uitvoeriger 
dichtwerk, van 't jaar 1611, Strande getiteld, gaf hij eene niet 
onverdienstelijke, in elk geval weinig alledaagsche en nu en 
dan zelfs dichterlijke beschrijving van „de scelpen, kinc-hornen 
ende andere wonderlycke zee-scepselen, tot lof van den Scepper 
aller dinghen". Uit Vlsscher's „Sinnepoppen** kunnen wij 
het weten, dat het verzamelen van schelpen en hoornen ook 
in dien tijd reeds eene niet ongewone liefhebberij was. 

Adriaen Valbriüs, schepen van Veere, en de geleerde 
VUssinger Abraham van der Mijle, die ook enkele bijdragen 
aan den „Nachtegael" schonken, zijn ons reeds van vroeger 
bekend ; maar onder de Middelburgsche dichters zijn er eenige, 
die nader besproken of althans genoemd verdienen te worden. 
Groote luister werd ongetwijfeld aan den bundel bijgezet door 
de medewerking van de gebroeders Schutte, van welke de 
jongste, Jacob, toen burgemeester van Middelburg was en de 
oudste, Apollonius, na van 1601 af pensionaris van Middelburg 
geweest te zijn, sedert 1609 zitting had in den Hoogen Raad. 
Als Latijnsch dichter had deze zich een goeden naam ver- 
worven en reeds van zijne jeugd af had hij de Muzen vereerd, 
zooals o. a. ook blijkt uit de voorstelling, die hij (in 1595) 
met eenige medestudenten gaf van eene Lat^'nsche tragedie 
Ajax en van Plautus* „Amphitruo", ons bekend uit een uit- 
voerig Latijnsch lofdicht daarop van zijn vriend, den lateren 
hoogleeraar Antonius Walaeüs. Een enkel gedichtje leverde 
de uit Antwerpen afkomstige schoolmeester Johannes de Swabp, 
die reeds vroeger eene berijming der „Claech-liedendesPropheten 
Jeremiae" (1618) had uitgegeven en verschillende oorspronke- 
lijke of vertaalde godsdienstige prozawerkjes. Zijn broeder 
Samuel de Swabf, eveneens dichter en schoolmeester en tevens 
plaatsnijder en pennekunstenaar, gaf in 1628 nog eenige 
verzen van hem uit in den bundel „Gedichten van verscheyde 
(Zeeuwsche) Poëten' , die ook het een en ander van Cats, 
Hopperus en Jacob Schutte bevat. Verder treft men in 
den „Nachtegael" enkele gedichten aan van Cats* vriend, den 
advocaat en notaris Jacob Luyt, van den geneesheer Lenart 
Peutbmans, van Johannes Rogiers, die in zijn „Claghende 
Vrijster" den invloed van Huyqens verraadt, en van Joan 



48 JOAN DE BRUNB. 

DE Brunk, die er, behalve een lofdicht op Cats en een zwart- 
gallig „Tafereel van de Liefde", ook eenige niet onaardige 
rijmraadsels in gaf. 

De Brunb, die destijds nog advocaat in Middelburg was, 
maar in 1649, na allerlei andere ambten bekleed te hebben, 
tot raadpensionaris van Zeeland zou opklimmen, heeft in proza 
en rijm door verschillende werken de eêr van zijn gewest op- 
gehouden. In zijn Emblemata of Zinne-werck (van 1624) volgde 
hij nauwkeurig den trant van Cats, door achtregelige versjes 
van . practische levenswijsheid ter verklaring te voegen bij 51 
aardige plaatjes van verschillende goede teekenaars en graveurs, 
waarop dan uitvoerige prozabespiegelingen volgen, doorvloch- 
ten met oorspronkelijke of niet zonder talent vertaalde ge- 
dichten. Grootendeels zijn het vertalingen uit het Latijn of 
Fransch, en misschien heeft geen onzer dichters zooveel van 
Ronsard in het Nederlandsch overgebracht, als hij. Ook de 
Italiaansche litteratuur was aan De Brune niet onbekend, 
blijkens de vertaling van eenige versregels van Ariosto. Trou- 
wens in geleerdheid en belezenheid deed deze raadpensionaris 
voor zijn ambtgenoot Cats maar weinig onder. 

Zijne prozawerken. Nieuwe wyn in oude leer-zacken (van 1636) 
en Bancket'Werck van goede gedachten (van 1658, zijn sterQaar), 
waarin honderden lessen van levenswijsheid, menschkundige 
opmerkingen en anecdoten in zuiver pittig Nederlandsch zijn 
bijeengebracht, zoddat zij als modellen van goed proza mogen 
beschouwd worden, doen hem kennen als een man, die met 
scherpen blik in de wereld heeft rondgekeken, veel heeft op- 
gemerkt, veel heeft gelezen en ernstig heeft nagedacht. Terecht 
zeide Cats van het Bancket-werck : „soo ghy in dat Bancket 
geen smake vinden kont, soo hebje een dommen geest of 
smakelooze mont". Verder gaf hij, behalve andere theologische 
werken, in 1644 nog eene vertaling van De CL Davida-Psalmeny 
waarvan het opmerkelijkste is, dat hij die, om zoo getrouw 
mogelijk aan het oorspronkelijke te blijven, in rijmlooze ver- 
zen geschreven heeft ; doch om het publiek voor zulke verzen 
te winnen had hij veel keuriger op zijne versmaat moeten 
wezen dan hij was, zoodat het moeite kost uit te maken, welke 
regels hij daarbij heeft gevolgd: met den klemtoon althans 
springt hij er wonderlijk om. 



8IM0N VAN BBAUMONT. 49 

De meeste en tevens de beste bijdragen ontving de „Zeeusche 
NachtegaeP' van Simon van Beaumont, die daar echter geen 
ander van zijne gedichten met zijne initialen teekende, dan 
een enkel van de schertsende versjes, die Anna Roemers 
hem ontlokte. Ook later heeft hij nooit naar letterroem ge- 
streefd, want eerst in 1638 heeft zijn zoon hem de vergunning 
kunnen afdwingen, de gedichten, die hij in vroegere jaren 
gemaakt had, te mogen uitgeven onder den titel Horae Suc- 
cisivae. TyUSaipperingeUy in 1640 vermeerderd met een groot 
aantal intusschen nog vervaardigde gedichten, Deze bundel 
bevat naast de Nederlandsche, gedeeltelijk reeds in den „Zeeu- 
schen Nachtegael*' opgenomen, gedichten ook zeer vele La- 
tijnsche en eenige Pransche verzen. Uit Bbaümont's jonge 
jaren dagteekenen, behalve eene vei-taling van Virgilius' eerste 
ecloga („Boerenpraet") o.a. ongeveer twintig sonnetten, onder 
den gemeenschappelijken titel „Jonckheyt" in 1596, toen hij 
te Leiden rechten studeerde, gedicht voor eene zekere Elisa- 
beth, die er echter weinig ooren voor had en wreedelijk met 
zijne liefde spotte. Wanneer men niet alleen zijne jeugd in 
aanmerking neemt, maar ook bedenkt, dat deze verzen reeds 
geschreven zijn vóór Heinsius en Hooft waren opgetreden, 
dan zal men moeten erkennen, dat zij van een ingeboren aan- 
leg getuigen, dien hij slechts had behoeven te ontwikkelen, 
om een voortreffelijk dichter te worden. 

Later echter heeft hij, afgezien van enkele middelmatige 
stichtelijke gedichten, bijna niet anders gemaakt dan omstreeks 
460 korte rijmpjes in goed, vloeiend Nederlandsch. Een hon- 
derdtal daarvan is verdienstelijke vertaling of navolging van 
Martialis, en daarom werd een gedeelte er van onder den 
titel „Grillen'* in den „Zeeuschen Nachtegael" door hem opge- 
dragen aan Scriveeiüs, die in 1619 de epigrammen van Martialis 
had uitgegeven en er toen ongetwijfeld niet laag op neerzag, 
al prees hij het later ook in Hofferus, dat deze „in de wegh 
des Heeren sich oeffende" en begreep „hoe ongerijmt de nopen 
en malle grillen sijn van ander brabbelingh". De andere 
korte gedichtjes van Beaumont zijn voor een deel fabels en 
verder zinspreuken, puntdichten en berijmde anecdoten, die 
in geestigheid voor die van Roemer Visscher niet behoeven 
onder te doen en ze in beschaafdheid van uitdrukking en 

4 



50 SIMON VAN BBAUMONT BN ADRIABN VAN DB VBNNE. 

kieschheid overtreflfen^ misschien omdat de meeste uit de jaren 
1638 en 1639 dagteekenen en dus uit een tijd, waarin de 
ronde ruwheid van Visscher wat ouderwetsch zal geworden 
zijn, vooral in de regeeringskringen, waarin Beaumont eene 
eervolle plaats innam, eerst in Zeeland, daarna in Holland. 

Een geboren Zeeuw was hij niet : te Dordrecht zag hij, 
waarschijnUjk in 1574, het levenslicht, maar reeds in 1601 
was hij te Middelburg als advocaat gevestigd. Hij trad er in 
1606 naast ApoUonius Schótte als tweede pensionaris op, en 
was er van 1611 tot 1634 eerste pensionaris, dus gedurende 
twee jaar ambtgenoot van Cats. In 1618 bedankte hij voor 
de eer om in den Hoogen Raad zitting te nemen, misschien 
omdat hem als remonstrantschgezind toen de loop van zaken 
in Holland tegen de borst stuitte; maar in 1634 toonde hij 
zich bereid de zoo lang onvervuld gebleven plaats van De 
Groot in te nemen en pensionaris van Rotterdam te worden, 
wat hij tot 1649, d. i. tot vijf jaar vóór zijn overlijden, bleef. 
Ook in andere ambten, bv. gezantschappen, heeft hij met eere 
de Republiek gediend. 

Zonder plaatjes kon destijds een werk van smaak het licht 
niet zien. De „Zeeusche Nachtegael" is dan ook versierd met 
acht kopergravures naar teekeningen van Adriaen van de 
Vbnne, den broeder van Jan van de Venne, die den bundel 
uitgaf en sinds 1619 te Middelburg op den hoek van de 
Nieuwe beurs een schilderijenwinkel en drukkerij had, waarvan 
hij een irlauwerhof ', een middelpunt van kunstbeoefening, wilde 
maken. Zijn broeder Adriaen, in 1589 te Delft uit een 
Brabantsch geslacht geboren, had korten tijd te liciden ge- 
studeerd, maar zich daarna aan de schilderkunst gewijd, en 
had zich in 1619 van 's-6ravenhage naar Middelburg begeven 
om daar in zijns broeders kunsthandel zijne schilderijen ten 
toon te stellen en de daar gedrukte boeken van platen te 
voorzien. Toen zijn broeder in 1625 overleed, keerde hij naar 
Den Haag terug, en was daar tot aan zijn dood in 1662 een 
bekend schilder en o. a. in 1656 medeoprichter van het ge- 
nootschap Pictura. 

Niet minder liefde dan voor de schilderkunst had hij voor 
de dichtkunst, en hij hield, zooals vele zijner tijdgenooten, 
deze zusterkunsten voor onafscheidelijk. „Reden-kunst en 



ADRIABN VAM DE VBNNB. 51 

Beelden-kunst moeten noodsakelick byeen ende voeghen ende 
moeten te samen ghelijck de Ziel by het Lichaem. Gheen Schilder 
kan sonder Poëtschen Gheest, noch gheen Poet kan sonder Schil- 
derschen Gheest yets teelen, voldragen, baren ende opvoeden". 
Zoo drukte hij zich uit in de voorrede voor de verbeterde ver- 
tüing van Estienne Perret's emblematisch werk „XXV ivonder' 
lieke Sinne-FabaUn der Dieren*\ De prentjes waren echter niet van 
hem, maar van Marcus Geeraerts en overgenomen uit Db 
Denb's ff Waerachtighe Fabulen der Dieren", waarvan hij zegt,dat 
het gemaakt was in een tijd, toen „de Rymkunst noch onghe- 
bakert" was en „de borsten ghesoghen hadde van vreemde 
ende uytlantsche onrymighe woorden", terwijl in zijn eigen 
tijd „de lof- weerde Poösie of Wys-kunst eerst tot haer Duyts 
verstant ghekomen" was en „de HoUantsche ende Zeeusche lucht 
deselve Weet-kunst wat soeter ende opender en meerder had 
verlicht van de vreemde lisperijen en duystere dompen". 
Moeielijk zou iemand in meer gezochte en duistere taal op de 
„duystere dompen" van zijne voorgangers hebben kunnen 
smalen, dan Van de Vkmne hier doet, en inderdaad in 
proza en verzen heeft deze dichter zich te allen tijde zóó 
uitgesproken, dat het lezen zijner werken eene ware kwelling 
is. Het minst ongenietbaar is nog zijn Tafereel van Sinne-malf 
dat met een lofdicht op de Zeeuwsche dichters aanvangt en 
waarin hij dan o. a. verder met zijn „Minne-mail van Dicke 
Leendert'* in een langdradig mengsel van gekunsteldheid en 
volksplat eene boerenvrijage tracht weer te geven in den 
vergeefs nagebootsten trant der vrijerspraatjes, welke Huygens 
kort te voren „in 't voorhoutse schaduw-lommer" had laten 
houden en waarvan hij een Zeeuwschen tegenhanger schijnt 
te hebben willen leveren, terwijl een ander gedicht uit dien 
bundel, „Sinnighe Slypers-liedt" getiteld, bewijst dat hij met 
Bredero's boerenliedjes niet onbekend was. Eigenlijk was dat 
«Tafereel van Sinne-mal' bestemd voor den „ZeeuschenNach- 
tegael", maar het was veel te lang geworden om er plaats in 
te kunnen vinden, en daarom werd het er als een afzonderlijk 
geheel in denzelfden band aan toegevoegd. 

In den „Nachtegael" zelf komen maar een paar gedichten 
van Van db Vennb voor: een berijmde psalm en een lang 
gedicht: „Zeeusche Mey-clacht ofte Schyn-kycker", dat in 



52 ADRIABN VAN DE VENNB BN PBTRU8 HONDIUS. 

hoofdzaak een pleidooi is voor de voortreffelijkheid van de 
zoo nauw aan elkaar verwante schilder- en dichtkunst, maar, 
ondanks de verklarende kantteekeningen, aan duidelijkheid 
alles te wenschen overlaat. In zijne latere dichtbundels bleef 
Van de Vbnnb zich zelf gelijk. Zijn Sinne-vonck op den 
Hollandtscfien Turf, in 1634 tegelijk uitgegeven met zijn „Hol- 
landsche Sinne-Droom op het Nieuw Wys-mal van den ouden 
Italiaensche Smit", en zijn uitvoerig werk. Tafereel van de 
belacchende werelt, van 1635, dat voor een deel bestaat uit 
zoutelooze boerengesprekken op de Haagsche kermis en verder 
uit eene rommelzoo van proza en verzen, en in den vorm van 
kantteekeningen vele honderden rijmspreuken en spreekwoorden 
bevat, zijn zulk een dwaas mengelmoes van platheid en gekun- 
steldheid, in onuitputtelijken overvloed opgedischt, dat zelfs de 
aardige plaatjes, die trouwens reeds vroeger dienst hadden 
gedaan, er niet genoeg belangstelling voor kunnen wekken. 
Indien de „Zeeusche Nachtegael" een paar jaar vroeger 
was uitgegeven, dan zou men daarin waarschijnlijk ook wel 
het een - en ander gevonden hebben van een met vele zijner 
landgenooten en ook met Cats zeer bevriend Zeeuwsch dichter, 
die echter reeds in 1621 op middelbaren leeftijd overleed, 
namelijk Petrus Hondiüs of De Hondt. Te Vlissingen ge- 
boren, waar hij op de Latijnsche school met Daniël Hbinsius 
eene vriendschap voor het leven sloot, studeerde hij sinds 1596 
op kosten van zijne geboortestad te Leiden in de letteren en 
de theologie, bracht daarna korten tijd te La Roebelle door 
en deed in 1604 zijne intrede als predikant te Ter Neuzen. 
Ongetrouwd gebleven, woonde hij er in bij den oudburgemeester 
Johan Serlippens (door zijn huwelijk met Heinsius vermaag- 
schapt), die er de afgedankte Moffenschans tot een lusthof had 
laten inrichten. Hondius nu maakte van dien lusthof een 
plantentuin, waarin de zeldzaamste planten gekweekt werden, 
zoodat hij zelfs met den hortus botanicus der Leidsche hooge- 
school, onder het bestuur van Hondius' leermeester Clusius en 
diens opvolger Vorstius, wedijveren kon. Zijne grondige kennis 
van alle planten stelde Hondius in staat, belangrijke bijdragen 
te leveren tot eene nieuwe uitgave (in 1618) van Rembert 
Dodoens' beroemd „Cruydt-Boeck", maar evenals Maerlant 
in zijn „Naturen Bloeme" de voortbrengselen der natuur hoofd- 



HONDIÜS' „MOÜFM-SCHANS". 53 

zakelijk beschouwde uit het oogpunt van het nut, dat ze voor 
den mensch hebben, zoo zag ook Hondius er in de eerste 
plaats genees- en voedingsmiddelen in, waarvan hij in zijn 
bof kosteloos de volle keus had. 

Dat gaf hem dan ook aanleiding om aan het uitvoerig dicht- 
werk, waarin hij zijn plantentuin vereeuwigde, den titel te geven 
van Dapes inemptae of de Moufe-schans, waarvan de veel ver- 
meerderde tweede, nog door hem zelf voorbereide, druk in 
1621, even na zijn dood, uitkwam. In tien „gangen" diende 
hij daarin zijn ongekochten maaltijd voor, ter verheerlijking 
van de „soeticheydt des buyten-levens, vergheselschapt met de 
boucken". Na eene vergelijking van „het ste-leven'* met het 
zooveel gelukkiger „buyten-leven" gaf hij er eene beschrijving 
van zijn „buyten-hof ' en zijn „bloemhof', van de voortreffelijke, 
door hem gekweekte „moes- en genees-cruyden", van den 
rijkdom der spijzen, die zijn geliefd Zeeland opleverde, en 
verder van de wijze,' waarop hij in natuurbeschouwing, be- 
studeering van allerlei vakken van wetenschap en drukke brief- 
wisseling met menschen uit alle wereldstreken zijne dagen op 
de Moffenschans doorbracht, en daarbij ook van drie voet- 
reisjes, door hem in Zeeland en Zeeuwsch- Vlaanderen gemaakt. 

Naast de natuurhistorie wekte ook de geschiedenis der 
menschen zijne belangstelling, en hij schijnt ook op dat gebied 
een — vermoedeüjk nooit gedrukt — werk over den oorsprong 
van den tachtigjarigen oorlog onvoltooid te hebben nagelaten ; 
maar zijn gedicht, dat veel van eene korte encyclopaedie heeft, 
bewijst, dat niets hem onverschillig liet, behalve het roezig 
menschenleven in de steden. Wel ging de wetenschap hem 
veel meer ter harte dan de dichtkunst, maar dat hij juist den 
versvorm koos om zijne kennis te verspreiden, pleit in elk 
geval voor zijne belangstelling in de poëzie. Gaarne maakte 
hij kennis met hetgeen de dichters aanboden, en onder deze 
was ook voor hem Daniël Heinsius de grootste. Toch volgde 
hij allesbehalve diens trant. Met groote gemakkelijkheid rijmde 
hij de korte vloeiende versregels van zijn „Moufe-Schans", 
dat als dichtwerk echter niet hooger staat dan Maerlant's 
„Naturen Bloeme", waaraan het in menig opzicht herinnert, 
al maakt het door regelmatigheid van versbouw en zuiverheid 
van taal ook een meer modernen indruk. 



64 DB ZBEUWBN TEOBNOVBB DB RBNAISSANGB. 

HoNDius was niet de eenige, die de tradities der middel- 
eeuwen in de zeventiende eeuw voortzette. Zondert men Adriaen 
VAN DE Vekne uit, dan kan men zeggen, dat alle dichters 
uit den Zeeuwschen kring zich van Hooft en zijne Amster- 
dammers vooral kenmerkend onderscheiden, doordat de oude 
nationale geest in hunne werken krachtig is bUjven voortleven 
en zij, zelfs bij hunne groote vertrouwdheid met de classieken 
en bij hunne ingenomenheid met emblematische en pastorale 
litteratuur, den invloed der Renaissance ter nauwemood hebben 
ondergaan, evenmin wat de uitdrukking der gedachten als 
wat die gedachten zelf betreft. Daarin heeft men dan ook de 
hoofdoorzaak te zoeken van de groote populariteit, die Cats 
en zijne richting gekregen heeft bij de kleine burgerij, en te 
geUjk ook de oorzaak van de geringschatting, waarmee men 
hem in de kringen der letterkundige fijnproevers meestal, 
ook reeds tijdens zijn leven en vooral gedurende de achttiende 
eeuw heeft bejegend, nog afgezien hiervan, dat in ons land 
het oordeel over kunst zich maar uiterst zelden heeft kunnen 
losmaken van godsdienstige en staatkundige partijdigheid, en 
dat alzoo de meer wereldsche tegenstanders van het streng 
dogmatisch geloof, uit den aard der zaak tot de Renaissance- 
poëzie overhellend, de Zeeuwsche school alleen reeds om haar 
stichteUjk karakter minder konden waardeeren. Vandaar ook 
dat in ons kleine land, waar alle menschen van eenige be- 
teekenis met elkaar in aanraking komen, Oats en Hooft met 
de meeste hunner kunst vrienden elkaar vreemd konden bUjven. 
Van eenige vijandige verhouding tusschen beiden mag echter 
geene sprake zijn. Wie zulk eene verhouding zou vermoeden, 
ofschoon zij wel nergens uit blijkt, vestige zijne aandacht op 
het feit, dat Jacob vak dbb Bubgh, toen hij in 1636 van 
Hooft die gedichten verzameld uitgaf, welke de Drost zelf 
hem ter uitgave aanwees, na, in de opdracht van dien bundel 
aan Huygens, de voornaamste Italiaansche, Fransche en Engel- 
sche dichters vermeld te hebben, ook de namen van enkele 
Nederlandsche dichters noemde om te bewijzen, „dat Holland 
in onze dagen van dien slach geenszins is misdeelt ge- 
weest", en dat dan naast Hooft en Huygens door hem 
niet alleen Spieghel, Heinsius, Coster en Vondel der ver- 
melding waardig gekeurd werden, maar ook Jacob Oats, die 



CAT8' „houwelyck". 55 

dos blijkbaar ook bij Hooft onder de beste dichters meetelde. 

Het eigenaardige der dichtkunst van Cats en zijne school 
komt bijzonder uit in het groote werk, dat hij twee jaar na 
den ^Zeeuschen Nachtegael", dus in 1625, nog te Middelburg 
van de pers liet verschijnen, ofschoon hij reeds in 1623, pen- 
sionaris van Dordrecht was geworden, en dat wel zijn hoofd- 
werk mag genoemd worden, namelijk „Houwelyck dat is de 
gansche gelegentheyt des Echten Staets". Omdat het vooral 
voor de vrouwen onder zijne landslieden bestemd was, had 
hij het, zooals ook „by onse naburen meer en meer werd 
gedaen", in de landstaal geschreven, „opdat wy" zegt hij, 
^niet en werden beschuldicht, terwylen wy alle de werelt soucken 
wel te doen, ondanckbaer te sijn tegen ons eygen Vaderlant". 
Zeker ook in verband daarmee stelde hij er prijs op, te ver- 
klaren, dat hij „overal gepoocht heeft te gebruycken een effen- 
bare, eenvoudige, ronde en gans gemeene maniere van zeggen, 
deselve meest overal gelijck makende met onse dagelicksche 
maniere van spreken, daerin alle duysterheyt schouwende". 
Vandaar dan ook, dat de taal zijner verzen voor ons nog altijd 
veel gemakkelijker is te verstaan, dan van de dichters uit de 
school van Hooft, daar gekunstelde taal altijd maar een kort 
leven heeft en de gewone beschaafde spreektaal zelfs gedurende 
een lang tijdsverloop maar weinig verandert. 

Zijne bedoeling was, in dit dichtwerk het toonbeeld van 
,een rechtschapen huyswijf met alle hare verwen voor oogen 
te stellen, soo gelyck wy die onse lantslieden ende een yeder 
wel souden wenschen", en aanvankelijk had hij dan ook het 
ideaal van „'t Christelick huys-wyf' voorgesteld onder vier ge- 
daanten, als „bruyt, vrouwe, moeder en weduwe" of in de 
vier jaargetijden van haar leven, lente, zomer, herfst en winter ; 
maar bij deze vier in paar aan paar rijmende alexandrijnen 
geschreven hoofddeeleü van zijn werk voegde hij kort voor 
de uitgave nog twee andere deelen met eene omwerking van 
zgn vroeger uitgegeven Kinder-spel tot inleidiug. Het eerste, 
waarin hij over de vrouw als „Maeght" handelt, is niet anders 
dan zijne reeds vroeger uitgegeven samenspraak „Maeghden- 
plicht", maar veel beschaafd, vooral ook vloeiender van vers- 
bouw en kiescher van stijl geworden, en ook nog al wat uit- 
gebreid, inzonderheid aan het eind. Als tweede deel voegde 



56 CATS' „hoüwblyck". 

hij onder den titel „Vryster" daar een pendant aan toe: ook 
eene in korte rijmregels vervatte samenspraak tusschen eene 
jong gehuwde vrouw, Sibille, en eene trouwlustige jonkvrouw, 
Rosette, waaraan het reeds vroeger gedrukte „Vryster wapen" 
met verklarend gedicht als titelprent voorafgaat. In dit deel 
komt de samenspraak der beide jonge vrouwen neer op.de 
stelling, dat eene eerbare maagd geene enkele poging moet 
aanwenden om een jonkman in het huwelijksnet te lokken, 
dat iedere stap tot een huwelijk van den jonkman zelf moet 
uitgaan en dat een jong meige veel meer kans heeft op een 
gelukkig huweUjk door hare genegenheid te verbergen dao 
door, op welke bedekte wijze ook, zich zelf aan te bieden, 
omdat de liefde bij de mannen dan alleen standvastig is, wan- 
neer zij moeite hebben moeten doen om de hand eener vrijster 
te verwerven. „Trouwen toch is geen menschen-werck" : een 
jong meisje moet geduldig afwachten tot God haar den haar 
beschoren echtvriend schenkt. 

Het eigenlijke leerdicht, waarin Cats aan de vrouw hare 
pUchten voorhoudt, ofschoon daarbij telkens ook „de manne- 
licke tegenplichten" opgevende — evenals ook Houwaert had 
gedaan in „Pegasides pleyn", waarmee het werk van Cats 
groote overeenkomst vertoont — heeft dezelfde deugden en 
gebreken als zijne vroegere werken. Bij „kleyne beusel-saecken**, 
die anderen misschien „niet de pijne weert" zouden achten, 
stond hij opzettelijk soms lang stil, omdat hij bij ervaring 
wist, hoe dikwijls kleinigheden de oorzaak van groote gevolgen 
en veel leed en onheil zijn. Vandaar ook hier een rijkdom 
van spreukvormig uitgedrukte lessen van practische levens- 
wijsheid, van heinde en ver bijeengegaard uit geschiedenis en 
verdichting, uit de ondervinding van het dagelij ksch leven en 
naar aanleiding van veel wat een opmerkzaam gadeslaan van 
de natuur en eene ijverige studie van natuurkundige werken 
hem had kunnen leeren, omdat hij van alles partij wist te 
trekken. Soms worden die lessen door verhalen afgewisseld, 
waaronder de uitvoerige berijmde novelle van Galant en 
Rosette de aandacht trekt om den eenvoud, waarmee zij is 
verteld, al zou men haar misschien wat beknopter wenschen. 
Maar dat iemand hem te breedsprakig zou kunnen vinden, 
daaraan dacht Cats slechts eene enkele maal; zeker dacht hij 



CAT8* „hoüwelyck". 57 

er Diet aan, toen hij door Rosette van Anna liet zeggen, dat 
„sy geduerigh al te breet weydde", want daarmee bedoelde 
hij, dat [zij te overdreven gestreng was in de eischen, die zij 
aan jonge meisjes stelde. 

Cats was er ten volle van overtuigd, dat hij gestrengheid 
van zeden leerde en ieders dank verdiende voor het nut, dat 
hij met zijne dichtwerken stichtte, zoowel wanneer hij aan de 
bruid leerde, hoe zij zich bij het aannemen van den verlovings- 
ring en later aan den feestelijk en bruiloftsdisch te gedragen 
had, als wanneer hij in kleine bijzonderheden de vrouw uit- 
legde, hoe zij in haar huis- en keukenbestuur tegenover man 
en dienstboden hare huisvrouwelijke plichten vervullen moest. 

Bij de behandeling van één zijner onderdeden, de vrouw 
als moeder, had hij geaarzeld, of hij daarover wel mocht 
schrijven, als hij deed, omdat, zooals hij zegt, „alle schriften 
niet van alle menschen met een ende hetselve oogh-merck 
en worden gelesen," en sommigen „liever een goede reden 
ten quade verdraeyen als een twyflfelachtich ^^oort ten goede 
duyden". Het was alsof hij er een voorgevoel van had, dat 
in later tijd menigeen, ook onder de beoefenaars onzer letter- 
kunde, hem op grond van „twyflfelachtige woorden" in ver- 
denking zouden brengen van een innerlijk behagen te schep- 
pen in het uitweiden over de zinnelijke zijde van de liefde, 
en dat minder reine geesten juist hetgeen hij daarover schreef 
uit zijn werk zouden bijeenzoeken. Hij had zich echter ten 
slotte boven die vrees weten te verheffen en toch maar be- 
sloten om te handelen over wat hij „de by-wooninghe van 
gebouwde lieden" noemt, omdat hij het nuttig vond uit de 
werken der natuurbeoefenaars onder ieders oogen te brengen 
„wat in deze ghelegentheyt ofte aen de vrucht ofte aen de 
ouders ofte aen die beyde te samen ten goede soude moghen 
strecken". Terecht toch vond hij voor de maatschappij niets 
van zoo groot belang, als het voortbrengen van flinke, gezonde 
kinderen. Hoe hoog hij ook het scheppend vermogen van den 
kunstenaar stelde: „'t is doot wat kunste baert, 't is maer een 
ydel beelt", zeide hij, „maer 't is het leven selfs wat echte 
minne teelt*'. Daarom ook schreef hij zeer terecht : „lek en 
can oock geensins begrijpen, waerom het ghewach van huwe- 
licksche saecken ende de voort-teelinghe der menschelicken ge- 



58 CAT8* ^HOÜWaaLYCK". 

slachten by de menschen soo aenstootelick is gheworden, anders 
als om des ontucht en dertelheyts wille, die daerin veeltijts 
wert gebruyckt". 

Toen Cats en zijne bruid bruiloft vierden, wenschte iemand 
hun toe, zooals hij vertelt, „dat sy te samen out en leelick 
mochten worden". Niet alleen achtte hij dat een hartelijken 
wensch, maar nuttig ook vond hij het, dat men alreeds inde 
lente zijns levens werd aangespoord te denken aan den barren 
wintertijd, die met de jeugd ook de schoonheid zou rooven, 
want alleen zij, die zich daarop reeds lang hadden voorbereid, 
zouden zich in hun ouderdom niet ongelukkig gevoelen en 
godzalig hun leven kunnen besluiten, er ook van bewust, dat 
na den strengen winter den mensch „een beter lente-tijt, een 
nieuwe somer wacht". Daarom bood hij dan ook juist aan 
jonge lieden zijn vierde deel aan, dat handelde over de „be- 
daeghde huysmoeder" en over de „weduwe", wie hij, onder 
meer, het aangaan van een tweede huwelijk ernstig ontried. 

Dat Cats in zijn gedicht telkens weder op verschillende 
manieren den vrouwen de apostolische vermaning op het hart 
drukt: „Ghy vrouwen, weest uwen mannen onderdanich", 
was geheel in overeenstemming met de algemeen heerschende 
theorieën over het huwelijk, al werd er in de practijk dan ook 
toen en te allen tijde herhaaldelijk tegen gezondigd; maar 
daarom was Oats nog geen tegenstander van de ontwikkeling 
der vrouw en allerminst iemand, die vrouwen niet zou hebben 
weten te waardeeren en op haar eigen gebied hare meerder- 
heid niet zou hebben willen erkennen. Wel meent hij, dat de 
man veel meer aanleg heeft voor de beoefening van kunsten 
wetenschap en acht hij vrouwen als Anna Visscher en de 
destijds achttienjarige Anna Mabia Schuebmans van Rhenen, 
die door hare taalkennis en kunstvaardigheid elks bewondering 
opwekte, uitzonderingen op den regel — immers' „één bloeme 
en maeckt geen roose-krans", — maar toch stelt hij er prijs 
op, ook de vrouwen te raadplegen in zaken van gewicht, want, 
zegt hij, „men vint, dat vrouwenraet heeft ick en weet niet 
wat dat ons te bovengaet". Ook prees hij Johanna Ooomans, 
die door hare verzen getoond had, „dat even Pindus selfs 
aen vrouwen open staet", en hoopte hij, dat haar voorbeeld 



JOHAN VAN BEVERWYOK. 59 

navolging zou vinden of dat de vrouwen althans smaak zouden 
krijgen in het lezen van goede boeken. 

Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, datdegroote 
kampvechter der vrouwen in dien tijd, de Dordsche genees- 
heer en geschiedschrijver zijner geboortestad Johan van 
Bkvekwyck, die in zijn uitvoerig prozawerk Van de Uutaemenir 
heyt de8 Vrouiuelicken geslachta (van 1639) alles bijeenbracht wat 
er ooit voortreflfeiijks* door vrouwen was gedaan, om te be- 
toogen, dat zij in geen enkel opzicht voor de mannen be- 
hoefden onder te doen, een vriend van Jacob Oats was en 
met eene menigte van diens verzen twee zijner vele en veel- 
gelezen medische werken, namelijk Schat der Oesontkeyt (1636) 
en Scfhat der Ongesontheyt (1642), opsierde. 

De door hem behandelde stof gaf daartoe ook wel aanleiding, 
want onder het vele waarin Cats belang stelde, behoorde niet 
in de laatste plaats de geneeskunde, waarvan in zijne gedichten 
uitvoerige uitweidingen over allerlei kwalen en geneesmiddelen 
getuigen. Bedenkt men, dat in het begin der zeventiende eeuw 
de wetenschap van den geneesheer, evenals van den „fisicien'' 
in de middeleeuwen, nog alles omvatte wat nu natuurkunde 
en natuurlijke historie heet, dan pleit Cats' belangstelling in 
dit vak voor zijne veelzijdigheid, waardoor zijne werken nog 
l&ngen tijd konden beschouwd worden als een schatkamer van 
wetenswaardigheden, die aan het volk, behalve zijne levens- 
vijsheid, ook zijne elementaire natuurkennis verschafte. En 
niet alleen het volk wist die omvangrijke kennis van Cats 
te waardeeren, deskundigen onder zijne tijdgenooten deden 
het evenzeer. Zoo zeide Van Be vbrwyck in een ander medisch 
werkje. Lof der Oenees-konste, dat de pensionaris zijner vader- 
stad, Jacob Cats, „onlangs in syn treffelick Houwelick aen- 
gewesen heeft, ick en weet niet met beter verssen ofte rede- 
nen", hoe noodig het is, dat gehuwden weten, hoe zij uiteen 
hygiënisch oogpunt hunne huwelij ksplichten vervullen moeten. 
Dichterlijk in eigenlijken zin kunnen dergelijke gezondheids- 
lessen wel niet genoemd worden, maar zij strekken mede ter 
verklaring van den groeten opgang, dien Cats met zijne 
werken in zijn eigen tijd heeft gemaakt. 



60 HÜYGBNS' JBÜQD. 



XXIV. 

Constantijn Huygens in zijne ledige uren. 

De roem, dien Cats zich in korten tijd met zijne eerste ge- 
dichten verworven had, bewoog in 1621 den hoogst begaafden 
CoNSTANTijN HuYGBNs ondcF zijnc vleugelen als aankomend 
dichter met zijn eerste groote gedicht op te treden. Reeds in 
1618, toen hij te Zierikzee bij Anthonis de Hubert gelogeerd 
had, was hij met de Zeeuwsche dichters en misschien toen 
reeds of spoedig daarop met Cats in aanraking gekomen. 

In zijn „noyt volpresen, noyt half uytgepresen Haegh" den 
4den Sept. 1596 geboren, was ook hij, zooals zoovele onzer dich- 
ters — en de taal zijner gedichten draagt er blijk van — 
Brabander van afkomst. Zijne moeder, Susanna Hoefnagel, 
toch was eene Antwerpsche, zijn vader Christiaan was geboren 
te Ter Heide bij Breda. Daarom stonden dan ook als peters 
over zijn doop de stad Breda en de Raad van Brabant, en 
bovendien ook de admiraal van Zeeland, Jnstinas van Nassau, 
als bewijs hoezeer zijn vader bij het huis van Oranje in de 
gunst stond, en zeker niet te onrechte, want aan Willem I 
had hij als secretaris belangrijke diensten bewezen, die hij, 
tot zijn dood in 1624, voortging aan den lande te bewijzen 
als secretaris van den Raad van State, waartoe hij na den 
dood des Prinsen was benoemd. 

De jonge Hüygens was dus reeds door zijne geboorte be- 
stemd om de prinsen van Oranje en daardoor den Staat te 
dienen en getrouwer dienaar was er moeielijk te vinden. Ook 
niet gemakkelijk een bekwamer. Zijn voortrefiFelijke aanleg 
toch was rijk ontwikkeld door de zorgvuldige opvoeding, die 
zijn vader hem zelf gaf, en het veelzijdig onderwijs, dat hij 
hem door goede leermeesters deed geven. Wij weten dat alles 
in kleine bijzonderheden, omdat ons voor de biographie van 
geen enkel onzer dichters zoovele betrouwbare bronnen ten 
dienste staan, als voor die van Huygens : in de aanteekeningen 
zijner ouders, zijn eigen dagboek, het begin eener uitvoerige auto- 
biographie, verschillende memoriën, duizenden brieven van 
en aan hem, voor een klein deel reeds uitgegeven, voor een 



« 



HUYQBNS' VBELZIJDIOHBID. 61 

grooter ter uitgave bestemd, en eindelijk het bijna volledig 
handschrift zijner, meestal nauwkeurig gedateerde, gedichten, 
waaronder ook zijne levensbeschrijving in Latijnsche verzen, 
De Vita Propria, die hij nóg op het laatst van zijn leven dichtte. 

In geen enkel vak van wetenschap was hij vreemdeling. Reeds 
in zijne jonge jaren overtrof zijne kennis die van de meesten 
uit zijne omgeving, op lateren leeftijd behoefde hij slechts 
voor vakgeleerden onder te doen. De muziek, waarin zijn 
vader hem het eerste onderricht gaf, was zijne lievelings- 
oefening: reeds op zijn vijfde jaar leerde hij cither-, op zijn 
zesde vioolspelen ; op zijn zevende jaar begon hij met de luit, 
waarop hij een meester werd. Ook gitaar en theorbe, „clavier 
op ijser- en op coper-draed, op tinn tot pypen uytgesmeedt" 
leerde hij bespelen; en daar 't hem verveelde „copije van 
sijns gelyck, aep van ander luyden werck te zijn'*, ging hij 
ook aan 't componeeren. „Drijmael drijhondert'* muziekstukken 
zegt hij zelf te hebben gemaakt en daaronder 39, die hij in 
1617 te Parijs onder den titel „Pathodia Sacra et Profana" 
uitgaf. 

Uitgebreid was zijne talenkennis. Behalve de beide olassieke 
talen kende hij Fransch, Italiaansch, Spaansch, Engelsch en 
Hoogduitsch. Uit al die talen vindt men onder zijne gedichten 
eene menigte vertalingen; maar hij schreef ze ook gemakkelijk 
en maakte er zelfs verzen in. Latijnsche verzen dichtte hij 
reeds van zijn elfde jaar af, en wel in groot aantal. Tot het 
schrijven van een Nederlandsch gedicht kwam hij echter niet 
vóór zijn zeventiende jaar, toen hij ook al Fransche verzen 
had gemaakt; en eerst van 1619 dagteekent bij hem de 
ernstige beoefening der Nederlandsche poëzie. Toen zond hij 
OA. een gedicht j,Aen de Bredaesche camer van Vreuchden- 
dal", waarin hij Hsinsius en Anna Visschbb prees, en ook 
,den grooten Grotius", maar met de opmerkelijke bijvoeging, 
die hem reeds toen als aanhanger der stadhouderlijke partij 
en tegenstander der staatspartij doet kennen: „Och! had hij 
groot, noyt groots, noyt grootste willen wesen." In godsdienst 
en politiek was Huyobns dus ook toen reeds, wat hij later 
steeds zou blijven, meer geestverwant van Cats dan van Hooft 
en zijne Amsterdamsche vrienden* Toch noemt hij in dit 
gedicht Cats nog niet. 



62 HUYOBNS' EBBSTB OBDICHTEN BN RBIZBN. 

Het eerste wat hij nog in hetzelfde jaar, doch alleen voor 
vrienden, liet di'ukken, schoon het later onder de afdeeling 
„Bibelstof zijner volledige dichtwerken is opgenomen, was 
een kleine bundel stichtelijke verzen: „Christelijckebedenckin- 
gen over de twaelf articulen des Christelycken geloofs en over 
de thien geboden des Heeren." Andere gedichten uit dien tijd 
zijn, in den Delflandschen boerentongval en in schertsenden 
toon, gericht tot jonge meisjes van zijne familie, o.a. tot zijn 
nichtje Dorothea van Dorp, op wie hij een tijdlang verUefd 
en met wie hij zelfs eenigen tijd in 't geheim verloofd schijnt 
geweest te zijn. 

Dat hij ook al vroeg de kunsten der groote wereld, paard- 
rijden, schermen en dansen, leeren moest, sprak van zelf, 
want zijn vader kon hem de hofkringen binnen leiden: doch 
hij moest niet slechts hoveling, hij moest ook staatsman kun- 
nen worden. Daarom kreeg hij eerst in Den Haag van zijn 
geleerden oom Jacob Sweers onderwijs in de rechtsgeleerdheid 
en vertrok hij daarna, in 1616, te gelijk met zijn eenigen, 
anderhalf jaar ouderen broeder Maurits naar Leiden. Reeds 
het volgende jaar kon hij er, na eene openbare disputatie, 
den doctorstitel verwerven. Hij knoopte er toen ook kennis 
aan met Daniël Heinsius, aan wien hij op 't eind van 1622 
uit Londen zijn grootendeels strophisch gedicht „De uytlandsche 
herder" toezond, waarin hij jammerde over den hernieuwden 
krijg, maar zich verheugde over het ontzet van Bergen-op- 
Zoom, „de vroomgeberghde stadt". 

HüYGBNS was toen niet voor het eerst in Londen. Reeds 
vier jaar vroeger had hij er vijf maanden mogen doorbrengen 
als gast van onzen gezant Noël de Caron, die hem aan het 
Engelsche hof en zelfs aan den Koning had voorgesteld. In 
1620 bracht hij drie maanden in Noord-Italië (bij Venetië) 
door in het gevolg van onzen gezant Frangois van Aerssen, 
die hem tot zijn secretaris aanstelde en ook later groote be- 
langstelling voor hem toonde. Het jaar daarop ging hij weder 
naar Londen en wel als secretaris en factotum van het gezant- 
schap; en vandaar teruggekeerd, schreef hij zijn eerste groote 
gedicht: „Batava Tempe. Dat is H Foor Aou< van 's-Gravenhage", 
waarmee hij terstond zijn roem als dichter vestigde. Het was 
een nieuw geluid, zooals men bij ons nog niet had gehoord, 



HUYOBNS' „voorhout". 63 

een dichtwerk, eigenaardig van opvatting, versbouw en stijl 
vooral, dat hem stempelde tot een dichter met eigen karakter 
en meer dan gewone gaven, als „een nieuwen Swaen met 
onghemeene pennen" zooals Cats van hem zeide. Overtroffen 
heeft hij het, naar het mij voorkomt, later nooit weer, eene 
enkele maal misschien geëvenaard, en zeker is het, dat wie 
later zijne navolgers kunnen genoemd worden, vooral zijn 
„Voorhout" tot voorbeeld namen. 

Liefde voor zijne geboorteplaats vormt er den grondtoon 
van. Geen oord ter wereld zoo schoon als Den Haag met en 
door zijn Voorhout, is zijne meening. Geene stad, hoe beroemd 
ook, kan er bij halen, noch Rome „de groote Papen-stadt", 
die slechts de „schaduw van ouden glans" heeft overgehouden, 
zoodat men er van moet zeggen: „Al uwluysterzijnuwjaeren 
en uw schimmel al uw eer", noch Venetië, „het prachtighe 
moras ', met zijn „marmer-kaden" en „weeldrigh slijck", noch 
„de Fransche Scepter-stadt" met „de trotsche Panneryen" of 
Tuilerieën, noch de hoofdstad van „het witte Brittenlandt" 
met de geweldige Londonbridge over de Teems, noch de stad 
aan de Schelde, noch het „averechte masten-woud" Amster- 
dam, dat „veen vol steenen", die „sack vol goud". En waarom 
overtreft 's-Gravenhage die alle ? Omdat daarin het Bataafsche 
Tempe omsloten ligt, het Voorhout met zijn „tweemael twin- 
tigh paeren" van lindeboomen, ,met gestichten omgeplant." 
^Yemandt sal mij connen toonen", zegt hij, „öf meer huysen 
5f meer houts, maer waer sachmen oyt bewoonen soo veel 
stads in soo veel wouds?" 

Hoe zich dat Voorhout in elk der jaargetijden voordoet, 
wil hij nu verder vertellen: in de lente, wanneer de „lieve 
nieuwe blaertjens, schepseltjens van éénen nacht" uit hunne 
„bolle botgiens bersten" en wegens hunne „jonge weinigheit", 
hunne firischheid en zeldzaamheid nog zoo gewaardeerd wor- 
den; en in den zomer, dien hij met de hulp der Muzen zóó 
levendig hoopt te kunnen beschrijven, dat „een grijze dutter 
met de schenen voor de vlam" in den tijd, dat de lindetakken 
„duycken onder 't vlockigh wintermeel" en hij de tanden zet 
„in de nieuwe-jaersche weggen", toch onder het lezen tot 
's dichters eer zal uitroepen: „Maer, maer hoe ken 't die 
Vryer seggenl 'tGaet al offet Seumer waer.'* 



64 HUYOENS' -voorhout". 



De beschrijving van het Voorhout in den zomer is oneven- 
redig uitvoerig in vergeüjking met hetgeen er in de andere 
jaargetijden van wordt gezegd, ook omdat Huygbns er drie 
kijkjes van genomen heeft: in den morgenstond, op den mid- 
dag en aan den avond ; doch waarom dat af te keuren, zooals 
wel eens gedaan is? De dichter had nu eenmaal van den 
zomer wat meer te zeggen dan van de andere jaargetijden, 
en hij heeft dat alleraardigst gedaan. Een gedicht behoeft toch 
niet op een regelmatigen veelhoek te gelijken, en wie den 
dichter zou willen verwijten, dat hij een hopeloos werk onder- 
nam door zijne lezers ook van de heerlijkheden van het Voor- 
hout in den winter te gaan overtuigen, bedenke, dat in het 
dichtstuk geen ernstig pleidooi voor eene natuurlijk sterk 
overdreven stelling mag gezien worden, maar de uitwerking 
van eene, uit liefde voor Den Haag ontworpen, korte schets, 
waaraan Huygens zich niet altijd gehouden heeft, >omdat bij 
hem naar 's dichters natuur het „peerd de toomen" soms 
ontliep. 

Wie op een mooien zomerochtend tegelijk met Aurora „he,t 
bedde ruimt" en de linden opzoekt, kan daar niet alleen het 
ontwakend voglenheer zien, de rijzende zon met vroolijk ge- 
zang begroetend, maar kan misschien ook nog het buitenkansje 
hebben, hier of daar deur of venster te zien opengaan en de 
naar buiten glurende jonge, meisjes te mogen bespieden, zich 
vertoonend zooals zij in werkelijkheid zijn, wanneer al die 
lintjes en strikjes, al die poeders en moesjes, valsche vlechten 
en krullen haar nog niet gegeven hebben „wat de hemel no}rt 
en schonck'', namelijk het schijnschoon, waaraan deonnoozele 
vrijer zoo menigmaal het hof maakt. 

Op den middag biedt het lindeblad met zijn „groene koelte 
of koele groenigheit" niet alleen beschutting tegen den regen, 
maar vooral ook tegen den „feilen straelder van omhoogh'^ 
voor wien Huygens achtentwintig geestige bijnamen bedacht 
heeft, die aaneengeregen twee geheele strophen uitmaken, 
als navolging van eene dergelijke namenreeks in Heinsius' 
„Lof-sanck van Bacchus'\ en als voorbeeld voor Vondel in 
diens „Rynstroom". Toch is „dat felle stralen eener sonne verr' 
omhoogh" nog niets, zegt de dichter, bij den brand der liefde 
van nabij, waarover hij een armen jonkman hoorde klagen 



HUYGKNS' „voorhout". 65 

„in syn weelderigh ellend", omdat zijne aangebeden Cloris 
koud als marmer voor hem blijft. 

De avond echter is de ware tijd voor de liefde. Dan toch 
zijn „alle meisjens even moy, alle kaeckjens even bloosigh, 
alle ooghjens even gauw, alle lipjens even roosigh, alle mondt- 
jens even nauw", en dan kan ook de beschroomde vrijer uit 
de duisternis moed putten, zoodat hij het waagt, „meer te 
spreken dan het licht hem dencken liet." Menig verliefd paartje 
beluistert Huygens 's avonds in 't Voorhout, menig burger- 
jongen, die in Haagschen tongval zijn Trijntgie van zijne 
dienst- en ofiFer vaardigheid verzekert, zijn Dirckgien haar voor- 
keur voor Sander verwijt, zijn Troosgie eeuwige trouw zweert, 
of die naar een bedankje vischt, omdat hij den vorigen avond 
een regenbui getrotseerd heeft alleen om zijn Agnietje eene 
serenade te kunnen brengen. Een ander tracht zijn ïQaertje 
te vermurwen door hoog op te geven vian de rijke erfenis, 
die hem te wachten staat; en onder die allen zijn er ook wel 
„van 't gebroedsel, dat of pen of degen voert", die in de half 
Fransche hoftaal afscheid nemen van eene getrouwe of afscheid 
geven aan eeiie wufte vrijster. Deze aardige tafreeltjes trokken, 
toen het gedicht verscheen, misschien wel bovenal de aandacht, 
en voor het nageslacht hebben zij nog niets van hunne aan- 
trekkelijkheid verloren. Doch aanzienlijker gezelschap ziet 
Huygens onder de linden : vorsten, die wel onder een lauwer- 
dak mochten wandelen : de „getrouwe Leeuwen-hoeders", Prins 
Maurits en zijn jongeren broeder, het „ onver winnelicke paer", 
dat in, 1621 daar den Bhemervorst en zijne echtgenoote, „'t 
waerde Brittenlands juweel", vergezelde. 

De herfst geeft alleen aanleiding tot de opmerking, dat alle 
uiterlijk schoon van korten duur is, voor het Voorhout om 
met eene nieuwe lente terug te keeren, voor de meisjes echter 
„buyten hoop van wederkeer" ; maar al is in den winter het 
groen van het Voorhout in grauw verkeerd, toch blijft het 
den dichter lief boven al. In dienst van het Vaderland heeft 
hij „de krijtte stranden en de Zuyderlanden" bereisd en hij 
zou dat weer doen, als hij er toe geroepen werd; maar toch 
gaat er bij hem niets boven zijn vaderland, behalve het eeuwige 
vaderland, waarop men reeds hier op aarde het oog moet 
gevestigd houden. 



66 KARAKTER VAN HUYOKNS' POËZIE. 

Eigenaardig is bij dit gedicht de trochaeïsche cadans der 
achtregelige strophen met kruisrijm, waarbij alliteratie en 
herhaling van woord- en zin vormen niet weinig tot de wel- 
luidendheid bijdragen. Eigenaardig zijn ook de stijlwendingen, 
zooals, dat dikwijls twee regels tegenstelling of aanvulling 
vormen van de beide voorafgaande rijmregels, of dat althans 
twee verzen met elkaar eene eenheid uitmaken tegenover de 
andere. 

Dat HuyGBNs bij voorkeur in tegenstellingen denkt, blijkt 
ook uit zijne zucht voor woord- en klankspelingen en verras- 
sende opmerkingen, die het vooraf gezegde gedeeltelijk terug- 
nemen of zelfs weerleggen. De levendigheid van het gedicht 
wordt grootendeels veroorzaakt door de afwisseling van toon: 
nu eens wordt de lezer er in toegesproken, dan weer spreekt 
de dichter van of zelfs tot zich zelf; pittige opmerkingen van 
levenswijsheid en vermaningen wisselen de beschrijvingen en 
schilderingen, zoowel van natuur- als van menschenwereld, 
af; en bij dat Ijrrisch-didactische treft ons vooral ook het min 
of meer dramatische, waardoor het gedicht voor ons eene 
beweeglijke schilderij van het Voorhout is geworden. 

Aanvankelijk was het „Voorhout" bestemd om opgenomen 
te worden in den „Zeeuschen NachtegaeP', en daarom aan 
Cats toegezonden, die op zich nam voor den druk te zorgen, 
terwijl HüYGBNS zelf op het eind van 1621 naar Londen 
vertrok, weder als gezantschapssecretaris van Fran9ois van 
Aerssen. Ditmaal bleef hij langer dan een jaar in Enge- 
land, waar hij vooral in den kring van Robert Killegrew 
kennis maakte met allerlei beroemde en aanzienlijke mannen, 
en o. a. met den welsprekenden hofprediker en deken van de 
St.-Paulskerk, John Donne, die destijds als een van Engelands 

Srootste dichters in eere was. Ook viel hem in October 1622 
e onderscheiding te beurt, op voordracht van Van Aerssen 

door Jacobus I tot ridder, d. i. in den adelstand, verheven 

te worden. 

Bij zijn verblijf in Engeland in 1622 heeft Huygbns — daar de 

uitgave van het „Voorhout" vertraagd werd — nog een tweede 

groot gedicht voltooid, dat hij nu samen met het „Voorhout" 

in het licht wilde geven. Het was getiteld Kerkuraia Mastix 

(d. i. overtollig sieraad) of Costelick Mal, en hekelde in bijna 



HUYGENS' „COSTELICK MAL". 67 

vijfhonderd alexandrijnen de overdadige weelde in dekleeder- 
dracht. Ook hekeldichten zooals dit, in den trant van Juvenalis, 
kende onze letterkunde toen nog niet. Aan den „geleerden 
Cats" opgedragen, was het op zich zelf een geleerd gedicht, 
waarvan de stof zorgvuldig was bijeengezocht, vooral uit de 
„Polyanthea" van Jos. Langius en ook uit andere schrijvers, 
en waarvan het plan nauwkeurig was overdacht. 

„Een opgesnoeide broeck, een sackende Bragoen, een holle 
Harnasch-tip, een doorgekapte Schoen", zóó begint het met 
achtereenvolgens allerlei onderdeden van de mannenkleeding 
op te sommen en door vergelijkingen, zooals van den „over- 
lintten voet" bij de „ruyge pooten van de doflfers", en van 
de hooge hakken bij „satyrs spitsche kooten", die kleeder- 
drachten belachelijk te maken, evenals, onder de vrouwen- 
kleeding, de^schuynsche rimpelkraegh", die aan een„boerenwan", 
het „omgehoepte pack", dat aan een „keernenvat" doet denken, 
enz. enz. Konden Adam en Eva eens uit hun graf verrijzen, 
hoe ontsteld zouden zij staan kijken I En toch. Eva's „ver- 
vloeckte snoepery" is van die dwaze en overdadige kleeder- 
pracht de grondoorzaak: „die wortel heeft in ons by tacken 
voortgebracht Kouw, Schaemte, Kleederen, Begeerlicheit en 
Pi-acht". 

Of men daar al over jammert, baat niets. Men moet het 
verdragen en er om lachen. Is dat ongevoeligheid? Hoe 
bedroevend de toestand der krankzinnigen moge zijn, hunne 
inbeeldingen zijn soms zóó dwaas, dat men er ook door zijne 
tranen heen wel om lachen moet: en zou dan deze „milte- 
kitteling" ook niet geoorloofd zijn, als men opmerkt, dat al 
die kleederpraal dikwijls alleen dient om een leelijk en vies 
lichaam te verbergen? Dat de mensch kleeren draagt, is op 
zichzelf natuurlijk niet af te keuren : 't is in ons land te koud 
om er naakt te loopen : „bloot Indien den buyck, wie sal het 
Holland vergen !" maar waarom kleeden wij ons niet in eigen 
gesponnen linnen? Waarom halen wij van overal die „over- 
zeesehe prachten" en trachten wij in veelheid van schitterende 
kleuren al het geschapene te overtreffen, als apen, die alles 
namaken wat zij zien? Zelfs zijn wij niet tevreden met ónze 
kleeren te verwen. Hoevele vrouwen beschilderen niet haar 
eigen lichaam, hare huid, hare lokken, die mooi blond moeten 



68 HÜYGENS' „COSTBLICK MAL" 



9 



lijken ! En zijn zij, door het maaien van den tijd, „voorhoofd 
schier van d' oogen tot den neck toe", dan schenken zij eene 
eigenaardige onsterfelijkheid aan de overledenen door zich 
uit het haar van deze eene pruik te laten maken. 

Is de „pop soo opgetoyt" in al die geleende pracht, dan laat 
zij zich door „vier henghsten na de kerck" rijden en zu,cht 
zij daar onder haar „sonden-pack" en vernedert zich voor 
God. . . . maar kan dat gemeend zijn? Een geheel jaar zou 
een arme kunnen leven van het geld, dat zij alleen aan hare 
kleeren te koste gelegd heeft, en zij denkt er niet aan, 
„pack en ballast uyt te schudden" en schatten te vergaderen, 
die niet door mot en roest verteerd worden. Hier verwondert 
HuYGENs zich zelf over de hooge vlucht, die zijne gedachten 
nemen. „Wasch en wiecken zullen smelten; het kruypen is 
my konst", zegt hij, „wat maeck ick in de vlucht?" 

Zoo begeeft hij zich dan weer naar omlaag met de opmerking, 
dat alles nog zoo erg niet zou zijn, als ieder zich maar 
tevreden stelde met de kleederpracht, die hij of zij bezit: 
immers wat eens goed en verstandig was, is het altijd. Maar 
de mensch is veranderlijk, „lust in de niewigheyt" drijft ons 
telkens van mode te veranderen. Eenige aanleiding is er ook 
wel voor. Zoodra ik eene mooie kleeding heb gevonden, zegt 
de aanzienlijke dame, komt eene burgerjuffer en maakt haar 
na. Men ziet mijne dienstbode voor mij aan en dat is niet 
te verdragen: ik moet haar. telkens wel eene mode vóór 
wezen. En wilde men nu de schuld bij Trijn en Trui zoeken, 
die hare meesteres naapen, dan zouden ook zij wel wat weten 
in te brengen om zich te verontschuldigen, want tegen vrouwen 
valt niet te pleiten: zij moeten ten slotte altijd gelijk hebben. 
Men moet dan maar zeggen: ieder heeft schuld en niemand 
ongehjk. Wat „eertijds ydle toy en eertijds overdaed" was, 
„is nu gedwongen moy": men kan zich aan de macht der 
gewoonte niet onttrekken en moet zich aan de mode ook zelf maar 
onderwerpen, als men slechts geene waarde hecht aan het 
waardelooze en „vreugdeloos het opgedrongen pack draegt", 
altijd even bereid „om 't witte kleed te gorden", waarin het 
lichaam eens ter aarde zal worden besteld. 

Toen in 1622 Costelick Mal en Voorhout met nog een paar 
kleinere gedichten en twee prenten, door A. van de Venne 



HUYQflNS' OBZOGHTHBID KN DUISTERHEID. 69 

geteekendy door de zorg van Cats — niet in den „Zeeuschen 
Nachtegael", maar — afzonderlijk het licht hadden gezien, trok- 
ken zij onmiddellijk als iets bijzonder voortreflfelijks zoozeer de 
aandacht, dat reeds het volgende jaar een tweede druk ter 
perse kon gaan. „Hoe gheluckich zijn de Linden, die so 
soeten schrijver vinden!" heeft toen zeker menigeen Cats 
nagezegd en met hem „Huygens geestich overal" genoemd, 
want dien indruk maakt hij ook nu nog. 

Toch was de ingenomenheid niet algemeen. Hüygens was 
bijzonder vroeg ontwikkeld geweest, en wist men niet, dat hij 
nog geen zes en twintig jaar was, toen hij deze gedichten 
schreef, en sprak hij er niet in van „de jonge jaeren, die hy 
van den hemel hield", dan zou men ze voor het werk van 
rijperen leeftijd, zelfs van gemelijken ouderdom kunnen houden. 
Er is iets wijsneuzigs in den toon, en dat Huygens zich om- 
streeks denzelfden tijd in zijn gedicht „Gedwonghen onschult" 
moest verdedigen tegen het verwijt van pedanterie, bedilzucht 
en ijdelheid, hem door een man van aanzien gedaan, kan 
ons niet bevreemden. Hij meende het wel niet zoo kwaad, 
maar maakte dan in elk geval een verkeerden indruk. 

Zoo meende hij ook volstrekt niet, gekunsteldheid en duis- 
terheid, in zijn schrijven na te jagen. Wel was hij terecht, 
evenals later, „onsoenelick gebeten tegen 't lamme laffe lijm 
van den dagelicksen rijm" en streefde hij naar beknoptheid 
en kernachtigheid, naar geestige nieuwheid van vorm, waarbij 
zijne vindingrijkheid om een ongewonen vorm voor gewone 
gedachten uit te denken telkens bewondering wekt, maarzelüs 
zijn vader waarschuwde hem tegen eene gezochtheid en spits- 
vondigheid van geest, die aan zijne eerlijkheid zou kunnen 
doen twijfelen, en aan „mooi doen" zou kunnen doen denken ; 
en tegen eene duisterheid, die reeds menigeen zijne gedichten 
verdrietig uit de hand had doen leggen. Cats, die aan deze 
gebreken zelf wel allerminst mank ging, trad echter als zijn 
verdediger op. „Roupt yemant onder dies: het schrift is al te 
duyster! ick", zegt Cats, „ick roupe wederom: het is sijn 
rechte luyster!" Immers „de rijpste druyf schuylt in het dickste 
loof' en „in het hoff dient niemant met open schotels". Huy- 
gens' gedichten, zeide zijn vriend Westbbbabn wat later, 
vereischen „een man, dien 't niet en moet verdrieten, dat hy 



70 HUYGKNS' „STEDEK- EN OORPSSTKMMEN". 

somwylen weer herkaeuwe dat hy at", want inderdaad: „die 
leest en wederleest, sal vinden en genieten yet goeds dat hy 
in 't eerst nog niet gemerckt en had". Zijn werk was „spijs 
van hooge smaeck gescherpt door aerdigheden en overal ge- 
speckt met Kunst en Wetenschap.*' Dit is zeker, bij Huygbns 
als dichter zijn de gebreken de overdrijving ^ van deugden, 
doch niet van alle deugden, want tegenover Hooft en Vondel, 
met hun fijn gevoel, rijke verbeelding, ruime wereldbe- 
schouwing en hoog zich verheflfenden geest, is Huygbns, zonder 
juist ongevoelig te zijn, de wereldwijze, practische en zeer ge- 
leerde verstandsman, en als zoodanig meer een geestverwant 
van Cats, met wien hij echter door de bestudeerdheid van 
zijn vernuft en de beknoptheid van zijn taalbouw eene scherpe 
tegenstelling vormt. Zegt Cats dikwijls te veel, Huygens laat 
ons maar al te dikwijls naar de beteekenis zijner beknopte 
zinnen en overdrachtelijk gebezigde of onjuist gevormde woorden 
raden, maar heeft men zijne bedoeling eens begrepen, dan ge- 
voelt men zich maar zelden teleurgesteld: de zoete kern der 
noot is het doorbijten van het harde omhulsel meestal waard. 

Dezelfde eigenaardigheden, als ons vooral in zijn „Costelick 
Mal" treflfen, doen zich minstens even sterk voor ^in de ge- 
dichten, die Huygens maakte, toen hij in het begin van 1623 
in zijn vaderland was teruggekeerd, waar hij toen verder het 
geheele jaar kon blijven. Inzonderheid schijnt hij zich nog 
meer op woord- en klankspelingen, op binnen- en lettergreep- 
rijm te hebben toegelegd, eerst in zijne Zedeprinten, en ver- 
volgens in zijne Steden- en Dorpsstemmen, In den laatsten bun- 
del worden de achttien stemmende steden van Holland en 
zes Zuidhollandsche dorpen elk in een tienregelig gedichtje 
niet onaardig gekenschetst, en onder de dorpen in de eerste 
plaats het „dorp der dorpen", 's-Gravenhage, „daer yeder straet 
een stadt is." Twintig jaar later heeft Huygens aan bijna elk 
van die straten en bovendien aan alle Haagsche gebouwen 
van eenige beteekenis een kort Latijnsch gedichtje gewijd, 
vereenigd onder den titel „Haga vocalis". 

De Characteres of Zedeprinten zouden door hun naam aan 
navolging in versmaat van de prozakarakterbeelden van Theo- 
phrastus kunnen doen denken, doch gelijken er weinig op, 
omdat zij meer op geestige wijze uiterlijkheden dan inner- 



HÜYGENS' „ZEDEPRINTKN" ; ZIJNE „LEDIGE ÜREN". 71 

lijke eigenschappen aanduiden. Het zijn er negentien van zeer 
ongelijke lengte, van welke alleen de print van den Professor 
door HuYGENS zelf nooit is uitgegeven. In „een boer'* vindt 
men aardig gekeuvel in den ZuidhoUandschen tongval. „Een 
onwetend medicyn" is het treffend beeld van een schijnge- 
* leerden arts, die met deftigen ernst en hoffelijke vriendelijkheid 
de faalbaarheid der geneeskunst handig weet te maskeeren. 
Door „een goed predikant" te schetsen hekelt de dichter de 
geestdrijvers zijner dagen; In „een waerd" is de politieke tin- 
negieterij aan het woord, die den toestand van Europa op het 
eind van 1623 met veel eigenwijsheid bespreekt. Voor de korte 
print van „een gesant" leverde zijne naaste omgeving hem 
de stof, evenals voor die van „een sot" en die van een „wijs 
hoveling", welke laatste door de groote uitvoerigheid wel een 
klein leerdicht kan genoemd worden en blijkbaar het ideaal 
schetste, waarnaar hij zelf toen streefde. Ook dit dichtwerk van 
HüYQENs vond waardeering bij zijne tijdgenooten. „Het schil- 
dert wonder net, het schildert naer het leven", wordt gezegd 
in een lofdicht, waaronder de initialen F. B. staan, d. i. Felius 
Brouwershavensis of Cats van Brouwershaven. 

Deze „Sicdeprinten" droeg Hüygbns in het begin van 1624 
op aan zijn broeder Maurits, kort na bet overUjden van hun 
vader, die even vóór zijn dood nog had kunnen bewerken, 
dat zijn oudste zoon tot zijn opvolger als secretaris van den 
Raad van State werd benoemd. Nu werd het ook voor Con- 
stantijn tijd om een vast ambt te bekleeden, en na nog korten 
tijd voor de derde maal gezantschapssecretaris, in Engeland, 
geweest te zijn, bleef hij nu verder in Den Haag om daarvan 
werk te maken. Dezen tijd gebruikte hij bovendien om eene 
uitgave te bezorgen van het grootste deel zijner Latijnsche, 
Fransche, Italiaansche en Nederlandsche gedichten, die dan 
ook in 1625 in het licht verschenen onder den titel Otia of 
Ledige uren, want als de vruchten daarvan wilde hij zijne ge- 
dichten alleen beschouwd zien. Behalve de door ons besproken 
grootere dichtwerken, komt er ook een bundel kleinere ge- 
dichten in voor, die hij aan zijne vrienden in Zeeland opdroeg. 
Daaronder zal men nog niet vinden de overbekende, van 
1625 dagteekenende, „Ecloga nautica," later onder den titel 
aScheeps-praet" gedrukt. Iedereen kent de zeven strophen. 



72 HÜYGENS' nSCHEBPS-PRAET". 



»' 



waarin het scheepsvolk in eigen taal den dood bejammert 
van „Mouring, die de vrije schepen van de Seven-landsche 
buert" zoo lang „voor den wind had leeren varen", en waarin 
„moy Heintie, de jonge vaer," de neerslachtigen uit den dut 
opwekt en met vaste hand het roer grijpt, zoodat „*t scheepje 
weer deur 't zeesopp schuerde, offer Mouring noch an stond". 
Toen Potgieter in „Het Rijksmuseum" op aanschouwelijke 
wijze den indruk schetste, dien dat liedje kort na Maurits' 
dood in het legerkamp op zijne krijgslieden moet gemaakt 
hebben, bedacht hij niet, dat het eerst in 1638 gedrukt zou 
worden met de uitdrukkelijke bijvoeging, dat het slechts een 
fragment was; maar weten kon hij toen nog niet, omdat het 
eerst later uit Huygens' eigen handschrift gebleken is, dat 
er nog drie onuitgegeven strophen volgen, waarin getreurd 
wordt over een tweeden slag, die al spoedig op den eersten 
volgde, den dood van „Goeje Jan". Ware het gedicht voltooid, 
dan zou waarschijnlijk het laatste het hoofdonderwerp zijn 
geworden, met het fragment op Mouring als inleiding. En 
wie was die Goeje Jan? Niemand anders dan de tweede secre- 
taris van Frederik Hendrik Jan Tuning, weggerukt door de 
pest, die hier toen zoo hevig woedde. Vermoedelijk is het 
gedicht dus gemaakt óf als aanbevelingsbrief voor de open- 
gevallen betrekking, óf als vreugdezang bij het aanvaarden 
van het gewenschte staatsambt, want den 18den Juni 1625 
trad HuYGENS als opvolger van Jan Tuning bij Frederik 
Hendrik in functie. 



XXV. 

Hooft en Htiygens, Susanna en Leonora. 

Reeds een jaar vóór Huygens' Otia het licht zagen, had 
Hooft hem met een gedicht tot de uitgave aangespoord en 
ook den „zetter van de logge doode letter" toegeroepen: 
„Letterzetter, spoeit u yet ende let ons langer niet!" Toen 
het werk eindelijk verscheen, vond men daarin niet alleen dit 
gedicht van Hooft, maar nog twee andere lofdichten van 
hem: een gekunsteld, woordspelend sonnet, geheel in den 



HOOPT ALS WEDUWNAAR. 73 

trant van Huygbns, en een schertsend gedicht, waarin Hooft 
op grond van Huygens* „Steden- en Dorpsstemmen" voorspelt, 
dat, evenals zoovele Grieksche steden eens streden om de eer 
Homerus te hebben voortgebracht, zoo ook eenmaal al die 
zoo goed bezongen steden en dorpen elkaar de eer zouden 
betwisten, de geboorteplaats te heeten van „Huygens, grooter 
als Homeer." 

Dat Hooft weer in staat was zóó te schertsen, bewijst, dat 
de sombere stemming bij hem min of meer geweken was, 
waarin wij hem bij ons verhaal na den dood van vrouw en 
kroost eenzaam achterlieten op het uitgestorven Muiderslot. 
jDie noit anders dan spelden en spijkers opzocht om 't geen 
hy beminde naghelvast in zyn herte te maeken," had hij 
toen aan Tesselschade geschreven, die er met al te onvrouwe- 
lijke koelhartigheid op antwoordde, „hoe kon 't hem daer 
af gescheurd worden zonder ongeneeslijke reeten te laeten !" — 
,Ick en zoek de rouw niet, maer zy weet my te vinden. 
Duizendt en duizendt dingen daeghs haelen mjm schaede op 
en meeten ze ten breedsten uit." Maar Hooft was wijsgeer 
en kon er bijvoegen: „evenwel heb ick het geloof niet, dat 
droef heidt deughd is, oft kante my met stijfzinnigheidt tegens 
allen troost". Wel hadden zijne rampen hem voor een oogen- 
blik zóó „verbluft, dat hem de wereld docht van onder zyne 
voeten ontzonken", maar breken konden zij een man als 
Hooft niet. Het verleden mocht dan voor hem als een droom 
voorbijgegaan zijn, hij rekende nog op eene toekomst, en van 
de zware slagen wat bekomen, dacht hij er over, eene nieuwe 
drostin het hooge huis van Muiden binnen te leiden. 

Door het huwelijk zijner schoonzuster Sara van Erp in 1625 
met David van Baerle kwam hij ook in nadere aanraking 
met diens bekoorlijke zuster, Susanna Jansdochter van Baerle, 
die al spoedig een diepen indruk op hem schijnt gemaakt te 
hebben en dat niet alleen door hare schoonheid, maar ook 
door hare begaafdheid en kunstvaardigheid in vele van dezelfde 
kunsten, die hij ook bij de gezusters Visscher zoo hoog waar- 
deerde, in dicht- en zangkunst, pennekunst en bloemschilderen. 
Huygbns, Susanna's neef, die tot dien tijd „schootvry" ge- 
bleven was voor de „Baerelijke Minne", waarmee Hooft en 
zijne Haagsche vrienden hem al een paar jaar vroeger ge- 



74 hooft's minnezangen voor susanna van babrle. 

plaagd hadden, en die zeker voor dezelfde blauwe scheen 
vreesde, welke zijn broeder Maurits toen reeds bij deze preut- 
sche schoone geloopen had, Hüygbns was in dezen Hoopt's 
vertrouweling, maar kon hem weinig hoop geven, zooals blijkt 
uit Hooft's „Harderskouf tusschen „Haeghenaer" en „Bos- 
man" over de kansen op hart en hand, die „Gloorroos" aan 
hare vrijers bood. Aan Bosman zou geen beter lot beschoren 
zijn dan aan anderen, meende Haeghenaer, maar Bosman was 
er niet toe te bewegen, haar zijne diensten te onthouden. 
Binnen twee maanden richtte Hooft niet minder dan twintig 
gedichten, waaronder zeven sonnetten, tot Susanna, die hij er 
in aansprak als Gloorroos, Clorinde en Arbele (letterkeer van 
Baerle) en die zij soms met gedichtjes schijnt beantwoord te 
hebben, maar zonder dat hij een stap verder kwam, al ver- 
telde hij haar ook ronduit in een aardig „deuntje", dat „'t 
minnegodtje, wondziek geesje", aan Venus geklaagd had over 
de onbruikbaarheid van zijne boogpees, die in 's dichters 
„traenen was geweekt", en daarop van zijne moeder den raad 
ontvangen had, om „twee drie draeden Gloorroos uit hethair 
te kabassen", en daaruit eene nieuwe boogpees te maken, met 
dit gevolg, dat de dichter „een schootje en 't schichje klem" 
gekregen had. 

Aan dit schertsdichtje in den trant zijner vroegere minne- 
zangen voegde hij allerlei lofdichten op zijne geliefde toe. Nu 
eens gold zijn lof de schoone hand zijner aangebedene, dan 
haar „mondtjen minnelyk van tael", dat volmaakt zou ge- 
weest zijn, als het had kunnen kussen ; dan weder de „ooghjes, 
levendighe staeltjes van de schitterenste straeltjes, die de zuivre 
zonne schiet"; dan eindelijk het geheele „gespan van schoon- 
heden": de „zuiver hebbelijke handtjes", de „lodderlijke lieve 
lipjes", de „blixemschutjes, ooiijk' ooghjes, die met glimpen 
van hun swart 't gulden geel der starren tart", de „kaekjes 
zacht van ijs en gloedt, lelymelk en roosebloedt" en zoovele 
andere bekoorlijkheden als er samenspanden om de klippen 
te worden, waarop zijn hart schipbreuk moest lijden. Hoopt's 
hoffelijke kunst moge als zoodanig aan Gloorroos niet verspild 
geweest zijn, het doel, dat hij er mee beschoot, werd door 
hem gemist: „'t hailighjen daer hy by swoer" bleef voor hem 
eene heilige van marmer. 



HUYOENS ALS HOOFT'S MEDEDINGER. 75 

Toen Hoopt ten slotte duidelijk had ingezien, dat Susanna, 
zoo zij al tot een huwelijk mocht besluiten, toch niet geneigd 
zou wezen, dat met een achttien jaar ouder weduwnaar aan 
te gaan, al was die weduwnaar ook de beroemdste dichter van 
haar land, trok hij zich terug voor een jongeren mededinger, 
die nu zijne plaats kwam innemen, voor denzelfden Haeghe- 
naer, die hem zoo kort te voren voor hare koelheid gewaar- 
schuwd had, zijn vriend Constantijn Hüygens, haar gelijke 
in leeftijd. In plaats van met minnedichten diende hij nu de 
kunst met psalmberijmingen, die hem ook tot troost zullen 
geweest zijn bij het nieuwe leed, dat hem den eersten dag 
van 1626 trof door den dood van zijn eerbied waardigen vader. 
Aan deelneming ontbrak het hem daarbij echter allerminst, 
doch het meeste genoegen zal hem wel het klinkdicht hebben 
gedaan, waarmee zijn vriend Vondel zich tot tolk maakte 
der geheele Amsterdamsche burgerij, die met innig en alge- 
meen rouwbeklag „'t Raedsheerlyck lyck" graf waarts geleidde, 
omdat elk van haar in dien Christen-Cato een vriend, een 
steun, een beschermer verloren had. 

Hüygens, die zich totnogtoe zoo gaarne als huwelij kshater 
had voorgedaan, maakte nu ook in Fransche en Nederlandsche 
verzen het hof aan de kuische Susanna, ofschoon niet geheel 
zonder gewetenswroeging, dat hij zijn ouderen vriend verdrong, 
zooals blijkt uit zijne tot Tesselschade gerichte verzen, „'t 
Spoock te Muyden", geschreven toen hij in 't midden van 
1626 bij den Drost logeerde in het vertrek, dat volgens de 
overlevering eenmaal Graaf Floris' gevangenkamer was ge- 
weest, 't Was hem toen, alsof er in het schemerduister een 
spooksel oprees om hem het woord „verrader" tegemoet te 
voeren, al bedacht hij ook, dat immers hij geen verrader 
behoefde te heeten, „die het luck by 't hare vat, daer 't een 
ander is te glad." Zoo „spoockte 't er in zijn gemoed", maar 
Hooft's trouwe vriendschap was bestand tegen dat schijnbaar 
verraad. 

Aan zijne „Sterre", zooals hij Susanna noemde, wijdde Hüy- 
gens nu verscheidene sonnetten en andere verzen, waaruit het 
ons blijkt, hoeveel moeite het ook hem kostte, het jawoord te 
ontlokken aan haar, die „teghens hem so staegh, soo fieren 
wezen" hield „als een comeet, die, verr van tintelen, van 



76 HÜYGBNS GEHUWD MET SÜ8ANNA VAN BAEBLB. 

wencken niet en weet." Zoo doolde hij dan een tijdlang 
„bijster sweghs in 't swartste van 't onseker, in twijflFel-mis- 
ticheit", maar terwijl hij er nog aan wanhoopte het „diaman- 
ten hert" van Sterre te zullen vermurwen en tusschen hoop 
en vrees leefde, „was Sterre al sijn"; en weldra mocht hij 
eene ster van diamant, hem door haar gezonden, jubelend als 
het onderpand harer trouwbelofte begroeten. Toen zong hij 
ook, wat hem maar zelden overkwam, een zangerig lied : „'t 
Kan mijn schip niet qualik gaen, *k sie mijn sterr' in 't Oosten 
staen, mijn Morgensterre ; Stierman houw vry Oostwaerd aen : 
het land en is niet verre." 

Den 6den April 1627 werd Huyqens met Susanna van Baerle 
in het huwehjk verbonden. Caspar van Baerle schreef een 
„Epithalamium", Van der Burgh een „Echtgedicht" en ook 
Hooft bleef niet achter. Ter bruiloft van zijn vriend met 
haar, die hij een zoo begeerüjk bezit achtte, zong hij een har- 
telijken en keurigen trouwzang. „De kroon der maeghden 
werd nu gekroont", zeide hij, nu „Susanna des Prinssen rech- 
terhandt had aenvaerd", en Constantijn „op eener stondt zoo- 
veel had gewonnen als noit Alexander in all zijn tijdt". En 
hij voegde er nog een ander lied bij, tot het fiere Amsterdam 
gericht, dat zich nu de kroon van het hoofd zag gerukt, nu 
de schoonste Cloris IJ en Amstel verliet. 

Had Susanna voor Hooft geene echtvriendin kunnen wor- 
den, op hare vriendschap mocht de Drost blijven rekenen, en 
hunne verhouding is dan ook altijd van hartelijken aard ge- 
bleven, al zagen zij elkaar later maar zelden. Toch logeerde 
zij met haar man, zijn broeder en zijne zusters reeds in den 
zomer van het volgende jaar bij hem te Muiden, bij gelegen- 
heid dat zij door Utrecht en Holland eene „speelreise" maakten, 
die door Huygens in een aardig gedicht beschreven is. Toen 
Van der Burgh in 1636 die gedichten van Hooft uit- 
gaf, welke de Drost zelf ter uitgave aanwees en hier en daar 
wijzigde en verbeterde, behoefden de minnedichten, eenmaal 
door hem voor Susanna gezongen, niet achtergehouden te 
worden, ook al werd de bundel aan Huygens opgedragen; 
maar Hooft was kiesch genoeg om die minnedichten zóó te 
wijzigen, dat Susanna ze niet meer op zich zelf kon toepassen. 
Waar er sprake was geweest van Susanna's gitzwarte oogen 



HUYQEN8 GEHUWD MBT SUSANNA VAN BABRLB. 77 

en donker haar, werd Gloorroos-Clorinde-Arbele nu tot eene 
blondine met blauwe oogen gemaakt. Daarmee hielden de 
gedichten van zelf op, aan Huygens' vrouw gewijd te zijn. 
Vreemd is het, dat deze toch zoo voor de hand liggende ver- 
klaring der door Hooft aangebrachte veranderingen nog 
niemand schijnt ingevallen te zijn, en even vreemd, dat men 
— geheel in strijd met Hoopt's fijngevoeligheid en eerlijk 
karakter — heeft kunnen vermoeden, dat hij ze zou hebben 
willen doen doorgaan als voor Christina van Erp gemaakt 
om alzoo zijne tweede vrouw te bedriegen, of dat hij ze nog 
eens aan deze als voor haar zelf gezongen zou hebben aange- 
boden, wat reeds weerlegd wordt door het feit, dat die tweede 
vrouw even donker van oogen en haar was als Susanna van 
Baerle. Wie liefst het ergste denken, loopen gevaar in hunne 
ergdenkendheid blind te blijven voor de ware toedracht der 
eenvoudigste zaken. 

Gedurende tien jaar heeft Huygbns met zijne Susanna een 
zeer gelukkig huwelijksleven geleid, zooals wij o.a. kunnen 
opmaken uit een klein gedichtje van 1634, waarin hij zijne 
teleurstelling te kennen geeft, dat zijne vrouw hem niet was 
komen opzoeken te Nijmegen, waar hij haar volgens afspraak 
verwachtte. „Hoe is 't beloven van ons vergaren soo haest 
verstoven met wind en baren?" zoo zong hij. „Ay eighen 
Sterre, die mij van soo verre ziet en niet en siet, ay! Sterre, 
waerom en verschijnt ghij niet?" enz. Dat verlangen naar 
zijne vrouw moest wel telkens bij hem opkomen, want een 
groot deel van het jaar was hij gewoonlijk met den Prins te 
velde, getuige van diens schitterend krijgsbeleid, eerst in het 
Oosten, later aan de Zuidgrens der Republiek. 

Dat HüYQBNs' huwelijk op zijne poëzie geen gunstigen in- 
vloed heeft geoefend, is niet zonder grond beweerd. Voorzoo- 
ver wij Susanna van Baerle kennen, maakt zij den indruk 
van geestverwante geweest te zijn van de Fransche precieuses 
uit dien tijd, zoodat zij waarschijnlijk den dichter in zijne zucht 
naar duisterheid en gemaniëreerdheid nog gestijfd heeft: al- 
thans bijna alles, wat hij in zijne huwelijksjaren schreef, over- 
treft zijne vroegere en latere gedichten daarin zoozeer, dat 
wij het nauwelijks meer kunnen genieten. 
Tot het omvangrijkste, wat Huygens gedurende zijn huwe- 



78 HUYGBNS' y£BTALINQ VAN JOHN DONNE'S MINNEDICHTEN. 

lijk schreef, behoort zijn bundel vertalingen van' negentien 
minnedichten van John Donne, waarvan hij er enkele reeds 
in 1630 naar het handschrift overbracht, terwijl hij de andere 
in 1633 vertaalde, toen zij, kort na Donne's dood, in het licht 
verschenen waren. Hij bood dien bundel met een gedicht aan 
Tessklschade aan, die hem zeer bewonderde, evenals Hoopt, 
wien, zooals hij zegt, „een vlieghzucht aenkwam, wen hy dien 
Engelschen overvliegher zoo sneedigh door het opperste der 
lucht heen zag snuiven'*, en die de vertaling roemde als een 
werk, dat in niets voor het oorspronkelijke behoefde onder 
te doen, niettegenstaande „de o verzetsels altydts eenen rok 
uittrekken". 

Vondel daarentegen kon er geen behagen in scheppen. In 
een hatelijk versje (dat hij nochtans niet uitgaf) stak hij den 
draak met deze zinnelijke, gekunstelde en duistere gedichten. 
Hij noemde „Donn* een duystre Sonn", die „niet voor ieders 
ooghen scheen**, en hield diens verzen voor „lekkemyen" als 
„kaviaer en snoftaback", die hij den liefhebbers geenszins 
benijdde. Over het algemeen verschillen Huygens en Vondel, 
niet slechts wat hunne staatkundige en godsdienstige over- 
tuiging en hun geheele karakter betreft, maar ook wat hun 
aesthetischen smaak aangaat, zeer sterk van elkaar, want ook 
VoNDEL*s gedichten bevielen aan Huygens maar zeer weinig. 
„Vondelens geschriften rekene ick onder de dingen daervan 
niet wel te oordeelen is", schreef hij in 1628 aan Hooft, die 
toen zeer bevriend was met Vondel en tegenover wien hij 
zich zeker zoo zacht mogelijk heeft uitgedrukt: „Sy duncken 
my oneenparigh ende haer selven hier ende daer beschamende. 
Soo valt er in *t gros weinigh van hem te verklaren". Wat 
Donne betreft, heeft het nageslacht Vondel tegenover Huygens 
en Hooft in het geüjk gesteld, want in later tijd is Donne's 
poëzie als te gezocht vernuftig en gekunsteld op den achter- 
grond geraakt, en wie er nu nog mee kennis maakt, zal 
moeielijk kunnen nalaten er zich over te verwonderen, dat 
destijds een hooggeplaatst geestelijke in Engeland zooveel eer 
kon inleggen met verzen zóó onkiesch* en fijn zinnelijk als 
de meeste van deze minnedichten zijn. 

Reeds vroeger, zoodra hij zijn huwelijksleven had aange- 
vangen, schijnt Huygens ook het plan te hebben opgevat, 



HÜYGENS' „DAGHWERCK". 79 

het in een uitvoerig gedicht te beschrijven, en drie jaar lang 
schijnt hij aan zulk een gedicht te hebben gewerkt. Hij gaf 
het den titel van Daghwerck, omdat hij er al die zaken in 
wilde behandelen, waarmee hij zich gewoonlijk lederen dag 
van zijn leven, als hij bij zijne vrouw te huis was, bezighield, 
das vooral zaken van huiselijk leven, ambtsbediening, weten- 
schap en kunst. Toen hij het, vermoedelijk in 1630, onvoltooid 
liet liggen, was hij eerst tot de nanoen gekomen, die hij rij- 
dende of wandelende doorbracht, en waarop de studieuren in 
het boekvertrek volgden met het monsteren van theologische, 
juridische, medische en politische boeken, waardoor het gedicht 
eene beknopte encyclopaedie van kunst en wetenschap zou 
geworden zijn, als ook de overige wetenschappen behandeld 
hadden kunnen worden en alle kunsten, niet slechts de muziek, 
het schilderen, teekenen en boetseeren, maar ook „gieten, 
draeyen ende diergelijcke veel", zooals de door hem opgege- 
ven schets beloofde. Daarop zou hij „wat uytge varen hebben" 
tegen nuttelooze spelen, waaronder hij echter lichaamsspelen 
niet rekende, en ten slotte zou hij nog gesproken hebben 
over de huiselijke godsdienstoefeningen en de opvoeding der 
kinderen. Als versvorm koos hij voor dit gedicht korte paars- 
gewijze rijmende versregels van vier geaccentueerde letter- 
grepen, ieder door eene ongeaccentueerde gevolgd, doch zóó, 
dat een paar met slepend rijm regelmatig werd afgewisseld 
door een paar met staand rijm. 

Dat ook dit gedicht vrij wat pittige of vernuftige gedachten 
inhoudt, in niet alledaagsche bewoordingen vervat, kan men 
van iemand als Huygens verwachten; maar zeker is geen 
enkel zijner dichtwerken ook zoo gekunsteld, gewrongen en 
duister als dit. Hij schijnt dat zelf wel min of meer begrepen 
te hebben of van anderen te hebben gehoord, want hij geeft 
er eene kenschetsing in van den duisteren dichter, als wilde 
hij zeggen: zoo iemand wensch ik niet te zijn; en toch toe- 
kende hij in dezen nauwkeurig zichzelf af, toen hij schreef: 

„Dese stelt syn hoo^he layster 
In het Bwartste van den duyeter, 

Cyfert all dat leesbaer was, 

Of men 't in een' doolhof las, 
Schnylt sicb in vnyl warre-garen, 
Soeckt, en schroomt sich t' openbaren, 



80 HÜYGENS* „DAGHWERCK". 



» 



Deckt syn' kernen met een schell, 

Die den hardsten tand ontsteir. 
Wie gelust sich 't over-byten, 
Wie Boeckt pitten door dat splyten, 

Die men duchten magh en moet, 

Of sy bitter z\jn of soet? 
'k Eisch een smaeckelick vermaken: 
En versuft men m\j met kraken? 

'k Gae te gast op Tong en Most: 

Moet ick sweeten om den kost?" 

Duisterheid schijnt hij zelfs in theorie voor het wezen der 
poëzie te hebben willen doen doorgaan. Na de verzekering, 
dat er tusschen proza en poëzie een wezenlijk onderscheid 
bestaat, gaat hij toch aldus voort: „Daer zijn dichters, die 
selden dicht baren, meest ondicht in rijm. Haer lof is: sij spreken 
klaer en behoeven geen tolck. Maer wie soude haer de duyster- 
heid vergeven? haer dicht is ondicht. Soo en ginght met de 
Oude niet. Haer dicht was dicht, verre van ondicht, en be- 
hoefde wat vertolcks. Wel den ghenen die sich in de moeyte 
gesteken hebben. Sonder haer, de soetste wijsheid van eertijds 
waer ons onkundige vruchteloos. Maer de tolcken hebben hier 
en daer de weldaed vergalt. Sij hebben den dichteren menigh- 
mael toegedicht tgene haer noyt in den sinn en quam". Dat 
hetzelfde ook aan zijne vertolkers zou kunnen overkomen, 
vreesde Huygens — en terecht — en daarom heeft hij in 
proza ook zelf den commentaar geschreven bij zijn gedicht, 
toen hij het onvoltooid in 1668 uitgaf, nadat hij reeds in 1639 
die uitgave had voorbereid, toen Hoopt er een klein lofdicht 
op maakte. 

Tot het voltooien van het werk had de dichter geene op- 
gewektheid meer: immers het was zijne bedoeling geweest, 
zijn leven te schetsen aan de zijde zijner „Sterre", en de weinige 
gevoelvolle alexandrijnen, die hij voor de uitgave er nog aan 
toevoegde, maakten den lezer bekend met zijn leed. „Mijn 
Sterre is uytgeschenen ; daer sleept een witte wolck haer dampen 
over heen : sy stryckt ten tyden uyt : ick sie het en versteen". . . . 
„Hoe sou hy in 't gerecht der strenghe keurlickheit bestaen 
en haer ontbeeren, haer, PoUa van zyn pen?" Haar licht 
had hij zoo noodig: „Ey, Sterre, noch wat straels", riep hij 
haar toe, „oflf voer my daer ghy gaet, of licht mij daer ick 
blijv*,'' maar reeds was zij geene Sterre meer, zij trad op 



DOOD VAN SUSANNA VAN BAERLE. 81 

sterren in den hoogen hemel boven het sten'enrijke uitspan- 
sel. Susanna van Baerle was den lO^en Mei 1637 op achten- 
dertigjarigen leeftijd overleden. 

Vondel zond den bedroefde een troostlied, dat woordspelend 
aldus begon: „Is Zuylichem een stercke suyl, hy wanckel 
niet", en doelde daarmee op de heerlijkheid Zuilichem (in 
de Bommeler waard), waarvan Huygens in 1630 door aankoop 
heer was geworden. In 1645 schonk Frederik Hendrik hem 
bovendien nog de successie in de heerlijkheid Zeelhem (in 
Belgisch Limburg). En Zuilichem toonde zich ook inderdaad 
eene sterke zuil, want hij kon het met Vondel eens zijn: „het 
treuren baet den doode niet en voed des levenden verdriet*', 
en hij bleef ook niet eenzaam achter : hij bezat vijf kinderen, 
„d' afsetsels, daer haer siel in leefde, haer geest en sedigheyd 
in sweefde", zooals Vondel zeide, want „de mensch, die, na 
het oogh, vergaet, herleeft onsterflijck in zyn saed. Al schijnt 
de serck *t gesicht te hinderen: men siet de Moeder in haer 
kinderen". Behalve eene, kort vóór haar moeders overlijden 
geboren, dochter Susanna, had Huygens van zijne Susanna 
vier kloeke zoons ontvangen, van welke de oudste, Constantijn, 
in veel later tijd zijn vader als secretaris van den Prins van 
Oranje zou opvolgen, en de tweede, Christiaan, zijn vader in 
beroemdheid nog ver overtreflFend, een der grootste wis- en 
natuurkundigen zou worden, dien de wereld ooit heeft opge- 
leverd, evenknie, zoo al niet meerdere, van Newton. 

Ofschoon Huygens* huwelijk met Susanna van Baerle Hoopt's 
eerste poging om aan het Muiderslot eene drostin te herge- 
ven had verijdeld, wanhoopte hij niet aan het geluk van een 
tweede huwelijk. Nu viel zijn oog op de twee-en-dertigjarige 
Leonora Hellemans, in 1595 te Hamburg geboren, maar Ant- 
werpsche van afkomst en in 1627, ofschoon zij haar domicilie 
te Zevenbergen in Noord-Brabant had, inwonende bij hare 
moeder te Amsterdam als weduwe van Jan Baptista Bartolotti, 
bij wien zij twee dochters had, de toen veertienjarige Susanna 
en de driejarige Constancia. 

Hare mooie oogen en zeker niet minder hare vriendelijk- 
heid, ingetogenheid en beschaafdheid oefenden zulk een indruk 
op HooPT, dat hij in het midden van 1627 haar het hof begon 
te maken met bezoeken, geschenken en ook weder met (een 

6 



82 HOOFT's minnezangen voor LBONORA HBLLBMAN8. 

elftal) minnedichten: drie sonnetten, vier kleine gedichtjes en 
vier zangen, van welke die zang het meest bekend is, die 
aldus aanvangt: „Leonor, mijn lieve licht, voor uw oogh de 
zonne swight met haer blonde straelen, die gansch niet, in 
mijn gezicht, bij zijn gloory haelen". Dat zij niet dadehjk be- 
reid was hem in de armen te vallen, blijkt uit eene volgende 
strophe van denzelfden zang: „Woortjes kunt ghij duisent 
smêen, die daer sierlijk, aerdigh heen vlien alsMinnegoodtjes; 
maer tot troost en komt er geen uit d' yvoore slootjes". Wan- 
neer hij haar van zijne liefde sprak, scheen het, zooals hij 
zegt, of zij zijne taal niet verstond; en toch meende hij het 
hoog ernstig: immers „zengde 't uiterhjke schoon met flonke- 
ring van blos op leelywitte wangen hem maer alleen de borst", 
zoodat het slechts „vatten en geen vangen" was, zijne „lief- 
zieke ziel" gevoelde zich onverbrekelijk door haar geboeid, 
omdat het „minnelijk gelaet" hem „borgh was van zoete 
zeden", en omdat het „d'eerentfeste deughd" was, die hem 
„uit twee schoon* ooghen" toelonkte. 

Toch was hij haar spoedig al niet meer onverschillig, maar 
er waren bezwaren te overwinnen, vooral in het oog van hare 
vrienden: Hooft was niet kerksch genoeg, behoorde zelfs 
evenmin, als vroeger zijn vader, tot eenig bepaald kerkge- 
nootschap. Wel had hij haar reeds overgehaald, hare instem- 
ming te betuigen met zijne stelling, „dat de religie in 't ge- 
moedt ende niet in 't uutwendighe geleghen is", maar vrienden 
en verwanten bleven haar toch waarschuwen voor den vrij- 
denker, die van geene onfeilbare waarheid in geloofszaken 
wilde weten en reeds veel vroeger de waarheid had vergeleken 
bij een meikever of eene gouden tor, „aen een snoer omendom 
vlieghende met haer snorrende vlercken, toonende een ander 
sijde, eer men wel d'een can mereken", en die in zijn „Baeto" 
Segemond gemaakt had tot tolk van zijne eigene overtuiging, 
toen hij deze priesteres had laten zeggen, dat „geen ding bet 
gevalt aen 't eeuwigh Wesen als de deftighe gestalt' van een 
oprecht gemoedt: en God niet aengenaemers heeft als het 
hayligh hol en suivre binnecaemers van vroomer borst", ter- 
wijl „dwaesheit algemeen, slaende in den windt de reden, 
soeckt God te paeyen met een pracht van staetlijkheden." 

Wanneer Hoopt met Leonora zat te praten, was zijne wel- 



hooft's tweede huwelijk. 83 

sprekendheid wel in staat haar over hare bezwaren heen te 
helpen, omdat zij hem ook inderdaad genegen was, en eens 
zelfs had zij met een kus afscheid van hem genomen en hem 
gezegd, dat hij den volgenden dag haar eindbesluit zou kunnen 
komen vernemen, zoodat hij zich reeds zeker waande van de 
overwinning, maar den volgenden dag ging het „op een af- 
zeggen'' en moest hij zich in een gedichtje droevig beklagen 
over zijne „lieve lichte Leonoor" en haar toevoegen : „Op den 
eenen avontstondt zeide mij uw schoone mondt : Liefste, lievren 
heb ick geen; 'sandren avonds zegt ghij neen". Toch bleef 
hij aanhouden, zelfs toen zij, uit vrees van niet langer tegen 
zijne aanzoeken bestand te zijn, Amsterdam was ontvlucht en 
naar Zevenbergen was gegaan, waar hij haar met brieven en 
gedichten bleef vervolgen en zelfs haar oudste dochtertje als 
pleitbezorgster voor zich liet optreden. En ook ditmaal was 
het de aanhouder die won; en zoo kon hij dan ten slotte 
zingen in het laatste zijner eigenlijke minneliederen: 

„Leonor, lachend licht, lieve leven, 

Die de deughdt draeght in 't aensch^n geschreven, 

't Boode koraal van uw minnelyk montjen, 

Dauwend' een Ja, is myn morreghestontjen ; 

Uwer ooghen bekorende klaerheit 

My verlicht van de nacht en de naerheit. 

Helder* ooghen, waerinne de schoonheit 
All' haer heerl^kste schatten ten toon spreit, 
Flonkrende starren, men ziet in uw swinken 
Goedigheit, vroedigheit, moedigheit blinken; 
En de geen', die den hemel bedooien. 
Schouw ick doof b^' uw gloeyende kolen/' 

Drie maanden nadat Leonora naar Zevenbergen was ge- 
vlucht, den SOsten Nov. 1627, had het huwelijk plaats, en het 
was zeker geene geringe concessie, die Hoopt toen aan zijne 
Leonora deed, dat hij het huwelijk door Adriaen Smout in 
i^ Nieuwe Kerk liet inzegenen. Bruiloftszangen in het Latijn 
schreven Huygens en Barlabus, welke laatste kort te voren 
met Hooft in kennis was gekomen door Laurens Reael, die 
ïelf een Nederlandsch bruiloftslied dichtte, evenals Vondel. 
Diens „Bruiloftslied" was eigenlijk een tafelspel, dat ver- 
iJioedelijk op het feest zelf door de leden der Duytsche 
A^cademie voorgedragen en gezongen is. 



84 HOOFT*S TWEEDE HUWELIJK. 

Ook dit huwelijk is, evenals dat van Huygens, hoogst ge- 
lukkig geweest. Nog een paar gedichtjes getuigen daarvan, 
het eene, door Hooft omstreeks 1633 tot zijne Leonora gericht 
uit *s-Hertogenbo8ch, het andere ongeveer een jaar later „op 
liefs afweezen" geschreven, toen zij zelve voor korten tijd het 
Muiderslot verlaten had. In Susanna en Constancia Bartolotti 
kreeg Hooft twee lieve pleegdochters, die niet meer van hem 
hadden kunnen houden, al ware hij haar eigen vader geweest, 
en wie hij de hartelijkste vaderliefde en vaderzorg heeft ge- 
wijd; maar bovendien schonk zijn Leonora hem nog twee 
kinderen, eene dochter Christina, wier naam de herinnering aan 
zijne eerste vrouw levendig hield, en een zoon, Amout Helle- 
mans Hooft, die later nog schepen en raad van Amsterdam 
zou worden, maar wiens kinderen de laatste afstammelingen 
van den dichter zouden zijn. 



XXVI. 

Verheerlijking van Frederik Hendrik en hekeling der Gomaristen. 

Het optreden van Frederik Hendrik als stadhouder in 1625 
werd met algemeene vreugde begroet: niet het minst met 
vreugde door de onderliggende partij, de Remonstranten, die 
reden hadden te verwachten, dat hij hen er weer bovenop 
zou helpen. Jan Tuning, zijn secretaris, had hen begunstigd, 
en het was in zekeren zin eene teleurstelling voor hen, dat 
Huygens hem verving. Nicolaas van Reigersberch gaf enkele 
dagen na die benoeming in een brief aan zijn zwager Hugo 
de Groot de vrees te kennen, „dat sy aen den successem* niet 
souden vinden dat sy aen hem hadden verloren", want 
Huygens was „een favorjrt van Aerssens, die hem over dese 
tydinge seer verblijde''. Inderdaad, hij zou de gunsteling van 
Aerssens niet hebben kunnen worden, als hij ook maar 
eenigszins tot de partij der Remonstranten overgeheld had. 
Levenslang is hij prinsgezind en contra-remonstrant geweest; 
maar hij was geen ijveraar. Verdraagzaam en gematigd, kon 
hij vriendschappeUjk blijven omgaan met zijne Amsterdamsche 
vrienden, die in de politiek een zoo geheel ander standpunt 



VREUGDSZANGEN OVER HET STADHOUDERSCHAP VAN FRED. HENDRIK. 

innamen ; maar men begrijpt, dat de verhouding van beide 
kanten toch altijd iets van terughouding moet gehad hebben 
en voorzichtigheid gewenscht is geweest om verkoeling of zelfs 
vriendschapsbreuk te verhoeden. In elk geval konden zij het 
eens zijn op dit gewichtige punt: hartelijke ingenomenheid 
met het optreden van den nieuwen stadhouder. 

Niemand heeft die ingenomenheid luider en beter vertolkt 
dan Vondel, allereerst met zijne uitvoerige „Begroetenis van 
Frederick Henrick op den intree van zijn stadhouderschap en 
landbestiering", waaraan niet alleen verschillende kleine ge- 
dichtjes op 's Prinsen beeltenis, op de verschillende deelen van 
zijne wapenrusting en op het portret van zijne echtgenoote 
Amelia van Solms zijn toegevoegd, maar ook het beroemde 
„Princelied", eene toepassing van het oude „Wilhelmus" op 
dien „Frederick van Nassouwe, vermaert door de wapenen en 
voor Oostenrijck noch Spanjen vervaert". Hij had „van kind- 
sche dagen de vryheydt voorgestreen", en van hem kon men 
dus verwachten, dat hij „'sLands rechten en vry heden in 
zwang sou helpen, in geen vereende steden gewetens felle dwang 
of tyrannye lyen", maar de „trouwe borgeryen door liefde 
zou vereenigen", terwijl hij „als wachter en schutsheer van 
den tuyn" ook tegen den buitenlandschen vijand heldhaftig 
het harnas zou aangorden en als overwinnaar terugkeeren, 
zooals ook vroeger reeds, toen „by Nieupoort in den slagh 
syn vroomheyd gebleken was" 

Niet minder welluidend dan dit Princelied klonk in het 
volgende jaar het „Oranje Maylied" van Vondel's lier. Zalig 
noemde hij het, te schuilen onder den Oranjeboom, het zinne- 
beeld van eendracht en vrede, en nu wel vooral nu Mevrouw 
Aemilia aan den Vorst een zoon geschonken had, voor welken 
Willem van Nassau Vondel de „Geboortklock" luidde met 
een zeer uitvoerig, beeldrijk en kunstvol gedicht in vorstelijke 
alexandrijnen. 

Weer een jaar later, in 1627, vond Vondel om den Prins 
te huldigen nieuwe stof in de „Verovering van Grol door 
Frederick Henrick". Hij deed het in een gedicht van den- 
zelfden omvang en vorm, geschreven met denzelfden gloed en 
dezelfde beeldrijkheid, die ook de „Geboortklock" te bewon- 
deren gaf, maar, naar het mij voorkomt, met nog grooter kunst- 



86 „VEROVERING VAN GROL" KN ,,AMSTELDAM8 WBLLKKOICST". 

vaardigheid en zeker met meer eenvoud en afwisseling van 
toon. De dichter stelt ons daarin voor, hoe aan den Prins de 
geest zijns grooten vaders verschijnt, die hem wijst op de 
„eeuwigh bloende wonde", hem door snood verraad toegebracht, 
en zoo den zoon opwekt tot onvermoeiden strijd voor de vrij- 
heid. Met levendige kleuren schildert hij daarna de oorlogs- 
tafereelen bij het beleg; maar naast het schetteren der krijgs- 
klaroenen hoort men in het gedicht ook zachter tonen, als 
de Prinses van Oranje wordt ingevoerd met haar eenigjongsken 
op den schoot spelende om hare bekommering te verdrijven 
en, op de tijding dat de stad genomen is, neerknielende en 
God dankende voor de zege, die haar echtgenoot aan haar 
hergeeft. Blaeu, die dezen heldenzang van Vondel uitgaf, 
voegde er nog verschillende kleinere gedichten van anderen 
over beleg en verovering van Grol aan toe: van Reabl en 
van Brosterhuysen, drie klinkdichten van Hooft, eenige 
Latijnsche gedichtjes van Barlaeus en verscheidene, in Latijn, 
Fransch en Nederlandsch, van Huygens. 

Toen in April 1628 Frederik Hendrik een bezoek bracht 
aan Amsterdam, was het weer Vondel, die „Amsteldams 
Wellekomst" toeriep aan den Prins, „dien IJ en Amstelstroom 
al te selden mochten sien" en die daarom nu dubbel welkom 
was in het Prinsenhof, waar de Amsterdamsche burgemeesters, 
de schrandere De Vlaming, de oprechte Van de Pol en de 
dappere De Graef hem ontvingen met mannen, als de majoor 
Nicolaes Hasselaer, „die hun vaders degens droegen, welcke 
op 't Spaensche knokebeen syn geschaert voor 't algemeen". 
Het kloek optreden van den laatste bij een oproer van 
Gomaristen. die eene godsdienstoefening van Remonstranten 
verstoorden, had aanleiding gegeven tot het indienen van een 
verzoekschrift aan de Regeering om de samenkomsten der 
Remonstranten te beletten ; maar Burgemeesteren hadden daarop 
geantwoord met het onderteekenen van zulke ophitsende reques- 
ten te verbieden. De Kerkeraad had er zich mee bemoeid, en 
nu was de Stadhouder uitgenoodigd om den twist bij te leggen. 
Van zijne uitspraak hing voor de Remonstranten veel af ; maar 
die uitspraak viel hun niet mee, want de Prins, te voorzichtig 
om uitdrukkelijk hunne partij te kiezen, besliste, dat de oude 
placaten tegen de Remonstranten gehandhaafd moesten worden. 



ZANGEN OP DB VEROVBBING VAN 'S-HBRTOGENBOSCH. 87 

Dat verhinderde Vondel echter niet, in 1629 opnieuw den 
lof van Frederik Hendrik uit te bazuinen. Er was dan ook 
wel aanleiding toe. Lang had het beroemde beleg van 's-Her- 
togenbosch geduurd en alles was door den vijand gedaan om 
de vesting te ontzetten; maar eindelijk had de stad zich toch 
aan Frederik Hendrik moeten overgeven ten gevolge van de 
verrassing van Wezel, het krijgsmagazijn der Spaansche en 
Keizerlijke troepen. Die verrassing had ook een ernstig gevaar 
van de Republiek afgewend, het gevaar van een inval in 
Holland, van eene belegering van Amsterdam zelfs, die tot 
de mogehjkheden behoorde, daar vijandelijke troepen reeds 
over De Velu we getrokken waren, het „ellendich Amersfoort 
verlaen met volle schuren" bezet en Hilversum in brand ge- 
stoken hadden, zoodat nu ook Naarden en Muiden door „ Wael, 
Italiaen en Duitsch, Croaet en Castiliaen" werden bedreigd. 
Muiden had reeds garnizoen gekregen, kanonnen waren aan- 
gevoerd en de Drost bereidde er zich op voor, het Slot tegen 
een dagelijks te verwachten overval te verdedigen. Toen de 
verrassing van Wezel „den Berger graef" had „gedwongen 
zyn roof en Amersfoort te slaken", tot op de grenzen terug 
te trekken en 's-Hertogenbosch prijs te geven, was natuurlijk 
niemand dankbaarder dan Hooft, die in een schitterenden, 
slechts door gezochte toespelingen (ook volgens Barlaeus) wat 
overladen lierzang „De HoUandsche Groet aen den Prinsse 
van Oraniën" overbracht bij diens zegevierenden terugkeer 
uit het leger. „Noit," zoo besloot hij dit gedicht, „noit was 
gezegent helt met hoogher eer ontfaen". En zoo was het ook. 

Te 's-Gravenhage gaf de kamer „de Jonge Bataviers" den 
208ten September „ Verthoningen over de heerlij cke en noyt voor 
desen verkregen victorie van 's Hertogen-bosch", zooals de titel 
luidt, waaronder Pjeter Nootmans zijne verklarende verzen 
van die vertooningen uitgaf. De Middelburgsche rederijker 
Hendrik van Kannenburch gaf een „Lof-dicht of danckseg- 
ginghe" uit ,over de twee heerlijcke victorijen onlancx corts 
naer malcander van Godt de Heere verleent." Zacharias 
Heynsz schreef een „Vreugden-gesang". Van Hendrik Moor 
verscheen een „Triumphdicht", van den Haarlemschen schrijf- 
meester David van Horenbebck een „Trompets-gheklanck, 
gesteken op de veroveringe van *s-Hertogen-Bosch", en diens 



88 OP DE VBRO VERING VAN 'S HERTOGENBOSCH. 

vriend de Haarlemsche predikant Samuel Ampzing schreef 
een „Naszousche lauren-kranze", terwijl „Oraniens overwinning 
van 's Hertogen-bos" (met een aanhangsel „tot geluk wenschinge 
over het wonderbaerlijck overgaen van de gemeynde onwin- 
bare stadt Wesel aen den Rijn, in 'tHartogdom van Kleef') 
ook bezongen werd door den Haagschen boekverkooper Gillis 
Jacobsz. Quintijn, Haarlemmer van geboorte, die reeds in 
1627 te Haarlem „Oraeniens Grols-gewin" had uitgegeven en 
daarvoor beloond was met 's Prinsen tusschenkomst, waardoor 
hij uit eene onrechtmatige gijzeling was verlost. 

De Eglentier vierde de overwinning met „Triumphs-Trompet 
speelsghewys uytghebeelt" door Nicolaes Fontbyn, de Duitsche 
Academip met een spel van Goliath. Het „gelaurierde prince- 
beelt", niet lang daarna op het tooneel der Academie geplaatst, 
werd door Vondel met een gedicht ingewijd: maar reeds 
eenigen tijd te voren zong Vondel zijn „Zegesang ter eere 
van Frederick Hendrick, Boschdwinger, Wezel winner*'. „Prins 
Welhem heeft den grond geheyt", zoo zong hij, „Sijn nasaet 
vrydoms muur geleyt in rood ciment van 't bloed der helden, 
niet sonder raedsman, dienmen selden ter weereld als een 
Phoenix socht: maer Fredrick heeft het werck vol wrocht en 
d'opperoverwinningskroone geset voor Chiïstenrijck ten toone 
op 't spits der vryheyd, 't oorlogswit". Aan jubelzangen kwam 
schier geen eind. In het Latijn zong de Amsterdamsche con- 
rector Lambertus een feestlied, en een geheele bundel Latijn- 
sche gedichten werd door Barlaeus in 't licht gegeven en 
daaronder ook een „Sendbrief aen Princesse Amelia", dien 
ScRiVERius in Nederlandsche verzen overbracht en waarop 
Jacob Westerbaen een „Antwoort van den Prince van Oran- 
giën" liet volgen. 

Hoopt werd door Barlaeus' „heldinnebrief tot wedijver 
geprikkeld en zong in het volgende jaar zijne heerlijcke „Klachte 
der Princesse van Oranjen over 'toorloogh voor 's Hartogen- 
bosch", een lierzang in een dichttrant, die nieuw was voor den 
Drost; maar welk gebied van poëzie was er, waarop Hooft's 
proefstuk niet tevens een meesterstuk is geweest? Moeielijk 
is het, inniger gevoel en teerder bezorgheid uit te spreken in 
beeldrijker, hoofscher taal, dan hier in den mond wordt ge- 
legd aan Amalia van Solms, de liefhebbende vrouw, die veel 



vondel's „strdbkïioon" en ^hollantschb transformatie*'. 89 

liever het liefdevuur dan het krijgsvuur ziet flonkeren in het 
,8choou Prinssenoogh" ; die hare tranen veel schooner parelen 
aan zijne kroon acht, dan die parelen, waarvan hij, duizend 
dooden trotseerend, er ééne aan de Spaansche kroon tracht 
te ontrukken; die, dagelijks hoorende „van versche dooden, 
gevelt in hol of galery'', de pijn van eiken kogel voelt, wanneer 
zij denken moet : „op 't hoofdt met witte veeren was dat ge- 
munt"; en die, als haar man „een glooryrijke faem'' dan vol- 
strekt verkiest boven al wat hem dierbaar is, boven „lief en 
lijf en leven", zelfs boven den „zoon van vaders naem", met 
hem wil deelen in alle gevaar en hem smeekt: „Gun my dan, 
dat ik met u rijde door koudt, door heet, en voer my by 't 
rappier op zijde, waer dat ghy treedt"! 

Ook in 1632, toen Frederik Hendrik Maastricht en andere 
steden veroverd had, bood Vondel hem eene „Stedekroon" 
aan, omdat nu ook „Boschloof om de schiltstar van Maestricht 
kon gevlochten worden". Ook Barlabus schreef toen in 't 
Ijatijn eene uitvoerige en dichterlijke verheerlijking van 's Prin- 
sen krijgsdaden onder den titel „Triumphus federati Belgii", 
een jaar later gevolgd door zijn „Poemation in ducatum Lim- 
burgicum", welk „Gedicht op de Verovering van Limburg 
in HoUandts naergevolcht" is door Jacob van der Burgh. 

Terwijl Frederik Hendrik en zijne krijgsdaden verheerlijkt 
werden, door de Amsterdamsche dichters vooral met de bijbe- 
doeling alzoo de tegenstelling tot het minder schitterend 
krijgsbedrijf van Maurits in zijne laatste levensjaren te meer 
in het oog te doen vallen, traden dezelfde dichters te gelijker- 
tijd heftiger tegen de Gomaristen op, in de hoop bij den stad- 
houder en bij de wat gewijzigde Amsterdamsche Regeering 
steun te zullen vinden. Vondel was het, die op het eind van 
1625 den aanval opende met zijn treurspel Palamedes. 

Dat Vondel zich reeds vroeger in den strijd der Arminianen 
6n Gomaristen zou gemengd hebben met sommige zijner hekel- 
dichten, is niet te bewijzen, omdat vele dezer niet gedateerd 
zijn. Het komt mij ook niet waarschijnlijk voor, daar hij als 
Doopsgezinde buiten den strijd stond. Alleen is het mogelijk, 
^t het kleine gedichtje „HoUantsche Transformatie", dat later 
herdrukt werd onder den titel „Opde Weeg-schael", reeds van 
1618 dagteekent ; maar daarin koos Vondel tusschen Gommer 



90 HBKRLDICHTBN VAN KBINIBR TBLLB, ROBBBRT LB CANU, BNZ. 

en Armijn geen partij: hij vertelt er alleen in, dat beider 
leerstellingen in de weegschaal werden gelegd en dat Gommer 
er aanvankelijk slecht afkwam, omdat Armijn zoo slim was, 
„den rock van d' Advocaet en de kussens van den Raet" met 
de privilegiën der steden in zijne schaal te leggen ; maar Gom- 
mer wist raad en legde aan zijne zijde de „stale kling" van 
den Prins, die het overwicht gaf; en het slot van de geschie- 
denis was, zooals de dichter eenvoudig weg vertelt alsof de 
zaak hem niet aanging: „doen aenbad elck Gommers Pop en 
Armijn die kreegh de schop." 

Hoe geheel anders is hier de toon, dan van de eigenlijke 
hekeldichters dier dagen, onder welke de geleerde oudrector 
van Zierikzee Rbinibr Tellb, die in 1610 vandaar naar Am- 
sterdam verhuisde, vooraan stond met zijne beide „ Vredesangen" 
of nieuwejaarsliederen van 1615 en 1617, met zijn „Liedeken 
van den HoUantschen Tuyn", zijne „Beschryvinghe van de 
Groote Visch van Hollant"(01denbarne velt), zijne „Weeklacht der 
HoUantsche Maegt over dese verwerde Tyden" en vooral met zijn 
uitvoerig hekeldicht in achtregelige strophen: „Der Contra- 
remonstranten Kerf-stock" (in 1618), die alle vinnige tegen- 
dichten hebben uitgelokt en hem het recht geven naast Vondel 
genoemd te worden onder de hekeldichters, wier geeselslagen 
flink raak zijn geweest. Recht daarop heeft ook de ons nog 
onbekende dichter, die in 1621 zijn „Calvijnsche Uutroeper" 
uitgaf. Overigens kwamen er in 1620 anoniem ook „Truer- 
dichten over het jammerlijck om-brengen van Johan van 
Oldenbarnevelt", „Jammer-liedekens en riimen" en ook „La- 
chrymae lachrymarum, d . i . Traenen der traenen" over dezelfde 
wreede terechtstelling uit. 

Niet minder bekend dan Telle maakte zich als hekeldichter 
de bekwame zeevaartkundige Robbert Robbebtsz. lb Canü, 
27 Nov. 1563 te Amersfoort geboren en sedert 1586 te Amster- 
dam gevestigd als „schoolmeester der grooter-zeevaert" en 
leermeester van bijna al onze groote zeevaarders van het eind 
der zestiende eeuw. De Nieuwe Friesche Doopsgezinden, die 
hem in 1591 uit hunne gemeente gebannen hadden, maakten 
hem het leven zoo zuur, dat hij in 1610 Amsterdam verliet 
om zijn onderwijs in de zeevaartkunde ie Hoorn voort te 
zetten. Toen had hij reeds verschillende spotliederen uitgegeven 



HEKELDICHTEN VAN ROBBERT LB CANU, JOHANNB8 NARSIUS, ENZ. 91 

en o.a. ook het gedicht „De Noortsche Rommelpot", gericht 
tegen alle sekten, tegen „die Romany drincken en die de Luyt 
slaen", en evenzeer tegen „KalfsvleyseieTS en de Doopers'*. 
Toen Anninius in 1610 overleden was, had hij daarover een 
, Nieuwe Jaars Claach-Liedt" gezongen, en ook in 1617 en 
1618 liet hij zich niet onbetuigd, maar schreef hij een scherp 
„NieuWe jaers-liedeken" en pamfletten in proza en verzen o.a. 
de „Rommeltaert ofte wat oudts ende wat nieus al voor één 
Geldt", eindigend met dit puntdichtje: „Ti-ouwe, Eere ende 
Recht namen Schalck tot haren knecht; Schalck neeghenhy 
booch, tot men hem in den Kercken-raet tooch. Nu heeft Schalck 
800 genegen en gheboghen, dat Trouw, Eere en Recht in den 
Kercken-raet niet en mogen." Alle theologische muggezifterij 
was bij hem uit den booze: „Staet na liefde, rust en vree", 
leerde hij : „verdraeght malcander" en „laet de hooghe poincten 
varen tot dats' u Godt wil openbaren." 

Een zeer bekend hekeldicht tegen Gomarus' leer der eeuwige 
verdoemenis was ook „Een Vlomsch gebray peerken jent, 
gesonden honsen broedere tot een present", bestaande uit zestig 
monorimen op atie. In een handschriftje is het gedateerd van 
Parijs 8 Aug. 1623 en zeker is het niet, zooals men wel gezegd 
heeft, gemaakt door Reael, maar zonder twijfel door den 
gewezen Arminiaanschen predikant van Zaltbommel, Johan- 
NES Narsius, die, na zijn ambt te hebben nedergelegd, in 
Frankrijk den doctorstitel in de medicijnen behaald had en, 
in 1621 hierheen teruggekeerd, „'t landt doorreisde, overal 
strooijende en verkoopende de boeken en schriften der Remon- 
stranten". In 1622 te Rotterdam gevangen genomen, wist hij 
echter te ontsnappen, waarna hij zich buitenslands begaf, „daer 
hy etlijke jaeren bleef, meer werk maekende van de Poësy, 
dan van de Theologie, die hy t' eenemael liet vaeren." 

Wat nu Vondel betreft, zonder zich over de eigenlijke theologi- 
sche strijdvragen warm te maken, kan hij nochtans de veroordee- 
ling en terechtstelling van den grijzen staatsman, die veertig jaar 
achtereen zoo groote diensten aan zijn vaderland had bewezen, met 
innig medelijden en ergernis hebben aangezien, en zijne veront- 
waardiging zal ongetwijfeld nieuw voedsel gekregen hebben, toen 
hij was opgenomen in den kring van Hooft, Coster, Reael en 
Baeck, die, ofschoon zij niet alle tot de Remonstranten behoorden, 



92 vondel's .palamedbs". 

toch anti-Gomaristen en in de staatkunde partijgenooten van 
Oldenbarnevelt en zelfs vrienden van De Groot waren. Het 
onrecht, dat zijns inziens de Remonstranten geleden hadden, 
maakte hem bereid hunne zaak te bevorderen, zoo krachtig 
als hij dat met zijn vurigen geest en Zuidnederlandschen harts- 
tocht doen kon. Het was dan ook niet voor doove ooren ge- 
preekt, toen een der Amsterdamsche schepenen, AlbertKoen- 
raedsz. Burgh, hem aanried, de terechtstelling van Oldenbarne- 
velt tot het onderwerp van een treurapel te maken en, op 
zijne opmerking, dat de tijdsomstandigheden dat verboden, hem 
op de gedachte bracht, het in bedekten vorm onder andere 
namen te doen. 

Onwaarschijnlijk in het ook niet, dat eene oude aanteeke- 
ning gelijk heeft, die mededeelt, dat Oldenbarnevelt's schoon- 
zoon Cornelis van der Mijle, die tot de vrienden van Frederik 
Hendrik behoorde en den Prins ook later het treurspel voorlas, 
en dien Vondel te Beverwijk heeft leeren kennen, de hand 
in het werk heeft gehad en den geleerden Joannes Meursius 
heeft aangezocht om aan Vondel de bouwstoffen voor zijn hekel- 
spel te verschaffen. Meursius zelf had in 1619 als hoogleeraar 
te Leiden zijn ontslag gekregen en was wel in het volgende 
jaar opnieuw aangesteld, maar had zich in het begin van 1625 
naar Denemarken begeven, waar hij hoogleeraar aan de hooge- 
school van Soroë was geworden. Vóór zijn vertrek of van 
Denemarken uit moet hij dan eene schets van den „Palamedes" 
aan Vondel ter bewerking hebben gezonden, hetgeen te waar- 
schijnlijker is, omdat de voorrede van het stuk van veel meer 
bekendheid met de Oudheid getuigt, dan toen van Vondel 
verwacht kon worden, omdat uit allerlei treurspelen van Seneca 
groote gedeelten in den „Palamedes" vrij vertaald zijn, en 
omdat zelfs Grieksche citaten niet ontbreken, terwijl Brandt 
ons vertelt, dat Vondel zijne studie van het Grieksch eerst 
toen onder leiding van Daniël de Breen begon. 

Moge dus misschien inhoud en samenstelling van den PaUi- 
medea maar gedeeltelijk Vondel's werk zijn, de verzen waren 
dat wel en brachten, volgens Brandt, alle kunstkenners in 
verrukking wegens „de zuiverheit der taaie en hooghdravende 
vloejentheit tot noch toe van niemant der Nederduitsche dich- 
teren zoo wel uitgevonden.'* 



vondel's , palamedes". 93 

Palamedes-Oldenbarnevelt wordt in het stuk voorgesteld als 
de ^vermoorde onnoozelheyd," wiens schim, zooals Vondel in 
een voorafgaand klinkdicht zegt, nu na zeven jaar zijne rech- 
ters uit hun slaap komt opschrikken om hun in een gruwelijk 
beeld voor oogen te stellen, wat zij misdaan hadden. 

Het geheele eerste bedrijf van het stuk wordt, behalve door 
een beurtzang van Eubeërs (Arminianen) en Ithakoisen (60- 
maristen), ingenomen door eene lange alleenspraak van Pala- 
raedes, eene welsprekende verdediging en verheerlijking van 
Oldenbamevelt's beleid en eene scherpe afkeuiïng van de 
„dorperheyd" der „onedele gemeente, het wispelturigh volck, 
dat, veel te los van hoofd, ghenooten dienst vergeet en leyder ! 
't quaed gelooft." Vooral ook de jaloerschheid van Agamemnon 
(d.i. Maurits), die „verwoet syn trousten raedmans edel bloet" 
had gedronken, en de heerschzucht van Calchas en Eurypylus of 
de grootendeels uit Zuid-Nederland overgekomen priesters, die 
met hun Calvinisme God voorstellen als lust scheppend „in 
't vernielen en 't ommebrengen van soo veel gedoemde sielen," 
worden er fel in gehekeld. 

Eerst met het tweede bedrijf begint de eigenlijke handeling. 
Megaera „komt dan uut den afgrond klimmen", Sisyphus voor 
zich uit drijvend, die, voor een oogenblik uit de hel verrezen, 
zijn zoon Ulysses (Pranjois van Aerssen) het listig plan inblaast, 
dat Palamedes ten val moet brengen. Ulysses moet namelijk 
een schat begraven onder den grond, waarop kort te voren 
Palamedes' tent had gestaan, en door Diomedes (in wien men 
Graaf Willem Lodewijk meende te herkennen) een nagemaakten 
brief van Priamus laten onderscheppen, waaruit, als hij echt ge- 
weest was. Palamedes' landverraad zou gebleken zijn. De aanslag 
gelukt volkomen: met het opgegraven goud en den valschen 
brief wordt de krijgsraad in den waan gebracht, dat Palamedes 
zich door den vijand heeft laten omkoopen, en trots het wel- 
sprekend pleit van Nestor (den raadsheer Junius) en het heftig 
verzet van Ajax wordt hij schuldig verklaard en onder pressie 
van Calchas en het „by hem opgestoockte graeu" aan de 
krijgslieden overgeleverd, „die hem als eenen openbaeren 
verraeder uutleyden en steenighden", welke terechtstelling door 
een bode levendig wordt afgeschilderd in het vijfde bedrijf, 
dat besloten wordt met het optreden van Palamedes' stam- 



94 INDBUE VAN VONDBL'S .PALAMEDBS". 

vader Neptunus, om Oates (dien men voor Van der Mijle 
hield) te troosten over zijns broeders (schoonvaders) dood, terwijl 
Koning Priamus er over juicht. En die troost bestaat in de 
voorspelling van de gruwelijke wraak, die door de goden op 
de moordenaars van den onschuldigen ouden staatsman voor 
hunne euveldaad zal genomen worden. 

Het treurspel wemelt van toespelingen op Oldenbamevelt 
en Maurits, op Van Aerssen vooral, op den dommen G. B. van 
Santen, den heftigsten van Üldenbamevelt's rechters, die hier 
als Thersites optreedt, en o.a. ook op Hugo de Groot, dien 
men „in een kist voor boecken uutdroegh"; maar hoe kunstig 
ook de Grieksche geschiedenis tot in bijzonderheden is toe- 
gepast op Oldenbamevelt en zijne tegenstanders met hunne 
valsche beschuldiging, dat hij zich door den vijand zou hebben 
laten omkoopen om het Bestand te sluiten, onmogeUjk is het, 
alles in het stuk als toespeling te willen verklaren: veel er 
in behoort alleen in de Grieksche overlevering tehuis en wel, 
als het meest in het oog vallende, dat Palamedes hier ondanks 
den „veertighjaergen dienst", waarop hij zich beroept, wordt 
voorgesteld als een man in de kracht van zijn leven, wiens 
vader Nauplius als koning van Euboea den dood zijns zoons 
overleeft. 

Geweldig was de indruk, dien het treurspel maakte, toen 
het in October of November 1625 met Vondel's naam op 
den titel het licht had gezien. De Remonstranten groeiden 
er in, ofschoon zelfs ook zij er van ontstelden en daarom, 
zooals hun predikant Carolus NielUus, er zich over verheugden, 
dat het hekelspel niet door een Remonstrant was gemaakt. 
Onmiddellijk schreef Reigersberch aan zijn zwager De Groot: 
„Hier is uutgecommen een tragedie van Palamedes, daer onder 
bedeckte namen het ongelijck aen den Advocaet gedaen wert 
verhaelt. Het is wel gemaeckt, wert veel gelesen". Ofschoon 
de verspreiding verboden was, volgde de eene druk den 
anderen met gi'oote snelheid op; maar ook de tegenpartij 
hield zich niet stil. Er kwamen schimpdichten uit, waarin 
Vondel woordspelend „Mennoos Armer knecht" werd genoemd, 
en sterk werd er bij de Regeering op aangedrongen, dat zij 
Vondel zou straffen. 

Hij zelf vertrouwde aanvankelijk op de onmogelijkheid om 



QEVOLGBN VAN VONDKL'S ^P^LAMEDES". 95 

het streng juridisch bewijs te leveren, dat onder deze Grieksche 

geschiedenis de moord van Oldenbarnevelt gehekeld was ; maar 

spoedig begreep hij, dat het moreel bewijs voor zijne vijanden 

voldoende zou zijn, en hij hield zich schuil, eerst bij zijn 

zwager Hans de WolflF, en toen deze voor zichzelf beducht 

begon te worden, bood Laurens Baeck, die vermoedelijk mede 

de hand in 't spel had gehad, hem eene schuilplaats aan. 

Had de Amsterdamsche Regeering niet gestaan op haar recht 

om zelf hare burgers te vonnissen, dan zou Vondel misschien 

naar Den Haag zijn gevoerd en had zijne stoutheid hem het 

leven kunnen kosten. Onder de Amsterdamsche regeeringsleden 

echter had hij ook nog andere vrienden en geestverwanten 

dan Albert Burgh, die hem had aangehitst. Vooral de Schout 

Jan ten Grotenhuys was hem genegen, en zoo slaagde de 

pensionaris Adriaen Pauw, de zoon van den oudburgemeester 

Reinier Pauw, oudvoorzitter van Oldenbarnevelt's rechters, er 

niet in, hem zwaarder dan met eene geldboete van driehonderd 

galden te doen straffen, omdat hij, zooals het heette, „dingen 

hadde gesproken, die hij behoorde te zwygen". Ruim eenjaar 

later heeft Vondel aan Pauw zijne vijandschap betaald gezet 

met zijn in grappig Amsterdamsch gezongen „Nieu Lietgen 

van Reyntjen de Vos". 

Wel plaagde een schimpdichter hem met zijne boete, hem 
verdacht makend, dat hij zijn stuk alleen had geschreven „op 
hoop van grooter winst dan al sen Couse-Craem", maar sinds 
de „Palamedes" het land in rep en roer had gebracht, was 
Vondel in de geheele Republiek een beroemd man geworden 
en genoot hij bescherming en vriendschap van al wie onder 
de Amsterdamsche aristocratie tot de vrijzinnige partij be- 
hoorden en binnen weinige jaren in Amsterdam weer de 
regeering in handen zouden hebben, de Bickers enDeGraefs, 
de Vlooswijcks en De Vlaminghs, de Sixen en Huydecopers. 
Opgetreden voor de staatsgezinde partij en tegen de Goma- 
risten, was Vondel nochtans ver van zich bij de Remonstranten 
aan te sluiten. Hij bleef als vroeger tot de Waterlandsche 
Doopsgezinden behooren en toonde zelfs reeds in het volgende 
jaar zijne bijzondere belangstelling in de twisten, die daar ge- 
rezen waren tusschen den van Antwerpen afkomstigen Hans 
DK RiES, sinds 1598 Waterlandsch leeraar te Alkmaar, die 



96 vondbl's pabtijkibzen in twistbn dbb doopsgezinden. 

behal'/e godsdienstige prozaschriften ook een in 1604 herdrukt 
stichtelijk „Liedboeck" heeft uitgegeven en die beweerde, dat 
men den in het Evangelie uitgesproken geest van Christus 
moest onderscheiden van hetgeen de letter der Schrift leerde, 
en Nittert Obbesz, die maar één Woord Gods aannam, de 
letterlijk op te vatten Heilige Schrift. Opmerkelijk is het, dat 
Vondel in dien strijd partij koos voor hetgeen de tegenpartij 
letterknechterij noemde, z oals blijkt uit zijn hekeldicht „An- 
tidotum tegen het vergift der geestdryvers tot verdedigingh 
van 't beschreven Woord Gods". Heftig trekt hij daarin te 
velde tegen die „droomers en propheten en sienders, met den 
geest der dwalingen beseten", die voor ketterijen de deur 
wijd open zetten en den weg banen „tot duysend rasernyen". 
Neen, zegt hij, „Gods Woord, door letters uytgedruckt", is 
„gelyck een hamer, die rotsen stucken slaet, een schat en staf 
op den wegh", zonder welken men „in 't onseker tast en vecht 
als in de locht". Opmerkelijk noem ik deze partijkeus, omdat 
zij getuigt van Vondel's behoefte aan onwankelbaar gezag in 
geloofszcJcen, waardoor hij vijftien jaar later tot de Katholieke 
kerk zou worden gedreven. 

Toch wilde Vondel allerminst kettermeester zijn, zooalszijn 
klinkdicht „Misbruick des kerckelycken bans" bewijst, dat 
„een geweldenaer in Christus koninkrijk" noemt wie „Christe- 
nen ontzeit den Christelyken beker". Hierdoor toonde hij zich 
geestverwant van den vrijzinnigen Lubbert Gerritsz., die eerst 
leeraar der Vlaamsche Doopsgezinden te Hoorn was geweest, 
van 1603 tot zijn dood in 1612 als zoodanig te Amsterdam bij 
de Waterlanders optrad en daar gematigder denkbeelden op 
het stuk van ban en mijding kon verkondigen, dan er heersch- 
ten bij de Oude Vlamingen en Oude Friezen. Bij het portret 
van dezen „nae der Kercken vreede soo vuyrigen'* man maakte 
Vondel een bijschrift, zooals hij trouwens ook bij dat van 
Hans de Ries heeft gedaan. 

Tegen Gomaristische ketterjagerij trad hij eerst in 1627 weer 
op met een zijner meest beroemde en geestige hekeldichten. 
De Rommelpot in H Hane-kot, gericht tegen de haantjes van den 
kerkeraad, predikanten als „'t haentje dickkop van de Mase" 
of Adriaen Smout, „'t kalkoensse haentje" of „Jacobus Trig- 
land, en „haentje dopper" of Johannes Cloppenburg : jonge hanen. 



VONDBl/S „ROMMELPOT IN 't HANEKOT". 97 

die al even onverdraagzaam waren als die van„het ouwe hoek*' en, 
gesteund door leeken als „OogentroosVof Dr. Karel Lenaertsz., 
„Ti'ompman" of Simon Verdoes, „Corteboef of den stadssecre- 
taris Boudewijn Kortenhoef en „'t malle ventje" of den oud- 
schepen Jan Willemsz. Bogaert, uit hun „hanekot" een hunner 
medebroeders, namelijk „Coppen" of CornelisHanekop, hadden 
uitgepikt als een „geveynsden ketter, een Christen songder 
giest en letter, een wye deur en ruyme poort, een sielverleyer" 
— en waarom? Omdat hij openlijk op den kansel zijne af keu- 
ring te kennen gegeven had over het schandaal, dat „grauwe 
geusen wonnen 't huys te Monkelbaen" of m.a.w., dat het 
door geestdrijvers opgeruide grauw eene godsdienstoefening 
der Remonstranten met steenworpen verstoord en hunne 
vergaderplaats geplunderd had en nog meer zou misdreven 
hebben, als de kloeke majoor Nicolaes Hasselaer het niet ver- 
hinderd had. 

Vondbl's liedje bleef niet onbeantwoord, zooals Hasselaer 
niet onberispt bleef, maar de Stedelijke Regeering strafte enkele 
der plunderaars, bleef aan den van zijne bediening ontzetten 
Hanekop zijne jaarwedde uitbetalen en toonde zoo, dat zij de 
Remonstranten tegen handtastelijkheden en geestelijke opruierij 
in bescherming wilde nemen en zelf baas wilde blijven tegen- 
over de bemoeizieke predikanten, die zich door God aangesteld 
waanden als wachtei*s op den toren. 

Op dit zoo uitnemend geslaagde hekeldicht, in vroolijk 
spottenden toon, vol grappige zetten en treffende woordspelingen, 
en uitnemend geschikt om door een liedjeszanger bij het gemom- 
mel van den rommelpot gezongen te worden, liet Vondel in 
de eerstvolgende vier jaar nog vele andere volgen, die wel 
verdienden uitvoerig besproken te worden, dogh hier toch 
maar met enkele woorden vermeld kunnen worden, omdat 
eene toelichting, waardoor zij volkomen begrepen en genoten 
zouden kunnen worden, tot afdalen in te kleine bijzonderheden 
zou verplichten. 

Overigens ondervond Vondel bij zijne hekeling ook steun 
van anderen, waarschijnlijk zelfs van Coster, die wel achter 
de schermen moest blijven, maar toch vermoedelijk de dichter 
was van eene in 1628 verschenen en 1 Juni van dat jaarver- 
toonde klucht, Kallefs'Val (d. i. Calvinus' val) getiteld, waarin 

7 



costbr's „kallefs-val", vondel's „boerbn-catbqismus", enz. 

„Blinde Yver*' de geestelijke heerschzucht vertegenwoordigt 
en o.a. Mienwes en Jaucke de spotvogels zijn, die er den 
draak steken met de Amsterdamsche predikanten Roelof Piet- 
eers (d. i. Rudolphus Petri), El-ja-zeer (d. i. Eleazar Swalmius), 
Dry-aakers of Kalkoen-neus (d. i. Trigland) en Smout, en 
waarin met welgevallen aan VondePs Palamedes herinnerd 
wordt, die de Staten neep, terwijl dit spel voornamelijk tegen 
de Kerk en hare onwaardige dienaars gericht was. 

Vondel zelf schreef in hetzelfde jaar 1628 den „Boeren- 
Categismus", een gesprek tusschen Poëet en Student, ter be- 
schimping van eene onvoorzichtige uitspraak der theologische 
faculteit te Leiden, door Cloppenburg uitgelokt, dat Amster- 
damsche schutters geen eed behoefden af te leggen aan 
officieren, wier gehechtheid aan het gereformeerde geloof be- 
twijfeld kon worden. Dat toch werd toen door de Amster- 
damsche Regeering, op straffe van ontschuttering, geëischt, 
waardoor meer en meer het vertrouwen der onderliggende 
pai-tij gewassen was, terwijl de tegenstand van den kerkeraad 
meer en meer zijn invloed op de Amsterdamsche Regeering 
verzwakte, tegen welke de predikanten dan ook van den 
preekstoel heftig uitvoeren. Zóó weinig was de Amsterdamsche 
Overheid — in dezen gelijkgezind met de Rotterdamsche — 
geneigd, zich door de geestelijke heeren de les te laten lezen, 
dat zij den 8sten Sept. 1630 den Remonstranten zelfs oog- 
luikend toeliet, hunne kerk op de Keizersgracht in te wijden 
met eene preek van den eertijds verbannen hoogleeraar Simon 
Episcopius. „Den goeden God sy lof en Amstels wijsen Raed, 
dat den verdruckten nu dees tempel open staef', juichte 
Vondel in zijn gedicht op de „Inwying van den Christen- 
tempel t* Amsterdam", terwijl hij een ander gedichtje maakte 
onder een „Afbeeldsel van den Christentempel", waarvan de 
Regeering de verspreiding echter verbood, omdat zij met hare 
toegeeflijkheid niet gepraald wenschte. 

Nu scheen ook voor Hugo de Groot de tijd gekomen om 
uit zijne ballingschap terug te keeren. In October 1631 kwam 
hij heimelijk in Rotterdam, en terwijl zijne vrienden, waaronder 
ook Hooft, moeite deden om zijn banvonnis opgeheven te 
krijgen, begaf hij zich in het laatst van dat jaar ook naar 
Amsterdam. Vondel, die reeds in 1628 aan „den getrouwen 



vondel's „roskam", „harpoen", bnz. 99 

Hollander", zooals hij hem noemde, zijne vertaling van Seneca's 
Hippolytus had opgedragen, begroette hem met een „Welle- 
komst" en sloot toen zeker met hem die innige vriendschap, 
waaraan de dood van den grooten balling geen einde kon 
maken, want balling moest hij blijven, misschien omdat hij 
zelf niet bereid was een deemoedig verzoekschrift in te dienen, 
misschien ook omdat de terugkeer van een man als hij, die 
de hoofdman zijner partij was geweest, te veel ergernis aan 
de Calvinisten zou gegeven hebben. Toen hij in het volgende 
jaar zijne vrijheid al te zeer bedreigd zag, verliet hij noode 
weer zijn vaderland. In 1635 werd hij tot Zweedsch gezant 
bij het Fransche hof benoemd, wat hij bleef tot hij 28 Aug. 
1645 te Rostock overleed, door Vondel met een „Uitvaert- 
lied" uitgeluid. 

In het jaar 1630 had Vondel nog eenige hoog ernstige, 
gestrenge en dichterlijk-puntige hekeldichten in alexandrijnen ge- 
schreven, zooals in de eerste plaats de aan Hoopt opgedragen Ros- 
iom, tegen de heerschappij van onder gehuichelden godsdienst 
verborgen baatzucht, geldgierigheid en oneerlijkheid in het alge- 
meen gericht, maar niet tegen iemand in het bijzonder : immers, 
zegt de dichter, „sprack ick klaerder spraeck, ick sorg, men 
sou me dreygen met breuck en boeten of te levren aen den 
beul; want waerheyd (dat 's al oud) vind nergens heyl nocht 
heul : dies roemt men hem voor wijs, die vinger op den mond 
leyd"; en dan laat hij er op volgen, wat zoo teekenend is 
voor zijn eerlijk karakter en vurigen geest: „O, kon ick 
oock die konst ! maer wat op 's harten grond leyd, dat weltme 
na de keel : ick word te stijf geparst, en 't werckt als nieuwe 
wijn, die tot de spon uytbarst". 

Bij dit gedicht sloot zich de Harpoen aan, waarin onder den 
naam Godefried het ideaal van den predikant wordt geschetst 
tegenover Wolfaardt, het type van den heerschzuchtigen, op- 
roerkraaienden en scheurmakenden geestelijke, en het gedicht 
Baec Libertatü ergo op de papieren noodmunt, uitgegeven tijdens 
het beleg van Leiden, toen het nog de vrijheid en niet de 
heerschappij van Calvijn was, waarvoor men streed. Daarin 
worden weer persoonlijke aanvallen gedaan, niet alleen op Smout 
en Cloppenburg, maar ook op den al te gestrengen Leidschen 
schout Bont en den burgemeester Jacob van Broekhoven, 



4 f c> o rj r*' 



vondel's „triomftorts'' en gkuichtkn op oldknbarnkvelt. 

wien CosTER onmiddellijk nog iets toegaf in zijn klein ge- 
dichtje „Drukfaut in 't Papiere Geldt". Even persoonlijk is 
Vondbl's niet in alexandrijnen, maar in korte versregels ge- 
schreven „Medaellie voor de Gommariste kettermeester en 
inquisiteur te Dordrecht", vermoedelijk de predikant Gosewinus 
van Buytendijk. 

Hoe verbitterd Vondel destijds was op hen, die de gewetens- 
vrijheid verkortten, blijkt wel hieruit, dat hij over hen Gods 
wraak — geheel te onpas — inriep in eene^ later weer door 
hem geschrapte slotstrophe van zijn „Triomf torts'* over de 
nederlaag door „'t Gewapent Scheld" in 1631 geleden, toen 
het „t* seyl ging" om „den leeu in syn nest te doorschieten". 
Maar, genoopt door Hollands admiraal, rees deze op, „geterght 
tot wraeck, en sloegh syn klaeu in 't Slaeck", zoodat den 
vijand niets overbleef, dan in overijling en met schande het 
lijf te bergen. In hetzelfde jaar schreef Vondel nog zijn 
„Decretum horribile" tegen Calvijn's leerstuk der eeuwige uit- 
verkiezing en verdoemenis, en zijn „Blixem van 't Noord- 
hoUandsche Synode", die, te Enkhuizen vergaderd, zich verzet 
had tegen het besluit, dat de Amsterdamsche Regeering in 
het begin van 1630 genomen had om aan een paar regeerings- 
personen zitting in den kerkeraad te geven en een onrust- 
stoker als Smout uit de stad te verbannen, nadat Cloppenburg 
reeds vrijwillig in ballingschap was gegaan. 

In denzelfden tijd zullen wij, meen ik, de ongedateerde ge- 
dichten op Oldenbarnevelt hebben te plaatsen: ten eerste het 
kleine meesterstukje „Geuse-vesper of siecken-troost voor de 
vierentwintich" rechters van den Advocaat, met het aandoenlijk 
begin: „Hadt hy Hollandt dan ghedragen onder 't hart, tot 
syn afgeleefde dagen, met veel smart, om 't meyneedigh swaert 
te laven met syn bloet, en te mesten kray en raven op syn 
goet?" en de ernstige slotvermaning : „Spiegelt, spiegelt u dan 
echter, wie ghy zijt: Vreest den worm, die desen rechter 't 
hart afbijt I Schent uw' handen aen geen Vaders, dol van 
haet ; Scheldt gheen vroomen voor verraders van den Staet !" 
Scherp is het „Gespreek op het graf van Joan van Olden- 
barnevelt", in den vorm van een echolied geschreven naar 
aanleiding van een Latijnsch echolied, dat anoniem verscheen, 
en roerend de herinnering aan den staatkundigen moord bij 



„HBT ST0CK8KE VAN JOAN VAN OLDENBABNEVELT". 101 

de verjaring van „'sLands treurspel" of het „Jaergetyde van 
Joan van Oldenbarneveld, vader des vaderlands." 

Bij deze hekelende klaagliederen sluit zich aan, ofschoon het 
blijkbaar veel later (omstreeks 1658) gemaakt is, het beroemde 
gedichtje op „Het stockske van Joan van Oldenbarnevelt", dat de 
weemoedigste herinneringen bij Vondel opwekte, toen hij het 
later (het was toen in het bezit van Wbstbebabn, die er ook een 
gedichtje op schreef) onder de-oogen kreeg, zooals wij het tegen- 
woordig nog in het Vondelmuseum kunnen zien, het stokje, dat 
^vrydoms stut en HoUants vader gestut heeft op het wreet schavot, 
toen hy voor 't bloedigh zwaert moest knielen", en dat hem vroe- 
ger zoo dikwijls „voor een derden voet in 't gaen streckte by 't 
klimmen op de hooge trappen, als hy, belast van ouderdom, papier 
en schriften, overleende en onder 't lastigh lantspack steende", 
hij, die, „hoe krom gebuckt, noit krom ging". „Nu stut en 
3tyft ghy noch myn dichten," zoo besloot Vondel, en onge- 
ti^ijfeld had* onze groote dichter geen dankbaarder stof voor 
zijne poëzie kunnen vinden ; maar even ontwijfelbaar is het, 
dat niet eeuwenlang zoo velen over den dood van den grijzen 
staatsman zouden hebben meegetreurd, als Vondel's poëzie 
hun niet stille tranen van ergernis en weemoed had ontlokt. 



XXVII. 

De Academie en de Doorluchtige School. 

Door bij den politieken strijd als dichter zoozeer op den 
voorgrond te treden moest Vondel onder de leden derDuyt- 
sche Academie, die zijne geestverwanten waren, wel beschouwd 
vorden als de man, die het meest geschikt was om aan deze 
kwijnende instelling nieuw leven te geven, waaraan het haar 
sinds het gedwongen aftreden van Coster al te zeer ontbroken 
had. Dat hij althans in 1627 en later daar de leiding had, 
inag m.i. worden opgemaakt uit het feit, dat hij in Januari 
1627 HuYGENS, die bij een bezoek aan Amsterdam de voor- 
stelling van Hooft's „Warenar" in de Academie was komen 
bijwonen, daar van „'t hooge tooneel" af een dichterlijk 
jWelkom, welkom t' Amsterdam!'' toeriep of liet toeroepen. 



102 yondel's prijsvraag dbr aüadbmie. 

HuYOENs was er blijkbaar niet erg mee gediend, dat hij daarin 
op allerlei wijzen als Orpheus werd toegesproken, en verklaarde 
aan Vondel, dat, indien hij zich al dien lof had laten aanleunen, 
er in de oogen van het publiek in den schouwburg wel twee 
ware narren geweest waren: één op het „raduys" en een 
tweede onder de toeschouwers. 

Op het eind van 1629 of in het begin van 1630 toonde 
Vondel zich weder den leider door van het tooneel der kamer 
bij monde van haar toenmaligen eersten speler, Thomas de 
Keiser (portier van de Regulierspoort van beroep) eene prijs- 
vraag in verzen te doen voordragen, die weldra ook in druk 
werd aangeboden door ,de Academi aen alle poëten en dichters, 
liefhebbers van de goude vryheyt*', maar van dien aard was, 
dat de Amsterdamsche Regeering wel genoodzaakt was in 
April 1630 een verbod uit te vaardigen tegen het „vercoopen 
van seeckere vragen, op name van de Academie binnen deser 
stede ingestelt, mit de and woorden daerop gevolght, streckende 
tot vermeerderinghe en voedinghe van den haet der ingesetenen 
deser landen". Hatelijk toch waren de bewoordingen van dit 
gedichtje tegen de opruiende predikanten en zelfs tegen Prins 
Maurits, die tweemaal te vergeefs beproefd had, het nu door 
Prederik Hendrik veroverde 's-Hertogenbosch te vermeesteren, 
zooals er in gezegd werd. 

Groot was de opschudding, die deze vraag in de dichtwereld 
maakte : omstreeks vijftig antwoorden kwamen er op in,op allerlei 
toon en in zeer verschillenden geest, uit verschillende deelen 
des lands, vooral ook uit Haarlem (o. a. van Jonas van 
Gherwen). In één dezer werden de „Academi-Heeren nu be-, 
sitters van de Brabantsche camer" genoemd; in een ander 
werd gesproken van de „tweedemael geformde Academy, alias 
de Brabantsche camer", waaruit blijkt, dat deze kamer, die 
in 1629 nog in wezen was, maar welker leden reeds lang 
meerendeels ook tot de Academie hadden behoord, nu voor- 
goed met de Duytsche Academie was samengesmolten. 

Tegen één van die antwoorden, getiteld „Amsterdamsche 
Kakademie ofte Guytschool,'' waarinde „Academieheeren voor 
lieff-hebbers van de volle kannen" werden uitgekreten en van 
den naam Joost van Vondelens het anagram „Sotje vol van 
souden" gemaakt werd, kwam Vondel op met een al te vuil 



ANTWOORDEN OP DK PRIJSVRAAQ BN HOOFT's OORDEEL. 103 

gedichtje, tegen Jacobus Trigland, die er als Japick Priaep 
is aangeduid. Van Geeraardt Brandt, die in dien spotnaam ver- 
keerdelijk Jacob Cats zag, is de mythe afkomstig, dat Cats 
de ^Amsterdamsche Kakademie" zou gedicht hebben, ofschoon 
dat hatelijk versje al zeer weinig strookt met den geest en 
den dichttrant van Cats. Eenmaal op den verkeerden weg, kwam 
Brandt er ook toe, een ander spotdicht] e op Jaap Priaap, dat 
den titel „Text" heeft en waarbij glossen gevoegd zijn op Cats, 
als rijk geworden door zijne vrouw, aan Vondel toe te kennen, 
ofschoon daarvoor bewijs noch redelijke aanleiding is. 

In Vondel's geest antwoordden o. a. Cornelis Plemp (doch 
zonder zijn antwoord uit te geven), Willem Dircksz. Hooft 
(of diens vader) en Tbsselschade, die haar gedichtje door den 
Drost had laten „betuttelen". Deze zelf antwoordde niet en kan 
ook moeielijk met het uitschrijven der prijsvraag ingenomen ge- 
weest zijn. Hij vergeleek haar bij een „krijgsgranaet, die, zwanger 
met doodt en bederf, niet en baert om ter wereld te brengen, maer 
om daer uyt te helpen." Toen Vondel hem in hetzelfde jaar 
zijn „Roskam" opdroeg, prees hij dat gedicht, evenals de 
«Harpoen", omdat de dichter daarin „yder naegeeft dat hem 
toekomt en zoo wel voor een goedt betaeler als voor een 
scherp maener gaen magh", maar overigens achtte hij „schem- 
pen en schieten" onridderlijk en was het hem „tegens de 
borst, dat men de luiden leelijk en afschou weiijk in 't oogh 
der gemeente maekt, daer zy leer en stichting by te zoeken 
en uit te zuighen heeft". Hooft toch, die libertijn was, was 
den Remonstranten alleen genegen, omdat zij onrecht geleden 
hadden, maar zou zich van hen, als zij den „harden gerefor- 
meerden" in heftigheid trachtten te evenaren, evenzeer afkeerig 
betoond hebben, als van de roervinken onder de heerschende 
predikanten: althans hij schreef na de lezing van Vondel's 
«Medaellie" aan zijn' zwager: „lek en kan dien stookebranden 
ter wederzijden niet vergeven hunne reukelooze duUigheit, daer 
niet dan vererghering onzer quaele uyt koomen kan". 

Hij was het dus geheel eens met Prederik Hendrik, die 
zijn best deed, „om d' ontstelde gemoederen tot bedaering 
ende 't landt in ruste te brengen", en met de vrijzinnige 
overheden van Amsterdam, die het er op toelegden, geleidelijk 
en als ongemerkt de Remonstranten in hunne rechten ie her- 



104 HOUDING DKR VRIJZINNIGE REGBERING. 

stellen, maar daarin zeker niet geslaagd zouden zijn, als zij 
ook maar eenigszins tartend en met in het oog vallende partij- 
digheid tegen de geestelijke heeren waren opgetreden. Wilden 
zij de instemming der burgerij behouden, wanneer zij de op- 
ruiers en twiststokers onder deze intoomden en desnoods uit 
de stad banden, zooals zij deden, dan moesten zij daarbij 
niet beraoeielijkt worden door onruststokende twist- en spot- 
schriften der Remonstrantsche partij, zooals ook de hoofden 
dier partij zelf inzagen , daar b.v. Uytenbogaert aan Episcopius 
schreef, toen hij van de boven besproken klucht van „Kal- 
lefs-vaP' gehoord had: ,sulcke boecken doen gheen goedt". 

Door zoo voorzichtig en staatkundig te werk te gaan als 
de Amsterdamsche patriciërs, en Hooft met hen, destijds 
deden, hebben zij aan hunne stad en, door hun voorbeeld, 
aan het geheele vaderland den roem kunnen verschaffen, dat 
onze Republiek, ook buitenslands, mocht worden beschouwd 
als het bolwerk der vrijheid, waar alle gezindten — ook 
katholieken en zelfs atheïsten — ongemoeid werden gelaten 
en zelfs binnen zekere grenzen (men denke echter aan Adriaen 
Koerbagh in 1668) op gematigde wijze hunne meening mochten 
verkondigen. Dat daarentegen prikkelbare geesten als Vondel 
met hun moedig optreden voor de vrijheid door hunne heftig- 
heid die vrijheid juist in het uiterste gevaar brachten, zag de 
wereldwijze en echt vrijzinnige Drost volkomen goed in. 

Terwijl de Regeering van Amsterdam de prijsvraag der 
Academie verbood, liet zij haar echter in 1630 toe, zooals zij 
ook reeds in 1626 gedaan had, nog eens weer de Iphigenia 
van CosTBR te vertoonen, die ditmaal vermeerderd was met 
een laatste tooneel, waarin gesproken wordt van de verbanning 
der „verlopen papen" Pultarx en Ari-adeps of Cloppenburg 
en Adriaen Smout. Den speler, die de rol van Eurypylus 
vervulde, had men zóó gegrimeerd, dat hij sprekend op Trig- 
land geleek. Het stuk had, als altijd, groeten toeloop, want 
zooals Vondel terecht zeide: „Verbiet de lieden het toonneel, 
soo loopt *er sevenmael sooveer* ; en ondeugend voegde hij er 
aan toe: „Wie dan den yver blusschen wil, sie door de vin- 
gei's en swygh stil"; maar dat lag niet in het karakter der 
predikanten, want één hunner, Otto Badius, de aanstaande 
schoonzoon van den te Haarlem in ballingschap levenden oud- 



vondbl's „otter in *t bolwerck". 105 

schepen Jan Willemsz. Bogaert, schold van den preekstoel op 
de Academie zoo ijverig, dat „het quijl hum uyt sen mongt 
liep", volgens Vondel's Otter in H Boltverck, dat tergend begon 
met de vraag: „Wel hoe is Otjes hart so groen, dat hy dus 
yvert in 't sermoen? O jeemy, o jeemy!*' en daarop ten ant- 
woord gaf: „Om Boogers dochter is 't te doen: hy preecktvan 
d'Acadeemy.'* 

Dat was zeker persoonlijk genoeg, te meer daar Bogaert, 

wien men zoo groot genoegen kon doen met op de Academie 

te schelden, niet alleen Coster*s neef was, maar bovendien in 

1617 Coster's vertegenwoordiger was geweest bij het vaststellen 

van het contract met de Regenten van het Weeshuis, waarbij 

deze een deel van de winsten ontvingen. Persoonlijk was ook 

de herinnering aan de tochtschuit, waarmee Smout had 

moeten vertrekken, die, als hij nu nog op den preekstoel 

mocht staan, wel zou maken, dat „Jan-i-ap in stee van 

Monckelbaen sou plongd'ren d'Acadeemy". Ook dit liedje lokte 

natuurlijk tegenliedéren uit, zooals van „Esopus-ezel op 't 

tonneel" en van „De droes in t warr-gaern'', waaria het aan 

schimpscheuten op het persoonlijk leven van Coster niet 

ontbrak en hij met de zijnen naar Loevestein gewenscht werd. 

Daarentegen nam de scheepsdokter Quirijn van BREnMBORCH 

het voor Coster in een hekeldicht op. In een der tegenschrif- 

ten wordt gesproken van „Vond'lens Academie", zooals men 

vroeger van Coster's Academie sprak. 

In den tijd, waarin de Academie zich onder Vondel's lei- 
ding zoo roerde, werden daar ook minder geruchtmakende 
stukken gespeeld, zooals in 1627 Pieter Nootmans' treurspel 
„Borias oft Wulpsche minstocht", in 1628 Jan Pranssoon's 
klucht Griertje Wouters , de dramatiseering van een griezelig 
komiek verhaal uit Boccaccio's Decamerone (IX. 1) , en in 1629 
H. Roblandt's treurspel Biron. In 1630 werd „voor de weesen 
op kerkmis," en dus door de Academie, ook het, eerst vier 
jaar later uitgegeven, deels romantisch, deels idylHsch, maar 
grootendeels grof boertig tooneelstuk Margrietje vertoond , 
waarin onder meer ook nog eens de grap van den in eene 
mand opgeheschen en ten spot van een ieder ten toon ge- 
hangen vrijer voorkomt. De dichter Jan van Swol droeg het 
stuk op aan Geertruid, Visscher's tweede dochter, in het- 



106 „VERLORBM SOON" VAN WILLEM DIRCK8Z. HOOPT. 

zelfde jaar, waarin hij ook reeds zijn wonderlijk (eerst in 
1637 gedrukt) spel Conatantinus (d.i. zekere „grave Constantyn 
van Charlois") in stroeve en gekunstelde verzen aan Anna 
Visscher had opgedragen. Nog werden in 1630 op de Acade- 
mie gespeeld: de tragi-comedie „Hel en Hemel vaert van Theo- 
dore en Constancy" van Hkndbik Moor en het blijspel Heden- 
daegsche verloren soon van den glasschrijver Willem Dircksz. 
Hoopt. 

Alleen dat laatste stuk verdient, dat wij er een oogenblik 
bij stilstaan. De inhoud is natuurlijk de bijbelsche parabel, 
maar in de IT^e eeuw geplaatst en nciar ons land overgebracht : 
eene moderniseering zooals wij er van deze gelijkenis ook 
in vroegeren tijd en in verschillende talen vele kennen. Toch 
heeft de dichter niet het bijbelverhaal zelf gedramatiseerd, 
maar, zij het ook met veel vrijheid, een volksboek nagevolgd, 
dat er zich uitstekend toe leende, omdat het zelf naar eene 
Fransche moralité van 1535 was bewerkt. Door zijne herberg- 
vrienden Bylebier en Schente-keucken wordt Juliaan, de verloren 
zoon, kroegen en bordeelen rondgevoerd totdat hij, om geld ver- 
legen, met valsche sleutels het kantoor van zijn vader opent en 
daar door zijne stiefmoeder Gerrebrich op diefstal woi*dt betrapt. 
Bijna terzelfder tijd wordt hem een speelkind te huis bezorgd, dat 
zijn vader „in Waterlant ' besteedt". Hij had „steekint" be- 
hooren gemaakt te worden, zegt zijne stiefmoeder, of naar de 
Oost gezonden moeten worden; maar al moest hij ook door 
de ratelwachts op een kruiwagen dronken t'huis gebracht 
worden, door berouw te veinzen weet hij zijn vader te belezen, 
hem het moederlijk erfdeel uit te keeren, en nu kan hij eerst 
recht genieten van de „vrolijcke voogh'lesang". Het duurt 
echter niet lang. Hij gaat naar Den Haag, waar hij in de 
herberg „De belegeringh van Oostende" in handen valt van 
de waardin Susanna en hare meisjes, die hem, als hij dron- 
ken is, van alles berooven. Arm en berooid krijgt hij van 
een boer niets anders dan varkensdraf om zich mee te voeden, 
en zoo overwint hij dan zich zelf en besluit hij terug te kee- 
ren naar zijn vader, die hem in zijne armoedige plunje niet 
eens herkent, maar hem toch, ten spijt- van zijn oudsten zoon 
Abraham, verheugd ontvangt en het gemeste kalf voor don 
berouwhebbenden zondaar slacht. Ofschoon dit stuk eene 



JACOB 8TRUY8 EN PIETER NOOTMANS. 107 

zedelijke strekking heeft, die aan het einde ook duideUjk ge- 
noeg wordt uitgesproken, kan men toch begrijpen, dat het 
wegens de uitvoerigheid, waarmee de ruwe en aanstootelijke 
bordeeltooneeltjes er zijn uitgewerkt, tot die onstichteUjke 
stukken zal gerekend zijn, welke de predikanten er toe brachten, 
zoo geweldig tegen de Academie uit te varen. 

Vóór 1631 — want toen was de dichter reeds overleden — 
werden door Jacjob Struys verschillende droefeindende spelen 
gedicht, die vermoedelijk ook alle op de Duytsche Academie 
vertoond, maar misschien niet vóór» zijn dood gedrukt zijn, 
namelijk het aan Ovidius ontleende stuk „Ontschakingh van 
Proserpina met de bruyloft van Pluto", de aan Coster opge- 
dragen Styrus en Ariame en twee treurspelen, waarvan de 
inhoud geput is uit de toen zoo geliefde „Tragische Historiën" 
van Bandello-Belleforest. Het eerste, Romeo eii Juliette is merk- 
waardig, omdat het dezelfde bron heeft als Shakespeare's 
meesterstuk, waarmee men maar niet moet beproeven het stuk 
te vergelijken van een dichter, die, blijkens zijne spreuk „lek 
wil maer kan niet", althans de deugd der bescheidenheid 
bezat. De Italiaansche novelle is er stipt in gevolgd, dikwijls 
zelfs zoo nauwkeurig mogelijk in alexandrijnen overgebracht. 
Het tweede stuk, Albonus en Romrwnda, dramatiseert het uit 
de Longobardische geschiedenis van Paulus Diaconus afkom- 
stige gruwelverhaal van Alboin's moord, dat ook Vondel zich 
wat later koos voor een treurspel „Rozemont", waarvan echter 
nog niet eens het eerste bedrijf door hem voltooid werd. Een 
vijfde stuk van Struys, Amsterdamsche Juffer tjen, hebben wij 
vroeger reeds genoemd. 

In 1632 zouden nog op de Academie een treurspel Violense 
en eene klucht, Licht-hartighe Jooye, vertoond worden, gerijmd 
door G. Andriesz. Duirkant, van wien ook reeds een blij- 
eindend spel Siatiliaen op Palmzondag 1628 door de Brabant- 
sche kamer was gespeeld. 

Dat toen ook in de Duytsche Academie de classieke rich- 
ting niet de alleenheerschende was, blijkt, behalve uit de ge- 
noemde stukken, nog uit de woorden, waarmee PjeterNootmans 
zijn Borias, in 1635 op de Jonge Bataviersche kamer te 's-Graven- 
hage vertoond, toen opdroeg „aenden achtbaren, seerdiscreten 
en konst-Uevenden Jan Hendricksz van der Kisten": „my is 



108 ACADEMIE KN EGL^ENTIER VEKEENIGD 

niet onbekent, dat ick van sommighe Neuswijse Al-bedillers, 
segghende dat alle Treur-ende Bly-Eynde-Spelen moeten ende 
behooren, na de oude maniere van eenighe Latynsche oft 
Griecksche comedi-schryvers, op vier-en-twintigh uyren, hoewel 
sy het selve soo nauw niet en hebben onderhouden, uyt te 
spelen. Doch aengesien alle gheschiedenissen meestendeel niet 
op, maer wel boven den tijdt van vier-en-twintigh uyren ghe- 
beurt zijn, kan het selve qualijck onderhouden worden, hetwelck 
in dit spel niet moghelijck en is om gedaen te konnen worden". 
Dezelfde Haagsche kamfer vertoonde in 1629 van Nootmans 
nog een treurspel Ulysaes, terwijl door hem in 1627 nog een 
spel Van den blocdigen slach van Pavyen aan den bekenden 
Vlaamschen schilder-dichter Adriaen Brouwer was opgedragen. 
Uit een eerdicht blijkt, dat hij vooraf nog een spel van 
Nehucadncsar had gemaakt. 

Den 7<len Juli 1632 kwam door bemiddeling van Burgemees- 
teren een verdrag tot stand, waarbij ook Academie en Eglen- 
tier, die in den laatsten tijd telkens getracht hadden elkaar 
de beste spelers te onttrekken, tot ééne kamer vereenigd wer- 
den, welke eenige jaren onder den naam van „de Amsterdam- 
sche camer*' bekend bleef en wel het blazoen van de Academie 
behield, maar met het gewijzigd devies „Door yver in liefde 
bloeyende". Het Weeshuis, dat eigenares van het Academie- 
gebouw op de Keizersgracht waö, verkocht na veel gehaspel 
in 1635 een derde aandeel daarin aan het Oude-mannenhuis, 
dat de voordeden der tooneelvoorstellingen van de Eglentier 
had genoten en waaraan bij het verdrag van 1632 ook een 
derde deel van de winst der vereenigde kamers was toegekend. 

De aanleiding voor deze vereeniging is zoo al niet geheel 
dan toch zeker grootendeels hierin te zoeken, dat in 1632 de 
Duytsche Academie hare reden van bestaan verloren had. 
Wel was zij door tegenwerking van kerk en wetenschap nooit 
veel meer geworden dan eene tooneelspelende rederijkerskamer, 
maar de bedoeling van den stichter was toch geweest haar ook 
te maken tot eene instelling van hooger onderwijs : en nu had de 
Amsterdamsche Regeering die taak van haar overgenomen. 

Reeds in 1629 was daartoe in beginsel besloten, maar het 
verzet der Leidsche hoogeschool, die concurrentie vreesde, had 
de uitvoering eenigen tijd tegengehouden, zoodat eerst den 



STICHTING VAN DK DOORLUCHTIGK SCHOOL. 109 

Ssten Januari 1632 het Atheneum Illustre of de Doorluchtige 
School in het kerkje van het voormalig St.-Agnietenklooster 
op den Oudezijds-Achterburgwal kon worden ingewijd met 
eene Latijnsche redevoering over het nut der geschiedenis door 
Gkrardus Joannis Vossius en den volgenden dag door Gaspar 
Barlaeüs met eene andere over den „Mercator sapiens*\ 
Vondel vierde deze heuglijke gebeurtenis met twee gedichten, 
het eene ter eere van den grijzen Raad en Oudschepen Her- 
man van de Pol, die het meest voor deze stichting geijverd 
had, het andere eene vertaling uit het Latijn van Scriverius, 
waarin St. Agnes gesteld wordt tegenover St. Barbara, in wier 
klooster de Leidsche hoogeschool aanvankelijk gevestigd was 
geweest: waarom dan, met zinspeling op de tegenwerking en 
den lateren spot der Leidenaars, van haar gezegd wordt: 

„Wat lacht ghy, Barber, hoe? Al zyt ghy van vermogen 

Zeer groot, dees Agnea kan, indien ze wil, oock yet. 
Zy maackt de jeugt oock wy's: en wilt ^hy 't niet gedoogen, 

Zy wijckt in 't minste van haar nagebaaren niet. 
Sy teelt een waerden oegst van geesten, door haar lezen 

Beqaaam en vroet gemaackt om dragen de bonnet. 
■ Vrees Agnes niet, als ofse u in den wech zal wesen: 

Om niet Barbaers te zyn, is 't eenigh daar ze op let." 

Tot HuGO DB Groot, dien men gaarne, als het mogelijk 
geweest was, aan het Atheneum verbonden had gezien, richtte 
Hoopt een gedicht, waarin hij zich verheugde over de benoe- 
ming tot professoren van „twee helden, die der dingen diept' 
en steilt' afperken op een prik, van 's hemels kruin in 't hart 
van 't slik"; en inderdaad, de tegenstand der kerkdijken tegen 
de sticliting en de vreugde van mannen als Vondel en Hooft 
is te begrijpen, wanneer men bedenkt, dat de beide eerste 
lioogleeraren, die benoemd werden, zoowel Vossius als Bar- 
laeüs, wegens hunne Arminiaansche gevoelens als hoogleeraar 
te Leiden m 1619, doch Vossius slechts tijdelijk, ontslagen 
waren en sinds dien tijd, schoon gematigd, in hunne overtui- 
ging waren blijven volharden. Ook in een ander opzicht had 
men geene gelukkiger keus kunnen doen om terstond aan de 
Doorluchtige School een goeden naam te bezorgen, want beide 
mannen hadden zich in de wetenschappelijke wereld door be- 
kwaamheid en geleerdheid reeds toen beroemd gemaakt. 

In Gaspar van Baerle hebben wij weder een Brabander, 



110 GASPAR BARLABUS. 

12 Febr. 1584 te Antwerpen geboren, maar reeds in het volgende 
jaar met zijn vader mee verhuisd naar Noord-Nederland, waar 
hij theologie studeerde, van 1608 tot 1612 predikant te Nieuwe- 
Tonge was en vervolgens te Leiden onderregent van het 
StatencoUege en sedert 1617 ook hoogleeraar in de logica. 
•Na in 1619 afgezet te zijn, studeerde hij medicijnen te 
Caen in Frankrijk en woonde verder ambteloos te Leiden, 
waar hij slechts met moeite door lesgeven en schrijven in zijn 
onderhoud kon voorzien. Aan zijn redenaarstalent en vooral 
aan zijne vele Latijnsche verzen dankte hij zijn roem, en of- 
schoon hij als kunstenaar van gewaagde hoogdravendheid, 
zelfs van gezwollenheid niet is vrij te pleiten, verdient hij 
hulde en bewondering wegens de stoute verbeelding en de 
vindingrijkheid zijner Muze en vooral wegens de groote ge- 
makkelijkheid, waarmee hij de meest moderne onderwerpen 
in keurig Latijn, dikwijls geestig, wist in te kleeden, zoodat 
diegenen onder zijne tijdgenooten, die Latijnsche poëzie nog 
hooger stelden dan Nederlandsche verzen, en bv. ook De Groot 
en Hooft, hem eenstemmig den vorst onzer dichters, den aarts- 
poëet (archipoeta) noemden; en door ieder werd hij minstens 
Vonders evenknie geacht. Vandaar ook wel, dat hij niet 
alleen onder zijne geestverwanten, zooals Hooft, De Groot en 
Vondel, zijne vrienden telde, maar dat ook mannen van geheel 
andere godsdienstige en politieke overtuiging, zooals Cats en 
Huygens, op zijne vriendschap hoogen prijs stelden. 

Later, toen hij de poëzie van Hooft en Vondel had leeren 
waardeeren, heeft hij ook wel enkele Nederlandsche gedichtjes 
geschreven, maar aanvankelijk was hij nog een Renaissanceman 
van den ouden stempel, die hooghartig neerzag op iedere andere 
poëzie dan de Latijnsche en die zelfs in 1625 in een gedicht 
Van der Burgh en Brosterhuysen trachtte te bewegen, het 
schrijven van Nederlandsche verzen na te laten en alleen de 
Latijnsche Muze te dienen. Het Latijnsche gedicht, waarmee 
Huygens het toen voor zijne vrienden en voor de moedertaal 
opnam, schijnt hem het eerst met Huygens in aanraking ge- 
bracht te hebben en mag alzoo beschouwd worden als de 
eerste knoop van den hechten vriendschapsband, die Hüyqkns 
en Barlaeus steeds vaster aan elkaar verbonden heeft. 
'Vondel heeft verscheidene van zijne Latijnsche gedichten in 



GBRARDUS JOANNIS VOSSIUS. 111 

het Nederlandsch overgebracht en daaronder ook de vele 
dichterlijke opschriften op gebouwen, eerebogen en vertoonin- 
geu, die Van Baerlb in opdracht van de Regeering maakte 
bij de schitterende ontvangst, aan de Koningin- Weduwe van 
Frankrijk, Maria de Medicis, bereid, toen zij in September 
1638 hare „blyde inkomste*' hield in Amsterdam. 

Meer nog dan tot Van Baerle schijnt Vondel zich aange- 
trokken gevoeld te hebben tot den ernstigen Vossius. Grondig 
kenner van de beide classieke talen, was deze, als baanbreker 
op het gebied der Latijnsche grammatica en rhetorica vooral, 
in geheel Europa geëerd, en het was dus geene geringe glorie 
voor Amsterdam, dat hij zijn Leidsch professoraat wilde ver- 
ruilen voor een leerstoel aan de Doorluchtige School, waar 
hem in 't bijzonder het onderwijs in de geschiedenis werd op- 
gedragen, en terecht, want, zooals Vondel zeide, toen (in 
1637) „sestigh winters dat Vossenhooft hadden besneeuwd", 
dat grijze brein had „heughenis van meer dan vijftigh eeuwen" 
(volgens Vondel, „van een halfhondert eeuwen", volgens Hooft). 
Voor hem waren boeken en blè^ren overbodig geworden: „al 
wat in boecken steeckt, was in zijn hooft gevaren". 

Voor zijne verdere studiën had Vondel veel aan zijne voor- 
lichting en ook aan zijne boekerij te danken: geen wonder 
dan ook, dat wij zijn naam in Vondkl's poëzie telkens aan- 
treffen. Reeds een jaar nadat Vossius zich in Amsterdam 
gevestigd had, was Vondel in de gelegenheid hem zijne 
vriendschap te toonen met zijne algemeen bekende „Vertroos- 
tinge aen Geeraerdt Vossius over zijn zoon Dionys*', den hoogst 
begaafden jongen man, die op twintigjarigen leeftijd aan 
zijn diep bedroefden vader ontrukt werd, als de eerste van 
acht volwassen kinderen, door hem in twaalf jaren tijds ver- 
loren. „Wat treurt ghy, hooghgeleerde Vos, en fronst het 
voorhooft van verdriet? Beny uw soon den hemel niet. De 
hemel treckt, ay, laat hem los!" zong Vondel toen. 

Vondel wist, wat het was, zijne kinderen te moeten ver- 
liezen. Kort te voren had hij op dezelfde wijze zijne vrouw 
zoeken te troosten bij het overlijden van haar Constantijntje, 
dat nu als „Cherubijntje van om hoogh" het „waerom schreit 
ghy, waerom greit ghy?'* aan zijne moeder scheen toe te 
roepen: immers, „boven leef ick, boven zweef ick, Engeltje 



112 DOOD VAN VONDKL's KINDEREN EN ECHTGENOOTE. 

van hemelrijck", sprak hij, met van vreugde stralende oogen 
neerziende op „d' ydelheden hier beneden". Zoo voerde hij de 
bedroefde moeder met hare gedachten uit het slijk der onstand- 
vastige wereld heen naar het hemelsche paleis, van het tijdelijke 
naar het eeuwige. Het jongsken, dat Vondel verloor, had zijn 
naam te danken aan een groot heldendicht, waaraan onze 
dichter sedert 1632 al zijne krachten wijdde: eene verheer- 
lijking van Constantijn den Grooten, die het Christendom tot 
den godsdienst van het groote Romeinsche rijk had gemaakt. 
In 1634 had hij er al vijf boeken van af en in 1640 was hij 
er nog mee bezig, maar het bleef onvoltooid en werd later 
zelfs door hem verscheurd, vermoedelijk omdat hij toen had 
ingezien, dat Constantijn in de verte die heilige man niet ge- 
weest was, waarvoor hij hem eerst had gehouden. 

Niet lang na het overlijden van zijn zoontje, in September 
1633, werd hij opnieuw zwaar beproefd door den dood van 
zijn tien- of elQarig dochtertje Saartje. De „Uitvaert van myn 
dochterken'^ toen door hem gezongen, behoort tot het ge- 
voeligste en liefelijkste wat wij van den grooten treurspel- 
dichter bezitten en bewijst, hoe hij meester was in eiken 
dichttrant, omdat het telkens zijn gemoed was, dat hem tot 
dichter maakte. Wij zien het lieve meisje vóór ons, „de vreught 
van de buurt", zoo vroolijk dartelend met hare kleine speel- 
nootjes die nu „met tranen om de baar" stonden en „ter 
liefde van heur beste kameraat nog een krans van roosmarijn" 
vlochten: „een krancke troost*' voor de ouders, want „wat 
baat de groene en goude lover? Die staatsi gaat haast over!" 

Zoo klaagde Vondel en het was niet zijne laatste klacht. 
In Februari 1635 trof hem nog zwaarder slag: weinige 
dagen vóór hij zijn zilveren bruiloftsfeest zou hebben kunnen 
vieren werd Maaiken de Wolff, zijne goede vrouw, hem ont- 
rukt en wijdde hij eene droeve „lijckklaght aan het Vrouwe- 
koor'* in de Oude kerk, waar zij begraven werd. Zij liet hem 
alleen achter met hunne beide kinderen : Anna, die tot op 
zijn ouden dag zijne trouwe en liefderijke verzorgster was, 
maar vier jaar vóór hem overleed, en den onleerzamen en 
onbedachtzameu Joost, aan wien hij later zijne winkelzaak 
zou overdoen en die hem zou ruïneeren. 



DE EGLENTIER VÓÓR HARE VEREENIQING MET DE ACADEMIE. 113 



XXVIII. 

De muziekkamer van Jan Hermansz. Krul. 

• 

Vóór de Eglentier in 1632 met de Duytsche Academie was 
vereenigd geworden, had deze Amsterdamsche kamer, ofschoon 
zij door het vertrek van Rodenburg in 1619 den ondergang 
nabij geweest was, zich toch nog tamelijk wel weten te hand- 
haven. Toch schijnt zij in dien tijd niet veel nieuws te hebben 
geleverd. Er werden verschillende door ons reeds genoemde 
stukken van Rodenburg, Hooft, Jan van Arp, Matthijs van 
Velden en Abraham van Mildert gespeeld en enkele nieuwe, 
zooals (in 1622; de klucht van Jan Sb^^, den onnoozelen jongen 
echtgenoot, die in zijne blijdschap, dat hem reeds eene maand 
na zijn huwelijk zeer onverwacht een kind geboren wordt, 
er dadelijk op uitgaat om twaalf wiegen te koopen, daar hij met 
mathematische nauwkeurigheid heeft uitgerekend: „as ie 'smaents 
ien kynt krijch, dattet beloopt twaelf in 't jaer". De dichter, 
die deze grappige klucht aan de Eglentier leverde, Willem 
DiRCKSz. Hoopt, schijnt voor haar ook eene andere, vrij on- 
stichteUjke, klucht van Doortrapte Melis de Metselaer (in 1623 
gedrukt) te hebben gemaakt. Later zou op de Academie zijn, 
reeds door ons besproken. Verloren soon worden gespeeld, 
en in 1628 zou zijne ook reeds vroeger door ons genoemde 
klucht Andrea de Pierre Peerdekooper worden vertoond op de 
Brabantsche kamer, waar ook wel, in dat zelfde jaar, zijne 
^jfde, als teekening van het volksleven niet onverdienstelijke , 
klucht van Stijve Piet, die echter allesbehalve stijf van zeden 
is, ten tooneele gevoerd zal zijn. Daarentegen werd weer op 
de Eglentier (en wel in 1631) vertoond de „Engelsche Trage- 
die: Ohemaeckien Qeck'\ door Hendrik Moor aan een Duit- 
schen roman ontleend. Het vorige jaar was van dezen ook 
feeds een stuk door de Duytsche Academie op de planken 
gebracht, en in 1635 zou nog een derde stuk van hem, Olymphia, 
ten tooneele verschijnen. 

Als leider van de Eglentier in dien tijd mogen wij waar- 
^hijnUjk den smid en ijzerhandelaar Jan Hbrmansz. Kbul 
beschouwen, die zich tegenwoordig ook in eenige bekendheid 

II S 



114 krül's herdersspelen „diana". 

buitenslands mag verheugen, daar Rembrandt van hem in 
1633 het deftige portret schilderde, dat men nu in de König- 
liche Galerie te Cassel bewonderen kan. 

In het begin van 1623 trad hij, op een-en-twintigjarigen 
leeftijd, op met „Dianaes ti'eurbly-eyndig spel op het spreeck- 
woord : Gedenckt te sterven". Het is een herdersspel, ofechoon 
de herders, die er eene hoofdrol in spelen, van vorstelijke 
afkomst zijn en alleen het herderskleed hebben aangenomen. 
Diana, naar wie het stuk heet, leeft aan het Atheensche hof 
als verbannen koningsdochter. Plorentius verleidt haar, maar 
vindt het daarna verstandiger, te dingen naar de hand van 
's konings dochter Cecilia. Deze wil echter niets van hem 
weten, omdat zij verliefd is geworden op een herder, die eigen- 
lijk geen herder is, maar de verdreven koningszoon Floriaen, 
en aan wien zij hare liefde mondeling en schriftelijk bekent. 
In een herderinnepakje vlucht zij daarop met haar geliefde, 
maar, door Plorentius achterhaald, wordt het verliefde paar 
voor den koning gebracht, die Floriaen ter dood veroordeelt. 
Hij is op het punt van onthoofd te worden, als Diana, die 
eerst bij tooverkollen en daarna bij een kluizenaar troost heeft 
gezocht, in kluizenaarspij optreedt om aan Florentius zijn^ 
ontrouw te verwijten. Niet alleen wordt deze geroerd en be- 
looft hij haar te trouwen, maar Floriaen herkent bovendien 
in Diana zijne zuster en zoo komt ten slotte alles in orde. 
Vier vertooningen en eenige liedjes moeten dienen om de 
aantrekkeUjkheid te verhoogen van een spel, dat op ons een 
kinderachtigen, onbeholpen indruk maakt en door zoutelooze 
en gerekte redeneeringen verveelt. Toch schijnt het in zijn tijd 
bewonderaars gevonden te hebben en dikwijls vertoond te zijn, 
zelfs omstreeks 1634 met een allegorisch voorspel „Liefd- 
bloeyende Offerande". 

Dit eerste herdersspel van Krul werd door verscheidene 
andere gevolgd: het eerst door Amsteldamsche Vryage (van 
1628), waarin niet minder dan zeven vrijers aan zeven vrijsters 
het hof maken, zoodat Cupido, die hier evenals in andere 
stukken van Krul in persoon optreedt, zeer ter snede tot 
Venus in een paar lamme verzen kon zeggen : „ Vrou Moeder, 
so ick sie, en na ick ken vermeen, so (dunckt my) sal ick 
hier veel pijltjes syn van doen". Hij geeft daar ook een raad- 



keul's andere herdersspelen en zijne klucht. 115 

sel op, waarvan de oplossing „de maeghdom" is, en die is 
dan ook schering en inslag in Krül's herdersspelen, welke 
in hooge mate zinnelijk zijn en den strijd om de maagdelijke 
eer telkens in woorden, ja bijna in daden op het tooneel 
brengen. Om de zeven vrijerijen van dit stuk met minder 
eentonigheid voor te stellen, dan gedaan wordt, had Krul 
meer talent moeten bezitten. 

Van talent is ook niet veel te bespeuren in de Hèlena {vs,n 
1629), wel is waar een „bly-eyndend treurspel*' genoemd, 
maar toch in zoover nauw aan de herdersspelen verwant, dat 
de aanvankelijk ongelukkige vrijer Rogier als kluizenaar in 
een bosch gaat wonen, dat er verkleedingen in voorkomen, 
zooals van de edelvrouw Elizabeth, die een nonnenkleed aan- 
trekt en een bekkeneel in de hand houdt om zich zelf te 
leeren, „dat wy niet dan stof en aschen bennen", en dat er 
ook eene tooverkol in voorkomt, die er hai*e „swarte kunst" 
in vertoont. 

Wat beter is het Meyspel Cloris en Philida (van 1631), door 
een tijdgenoot gekenmerkt als „Philidaetje met haer Cloris, 
Cloris met zijn Philida, daer het liefde na en voor is, daer 
het min is voor en na'*: een voortdurend „ghelif-laf**, zooals 
deze het noemt; maar de verzen, vooral die van de vele 
ingevoegde liedjes, zijn in dit stuk beter dan in de vorige, 
misschien omdat Krul toen blijkbaar studie had gemaakt 
van Hooft*s Granida, die er hier en daar bijna woordelijk in 
gevolgd is. Ook is in dit stuk het muzikaal-idyllische van het 
herdersspel vrij goed weergegeven ondanks menigen terugval 
van het poëtisch lieflijke in het plat alledaagsche. Langdradig 
daarentegen is de RosemovAt en Raniclia (van 1632) met menig- 
vuldige verkleedingen van Amsterdamsche jonge dochters en 
jonge heer en in boeren- en herderspakjes. Met deze herders- 
spelen heeft de Eglentier in 1632 den geest gegeven. 

Na de samensmelting met de Duytsche Academie werd 
door de nieuwe bestuurders blijkbaar meer werk gemaakt 
van de klucht, zooals wij die van Willem Dircksz. Hooft 
kennen; en om mee te kunnen blijven doen leverde Krul 
daarvan dan op het eind van 1632 ook eene proeve in zijne 
klucht van Drooghe Qooseny die wel tamelijk grof, maar toch 
niet geheel zonder verdienste is. De held van de klucht wordt 



116 krul's „treür-klacht van liefd^-bloeyende". 

daarin, terwijl hij naar Truytje Teeuwis vrijt, met behulp 
van verkleedingen, die tot qui-pro-quo*s aanleiding geven, 
door twee berooide studenten beet genomen, dermate zelfs dat 
zij hem geheel berooven van zijne mooie kleeren en van de 
kosibare geschenken, door hem voor zijn lieQe meegebracht. 
Ongetwijfeld heeft Krul met zijn verliefd, zinnelijk-senti- 
menteel temperament de richting, die op de hervormde Amster- 
damsche kamer heerschte, niet verder kunnen en willen volgen, 
evenmin als men daar zelf met hem ingenomen was. Hij 
scheidde zich af, doch juist niet in der minne, zooals o. a. 
blijkt uit een in 1634 anoniem verschenen gedicht, met eenc 
maagd die het schild van de Ëglentier voert als vignet, en 
getiteld „Treur-klacht van Liefd-Bloeyende". Wegens stijl en 
inhoud mag men het gerust aanKRULzelf toeschrijven. Daarin 
wordt gezegd, dat „de Kunst van edel reden-rijck op heden 
lijden moet het grootste ongelijck, dat haer geschieden ken'*, 
omdat „de oude vryicheyt" heeft moeten wijken voor „onvry- 
heyt", voor „redelosen dwangh", die aanhangers vindt door 
„kracht van blinden Yver", waarmee blijkbaar gedoeld wordt 
op den dwang der Regeering, die de Ëglentier met de Duyt- 
sche Academie tot ééne instelling deed samensmelten. Vroeger, 
zegt de dichter, waren de „kamer-hoofde wijs en wel geleerde 
liede, kenners van de kunst"; toen heerschte er „goe ordei 
ende wette, waer dat sich yder most ghevoeghelyck naer 
sette". ledere week kwam men toen eenmaal samen, en wie 
„yet wat stellen kost in maet van rymery, die broght op dese 
tijdt dan al syn rijmpjes by": wie het beste rijm maakte, 
kreeg een prijs. „Men sprack malkander aen in rijmen ec 
rondeel, men oeffenden om prijs ghesanghen en ghespeel", en 
dat alles in eendracht en vriendschap. Nu echter was alles 
veranderd. Nu waren het ezels, „ongeleerde loeren", die der 
baas speelden, nu heerschten er „onnutte klapperny en Godde- 
loos bedrijf, lichtvaerdigheyt, ghevloeck met laster en ghekijf 
Wet noch regel werd er in eere gehouden, en gedurende hel 
spelen was het er een janboel, want luidkeels werden er Rotter- 
dammer bier en koekjes gevent en zag men er matrozen, die 
„de plaets vol roock bliezen", zoodat menigeen het er om „de 
smoock" niet langer kon uithouden. 



STICHTING VAN KRUL's MUZIEKKAMER. 117 

Terwijl Krul op deze wijze tegen het bestuur van de Oude 
kamer te keer ging, durfde hij het ondernemen eene eigen 
kamer te stichten, waarvan hij als hoofd gehuldigd werd en 
waarin hij verwachtte, dat het herdersspel, vooral als muziek- 
drama, tot zijn recht zou komen. In Mei 1634 wijdde hij zijne 
„Musyk-kamer" in met een allegorisch spel, waarin ApoUo 
o.a. vertelt, dat „dit kunst-tooneel gesticht is om door kunst 
te leeren, hoe dat men kunst behoord met Liefd' en gunst te 
eeren: te plegen tot vermaek en eerelijke vreugd Muzijk en 
Rethorijk vermengt in alle deugd". Op het laatste, „alle deugd'*, 
werd, zooals steeds door Krul, bijzonder nadruk gelegd. Het 
algemeene gebrek „onder 't Rethorijken", namelijk „laster, 
vuyle reen, ontucht, lichtvaerdigheyd*', wil deze kunstkring 
schuwen en alzoo „rechten Yver" toonen en trachten „met 
naerstigheyd en rechte Liefd te bloeyen". 

Men ziet dus, deze muziekkamer geeft zich uit voor de 
echte vereenigde Eglentier en Duytsche Academie en nam als 
haar blazoen aan: een „afgekapten stam", waaruit weer nieuwe 
spruitjes voortkomen, en als devies het door Rodenburg uit- 
gevonden anagram van „In Liefd' bloeyende", nameUjk „Ie 
Wyft in eelen doen". Als eerste muziekspel werd daar nog in 
hetzelfde jaar het herdersspel Juliana en Claudiaen vertoond, 
^et verschillende liedjes, fluit- en vioolspel en „musyk met 
volle stemmen", die zich meermalen doet hooren, zoodat wij 
®r een soort van opera in te zien hebben, waarvan het jammer 
^s, dat wij de muziek niet kennen, omdat wij eerst dan in 
^^t zouden zijn, het geheel billijk te beoordeelen. 

Van zijn kunsttooneel zeide Krul in denzelfden tijd : „Gy 
^y*- Liefd bloeyend en je blyft in eelen doen : uw haters haet 
^8 ^nd, uw nijders nijd maer spoken, en vruchteloos zy 't 
vuvtr van uw verderven stoken", terwijl zijne kunstbroeders, 
^^ eene ode den stichter verheerlijkend, uitroepen : „Krul blijft 
ons Dichtershooft wy trotsen Nijt en Spijt: op Krul ken Nijt 
^iöt raecken". In een klinkdicht sprak Mr. Jacob Dielefsz. 
Blocjk van den „blinden yver" zijner „haters" en van den 
doox hem gekluisterden „Midas, die d' oude Maegd verschoof*. 
^^ bestaat zelfs een allegorisch spel (geteekend E. F. B., d. i. 
vermoedelijk Engelbrecht, Fonteyn, Block) met den titel „ J. H. 
^uls Sterre-faem", waarin Krul ten hemel toe verheven wordt 



118 krul's vrienden en latere tooneblstükken. 

en de Muzen worden opgewekt om zijn „goudgeel hayr, zijn 
gekrulde breyn" met lauweren te „omkrullen". 

Wie leden van die Muziekkamer zijn geweest, weten wij 
niet, maar wij zullen wel niet al te ver van de waarheid zijn, 
als wij daarvoor al die dichters houden, die lofdichten op 
Krul hebben gemaakt, en dat waren Mr. Jacob Dielbfsz. 
Block, Simon Engelbrecht, de tooneeldichters Jan Schipper 
en Jan van Arp, die onder vele andere tooneelstukken ook 
in 1639 als vervolg op Krul's „Klucht van Drooghe Goosen" 
een „Singende klucht van Droncke Qoosen" schreef, drie 
zoons van Dr. Johan Ponteyn, namelijk Barend, Nicolaes 
en Anthoni Fonteyn, en verder nog Claes Sbep en Cornelis 
Vlack, van welks beide laatsten ons eenige versjes uit lied- 
boekjes bekend zijn. 

Hoe lang Krul's muziekkamer bestaan heeft en wat er 
verder ten gehoore gebracht is in die vereeniging tot beoefe- 
ning van vocale en dramatische kunst, weten wij niet, maar 
het schijnt voor Krul op eene teleurstelling uitgeloopen te 
zijn. Zijne vijanden, die hem spottend „Jantje met zijn krullen" 
noemden, bleven hem tot aan zijn dood (in 1646) „met een 
doodelijke haat" vervolgen, „zeggende dat van hem niets goeds 
komen kon", zooals Simon Engelbrecht vermeldt als hij in 1647 
zijn nagelaten blij-eindend treurspel Tirannige Liefde uitgeeft, dat 
door hem uit het Fransch vertaald was, eerst in proza en later 
in verzen. 

Toch ging Krul onvermoeid voort met schrijven van 
tooneelstukken, hetgeen hem, zooals hij zeide, „tot steun was, 
zoo wanneer de ongunst van 't geluk hem 't noodlot op den 
hals drong", waarbij wij wel aan verliezen in zijn ijzerhandel 
zullen moeten denken. Het waren weder meest herdersspelen, 
namelijk „'t Vonnis van Paria en d' ontschaeckinghe van 
Helena" (van 1637), Fauatina (van 1639), waarin wij een koning, 
zij het ook maar voor korten tijd, van den troon zien aftreden 
om herder te worden ter wille van de herderin Faustina, en 
drie spelen, waarvan hij de stof ontleende aan het eerste 
deel van den destijds zooveel gelezen roman van Honoré d' 
Urfé, de „Astree". Het tiende boek leverde hem den inhoud 
voor zijn Celion en Bellinde, in 1639 uitgegeven evenals de 
Alcip en Amarillis, uit het tweede boek* geput, maar vermeer- 



krul's leerdichten; „pampierb wereld". 119 

derd met eeu comisch tusschenspel van een Jonker en eene 
Juffer, waarin het werkwoord „amare" geconjugeerd wordt. 
Het derde spel, waarvan hij den inhoud aan de „Astree" te 
danken had, Bcmlion en Roaanierej dagteekent van 1641. 
Bovendien maakte Krul nog enkele treurspelen, zooals 
Theodorus en Dianira (van 1634) en de Hellevdert van RodoTnond 
(van 1645), bewerkt naar de laatste zangen van Ariosto's 
„Orlando furioso''. 

Wat men ook van Krul moge zeggen, zeker is het, dat het 
rijmen hem gemakkelijk afging, want tot het tooneeldicht be- 
paalde hij zich niet. Ook in andere dichtvakken heeft hij vrij wat 
geleverd, het meest op didactisch gebied. In 1627 gaf hij zijn 
leerdicht WereUU-liatende Noodtsaeckelijck uit, vooï welks inhoud 
hij in kantteekeningen naar den bijbel en ook naar verschil- 
lende kerkvaders verwees, waaruit wij, maar nog meer uit de 
opmerking, dat voor onze kleine fouten bij de biecht vergiffe- 
nis te verwerven is, kunnen opmaken, dat hij katholiek was, 
zooals ook door enkele uitlatingen over het nut van het vasten 
in zijne latere werken wordt bevestigd. Dat verhinderde hem 
niet, groote bewondering te gevoelen voor Cats, dien hij reeds 
hier volgde, maar wiens dichttrant hij zich spoedig zoozeer 
eigen maakte, dat zijne volgende leerdichten: „Sellef-strijdt 
tusschen Porphyrus en Rozette" en „Korte spoor der billic- 
heden", beide in zijne „Vermakelycke Uyren" (van 1628) ge- 
drukt, zijn „Minne-Spiegel" en „Weghwyser ter Deughden" 
(beide van 1639) en zijne „Christelijcke Offerande" (van 1640) 
nauwelijks van de leerdichten van Cats te onderscheiden zijn, 
of het moest wezen doordat zij de daarin hinderlijke gebreken 
nog in hoogere mate vertoonen en de deugden er van in min- 
dere mate bezitten. 

In 1644 gaf Krul zijne latere leerdichten nog eens weer 
uit in den grooten bundel, die ook negen van zijne tooneel- 
stukken bevat en den titel heeft van Pampiere Wereld. Terecht 
wordt die bundel „door hem verbetert en met veel nieuwe 
Rijmen verrijckt, doorgaens met schoone kopere platen ver- 
ciert" genoemd: althans de leerdichten, die daar twee deelen 
innemen van de vier, waarin het werk verdeeld is, zijn ver- 
meerderd met verscheidene kleinere stukken, zooals bv. eene 
berijmde heiligenlegende, „het leven van Theodora, zondersse 



120 krul's minnebeelden en minnezangen. 

van Alexandrije", en grootere gedichten, namelijk „De Chris- 
telyke hoveling" met eene fraaie, vroeger aan Rembrandt toe- 
geschreven, ets van Ferdinand Bol, en verscheidene „Historiën'*, 
die duidelijk navolging verraden van de kort te voren uitge- 
geven liefdesverhalen uit Cats' „Trouringh". Daarbij sluiten 
zich ook verscheidene ,. Minnebeelden" aan, die ten deele reeds 
in 1628 verschenen waren onder den titel „Het A. B. C. der 
Minnen" , een bundel van niet geheel onverdienstelijke emble- 
mata, waarbij invloed zoowel van Heinsius als van Cats duide- 
lijk te bemerken is. Uitdrukkelijk roemt Krul dan ook „Heyns 
geleertheyd", maar nergens vond hij „meer vermaeck", zooals 
hij zegt, „als in de wyse boecken, die een geleerde Catshaelt 
uji; de Zeeuwsche hoecken." Niet minder dan deze beiden 
prijst hij „Vondel's philosopheeren" en „Huygens gheest en 
styl van rymerye", ofschoon het hem blijkbaar niet mogelijk 
is geweest, deze na te volgen. Wèl heeft hij dat met Hooft 
beproefd, ja men heeft Krul om zijne „Minnelycke Sang- 
Rympjes en Minnepopjens", die het vierde deel van de „Pam- 
piere Wereld" uitmaken, maar gi'ootendeels reeds in 1627 (in 
den bundel „Amstelsche Linde ofte 't Hof der Nimphen"), in 
1634 en in 1639 waren uitgegeven, met Hooft durven ver- 
gelijken. Om beiden in één adem te noemen moet men echter 
óf Hooft te laag stellen öf even blind ingenomen met Krul 
zijn, als zijne vrienden dat waren. Wel kan men toegeven, dat 
Krul in het pastorale minnelied zich zelf overtrof, zoodat hij 
— vooral door zijn muzikaal gevoel — in staat was wellui- 
dende en inderdaad nog altijd genietbare liedjes te schrijven 
voor de vele Amsterdamsche en VoUenhoofsche schoenen, die 
zijn hart in vuur en vlam zetten, al schijnt hij ook niet bijzon- 
der gelukkig in de liefde geweest te zijn ; wèl heeft hij daarin 
dikwijls op gelukkige wijze de schoone natuur dienstbaar weten 
te maken om hem beelden of motieven voor zijne liefdesont- 
boezemingen te leenen; maar heeft men één-, twee-, driemaal 
de leliën en rozen in zijne liedjes zien bloeien en blozen, de 
rozenblaadjes zien rondstrooien en de rozegeur geroken, dan 
is men ook voldaan en ziet men naar iets anders uit. . . . doch 
te vergeefs. En zulk een minnedichter zou te vergelijken zijn 
bij Hoopt, bij wien in schier ieder liedje eene nieuwe gedachte 
opbloeit ! 



KRÜl's vrienden rodenburg EIJ^ NICOLAES FONTBYN. 121 

Ondanks de groote menigte gedichten , die Krul in een 
betrekkelijk kort leven gemaakt heeft en niettegenstaande zijn 
geest altijd spelevaart in de sferen der verbeelding , is hij arm 
aan vinding en blijft hij, zooals hij zich zelf met, zeker niet 
gemeende, nederigheid noemt, „eengering navolger der Poëten, 
van Cats in de eerste plaats, maar bovendien ook van den 
man, die vóór hem in de Eglentier zulk eene groote rol had 
gespeeld , van Rodenburg. Dezen riep hij in een bewonderend 
lofdicht toe: „Wat zyn u veersen dicht ghepropt met stijl 
van seggen!" Aan dezen „Bataefschen Apollo'* bood hij in 
1638 met zijne eerbiedige hulde ook zijne diensten aan: „Kan 
ick u dienstigh zijn? ghy hebt maer te gebieden: 't ghebie- 
den komt u toe en my 't volbrenghen past". Rodenburg be- 
antwoordde die hulde met een vriendelijk gedicht, waarin 
hij hem zijn vriend en gildebroeder noemde, en maakte ge- 
bruik van zijn aanbod, door hem op te dragen zijne „Geboorte 
Christi'* met nog twee andere stichtelijke gedichten uit te geven, 
zooals hij in 1639 ook heeft gedaan. Het blazoen van de toen 
reeds overleden Eglentier liet Krul er achter plaatsen. Door 
zijne onwankelbare liefde bloeide die kamer in zijne ver- 
beelding toen nog altijd. 

Onder Krül's vrienden noemden wij ook de gebroeders 
Nicolaes en Barend Fontbyn, zoons van Dr. Johan Fon- 
TEYN, die zich voor afstammeling hield van een bastaardzoon 
van Graaf Floris V. Beiden waren geachte geneesheeren , 
evenals hun vader. De eerste, in 1631 te Rheims gepromo- 
veerd, te Amsterdam een tijd lang dokter in het Weeshuis en 
inspecteur van het Collegium medicum, en later (o.a. in 1644) 
lijfarts van den Keulschen aartsbisschop Ferdinand van Beieren, 
heeft, behalve een reeds genoemd gelegenheidsstuk, drie tame- 
hjk ouderwetsche spelen gemaakt, namelijk „Costa ofte Spieghel 
der kuysheyd" in 1637, en „Estlur ofte 't Beeldt der Ghe- 
hoorsaamheid", en AristobulvSy dat het vijfde gebod, het „eert 
^wen vader en uwe moeder", in dialoogvorm herhaalt, beide 
in 1638. 

Barend Fonteyn, zijn oudere broeder, die in 1625 te Padua 
promoveerde, schreef meer stukken van minder stichtelijk 
karakter, 't Was zelfs eene „zingende klucht'*, waarmee hij in 
1633 debuteerde, Mr. Sullerruma Soeie Vriage, „wel eer by de 



122 BAREND PONTEYN. 

Engelsche ghe vonden (in 't Engelsch onder den titel „The 
black man'Vi nii op ons loffelijck toneel nagebootst", wat het 
eigenlijk niet verdiende, omdat het een meer grove dan 
geestige verkleedingsgrap is, maar minder oneerbaar, dan tot 's 
dichters groote ergernis „fel-stekende adderstongen" beweerden. 
Nog in hetzelfde jaar vertaalde hij (misschien door bemiddeling 
van het Engelsch) Niccolo Secchi's blijspel „Gringanni'* onder 
den titel Tranquilli de Mont, een „droef-bly-ejmident speP* met 
vele vermommingen en verwikkelingen, spelend in eene corti- 
sanen wereld, maar eerbaar bekroond door een dubbel huwelijk, 
van Tranquilli's zoon Fortunatus met Portia en van zijne dochter 
Genura met Portia's broeder Gostanso, de beide kinderen van 
een Venetiaansch edelman. Den inhoud van twee stukken 
ontleende Barend Pontbyn in 1643 aan het bekende volksboek 
Fortunatus Beurs en Wenschhoed, en eindelijk maakte hij in 1644 
een herdersspel Romilius en Pelagiay waarin twee Romeinsche 
edellieden, Romilius en zijn vriend Arnulphus, zich in een 
herderspak steken om den eerste in de gelegenheid te stellen, 
het hart der herderin Pelagia te veroveren, wat hem ook gelukt, 
terwijl de tweede onder de vrijende en liedjes zingende herders 
en herderinnen het zijne aan Galathea verliest. Evenmin als 
in de herdersspelen van Krul ontbreekt ook hier een klui- 
zenaar en eene tooveres, die den bijbelschen naam Debora 
draagt. Barend Fontkyn bracht het verder dan Krul, want 
hij werd in 1642 tot schouwburgregent benoemd en bleef dat 
tot 1645, d. i, vermoedelijk tot zijn dood, want overleden 
was hij reeds in 1649, loen zijn broeder Anthoni een 
uitgebreid nagelaten gedicht „'t Lof der Rym-konst" van 
hem uitgaf. Ook hij bleef levenslang gelooven aan het voort- 
bestaan der Oude kamer „In Liefd' bloeyende", die hij in 
den Schouwburg als herleefd zag. 

XXIX. 

Stichting en inwijding van den Amsterdamschen Schouwburg. 

Ondanks de afscheiding van Krul en de zijnen bloeide de 
Amsterdamsche kamer onder het bestuur van Willem Dircksz. 
Hooft , Mr. Steven Jacobsz. Vennekool, Heereman Dircksz. 

COORENKIND, JoHAN MeURS CU MeyNDERT VoSKÜYL. Dat 



STICHTING EN INRICHTING VAN DEN SCHOUWBURG. 123 

deze toen de hoofden der Kamer waren, blijkt uit de op- 
dracht van het tooneelspel ,,Kuyssche Roelandyne" in 1635, 
door VosKüYL aan de vier anderen als zijne „confraters*'. 
Opmerkelijk is het, dat ook zij nog herhaaldelijk de hulp van 
Rodenburg inriepen, die toen te Brussel woonde. 

De bloei der Kamer blijkt uit den grooten toeloop, dien 
hare voorstellingen vonden, zoodat al zeer spoedig het, ook 
reeds eenigszins bouwvallige, houten gebouw , dat Coster inder- 
tijd met groote overhaasting als Duytsche Academie had laten 
plaatsen, te klein bleek en de behoefte aan een grooter, een 
steenen, gebouw zich deed gevoelen. Om daaraan te kunnen 
voldoen werd een stuk gronds, aan de Academie belendende, 
aangekocht en aan Nicolaes van Campen, die zoowel raads- 
heer als regent van het Weeshuis was, opgedragen, het plan 
voor een Schouwburg te ontwerpen. Spoedig was hij daarmee 
gereed, de oude Academie werd gesloopt en, terwijl nu op 
de Schermschool boven de kleine Vleeschhal de voorstellingen 
plaats hadden, werd de Amsterdamsche Schouwburg op het 
vergroote terrein der Academie aan de Keizersgracht opge- 
trokken. Reeds op het eind van 1637 was de bouw voltooid. 

Over de inrichting van een zoo beroemd gebouw als de 
Amsterdamsche Schouwburg geworden is mogen wij hier niet 
zwijgen. Aan de Keizersgracht voerde eene poort met Ionische 
pilasters naar een voorplein. Op de architraaf van die poort 
las men in gouden letters Vondel's bekend distichon: „De 
weereld is een speeltooneel, Elck speelt zijn rol en krijght 
zijn deel." Aan het eind van het voorplein was het eigenlijke 
schouwburggebouw. De deur er van stond midden in eene 
galerij met een paneel, waarop de „waerschouwing" van Von- 
del te lezen was: „Geen kint den Schouburgh lastigh zy. 
Tobackspijp, bierkan, snbepery, noch geenerlei baldadigheit : 
Wie anders doet, wort uitgeleit." Overbodig was deze, waar- 
schijnhjk eerst wat later aangebrachte, waarschuwing niet, 
want het was, zooals wij reeds zagen, in de Oude kamer soms 
ruw toegegaan, en ook in den Schouwburg kostte het moeite, 
de toeschouwers fatsoenlijk te houden. Baldadigheden, vooral 
bestaande in schreeuwen en werpen met sinaasappelschillen, 
notendoppen en soms nog erger, kwamen althans nu en dan 
voor; maar aan het verbod van „bierkan en snoepery'' heeft 



124 INRICHTING YAN DEN SCHOUWBUKG. 

men blijkbaar de hand niet kunnen houden, want in 1696 
verboden burgemeesteren wel het verkoopen van chocolade, 
confituren en likeuren, maar veroorloofden zij den kastelein 
„bier en oranjeappelen te verzorgen, gelijk van ouds gebruy- 
kelijk is geweest", zooals zij zelf zeggen. 

De schouwburgdeur doorgegaan, kwam men in een ruim 
portaal onder de hoofdenkamer, van waaruit de hoofden of 
regenten met eene trap naar de kamer der tooneelspelers be- 
neden kouden komen. Voor den schoorsteen van die kamer 
schreef Vondel: „Hetzy ghy speelt voor stom of spreeckt, let 
altijt in wat kleet ghy steeckt", terwijl van hem voor den 
schoorsteen in de regentenkamer deze regels prijkten: „Ge- 
zegent is dat lant, daar 't kint zijn moer verbrant". Van het 
portaal kwam men ter zijde in „het ruim", tegenwoordig 
„parterre" geheeten, waar alleen staanplaatsen waren. Daar- 
omheen had men tweehoog „huisjes" of loges, eenentwintig 
in getal, want de plaats van het twee-en-twintigste werd in- 
genomen door de deur, waarmee men in „het ruim" kwam. 
Aanvankelijk hadden die loges schuifgordijntjes, waardoor men, 
zelf verborgen, kon heengluren ; maar daar er in die „huisjes" 
allerlei onstichtelijkheden plaats hadden, werden de gordijntjes 
na eenige jaren weer afgeschaft. Boven de loges was eene 
galerij met vier oploopende banken. Op de architraaf boven 
de loges las men Vondel's naast elkaar geplaatste verzen: 

„Tooneelspel quam in 't licht tot leerzaem t^dverdryf. 
Het w\jckt geen ander spel noch koningkiycke vonden. 
Het bootst de weereld na, het kittelt ziel en l\jf, 
£n prickeltze tot vreughd of slaet ons zoete wonden. 
Het toont in kleen begrip al 'smenschen ydelheid. 
Daer Demokryt om lacht, daer Heraklyt om schreit". 

Op de balken aan de zoldering, waarvan eene koperen 
kerkkroon met kaarsen afhing, had Vondel geschreven: „De 
byen storten hier het eelste dat ze leezen, om d' oude stock 
te voen en ouderlooze weezen", en: „Het spel heeft oock zijn 
tijd, wanneer *t de tijd gehengt: 't Vermaeckelijck en 't nut 
word hier van pas gemengt". 

Het tooneel bestond uit twee gedeelten: het voor- en het 
achtertooneel, van elkaar gescheiden door een gordijn met de 
stadskleuren (rood, wit en zwart;, dat opengeschoven kon 



INRICHTING VAN HET TOONEEL. 125 

worden en bij het spelen van een treurspel meestal open was, 
behalve wanneer er eene ,, vertooning" in gereedheid gebracht 
moest worden. Intusschen kon dan het stuk — of een comisch 
intermezzo — op het voortooneel verder gespeeld worden. 
Kluchten zullen wel altijd alleen dadr, met gesloten gordijn, 
gespeeld zijn. Dat weinig diepe voortooneel had aan beide 
zijden een steenen muur met gevangenisdeur, daarboven eene 
nis met een beeld (zinnebeeld van wees- en oude-mannenhuis) 
en d&arboven een tralievenster. Achter de deur links van de 
toeschouwers zaten de muzikanten: dus evenzoo voor het 
publiek verborgen als de „boekhouder" of souffleur, die achter 
de dear rechts van de toeschouwers schijnt gezeten te hebben. 
Het souffleursbakje kon dus het publiek niet hinderen. 

Het achtertooneel vertoonde op den achtergrond een over- 
dekten troon, geflankeerd door de beelden van ApoUo en 
Mercurius in nissen. Boven den troon was Paris' oordeel ge- 
schilderd en daarnaast zag men in nissen de beelden van 
Melpomene en Thalia, de Muzen van treur- en blijspel. Aan 
weerszijden van den troon verbond eene op pilaren rustende 
galerij den achtergrond met het voortooneel. Wie vandaaraf 
sprak, moest men zich voorstellen als van een balcon of een 
torentrans af te spreken, al naar gelang het stuk dat ver- 
eischte. Ook voor de architraven van die galerijen had 
Vondel een distichon gemaakt, namelijk: 

„Twee vaten heeft Jup\jn. Hy schenckt nu zuur, nu zoet, 
Of matight weelde en vreught met drack en tegenspoet". 

Het tooneel was dus gebouwd met vast decoratief, zooals 
ook de Eglentier en de Academie gehad hadden. Eene min of 
Dieer bedrieglijke nabootsing door het penseel van de omgeving, 
waarin de handeling geacht moest worden plaats te hebben, 
werd toen nog niet verlangd. Een groot dichter ajs Vondel 
wist die omgeving wel zóó levendig met woorden af te schil- 
deren, dat men het penseelwerk missen kon, en overigens 
deed het er gewoonlijk weinig toe, hoe bosch, tuin, straat of 
kamer er uitzagen, als het publiek maar wist, dat de hande- 
ling in bosch, tuin, straat of kamer plaats had. Dat kon ge- 
Daakkelijk gezegd worden of door het een of ander worden 
^geduid. Werkelijke graszoden, boomen of boomtakken 
werden al in het eerste jaar na de stichting van den Schouw- 



126 decoratie; toonbelspelees. 

burg op 't tooneel geplaatst, om bosch of tuin te verbeelden. 

Aan machinerieën ontbrak het reeds van den aanvang af 
niet geheel; er waren twee zinkluiken om de spoken en 
geesten, die zoo dikwijls eene rol speelden, te laten „opdonde- 
ren" of verdwijnen, en een „stralend zwerk" voor de apotheose 
of het neerdalen van goden. Nu en dan maakte men ook wel 
van zijschermen gebruik en aan de ingevoegde „vertooningen" 
werd, ook met hulp van schilders, al sinds lang groote zorg 
besteed evenals aan de costumes, die soms prachtig waren; 
want de Schouwburg bezat „allerley toestel en maecksel van 
uytheemsche en hedendaaghsche kleedinghe, waartoe ver- 
scheyde kameren waren, daar rondtom dit ghewaat ophing 
aan houte pennen of in doozen en kofferen bewaard werd", 
zooals Fokkens zegt. Ook waren er twee „persooneerkamers" of 
kleedkamers voor mannen en vrouwen afzonderlijk, ofschoon 
het nog bijna twintig jaar dm*en moest vóór ook vrouwen aan 
den Schouwburg verbonden werden. Aanvankelijk werden de 
vrouwenrollen nog door mannen vervuld, evenals op de Eglen- 
tier en de Academie. Dat lag in den aard der zaak, altraden 
in Italië en Frankrijk en zelfs in ons land bij reizende too- 
neelgezelschappen vrouwen ook al lang ten tooneele. 

Onze Schouwburg echter was ontstaan uit de rederijkers- 
kamers, waarvan altijd alleen mannen Ud waren geweest. Zoo- 
lang die kamers godsdienstige instellingen geweest waren, 
hadden de leden zelf de rollen op zich genomen, doch na de 
vestiging van het Protestantisme was dat anders geworden. 
Het spelen van rollen was nu geene godsdienstige handeling 
meer, de verplichting om te spelen begon menig lid der 
kamers zwaar te drukken en allengs was, reeds in de Eglentier 
en op de Academie, plaatsvervanging toegelaten. Men begon 
tooneelspelers te huren en ten slotte — ongetwijfeld reeds in 
den tijd der stichting van den Schouwburg — werden alle 
spelers betaald voor het vervullen van eene rol, en wel niet 
meer door de leden persoonlijk, maar uit de algemeene schouw- 
burgkas, dus uit de kas van Burgerweeshuis en Oude-mannen- 
huis. De Schouwburg was dan ook al niet meer eene vereeni- 
ging met leden, maar was eene onderneming van de beide 
godshuizen geworden. Aan den vroegeren toestand echter her- 
inilerde nog lang de gewoonte om de tooneelspelers, de drie 



EERSTE SCHOUWBÜEGEEGENTEN EN VONDEL'S „SOPOMPANEAS'*. 127 

of vier zangers, die o. a. de koren in de treurspelen zongen, 
en eenige balletdansers per avond (en wel goed) te betalen en 
ze niet voor een geheel saizoen aan te nemen. Zij waren ook 
meestal niet uitsluitend tooneelspelers van beroep, maar voor- 
zagen overdag nog door ambacht of nering verder in hun 
onderhoud. Tweemaal per week, Maandags en Donderdags, 
werd er gespeeld, en in den herfst, waarin de kermis viel, ook 
wel Zaterdags. De voorstellingen begonnen reeds te vier uur. 

Tot hoofden van den Schouwburg werden door Burgemees- 
teren (meestal op voordracht der regenten van de beide Gods- 
huizen) zes regenten benoemd. Drie van de reeds door ons 
vermelde hoofden der Oude kamer werden voor hetspeeljaar 
Sept. 1637 — Sept. 1638 aangesteld, namelijk Willem Dircksz, 
Hoopt, Mr. Steven Jacobsz. Vennekool en Heereman Dircksz. 
CooRENKXND, maar ook van Krul's vrienden werden er twee 
benoemd, namelijk Mr. Jacob Dielefsz. Block en Simon 
Dmgelbrecht, en deze noodigden nu Vondel uit om het 
inwijdingsspel te maken. 

Sedert twaalf jaar had hij geen tooneelstuk geschreven ; alleen 
had hij aan de vertalingen, die hij van twee treurspelen van 
Seneca geleverd had, in 1635 nog eene derde vertaling toege- 
voegd en wel van Hugo de Groot's „Sofompaneaa of Joseph 
in'tHof', onmiddellijk nadat dit Latijnsche treurspel het licht 
had gezien. Daniël Most art en Jgan Vechters of Victorun 
hadden hem daarbij met hunne taalkennis geholpen. De lof, 
inet zijne vertaling ingeoogst van De Groot zelf, die aan Vos- 
sius schreef, dat hij aan Vondel „groote dank schuldig was, 
omdat deze, die uit zich zelven beeter dingen kon voortbren- 
gen, nu in 't vertaaien van de sijne, tot blijk van vriendtschap, 
zijnen arbeidt besteed en sijn stuk met zeer gelukkige handt 
^ 't HoUandsch kleedt gestoken had", was hem zeker een 
spoorslag geweest om nu weer eens te toonen, wat hij als 
oorspronkelijk treurspeldichter vermocht. Hij schreef toen het 
löeest bekende van al zijne werken, zijn „Qyshreghtvan Aemstel, 
d' ondergang van zijn stad en zijn ballingschap", opgedragen 
aan Hugo de Groot , „den godvruchtigen en dapperen balling". 

Als inwijdingsdatum van den Schouwburg was 26 December 
1637 vastgesteld, maar onverwacht voor den dichter kwam er 
^n kink in den kabel. Onder de nieuwe regenten was het 



128 VERZET TEGEN DE INWIJDING VAN DEN SCHOUWBURG. 

stuk niet met onverdeelde ingenomenheid begroet. Simon 
Engelbrscht verzette zich tegen de vertooning en was zoo 
onverstandig den kerkeraad, die toch reeds met leede oogen 
de stichting van den Schouwburg had gezien en van ouds 
op Vondel gebeten was, tegen het stuk gaande te maken. De 
kerkeraad nu vaardigde Ds. Laurentius en den ouderling 
Olaes Jansz. Visscher naar Burgemeesteren af, om er bij hen 
op aan te dringen, dat het treurspel niet zou worden gespeeld. 

Wat was namelijk het geval? Vondel had met het oog op 
den datum der opvoering de handeling geplaatst in den Kerst- 
nacht, waarin alle Amsterdammers „ter kercke gaen op 't hooge 
feest", en dan te midden van de kerstviering de stad door 
den vijand laten overrompelen, zoodat in één slag „de Kers- 
nacht in stucken lagh". Op zijne gewone schilderende manier 
had hij de Nieuwe kerk in feestgewaad beschreven met al de 
heilige voorwerpen, dd&r bewaard, en door twee reien had hij 
kerstliederen laten aanheffen; maar — want het stuk speelde 
in het begin der veertiende eeuw — die kerk was eene katho- 
lieke kerk, „ons hooflkerck, rijck gebouwt ter eere van Katrijn", 
met „het Marianum, dat te pronck hing van 't gewelf' en al 
den verderen praal, waarop de katholieke eeredienst prijs stelt 
en waarover Pontanus en Plemp hem hadden ingelicht; en 
een der reien werd aangeheven door Klaerissen, wier klooster 
overvallen wordt, nadat Bisschop Gozewijn zich daar den mijter 
had laten opzetten en zich in vol ornaat had laten kleeden, 
om als bisschop te sterven. Zoo herinnerde, en herinnert nog, 
het treurspel aan de godsdienstige spelen der middeleeuwen 
en kon het min of meer den indruk maken van een gemo- 
derniseerd mysteriespel. 

Die verfoeide beeldendienst nu, dien men uit Amsterdam 
gebannen had, althans alleen in het verborgene oogluikend 
toeliet, zou nu openlijk op het tooneel worden vertoond en 
verheerlijkt vanwege Protestantsche godshuizen en onder be- 
scherming der Amsterdamsche Regeering! Dat kon Simon 
ëngelbrecht, dat kon de kerkeraad niet dulden. Zij klaagden 
over „de superstitiën van de paperye als misse ende andere 
ceremoniën", die ten tooneele zouden komen, en twijfelden er 
aan, of „hetgene soude moge passeeren wel meer soude strecken 
tot bespottinge van het pausdom als tot onteeringe van de 



DK INWIJDING HEEFT TOCH PLAATS. 129 

Christelycke religie", zooals de voorzittende burgemeester Dr. 
Gerard Schaep aan de afgevaardigden van den kerkeraad 
deed opmerken. Zij meenden integendeel, dat het stuk „teene- 
mael daerop liep om het pausdom smakelyck 'te maecken." 
Evenmin konden zij de juistheid gevoelen van Vondbl's eigen 
verdediging, dat men in een middeleeuwsch stuk toch wel 
geene andere dan middeleeuwsche godsdienstplechtigheden kon 
vertoonen, want vooreerst zagen de tooneeldichters van dien 
tijd niet op tegen de grofste anachronismen, waaraan men 
eerst veel later langzamerhand aanstoot is gaan nemen, en 
Vondel zelf onthield zich daarvan in dit stuk ook verder niet 
geheel; maar bovendien had de ondergang van Amsterdam 
ook wel kunnen vertoond worden zonder al die „paperij". 

Van hun standpunt hadden de predikanten destijds niet 
zoo groot ongelijk, als zij nu zouden hebben, wanneer zij weer 
met dezelfde bezwaren voor den dag kwamen ; maar de Amster- 
damsche Regeering was nu eenmaal niet geneigd den vinger 
te geven aan de geestelijke heeren, die dan zoo gaarne de 
geheele hand zouden genomen hebben. Zij liet ook eene tweede 
bezending van den kerkeraad vertrekken, haar „cleyne hope 
gevende", en al werd de opening van den Schouwburg ook 
eenige dagen uitgesteld, om de Protestantsche kerstvreugde 
niet te verstoren door de Katholieke kerstviering op het tooneel, 
de inwijding van den Schouwburg mocht toch met Vondel's 
„Gysbreght" plaats hebben, maar nu den 3en Januari 1638. 
SiMON Engelbrecht had zijn pleit verloren en trad als schouw- 
burgregent af, althans in het volgende speeljaar was hij geen 
regent meer, hoewel hij in later tijd nog een paar maal in 
het regentencollege zitting heeft gehad; en nu nog leeft de 
herinnering aan zijne poging om de „Gysbreght" van het 
tooneel af te houden voort in de volgende woordspelende 
schimpregels, door Vondel op hem, den Akenaar van geboorte, 
gemaakt: „Wie wroet den Amstels Schouwburg om? een 
Akervarken, bot en dom". 

Omdat ieder volk gaarne de daden zijner voorouders ziet 
vertoonen, koos Vondel voor zijn inwijdingsstuk een onder- 
werp uit de geschiedenis van Amsterdam, namelijk de inne- 
ming van die stad in 1304. Het feit zelf vond hij weliswaar 
slechts met enkele woorden, en dan nog zelfs onjuist, door 
II 9 



130 DK BRONNEN VAN VONDEL's „GYSBREGHT". 

de oude geschiedschrijvers aangestipt, maar voor de vele kleine 
historische bijzonderheden, waarmee hij dat hoofdfeit vinding- 
rijk aankleedde en tot een historisch-romantisch tafereel vol 
werkelijkheid en beweging wist te maken, gebruikte hij met 
veel talent van samenstelling als bronnen de door den Dordte- 
naar Wouter van Gouthoeven in 1620 omgewerkte „Divisie- 
kroniek" en Dousa's uitgave van Stoke's Rijmkroniek. Zooals 
hij reeds bij zijn „Palamedes" had gedaan, voegde hij ook 
nu geheele stukken uit de Latijnsche poëzie bijeen als bouw- 
steenen, waarmee hij gedeeltelijk zijn dichtwerk opbouwde. 
Ditmaal deed hij dat zelfs in het groot, want zijn treurspel 
kan bijna eene dramatiseering van het tweede boek van Vir- 
gilius' Aeneis genoemd worden, zoodat hij in zijn voorspel 
met recht kon zeggen, dat in het stuk „'taeloude Troje wert 
herboren en te gronde ging in 't gloeiende Amsterdam". In 
dat voorspel gaf hij ook duidelijk op, met welke personen 
uit Virgilius* heldendicht de personen van zijn treurspel 
overeenkwamen. Blijkbaar rekende hij het zich tot eene niet 
geringe verdienste, dat hij daarin naar het oordeel zijner tijd- 
genooten zoo goed was geslaagd; en ook het nageslacht, al 
zou het misschien hooger lof aan eene geheel zelfstandige 
behandeling van het onderwerp hebben toegezwaaid, kan niet 
nalaten het ongewoon vernuft te bewonderen, waarmee Vondel 
de beschrijving van Troje's ondergang met slechts geringe 
wijzigingen op de inneming van het middeleeuwsche Amsterdam 
heeft weten toe te passen. 

De bezwaren, die men bij de tegenwoordige eischen der 
dramaturgie zou ontmoeten, indien men nu een episch ver- 
haal tot een drama zou willen omwerken — wat trouwens 
nog telkens wordt gedaan — behoefden voor Vondel niet te 
bestaan, daar hij en zijne tijdgenooten uitvoerig schilderende 
verhalen in een tooneelstuk als sieraden beschouwden en 
verreweg de meeste tooneelstukken uit dien tijd gedramati- 
seerde geschiedverhalen of novellen waren. Wie ze daarom 
afkeurt, toont slechts zijne eigen bekrompenheid, die hem 
verbiedt een stap te doen buiten het enge gezichtskringetje 
van zijn eigen tijd. Door „den schoenen brand van Troje t' 
Amsterdam in het gezicht zijner ingezetenen te stichten na 
het voorbeeld des goddelijcken Mantuaens" was Vondel wel 



INHOUD VAN VONDKL's „GYSBREQHT". 131 

gedwongen een anachronisme te begaan en het in 1304 nog 
zeer onaanzienlijke Amsterdam te maken tot eene „groote 
aeloude stad, vermaert in oorelogen, zoo scheeprijck en voor 
wie zich zee en stroomen bogen, den vreemde en nagebuur 
en rijcken tot ontzagh". Hij stelde in zijn stuk de stad voor, 
zooals Oornelis Anthonisz. haar in 1544 in kaart bracht vóór 
de vergrootingen , die Vondel zelf had beleefd , maar met de 
ook toen reeds geslechte burcht der heeren van Aemstel, 
door hem aan de Oude Zijde, dicht bij Schreihoek, geplaatst. 
Bij het begin van het spel treffen wij Gysbreght met zijne 
krijgslieden aan buiten de Haarlemmerpoort, om zich te 
vergewissen van de juistheid der bijna ongelooflijke tijding, 
dat de vijanden , die onder aanvoering van Willem van 
Egmond een jaar lang zijne „benaeuwde vesten" belegerd 
hadden, op eens „zonder slagh of stoot" waren afgetrokken. 
Zoo toonde dan toch de hemel eindelijk zich rechtvaardig 
ten opzichte van hem, die altijd onschuldig had moeten 
boeten voor het kwaad van anderen, want van allen, die aan 
de samenzwering tegen Graaf Floris hadden deelgenomen, 
was hij de eenige geweest, die het recht zijn loop had willen 
laten door den Graaf voor eene wettige rechtbank te brengen, 
en die dus den haat, waarmee men hem vervolgde, allerminst 
verdiende, zooals hij in eene lange alleenspraak welsprekend 
vertelt. Willebrord, de vader van het even buiten Amsterdam 
gelegen Karthuizerklooster, waarin Egmond 's hoofdkwartier 
gevestigd was geweest, komt hem nu mededeelen, dat het 
loos gerucht van een uitval der stedelingen op het oogenblik, 
waarop de vijandelijke aanvoerders hoogloopenden twist hadden, 
eene paniek had veroorzaakt: eene mededeeling die bevestigd 
wordt door Vosmeer, half weggezonken in den drassigen 
grond aangetroffen door Gysbreght's broeder Arent, die den 
vluchtenden vijand tot „ontrent een booghscheut weeghs 
aen geen zy Slooterdijck" had vervolgd. Vosmeer had behoord 
tot de vijandelijke krijgso versten: hij had het plan beraamd 
om de stad te overrompelen door de stadsgracht af te dammen 
met rijs, waarmee een schip, „'t Zeepaert", vol geladen dicht 
bij de poort lag; maar het noodlot, dat hem, het ongelukkig 
Öooierskind, altijd had vervolgd, had hem ook nu niet ge- 
spaard. In twist geraakt met de aanvoerders, werd hij in de 



132 INHOUD VAN VONDEL'S „GYSBREGHT". 

boeien gesloten en zou het leven hebben moeten verliezen, 
indien te midden van den twist in het hoofdkwartier een 
vriend zijne boeien niet geslaakt bad, zoodat hij ontvluchten 
kon; maar bij ongeluk kwam hij in de biezen terecht en 
„stack in diep moerasch al den verleden nacht". Zóó werd hij 
door Arent gevonden, en nu zwoer hij zijn aan Holland duur 
gezworen eed af en gaf hij zich aan Gysbreght's genade over. 
De heer van Aemstel gelooft al te lichtvaardig zijn verzierd 
verhaal en draagt hem zelfs op, het Zeepaert met rijs binnen 
de veste te brengen, waarom het hem juis^ te doen was, want 
„de schalcke Vossemeer bootste Sinons aerd na in 't stoffeeren" : 
het Zeepaert deed denzelfden dienst als „het zwanger paeid 
van Troje'* en als het turfschip van Breda, waaraan Vondel 
te liever de herinnering wilde verlevendigen, omdat juist in 
hetzelfde jaar, waarin de Schouwburg gebouwd werd, Frederik 
Hendrik Breda in even weinig weken teruggewonnen had, 
als Spinola in 1625 maanden had noodig gehad om die stad 
te veroveren. Een rei van Amsterdamsche maagden komt nu 
de overwinnaars met een zegelied inhalen, juichend omdat 
aan de vreugd van „Gods geboortefeest" zich nu de blijdschap 
over de verlossing der stad kan paren. 

Het tweede bedrijf voert ons voor het Karthuizerklooster. 
De vlucht des vijands is slechts eene krijgslist geweest: op 
bevel van Egmond eischt Diedrick van Haerlem daar — en 
dat is een bijzonder levendig tooneel — van den eerst hoog- 
hai'tigen, maar weldra door bedreiging van brandstichting 
gedwee geworden Willebrord een tijdelijk verblijf voor eene 
bende krijgsvolk, die de stad moet overrompelen, wanneer 
Vosmeer de Haarlemmerpoort voor hen geopend zal hebben. 
„Al heimelijck gezwommen door de grachten", komt Vosmeer 
nu aan Egmond vertellen, dat het Zeepaert, „zwanger van 
gewapenden", zonder argwaan te wekken binnen Amsterdam 
is gebracht en dat hij het, zoodra de krijgslieden het verlaten 
en de Haarlemmerpoort vermeesterd hebben, in brand zal 
steken als sein voor de anderen om in dichte drommen bin- 
nen te trekken. Intusschen bereidt in Amsterdam ieder zich 
tot de kerstviering voor en zingt een rei van edelingen, die 
„bly van geest ter kercke gaen om den eerst geboren Heiland 
te groeten", een heerlijk kerstlied. 



INHOUD VAN VONDBL's „GYSBREGHT". 133 

Badeloch, Gysbreght's vrouw, is uit een benauwden droom 
ontwaakt, zoo vangt het derde bedrijf aan. Zij vertelt aan 
haar man, hoe zij gedroomd heeft^ dat haar nicht Machteld, 
de overleden vrouw van Geraert van Velsen, haar verschenen 
wa.s en haar dringend had aangespoord, te vluchten met alles 
wat haar lief was. Nauwelijks heeft Gysbreght haar geant- 
woord, dat het „louter ydelheid was, die zich het brein ver- 
beeldde*', of „Wapen I Wapen !'* luidt de kreet, „de vyandt is 
in stad!" Zoo is dan opeens de triomf kreet versmoord, de 
hoogste vreugde in bittere ellende verkeerd, en stort Badeloch 
haar hart uit in de roerende klacht: 

„Hoe veel geluckiger z^n arme en slechte dorpen 
En hntten, laegh gebouwt, min stormen onderworpen, 
Dan eenigh heeren hals, dat door 't geboomte steeckt 
Kn daer het bulderen des winds z^n kracht op breecktl 
Weet hiervan eenigh mensch, ick weet er van te spreecken." 

Gysbreght heeft inmiddels maatregelen genomen om te 
redden, als er nog iets te redden valt; maar in de stad is 
verder iedereen nog onbewust gebleven van den naderenden 
ondergang der veste. Daar heffen de Klaerissen op de ver- 
rukkelijke zangwijze, die men, schoon zonder voldoenden 
grond, aan Dirck Sweelinck heeft toegeschreven, den beroem- 
den reizang aan: „O Kersnacht, schoener dan de daegen!** 
het jammerlied van den moord der onnoozelen, die zich binnen 
Weinige oogenblikken in Amsterdam zou herhalen. 

Met het vierde bedrijf bevinden wij ons in de kapel van 
J*et Klaerissenklooster, waar Gysbreght's oom Gozewijn, de 
^it zijn bisdom verdreven grijsaard, de nonnekens aanspoort 
^e vluchten : hem zelf „stokoud en traegh, voeght het niet te 
olieden" ; maar de nonnen willen vader Gozewijn niet ver- 
laten, samen wenschen zij met hem te sterven. In zijn „staetigh- 
ste gewaet", met al de teekenen zijner hem wederrechtelijk 
ontnomen waardigheid wil de grijze bisschop dan in den 
'^^ing der godgewijde maagden den vijand afwachten met den 
^^fzang van Simeon op de lippen: „Vergun, o God! op zijne 
^^ede, na uw belofte uw' knecht verlof, opdat hy reize, in 
^^st en vrede, omhoogh na 't hemelsche vredehof'; en 
^ien lofzang hefifen de nonnen dan ook in koor aan. „Is 't 
*^ier noch tijd van zingen?" roept Ghysbreght met verbazing 



134 INHOUD VAN VONDBL'S „GYSBREGHT". 

uit, als h\j op dat oogenblik binnensnelt om den bisschop en 
de nonnen te redden; maar vergeefsch is zijn aanbod om 
hen in veiligheid te brengen: „zy zijn aleens gezint en wel 
getroost te sterven". Weldra is het ook te laat: de vijand is 
voor de poort en Gysbreght vUegt heen om te beproeven, of 
hij hem kan tegenhouden. 

Hier worden wij, midden in het bedrijf, naar Gysbreght 's 
burchtzaal verplaatst, waar Arent van Aemstel aan Badeloch 
het uitvoerig verhaal doet van de plundering der St.-Katharina- 
kerk. Gysbreght, zoo vertelt hij, had nog te vergeefs getracht 
den Dam en het Stadhuis te verdedigen, maar waar hij zich 
nu bevindt, weet Arent niet te zeggen. „lek reken hem al 
dood en zie hem nimmer weeri" roept Badeloch wanhopig 
uit, en hare innige huwelijksliefde spiegelt zich af in den 
beroemden reizang der burghzaten: „Waer werd oprechter 
trouw, dan tusschen man en vrouw, ter weereld oit gevonden ?" 
met de slotbede: „O God, verlicht haer kruis, dat zy den 
held op 't huis met blijschap magh ontfangen", eene bede, 
die terstond verhooring vindt, want „daer roept een aen de 
poort. God lof, het is mijn heer!" jubelt zij, „ick heb zijn 
stem gehoorti" 

De stad is reddeloos verloren, alleen de burcht der Aemstel- 
heeren is nog in Gysbreght's macht bij het begin van het 
vijfde bedrijf, wanneer Gysbreght aan zijne vrouw alles ver- 
haalt, wat hij gedaan en gezien heeft. Hoe het met Gozewijn 
en de IQaerissen is afgeloopen, weet hij niet, maar een Bode 
komt op om uitvoerig te vertellen, hoe schandelijk de vijand 
in het klooster heeft gewoed, de nonnekens verkrachtend en 
daarna vermoordend in het bloed van den ouden bisschop. 
Als dit gruweUjk, maar buitengewoon schilderachtig verhaal 
is gedaan, wordt Arent doodelijk gewond binnengedragen. Hij 
heeft nog een uitval beproefd, maar is teruggeslagen en sterft 
nu in de armen van zijn broeder. Eene beleefde en eervolle 
uitnoodiging, door den heer van Voorne namens Egmond aan 
Gysbreght gedaan, om de burcht over te geven, wordt even 
beleefd als beslist afgeslagen: Aemstel zal zich tot het uiterste 
verdedigen, maar vrouw en kinderen kunnen, daar het kasteel 
aan den IJkant nog niet is afgesloten, in veiligheid worden 
gebracht. Daarvan echter wil Badeloch niet hooren, en nu 



INHOUD EN B£OORDEELINQ VAN VONDEL's GYSBBBGHT". 135 

ontstaat eene zeer levendige woordenwisseling tusschen Bade- 
loch, die niet wil vertrekken zonder haar man, enGysbreght, 
die haar volstrekt scheep wil doen gaan, maar haar daar- 
toe alleen kan bewegen door de wanhoop, waarmee hij op 
hare weigering een uitval wil gaan doen om zich dood te 
vechten. 

Toch behoeft het niet tot eene scheiding te komen, want 
als broer Peter, Gysbreght's huiskapelaan, op Badeloch's ver- 
zoek vóór het afscheid nog tot God de bede opzendt, dat deze 
.zijnen engel stuure en haren heer bewaere," daalt inderdaad 
Rafaël (met „een paar swaanevluegels") van den hemel neer, 
niet zoo zeer als een „deus ex machina", waarvoor men hem 
wel te onrechte gehouden heeft, als wel om op indrukwekkende 
wijze den lateren schitterenden bloei van de zoo deerlijk onder- 
gegane stad te kunnen voorspellen. Indien God het anders 
gewild had, zegt hij, „'t en waer met Amsterdam zoo verre 
noit gekomen"; Gysbreght moet met zijn gezin zijn wettig 
erf verlaten, een nieuw vaderland zoeken en in „'t vette land 
van Pruissen een stad Nieuw-Holland bouwen." Amsterdam 
zal „met grooter glans uit asch en stof verrijzen", en na drie 
eeuwen, wanneer „'t Roomsch autaer met kracht uit alle 
kercken geschopt en 't graeflijck hoofd van zijn recht vervallen 
verklaert zal zijn," te midden van een „endeloozen krijgh 
haer kroon tot aen den hemel toe verheffen"; en als zij dan 
„haer Schouwburgh open doet", zullen daar Gysbreght's daden 
„op 't hoogh tooneel den burgemeesteren en driemael twalef 
raeden te gemoet gevoert worden." Nu buigt Gysbreght zich 
voor God en, „hoe bitter oock het scheiden moge vallen" — 
immers „de liefde tot zijn land is yeder aengeborenl" — met 
een „vaerwel mijn Aemsterland I" gaan Gysbreght en de zijnen 
scheep. 

Dat Vondel met dit gelegenheidsstuk (want als zoodanig 
moet men het in de eerste plaats beschouwen) ook een classiek 
treurspel heeft willen geven, blijkt uit zijne eigene opmerking, 
dat hij „tegen de tooneelwetten wetende niet misdeed, 't en 
waer misschien in de talrijckheid van personagiën", daar immers 
de classieke tooneelwetten er niet meer dan zeven toestonden. 
Voor Vondel gold dus de wet der eenheid van plaats toen 
nog niet, want zelfs midden in eenbedrijf liet hij de handeling 



136 BEOORDBBLING VAN VONDKL's „GYSBREGHT". 

zich verplaatsen. Ook schijnt hij toen nog niet geweten te 
hebben, dat, volgens Aristoteles, de held van een treurspel, 
zooals hij twintig jaar later zeide, „nochte heel vroom, noch te 
onvroom, maer tusschen beide" moest wezen, wilde een drama 
een echt tragischen indruk maken, en hier is Gysbreght, 
evenals de „pius Aeneas" bij Virgilius, wèl „heel vroom". De 
ondergang van zijne stad en zijne ballingschap wekt dus geen 
tragisch medelijden, maar zou veeleer ergernis kunnen wekken, 
indien men weigerde met Gysbreght te berusten in Rafaöl's 
woorden: „O Gysbreght zet getroost uw schouders onder 
't kruis, u opgeleit van God". Is derhalve de „Gysbreght" 
geene tragedie in zuiver Grieksch-Aristotelischen trant, het 
is daarom niet minder een treurspel in echt Nederlandsch- 
Vondeliaanschen geest, en dat zegt wel iets, naar het mij 
voorkomt. 

Zelfs de aanhangers van een streng classicisme waren er in 
Vondbl's eigen tijd vol bewondering over, zooals blijkt uit 
hetgeen De Groot aan Vossius schreef: „Vondel heeft my 
vriendtschap gedaan, dat hij een treurspel van treflfelijken 
inhoudt, voeghelijke schickinge en overvloedige welspreeken- 
heit aan my, als eenigen smaak hebbende in zulke dingen, 
heeft toege-eigent", en aan Vondel zelf schreef hij, dat hij „Am- 
sterdam voor gelukkig hield, indien daar veele waren die 
dit werk na zijne waarde konden schatten". Zoo waren er 
inderdaad velen in Amsterdam. Dertien maal achtereen werd 
het stuk vertoond, en sedert 1641 is het te Amsterdam bijna 
jaar op jaar aan het eind van December of in het begin van 
Januari gespeeld, tot in onzen tijd toe; en altijd blijft het 
publiek trekken en boeit het de groote meerderheid der toe- 
schouwers door de levendigheid van een deel der handeling, 
door de majesteit der schilderende verzen, door de treffende 
beelden, de welluidende taalmuziek en de heerlijke reizangen. 
Laat het zijn, dat de indruk, dien het maakt, meer te ver- 
gelijken is bij den indruk door eene grootsche opera, dan 
door eene dramatische handeling gewekt, aan de kunstwaarde 
kan dit alleen te kort doen bij den dogmatischen aestheticus, 
die dadeUjk met zijn Procrustusbed klaar staat. 

Voor Vondel was de opgang, dien zijn „Gysbreght" maakte, 
een prikkel om zich verder bovenal aan het treurspel te wijden. 



HOOPT VERWAARLOOST DE POËZIE VOOR HET PROZA. 137 

Eerst nu, op zijn vijftigste jaar, bad hij zich in zijne volle 
kracht getoond op het terrein, waarop hij meester was en 
waarop hij nog veel grootscher werken zou scheppen in een 
verbazing wekkenden, schier ongelooflijken overvloed, want 
vier vijfden van zijne dichtwerken had men toen nog van 
hem te wachten. Op hem zelf is de vergelijking van toepassing, 
die wij een paar jaar later in een reizang uit zijn „Josef in 
Dothan" aantreffen, de vergelijking bij „een eick, den bosch- 
reus, die eerst allengskens groot wort", omdat „langzaemheit 
groote zaecken past". 

XXX. 
Het proza van Hooft. 

Met zijn „Gysbreght" was Vondel als dichter den Drost, 
totnogtoe het hoofd der poëten, over het hoofd gegroeid. Uit 
de tooneelwereld had Hooft zich reeds lang teruggetrokken: 
maar om in een nieuw geschapen proza het epos van onzen 
Opstand te kunnen schrijven, hing hij ook de lier aan de 
wilgen, na zich daarop, met zijne „klaghte der Prinsesse over 
t' oorloogh voor 's Hartoghenbosch", nog eenmaal in zijne volle 
kracht te hebben doen hooren. 

Zonder wangunst, die hem vreemd was, en zonder eenig 
hartzeer zelfs zal hij aan • Vondel zijne plaats hebben inge- 
ruimd, want hij beschouwde zelf de poëzie als de uitspanning 
zijner jongere jaren en oordeelde al te gestreng over de vruch- 
ten daarvan , omdat hij de kunst zoo bijzonder hoog stelde 
en te zeer geneigd was , zich zelf te onderschatten , zooals zeer 
duidelijk blijkt uit een brief van 1630 aan Tesselschade ter 
begeleiding van zijn „•Hollandsche Groet", waarin hij schreef: 
,Myn verdrooghde rympen is dees daeghen een groenigheit 
over- en daervan gekomen 'tgeen UE. hier by ontfangt. 
Indien 't het beste maxel niet en is, laet het UE. geen nieuw 
geeven, want behalven dat ick noit myn heele werk maeckte 
van dichten, gelyk schier dient te doen, die nae de vol- 
maecktheit tracht, zoo heb ick 's my nu in zoo lange niet 
onderwonden , dat ick haest waende dit deel der werelt gestor- 
ven te wesen''. 



138 hoopt's „hbnrik db gróte". 

Hooft was ook toen reeds, zooals hij een paar jaar later 
aan Tesselschade schreef, „zoo verzoopen en verzonken in 
't rijmeloos schrijven sijner Historiën, dat hem de wieken te 
nat waren en in te diep een kuil staken om vlucht oft veirt 
nae de poëetsche lucht te maeken". „'k Weet van dichten noch 
van deunen. Niet dan ketelachtigh dreunen is het dat mijn 
snaeren baeren'', rijmde hij toen; maar al van 1618 af had hij 
zich tot geschiedschrijven in proza gekeerd, en, zooals wij 
reeds vermeldden, in 1626 zag zijn Henrik de Qróte het licht 
als een doorwrocht voortbrengsel dezer werkzaamheid, waar- 
mee hij, volgens Vondbl, „der Vrancken held deed leven 
voor altoos". 

Hij had daarin de geschiedenis van den Franschen Koning 
zoo onpartijdig mogeUjk willen verhalen, en mocht het ver- 
haal soms wat te veel op eene lofrede gelijken, dan was de 
oorzaak daarvan geweest vde gemeene zucht onzes Vaderlandts 
tzyner Majesteit en de danckbaerheydt, die ons verplicht tot 
eeuwighe erkentenis". Deze zullen voor hem ook wel aanleiding 
geweest zijn om juist een onderwerp te kiezen, dat hij als 
geschiedschrijver alleen uit de tweede hand kon leeren kennen, 
zoodat hij het uitsluitend zijn doel noemde, 'sKonings leven 
en bedrijf, „uyt verschelde schriften opghezocht, in kort Hol- 
landtsch te vervaten". In dat „kort HoUandtsch" bestond 
dan ook de nieuwheid en oorspronkelijkheid. Geen geschied- 
werk was hier ooit geschreven, zóó beknopt van voorstelling 
en kernachtig van stijl, zoo zuiver Nederlandsch van taal. 
„Harnasduits", noemde Hoopt het zelf, Willem de Groot sprak 
van „gezenude (d.i. gespierde) woorden tot verheffinghe van 
onse moederlycke tael", maar Huygens gaf later aan de Neder- 
landsch e Historiën den lof, dat daarin „de woorden soo krach- 
tigh als in Henrick, maer min wreed" waren, en inderdaad 
is Hooft's eerste geschiedwerk lastig te verstaan en vermoeiend 
te lezen. 

Toen in 1638 een herdruk in kleiner formaat van de Henrik 
de Gróte het licht zag, schijnt HooFT(of misschien zijne eenigs- 
zins hooghartige Leonora) op de gedachte gekomen te zijn 
om daarmede van Hendrik 's zoon de ridderorde van St. Michiel 
te verwerven. Immers, al is het waar, schrijft Hooft, „dat 
weijiigh Pranchoizen onze tael verstaen, hunne boekeryen 



HOOPT WORDT RIDDER VAN ST. MICHIRL. 139 

worden toch ook door uitheemschen bezightight", zoodat zij 
er ook het nut van konden inzien , irdat de eere huns konings 
ook door vreemden wert uitgedraeghen". Toch begreep Hooft, 
dat een boek in zoo geheel vreemde taal bij den Franschen 
koning niet voor zich zelf kon spreken, en hij verzocht dus 
aan Hüygbns er een Fransch, aan Barlaeus er een Latijnsch 
lofdicht bij te voegen. Zulke lofdichten waren vóór het werk 
zelf evenmin gedrukt als voor eenig ander werk van Hooft, 
die daarmee een zeldzaam bewijs van kieschheid gaf in een 
tijd, waarin bijna alle dichters, zelfs iemand als Huygens, van 
alle kanten lofdichten samenbedelden om er hunne werken 
mede te versieren ; maar Hooft heeft , naar zijn eigen getui- 
genis, „zulk een tentoonstelling van eighen lof, hoewel zy door 
de gewoonte verschoont wort, altijds wat wanvoeghlijck gedocht." 
Zijn neef Joachim van Wikkevoort, die ook zelf riddergeworden 
was, bewees aan Hooft den dienst, met zijn broeder deze zaak 
te Parijs in orde te brengen en hem zoo denzelfden titel te 
bezorgen, waarop niet alleen menig Nederlandsch staatsman 
zich toen kon verheffen, maar ook menig dichter, zooals 
RoDENBUBO, die al in 1612 Ridder van den Huize vanBour- 
gondië was geworden, Huygens, die behalve zijn Engelschen 
riddertitel (van 1622) bovendien nog in 1633 dien van ridder 
van St. Michiel verwierf, evenals Westbrbaen in 1629 door 
bemiddeling van Hugo de Groot, terwijl Reabl in 1626 (ook 
blijkens een klinkdicht daarop van Vondel) en Cats in 1627 
door Karel I van Engeland in den ridderstand waren verheven. 
Vondel en Barlaeus hebben het, ondanks hunne vele lofdichten 
op vorstelijke personen, nooit zoo ver kunnen brengen. Natuurlijk 
moesten er door Hooft eenige onkosten gemaakt worden, want 
zonder geld kwam men aan het Fransche hof niet tot zijn 
doel, maar toch schreef hij, dat hij „zijne eigene ydelheid niet 
al te duur wilde betalen", en voor zich zelf schijnt hij dan ook niet 
veel waarde aan den titel gehecht te hebben, zooals van hem 
te begrijpen is. De brieven van ridderschap moesten, schreef 
hij, „uitdrukkelijk inhouden, dat niet alleen de eere van 
ridderschap hem, maer ook de waerdigheit van edeldoom hem 
ende zijnen naekomelingen vergunt wert*', en zoo is dan in 
tet voorjaar van 1639 Hooft op grond van zijns vaders ver- 
diensten voor de Republiek en van zijn eigen geschiedwerk. 



140 hoopt's brieven; daniël mostart. 

zooals het diploma zegt, en bij opvolging later ook zijn zoon 
Arnout, in den ridderstand verheven. 

Kort vóór dien tijd (in 1636) schreef Hooft nog een ander, 
kleiner geschiedwerk, De Eampzaligheedeii der verlieffinge van den 
Huize van Medicis^ dat hij echter niet ter uitgave bestemde, 
zoodat het eerst na zijn dood (in 1649) het licht zag met een 
bijgevoegd gedicht van Vondel „Op dllias van de Medicis", 
dat er als het ware eene korte inhoudsopgave van is. 

Niet minder verdienstelijk proza dan in deze beide geschied- 
werken heeft Hooft ons nagelaten in zijne (omstreeks 870) 
brieven, gedeeltelijk in Latijn, Fransch of Italiaansch, maar 
grootendeels in het Nederlandsch en met dezelfde zorg ge- 
schreven, waarmee Romeinsche schrijvers, zooals Cicero, Seneca 
en de jongere Plinius, en later de voornaamste Renaissance- 
mannen, hunne brieven opstelden, ofschoon deze evenmin als 
Hooft aan eene uitgave van die brieven dachten. Toch ver- 
dienden de zijne met piëteit te worden uitgegeven, niet slechts 
als bouwstoffen voor de kennis van zijn leven en zijn karakter, 
maar ook als proeven van geestigen, beeldrijken en pittigen 
briefstijl voorzoover zij aan vrienden en vriendinnen (vooral de 
35 ons bewaarde aan Tesselscha) gericht zijn, en als modellen van 
ambtsbrie ven, die de bastaardtaai der kanselarij vermeden 
voorzoover dat maar eenigszins mogelijk was, en zóó dat zij 
zelfs genade zouden hebben kunnen vinden in de oogen van 
Daniël Mostart, zoon van den Antwerpschen, naar Amsterdam 
uitgeweken, notaris David Mostart, die de geleerdste mannen 
zijns tijds tot zijne vrienden had mogen rekenen en zich o.a. 
verdienstelijk gemaakt had voor het psalmgezang door eene 
uitgave van Datheen^s psalmen, van fouten gezuiverd, te be- 
zorgen, en die daarbij in 1598 eene „Koiie onder wysinge van 
de Musyk-konste en samenspreekinge over het misbruyk der 
wijsen en des singens" had gevoegd. 

Zijn zoon Daniël, die sedert 1622 secretaris van Amsterdam 
was, gaf in 1634 met zijn „Nederduytse Secretaris oft Zend- 
briefschryver'^ eene rijke verzameling voorbeelden van allerlei 
soort van ambtsbrieven, ten einde te bewijzen, dat ook zulke 
brieven zeer goed in zuiver Nederlandsch gesteld konden 
worden. Voor hetzelfde had ook Huygens reeds in 1628 — 
maar, naar 't schijnt, vergeefs — gepleit in eene uitvoerige. 



hoopt's studie van tacitus. 141 

in het Fransch opgestelde, memorie over hervormingen in 
»la secrétaire de son excellence Monseigneur Ie Princed'Orange". 
Hooft, Vondel, Van der Bürgh en anderen toonden door 
lofdichten hunne ingenomenheid met Mostart's streven, dat 
voor de kanselarijtaal beproefde, wat Sjmon Stbvin had gedaan 
voor de wiskundige wetenschappen, Spieghel voor taal- en 
stijlleer en De Groot voor de rechtsgeleerdheid, en wat Hooft 
voor de geschiedschrijving bleef doorzetten. 

Om zich in het schrijven van zuiver Nederlandsch te oefenen 
heeft Hooft, ook tijdens zijne geschiedoefeningen, veel ver- 
taald, o a. in 1630 een deel der hekelende „Ragguagli di 
Parnaso" van Trajano Boccalini, en omstreeks 1635 alle 
werken van Tacitus, die hij niet minder dan twee-en- vijftig- 
maal had gelezen om den kemachtigen stijl er van in merg 
en been op ' te nemen, beter dan bv. Burgundius had ge- 
daan, van wien hij zegt, dat zijn „styl Tacitus nae, maer 
nergens nae in treedt", omdat wie bij een schrijver voedsel 
voor zijn geest zoekt, niet „inschokken'', maar „kauwen en 
.erkauwen" moet. Dat nu heeft Hooft met Tacitus gedaan, 
ook bij zijne vertaling, daar hij sommige gedeelten zelfs twee- 
maal vertaald heeft, nu eens wat letterlij ker, dan weder wat 
vrijer. Hij deed dat overigens niet alleen tot eigen oefening, 
maar vooral ook op verzoek van zijn zwager Joost Baeck, 
die geen Latijn verstond en toch ook gaarne met den zoo 
hoog geroemden Tacitus meer dan oppervlakkig kennis wilde 
maken. Ook dit werk werd, ofschoon het geheel voltooid is en 
er de grootste zorg aan is besteed, niet door Hooft zelf, maar 
eerst in 1684 door Geeraardt Brandt uitgegeven. 

Terwijl van de moderne geschiedschrijvers Thuanus voor 
Hoopt het groote gezag was, heeft hij bij het schrijven van 
zijne Nederlandsche Historiën toch geen schrijver zoozeer trachten 
te evenaren als Tacitus en wel, omdat hij zich als prozaschrijver 
aan hem zoo na verwant gevoelde. Telkens wordt men dan 
ook getroffen door overeenkomst in uitdrukking en voorstel- 
ling, zelfs door geheele zinnen, die met meer of minder vrij- 
heid uit Tacitus zijn overgenomen en pasklaar gemaakt zijn 
voor de beschrijving van andere toestanden. Ook paste de 
geschiedenis van den aanvang van den tachtigjarigen oorlog, 
wat den omvang betreft, beter bij den vorm van Tacitus' 



142 hooft's „nedbrlandschb historiën 



>» 



Annales, dan b. v. bij dien van Livius' geschiedwerk, terwijl 
het tweede deel der Historiën van Hooft's eigen tijd zich als 
van zelf bij de Historiae van het door Tacitus beleefde aansloot. 

In 1628 legde hij er het eerst de hand aan en tien jaar 
later was het eerste deel (twintig boeken) voltooid. Het begon 
met den afstand van Karel V in 1555 en eindigde met den 
moord van Willem van Oranje in 1584. Het werk werd toen 
nog — zooals te voren ook reeds met gedeelten er van ge- 
beurd was — aan verschillende vrienden ter lezing en beoor- 
deeling gezonden, en door bemiddeling van Huygens ook aan 
Frederik Hendrik, aan wien Hooft het met diens toestemming 
opdroeg, maar die vooraf verzoend moest worden met den 
onge wonen en aan het geheel verfranschte hof zeker weinig 
verstaanbaren stijl. Eerst in 1642 kwam dit eerste deel van 
de pers, toen Hoopt reeds met het vervolg begonnen was, 
dat hij, zooals ook Tacitus met zijne Historiae gedaan had, 
veel breeder behandelde, zoodat het bij zijn dood nog niet 
verder dan het jaar 1587 gevorderd was. In 1654 gaf zijn 
zoon ook dat vervolg uit. 

Hooft's „Nederlandsche Historiën" zijn, ofschoon ten volle 
beantwoordend aan de strengste eischen, die men in de zeven- 
tiende eeuw aan een geschiedwerk kon stellen, in de eerste 
plaats te bewonderen als kunstwerk. Zij maken op ons den- 
zelfden epischen indruk, als Tacitus' Geschiedenis, wanneer 
men ten minste bij een epos niet aan de naieve volkspoëzie 
denkt, want daarvan is Hooft's werk zoo ver mogelijk ver- 
wijderd. Met Tacitus* Geschiedenis heeft die van Hoopt dit 
gemeen, dat zij niets kroniekmatigs heeft, maar dat er eene 
groote mate van eenheid heerscht in de voorstelling van het 
geschiedverloop. Door minder dan zijne voorgangers uit te 
weiden over buitenlandsche of toevallige gebeurtenissen wist 
Hooft die eenheid te bevorderen. Steeds plaatste hij het be- 
langrijke op den voorgrond en groepeei-de hij daaromheen de 
minder belangrijke bijzonderheden; maar het werk zou aan 
aanschouwelijkheid nog gewonnen hebben, als de chronolo- 
gische volgorde wat minder streng bewaard was geworden. 

Toch behooren aanschouwelijkheid en levendigheid van 
voorstelling zoozeer tot de hoofdkenmerken van het werk, dat 
wie er ergens, waar ook, in begint te lezen, al meer en meer 



HKT SCHILDERENDE VAN HOOPT's VERHAALTRANT. 143 

door het verhaal wordt geboeid en slechts noode het boek uit 
de handen legt. Het zou ons kunnen gaan als Franciscus 
Martinius, die aan den rector der Latijnsche school te Kampen 
schreef: „Ik heb de geheele Histori des Heeren Pieter Hooft 
in zeeven dagen doorleezen met zulk een geweldigen drift, 
dat ik niet weete, of ik ooit diergelijken in 't leezen van 
eenigh boek gehadt heb." En het zijn niet slechts de gebeur- 
tenissen, die wij bij het lezen als opnieuw zien gebeuren, het 
zijn ook de personen, die voor ons als levend uit het boek te 
voorschijn treden door Hooft's vaardigheid in het boetseeren 
van karakterbeelden. 

Daartoe bediende hij zich soms van hetzelfde middel als 
Tacitus en zoovele andere geschiedschrijvers der Oudheid, 
maar dat de latere historiographie als minder betrouwbaar is 
gaan versmaden, het samenvatten van de gevoelens en mee- 
ningen der hoofdpersonen van het historisch drama in den 
vorm van redevoeringen, hun rechtstreeks of zijdelings in den 
mond gelegd. Die van Alva en van Fresneda in het vierde 
en van Willem van Orange in het vijfde boek zijn van deze 
de beroemdste en zullen in haar geheel, wat de gedachten 
betreft, ook wel juist zijn, al is iedere zinsnede op zich zelf 
ook niet zóó uitgesproken, als Hooft die geeft. Evenmin 
worden de oorkonden, die vroegere geschiedschrijvers, enBoR 
wel voornamelijk, in haar geheel mededeelen, door Hooft 
woordelijk ingelascht. Hij geeft er den hoofdinhoud van op 
in zijne eigene kernachtige woorden met vertaling van de 
bastaardtaai der kanselarij. Wie een diepen indruk wil ont- 
vangen van Hooft's meesterschap als stilist, kan niet beter 
doen dan eens een half uurtje in Bor of Van Mbtéren te 
lezen en dan voor het daar gelezene Hooft's geschiedwerk 
op te slaan, want daardoor kan men eerst recht leeren be- 
seffen, hoe groot het onderscheid is tusschen het ruwe marmer 
en het beeldwerk, dat er uit gehouwen kan worden, en hoe 
lang de weg is, die leidt van natuur tot kunst. 

Bovendien is het geheele werk, zooals Brandt zegt, „bezaait 
en bezielt met spreuken uit den boezem der wysheit gezoogen" 
en ziet men overal „'t gezondt en geoeffent oordeel des grooten 
schryvers". De stijl is dichterhjker dan men van proza gewoon 
is, rijk aan uitgewerkte beelden of eenvoudige overdracht van 



144 hoopt's taal en stijl. 

beteekenis. Is de beeldspraak soms aan de taal van het dage- 
lij ksch leven ontleend, dan is zij meestal door eene enkele 
kleine wijziging geadeld. Bij groote bondigheid is de zinbouw 
welluidend, ook door gepaste alliteratie. Fijn vernuft, soms in 
woordspelenden vorm, geeft bovendien aan de gespierdheid 
en beknoptheid van den stijl een eigenaardig persoonlijk 
karakter. De nevenschikkende zinbouw der spreektaal en een- 
voudige schrijftaal van het verleden is bij Hoopt meerendeels 
vervangen door hypotaxis, waardoor de zinnen, in elkaar ge- 
werkt, eene harmonische eenheid van woorden en gedachten 
vormen; maar ontkend kan het niet worden, dat deze kunst 
soms in gezochtheid ontaardt, dat de beknoptheid tot stroef- 
heid, de gedrongenheid tot onduidelijkheid leidt. Onjuiste 
samentrekking van zinnen, in strijd met het karakter van onze 
taal, voert, bij den waren rijkdom van gedachten, den lezer 
menigmaal in een doolhof met verborgen uitgang. 

Ook de woorden zelf zijn niet alleen voor ons, maar waren 
ook voor HooFT^s tijdgenooten, dikwijls vreemd of, als zij be- 
kend waren, in eene ongewone beteekenis gebruikt, die eerst 
met moeite uit den samenhang van den zin kan worden 
opgemaakt. Dat is gewoonlijk te wijten aan Hooft*s overigens 
prijzenswaardig streven naar zuiverheid van taal. Wel schreef 
hij, dat „de vieze naeuwheidt van gewisse hem zelven in dezen 
eenighsins mishaeghde en dat hy somtyds in beraedt had 
gestaen, oft niet beter waer, den schoot te vieren met spreken 
van hoofsch Duitsch", maar, voegde hij daar terecht aan toe, 
„zoo men die deure open zet, ik en zie niet waer 't eindighen 
wil met het verloop der taele". Zoo zocht hij dan voor ieder 
vreemd of half vreemd woord een zuiver Nederlandsch of uit 
zuiver Nederlandsche bestanddeelen samengesteld woord. 

In de eerste plaats putte hij daarvoor uit het Amsterdamsch 
zijns tijds en schrikte hij zelfs niet terug voor het gebruiken 
van Noordhollandsche dialectwoorden, die andere schrijvers 
vermeden; maar hij bepaalde zich niet tot de spreektaal of 
gangbare schrijftaal: hij zocht overal, waar hij meende zuiver 
Duitsch te vinden: in de oude keuren en geschiedbronnen, 
in oude liederen en rijmen. Daardoor heeft zijne taal ook 
dikwijls iets ouderwetsch; maar kon hij het vereischte woord 
nergens vinden, dan kende hij aan een Nederlandsch woord 



hooft's taal; de behandeling zijner bronnen. 145 

vaak eene beteekenis toe, die het niet had, doch die het 
vreemde woord, waarmee het wel eens te vertalen was, ook 
bovendien nog bezat. Zoo kende hij b.v. aan het woord „af- 
matten" den zin van „vertragen" toe, omdat het Italiaansche 
„stancare" in die beide beteekenissen gebruikt werd. Ook 
maakte hij nieuwe woorden, niet zelden door letterlijke ver- 
taling van de deelen eener vreemde samenstelling, die in het 
Nederlandsch niet in hetzelfde onderlinge verband konden 
voorkomen als in de vreemde taal. Geheele reeksen van slecht 
vertaalde woorden heeft men dan ook uit Hooft's proza bij- 
eengebracht, maar op de veel grootere menigte van goed 
geslaagde vertalingen, die er tegenover staan, valt de aandacht, 
omdat zij goed zijn en dus niet nieuw schijnen, meestal te 
weinig, zoodat wel de „hardigheit der puirduitsche" woorden 
misprezen wordt, maar de zachtheid van andere, die men 
evenzeer aan Hooft te danken heeft, ons dikwijls ontgaat. 

Het onnederlandsch karakter der taal openbaart zich niet 
slechts in enkele woorden, maar zelfs in geheele zinnen, daar 
Hooft zijn best deed, met het krachtigste merg van andere talen 
zijn Nederlandsch te voeden. Die vreemde zinvonning werd 
nog bevorderd door eene standvastige eigenaardigheid van 
onzen geschiedschrijver bij het samenstellen van zijn werk. 
De meeste zinnen toch zijn niet geheel oorspronkelijk, maar 
met meer of minder vrijheid vertaald, minder nog uit het 
Latijn, dan uit Fransch, Italiaansch of Spaansch, en zoo is 
het geschiedwerk te vergelijken bij een mozaïekvloer, kunstig 
samengesteld met kleine steentjes uit allerlei andere geschied- 
werken losgepeuterd. Het beeld, dat ik hier gebruik, is aan 
Hooft zelf ontleend. In een brief aan zijn zwager Baeck schrijft 
hij : „lek heb meer als anderhalf hondert steenen geraept uyt 
Burgundius ende maghtige moeite om ze in te voeghen t' 
eenen werke, dat ick volle vast gemetst ende gevlochten vind 
om zonder misstal van bobbel of hoUigheit yet versgevondens 
in te ruimen. De konst is kleen, maer de arbeydt ongelooflijk". 

üit deze aanhaling ziet men tevens, hoe Hooft nog telkens 
weder zijn werk verbeterde en aanvulde door het raadplegen 
van nieuwe bronnen, die hij met de grootste zorg bijeen bleef 
brengen. Zijn verzoek om gebruik te mogen maken van de 
archieven zijner vaderstad werd hem tot zijn groeten spijt 
n 10 



146 hooft's nauwkeurigheid kn onpartudigheid. 

geweigerd; maar allerlei moeite deed hij om van oudere per- 
sonen, liefst ooggetuigen, mondelinge berichten in te winnen, 
waardoor de „Nederlandsche Historiën" dan ook nu nog voor 
menig geschiedfeit als bron kunnen beschouwd worden; maar 
het meeste heeft hij natuurlijk uit een groot aantal gedrukte 
en ook uit toen nog ongedrukte geschriften geput. Daar hij 
vele talen machtig was, heeft hij evengoed de schrijvers van 
Spaansche als van Nederlandsche zijde kunnen raadplegen en 
zich zóó een onpartijdig oordeel over den gang der zaken 
kunnen vormen, dat met zijne persoonUjke waarheidsliefde 
strookte. 

Natuurlijk had hij ook zijne eigene overtuiging, waarvoor 
hij met kracht en gloed uitkwam. Gewetensdwang was hem 
een gruwel, dwingelandij kon hij niet verdragen, inmenging 
van vreemden in de zaken van zijn eigen, hem zoo dierbaar, 
vaderland ergerde hem; maar de vrijheid, die hij boven alles 
voorstond, wenschte hij ook aan anderen niet te betwisten, 
en zoo koos hij noch partij voor de Katholieken, noch voor 
de Protestanten, maar alleen tegen onruststokers en heersch- 
zuchtigen van beide zijden, en zelfs aan deze, zelfs aan iemand 
als Alva, den man van staal en bloed, meende hij, zooals hij 
zegt, den lof te moeten geven, die hem toekwam. Hij was 
onpartijdig genoeg om niet in lederen Spanjaard een Vargas, 
niet in lederen priester een kettermeester te zien en de wilde 
Geuzen niet voor heiligen, geestdrijvers als Modet en Datheen 
niet voor beter dan de Katholieke inquisiteurs te houden ; ja, 
zelfs den zoozeer door hem vereerden Willem van Oranje spaarde 
hij niet, als deze had misgetast. Zelfs schreef hij in een tijd, 
toen de meesten nog zoo geheel anders dachten, „gehouden 
te zijn geene waarheid van belang, 't en waare zij tot schaade 
zyns vaderlands strekte, te verzwyghen" en daarom ook 
„bywylen eenighe snootheden, begaan aan onze zyde, doch 
reeds gemelt door andren van dezelve op te haaien." 

Vandaar dan ook, dat hij tot op onzen tijd toe in eere is 
gebleven bij menschen van zeer verschillend geloof, zooals hij 
reeds in zijn eigen tijd hoog gewaardeerd werd door Broeder 
Gabriël, den Leuvenschen Capucijn, en door den Leuvenschen 
hoogleeraar der geschiedenis Erycius Puteanus. Mocht hij 
misschien in het tweede deel van zijn werk den Graaf van 



T>E BETEEKENIS DER „NEDERLANDSCHE HISTORIËN". 147 

Leicester wat te zwart hebben geteekend, dan bedenke men, 
dat aan alle onpartijdigheid eene grens is en dat het voor 
Hoopt wel uiterst moeielijk moest zijn zonder eenig haatgevoel 
te denken aan iemand, van wien hij naar waarheid kon 
schrijven: „Op een lyste waaren Leycester veertien van de 
vroomste voorstanders der vrijheid en getrouste aanklevers 
van 't Huis Nassau geleevert, onder welcke ook de naam myns 
zaalighen Vaaders gespelt stond", dien Leycester „meinde 
smaadighe dood te doen sterven''. 

Hoopt's Historiën zijn wat men gewoon is een „pragmatisch" 
geschiedwerk te noemen. In den aanvang zeide hij het Ben- 
tivoglio na, „dat veele eeuwen herwaarts geen stoffe geleevert 
hebben, die ryker zy in allerley leeringeo van 't beloop der 
wereldsche dingen, oft wonderlyker, oft waarneemens waarder 
tot onderwys van vorsten en volken'', en op die „leeringen" 
laat hij dan ook niet na telkens te wijzen, zoodat Brandt 
terecht van het werk kon zeggen : „Men vondt er geen bloot 
verhaal van zaaken, maar een school van staat, een leidtstar 
van regeeringe, een kompas van beleidt, een wegwyzer ter 
oorloghskunde, een leermeester vangrootmoedigheit,bescheiden- 
heit en gemaatightheit, een opwek ker tot liefde des vader- 
landts en der vryheit." 

Dat een zoo omvangrijk, inhoudrijk en stijlzwaar werk niet 
in den alledaagschen zin van het woord „populair" kon 
worden, spreekt van zelf. Toch is na Hooft geen Nederlandsch 
geschiedschrijver van eenige beteekens opgetreden, die zijn 
werk niet in menig opzicht tot voorbeeld genomen heeft. Doch 
middellijk heeft zijn werk invloed geoefend op de voorstelling 
van ieder, die ook maar het geringste van onzen tachtig- 
jarigen oorlog weet. De bijzonderheden van die heldenwor- 
steling onzer voorvaderen tegen het machtige Spanje zijn, 
zooals zij door hem geboekt zijn, overgegaan in de kleinere 
lees- en leerboeken, en wat daarin aan hem ontleend is, 
staat ons meestal het levendigst voor den geest. Hij heeft 
de mannen van den Opstand tot heroën gemaakt, en als zoo- 
danig treden zij op in onze litteratuur en vooral op ons tooneel. 
Zóó de tragische figuren van Montigny, Egmont en Hoorne, 
zóó burgervaders als van der Werflf, vlootvoogden als Boisot 
en Jacob Simonsz. de Rijk, die zonder hem misschien onbe- 



148 DR BBTBBKENIS DBR „NRDERLANDSCHB HISTORIËN 



I) 



roemd zou gebleven zijn, manhafte hoplieden als Ripperda en 
Kornput, de edele vaandrig Pieter Hasselaar en de Brielsche 
veerraan Koppestok. Meer dan vijfenzestig tooneelstukken, 
die later onderwerpen behandelden uit het dertigjarig tijdvak, 
waarvan Hoopt de geschiedenis beschreef, volgden zijne voor- 
stelling en putten ten deele zelfs uitsluitend uit zijn werk. Zoo 
ook vond later Onno Zwier van Haren bij Hooft de stof 
voor zijn dichterlijk tafreel der heldendaden van Rochus Meeuw- 
sen en Sebastiaan de Lange. Zoo wekte zijn verhaal Tollens 
op om Herman de Ruiter, de kloeke Kenau en de edelmoedige 
geuzenvrouw te Gouda, en, in wedstrijd met Bogaers, ook Jan 
Harink te bezingen, en zelfs het „treflijk exempel van broederlijke 
liefde'', door den Spanjaard Ferdinando d*A volos voor Haarlem 
geleverd. Staat de heldenfiguur van den vrijbuiter 't Hoen en 
de onverschrokken sluwheid van Christiaan Huygens ons 
levendig voor den geest, aan Hoopt hebben zij dat te danken. 
Zoo heeft Hoopt er dan het meest toe bijgedragen om de 
epische overlevering te vormen, die aangaande den tachtig- 
jarigen oorlog bij ons heerscht, en dat feit alleen reeds is 
voldoende om te bewijzen, dat Hoopt^s „Nederlandsche Histo- 
riën" een kunstwerk is van de grootste waarde. 

XXXI. 

De Muiderkring van 1627 tot 1647. 

Sedert het Muiderslot in zijne nieuwe drostin ook eene gulle 
vriendelijke gastvrouw herkregen had, kon Hooft zijn drostelijk 
verblijf weer maken tot het middelpunt van een gezelligen 
vriendenkring, die er dikwijls samenkwam om er kunst en 
vriendschap te dienen. Daartoe lag het Muiderslot juist dicht 
genoeg bij Amsterdam, zoodat het niet moeielijk te bereiken 
was, en toch ver genoeg er vandaan, om het bezoek er aan 
tot een aangenaam uitstapje te maken, vooral in den zomer. 
In den winter woonde Hooft trouwens in Amsterdam aan 
de Oostzijde der Keizersgracht tusschen Brouwersgiacht en 
Heerenstraat, over de Groenlandsche pakhuizen in een huis 
dat ten Noorden belendde aan de „Valckenaer." In den gevel 
van dat woonhuis werd in 1881 bij gelegenheid van een schit- 



HKT MÜIDKRSLOT. 149 

terend eeuwfeest, toen ter eere van Hooft gevierd, met groote 
plechtigheid een gedenksteen geplaatst, die nu echter, helaas, 
reeds weer verdwenen is, daar het huis geheel verbouwd 
werd, toen men het tot eene R . K . Ziekenverpleging inrichtte. 
Dat Hooft ook daar zijne vrienden ontving, spreekt van zelf; 
hij zal er allicht nog meer menschen gezien hebben, dan te 
Muiden; doch juist die Muider bezoeken zijn ons vooral be- 
kend uit zijne brieven aan Amsterdamsche en andere vrienden, 
en zoo is er dan ook reeds lang van een Muiderkring sprake 
als van een der belangrijkste en aantrekkelijkste tafereelen 
uit de historische beeldengalerij onzer litteratuurgeschiedenis. 

Het dertiendeëeuwsche, later wat verwaarloosde en vervallen, 
maar nu weer in eere herstelde slot van Muiden ligt dicht bij den 
Vechtmond en was in Hooft's tijd met zijne vier hoektorens van 
alle kanten door eene slotgracht omgeven. Door de getorende 
hoofdpoort kwam men op het binnenplein en vandaar in de groote 
zaal, waar vergadering gehouden, gehoor verleend en feest gevierd 
werd. Tot de versieringen er van behoorde eene schilderij, die de 
fabel van Hercules, Nessus en Dianira voorstelde, ons bekend 
door een gedicht van Jan Vos. Als wachtkamer voor die 
groote zaal liet Hooft zelf een voorportaal bouwen, dat met 
veel moeite in 1631 gereed kwam, maar nu weer afgebroken 
is. De slotgracht was aan alle kanten door een ruimen moes- 
tuin en boomgaard omgeven, beroemd door den overvloed van 
heerlijke pruimen, die er groeiden, „die rijpe geeltjes met 
haeren waes, uitstekend onder de blaeuwe van Damasco als 
starren aen haeren hemel", door Hooft zoo dikwijls als lok- 
middelen gebruikt om gasten te krijgen en door hem ook zoo 
dikwijls gulhartig aan zijne afwezige vrienden toegezonden. 
In dien boomgaard bevond zich Hooft's niet minder beroemd 
studeervertrek, het „zeskant huiske", zooals Vondel het in 
een dichtbrief aan Hooft noemde, of „zijn torentje", zooals 
het menigmaal bij den Drost zelf heet en ook in een klein 
gedichtje, dat Jan Vos er op maakte. Dddr heeft Hooft met 
onvermoeide vlijt zijne geschiedwerken geschreven. In 1672 
bestond het nog, nu is het verdwenen. 

Ook vandaaruit zal de Drost menigmaal zijnen gasten als 
hartelijk gastheer te gemoet zijn getreden, met wat minder 
ernstige waardigheid dan waarmee hij ons nu voorstaat, wan- 



150 HOOFT ALS GASTHEER. 

neer wij in de senaatskamer der Amsterdamsche Universiteit 
zijn portret beschouwen, dat hij in 1629 tegeUjk met dat zijner 
vrouw door Michiel van Mierevelt liet schilderen, en waarvoor 
hij zelf te Delft ging poseeren. Da&r voldoet hij geheel aan 
de beschrijving, die Geeraardt Brandt ons van zijn uiterlijk 
gaf. Hij vertoont er zich, tot aan de knieën afgebeeld, als 
„lang en maagerachtigh van persoon, ook van aangezicht, met 
wakkre bruine oogen, daar de schranderheit van zyn geest 
in scheen te spoelen"; als „blondtachtig van hair en baardt 
of tusschen blondt en bruin, en bloozend van aangezicht". Een 
tweede portret (nu in het Rijksmuseum), in 1642 van hem door 
Sandrart geschilderd en door menigeen van een dichterlijk 
bijschrift voorzien, moet bij het eerste achterstaan, omdat het 
hem niet meer in zijne volle kracht te zien geeft. 

Dat Hooft op het slot gaarne logé's en gasten had, laat 
zich bij zijne gezellige natuur licht begrijpen. Wanneer hij bij 
het begin van de lente het woelige Amsterdam verliet, ge- 
voelde hij zich aan den Vechtmond niet zelden eenzaam en 
verlaten, ver van die groote wereld, waarin hij zooveel belang 
stelde en waarin hij zich zoo goed te huis gevoelde. Wèl trachtte 
hij zich te troosten met de overweging, dat men te Amsterdam 
zijn bestaan somtijds wat te zeer voelde en dat wie daar op 
het kussen zaten niet te benijden waren, met name niet in 
1629, toen men er andere „passy preekte als die van onzen 
Heere", toen men „er requesten dichtte en steenen raepteom 
de Heeren nae 't hooft te werpen", zoodat er de trom geroerd 
en de wacht moest betrokken worden ; doch blijkbaar hinderde 
het hem, dat hem het nieuws van zijne vaderstad daar te 
Muiden zoo laat ter oore kwam, dat hij er leefde „als die de 
werelt gestorven zijn oft ten minsten leeren sterven op zyn 
philosoophs". „D* eene dagh is den anderen zoo gelijk", schreef 
hij aan Baeck, „dat ons leven een schip schijnt zonder riemen 
in doode stroom ende stilte". Een andermaal klaagt hij : „Wy 
leeven hier als ballingen buiten den zichteinder der nieuwmaeren", 
of noemt hij het een werk van barmhartigheid zijne eenzaam- 
heid te vervroolijken. Zóó dankbaar is hij den gasten voor 
hunne komst, dat hij ze liefst beschouwt als zijne gastheeren, 
omdat zij hem op geestelijke spijs onthalen, waarnaar hij te 
Muiden zoo dikwijls vasten moest. Moesten zij voor zijne vele 



DANIËL MOSTART BN LAURBNS RBAEL. 151 

aitnoodigingen bedanken of hun bezoek uitstellen, dan was 
hem dat steeds eene teleurstelling. 

Om groot gezelschap en luidruchtige feestmalen was het hem 
niet te doen: zelf was hij matig en spoedig tevreden en zóó 
weinig fijnproever, dat hij zijn wijn koos naar den smaak 
van anderen, als hij soms welstaanshalve op fijnen wijn moest 
onthalen. „De grootste maeltyden baeren my juist de gi*ootste 
vreughd niet", schreef hij : „onder 't getal der Gratiën noch 
boven dat van de Musen moet, zeidt men, geen zoet gezelschap 
loopen". Het liefst was het hem, als zijne gasten ook wat 
nieuw gemaakte verzen of andere letterkundige lekkernij mee- 
brachten, waarmee het ernstig gesprek of de schertsende tafel- 
kout kon worden afgewisseld. En dan zag hij gaarne zijn 
vriend, den Amsterdamschen stadssecretaris Daniël Mostart, 
bij zich aan tafel, die door hem en zijne vrienden menigmaal 
„de saus" van den letterkundigen maaltijd werd genoemd, 
omdat hij — zelf slechts een middelmatig dichter — de gave 
bezat, de verzen van anderen zóó voor te dragen dat zij den 
gunstigsten indruk maakten. „UE. troone, is 't mogelijk, den 
heer Mostaert mee", schreef hij eens aan Van Baerle; „alle 
spijs zal te beter smaek hebben met die saus'*. Hij had toen 
namelijk „wat nieuws van den Heere van Zuilichem ontvangen, 
dat hij, „spaeren wilde tot banket". 

Dat hij ook met enkele weinige gasten hoogst tevreden 
kon zijn, wanneer het tevens goede vrienden en geestrijke 
menschen waren en ook zijn zwager Joost Baeck er toe be- 
hoorde, blijkt uit hetgeen hij dezen in 1635 schreef: „De 
Heer Vossius oft Reael, nevens UE , zyn my alle de wereldt". 
Laurens Reael was hem te meer welkom, omdat hij zoo lang 
zijn gezelschap had moeten missen. In 1625 tot vice-admiraal 
benoemd, ging Reael het volgende jaar naar Engeland om 
Karel I bij gelegenheid zijner troonsbestijging uit naam van de 
Staten-Generaal geluk te wenschen en nam daarna onder Willem 
van Nassau, wiens dood hij in 1627 in een lijkdicht betreurde, 
aan een vrij wel mislukten zeetocht tegen Spanje deel. Nog 
een jaar later vertrok hij als gezant naar Denemarken, 
maar in 1628 vandaar terugkeerend, leed hij schipbreuk op 
de kust van Jutland, waar hij in handen kwam van Keizer 
Ferdinands troepen, die hem als gevangene naar Praag en 



152 reabl; qbdichten op petrarca. 

Weenen voerden. „Syn waerde was de swaerste van syne 
boeyen", zooals Hooft schreef, die ook het zijne tot 's ridders 
verlossing bijdroeg en op het „loos graf* van zijn vriend een 
paar versjes maakte, waarbij Vondel, die zich in hetzelfde 
jaar ook naar Denemarken had begeven, eene „bede" in son- 
netvorm aan den Keizer voegde. Eerst op het eind van het 
jaar volgde de verlossing en eerst in het volgend jaar kwam 
hij over Hamburg en over zee naar Amsterdam terug, waar 
hij toen in het huwelijk trad met Susanna Moor, zooals wij 
o.a. weten uit Hooft's keurigen „Echtzang" en Barlabüs' 
„Epithalamium". Na zijn huwelijk verliet Reael Amsterdam 
niet weer. Als bewindhebber der Oostindische Compagnie en 
als voortreffelijk beoefenaar van wiskundige aardrijksbeschrij- 
ving en zeevaartkunde, waaraan hij de vriendschap van Galilei 
dankte, behoefde hij geen staatsambt om nuttig te kunnen 
werken. Toch werd hij te Amsterdam tot lid van de vroed- 
schap benoemd en bekleedde hij daar eenige malen het sche- 
penambt, maar toen hem zijne beide zoontjes tegelijkertijd door 
de pest waren ontrukt, schokte de droefheid daarover zijn 
gestel zoozeer, dat hij spoedig daarop, 10 Oct. 1637, ook zelf 
overleed. Huygens schonk hem een Latijnsch grafsöhrift. 

Dat Huygens onder de leden van den Muiderkring eene 
voorname plaats inneemt, zal niemand ontkennen ; toch is hij 
in de laatste twintig jaar van Hooft's leven slechts driemaal 
op het slot geweest; maar wat aan persoonlijk -samenzijn ont- 
brak, werd vergoed door levendige briefwisseling en toezending 
van gedichten. In 1630 gold die briefwisseling Petrarca. Een 
„versufte monnick" had een troep dronken boeren aangezet 
om het graf van Petrarca te schenden en „alle de poësievan 
Italiën dreunde er af'. De Venetiaansche kunstbeschermer 
Molino wenschte, dat ook van uit Nederland stemmen zouden 
opgaan om te weeklagen over dit vandalisme, en Huygens 
gaf aan dien wensch gehoor, niet alleen door drie kleine 
Italiaansche versjes en een uitvoeriger Latijnsch gedicht daar- 
over te schrijven, maar ook door andere dichters op te wekken 
hetzelfde te doen. Hooft vertaalde nu het Latijnsche gedicht 
van Huygens in het Nederlandsch en voegde er nog een 
klinkdicht bij „op het steuren van Petrarchaes graf'. Bar- 
LAEUS deed zich in het Latijn hooren. Van dbr Burqh en 



MUZIEK BN ZANG IN DEN MUIDERKRINQ. 153 

de Ijeeuwarder dichter W. Snabelius zonden een Italiaansch 
gedicht en een advocaat van het Hof van Friesland, P. Knijff, 
een Fransch versje, zoodat de Nederlanders niet achterbleven, 
toen geheel Europa zijne liefde uitsprak voor den hoofdman 
der Renaissance, die ook op onze poëzie, vooral in den Mui- 
derkring, zoo groeten invloed had geoefend. 

In hetzelfde jaar werd Huygens op het Muiderslot verwacht 
in het gevolg van Frederik Hendrik, die het Gooi toen wil- 
de bezoeken, doch tijdsgebrek was oorzaak, dat Hooft den 
Prins alleen officieel mocht begroeten en onthalen te Weesp, 
hetgeen eene groote teleurstelling voor hem was, omdat hij 
reeds lang te voren allerlei maatregelen had genomen om den 
vorst statelijk op het hooge huis te Muiden te ontvangen. 
NatuurUjk moest bij iemand als de Drost die feestelijke ont- 
vangst ook een artistiek karakter dragen. Hij had daarom 
(vermoedelijk door Vóndel's bemiddeling) „de speelende gezel- 
len besproken om onder 't schaffen der spijze eenighe kluchten 
aen te rechten'* en ook zijn vriend, den voortreffelijken 
organist Dirck Sweelinck, weten over te halen, naar Muiden 
te komen, terwijl daar Tesselschade en hare vriendin, de 
Fransche nachtegaal, Francisca Duarte er den Prins met 
haar liefelij ken zang zouden hebben trachten te bekoren. 

Meermalen treffen wij later beide met elkaar op hét Mui- 
derslot aan, want Hooft hield bijzonder veel van muziek en 
zang en Tesselschade bleef voor hem steeds de oude getrouwe 
vriendin, die altijd welkom was en altijd de vroolijkheid 
meebracht , als zij voor eenige dagen kwam logeeren. Op haar 
zang werden ook anderen genood. Wanneer eenmaal (in 1633) 
Brostebhuysen, die zelf de clavecimbel bespeelde, en Van 
DBR BüRGH, zelf verdienstelijk luitenist, er op getrakteerd 
waren geweest, schreef Hooft haar na haar vertrek: „Brosrjen 
en Burghjen konden hier niet duiren , toen UE. weg was. Wy 
gingen ze 'snaemiddags quijt. *t Zoud' er anders gegaen 
hebben, waeren de deuntjens niet uit geweest. Ach, hoe bin- 
den die keelbandenl" 

Zelf verheerlijkte Tbsselscha de zangkunst in het meest 
bekende der 24 gedichtjes, die wij van haar bezitten: „Onder- 
scheyt tusschen een wilde en een tamme zanghster", waarin 
eerst de lof verkondigd wordt van den nachtegaal, dat 



154 MUZIBK EN ZANG IN DBN MUIDBRKRINQ. 

„zingend veedertje en gewieckt geluyt", zooals zij hem in 
navolging van Marino noemt, dat „oolyk, vrolyk diertje, 
dat in zijn klein lijfje „zulk een kracht van luytruchtigheden 
herbergt" en „wiens tjilpend schril geluyt gelijck een orgel 
fluyt, veel losse toontjes speelt en met één tongh alleen als 
duyzend tongen queelt". Maar verre wordt het „ydel galmen" 
van den nachtegaal overtroffen door het woordbezielen van 
de „tamme zanghster", die, „zoomers en 's winters even rustigh, 
na een liever trant doet luystren het verstandt", en die „waer- 
diger onthaelt de geesjes van 't gehoor en hipp'len doet de 
ziel van 't hertje tot het oor". 

Zij schreef dit gedichtje voor de uitnemende zangeres Maria 
Pilt, van wie het ons niet bekend is, of zij zich ooit op het 
Muiderslot heeft laten hooren. Evenmin weten wij dat van 
de Engelsche nachtegaal, Utricia Ogle, het „tooverende vogeltje", 
aan wie Huygens enkele gedichtjes en ook zijn muziekbun- 
del gewijd heeft; maar onwaarschijnlijk is het toch niet, daar 
Hooft haar kende, zooals blijkt uit het kleine gedichtje: „O 
Ogle, ooghelijn der jeugdt: de min te vlieden is geen deugdh', 
enz., eene vermaning in 1641 tot haar gericht, waarnaar 
zij eerst in 1645 luisterde door Sir William Swann, kapitein 
in dienst der Staten, te huwen. Wel weten wij zeker, dat 
Jan Vos, bhjkens een zijner sneldichtjes, in 1643 te Muiden 
Mevrouw Anna Bloys van Treslong de door Hoopt vertaalde 
„Klaght van Koning Henrik de Groote over 't afwezen van 
Marie de Mommorency" hoorde zingen. 

Maria Tesselschade had echter veel meer aantrekkelijk- 
heden dan haar zang. Iedereen te Muiden wist zij te boeien. 
Hooft's pleegdochter Susanna dweepte met haar, zooals jonge 
meisjes dat kunnen, en hij zelf noemde haar met haar 
„ouwde even jonge zoetemelxhart wel gesoorteert met sijn 
lieve Leonoor, derwelke zy op eenen roemer tot zinspreuk 
toegewijdt heeft: „Altijts vroo". Dat was niet de eenige roe- 
mer, dien zij graveerde, want Hooft verzocht haar meermalen 
aan zijne bokalen met hare diamanten stift de waarde te 
geven van diamant: eene kunst, die zij evengoed verstond 
als hare zuster Anna. Zij daarentegen vereerde in hem het 
hoofd der poëten en den grooten historieschrijver, bhjkens 
haar bijschrift bij zijn portret: 



T£S8KL8CHADE EN BARLABUS. 155 

„Siet hier u heerlück hooft I dat is de schets in 't kleen 

Van al n groote leen. 

Geen daistre prophecy en heeft h\j voorgenomen 

In 't licht te laten komen; 

Maer doet a meenich eeuw de Son terugge gaen 

Door zQn Histori-blaen. 

Dit is u Hooftman, siet, dit is hy, die bedreven 

Op blinde klippen is, om andre licht te geven, 

d' Onsterflijcke Poeët, door watert in de vloet 

Van steyle tweelingstop , die dayzent Echoos voet*'. 

E^enige jaren achtereen was Tësselschade, wanneer zij te 
Muiden kwam, vergezeld van haar man, bij wien zij twee 
dochtertjes had, Teetje (Taddaea) en Maria; maar in Mei 1634 
verloor zij haar oudste dochtertje, en de vader, die zich al 
te sterk aan dat negenjarig meisje schijnt gehecht te hebben, 
ontving daardoor zulk eene hartewond , dat hij den volgenden 
dag, zooals Huygens in een klinkdicht zeide, „daeraen doodt 
bloedde". Het wijsgeerig heroïsme, waarmee Tesselschadk 
dezen dubbelen slag vei-droeg, noopte Hooft de woorden 
zijner hartelijke deelneming grootendeels in de pen te houden. 

Dat Tesselschade sedert dien tijd in den Muiderkring als 
schoone weduwe verscheen, voerde er een toon in, die er te 
voren nog niet werd gehoord, ook omdat in 1632 daar voor 
't eerst twee bezoekers onthaald waren, die al spoedig tot 
Hooft's beste vrienden zouden behooren: Gbrabd Vossius en 
Caspab van Baerle. De eerste, een buitengewoon geleerd en 
ernstig man, paste misschien beter bij Hooft persoonlijk, dan 
in den geheelen kring; maar met zijn collega Van Baerle 
was het anders. Deze was alleen op de katheder professor en 
overigens het type van een Renaissanceman : beweeglijk en 
spoedig bewogen, soms diep zwaarmoedig, maar dikwijls ook 
luidruchtig vroolijk en onuitputtelijk van vernuft. Vijand van 
azijnzure gezichten en lichtschuwe kerkuilen, noemde hij zich 
zelf, al bezong hij ook Christelijke onderwerpen, een half- 
heidensch dichter („semipaganus poeta"), wien het jolige leven 
der Ouden veel meer aantrok, dan het eenigszins ascetisch 
gekleurde Christendom, en die door de levendigheid van zijn 
geest en de slagvaardigheid van zijn goedmoedig vernuft 
spoedig de ziel was van elk gezelschap, dat hij bezocht. 

Toen nu in het midden van 1635 zijne Barbara hem ont- 



156 TBSSBLSCHADB EN BARLAEU8. 

vallen was, betreurde hij zijne huisvrouw wel in rhetorisch 
Latijnsch proza, maar blijkbaar meer als bedgenoot dan als 
persoon, zoodat hij, zelfs als vader van zeven kinderen van 
zeven tot twee-en-twintig jaar oud, zich nog jeugdig genoeg 
gevoelde om soms met onstuimigen hartstocht naar eene 
tweede echtgenoote te verlangen; en het getuigt in elk geval 
voor zijn goeden smaak, dat hij die meende gevonden te 
hebben, toen hij in het begin van 1636 te Amsterdam 
voor het eerst met Tesselschade kennis maakte. Hooft 
die hem wel „een bescheiden plaetsvulster van zyne waerde 
saelighe Barbara toewenschte*', moedigde Van Baerle terstond 
aan en beproefde hem met Tesselschade op het Muiderslot 
nader in aanraking te brengen, terwijl Huygkns hem in het- 
zelfde jaar en na een gezellig samenzijn van vele goede 
vrienden aan Hooft's gastvrijen disch in eene reeks van schert- 
sende Latijnsche puntdichtjes, die hij — eigenlijk tegen zijn 
zin — vernuftig wist te beantwoorden, vermakelijk, maar wat 
te plomp, plaagde, zoowel met zijne watervrees, die voor hem 
de Zuiderzee onbetrouwbaar maakte, als met zijne hefde voor 
het mooie weeuwtje, dat hij plan had, te Alkmaar te gaan 
opzoeken. Ook Tesselscha werd geplaagd met haar Belusar 
(d . i . Schoon gebruik), zooals Hooft Barlaeus' naam omspelde, 
en met den dichtstrijd, dien zij had uitgelokt; en zij vond het, 
zooals zij schreef, „geene kleene troost een ballon te zijn, daer 
de armen der geleerde luyden mee kaetsen*', maar in een 
tweede huwelijk had zij geen zin. Zelfs bepleitte zij in theorie 
het coelibaat tegenover Van Baerle, die het huwelijksleven 
voorstond. 

Een paar jaar later wist Hooft zijn vriend nog naar Muiden 
te lokken met de aankondiging, dat daar „de Meereminnen" 
(Tesselschade en Francisca Duarte) te verwachten waren, op 
welk „paer klaere keelen" hij ook andere „gezuiverde ooren 
te gaste" noodde, zoodat het toen weer feest was te Muiden. 
Langzamerhand werd Van Baerle Tesselschade's „vryer om 
welstaens wil", zooals Hooft het uitdrukte, en Tesselschade liet 
zich die dichterlijke vrijerij welgevallen, die welhaast niet 
anders was dan vriendschap iii pikanten vorm. 

Vooral moest deze, aanvankeUjk zeker wel ernstig gemeende, 
liefde bij Barlaeus haar ernstig karakter gaan verhezen, toen 



HÜYGKNS ALS MKDKVRIJKR VAN BARLAEÜ8. 157 

HuYGENs na den dood zijner Sterre ook deed alsof hij het 
geestige weeuwtje tot vrouw begeerde en dus als zijn mede- 
dinger optrad, zonder dat hunne vriendschappelijke verhou- 
ding er ook maar in het minst onder leed. Duidelijk blijkt 
dat uit de vele, meest Latijnsche, gedichtjes, waarin zij elkaar 
wederzijds plaagden met hunne gemeenschappelijke hofmakerij 
van dezelfde toovenares, die „het oude jonck, de steenen 
groen maeckte." 

Deze woorden komen voor in het bekendste der weinige 
gedichtjes, die Van Baerle voor Tesselscha, omdat zij geen 
Latijn verstond, in het Nederlandsch schreef, namelijk in zijn 
dankdicht „aen de aerdige Tesselschade voor het festoen, (in 
1639) opgehangen te Muyden" in de „Geluckige Sale daer 't 
weeuwtjen in spoockte": eene versiering, waarmee zij aan de 
drostelijke hooge zaal zulk een feestelijk aanzien wist te geven. 
Van haar smaakvol vlechtwerk van bloem- en vruchtfestoenen 
zeide hij in een ander gedichtje, navolging van een zijner 
Latijnsche verzen, „dat het alleen geen enckle zoen, maer 
meer kusjes waerdig" was, dan er bladeren aan te tellen 
waren, „die de handt gevlochten heeft van de zoetste die 
daer leeft". Tesselschade's andere begaafdheden zijn door 
Barlaeus in keurige Latijnsche gedichten geprezen, waar- 
van er sommige door Bilderdijk voortreiBFelijk zijn vertaald, 
o.a. het inhoudrijke gedicht op „Belvedère", Tesselschade's 
woning in den Alkmaarder Hout, een zetel der kunsten, een 
tempel der wijsheid, grootendeels gemeubeld met kunststukken 
van Tesseltjes eigen hand, die al wat er maar schoons en 
bekoorlijks te bedenken viel te voorschijn wist te tooveren. 

Dat HuyoENS een ernstig mededinger naar de hand zijner 
oude vriendin zal geweest zijn, kan betwijfeld worden. Hij 
hield er nu eenmaal van, vriendschapsbetrekkingen te onder- 
houden met begaafde vrouwen, die hij gaarne in verzen hul- 
digde, zooals bv. ook reeds vroeger, maar later nog telkens 
weder, Anna Maria Schuermans; maar toch deed die geleerde 
jonkvrouw, die zelfs de studie van het Aethiopisch ondernam, 
in zijn oog verre onder voor Tesseltje, en niet minder in dat 
van Barlaeus en Van der Burgh, die het er over eens waren, 
dat „haer werk nae schoolmeesterye" riekte, terwijl Tesseltjes 
„verheven vernuft zwanger ging met buitenwereldsche invallen'*. 



158 HUYGENS' POGINGEN OM TBSSBLSCHA TB BEEBBRBN. 

In elk geval kon er bij 's Prinsen secretaris, al waren zijne 
„tong en penn en hand in vrijheid noyt verkocht, alleen 
verknocht aan 't vorstelick bevel dat onse Vrijheid plantte", 
geen denken zijn aan een huwelijk met Tbsselschade, zoolang 
zij vast bleef houden aan haar katholiek geloof, waarop zij 
zelfs bij het toenemen van haar leeftijd meer en meer prijs 
begon te stellen, zooals ook de wijsheid van Anna Maria 
Schuermans later meer en meer in theologische haarklooverij 
en eindelijk, ten spijt van Huygens, in piëtistische dweperij 
met Jean de Labadie verliep. 

Wie zou willen staande houden, dat Huygens ernstig gehoopt 
heeftop Tesselschade's hand, zou daarvoor als bewijsgrond kun- 
nen aanvoeren, dat een man als hij, die nooit als ijveraar voor 
eenig geloof was opgetreden, toch zooveel moeite heeft gedaan 
om haar tot het protestantisme te bekeeren, en dat wel op 
half meesterachtigen, half hekelenden toon, dien hij met zijne 
genegenheid voor haar trachtte te verontschuldigen door te 
zeggen: „lek spaer de roede niet, ick heb het kind te lief', 
want dat antwoordde hij in 1642 aan Barlaeus, toen deze 
zijne „rouwe bestraffing over Tesselschade miss-geloove" had 
afgekeurd. 

Vier jaar lang sloeg Huygens bij tusschenpoozen op het 
zelfde aanbeeld. Hij herinnerde haar aan haars vaders vrij- 
zinnigheid, beweerde, dat „een stall-licht haer missleydde", 
dat haar geloof schipbreuk zou lijden en dat dit dan de ware 
„Tessels-schade" zou wezen. In het begin van 1645 gaf Van 
Baerle negen stichtelijke gedichtjes van Huygens uit onder 
den titel Heilige Daghen, met eene dichterlijke opdracht aan 
Leonora Hellemans. Eén van die gedichtjes was aan „'sHeeren 
Avondmael" gewijd, en dat gaf aan Huygens aanleiding om, 
toen hij een exemplaar van het bundeltje aan de „beroemde 
maer eilaes! beRoomde Tesselscha'* zond, daar een lang ge- 
dicht bij te voegen, dat fel en hatelijk de mis bestreed en dat 
begon en ook besloot met de opwekking: „Kom, Tessel, uyt 
de Miss en uyt het misverstand!" Tesselscha schijnt aan 
Huygens zijne aanvallen niet kwalijk genomen te hebben, 
want kort daarop logeerde zij eenige dagen bij hem in Den 
Haag Blijkbaar hield zij wel van disputeeren en werd er niet 
door in tweestrijd met zich zelf gebracht. „Vergeefs gepreeckt". 



HBT PRBCIEUSB IN DEN MUIDBRKRING. 159 

achtte zij het, daar „door Godts genaed de keur niet aeu haer 
stond''; zij voelde zich veilig op „Sinte Pieters schip**, en, als 
zij de mis hoorde, hoorde zij „de waerheyt", terwijl Huyqbns 
„altijt mis hoorde", zooals zij in een puntdicht zeide. 

Men ziet, ook bij dezen emstigen geloofsstrijd ontbrak het 
niet aan woordspelingen : die kon men in den Muiderkring blijk- 
baar niet missen , en vooral Huygens was er ver in. Ook was 
de ingenomenheid er mee destijds internationaal, al wordt er 
ook minder geest dan oefening voor vereischt, evenals voor 
het oplossen van raadsels en rebussen en het te pas brengen 
van anecdoten. Zoo ergens, dan is vooral hier maat houden 
noodzakelijk, en ongelukkig kan niet worden beweerd, dat 
de leden van den Muiderkring in dezen gewoonlijk binnen 
de perken van den goeden smaak bleven. Alleen Barlaeus, 
die over zooveel oorspronkelijk vernuft beschikte, schaamde er 
zich wel een beetje over, als hij aan die mode moest mee- 
doen, zooals o. a. blijkt uit een brief van hem aan Hooft, 
waarin hij naar aanleiding van een vernuftswedstrijd met 
epigrammen, die Huygens met hem had aangegaan, schreef: 
,Ik heb geantwoord, zooals ik kon, niet zooals ik mlde. Dit 
schrijf ik, opdat ge niet meenen moogt, dat ik alle woord- 
spelingen veracht". Hij wilde zeggen: eene woordspeling kan 
op zijn tijd wel aardig zijn, maar Huygens gaat er zich aan 
te buiten. Ook Hoopt zag Huygens liever „werken in de 
gloory des Prinsen", dan in gezochte puntdichtjes alles op- 
offeren aan den lust om eene aardigheid te zeggen. 

Evenmin was Van Baerle ingenomen met Huygens' duister 
Latijn. „Het is den goden eigen zich in wolken te hullen", 
schreef hij aan Hooft, „ik voor mij word gaarne van alle 
kanten bekeken, en in het schrijven streef ik bovenal naar 
duidelijkheid. De bevalligheden worden zonder omhulsel afge- 
beeld. Deze zijn het, die ik in u vereer'*. Met deze beleefdheid 
aan het adres van Hooft besloot hij zijne fijngeestige critiek 
in den hoffelijksten vorm. Ook het Latijn zelf van Huygens 
kon Barlaeus, die zijn roem buitenslands vooral aan de 
elegantie en keurigheid zijner woordenkeus en zinswending 
te danken had, niet hoog stellen, daar de veelschrijvende en 
l)ovendien door bezigheden overstelpte staatsman geen tijd 
lad om met de keurigste schrijvers der Oudheid te wedijveren, 



160 DE VROOLIJKHKID IN DEN MÜIDKHKRING. 

maar het Latijn schreef, zooals het toen onder mannen van 
studie in den dagelijkschen omgang meest gesproken werd, 
met dooreenmenging van woorden en zegswijzen uit allerlei 
perioden der Latiniteit. Toch heeft Barlaeus aan Huygens 
den dienst bewezen, in 1644 diens gezamenlijke Latijnsche 
gedichten onder den titel Momenta desultoria uit te geven in 
negen boeken, waarvan er acht alleen puntdichten bevatten. 

De eigenaardige verhouding, waarin Tesselschade, Huygens 
en Van Baerle tot elkaar waren komen te staan, deed niets 
aan hunne vriendschap te kort en werd zelfs de kruiderij van 
hun gezellig verkeer. Meesterlijk verstond men in den Muider- 
kring de kunst, elkaar jong van hart te houden ook bij het 
klimmen der jaren, en de wat oudere Hooft verlustigde er 
zich blijkbaar in, zulk een vroolijken kring te kunnen bijeen- 
brengen. Kenmerkend voor den prettigen toon, die er heerschte, 
is een brief van 30 Aug. 1644, geschreven aan Huygens, die 
in dienst van den Prins aan de belegering van Sas van Gent 
deelnam en dus niet van de partij kon zijn. Deze draagt de 
onderteekening van Hooft en zijne vrouw, van Tesselschade, 
Barlaeus en Dirck Graswinkel, en luidt aldus: „Terwyl 
UE. Gestr. daar dondert en blixemt tegens 't Sas, met groove 
stukken van metaal, dondren en blixemen wy hier, met fjme 
stukken van kristaal, teegens UE. Gestr. achteloosheit in 
't stuk van woordthouding aan dit huis, dien d' eere van 
een bezoek belooft was by handtteeken en zeegel. D' een 
vermeet zich te bewijzen, met den beeker in de handt, dien 
hy aanneemt daarop uit te veeghen, dat de windt slechts 
anderhalf aas meer weeght dan UE. Gestr.; d' ander wil 
staande houden met hetzelfste geweer, dat ÜE. Gestr. wel 
drie aazen lichter is. De derde drijft, tot naadeel van UE. 
Gestr., dat het noch veel meer scheelt, en voeght er by, noit 
tot noch toe gelooft te hebben, dat er ydel in de natuur was: 
dat hij nu, oovertuight door ondervinding, het teeghendeel 
bekennen moet, houdende UE. Gestr. voor 't ydel! Elk wat 
verzacht door 't drinken van den nectar, ons geschonken in 
haare laatst uitgekome Gedichten, bidt daarentussen voor 
UE. Gestr. bekeering, en maakt beurtelinx daarop, gelijk t' 
effens op haare behoudenis en den ondergang van 't Sas, 
een versch vat van drie mutskens leedigh". Hoe men ook 



OBLSBRDEN BN 8TAATSLIBDBN OP HBT MUIDBRSLOT. 161 

over den Muiderkring oordeele, zwaar op de hand als het 
gros der Nederlanders waren Hooft's vrienden in elk geval niet. 
Doch ook deftiger gasten waren Hoopt welkom: mannen 
van aanzien in den staat of beroemd in de wetenschap. Zoo 
kon men op het Muiderslot behalve Vossius ook 'sgastheers 
neef Pieter Jansz. Hooft aantreffen, die, rechtsgeleerde van 
beroep, ook als bekwaam natuur- en scheikundige in eere 
geweest was aan het hof van Keizer Rudolf II, tot hij naar 
Amsterdam terugkeerde, waar hij tot aan zijn dood in 1636 
eene plaats in de schepenbank innam; en verder Hooft's aan- 
gehuwden neef Joachim van Wikke voort, den Majoor-generaal 
Jacob Wytz, Dr. Nicolaas Tulp, Hooft's huisarts, den Alk- 
maarder doctor Pauw, Hadrianus Junius, den rector der 
Latijnsche School, den geleerden Dirck Graswinkel, fiskaal 
van 't Hof van Holland, en vele anderen. Dat ook Descartes 

m 

het Muiderslot zou bezocht hebben, valt van dien eenzelvigen 
wijsgeer te betwijfelen, maar bekend is het, dat ook Hoopt, 
evenals Huygens, met hem bevriend was en bij zijn tegen- 
stander Voetius als Cartesiaan te boek stond. Uit het feit, dat 
zijn vriend, de Utrechtsche hoogleeraar Henricus Reinerus, 
hem uit Descartes' naam een exemplaar van diens „Discours 
de Ia methode" aanbood „pour Ie grand estime", zooals deze 
er bij schreef, „qu'il fait de vostre mérite", blijkt tevens, hoe 
hoog HooFT ook onder de wijsgeeren als vrijzinnig denker 
stond aangeschreven. 

Van zijne oude vrienden zag Hooft te Muiden zoo nu en 
dan ook Dr. Samubl Coster, o. a. in 1631 en ook nog in 
1646, en jaren lang was ook Vondel er een gewenschte gast, die 
telkens uitnoodigingen ontving, van wien telkens in brieven 
sprake is, die aan Hoopt in 1628 uit Denemarken, waar hij 
zich toen voor handelszaken bevond, twee dichtbrieven toe- 
zond en ook later vele andere gedichten, terwijl hij hem (in 
1634) in de gelegenheid stelde, op het slot een „poëtischen 
maeltijdt" te houden, daar hij toen het vijfde boek zijner 
Constantinade aan Hooft's gasten kwam voordragen. Zoo bleef 
Vondel minstens tot 1640 toe een welkom lid van den Muider- 
kring, al valt het te betwijfelen, of hij daar wel veel tot het 
vroolijk samenzijn bijdroeg, want in gezelschap was hij op- 
merkelijk weinig spraakzaam, en hij wist dat zelf ook, daar 

II 11 



162 VERWIJDERING TÜSSCHEN HOOPT EN VONDEL. 

hij als bewijs daarvan eens aan Geeraardt Brandt vertelde, „dat 
hy, op een tijdt ten haize van den Heere Joost Brasser in 't 
gezelschap van Hugo de Groot, Vossius en Barlaeus termaal- 
tydt genoodigt, onder 't eeten niet een enkel woord sprak, 
't welck den bysitteren vreemdt voorquam". 

Sedert 1643 was het op eens met de vriendschappelijke ver- 
houding onzer beide grootste dichters gedaan. Ongetwijfeld was 
Vondel daarvan de schuld. Hij was kort te voren tot de 
Katholieke kerk overgegaan en toen met den overdreven, 
schoon begrijpeUjken, ijver van ieder bekeerling bezield ge- 
raakt. Onder suggestie van anderen (naar w^' althans 
mogen hopen), had hij zich niet ontzien, den edeldenkenden 
Drost gruwehjk te beleedigen, misschien echter zonder 
zelf al het grievende dier beleediging te beseflTen. Hooft 
was namelijk voor het Hof van Brussel in proces over 
goederen zijner vrouw, en nu maakte Vondel daarvan 
misbruik om hem nog meer vrijheden voor de pausgezinden 
in het Gooi te willen afdwingen, dan zij reeds genoten, 
zeggende, zooals wij door Brandt weten, ,dat hy hun te wil be- 
hoorde te zyn, of dat het hem anders te Brussel moght schaaden", 
waarop Hooft terecht zeer ontevreden antwoordde, „dat hy zich 
dfitarmede niet hadt te bemoeyen en dat hy die taal voor een 
dreigement nam". Vondel schijnt niet gevoeld te hebben, dat 
zulk eene bedreiging geUjk stond met poging tot omkooping 
van een ambtenaar in zijn beroep, door zijn eed verplicht de 
verordeningen op het houden van Roomsche conventikelen te 
handhaven. 

Tevens toonde Vondel daarmee, dat hij, ondanks zijn veel- 
jarig, uiterhjk zoo vriendschappeUjk, verkeer met den Drost, 
nooit eenig begrip had gekregen van diens ware karakter, 
althans niet van diens vrijzinnigheid en onbaatzuchtigheid. 
Hooft had al jaren lang, alleen uit afkeer van allen gewe- 
tensdwang, aan de Gooische katholieken oogluikend zooveel 
vrijheid verleend, als hij maar eenigszins in zijn ambt mocht 
en kon doen, en terwijl die 7an Regeeringswege binnen zekere 
grenzen veroorloofde oogluiking elders aan den baljuw of 
schout een niet onaardig sommetje opbracht, waarvoor de 
Katholieken haar kochten, stelde Hooft er zijne eer in, „nooit 
voor die ooghluiking, by uitkoop of gift, den gantschen tydt 



YERWIJDBRINQ TÜS8CHBN HOOFT EN VONDEL. 163 

zyner bediening eenen penning te willen genieten", evenmin 
als hij eenig aandeel verlangde aan de opbrengst der verbeurd 
verklaarde goederen van misdadigers, waarop hij toch aan- 
spraak had. Trouwens onbaatzuchtigheid was een der edelste 
trekken van zijn karakter en van zijne jeugd af had hij op 
geldbezit weinig prijs gesteld, over geldverlies zich gemakkelijk 
weten te troosten. Vondel's veronderstelling, dat bedreiging 
met financiëele schade bij hem noodig was, om hem tot 
vrijzinnige toepassing der verordeningen te bewegen, of doel- 
treffend zou hebben kunnen zijn, om hem tot plichtverzuim 
over te halen, moest den Drost dus wel ten diepste grieven en 
hem tot de ontdekking brengen, dat Vondel's vriendschap 
voor hem nooit op ware hartelijke sympathie had berust. Wat 
er dientengevolge van zijne eigene vriendschap voor Vondel 
overbleef, was, bij alle waardeering van zijne kunstbegaafd- 
heid, niet veel meer dan deernis, wanneer daartoe aanleiding was. 

Vondel nochtans schijnt niet spoedig begrepen te hebben, 
wat hem Hooft's genegenheid had ontroofd. Zijne geloofs- 
verandering had hem vele vijanden bezorgd, en hoever Hooft 
boven deze stond, zag hij niet in, evenmin als Geeraardt Brandt, 
die, omdat hij zelf Vondel's bekeering zoo sterk afkeurde, 
daarin de eerste oorzaak der verwijdering tusschen Hooft en 
Vondel zocht. Hij deelde ons het volgende briefje van Vondel 
aan Hooft mede: „Ik wensch Kornelis Tacitus een gezouten 
zaaUg nieu jaar, en dewyl hy my zijn geusetaafel verbiedt om 
een onnoozel Ave Maria, zoo zal ik somtydts noch een Ave 
Maria voor hem lezen, opdat hy sterve zoo devoot Catholyk 
als hy zich toont devoot Polityk." Over de naïveteit der laatste 
woorden moge Hooft hebben kunnen glimlachen, Vondel's 
veronderstelling, dat hij er een geuzentafel op nahield, waarvan 
hij alle KathoUeken weerde, heeft hem als eene andere be- 
leediging moeten voorkomen, hem door zijn ouden vriend aan- 
gedaan tegen beter weten in. 

Immers Vondel wist, hoe welkom Tesselschade en ook hare 
zuster Anna steeds aan Hooft'S tafel bleven, al nam ook beider 
katholieke devotie met de jaren toe. Hij wist, hoe bevriend 
Hooft levenslang geweest was met een overtuigd en ijverig 
katholiek als Cobnelis Gijsbertsz. Plemp, den geleerden 
mnziekbeoefenaar, geneeskundige, advocaat en taaikenner (ook 



164 hoopt's katholiekb vrienden. 

van onze moedertaal), den keurigen dichter van vele Latijnsche 
„Poematia", waaronder de beide boeken „De Patria" of »Am- 
sterodaraum Monogrammen", en van enkele Nederlandsche, 
waaronder „Der Herdooperen Anslach op Amsterdam" (naar 
't Latijn van Jan van Nieuwveen), maar die toch boven en 
in alles katholiek was, zoodat Vondel hem bij zijn overlijden 
in December 1638 deze woorden in den mond kon leggen: 
„boven poëzy en snaar omhelsde ick y vrigh 't Roomsch altaar". 

Het was Vondel evenmin onbekend dat Hooft met de Leu- 
vensche geleerden in vriendschapsbetrekking en briefwisseling 
stond, en zeker evenmin, dat juist in denzelfden tijd, waarin 
hij als katholiek zich de zoogenaamde geuzentafel van den 
Drost ontzegd rekende, daaraan een welkom gast was de 
priester en rector van het Haarlemsch begijnhof Joan Albert 
Ban, die in 1637 in eene merkwaardige Latijnsche verhande- 
ling eene (gedeelteUjk nieuwe) theorie der muziek uiteenzette 
en in 1642 onder den titel Zangh-Bloemzel aan zijn vriend 
HuYGENS een bundel van meerstemmige composities opdroeg, 
waarin, behalve een enkel gedichtje van Huygens en van 
Tesselschade („Wilde en tamme zanghster"), zes liedjes van 
Hooft op muziek gebracht zijn en ook een paar lofdichtjes 
van Ban zelf op Huygens en op Hooft, het laatste met den 
slotregel: „Dies eeren wy u, Hooft, o roem van 't vaderlandt." 

Nog een ander katholiek had men in dien zelfden tijd aan 
Hooft's disch kunnen zien aanzitten, namelijk den ververen 
glazenmaker Jan Vos, die, sedert hij in 1641 met zijn treur- 
spel „Aran en Titus" aller aandacht getrokken had, door den 
Drost „eens voor al op 't slot te Muiden'* genoodigd werd, 
zooals hij zelf met zekeren trots vermeldde. Dat hij er gaarne 
verscheen, valt niet te betwijfelen, want „wie dichtkunst mint 
is gi*aag by 't Hooft der Zanggodessen", zeide hq, en aan het 
vernuftsspel der andere gasten nam hij er naar vermogen deel, 
zooals blijkt uit de sneldichten, die hij te Muiden voor de vuist 
maakte. 

Drie jaar nadat de verwijdering tusschen Hooft en Vondel 
ontstaan was, heeft de laatste nog eens beproefd, den ver- 
scheurden vriendschapsband weer aan te knoopen. Hij had 
toen (1646) juist zijne prozavertaling van „Publius Virgilius 
Maroos Wercken" uitgegeven met eene opdracht aan Huygens, 



hoopt's dood. 165 

die er, evenals Barlaeus, te onrechte zeer ongunstig over 
oordeelde, en zond daarvan een exemplaar aan Hooft met een 
vriendelijk briefje, waarin hij voor dien „Parnasheiligh'* toe- 
gang verzocht en oude herinneringen ophaalde, terwijl hij er 
op wees, hoe vele hunner gemeenschappelijke vrienden reeds 
overleden waren. „Reael leit in de Westerkerck", schreef hij, 
„Plemp, [Jacob] Baeck, Blaeuw, Victoryn en Mostert leggen 
in de Nieuwe kerck onder de zercken gekropen: een teken, 
dat wy volgen zullen : Godt geve ter zalige ure*'. Hooft echter 
schreef beleefd en vriendelijk terug, maar zonder een enkel 
woord, waaruit kan worden opgemaakt, dat Vondel's uiting 
van hartelijkheid weerklank bij hem had gevonden. 

Weldra ook zou herstel van de vriendschapsbreuk niet 
meer mogelijk zijn. Hooft had er zich op voorbereid, dat hij 
spoedig zijne overleden vi'ienden volgen zou. In de laatste 
jaren had hij veel geleden aan jicht en graveel, al trachtte hij 
zich ook goed en blijmoedig te houden ; maar dat hij zijn groot 
geschiedwerk niet zou kunnen voltooien, begreep hij reeds lang. 
Had hij op H eind van 1646 ook geschreven, dat hem nu, nadat 
hij veel had moeten lijden, „'t leeven weeder begon toe te lachen", 
in Maart van het volgende jaar gaf hij aan Broeder Gabriël 
te Leuven zijne vrees te kennen, dat het hem „niet gelukken 
zou het werk wijder te brengen by mangel van gezontheit oft 
leeven, want", voegde hij er bij, „d'eene wort dikwijls be- 
streeden en 't ander luistert my, die staa om op den 16tien 
deezer maant in myn 67© jaar te treeden, in 't oor: Tempus 
abire mihi^\ 

En zoo was het ook. Zijn verjaardag mocht hij nog beleven, 
doch toen hij twee maanden later naar Den Haag was ge- 
gaan, om er de begrafenis bij te wonen van Frederik Hen- 
drik, op wien hij, als zijn laatste dichtwerk, nog drie graf- 
dichtjes maakte, werd hij daar ongesteld en stierf er 24 Mei 
1647 ten huize van zijne stiefdochter Constancia, die er ge- 
trouwd was met den oudburgemeester van Rotterdam en lid 
der gecommitteerde Raden van Holland, Johan van der Meyde. 
Zijn lijk werd naar Amsterdam overgebracht en daar in het 
koor van de Nieuwe kerk bij dat zijns vaders bijgezet. 

Zijne trouwe vrienden, geheel de Nederlandsche Parnas was 
in rouw en aan lijkzangen ontbrak het niet: die van Rbyer 



166 HOOPT GEHULDIGD. 

Anslo vooral werd geroemd; maar de Schouwburg wilde aan 
den vader van het Nederlandsch treurspel eene openbare 
hulde brengen. Op den dag na zijne begrafenis wilden de 
Regenten hem eeren met eene vertooning van zijn ^Geeraert 
van Velsen/' voorafgegaan door eene lijkrede, die in der 
haast moest worden opgesteld. De jonge Gbbbaabdt Brandt, 
zoon van den schouwburgregent Gerrit Brandt, kreeg, omdat 
de tijd kort was, de opdracht, de beroemde hjkrede, in 1586 
door Du Perron op Ronsard gehouden, in het Nederlandsch 
te vertalen en waar dat noodig was door wijziging en aanvul- 
ling op Hooft toepasselijk te maken. Niet onverdienstelijk 
heeft de jonge man zich van die taak gekweten, en de eerste 
tooneelspeler van dien tijd, Adam Kabel van Zjermbs, heeft 
door het uitspreken er van dezen Ujkdienst tot eene indruk- 
wekkende plechtigheid gemaakt. De beschuldiging van plagiaat, 
die Brandt al spoedig in een schimpdicht naar het hoofd 
geworpen is, was ongetmjfeld onverdiend, daar hij juist zijn 
best had gedaan om door zoo nauwkeurig mogeUjk te vertalen 
ieder deskundige in staat te stellen het origineel te herkennen, 
en JoAN Six VAN ühandelibr heeft hem dan ook in een 
scherp gedicht afdoende „teegen 't lasterschrift" verdedigd. 

Even onverdiend was een later verwijt, dat Vondel in de 
lijkrede opzettelijk doodgezwegen zou zijn, terwijl Huygens en 
Van Baerle er in waren toegesproken, want deze zaten daar 
als Hooft's beste vrienden, die hem de laatste eer waren 
komen bewijzen, en iedere verheerlijking van Vondel zou 
hier misplaatst geweest zijn, waar het er alleen om te doen 
was, den Drost te huldigen, als „den grootsten dichter dien 
HoUandt ooit zagh". Of wel iemand in 1647 de waarheid 
van die uitspraak in twijfel zal getrokken hebben P Ik geloof 
het niet. Vondel zelf althans dacht er evenzoo over, als men 
gelooven mag, wat Reyer Anslo ons vertelt van diens opge- 
togenheid na het hooren van deze lijkrede. En zeker was met 
Hooft zoo al niet de talentvolste, dan toch in elk geval de 
beroemdste, de invloedrijkste, de meest zijn tijd kenmerkende 
dichter van de eerste helft der zeventiende eeuw heengegaan. 
De tweede helft dier eeuw behoorde aan Vondel. 

In de geschiedenis onzer letteren neemt Hooft's Muider- 
kring eene éénige, schitterende plaats in, en gaarne zeggen 



vondbl's „maeqhdbn". 167 



wij JoHANNEs VoLLENHOVB na, wat hij in 1671 aan Arnout 
Hooft bij het uitgeven van zijns vaders werken toezong: „Te 
Muiden was de ware Helikoon, en Hooft Apol, op 't hoge 
Slot gezeten: daar paste hem der dichtren lauwerkroon: Dien 
galden tydt moet HoUant nooit vergeten!" 



XXXII. 
Vondel als de dichter van het Catholicisme. 

De verwijdering van Hoopt en Vondel, de beide heroën 
onzer litteratuur, werpt eene sombere schaduw op de schoonste, 
de zonnigste bladzijden der geschiedenis onzer letterkunde. En 
toch gaat ook uit die schaduw voor ons een poëtisch licht op 
over het leven onzer vaderen in dien gulden tijd. Vondel's 
overgang tot de Katholieke Kerk was daarin een veelbeteeke- 
nend feit. 

Menigeen had dien overgang al enkele jaren te voren zien 
aankomen, want waar Vondbl's hart heen trok was voor de 
bestrijders van zijn „Gysbreght van Aemstel" reeds in 1637 
niet twijfelachtig geweest, al werden eerst in de uitgaaf van 
1659 vier versregels aan den engel Rafaël in den mond ge- 
legd om aan te sporen tot volharding „by 't out geloof'. Ook 
kon Vondel in 1639, toen hij zijn treurspel Maeghden uitgaf, 
wel niemand diets maken, dat uitsluitend „groote zucht tot 
zyn geboorteplaats Agrippine" hem den marteldood van St. 
Ursula met hare elf duizend maagden, van haar bruidegom 
Aethereus en van Paus Cyriacus had doen kiezen tot onder- 
werp van een treurspel, maar begreep iedereen, dat bovendien 
ook ingenomenheid met de door Protestanten verfoeide heili- 
gen- en reliquievereering zijne keus had bepaald. Immers, als 
op het eirid van het stuk de geesten der door Hunnenpijlen 
doorboorde Ursula en Aethereus koning Attila en zijn maar- 
schalk Juliaen op de vlucht hebben gedreven en Ursula's 
geest opnieuw aan Keulen's burgemeester en aan den aarts- 
bisschop Aquilijn verschijnt om hun mee te deelen, dat door 
Attila's vlucht het beleg der bedreigde stad is opgeheven, wordt 
tevens voorspeld, dat weldra ook de overblijfsels der Drie- 



168 yONDBL*S BBKBBBINO DOOR DB JB8UIBTBN. 

koningen naar het „heiligh Agrippijn" zullen gevoerd worden 
om daar in een „Driekoningskoffer*' den trots van de prach- 
tige Domkerk uit te maken en er toe bij te dragen, dat de 
stad in het geloof zou blijven volharden „als een echte oprechte 
Roomsche dochter", terwijl de aartsbisschop met zienersblik 
reeds de door Clematius gestichte „Maeghdekerck" voor zich 
ziet, waar „Sinte Ursul noch feest noch ommegang" zou ont- 
beren. 

FeiteUjk echter had Vondel's overgang eerst plaats in 1641, 
zooals gebleken is uit de „Litterae Annuae^' der Jesuieten, aan 
wie ook Vondel zelf in een door hem medeonderteekend 
schrijven aan Paus Clemens X (van 1670) de eer zijner be- 
keering gaf. Deze waren dan ook, ofschoon bij placaat van 
1612 uit de Vereenigde Gewesten verbannen, door de ooglui- 
kende vrijzinnigheid der Regeering overal als missionarissen 
ijverig werkzaam om bekeerlingen te maken, en slaagden 
daarin zóó goed, dat in al te angstvaUige kringen zelfs voor 
verraad van het land aan den vijand kon gevreesd worden 
en de heftige Calvinisten geneigd konden zijn, ieder niet- 
strengrechtzinnige van papisterij te verdenken. 

Welke missionaris het bepaaldelijk geweest is, die Vondel 
tot de Kerk bracht, is nog niet bekend. Men heeft aan Pater 
Petrus Laurentius gedacht, die in 1642 eene der drie toen- 
malige statiën te Amsterdam, namelijk die van den Krijtberg, 
stichtte, maar dan zou men althans wel een enkel gedicht van 
Vondel op dezen priester bezitten, zooals men een lijkdicht 
van hem heeft op Pater Augustinus van Tellingen (f 1669), 
die „tot zijn hooge daegen het lastigh kruis geduldigh heeft 
gedraegen" als pastoor der statie de Papegaai, wat hij reeds 
van 1620 af geweest was. 

Nog acht andere gedichten maakte Vondel op den stichter 
of op leden der Jesuietenorde, terwijl hij ook in 1657 met een 
viervoudigen lierzang zijne vreugde uitte over het herstel der 
Jesuietenorde te Venetië door de bemoeiingen van Paus 
Alexander VII, wiens inwijding en uitvaart hij eveneens met 
een lierdicht begeleidde. Zijn gedicht„Ophet eeuwgetijde van 
den H. vader Ignatius de Loiola", in 1656 gevierd, bewijst, 
hoeveel bewondering hij had voor dien „soudenier" van Jezus, 
die „Christus zegenrijken standert" verhief tegenover de „slag- 



OORZAKEN VAN VONDEL's BEKBRBING. 169 

ordens van den Vorst der helle" en aan zijne volgelingen het 
voorbeeld gaf om „godvruchtigheid en tucht en letterwijsheid 
in de steden" te voeren en „in Oost en West by d' Indianen 
nieuw gebouwde kerken te doen rijzen", zooals bv. Franciscus 
Xaverius had gedaan, wiens „pater noster" hij als eene kost- 
bare nalatenschap reeds in het eerste jaar na zijne bekeering 
bezong en op wiens eeuwgetijde hij in 1652 een lofzang aan- 
hief. 

Was Vondel dus levenslang de Jesuietenorde dankbaar voor 
zijne bekeering, hoe kwam hij zelf aan de neiging om bekeerd 
te willen worden? Op die vraag heeft reeds menigeen een 
antwoord trachten te geven, en daar het voor eene les van 
wereldwijsheid gehouden wordt, bij alle raadselachtige hande- 
lingen te zoeken, of het soms ook „de vrouw" is, die de hand 
in H spel had, heeft men dat ook hier gedaan. Men heeft 
VoNDEi/s bekeering toegeschreven aan zijne liefde voor eene 
schoone weduwe (eene „weigegoede", voegden zijne vijanden 
er bij) en later zelfs wat nader die weduwe als Tssselschade 
aangeduid. Men vergat dan echter, dat zij er eenmaal niet 
tegen had opgezien, den protestantschen Crombalch te trouwen, 
en dat zij na diens dood zich ernstig had voorgenomen verder 
ongehuwd te blijven, terwijl in geen enkel geschrift of gedicht, 
door Vondel tot haar gericht, eenige andere toon dan die der 
vriendschap wordt gehoord, ook niet in het gedicht, waarmee 
bij aan haar onder den naam Eusebia in 1641 zijn „Peteren 
Pauwels" opdroeg. 

Toch zou men wel den naam eener vrouw kimnen noemen, 
die bij Vondbl's bekeering betrokken was, namelijk dien 
zijner dochter Anna, die iets vóór haar vader tot de Katho- 
lieke kerk was overgegaan en zelfs als begijntje of klopje de 
tijdelijke kuischheidsgelofte had afgelegd. Daaruit is ook Von- 
i>*x*s vriendschap te verklaren voor Leonardus Marius, pastoor 
Van de Oude Zijde niet alleen, maar ook overste van het 
Begijnhof, wiens „lykstaetsi" Vondel in 1652 met een hartelijk 
klaaglied volgde, waarin hem o. a. de eer gegeven wordt, dat 
zijn „hant yder, die op een driesprong ysde", den weg wees. 
TJit die woorden is niet zonder waarschijnlijkheid afgeleid, dat 
ook hij zijn aandeel zal gehad hebben aan Vondel's bekee- 
ling ; maar dan volgt er tevens uit, dat Vondel zelf eenigen 



\ 



170 OORZAKEN VAN VONDBL^S BBKBERINQ. 

tijd op den driesprong gestaan heeft, vol angst, omdat hij niet 
wist, welken weg hij moest inslaan, „totdat hem door een 
klaerder blijck van 't Weereltlijck en Kerckelijck ontdeckt wiert 
in een schooner dagh de Perle, die verborghen lagh, waervoor 
men 't al met winst verliest." 

Vóór men hem geholpen had die „Perle'* te ontdekken, 
„bondt sijn jonkheit door errefleer zich aen één secte en geene 
meer", zooals hij in 1650 in zijn „Toets-steen" zeide ter weer- 
legging van de beschuldiging, als zou hij telkens van gods- 
dienst veranderd z\jn, eerst van Doopsgezind Remonstrant en 
daarna weder van Remonstrant Kathohek zijn geworden. De 
Arminianen hadden in hem alleen een politieken bondgenoot 
gehad, en alleen waar zij negatief tegen de gestrenge praedesti- 
natieleer der Gomaristen optraden, was hij hun medestander 
geweest. Van de Calvinisten had hij slechts afkeer gevoeld, 
maar die afkeer behoefde hem nog niet in de armen van 
Rome te drijven. Wie zijn overgang wil verklaren, behoort 
alleen het oog te vestigen op de Mennonieten zijns tijds en 
zich dan af te vragen, wat hem in hun geloof onbevredigd 
liet, zoodat hij besloot de gemeente zijner ouders, waarvan ook 
hij eenmaal een ijverig lid was geweest, vaarwel te zeggen. 

Vèr nu behoeven wij naar dat antwoord wel niet te zoeken. 
Wat toch wa& de onvervalschte leer der Doopsgezinden? Hij 
had gemeend het te weten, maar wist het niet meer. Er waren 
immers zoovele verschillende soorten van Doopsgezinden, die 
ieder hun eigen weg gingen, hunne eigen meening hadden, 
in overeenstemming met het individualistisch karakter van 
den Noordnederlander, dat te weinig strookte met zijne Bra- 
bantsche natuur. Er waren er velen, die in hun eigen geweten 
de stem Gods meenden te hooren; doch die stem sprak niet 
bij ieder dezelfde woorden. Er waren er nog meer, die de 
Schriften onderzochten en daaruit Gods wil meenden te kun- 
nen opmaken; maar welk eene bron van strijd was dat ge- 
worden! Eenigen tijd had hij gemeend het veiligst te gaan 
door zich aan de letter der H. Schrift te houden; maar ook 
dat was hem gebleken nog geene zekerheid te kunnen geven. 
Woorden immers zijn wat zij gelden. 

Had God zich inderdaad aan het menschdom geopenbaard — 
en Vondel schrok voor den twijfel daaraan met ontzetting 



vondel's „peter en paüwbls". 171 

terug — dan moest er ook een hooger dan persoonlijk gezag 
zijn, dat Gods woorden vertolkte, en dat hooger gezag nu 
leerde Vondel kennen in de van geslacht tot geslacht over- 
geleverde verklaring en aanvulling der bijbelboeken, die zuiver 
bewaard was gebleven in de Kerk van Rome met hare door 
den H. Geest bezielde kerkvergaderingen en hare onafgebroken 
reeks van plaatsvervangers van Christus op aarde, die door 
Gods genade in staat waren geweest de ware bedoeling van 
Christus aan elkaar en zóó aan het verre nageslacht over te 
brengen. Eerst toen hij geleerd had, den hoogmoed der per- 
soonlijke overtuiging af te leggen en zich nederig te buigen 
voor het machtige kerkgezag, toen hij „door ootmoed was 
herboren'', gevoelde hij zich als een „van het hemelsche ge- 
slacht", zalig in zijne verzekerdheid, gerust te midden van 
de telkens wisselende en elkaar bestrijdende meeningen zijner 
kettersche landgenooten. 

Het eerste grootere dichtwerk, dat Vondel na zijne bekee- 
ring, nog in hetzelfde jaar, schreef, was zijn treurspel Peter 
en Pauwels, de verheerUjking van den eersten bisschop van 
Rome en van den grooten apostel der heidenen, in wier marteling 
Christus als het ware een tweeden kruisdood onderging. 
Christus echter was, zelf zondeloos, gestorven voor de zonden 
der menschheid, bij Peter en Pauwels werd juist de geestdrift 
voor het ondergaan vanden marteldood uit schuldbesef geboren. 
Beiden toch hadden eene oude schuld uit te wisschen, die 
hun zwaar op het hart lag: de een zijne verloochening van 
Jezus, de ander zijne vervolging van de eerste Christenen. 
Deze maakte hun dood tot eene zedelijke noodzakelijkheid, 
en alzoo het treurspel tot eene ware tragedie, ook in Aris- 
totelischen geest; maar juist omdat zij vrijwillig den dood 
zochten na eerst wonderdadig uit hunne gevangenschap ver- 
lost te zijn, omdat zij, uit diep berouw over het bedreven 
kwaad, door opoffering van hun leven getuigenis wilden af- 
leggen van de waarheid hunner geloofsovertuiging, konden 
zij tevens werktuigen worden in Gods hand om in het god- 
delooze Rome der keizers die heilige kerk der pausen te 
grondvesten, wier rij, met Peter geopend, door Linus werd 
voortgezet. 

Wèl is de „Peter en Pauwels", evenals de „Maeghden", de 



172 „PETER EN pauwels" EN „BRIEVEN DER H. MABGHDBN". 

dramatiseering eener inartelaarsgeschiedenis, maar tegelijk ook 
de voorstelling eener indrukwekkende wereldgebeurtenis: de 
overwinning van de Oude wereld door de Nieuwe. In de gees- 
ten van „Simon den toveraer'' en Elymas, bij den aanvang 
van het stuk (evenals de geesten bij Seneca) uit den afgrond 
der hel opgerezen om, in bondgenootschap met Cornelia, de 
opperpriesteres van Vesta, den bloedgierigen en wellustigen 
Nero aan te zetten tot vervolging der Christenen, is de oude, 
toen zoo diep vervallen, godsdienst van koning Numa verper- 
soonlijkt: het Heidendom, dat in Nero's verstandsverbijstering 
ondergaat. In Peter en Pauwels, de standvastige geloofshelden, 
die „triomfeeren" konden, omdat zij „strijden, sterven, lijden" 
hadden geleerd, openbaart zich de onweerstaanbare kracht en 
meesleepende gloed van den jongen godsdienst des Gekruisten, 
de wereldveroverende macht van het opbloeiende Christendom. 

Toch heeft Vondel nooit de betrekkelijke waarde van het 
heidendom miskend, en allerminst de kunst der heidensche 
dichters, die ook na zijn overgang tot de Oude kerk zijne 
leermeesters in de poëzie gebleven zijn. Dat toonde hij reeds 
een jaar later, toen hij zich de moeite gaf de Heroides van 
Ovidius in proza te vertalen, niet om die vertaling uit te 
geven (zooals bij zijn leven ook niet is geschied), maar uit- 
sluitend om zich te oefenen in den antieken briefstijl, dien 
hij zich wilde eigen maken voor een werk, dat hij terstond 
daarop aanving: zijne twaalf Brieven der Heilige Maeghden, 
martelaressen, of de „maeghdepalmen" door hem toegewijd aan 
de „Hemelkoningin", de „martelstari'egordel" door hem ge- 
offerd aan de „Zeestar", die voor hem het licht was geworden 
„in *sweerelts nacht*. 

Overgelukkig, dat hij zijne gemoedsrust in den schoot der 
oude moederkerk teruggevonden had, deed Vondel nu zijn 
uiterste best om ook anderen hetzelfde heil deelachtig te maken, 
waarvan hij zelf genoot. Zoo werd hij al spoedig ijveraar 
voor het katholieke geloof en schijnt hij ook meer anderen 
tot den Ouden godsdienst te hebben teruggebracht. In elk geval 
liet hij niet na, zooveel mogelijk in proza en dicht getuigenis 
af te leggen van zijne liefde voor de Katholieke kerk, en hare 
voortreffelijkheid ook voor anderen in het licht te stellen, 
zoodat hij daarmee voor alle tijden de dichter van het Catho- 



„GROTIÜS tbstambnt". 173 

licisme in ons land is geworden. Inderdaad, trotsch mag het 
Katholieke nageslacht er op zijn, dat bij ons geen kerkgeloof 
in schitterender gedichten verheerlijkt is dan het hunne, nadat 
onze grootste dichter voor dat geloof was gewonnen. 

Natuurlijk, dat in zijn eigen tijd zijn rustelooze ijver voor 
dat geloof ook aan velen ergernis gaf en dat zijne geschriften 
op velen den indruk maakten van lasterschriften tegen de 
heilige zaak, waarvoor hunne voorouders goed en bloed had- 
den veil gehad; dat hij in de eerste plaats werd beschouwd 
als de man, die, ware het mogelijk geweest, weer alle gruwelen 
der inquisitie in het land zou hebben hernieuwd. Het aller- 
meest waren het zijne oude vrienden, de Remonstranten, die 
hem zijn afval niet konden vergeven, maar die misschien nog 
niet zoo heftig tegen hem zouden zijn opgetreden, als het niet 
bekend geworden was, dat hij het was geweest, die onder de 
initialen R.C. (d. i. Roomsch Catholiek) den overmoed had ge- 
had, hun groeten aanvoerder, tegen wien zij met eerbied en 
bewondering opzagen, Hugo de Groot, onmiddellijk na zijn 
dood voor te stellen als in zijn hart een voorstander van de 
Roomsche Kerk en misschien als geheim bekeerling gestorven. 

Dat toch deed hij in 1645 door de uitgave van het proza- 
schrift Orotius Testament, waarin hij alles wat dienen kon tot 
verdediging of aanprijzing van de voornaamste leerstukken 
en instellingen der R. K. Kerk bijeenbracht uit De Groot's 
laatste geschriften, vooral uit diens, kort voor zijn dood anoniem 
uitgegeven, „Rivetiani apologetici discussie", als vervolg op 
zijne „ Animadversiones" en zijn „Votum pro pace ecclesiastica", 
in 1642 gericht tegen Andrée Rivet, Leidsch hoogleeraar en 
later leermeester van Prins Willem II. Door „Grotius Testa- 
ment" gaf Vondel nieuw voedsel aan de verdenking van 
papisterij, waaronder de Remonstranten toch reeds bij velen 
stonden, en wakkerde hij veeleer den haat der Calvinisten 
tegen hen aan, dan dat hij hen zelf bewoog, het gewaande 
voorbeeld van Grotius te volgen, daar zij — en waarschijnlijk 
met recht — beweerden, dat iemand als Grotius, wiens hoogste 
ideaal een Christendom boven geloofsverdeeldheid was, zeer 
goed de overtuiging van anderen,* en dus ook die van de 
Katholieken, waartoe ook zijne eigene moeder behoord had, 
kon waardeeren en er eene betrekkelijke waarheid in kon 



174 vondel's „altaer-qkhkimenisskn" bn „beüwgety". 

erkennen, zonder nog voor zijn eigen persoon diezelfde over- 
tuiging voor te staan. 

Nog in hetzelfde jaar, waarin „Grotius Testament" verscheen, 
gaf Vondel, behalve eene „Klaghte" over den brand van de 
Nieuwe of St.-Katharinakerk, ter verheerlijking van zijn geloof 
nog een doorwrocht dichtwerk van drie jaren arbeids (schijn- 
baar te Keulen) uit, met zijne initialen op den titel, namelijk 
de „Altaer-GehdTnenisseny ontvouwen in drie boecken". Ook 
dit werk is in de eerste plaats een strijdschrift: het wil door 
bestrijding der ketterij bekeeren tot de heerlijkheid van het 
altaar en is daarom een werk van „Godtvruchtigheit en Godt- 
geleertheit t'zamen'*, waarbij historie, typologie en philosophie 
om strijd hare diensten moeten bewijzen ; en toch is het geen 
droog leerdicht, maar fi'issche, stralende poëzie van het begin 
tot het eind, waarin stoute en lieflijke beelden en vergelijkingen 
elkaar als verdringen op den welluidenden maatslag van den 
iambischen vijfvoet. In drie boeken is de rijke stof verdeeld: 
in het eerste zingt Vondel „van d'Offerspijs der heilige Of- 
ferdisschen*' of de Communie, waarbij hem, als geestverwant 
van Oalderon en zoon der middeleeuwen, eerst de schaduw- 
beelden van het Oude Testament eene flauwe voorstelling 
geven van dit altaarmysterie en vervolgens de apostel Johan- 
nes hem het geheim ten volle ontvouwt. Bij het tweede boek, 
waarin „Van Ofiereere" of Aanbidding gehandeld wordt, is 
het een ander jongeling, die den dichter komt voorlichten, 
namelijk „Godtvruchtigheit d'Aertsengel" ; en in het derde 
boek wordt de „eeuwige Offerhant" of de H. Mis verklaard 
door „Sint Pauwels die van boven neder quam, eene rol 
met brieven" in de hand houdende als den grondslag van 
zijn betoog. 

Dat hier de groote kerkleeraar Thomas van Aquino ook 
VoNDEL*s leermeester was geweest, blijkt voldoende; maar 
ook onder de levenden had Vondel wijze mannen gevonden, 
wier invloed op hem zich ook bij het schrijven van dit dicht- 
werk deed gelden, en wel bepaaldelijk Leonardus Marius, die 
in 1639 te Antwerpen „Amstelredams eer ende opcomen, door 
de denckwaerdige miraklen aldaer geschied aen ende door het 
H. Sacrament des Altaers" had uitgegeven om daarmee in 
herinnering te brengen, dat het derde eeuwfeest van 't Mirakel 



„DBR POËTEN VKGTSCHOOL". 175 

der Heilige Stede in 1645 stond gevierd te worden. Nog 
meer onder den invloed van dat geschrift staat het gedicht, 
dat Vondel voor 't eerst achter de uitgaaf zijner „Altaer-ge- 
heimenissen" liet drukken, namelijk het „Eeuwgety der Heilige 
Stede t* Amsterdam", toegewijd „aen d'oude burgerij", en nog 
gevolgd door een kort gedicht, „Kenteken des afvals*', dat 
aan het eind het „stuiten van Kristus eeuwigh offer" of het 
verbieden van de misbedieuing gelijkstelt met het „blusschen 
van de son des Godtsdiensts". 

Een storm van verontwaardiging ging daarover op, en zelfs 
Hooft kon zijn leedwezen niet ontveinzen. Reeds vroeger, 
toen Vondel met vinnige hekeldichten gestreden had voor 
eene partij, die ook Hooft op zijne wijze voorstond, had de 
Drost bedenkelijk het hoofd geschud over den vechtlust, waar- 
uit wel nooit de zoo gewenschte vrede kon geboren worden ; 
en ook nu kon hij nauwelijks begrijpen, hoe iemand op bijna 
zestigjarigen leeftijd, waarop men toch eindelijk naar rust 
begint te verlangen, er nog lust in had, zoo tartend op te 
treden en zoovelen tegen zich in 't harnas te jagen. „Vondel 
heeft een veirs gemaakt op 't wonder, waaraf de Heilige Stee 
haaren naam draagt", schreef hij aan Van Baerle, „en laat 
het openbaarlijk voor de boekwinkels ten toon hangen, gelyk 
de voorvechters de messen in de luifen steeken om de oogen 
van de verbygangers te tergen als met zeggen: wie 't hart 
heeft pluike. My deert des mans, die geenes dings eerder 
moede schijnt te worden dan de ruste". Misschien had hij toen 
reeds »Der Poéten Vegtschool" gezien: een bundel, waarin 
Vondel's „paepsche rijmen" met de heftige antwoorden er op 
bijeenverzameld waren. Hij vreesde, dat het Vondel wel weer 
eene nieuwe boete zou kunnen kosten, zooals bij het schrijven 
van zijn „Palamedes", of, nog erger, dat „d' een oft d' ander 
heetharsen, by ontyde, de handen aan hem moghte schenden, 
denkende dat er niet een haan naa kraayen zoude". 

Dreigend genoeg toch waren de schimpdichten, waarmee 
Vondel's verheerlijking van „het verdichte wonder" en van 
de „paapsche misse, die vervloekte afgoderye" (zooals het in 
den Heidelbergschen Catechismus heet) was begroet; en toen 
er een verdediger voor hem was opgetreden, die zijne „na- 
krabbelaers" bespotte, had een dezer, die zich „prudenter" 



176 wbstbrbaen's „kracht des oeloofs". 

teekende, hem „ouwe geck, overgeven leugen-dichter'* geschol- 
den en het volk toegeroepen: „Schuymt dit schuymsel in het 
rijse, delght in tijdts den Paepsen Hont". 

Van beter gehalte was de „Kracht des Geloofs", een uitvoerig 
gedicht van Jacob Westbrbaen, waarin met ernstig en waar- 
dig betoog en zelfs met gepaste vereering voor Vondel als 
dichter de grondslag, waarop de geheele leer der „Altaer-ge- 
heiménissen" steunt, werd weggeredeneerd, nadat eerst op 
hatelijke wijze al Vondel's vroegere hekeldichten bij name in 
de herinnering teruggeroepen waren en betreurd was, dat zulk 
een man „de kerck, die hy had helpen bouwen", nu weer 
verlaten had en „smaek vond in grollen en legenden, in 
Roomsche keucken gebrouwen", en dat hij „den Ouwel nam met 
sulcke luy, die eens de mutsaert voor de ketters" ontstaken. Hij 
mocht wel, zoo besluit het gedicht, aan den Tibergod vereerd 
worden om, als weerhaan op de Englenburcht geplaatst, te 
„drayen daer voor Innocent den Tiende", aan wien Vondel 
ook reeds in 1644 een lierzang als „Olyftack" had aangeboden, 
waarop destijds evenmin eèn antwoord was uitgebleven. Achter 
Wksterbaen's gedicht vindt men nog een met P geteekend, „Toe- 
gift", waarin, met toespeling op Vondel's spreuk „ Justus fide 
vivit", spottend gezegd werd: „Soo een rechtveerdig mensch 
door het Geloove leeft, hoe seecker gaet gy dan, Heer 
Vondel, boven and'renl Gy hebt strax weer een nieuw, als 
u het out begeeft: de beesten dijen best, die veel van wey 
verand'ren." 

Misschien is Wbsterbaen's gedicht eerst in 1647 verschenen, 
want het schijnt in verband te staan met het toen (schijnbaar 
te Schiedam, maar inderdaad te Rotterdam) uitgegeven tweede 
deel van „J. V. Vondels Poesy*'. Het verschijnen van dien 
bimdel was Vondel onaangenamer dan alle schimpdichten, die 
er op hem uitgegeven werden. Hij zelf had in 1644 toegelaten, 
dat onder den titel „Verschelde gedichten" voor het eerst eene 
verzamelde uitgave van zijne kleinere gedichten in 't licht 
werd gezonden, in 1650 onder den titel „Poesy" nog eens 
vermeerderd herdrukt; en in eene narede „aen zynen af wezen- 
den vrient" had hij, uitgezonderd eenige met name genoemde 
grootere dichtwerken, alles wat die bundel niet bevatte, maar 
wat vroeger door hem was uitgegeven, „den nacht der ver- 



EBRSTB EN TWEICDB D^BL VAN VONDEL's „POBSY." 177 

getenisse tóegedoemt" en streng- verboden die „op zijnen naam 
buiten zign kennis en bestemminge te drucken". 

Dit nu werd toch gedaan in dat tweede deel, waarin vooral 
zijne oude hekeldichten bijeenverzameld waren en ook wel 
dergelijke gedichten, die men alleen aan hem toeschreef zonder 
voldoende zekerheid te hebben, dat hij ze ooit gemaakt had. 
,yMen mengt der andren rijm, ook leuren, in mijn schriften", 
zeide hij later, maar troostte zich met de bijvoeging: „doch 
wie mijn stijl verstaet, kan 't een van 't ander schiften" ; iets 
wat evenwel zelfs nu nog niet gemakkelijk valt. Tot die onechte 
gedichten behoorden ook zestien versregels, waarin op de 
Katholieke kerk de meer gebruikelijke scheldnaam „Babylon- 
sche hoer'* wordt toegepast en gezegd wordt, dat zij „in de 
wereldt saeyt het heyloos zaet waervan men sulcke vruchten 
maeyt", als bv. de moord op Hendrik den Groeten geweest 
was. In het uitvaartgedicht op dien vorst, lang te voren door 
Vondel in 't licht gezonden, heetten die versregels voor te 
komen, ofschoon zij niet worden aangetroffen in de oudste 
uitgave, die wij van dat gedicht kennen en die van 1622 
dagteekent. Ongetwijfeld was dat gedicht echter reeds in 1610 
afzonderlijk gedrukt, maar ongelukkig is van die eerste uit^ 
gaaf geen enkel exemplaar bewaard gebleven, zoodat wij nu 
niet met zekerheid weten, in hoever men te goeder trouw is 
geweest met deze versregels aan Vondel toe te schrijven. Mij 
komt het niet onwaarschijnlijk voor, dat zij inderdaad achter 
{en niet, zooals het heet, in) Vondel's gedicht waren afgedrukt 
en daarom ook Vondel's werk konden schijnen, maar daaraan 
door een ander (bv. den vermoedelij ken uitgever Pebs) waren 
toegevoegd. 

Niet alleen nu zijn deze zelfde verzen ook achter Westeb- 
baen's „Kracht des Geloofs'' afgedrukt, maar bovendien ook 
komt de prozavoorrede voor dit zoogenaamde tweede deel van 
„Vondels Poesy" naar den inhoud grootendeels, en zelfs hier 
en daar in woorden en uitdrukkingen, overeen met een ge- 
deelte van Westebbaen's gedicht. Slechts in één opzicht is 
er verschil. In „Kracht des Geloofs" worden uitvoerig de 
„ Altaer-Geheimenissen*' bestreden, maar wordt met geen woord 
gerept van „Grotius Testament", terwyl daarvan in de voor- 
rede als van eene „onbescbaamtheit" wordt gesproken en ver- 
n 12 



178 BRANDT BN VONDBL. 

der wordt aangewezen, „door wat valscheidt Vondel de Hol- 
landers getracht had in te scherpen dat den Heere De Groot 
zoo Papist was, als Hy is". Van „Grotius Testament" heeft 
dit tweede deel van „Vondels Poesy" dan ook blijkbaar zoo- 
veel mogelijk een tegenhanger willen zijn, om voor de valsche 
voorstelling, door Vondel van De Groot's geloofisovertaiging 
gegeven, hem als met geUjke munt te betalen. Was Grotius, 
de Remonstrant, door Vondel als Katholiek voorgesteld, hier 
werd twijfel voorgewend, of de liefde van den eertijds zoo 
Remonstrantsgezinden Vondel voor het Catholicisme wel op- 
recht gemeend was; ook hier werd echt met onecht ver- 
mengd; ook hier werden schijnbewijzen uit VondePs eigen 
gedichten aangehaald om den indruk te geven, dat hij tot 
een kerkgenootschap had behoord, waartoe hij feitelijk nooit 
was toegetreden ; en ook hier was het adres van den drukker 
niet het ware, terwijl tegenover Vondel's onderteekening der 
narede R. O. hier de voorrede met P. (d.i. natuurlijk „Protestant") 
onderteekend was. 

Wie nu heeft Vondel deze poets gebakken? Bij mij lijdt 
het geen twijfel, of Westbrbaen heeft er den stoot toe gegeven 
en de jonge Geeraardt Brandt heeft het werk uitgevoerd. 
Het laatste is trouwens reeds vroeger op verschillende gronden 
hoogstwaarschijnlijk gemaakt en schijnt zelfs door Brandt 
op lateren leeftijd en onder bedekte termen erkend te zijn, 
toen hij er berouw van had, Vondel terzelfder tijd, waarin 
hij hem vriendschappelijk bezocht, anoniem zoo bitter te heb- 
ben gegriefd. Wij willen echter aan Brandt zijne dubbelzinnige 
houding vergeven, niet alleen om zijn later berouw, maar 
vooral ook, omdat hij zooveel mogehjk wat hij aan Vondel 
had misdaan heeft trachten goed te maken, voomameUjk door 
samen met Vollenhove in 1682 eene eerste werkelijk volledige 
uitgave van Vondel's kleinere dichtwerken in het licht te 
zenden en daarbij dat voortreffelijk „Leven van Joost van den 
Vondel" te schrijven, dat voorgoed Vondel gemaakt heeft tot 
het middelpunt onzer litteratuurgeschiedenis der 17de eeuw. 

Intusschen had Vondel reeds een jaar te voren, in 1646, 
opnieuw getuigenis van zijn katholieken ijver gegeven in zijn 
treurspel „Maria Stuart of gemartelde Majesteit", waarin hij 
haar laatsten levensdag dramatiseerde en haar marteldood deed 



VONDBL's SN0BL8GHB HBKSLDICHTEN EN „MARIA STUABT." 170 

verhalen en betreuren. Aan haar achterkleinzoon, den Palts- 
graaf Eduard, die evenals hij tot de Katholieke kerk was over- 
gegaan, droeg hij bet stuk op. De jongste gebeurtenissen in 
Engeland waren voorzeker voor hem de aanleiding geweest 
om dit onderwerp te kiezen. Reeds in 1641 had hij zijne 
ergernis getoond over de terechtstelling van den lerschen 
onderkoning, den Graaf van Strafford, en in 1644, toen de 
Puriteinen in Engeland meester waren en Koning Karel I 
als balling in zijn eigen land rondzwierf, had hij reeds eene 
„Klaghte" aangeheven „over de weerspannelingen in Groot 
Britanje", de nazaten der moordenaars van haar, „die 't aertsche 
Rijck versmade om 't Kristaltaer", en had bij, behalve nog 
een paar andere hekeldichten, ook een „Morgenwecker" ge- 
schreven voor de „Sabbatisten", wier „scepter stormen" hen 
tot volgelingen gemaakt had „van Lucifer, die naer zijn 
Scheppers scepter stont". 

Evenals eenmaal in Maria Stuart de majesteit van het 
koningschap bij Gods genade was aangerand en de Katholieke 
koningin was gestorven als martelares voor haar geloof, zoo 
vergrepen de Presbyterianen zich ook nu, meende Vondel, 
in Karel Stuart aan de vorstelijke majesteit en de Kiatholieke 
kerk, voor welke Karels heimelijke sympathie geen geheim 
meer gebleven was. Vandaar dan ook, dat hij in het derde 
bedrijf van zijn ti*eurspel aan Burgon, Maria's lijfarts, deze 
profetie in den mond legde: 

„lek Bie Britaige noch in 't niterste gevaer; 

De stale vuist dee Schots verwart in 't Engelsch hair; 

De rechtb^'l scherp gewet op 's Konings Stedehouders 

En 's Kantelbergers hals; het graenw op e^ne schouders 

Des Ouderlings gezagh verheffen op de straet 

En Londen hoofdeloos verscheuren z^'n gewaet." 

Overal in dit lyrische drama, maar vooral in de reizangen 
der Staetjofferen, klinkt de stem van het heden door het ver- 
leden heen, hoe diep Vondbl ook overigens al het aandoenUjke 
van dat verleden moge gevoeld hebben. Dat Vondel in dit 
stuk, als historiespel, ten aanzien van de vroegere en latere 
gebeurtenissen in Maria's leven en ook ten aanzien van hare 
onschuldi volkomen in overeenstemming was met een pro- 
testantsch geschiedschrijver, William Gamden, wiens „Rerum 



180 VONDBL^S , MARIA STUABT" AANGBVALLBK. 

Anglicarum et Hibernicarum Annales, regnante Elisabetha" 
(van 1625) hij nauwkeurig, meermalen zelfs woordelijk, heeft 
gevolgd, vrijwaarde hem niet tegen de verontwaardiging der 
Calvinistische partijdigheid, voor wie het gewoonte geworden 
was, zonder nauwkeurige onderscheiding, het ontzettend gevaar, 
dat eenmaal van de Armada gedreigd had, op rekening te 
stellen van Maria Stuart, en in het doodvonnis, geveld door 
eene zoo getrouwe bondgenoote als Elisabeth, eene rechtvaar- 
dige straf te zien. 

Het regende weder schimpdichten op Vondel, „den onbe- 
schaemden paepschen leughen-dichter", zooals hij genoemd 
werd in een „Vasten-a vontsgift", die op eene Schots che „Distel- 
roe" volgde. Zelfs de „Geest van de Coningin Elisabeth", door 
Vondel eene bloeddorstige Herodias genoemd, werd „uyt den 
grave op-gheweckt" om haar lasteraar te lijf te gaan, en zekere 
juffrouw Gondina van Weert verwierf van verschillende 
kanten lof- en dankdichten voor het „Vagevier", dat zij in 
heftige alexandrijnen voor Vondel stookte. Tegenover zijne 
„Maria Stuart als gemartelde majesteit" gaf de Haarlemsche 
schilder Steven Teunisz. van der Lust in een ander treur- 
spel eene veel minder historische, maar zijns inziens „Onghe- 
blanckette Maria Stuart" te zien, terwijl Joachim Oudaen als 
tegenstelling eene protestantsche „Johanna Grey", het slacht- 
offer der katholieke Maria Tudor, tot de heldin maakte van 
een treurspel, waarvoor hij, zooals hij zeide, de stof uitsluitend 
uit „Roomsch-gesinde schrijvers", zooals Thuanus en André 
du Chesne geput had ; doch als dichters traden beiden Vondel 
slechts met looden schoenen na. 

Vondel had zijne „Maria Stuart" anoniem uitgegeven „te 
Keulen in d' oude druckerye", zooals het heette. Toch werd 
eene boete van honderd tachtig gulden hem opgelegd en door 
zijn uitgever Abraham de Wees betaald. Blijkbaar zag de 
Regeering den ondergang van Karel I te gemoet en wenschte 
zij moeielijkheden met het Engelsche parlement te voorkomen. 
Toen in 1649 Karel gedeeld had in het bloedig lot zijner 
grootmoeder, schreef Vondel bij dien „vader-moort" zes vin- 
nige versregels op Cromwell, den „vermomden Lucifer", dien 
hij vijf jaar later aan de kaak stelde als „Protector Weer- 
wolf* of „Milord Isegrim", onder wiens schijnheilige dwinge- 



yondbl's ,lbküwbndalebs." 181 

landij de „arme Gentelmans" toen gebukt gingen, terwijl hij 
in 1650 eene „Graf-naeldt" oprichtte voor den Graaf van 
Montrose, gesneuveld bij eene poging om Karel II in Schot- 
land tot koning te doen uitroepen. 

Na de hevige aanvallen, die Vondkl's optreden als katholiek 
dichter tengevolge had, zou men er zich misschien over kun- 
nen verbazen, dat hem reeds een jaar later werd opgedragen, 
het feeststuk te maken, waarmee de Munstersche vrede op den 
Schouwburg, min of meer officieel zelfs, zou worden gevierd. 
Men moet dan echter bedenken, dat verreweg de meerderheid 
der bevolking van ons land vredelievend en verdraagzaam 
was, eu dat deze meerderheid toen, al sprak zij zich in het 
openbaar uit den aard der zaak minder uit, toch ten slotte 
den meesten invloed oefende op den loop der zaken, terwijl 
de heftigheid der uiterste partijen ten gevolge van den plom- 
peren toon en de ruwere zeden dier dagen aan ons nu nog 
grooter toeschijnt dan zij inderdaad was. Het leven had er 
wat meer kleur door, maar de haat was daarom nog niet feller. 

Natuurlijk begreep Vondbl zeer goed, dat hij van het tooneel 
voor geheel Amsterdam met hare Regeering niet als voorstan- 
der van de goddelijke macht der koningen en van de heerlijk- 
heid der Katholieke kerk mocht optreden, en wel allerminst 
bij gelegenheid, dat de zegepraal van volks- en godsdienst- 
vrijheid op staats- en kerkdwang gevierd werd als een door 
alle Europeesche vorsten en prelaten erkend feit. Evenzeer 
begreep hij, dat bij de feestvreugde zijn gewone treurspeltoon 
niet paste. Hij koos zich daarom den vorm van het herdersspel 
en gaf in zijn Leeuwendalers zijn eerste (en laatste) „landspel", 
zooals hij het noemde, reeds in 1 647 gedicht en zelfs gedrukt, 
maar eerst den Tden Mei 1648 vertoond, toen de Vrede van 
Munster wel reeds ge teekend. maar nog niet plechtig afgekon- 
digd was. 

Daar hij den tachtigjarigen oorlog niet meer was blijven 
beschouwen als een opstand tegen vorstelijke dwinglandij en 
kerkelijke heerschzucht, stelde hij zich dien nu het liefst voor, 
zooals hij zich in de laatste dertig jaar ook het meest had 
kunnen voordoen, als een ouderlingen strijd namelijk der 
beide helften van Nederland-Leeuwendaal, de Zuidelijke onder 
Lantskroon, de verpersoonlijking der Aartshertogen, van welke 



182 vondel's 9LBBUWBNDALBB8." 

hij de „godtvruchtige Isabella" in een lijkdicht bij hare uitgestelde 
begi'afenis als „vredemoeder" verheerlijkte, en de Noordelgke 
onder Vrerick, den door hem zoo vaak bezongen en nu, kort vóór 
het sluiten van den vrede, overleden Frederik Hendrik. Als 
stam- en godsdienstverwant van het Zuiden, maar voedsterzoon 
en staatsburger van het Noorden, had hij de vijandelijke ver- 
houding der gescheiden deelen van dat geliefde Leeuwendaal 
reeds lang betreurd, en vurig uitgezien naar den dag, waarop 
aan dien strijd, die telkenjare bloedige offers vorderde, door 
den wil der Godheid een einde zou komen. En nu had dan 
de Godheid gesproken: nu mochten in Adelaert en Hageroos, 
de edelste jeugd van beide landstreken, zich „Zuidt- en Noortzy 
paren'': „de tweedraght was vervaren, het was al boter tot 
den boom, men zong al Pais en Vre". 2iOO was voor Vondbl 
het feest van den Munsterschen vrede in de eerste plaats het 
verbroederingsfeest van Zuid en Noord, die, al zou ook „voortaen 
de Noortzy een Vryheit op zich zelf bUjven", toch in het 
vervolg weer één zouden kunnen zijn door de liefde hunner 
zonen en dochteren. Deze geest spreekt duidelijk uit het ge- 
heele landspel, en wie verder nog (ik zeg het Vondel na) 
j,neuswiJ8 in alle personaedjen, vaerzen en woorden, geheime- 
nissen zoeckt, zal ze *r niet visschen". 

Dat wij in een gelauwerden herder, door Hendrick Pot ge- 
schilderd en nu in het Rijksmuseum te zien, eene afbeelding 
van Vondbl bezitten in het kostuum van Adelaert, is hoogst 
waarschijnlijk. Waarom ook zou Vondbl, zelf schepper eener 
pastorale, in dezen niet de mode der Amsterdamsche aristocratie 
gevolgd hebben, die zich gaarne in herdersgewaad liet afbeel- 
den, zich daarbij inbeeldende, dat zij de echt-pastorale stem- 
ming meegevoelen kon? 

Had zijn landspel Vondel eenigermate uit de theologische 
sfeer gerukt, waarin hij voor en na zijne bekeering zoo lang 
had geleefd, ook in 't vervolg namen theologische studiën een 
groot deel van zijn tijd in beslag Ongetwijfeld heeft hij jaren 
lang besteed aan een groot leerdicht, dat hij in 1662 uitgaf 
onder den titel Bespiegelingen van Oodt en godtsdienst. Drie jaar 
te voren had hij als proeve reeds ongeveer vierhonderd verzen 
uit het vijfde boek er van (vs. 875 — 1252) afzonderlek in het 
licht gezonden onder den titel j,Onderwys van het geloofs- 



j^BESPIBOSUNaBN VAN GODT EN G0DTSDISN8T." 183 

hooftpunt der H. Dryeenigheit", hoofdzakelijk gericht tegen 
Faustiis Socinus en zijne aanhangers, als „de godtloose Ostorot 
en Frans te Zevenbergh" (door Van Lennep, grappig genoeg, 
voor „Ostrogothen en Franschen" gehouden). Slechts twee 
versregels, die niet in de „Bespiegelingen" voorkomen, heeft 
hij aan dit fragment toegevoegd, namelijk: „Zoo ziet men 't 
louter woort van 't schuim der ongodisten in assche en enckel 
roock en smoock veralchimisten", als bewijs dat in zijn geest 
Faustus Socinus zich vereenzelvigd had met doctor Faust, den 
duivelskunstenaar uit het volksboek. 

Ook dit dichtwerk bleef niet onaangevochten. Anoniem nam 
OüDABN het voor de Socinianen op met een nog wat uitvoeriger 
gedicht: „Naerder onderrechtingh, vereyscht op het onderwijs 
der dry-eenigheydt", waarin o. a. aan Vondel verweten wordt, 
dat hij ook de hulp van Talmud en Heidensche schrijvers als 
Plato had ingeroepen om de overoude heiligheid van het getal 
drie te bewijzen. Oudaen zag daarin terecht een ijdel spel, dat 
hem nog te meer mishaagde, omdat hij vermenging van 
Christelijk en Heidensch niet kon dulden, terwijl Vondel met 
zijne liefde voor symboliek ook de mythologie niet versmaadde, 
als zij hem maar goede zinnebeelden verschafte voor zijne 
Christelijke denkbeelden. 

Het groote leerdicht „Bespiegelingen van Godt en godts- 
dienst" behoefde, ook buiten katholieke kringen, geen aanstoot 
te geven, daar het gericht was tegen „d'ongodisten, verloche- 
naers der Godtheit of goddelycke Voorzienigheid', wier aantal 
nu juist destijds zoo bijzonder gering wel niet was, maar die 
het niet zoo licht waagden, openUjk voor hunne meening uit 
te komen. De aanvallen werden dan ook meest tegen heiden- 
sche schrijvers en wel bepaaldelijk tegen Lucretius gericht, en 
vervolgens ook tegen de Socinianen. Terwijl het gedicht ook 
blijken geeft van bekendheid met natuurphilosophische wer- 
ken en stelsels, en zich ook op sterrekundig gebied beweegt, 
bestrijdt het de leer der eeuwige zelfbeweging in de natuur 
en gaat het, tegenover de theorie van Copemicus, nog uit 
van de juistheid der Ptolemaeische voorstelling van de aarde 
als het onbeweeglijke middelpunt des heelals. Om de poëtische 
waarheid van Vondbl's wereldbeschouwing volkomen te ge- 
voelen, moet men beginnen met zich terug te verplaatsen op 



184 „bespiegblinqbn" en „hberltckheit der eebckr." 

zijn, in de 17^© eeuw nog door velen ingenomen, Ptolemaeisch 
standpunt. 

In vijf boeken is het werk verdeeld. In het eerste geeft 
Vondel zijne bewijzen voor het bestaan van God, in het tweede 
onderzoekt hij de eigenschappen, die God noodwendig bezitten 
moet; het derde boek bespreekt Gods werken; het vierde 
betoogt de onmisbaarheid en de beteekenis van den godsdienst, 
waarna in het vijfde gronden worden aangevoerd, waarom 
alleen in een bovennatuurlijk geopenbaarden godsdienst, zoo- 
als de Katholiek-Christelijke, de ware godsdiei^ mag worden 
gezien. Als stelselmatig betoog is dit gedicht te vergelijken 
bij De Groot's „Bewys van den waren godsdienst", dat Vondel 
natuurlijk door en door kende; maar wie het vergelijkt, zal 
tevens kunnen zien, hoeveel dichterlijker VondePs opvatting 
van den godsdienst was, zoodat hij door zijn onvermoeid beel- 
dend vernuft zelfs in staat was, nu en dan het dorre geraamte 
der abstracte redeneering tot een bloeiend lichaam te maken, 
dat althans bekoort, wanneer de redeneering ook al niet over- 
tuigt. 

Hooger echter staat het leerdicht, dat hij in 1663 liet volgen 
en dat veeleer een Ijrrisch epos zou kunnen genoemd worden : 
De heerlyckheit der Kercke. In drie boeken verhaalt hij daar, 
in den lyrischen toon der verheerlijking, „ingang, opgang en 
voortgang" van de Kerk, of m. a. w. haar zinnebeeldig voor- 
bestaan in de geschiedenis der menschheid vóór Christus' 
komst, zooals Augustinus hem dat had leeren zien, vervolgens 
hare stichting door Christus, zijne apostelen en martelaren tot 
op hare zegepraal door Constantijn den Grooten, en eindelijk 
hare verdere ontwikkeling en uitbreiding door het beteuge- 
len der ketters en het herwinnen van het, helaas! weer ver- 
loren. Heilige land. „Dus verre was zyn zangh de Heerlyck- 
heit der Kercke op 't spoor van 't heilzaem licht gevolght", 
toen de stemmen der afvalligen om hem heen hem beletten 
zijn tafreel te voltooien, zoodat hij slechts kon eindigen met 
eene bede : „Verlicht ze, o Heer, die 't licht der vaderen ver- 
laeten, verzamel uw verstroide uit Oost en West byeen, opdat 
ze, in ééne koy vergadert, zich gewennen één herder, en zijn 
stem te hooren en te kennen". Aan Paus Alexander II droeg 
hij het gedicht op; of het dezen ook bereikt heeft, is onbekend. 



tondbl's ^johannbs de boetgezant." 185 

Tusschen deze beide groote dichtwerken in, ook nog in het 
jaar 1662, gaf Vondel zijn Johannes de Boetgezant uit, zijn eenig 
episch gedicht, want zijne Constantinade werd vóór de vol- 
tooiing weer verscheurd en van zijn plan om „naer 'sMan- 
tuaners wetten den krijghshelt Bato met opklinckende trom- 
petten in top te voeren naer den eisch van 't vrye lant, 
door twalef boecken heen*', waarvan hij in zijn „Parnasloof 
of opdracht zijner vertaling van Virgilius' werken in verzen 
aan Comelis de Graef in 1660 sprak, schijnt later niets meer 
gekomen te zijn. 

Men zou „Johannes de Boetgezant" eene dichterlijke 
levensbeschrijving kunnen noemen, rijk aan levendige, met 
gloed en kunst geschilderde tafreelen, waaronder dat van den 
dans van Herodias' dochter uitmunt; maar wie het liever be- 
schouwen wil als een heldendicht in zes zangen, kan daarvoor 
wel het een en ander aanvoeren. Een episch karakter toch 
heeft reeds het begin van het dichtstuk, waarin „de vader 
der genade" zijn engel Gabriël afvaardigt om Johannes op te 
dragen als boetprediker de komst des Verlossers aan te kon- 
digen. Daar Vondel hier het begin van Tasso's epos bijna 
op den voet heeft gevolgd, en ook Milton in zijn „Paradise 
lost" daarvan gebruik heeft gemaakt, is overeenstemming van 
Vondel met Milton hier zeer verklaarbaar. Episch ook is in 
den vierden zang het (weder aan Tasso en Milton herinnerend) 
optreden van Lucifer in zijn helraad en zijn afvaardigen van 
ApoUion, die hoogepriester en koning tegen Johannes moet 
opzetten en zoo den Dooper in het verderf moet storten. Episch 
is eindelijk het slot, waar Johannes, na zijne onthoofding 
naar het voorportaal der hel afgedaald, door aartsvaders en 
profeten begroet wordt als wegbereider ook dd&r van den 
Terlosser, die gereed staat de macht der hel te breken en 
zijne getrouwen met zich ten hemel te voeren. 

Eindelijk schreef Vondel nog in 1667 ter eere van de 
missie der Jesuieten in China zijn, over het algemeen als 
tooneelstuk niet bijzonder geslaagd, in elk geval weinig aan- 
grijpend treurspel Zangchin, dat wel den ondergang van den 
Chineeschen dwingeland Tsoeng-tsjing in 1644 en den val 
der Ming-dynastie na de overrompeling van Peking door de 
opstandelingen onder Lykungzus ten tooneele voert, maar 



186 vondbl's .zungghin*' bn klbinsbb qbdiohtbn. 



n 



misschien nog meei den Keulenaar Adam Schal, ^overste 
der priesteren van de Sociëteit", die tot zijn dood in 1666 
grooten invloed in China heeft gehad en daar veel heeft ge- 
daan tot verbreiding van het Christendom. Ook wordt het 
stuk besloten met het verschijnen van den geest van Fran- 
ciscus Xaverius, die den ondergang van Zungchin's bestrijder 
voorspelt en tevens den bloei van het Christendom in China 
onder de regeering van Sjoen-tsji, den grooten khan der 
Tartaren. De in 1655 gedrukte „De bello Tartarico historia" 
van Martino Martini heeft aan Vondel grootendeels de stof 
voor zijn treurspel verschaft, en daarnaast waarschijnlijk ook 
het in 1667 uitgegeven groote werk over China van den bq 
Vondel bekenden en zelfs in een gedicht door hem geprezen 
geleerden Jesuiet Athanasius Kircher. 

Behalve deze grootere dichtwerken en zijne „ Eruisklacht", 
eene fraaie vertaling van het „Stabat mater", zouden wij nog 
talrijke kleinere gedichten kunnen noemen, die bewijzen, dat 
geene gebeurtenis van eenige beteekenis voor de Katholieke 
kerk, vooral in onze gewesten, maar toch ook daarbuiten, 
ongemerkt aan Vondel voorbijging. Zoo ontlokte in 1654 de 
troonsafstand, later de bekeering en „blijde inkomste in 
Rome" van de Zweedsche Koningin Christina, die trouwens ook 
reeds vroeger door hem bezongen was, hem dank- en jubel- 
liederen. Zoo volgde hij met gezangen de gebeurtenissen in 
het Duitsche rijk, voortdurend door de Turken bedreigd, zoo- 
als hij reeds was begonnen in 1634 met zijn gedicht „Op de 
tweedraght der Christe Princen", die „vast malkanderen in 
't hair saten, terwijl d'erfvyant, de felle Turck, in sijn vuist 
lachte", en zooals hij nog bleef doen in 1670, toen hij een 
dichterlijken lauwerkrans vlocht voor den Graaf van Konings- 
mark, die nog eene laatste, zij het ook vergeefsche, poging 
had gedaan om te verhinderen, dat Kandia in handen van 
den Sultan viel. 

Groot ook is het aantal liederen, door hem aan pausen, 
bisschoppen (zooals Philippus Rovenius, aartsbisschop van 
Utrecht in partibus) en vooral aan hem bevriende priesters 
toegezongen bij hunne inwijding of uitvaart of bij andere 
gelegenheden. Ook was de Jesuietenorde niet de eenige kloos- 
terorde, waarin hij belang stelde. Verscheidene andere klooa- 



YONDBL's KLOOSTKRDICHTIEN ; dood van BARLABU8. 187 

terdichten schreef hij, zooals op Bruno van Keulen, den stichter 
der Karthuizerorde, op den oudprior der Antwerpsche Car- 
melieten, Karel Gouvrechef, en op een drietal Minderbroeders. 
Voor „Sinte Clare" hief hij zelf een lofzang aan, aan „de 
geestelqke maeghden", die „van drie staeten den besten, den 
staet van 't maeghdeleven", hadden gekozen, legde hij er een 
in den mond. Aan twee van die maagden, aan zijne nicht 
Anna Bruining en aan Margarita KruUs, reikte hij met diep 
gevoelde poëzie, die van groote ingenomenheid met het gees- 
telijk leven getuigt, den „Maeghdepalm" toe, toen zij hare 
professie deden in de orde der Clarissen, en toen Dina Noor- 
dijck en later Joanna en Helena Blezen als begijn of als klopje 
hare gelolTen van zuiverheid en gehoorzaamheid aflegden, ver- 
eeuwigde bq hare „staetsie" met zijne zangen. 

Zoo mag dan met recht Vondel bij ons de dichter van het 
Catholicisme worden genoemd en is het ook geen wonder, dat 
al wat katholiek is hier te lande hem met devote liefde, bijna 
als een heilige, vereert, en hem beschouwt als den dichter, 
die het hoogst bereikbare bereikt heeft: het verhevenste te 
bezingen in den voortre£felijksten vorm en op de veelz^jdigste 
wijze, naar inhoud en vorm tegelijk. En inderdaad, in zijn 
lateren levenstijd waren voor Vondel godsdienst en poëzie 
samengesmolten tot ééne hoogere eenheid van het verhevene 
en het schoone: zijne poëzie was godsdienst geworden, zooals 
zijn godsdienst poëzie. Als zoodanig moge ook de niet-katholiek 
de grootsche schepping van dezen dichtervorst bewonderen. 

XXXIII. 

De latere dichtwerken van Huygens. 

Onder Hooft's vrienden was er niemand, die zich zijn dood 
zoozeer aantrok als Gaspar van Baerlb. De opgewektheid 
ontbrak hem zelfs om een Ujkdicht op den Drost te schrijven. 
Slechts voor een oogenblik week de zware melancholie, waarin 
hig verzonken was, maar den 14(len Januari 1648 overleed hij, 
nadat hij den vorigen dag nog college gegeven had, plotseling 
aan eene hartverlamming. Gorvinus, lector aan de Doorluchtige 
Schooli hield in 't Latijn eene Ujkrede op hem, en groot was 



188 DOOD VAN TflSSBLSCH ADK ; HUYGBNS* „OOGHBN-TBOOST." 

het aantal lijkdichten van zijne vrienden, ca. van Jacob Wbs- 
TERBAEN. Ook VoNDEL schreef er een, besloten met de karak* 
teristieke versregels voor zijn graf in de Nieuwe kerk, dicht 
bij dat van den Drost: „Hier sluimert Baerle neflfens Hooft: 
Geen zerk hun glans noch vriendschap dooft." Ruim eenjaar 
later zou Vondel weder een lijkzang aanhefifen, en wel op 
Gerard Vossius, die 17 Maart 1649 overleed. 

Snel volgden de vrienden elkaar op. Tesselschadk had in 
1647 ook hare jongste dochter, Maria, verloren; zij beproefde 
ook nu zonder tranen haar leed te dragen, maar dat kostte 
haar blijkbaar te groote inspanning: den 24Bten Juni 1649 
bezweek zij, zooals Huygens zeide, omdat zij haar verdriet 
niet had willen uitschreien, „en die zy 't leven gaf was die 
haer 't leven nam*'. Een uitvoerig lijkdicht op haar te schrij- 
ven scheen Huygens onmogelijk: „Laet niemand zich ver- 
meten, haer onwaerdeerlickheit in woorden uyt te meten: All 
wat men van de sonn' derft seggen gaet haer af', en die zon, 
die eens een geheelen vriendenkring met haar vroolijk licht 
had bestraald, was nu voorgoed ondergegaan. 

Huygens wist zijn leed zóó te dragen, dat hij het verdragen 
kon, en overleefde zijne vrienden nog dertig jaar. Ook aan 
de poëzie kwam dat ten goede. Nog even vóór den dood zijner 
vrienden, in de eerste dagen van 1647, voltooide hij in ge- 
spierde alexandrijnen een zijner grootere gedichten, dat tot 
het beste gerekend wordt uit zijn rijken dichtschat, namelijk 
Euphrasia. Ooghen-troost Hij droeg het op aan Parthenine of 
Lucretia van Trello, eene oude vriendin, die hij „van der 
jeugd met ydel vrolickheid, met jock voor jock bericht" had, 
maar die hij nu met ernstige verzen wilde troosten, nu zij, 
aan één oog blind geworden, vreesde het gezicht geheel te 
zullen verliezen. Hij kon zich volkomen in haar toestand 
verplaatsen, want als jong man had ook hij door eene oog- 
ziekte het licht van zijn eene oog bijna geheel verloren en 
nu al jaren lang voor het verlies van het andere gevreesd. 

Moclit die ramp hem treffen, dan zou hij zich in Gods wil 
weten te schikken, zooals hij ook van haar verwachtte. Immers, 
wat is oogenblindheid bij blindheid van den geest I en hoevelen 
met gezonde oogen dwalen als blinden door de wereld ! Menschen, 
die altijd gezond zijn, zijn blind voor de gevaren, die hunne ge- 



HÜYGBNS' ,O0GHEK-TE0O8T." 189 

zondheid bedreigen, en de zieken zien nog minder. Blind zijn de 
geruste lieden en de onrustige, de gierigen en de verkwisters, de 
vroolijke en de treurende menschen, de bezigen en de ledig- 
gangers, de moedigen en de bloodaards. Babbelaars en zwijgers 
zijn het ook en verliefden en jaloerschen niet minder. Jeugd 
verblindt en ouderdom evenzeer. Blind is het heele hof. Zelfs 
de kunstenaars, schilders en dichters zijn niet uit te zonderen ; 
en „daer sijn noch meer bUnden", waarvan hij nu niet eens 
wil spreken: kortom, op deze wereld is „blind en onblind" één.'* 
Berooft onze Schepper ons van één onzer oogen, wenscht Hij 
zelfs onze beide oogen te sluiten, 't is om ons te leer en „een 
schooner licht te zien", een geluk, dat ons beloofd is met een heilig 
woord, het woord van Christus: „de vromen sullen God sien". 

Wij hebben hier te doen met een leerdicht, want Huvgens 
is, als hij ernstig wil zijn, altijd bovenal de wijze man, die 
niet alleen een schat van kennis bezit, maar ook een schat 
van levenswijsheid heeft opgegaard, en deze nu is in dit ge- 
dicht in den rijksten overvloed opeengehoopt, maar in 
beknopten, pittigen vorm gebracht. Vereischt zijne manier van 
zeggen ook altijd eenig nadenken, hier behoeft de lezer zich 
althans niet blind te staren op den zin, en het soms ook hier 
wat vèr gezochte is meestal goed gevonden. Toen Huygbns 
zich als dichter even blind noemde als zijne medeblinden, 
omdat zijne zotheid zich inbeeldde, dat Parthenine die ge- 
gedachten „voor heel wat fraeys sou aensien", die hem eigenlijk 
alleen door de toevallige rijmklanken ontlokt waren, wees hij 
wel met veel zelfkennis op een zwak van menig dichter, maar 
misschien heeft hij juist daarom bij het schrijven van dit 
gedicht het ernstiger bestreden dan gewoonlijk. 

Met den dood van Frederik Hendrik kreeg Huygens een 
nieuwen jneester in den jeugdigen stadhouder Willem H. Na 
diens outijdigen dood in 1650 bleef hij het Huis van Oranje 
dienen en wel met name Amalia van Solms, ook in haar 
twist over de voogdij met Maria van Engeland, de jonge prinses- 
weduwe, moeder van den lateren stadhouder Willem Hl, wiens 
secretaris hij in 1672 worden zoU. Vóór dien tijd was hij wat 
wij misschien het best kunnen noemen „toegevoegd lid tot 
den Baad van het Huis van Oranje". Dat hij niet meer dan 
«toegevoegd lid' werd, had hij te wijten aan de onvriendelijke 



190 HUYQBNS' ,HOPWUCK." 

gezindheid van Prinses Maria tot hem, bij ondankbare onver- 
schilligheid van Amalia. Toch is hij het Huis van Oranje 
trouw blijven dienen; maar zijne tegenwoordigheid was nu 
niet meer zóó noodig als vroeger, en daarom kon hij in 1651 
met recht schrijven: ,,De groote webb' is af en 't Hof genoegh 
beschreven: Eens moet het Hofwijck zijn." 

Met deze woorden begint het uitvoerigste van Hutoens' 
gedichten: Vitaulium. Hofwijck (uitgegeven in 1653), waarmee 
hij het voortbestaan, althans op papier, wilde verzekeren aan 
het deftige, in 1642 ingewijde, buitenhuis, dat hij naar zijn 
eigen ontwerp en met behulp der architecten Jacob van Campen 
en Pieter Post aan de Vliet onder Voorburg had laten bouwen, 
midden in een grooten vijver, „als een flesch in 't koel vat", 
en waarachter hij in den toenmaligen Lenótre*stijl eene uitge- 
strekte buitenplaats had laten aanleggen met boomgaard en 
kruidhof, abeel- en eikendreven, eikenkreupelhout, berken-, 
elzen- en mastbosch, vier zomerhuisjes en, in het achterste ge- 
deelte, een berg, waarop zich eerst eene naald of obelisk en, 
toen die door „'t felste weer dat sonn oyt sach of maen ter 
aerd geslagen" was, eene belvedère verhief. 

Van dat Hofwijck nu, waar Huygbns, het Haagsche hof 
ontweken, rust en eenzaamheid kwam zoeken, zijn in dit ge- 
dicht huis en hof beschreven, zooals hij ze zich voorstelde, 
wanneer alle boomen volgroeid zouden zijn; maar bij eene 
eenvoudige stelselmatige beschrijving liet de dichter het niet: 
telkens week hij — met voorbedachte kunst — op zijpaden 
af om toepasselijke opmerkingen en bespiegelingen van zede- 
kundigen aard in te vlechten, uit te weiden over zijne lieve- 
lingsdenkbeelden en bezigheden, en zelfs eene enkele maal om 
een tafreeltje te schilderen of in zijn Delflandschen tongval 
Kees het hof aan zijne Trijn te laten maken. 

Niet al te lang mogen wij ons bij elk van Huyqbns' ge* 
dichten ophouden, te minder omdat de opmerkingen, naar aan- 
leiding van zijne vroegere dichtwerken reeds gemaakt, ook op 
de latere van toepassing zijn: alleen behooren wij nog van 
„Hofwijck" te getuigen, dat 's dichters gebreken er niet 
hinderlijk in uitkomen en in elk geval hier door zijne vele 
deugden in de schaduw gesteld worden. Meer dan eene eeuw 
lang heeft het tot nooit geëvenaard model gediend voor de 



HUYGENS' jpTBUNTJB 0OBNELI8." 191 

talrijke kortere en langere hofdichten, die onze letterkunde in 
vervelenden overvloed zou opleveren, maar die geene enkele 
heerenho&tede zoo beroemd hebben kunnen maken als 
HuYQENS het met dit gedicht z\jn Hofwijck wist te doen. 
In 1653 zette Huyoens zich aan een geheel ander werk, 
misschien wel het meest om daarmee te kimnen botvieren 
aan zijne, reeds meer dan eens gebleken, liefhebberij om het 
volk in eigen tongval te doen spreken, en wel aan het 
schrijven van wat hij zelf eene „klucht" noemde, maar wat 
met zijne vijf bedrijven naar den omvang wel een blijjspel 
mag heeten. De titel is Trijn^e Comelia, zooals ook de hoofd- 
persoon heet, eene Zaansche schippers vrouw, die met haar 
man een reisge naar Antwerpen meemaakt, zoo on voor- 
achtig is, daar alleen te gaan rondwandelen, en dan 
wordt aangesproken door een licht vrouwmensch, dat 
zich als hare nicht weet voor te doen en haar medetroont 
naar hare woning in de beruchte Lepelstraat, waar zij dan 
dronken gemaakt wordt en, in slaap gevallen, van al hare 
kostbaarheden beroofd en in oude manskleeren gestoken, 
's nachts op straat neergelegd wordt. Als zij 's morgens wakker 
wordt, acht zij zich eerst betooverd en weet zich in hare ge- 
slachtsverandering wonderwel te schikken, maar als zq tot 
bet besef gekomen is, dat zq — wat er dan ook met haar 
gebeurd moge zijn — alevenwel Trijntje Cornelis gebleven is, 
weet zij, door den klepperman naar haar schip terugbracht, 
bet gebeurde voor haar man te verbergen met behulp van 
Kees, den schippersknecht, die haar ook handtastelqk helpt 
om de Antwerpsche snol met Francisco, haar pol, duchtig voor 
diefetal en mishandeling te doen boeten. 

Dat HuYGENS in dat spel met evenveel talent als Bredero 
voorheen het eigenaardige van het Antwerpsch dialect heeft 
weten weer te geven en ook Trijntje zelf echt natuurlijk in 
haar Zaansch heeft kunnen laten babbelen, maakt er de hoofd- 
verdienste van uit, maar ook overigens is het stuk niet onver- 
makel^ k. De anecdote, die aan Huygens de stof voor dit spel 
leverde, kan door hem gevonden zijn in „'t Leven en Bedrijf 
van Clément Marot", door Jan Zoet uitgegeven (naar 't heet 
vertaald uit het Fransch), of in het kluchtboek „De gaven 
van de Milde St. Marten", waarvan echter geen oudere druk 



192 ,TRIJNTJ£ C0RN£U8" BN ^'T NIBÜWSQIBBIG ABGJB." 

dan van 1654 bekend is. Daar heet het verbaal het „kluchtigh 
Avontuurtje van 't Nieuwsgierigh Aeghje van Enkhuysen'*, 
en daaruit schijnt het zóó bekend geworden te zijn, dat nog 
altijd „nieuwsgierig Aagje" eene spreekwoordelijke uitdrukking 
gebleven is. Tot die bekendheid zal zeker ook hebben meege- 
werkt, dat hetzelfde verhaal nog eens weer in 1662 door Abra- 
ham BoRMBBSTER tot oono klucht is bewerkt, doch in veel 
beknopter vorm dan door Huygbns, daar Bormebstkr zich 
zeer getrouw aan de woorden van het kluchtboek gehouden 
en de namen onveranderd gelaten heeft, tot zelfs den titel toe : 
H Nieuwsgierig Aegje. Onder denzelfden titel heeft in 1679 
Anthonie van Bogaert de klucht van Bormeester nog eens 
nagemaakt of omgewerkt en in 1664 is zij ook op den Amster- 
damschen Schouwburg vertoond, hetgeen met die van Huygbns 
niet gebeurde, daar hij hoopte, dat „deze vodderye" als een 
„camerspel onder de vrienden ende in hare cameren blyven" 
zou, zooals hij schreef, toen hij door „menighvuldige aenpor- 
ringen van al te goede vrienden'* het stuk in 1657 in het 
licht zond. 

Ook gaf hij er eene plaats aan in de uitgave van het 
grootste deel zijner Nederlandsche gedichten, die hij in 1658 
verzameld van de pers deed komen, en waarin al het vroeger 
door hem uitgegevene, met veel ander dichtwerk vermeerderd, 
door hem werd opgenomen. Hij gaf er den karakteristieken 
titel Korenbloemen aan, omdat hij zijn staatkimdigen arbeid 
beschouwde als het koren, door hem verbouwd, en zijne gedich- 
ten als de korenbloemen, tusschen dat koren opgeschoten. „De 
bloem is noodeloos in 't koren, en nochtans, daer 's geen weer- 
seggen aen, zij geeft de Tarw* een glans", zeide hij van zijne 
poëzie, zooals ook met recht van de korenbloem kon gezegd 
worden. 

Nauwelijks echter had het werk het licht gezien,of het werd met 
een strafdicht begroet, dat hoofdzakelijk de ongetwijfeld wat al 
te onkiesche klucht van Trijntje Cornelis gold. Deze pijl kwam 
uit den koker van Joachim Oudaen, die anoniem, om den schijn 
niet te hebben, dat hij eigen eer zocht met aan Huygbns' naam 
te knagen, „maar niet uit schaamt' of schroom of om vermomt te 
gaan," den dichter van „Trijntje Cornelis", dien hij altijd zoo 
hoog had geacht om zijne groote dichtgaven,zijn godsdienstzin 



oudabn's aanval op hüygens klucht bn sneldichten. 193 

en zijn zedelijk karakter, ernstig en met nadruk verweet, dat hij 
,met besneeuwde haren d' onkuisheid op d'altaren hief en 
schaamteloos een heidensch offerhand bracht". Zijn gezag- 
hebbend voorbeeld zou, volgens Oudabn, de jeugd tot navol- 
ging wekken en haar schaamtelooze wulpschheid leeren. 

Deze oprecht gemeende bestraffing bewoog Hüygens tot het 
schrijven van een „Noodweer", waarin hij den aanval lasterlijk 
noemde; maar dat antwoord heeft hij, naar het schijnt, eerst 
laten drukken in de tweede, weer met vele nieuwe ge- 
dichten vermeerderde, uitgave van de Korenbloemen, die in 
1672 het licht zag. Oudaen beantwoordde het met een „Afkeer 
der noodweer", maar heeft later nog getoond, dat hij Hüygens 
als dichter hoog waardeerde, door hem zoowel op zijn acht- 
en-tachtigsten als op zijn negen-en-tachtigsten verjaardag in 
een verjaardicht te huldigen. 

Oudaen*s aanval was ten deele ook gericht geweest tegen 
Hüygens' Sneldichten, die ongeveer de helft van zijne „Koren- 
bloemen" uitmaken : voor het meerendeel puntdichten, berijmde 
kwinkslagen en anecdoten of spreuken, en ten deele uit het 
Spaansch, Engels^h of Hoogduitsch vertaald. Eene vrij omvang- 
rijke bloemlezing van grappige, aardige, soms zelfs geestige, 
versjes, pittig van inhoud en puntig van vorm, zou er uit 
bijeengebracht kunnen worden, maar te ontkennen is het niet, 
dat Hüygens bij het plukken van deze korenbloemen ook 
veel onkruid mee in zijne ruikers heeft samengebonden. Aan 
gezochte woordspelingen, flauwe uien en plompe of zelfs vuile 
onkieschheden ontbreekt het er niet in. Zij pleiten evenmin 
voor Hüygens' goeden smaak, als voor den beschaafden toon, 
die er destijds heerschte onder de stafofficieren en in de hof- 
kringen, waar deze aardigheden blijkbaar toejuiching hebben 
gevonden. Als vruchten van verloren oogenblikken waren 
deze sneldichten „te velde, te schepe, te waghen, te paerde meest 
geboren", zooals Hüygens ook wel van andere gedichten zeide ; 
maar daarmee is de uitgaaf er van nog niet verontschuldigd, en 
zeker zouden zij dan ook het licht niet gezien hebben, als 
Hüygens zelf niet van nature een groot vermaak in dergelijke 
berijmde kwinkslagen gehad had. 

Hij wist ze evengoed in het Fransch en Latijn te maken 
als in het Nederlandsch en heeft er dan ook blijkbaar eenige 
II 13 



194 HDYGBNS IN FRANERIJS:; ZIJNE „ZBBSTRABT". 

eer mee ingelegd, toen hij in 1661 te Parijs gekomen was om 
daar te onderhandelen over de teruggaaf van het prinsdom 
Oranje, dat Lodewijk XIV door Pransche troepen had laten 
bezetten, aan het hoofd van zijn stamhuis, den lateren stad- 
houder Willem III. Tijdens zijn verblijf in Frankrijk maakte 
hij een paar maal een uitstapje naar Engeland en in 1665 
bracht hij, alvorens op het eind van dat jaar naar Den Haag 
terug te keeren, ook nog een bezoek aan het prinsdom Oranje 
zelf, waar, ten bewijze dat zijne lange onderhandelingen met 
goed gevolg bekroond waren, door de bevolking plechtig de 
eed van trouw aan hem als vertegenwoordiger van den Prins 
werd afgelegd. 

Na een vierjarig verblijf buitenslands vond hij in Den Haag 
reeds bijna geheel het door hem al in 1653 ontworpen plan 
uitgevoerd, om door de duinen van Den Haag naar Scheveningen 
een „steenweg'* aan te leggen, die nog altijd als de Zeestraat 
bekend is. In zijne vreugde daarover wijdde hij aan De Zee- 
straet in 1667 een uitvoerig gedicht in alexandrijnen, want 
de liefde tot zijne „geboort-stadt groeyde, hoe sijn verloopen 
dagh meer na den avond spoeyde", en even^ dankbaar als hij 
was, dat hij na een arbeid van vier jaar het kindskind van den 
eersten „man te roer", dien hij diende, weer in het bezit van 
zijn rechtmatig eigendom had kunnen stellen, even gelukkig 
rekende hij zich, dat hij door zijn mondeling en schriftelijk 
pleit alle bezwaren tegen het aanleggen van de Zeestraat 
eindelijk had kunnen overwinnen. 

Tot in kleine, misschien te kleine, bijzonderheden vertelt hij 
in dit gedicht de voorgeschiedenis van den aanleg op zijne 
gewone, eigenaardig-aantrekkelijke manier en met eenige, hier 
zeker niet ongepaste, zelfvoldaanheid, die slechts even getem- 
perd wordt door het onverdiend verwijt der Scheveningers, 
dat die steenweg hun meer aan schoenen kostte, dan de duin- 
weg vroeger aan zweet: immers allermeest uit medelijden met 
de door het duin zwoegende visschersvrouwen had hij zijn 
plan ontworpen. Toch beoogde hij er ook het nut en vermaak 
zijner stadgenooten mee, die nu gaarne het tolgeld, waarmee 
aanleg en onderhoud van den weg bekostigd konden worden, 
zouden betalen om gemakkelijk van de zee en hare wonderen 
te kunnen genieten, en aan het strand allerlei nieuwe ver- 



HtJYOBNS' „ZBE8TRABT" KN «ClUYSWERCK". 196 

maken te vinden ter afwisseling van het eeuwig „lanterfanten" 
in 't Voorhout. Eene frissche wandeling aan 't strand ook 
was, vooral voor jonge vrijers en vrijsters, vrij wat beter dan 
„van noen te middernacht sijn geld, sijn dieren tijt" aan 
kaartenblaadjes te verspillen; en een goed maal van versche 
zeevisch was ook niet te versmaden. Zoo weidde hij breed uit 
in de voordeelen van den nieuwen weg, als naar gewoonte 
telkens afdwalende in de richting van mensch- en zedekundige 
bespiegeling, om eenigszins mat te eindigen, zooals bij zijne 
meeste grootere gedichten: ditmaal met eene toespraak tot de 
Hoogmogeude Heeren Staten van Holland en tot de „trouwe 
momberen van 's-Graven schoonen Haghe", aan welke hij 
zijn gedicht opdroeg met de „goe vertroosting", als het hun 
,te laf of te lang'' mocht vallen, dat het zijn „swanesang" 
zou zijn. 

HuYQENs' zwanezang evenwel is het niet geweest. Behalve 
een groot aantal kleinere gedichten voltooide hij nog twee 
uitvoerige dichtwerken, die echter niet meer door hem zijn 
uitgegeven: in het Latijn zijn De Vila Propria van 1678, in 
het Nederlandsch zijn Cluymjoerck van 1683. In het eerste gaf 
hij een regelmatig overzicht van zijne levensgeschiedenis, in 
het tweede beschreef hij, hoe hij, na het vertrek van „kindren 
en kindskind" alleen achtergebleven in het voor hem door 
Jacob van Campen en Pieter Post gebouwde en in 1637 door 
hem betrokken huis op den hoek van het Plein en de Lange 
Poten, daar als „een cluysenaer, een Zeewsche stelle-man" 
leefde, maar in het volle genot zijner vrijheid en zonder dat 
hij zich in zijne eenzaamheid ook maar een oogenblik behoefde 
te vervelen met zijne boeken, zijne muziekbeoefening en het 
bezoek van goede vrienden. 

Dit gedicht van een zes-en-tachtigjarige, die nog altijd, nu 
door zijn oudsten zoon bijgestaan, als Secretaris en Raad 
van Willem III zijne diensten aan den Staat bleef bewijzen, 
moge ook, evenals ook reeds „De Zeestraet", sporen van den 
ouderdom vertoonen, toch zal niemand er de verdienste aan 
ontzeggen, dat het zich, zelfs nu nog, in zijn geheel aangenaam 
laat lezen en verschillende zeer goed geslaagde gedeelten 
bevat, die getuigen van de levenslustige natuur en den 
wakkeren geest, door Huygens tot het einde toe behouden. 



196 HUYQBNs' dood; jacob westerbabn. 

Tot het einde toe bleef hij ook zich zelf gelijk in zijne lief- 
hebberij om sneldichten te maken. De laatste in het Neder- 
landsch (van 1686) zijn een woordspelend grafschrift, en een 
lofdichtje op het „weispreken" van den predikant Johankks 
VoLLENHOVB, van wien hij betwijfelde „of oyt op Stoel de 
weergae sou verschijnen". Met eene woordspeling besloot hij 
ook zijne loopbaan als dichter, toen hij in Maart 1687 in een 
vierregelig Engelsch versje aan Willem's gade Maria Staart 
als erfgename van Koningin Elzabet eene kroon toewenschte, 
waarmee zij zich „Elza-better" zou toonen. Kort daarop, den 
26Bten Maart 1687, overleed hij op Hof wij ck. 

XXXIV 

Jacob Westerbaen, navolger van Huygens. 

Aan navolgers en bewonderaars heeft het Huygens niet 
ontbroken. Onder die, welke zich het meest naar hem richtten, 
neemt zijn stadgenoot Jacob Westerbaen als eerste en ver- 
dienstelijkste van allen de eereplaats in. „Van kleynen af- 
gesproten", zooals hij zelf met eenigen trots zegt, was hij 7 
September 1599 te 's-Gravenhage geboren. In het StatencoUege 
te Leiden werd hij voor predikant opgeleid, maar als over- 
tuigd en vurig aanhanger van de Arminiaansche partij, zooals 
hij levenslang gebleven is, zag hij zich den toegang tot den 
preekstoel afgesloten, zoodat hij na het sluiten van de Dordsche 
Synode, waarop hij aan de Remonstranten als hun secretaris 
goede diensten bewees, naar Caen ging, om er in de medicijnen 
te studeeren. In 1622 vandaar als doctor teruggekeerd, ves- 
tigde hij zich als geneesheer in zijne geboortestad. 

Spoedig daarna trad hij op als dichter met zijn in 1624 
uitgegeven bundel Minnedichten, waarin, behalve eenige wel- 
luidende minnezangen en bruiloftsdichten, verschillende grootere 
dichtwerken voorkomen: vooreerst het verhalend gedicht in 
alexandrijnen, „Verhuysinge van Cupido". Daarin vertelt hij, 
hoe op een godenmaal Eris onder de Olympiërs twist deed 
ontstaan over de vele minnarijen, waaraan goden en godinnen 
zich hadden schuldig gemaakt, hetgeen ten gevolge had, dat 
Cupido van den Olympus verdreven werd en „sijn vlugge 



wbstbrbabn's „nood-sabokklice mal". 197 

veeren roerende van boven recht op het Haegje neerkwam", 
dat van dien tijd af „sijn hemel sijn sou", waar hij bij Lucella 
zijn intrek nam en, omdat hij het er zoo goed had, niet weer 
„YBLU verhuisen wilde hooren". Blijkbaar is dit gedicht ge- 
schreven onder invloed van Heinsius en van Cats beide, al 
komt dat er ook niet zóó sterk in uit als Huygens' invloed 
bij zijn volgend gedicht: „'t Nood-saeckelick Mal". 

Onder een naam, dien Huygens met zijn ^Costelick-Mal" 
hem aan de hand deed, worden er de onvermijdelijke dwaas- 
heden, waartoe de liefde de jonge menschen brengt, en vooral 
de blindheid der vrijers voor de gebreken der fraai uitgedoste 
juffertjes schilderend gehekeld, zooals Huygens dat in zijn 
„Voorhout" deed. Hier echter is dat alles meer uitgewerkt. 
Ook wordt er, evenals door Huygens, een vrijer sprekende in- 
gevoerd, die allerlei Fransche woorden mengt in zijne hoofsche 
taal; maar daartoe bepaalt zich de navolging niet, want 
terwijl Wbstebbabn denzelfden strophenvorm van het „Voor- 
hout" gebruikte, bootste hij tot in kleinigheden toe allerlei 
eigenaardigheden van Huygens' stijl na, zijne tegenstellingen 
en herhalingen, nu en dan zelfs woordelijk; en ofschoon hij 
hier en daar zijn meester in geestigheid bijna wist te evenaren, 
over het algemeen is hij minder verrassend en vernuftig, 
vooral minder pittig dan deze. 

In eene volgende uitgave laschte hq nog twaalf nieuwe 
strophen in zijn gedicht in en daaronder ééne, waarin hij 
iemand aan zijne vrijster laat vragen, of niet „de Delvenaers 
haer boxens meugen komen leggen by de hoofse Hagenaers", 
daar immers de Delftsche schutters, die „kal verschieters", 
bij deze vergeleken maar „boeren" zijn en „aen haer roeren 
passen als een esel aen de luyt". Die, zeker stereotype, 
schimpscheut van een Hagenaar op de naburige Delftenaars 
bleef niet onopgemerkt. £en ons onbekende zond „tot Noot- 
sakelijcke Verantwoordinge der Schutteren van Delft" een lang 
gedicht in de wereld, waarop Westerbabn weer antwoordde 
met een ander onder de spreuk „leege tonnen rasen meest", 
dat, in denzelfden trant geschreven als het „Nood-saeckelick 
Mal", zeker daarvoor niet onderdoet. 

Wel moet dat laatste gezegd worden van een ander groot 
gedicht, weder in denzelfden trant, dat ook in de „Minne- 



198 JONCTIJS' MINNflDICHTBN KN HEKELDICHT. 

dichten" voorkomt en onder den titel „'t Vrouwen-lof' een 
pleit is voor het vrouwelijk geslacht. Verder komt in den 
bundel nog eeno goede vertaling voor van twaalf (later vijftien) 
„kusjes", naar de „Basia" van Janus Secundus, die kort te 
voren (in 1619) opnieuw door Scriverius waren uitgegeven. De 
Haarlemscbe musicus Cornelis Padbruë heeft deze „kusjes" 
later op muziek gezet. 

Als tegenhanger van de „Basia" had Janus Lemutius van 
Brugge in 1579 een bundel „Ocelli" uitgegeven, waarvan er 
dertig vertaald werden door den in 1609 of 1610 te Dordrecht 
geboren geneesheer Daniël Ewoütsz. Jonctjjs, die ze met 
een dertigtal andere gedichtjes (o.a. eene vertaling van het 
derde der „Basia") opnam in zijn, in 1639 uitgegeven, bundel- 
tje Roselims oochiea ontleedt, dat ook nu nog tot de bevalligste 
en welluidendste minnepoëzie der zeventiende eeuw wordt 
gerekend en in elk geval verdienstelijk is om de vernuftige 
verscheidenheid, waarmee hetzelfde onderwerp, de oogjes der 
geliefde, er telkens weder in behandeld wordt, schoon het 
van eenige gezochtheid en gekunsteldheid niet is vrij te pleiten. 

Een uitvoerig hekeldicht, Hedens-daegse Venus en Minerva, 
dat JoKCTiJS in 1641 uitgaf, behoort tot de beste hekeldichten 
van dien tijd. Het herinnert soms aan het „Costelick-Mal", 
ofschoon het breeder van uitdrukking en eenvoudiger van 
taal is en de vernuftige opmerkingen en grappige stempel- 
woorden er niet zoo opeengedrongen zijn, wat van den anderen 
kant weer aan de onmiddellijke verstaanbaarheid ten goede 
komt. Het is een pleit van Venus als godin van het zingenot 
en Minerva als godin der wetenschap voor den godenraad, die 
door Jupiter wordt gepresideerd. Het oordeel van Paris had 
de oneenigheid dezer beide godinnen veroorzaakt. Venus begint 
met te wijzen op de levenskracht, die van haar uitgaat, en 
het genot, dat zij den stervelingen biedt, tegenover Minerva, 
die met hare wetenschap de jeugd deftig en zwaarmoedig 
maakt en alle blijdschap bij haar onderdrukt. Ook oogst de 
beoefenaar der wetenschap voor al zijne lichaamverslijtende 
en gezondheidknakkende studie dikwijls niet anders in dan mis- 
kenning en nijd. Minerva daarentegen laat er zich op voor- 
staan, dat zij waardig is, alleen door de voortreffelijksten 
gediend te worden; haar behoort de bloem dei menschheid, 



jonctub' „hbdbns-dabqsb vbnus kn minbrva". 199 

die baiten haar niemand anders noodig heeft, terwijl Venus 
toch altijd nog de hulp van Bacchus en Ceres behoeft om hare 
volgelingen te boeien, en ook dan nog te strijden heeft met den 
wedijver der Muntgodin, die zelfs Cupido bewogen heeft, boog en 
p\jlkoker weg te werpen, en hem in plaats daarvan het goud- 
schaaltje in de hand heeft geduwd. Aan Venus mogen de 
menschen het leven te danken hebben, aan Minerva danken 
zij de onsterfeUjkheid door hun roem bij het nageslacht. En 
hoe vluchtig is het mingenot! hoe wordt het getemperd door 
jaloezie en teleurstelling! Hoe spoedig valt de liefdesbril, die 
Cupido uit zijn goocheltasch te voorschijn bracht om den 
minnaar alles mooier te doen schijnen dan het is, den onge- 
lukkige weer van den neus, en hoe droevig vindt hij zich 
bedrogen, als wat hij voor echte kleur hield „waterverf' 
blijkt! Welk een waar genot, hoeveel roem en eer daarentegen 
verschaft de beoefening der wetenschap ! Zij voert den mensch 
ten hemel, terwijl de wellust, door Venus aangeboden, meestal 
in tranen eindigt. Nu komt Venus weer aan het woord, om 
in een lang pleidooi niet zoozeer zich zelf te verdedigen, als 
wel, in nauwe aansluiting aan het bekende wijsgeerig ge- 
schrift „De incertitudine et vanitate scientiarum" (1527) van 
Agrippa van Nettesheim, geestig in het licht te stellen, hoe 
onvruchtbaar, nutteloos en nadeelig zelfs alle wetenschappen 
zijn, geene enkele uitgezonderd. Alle moeten achtereenvolgens 
de spitsroede doorloopen: God- en rechtsgeleerdheid, genees- 
en heelkunde, wijsbegeerte en letterkunde, oudheid- en ge- 
schiedkunde; en wanneer zij er duchtig van langs gekregen 
hebben, dan moge Minerva uitroepen, dat kracht, deugd en 
waarde der wetenschappen door Venus niet behoorlijk onder- 
scheiden zijn van het misbruik, dat soms van de wetenschap 
is gemaakt, en het bedrog, dat dikwijls met schijnwetenschap 
is gepleegd, de goden wenschen hare repliek niet verder aan 
te hooren en sluiten het debat; en daar nu gelijk pleegt te 
krijgen, wie het laatst aan het woord bleef, maakte Jonctijs 
den indruk, alsof hij inderdaad alle wetenschap voor ijdel 
hield en in ernst alleen zingenot aanbeval. 

'De meeste beoefenaars der wetenschap lachten er om of 
haalden er hoogstens de schouders over op; maar godge- 
leerden aan het lachen te brengen over hunne eigene gebreken 



200 JOAN DB BRUN£, DR JONOB; WBSTBKBABN'S HUWBLUK. 

is niet zoo gemakkelijk: zij werden er boos over, zóó boos 
zelfs, dat zij den Dordschen kerkeraad bewogen, den hekel- 
dichter met den kerkelijken ban te treffen. Zelfs konden zij 
niet tot andere gedachten gebracht worden door zijne „Apologie 
of gedrongen onschuld, roerende zyn misduide hedendaegse 
Venus en Minerva" (van 1642), zoodat hij naar Rotterdam, 
de geboorteplaats zijner vrouw, verhuisde, waar hij, ofschoon 
het hem eerst in 1649 gelukte het banvonnis opgeheven te 
krijgen, reeds een jaar te voren tot schepen verkozen werd, 
als bewijs hoezeer hij daar in aanzien was, ook wegens een 
paar voortreffelijke prozawerkjes, waarop wij later nog wel 
terugkomen. In 1654 is hij te Rotterdam overleden. 

Wegens zijn verdienstelijk proza zullen wij later ook nog 
hebben te spreken over Joan db Brune, den jongen, die om- 
streeks 1616 te Middelburg geboren werd en er in 1649 
overleed ; doch reeds nu hebben wij aanleiding om zijn bundel 
Veirges van 1639 te vermelden: eene verzameling van een 
groot aantal kleine minnedichtjes, die er den schijn van 
hebben, dat zij den dichter telkens door het een of ander 
voorval, eene ontmoeting of opmerking, ontlokt zijn. Een 
negental „Kusjes" is er bij, en dertig rijmpjes hebben den 
afzonderlijken titel „De Honich-bye". Een zeer klein gedeelte 
dezer versjes is in anderen, ook wel stichteUjken, toon ge- 
schreven, maar verreweg het meeste in de taal der hoffelijke 
liefde Onder de voorafgaande lofdichten is er een in het 
Fransch van Pieter db Groot, die ook een der academie- 
vrienden was van Westerbaen, tot wien wij nu, na deze 
uitweiding, terugkeeren. 

In 1625 trad Westerbaen, zeer tegen den zin der hoog- 
hartige familie zijner bruid, in het huwelijk met Anna Weyt- 
sen, de weduwe van Reinier van Groeneveld, die hem tot 
een rijk en aanzienlijk man en heer van Brand wijk (in de 
Alblasserwaard) maakte. Zijn huweüjk veroorloofde hem, de 
geneeskundige praktijk neer te leggen en zich aan andere 
bezigheden te wijden, aan studie en poëzie wel het eerst, 
zou men verwachten, doch zelf schreef hij in 1657, dat hij, 
„op het land koomende te woonen'*, namelijk op het huis 
West-Escamp, „het woud der nachtegaelen" ten Oosten van 
Loosduinen, ook zelf wel gedacht had, zich. daarmee onledig 



westerbabn's vkrtalinobn. 201 

te zullen houden, maar dat hij „daer soo veel wercks of tyd- 
kortinge vond in planten, pooten, hovenieren, ryden, jaeghen , 
visschen en vogelvangen ende diergelijcke land-genuchten , 
dat hy noch aen ApoUo, noch aen yemanden der negen 
Zang-godinnen een goedt woordt wilde of behoefde te gheven". 
Slechts nu en dan maakte hij , bij bepaalde gelegenheden , 
een gedicht; maar toen hij in 1648 „het goed geselschap 
van syne echtgenoote door haer overlijden verlooren had 
ende zich daerdoor in meerder eensaemheydt op het lant 
vond, heeft hy wat meer heuls aen de Rijmpen gesocht, om 
daermede altemet de smerte van syn verlies en een stuck 
van de quaede dagen en lange avonden te vergeten ende 
zich de eensaemheydt te min verdrietich te maecken". 

In groot aantal volgden zijne dichtwerken nu elkaar op, 
te spoediger naarmate hij ouder werd. Grootendeels waren 
het vertalingen uit het Latijn. Had hij reeds in 1647 in zijn 
„Uytvaert van Frederick Hendrick" de vertaling gegeven 
van een Latijnsch gedicht van zijn vriend Barlaeus, van 
wien hij nog meer in het Nederlandsch overbracht, in de 
verzamelde uitgaaf zijner „Gedichten" van 1657 vindt men 
gedeeltelijke vertalingen van twee hekeldichten van Juvenalis en 
eene verduitsching van eenige der Heroides van Ovidius. In 1658 
gaf hij „Senecaes Troas" in Nederlandsche verzen uit, waarop 
in 1659 de „Lof der Sotheyd", eene berijmde vertaling van 
Ërasmus' „Encomium Moriae", volgde. Zelfs verscheen van 
hem in 1662 eene vertaling der geheele Aeneis van Virgilius 
en in 1663 van „De ses comediën van P. Terentius", van 
welke „Terentii Eunuchus of de Kamerlingh" reeds twee 
jaar vroeger afzonderlijk was uitgegeven, toen ook zijne ver- 
taling van de „Andria" op den Amsterdamschen Schouwburg 
vertoond was. Eindelijk gaf hij in vrije bewerking „op onse 
tijden en zeden gepast" in 1665 eene vertolking van Ovidius' 
«Ars amatoria" als „Avond-school voor vryers en vrysters" 
en in 1666 van Ovidius' „Remedia amoris" als „Nieuwe 
Avond-school". 

In 1655 werden door hem ook nog „Davids Psalmen in 
Nederduytsche Rijmen gestelt", die eene polemiek in verzen 
uitlokten , daar zij werden aangevallen in een anoniem schimp- 
dicht, getiteld „J. van Vendelen Voorlooper", dat Mr. Pibtbr 



202 wbsterbakn's hekeldichten. 

VAN Geldbren tot maker had en waarop Wbsterbabn geestig 
antwoordde met een gedicht „Bod en Brood voor den Man, 
die sich noemt J. van Vendelen Voorlooper". Daarbij bleef 
het niet, doch wij kunnen hier evenmin over deze als over 
andere polemische gedichten van Wbsterbabn uitweiden, of- 
schoon hij daarbij vooral in zijne kracht was. 

Alleen moeten wij met een paar woorden melding maken 
van zijn „Krancken-troost voor Israël in Holland" van 1663, 
en zijn „Kostverlooren" van 1668. Het eerste werd geschreven 
naar aanleiding van de afkeuring, door sommigen geuit over 
het besluit der Staten- van Holland ,. waarbij aan de predikan- 
ten gelast was, bij de godsdienstoefening officieel te bidden 
voor de Staten als voor den souverein des lands. Wbsterbabn 
hield hier natuurlijk de zijde der Staten, kwam krachtig 
tegen de heerschzucht der predikanten op , bracht 's lands 
treurspel van 1619 in herinnering en besloot zijn gedicht 
met den wensch uit te spreken, dat men „op 't Hof, recht 
voor de groote Sael, een beeld, een heerlijck beeld van raar- 
mer of metaal" voor den vermoorden landsadvocaat zou 
oprichten met dit opschrift: „Dits Oldenbarne velt , die trouwe 
patriot, die hier zijn leven liet voor 't land op een schavot". 
In het tweede gedicht overwoog Westbrbaen, „of de predikan- 
ten van de Publijcke Kercke de gage, die zy van het gemeene 
Land genieten , oock al verdienen", waarbij hij tot de slotsom 
kwam, dat het uitbetalen van dat geld „kost-verlooren" was. 
Natuurlijk lokten deze gedichten ook tegenschriften uit, 
waarbij Wbsterbabn dan niet naliet meermalen van repliek 
te dienen. Zoo wisselde hij b.v. verscheidene strijddichten met 
den Harderwijker professor in de theologie, Guilielmus van 
Ingen (naar 't mij voorkomt dezelfde als Wilhelmus Wilhel- 
mius, later hoogleeraar te Leiden), die in een welgemeend, 
maar slecht uitgevallen, gedicht „Thersites", en met den boek- 
binder-tooneeldichter J. Toledo, die in een gedicht „Papier- 
verloren", zijn „Kost-verlooren" hadden bestreden. 

Deze strijddichten vindt men o. a. achter de rubriek „Men- 
gel-rym" der volledige uitgave zijner werken van 1672, 
waarin ook verschillende zoogenaamde „heldendichten", die 
op staats- en krijgsbedrijven betrekking hebben, voorkomen, 
benevens eene verzameling Latijnsche verzen en een vrij 



westerbabn's „ookenbürgh". 203 

groot aantal puntdichten, die weer aan Huygens doen den- 
ken, met wien hij al meer en meer bevriend werd, zooals 
tal van onderling door hen gewisselde gedichten getuigen, al 
verschilde hij van Huygens dan ook door zijn Arminiaan- 
schen geest, zijn lust in polemiek en zijne geduldige lief- 
hebberij in het vertalen van uitvoerige classieke dichtwerken. 
Geheel en al als navolger van Huygens treffen wij hem 
weer aan in 1654 met zijn groot oorspronkelijk dichtwerk 
Arctoa Tempe.Ockenburgh, waarin hij, wat Huygens voor „Hof- 
wijck" had gedaan, hem onmiddellijk wilde nadoen voor zijn 
eigen landgoed Ockenburgh , dat hij met zorg en moeite in 
de klingen Westelijk van Loosduinen had aangelegd en waar 
hij in 1652, toen het bewoonbaar geworden was, het ruime, 
maar eenvoudige landhuis betrok. In zijne „Opdraght van het 
papieren Ockenburgh" aan Huygens zeide hij : „uw voor- 
beeld wees my 't spoor, waer lanx ick had te rennen", 
ofschoon hij wel begreep, dat zijn „rennen" maar „stappen" 
zou moeten blijven. In allerlei opzichten heeft bij dan ook 
hier Huygens gevolgd, niet alleen diens „Hofwijck", maar 
ook diens „Zedeprinten", met name de print van „de rijcke 
vrijster"; doch in één opzicht was het volgen hem moeielijk. 
De aanleg van zijn landgoed toch was nog lang zoo ver niet 
gevorderd als die van Huygens' buitenverblijf, en zoo kon 
hij dan dikwijls van niets anders spreken dan van „dingen 
die naulijx zijn versonnen", van boomenrijen b.v. , die nog 
maar alleen in zijn hoofd bestonden. 

Vandaar dat er in het gedicht van alles meer dan van 
Ockenburgh zelf sprake is, 't allereerst van Hofwijck, waar- 
van hij den lof zong, dan van het Westland met eene lange 
uitweiding over de sage der Gravin van Hennenberch, die 
eens tegelijk evenveel kinderen zou ter wereld gebracht heb- 
beu, als er dagen in 't jaar waren, en verder van den 
Toglenzang en het jachtvermaak , de „vangst van hayr en 
veeren", in de duinen, waaraan hij hier ook zoo dikwijls de 
Oranjes en andere vorsten zag deelnemen. Doch ook uit- 
weidingen van anderen aard veroorloofde hij zich, zooals over 
de voorwaarden voor een gelukkigen echt en over een tweede 
huwelijk, over den waren adel, die met aanzienlijke geboorte 
niets te maken heeft, enz. enz. De schilderijen, die zijn huis 



204 wkstbrbabn'b „ogkbnburoh". 

versierden, gaven hem aanleiding om over staatkundige ge- 
beurtenissen, b.v. de terechtstellingen van Oldenbamevelt en 
van Karel I van Engeland, te spreken, en eene uitvoerige 
behandeling der boomkweekerij gaf hem ook allerlei verge- 
üjkiugen met kinderopvoeding in de pen. In het laatste ge- 
deelte van liet gedicht sprak hij zeer uitvoerig over de genoegens 
van de jacht, waarmee hij zich vooral des morgens kon ver- 
meien, en over zijne uitspanningen des avonds : studie en lectuur. 
Zeer breedsprakig is hij daarbij over de verschillende natuur- 
wetenschappen, die hem zooveel belang inboezemden, en ook 
over de leering van „hooger school, daer philosophen swygen". 
Ten slotte komt de dichtkunst aan de beurt, zoowel die der 
Olassieken, der Italianen en Franschen, als die van zijne eigene 
landgenooten, van Huygens, Hooft en Cats in de eerste plaats, 
maar ook van den te zelden dichtenden Van der Burgh, van 
Heemskerck, Bredero, Vos, Anslo, Brandt, Camphuysen en De 
Decker, en vooral van Vondel, dien hij hoog vereerde, maar 
toch ook hier wegens zijn overgang tot de Katholieke kerk 
weder even krachtig bestreed, als hij dat verscheidene jaren 
vroeger reeds had gedaan. 

„Ockenburgh" is ongetwijfeld het beste van Westerbaen's 
grootere gedichten en laat zich ook nu nog met genoegen en 
belangstelling lezen, maar hoe gaarne wij den dichter ook 
eeren als een man van karakter, onafhankelijk van geest, 
eerlijk van gemoed, rijk in kennis en niet zonder vernuft, wij 
moeten erkennen dat zijn dichtwerk hem geen recht geeft op 
eene andere dan eene tweedenrangs plaats onder onze dichters. 
Ook „Ockenburgh" is, vergeleken bij het gevolgde voorbeeld, 
niet meer dan wat een latere flauwe afdruk is in vergelijking 
met den scherpen en fijnen eersten staat van eene goede ets. 
Hij zelf trouwens had geen hooger dunk van zijne poëzie. 
Voor één gebrek van Huygens echter heeft hij zich weten te 
hoeden : voor gezochte duisterheid, die hij zeker meer is gaan 
afkeuren naarmate hij meer de „gladde rijmpen" van Cats 
had leeren waardeeren, waardoor deze „by duysenden bemint" 
was geworden, zooals hij zeide, als de vader van „rijm en 
reen, die yeder kan begrijpen", van „ryck en vloeyend werk ', 
waarin geene moeielijk op te lossen „raedselen" voorkwamen. 

Op zijn geliefd Ockenburgh, waarbij zich koning, d.i. zijn eigen 



SLIAS HBRCKMANS. 205 

heer en meester, voelde, waar hij altijd van alles wat hij be- 
geerde «genoeg", d.i. „meer dan veel", en ten slotte ook het 
voorrecht van een frisschen, opge wekten ouderdom had gehad, 
overleed hij 31 Maart 1670. 



XXXV. 
Andere vrienden en navolgers van Huygens. 

In Wbstkrbabn hebben wij wel den voornaamsten dichter 
uit HuYOËNS* school leeren kennen, maar lang niet den eenigen. 
Reeds vroeger troffen wij als zoodanig ook hun stadgenoot 
Adriaen van DB Vbnnb aan, die echter meer van zijne ge- 
breken, dan van zijne deugden overnam, maar ook in Amster- 
dam vond HuYGBNS wat later navolging, o.a. bij den zeeman 
Elias Hbrckmans, te Amsterdam, vermoedelijk in 1596, geboren, 
die reeds vele tochten om de Noord, naar Archangel, gedaan 
had, toen hij als dichter optrad. Het duidelijkst verraadt hij 
den invloed van Huygens, en wel bepaaldelijk van diens 
„Costelick-Mal", in zijn gedicht „Encomium Calvitii ofte Lof 
der Koel-koppen'^ dat hij in 1635 ook aan Huygens opdroeg 
en waarin o.a. evenzoo met de pruiken, de geroofde lokken, 
gespot wordt, als wij dat in het „Costelick-Mal" zien doen. 

Overigens had Hbrckmans ook reeds, voor hij persoonlijk 

met Huygens in aanraking gekomen was, diens wat gezocht 

schilderenden, geestig beeldrijken stijl, maar in het oog van 

sommigen met te groote hardheid en stroefheid, nagebootst 

in zijne beide historische tooneelstukken Slach in Vlaenderen 

(d.i. bij Nieuwpoort), in 1624 gedrukt, en „Tyn« Belegeringhe 

en Ondergang door de laeste veroveringhe van Alexander de 

Groote", in 1627 geschreven, en vooral in zijn groot dichtwerk 

Der Zee-vaert Lof, dat in 1634 het licht zag, versierd met 

verschillende etsen, waaronder ook eene ets van Rembrandt, 

die inderdaad de reis van Paulus naar Rome voorstelt, maar 

meest bekend is onder den onjuisten naam van „het scheepje 

van Fortuin". 

Hbbckmans, die het werk opdroeg „Aen de Machtighe in 
Zeevaart bloeyende koop-stad Amsterdam", toonde daarin eene 



206 SLIAS HBRCKMANS EN MATTHKUS TBNQNAQBL. 

omvangrijke en voor een zeeman zeker ongewone historieken- 
nis, ten deele ook onmiddellijk uit de classieke schrijvers ge- 
put. In vijf boeken, waarin de alexandrijnsche versvorm ge- 
bruikt is, wordt een belangwekkend overzicht gegeven van 
de geheele geschiedenis der zeevaart, van Noachs ark af tot 
op 's dichters eigen tijd toe, zoodat men er niet alleen de zee- 
tochten der Aegyptenaars en Phoeniciërs, der Carthagers en 
Grieken in beschreven vindt, maar ook die der kruisvaarders, 
der Spanjaarden en Portugeezen en, in het vijfde boek, de 
ontdekkingsreizen der Nederlanders. Een zesde boek, in korter 
rijmregels, schildert levendig en nauwkeurig het leven aan 
boord van een koopvaarder. Een loflied op den „waerd ge- 
geroemden zee-held Cornelis Jansen de Haen*', die in 1633 
tegen de Duinkerkers sneuvelde, is er aan toegevoegd 

Een jaar nadat Hebckmans met dit gedicht den lof van 
mannen als Huygens, Bablaeus en verscheidene anderen had 
ingeoogst, en in hetzelfde jaar, waarin hij in Huygens' trant 
den lof der kaalkoppen zong, trad hij in dienst der Westindische 
Compagnie, die hem onder Joan Maurits van Nassau naar 
Brazilië zond, waar hij 8 Januari 1644 overleed, minder ge- 
waardeerd dan hij om zijne daden had verdiend. 

Denken wij ons de Hollanders der zeventiende eeuw bij 
voorkeur als die werkzame, bekwame en stoere mannen, 
waarvan Herckmans een type is, dat er toen ook zwakke- 
lingen zonder zelfbeheersching en werklust gevonden werden, 
spreekt wel van zelf. Met zoo een maken wij kennis in een 
ander navolger van Huygens, nameUjk Mattheus Gansneb 
Tengnagel, in 1613 te Amsterdam geboren als zoon van den 
schilder Jan Tengnagel, van wiens „penceelen" hij later zeide, 
dat hij „de schaften tot schrijfpennen versneden" had. Korten 
tijd was hij student te Leiden, maar sjeesde spoedig, daar hij 
zóó wild van leven was, dat hij bij zijne meerderjarigheid door 
zijne aanzienlijke familie onder voogdij werd gesteld. 

In het eerste boekje, dat hij (in 1640) met zijn naam uitgaf, 
Amaterdamsche Lindebladen, heeft hij versvorm en stijl van het 
„Voorhout" inderdaad niet onverdienstelijk nagemaakt. Hij 
noemde daarin zelf den „wakkren Huygens, die somwijlen 
ledig naer dichten schoot, de star, waemaer hy zeylde", en 
wenschte met zijn gedicht voor de linden zijner geboorteplaats 



tbnonagel's „amsterdamsche lindebladen''. 207 

evenveel roem te verwerven, als Huygens het voor die van 
het Voorhout had gedaan. Gaarne laat hij aan Huygens de 
I, voorzit in de vierschaar**, die oordeelen zal, of de Amster- 
damsche linden die van het Haagje niet ver overtreffen, want 
hij is er van overtuigd, dat de „andere ziel van Welhems 
zoon 't recht zoo recht zal spreken, als 't den rechten rechter 
past". Vooral als heerlijk bladerdak om er onder te vrijen 
vergelijkt hij zijne linden bij die van Huygens, en al is zijne 
taal wat platter en al zijn er onder de tooneeltjes, die hij 
schildert, een paar, waarbij de kieschheid niet genoeg in acht 
genomen is, over het algemeen mag men zeggen, dat misschien 
niemand in den eigenaardigen trant van het „Voorhout" 
Huygens zoo dicht op zijde is gekomen en de afgeluisterde 
vrijerspraatjes zoo geheel in Huygens* geest, wat uitvoeriger, 
maar soms niet minder geestig, in achtregelige strophen heeft 
weten weer te geven, als hij, trouwens niet zonder nu en dan 
woorden en gedachten van Huygens bijna letterlijk over te 
nemen. Aardig vooral is de beschrijving van hetgeen er op 
eene Amsterdamsche kermis te smullen valt, aardig ook de 
hofmakerij van een Amsterdamschen schutter, die half bluft 
op, half spot met zijne mooie uitrusting, stuk voor stuk door 
hem zóó beschreven, dat wij dien zeventiendeëeuwer „met sijn 
schutters tuigjen aen" vóór ons zien. Dat in zeven strophen 
van dit gedicht achtereenvolgens meer dan honderd vijftig 
namen van dichters uit dien tijd worden opgesomd, heeft als 
letterkundige curiositeit reeds meermalen de aandacht getrokken. 
Aan dit gedicht is nog, onder den titel Afgeslagen bloemsely 
een klein bundeltje losse gedichtjes door den dichter toege- 
voegd, meest aan zijne vrienden gewijd, soms in ernstigen 
trant, soms als welluidend minnelied te prijzen. 

Jammer, dat Tengnagel's andere gedichten, in denzelfden 
trant reeds in 1639 uitgegeven, even ongebonden van toon 
zijn, als hij zelf van leven was^ zoodat hij het daAook niet 
waagde, zijn naam op den titel te plaatsen en zelfs het auteur- 
schap er van verloochende. Zij heeten: Amsterdarmche Mane- 
sehiint Amsterdamsche Sonne-schiin en Qrove Roffel ^of te quartier 
des Amsterdamsche Maneschyn, waarop in 1640 nog als „laetste 
quartier" het boekje St, Nicolaes milde gaver, volgde. Hierin 
ging hij met het vertellen van liefdesgevallen zoozeer alle 



208 tengnaqbl's klucht bn hbrdersspal. 

perken van kieschheid te buiten, dat Huygens, die zelf toch 
ook wel iets durfde neerschrijven, zich moet geschaamd hebben, 
toen hij daarin een vrijer, „die voor 't venster stond bedropen 
in het regenachtigh weer, daer syn beekje lagh gekropen in 
de lodderlijcke veer", vermeld vond als denzelfden „klapper- 
tand, daer ons Huygens so af schrijft". Deze boekjes zijn niet 
alleen vies en grof, maar bovendien ook echte blauwboekjes, 
waarin onder bedekte of ook maar half bedekte namen allerlei 
Amsterdammers worden ontmaskerd of belasterd, zoodat de 
dichter zich eene menigte vijanden maakte. 

Bijzonder kiesch kan men ook zijne klucht Frick in H VewT' 
huya niet noemen, in 1642 uitgegeven en, naar 't schijnt, ook 
op den Schouwburg gespeeld ; maar er zijn er wel platter 
vertoond en ook wel die minder geestig het Amsterdamsche 
leven van dien tijd schilderen. Handeling is er weinig in. De 
held er van is een losbol, die, wanneer hij op het punt is 
bruigom te worden, door twee meisjes wordt vervolgd, omdat 
zij reeds vroeger met trouwbelofte ook een kind van hem 
ontvangen hadden. Met de „verdagvaerding" van Frick „voor 
Commissarissen in d' Ouwe kerk" is deze geschiedenis ten eind. 

Misschien heeft Tbngnagel zich spoedig gebeterd onder 
den machtigen indruk, dien hij van den dood zijner moeder 
ondervond, althans in 1643 gaf hij een werkje uit, zóó beschaafd 
van taal en streng zedelijk van inhoud, dat men er denzelfden 
man niet in zou herkennen, namelijk het door hem met verlof 
der Amsterdamsche Overheid aan zijns vaders vriend Daniël 
MosTART opgedragen „Leven van Konstance" (in proza), waer 
af volgt (in verzen) het tooneelspel De Spaensch^ heldin", met 
vier goede etsen van Pieter Nolpe en muziek van G. Bolhamer. 
Het spel is de dramatiseering van hetzelfde aan Cervantes 
ontleende verhaal van Preciosa, dat Cats in zijn „Trou-ringh" 
had opgenomen en dat reeds vóór Tengnaqel, zooals hij zelf 
in de opdracht mededeelt, tot een, eerst in 1644 gedrukt, 
blijspel Spaensche heydin bewerkt was door Katarina Verwbbs 

DUSART. 

Na dien tijd vernemen wij van Tbngnagel niet veel meer. 
In den zevenden druk van een bekend liedboekje, „'t Amstel- 
dams Minne-beeckie", komen nog drie, waarschijnlijk reeds 
vroeger gedrukte, minneliedjes van hem voor. Op het eind 



MATTHRUS TBNQNAGBL EN JAN ZOET. 209 

van 1651 schreef hij. nog een gedichtje in het album amicorum 
van Jacob Hbiblocq, sedert 1670 rector aan de Latijnsche 
school der Nieuwe Zijde en van 1678 tot zijn ontslag in 1685 
van de vereenigde Latijnsche scholen te Amsterdam, en bekend 
door een „ParragoLatino-Belgicaof Mengelmoes van Latijnsche 
en Duitsche gedichten", door hem in 1662 uitgegeven. 

Dat Tenonaqel tot zijn vroeger losbandig leven teruggekeerd 
is, schijnt men te mogen opmaken uit een „grafb-dicht" op 
hem van den schilder Willem Schellincks, waarin gezegd 
wordt, dat hij „in des werelds spinneweb moet willens bleef 
hangen tot dat de Doot hem met één slagh uit mede-ly smeet 
uit dat rack", tot groote vreugde van iedereen, die van dezen 
Satyr en Momus binnens- en buitenslands te lijden had gehad. 
„Dankt Godt", zoo eindigt het graft-dicht, „dat die hier onder 
leit U noit en kon of zo wel kenden, dat hy u niet vermocht te 
schenden". Vermoedeljjjk stierf hij in 1652, daar toen „De geest 
van Mattheus Gansneb Tengnagel in d' andere werelt by de ver- 
storvene poëten" anoniem uitkwam : een merkwaardig gedicht, 
geheel in Tengnagel's (d. i. in Huygens') dichtvorm en misschien 
daarom gewoonlijk, doch zeker te onrecht, aan hem zelf toege- 
schreven. Later komen wij op deze scherpe hekeling van 
de meeste vóór 1652 overleden tooneeldichters nog wel 
terug. 

Tot de vrienden van Tengnagel behoorde o.a. de Amster- 
damsche herbergier van „De soete inval", Jan Zoet, die ook 
als dichter van schendblaadjes en politieke hekeldichten en 
puntdichten (o.a. tegen Jan de Wit) bekend is. In 1636 ver- 
scheen van hem een dergelijk gedicht als de blauwboekjes 
van Tengnagel, maar misschien wat minder persoonlijk. Onder 
den titel Hedendcuxghsche Mantel-eer trekt het te velde tegen de 
macht van het geld, dat alle kwaad weet goed te maken en 
dat daarom ook door ieder met alle middelen wordt bejaagd. 
,l8 't oneerlijk, broeds of mal, Moye Mantels dekken 't al", 
is er de tekst, waarop gepreekt wordt; maar die preek is 
allesbehalve stichtelijk, en van hetgeen er te Amsterdam, 
vooral op het gebied van de minnarij, omgaat, wordt een 
leelijk boekje opengedaan door „twee laudaten, zusters van 
de Schuimgodin, die de eer op 't hoogste haten, hebben in 
de Munt-god zin", en aan wie het geheele gedicht in den 
II 14 



210 JAN ZOBT BN ZUNB DICHTBBNT. 

mond wordt gelegd. De inleiding herinnert door den versvorm, 
en het verdere gedicht, in paarsgewijze rijmende korte vers- 
regels, door enkele niet onaardig geteekende tafreeltjes aan 
Huygens' „Voorhout", maar door de breedsprakigheid nog 
meer aan Cats. 

Vijf tooneelstukken liet Jan Zoet op dit gedicht volgen, 
maar na zijne „geestelijke wedergeboorte" verviel hij meer in 
den stichtelijken trant, ofschoon hij ook daarin hatelijk ge- 
noeg kon wezen, zooals in zijn gedicht «Het groote Vischnet", 
dat bijna alle godsdienstige sekten geeselde en in het bijzonder 
de verschillende soorten van Mennonieten. Zelfs de „Heilige 
Dagen" van Hüygens konden toen geene genade in zijne 
oogen vinden ; hij viel ze (vermoedelijk op het eind van 
1646) aan in zijne „Geestelikke Door-zichten op Constantyn 
Huygens' Hailige Dagen, Beneeven een Kars-dagh aan den- 
zelfden", wat HuYGENS terecht deed zeggen, dat er in zijn 
naam eene e te veel was. 

Het meest bekend heeft hij zich gemaakt als lofdichter van 
het huis van Oranje, o. a. met zijn gedicht op de Oranjezaal, 
die Amalia van Solms onder toezicht van Huygens deed 
bouwen en die later, toen het Haagsche bosch had opgehouden 
eene wildernis te zijn, het Huis-ten-Bosch genoemd werd; en 
door het uitvoerig gedicht op den zesden verjaardag van 
Willem van Oranje, dat hij in 1656 zelf aan het hof mocht 
komen voorlezen en waarin hij den Prins aan het slot „de 
erfenis van kroon en troon" toewenschte, die hem later 
inderdaad ten deel zou vallen. In deze en andere gedichten 
bootste Zoet soms den stijl van Vondel na, natuurlijk zonder 
hem ook maar in de verte te evenaren. 

Ofschoon als dichter hoogst middelmatig, als mensch ruste- 
loos en vechtlustig, wist hij zich toch door eene geheele 
dichtbent als „hooftpoëet" te doen erkennen. De erbarmelijke 
vruchten van den dichtarbeid der negentien leden, waaruit 
die kring in 1663 bestond, zagen in dat jaar het licht onder 
den titel „Pamassus aan 't IJ of Konstschoole ter deugd ten 
huyse en onder 't beleyd van Jan Zoet". Den Uden Januari 
1674 is Jan Zoet overleden, zeker tot zijne eigene verbazing 
en teleurstelling, want hij had geleefd in de vaste overtuiging, 
dat hij niet zou sterven, maar de komst van Christus en het 



8T£ENDAM, BRUNO BN ANDBRB BBNTOBNOOTEN VAN JAN ZOBT. 

duizendjarig rijk zou beleven, wat menig spotdichtje, vooral 
na zijn dood, heeft uitgelokt. 

Van zijne bentgenooten noem ik alleen den door hem zelf 
gelauwerden Tewis Dircksz. Blok, Claes Seep, den reeds 
vroeger vermelden vriend van Krul, den Haarlemschen 
procureur Pieter Rixtel, die in 1669 „Mengelrymen*' uitgaf, 
den schilder Pieter Verhoek en den in 1666 als zieken- 
trooster naar Batavia vertrokken en aldaar overleden Jacob 
Steendam, wiens minnedichten en stichtelijke gezangen in 
twee deelen onder den titel „De Distelvink" in 1650 uit- 
kwamen, even vóór hij naar Nieuw-Amsterdam vertrok, van 
waar hij weliswaar vóór 1662 terugkeerde, maar waar hij 
toch lang genoeg woonde om nu nog door de patriciërs der 
Vereenigde Staten als de oudste dichter van hunne republiek 
te worden beschouwd. 

Tot de dichtbent van Jan Zoet behoorde ook nog Henrick 
Bruno, de zoon van een Alkmaarschen predikant, die ons 
weer tot Hüygens terugvoert, daar hij eenigen tijd goevemeur 
van diens kinderen was, maar zonder daarvoor geschikt te 
zijn, evenmin als voor het conrectoraat te Hoorn, waaruit hij, 
vermoedelijk om zijn weinig stichtelijk levensgedrag, ont- 
slagen werd; maar in Rochus Hofferus te Zierikzee vond hij 
een machtig beschermer, aan wien dan ook een zeer groot 
aantal Nederlandsche en Latijnsche gedichten gewijd is in 
zijn „Mengelmoes van verscheyde Gedichten'*, dat in 1666 
uitkwam, twee jaar nadat hij op zevenenveertigjarigen 
leeftijd overleed. 

Behalve in eenige puntdichten en bruiloftszangen is er in 
dat geheele weinig genietbare mengelmoes niets bijzonder on- 
stichtelijk, en ook overigens heeft hij in zijn schrijven tegen de 
goede zeden niet gezondigd, want niet alleen vertaalde hij 
veel uit de classieken, maar ook berijmde hij vele bijbel- 
boeken, o. a. in 1656 ook de Psalmen. Voor Cats schijnt hij 
als dichter meer gevoeld te hebben dan voor Huygens, met 
wien hij nochtans, ook blijkens wederzijdsche lofdichten, in 
vriendschapsbetrekking bleef, toen hij reeds te Hoorn woonde. 

Ook wisselde Huygens (in 1646) schertsende gedichtjes met 
zijne zuster Alida Bruno, eene van de vele kunstlievende, soms 
ook inderdaad kunstvaardige, en halfgeleerde jonge en oudere 



212 DIGHTIJEYBNDB JüFFflBS. 

juffers, die zich destijds beijverden de beroemde „Visscherskin- 
deren" te evenaren, maar ze alleen in het klein hebben kunnen 
navolgen, en die het vermoeden bij ons wekken, dat, ware er 
bij ons slechts een Molière opgetreden, ook in onze repubUek 
van „précieuses ridicules" en „femmes savantes" sprake zou 
geweest zijn. Nu de Molière ontbrak, moesten al die kunste- 
naresjes ons wel verschijnen in het gunstige licht, waarin de 
hoffelijkheid harer tijdgenooten haar voor ons heeft geplaatst, 
en daaraan heeft Huygens meegedaan, zoo vaak hij kon. 

Zóó vinden wij hem in 1648, toen hij in het gevolg van 
Willem II naar Groningen gegaan was, in aanraking met 
SiBYLLE VAN Griethuysen, die toen een Latijnsch versje van 
hem vertaalde en daarvoor door hem werd beloond met een 
gedichtje en den lof van „wijze vrouw" en echte „Sibylla". 
Zij was te Buren in Gelderland geboren, maar vond te Kollum 
in den apotheker Wytzema een echtgenoot, met wien z^ 
eerst naar Appingedam en daarna naar Groningen verhuisde, 
waar zij als stichtelijke dichteres en goed onderwezen vrouw 
te meer heeft kunnen schitteren, omdat zij er in de zeven- 
tiende eeuw zoo goed als alleen de eer der Nederlandsche 
dichtkunst ophield met haar vriend Johan van Nijenboboh, 
dichter o.a. van het „Tooneel der ambachten" (1659), en met 
de Friezin Tjtia Brongersma, die wat later (in 1686) te 
Groningen „De Bronswaan of Mengeldichten" uitgaf en bij- 
zonder belang stelde in het door haar ook bezongen hunne- 
bed te Borger. 

In 1659 en wat later vinden wij Huygens gedichtjes wisselen 
met Adriana le Thor van Amsterdam en een dankrijm toe- 
zenden aan haar nichtje Cornelia Kalf, die ook door Van 
der Burgh en Antonides bezongen werd als dichteres, 
muziekbeoefenaarster, glasgraveerster en vooral als penne- 
kunstenares, omdat zij als zoodanig zelfs iemand als den 
beroemden Lieven van Coppenol in kracht en onge- 
dwongen sierlijkheid evenaarde, ja, volgens hare bewonderaars, 
zelfs in sommige opzichten overtrof. 

Meer bekend dan deze beiden maakten zich echter Katharina 
QuBSTiBRS, voor wier album Huygens een versje dichtte, en 
hare vriendin Cornelia van der Veer: een paar echte 
ijdeltuiten, die samen in 1665 een dichtbundel Lauwer^tryi 



OOBNBLIA VAN DER VflBR EN KATHARINA QÜE8TIBRS. 213 

ttitgaven, waarin zij beweerden met elkaar te wedijveren in 
het dingen naar den lauwerkrans, maar eigenlijk in ieder ge- 
dichtje elkaar dien krans toereikten, en waarin zij ook alle 
gedichtjes opnamen, die verscheidene dichters tot haar lof in 
haar album schreven. Cornelia van der Veer, die altijd 
„veerdor tragtte", heeft na den dood haror vriendin geen 
nieuwen bundel uitgegeven, ofschoon er vrij wat latere ge- 
dichten in handschrift van haar bestaan, waarvan ik toevallig 
de bezitter ben; maar evenmin als ik vroeger ooit lust heb 
gehad, van dat rijm werk iets mee te deelen, heb ik nu lust, 
er langer bij stil te staan. 

Katharina Questiers, dochter van den tooneeldichter en 
pompenmaker Salomon Davidsz. Questiers, zuster van David 
Questiers, die ook verzen gemaakt heeft, en echtgenoote van 
Joannes de Hoest, met wien zij gehuwd was van 1664 tot 
1669, toen zij op eenendertigjarigen leeftijd overleed, heeft 
op wat meer belangstelling aanspraak, al was het alleen om 
het grafschrift, dat Vondel voor haar maakte met deze slot- 
regels : „In aerde en hemel rees om haer een groot krakkeel ; 
elk trok : de hemel won de ziel, het schoonste deel", Ook had 
zij zich reeds door verschillende tooneelstukken, die hier ver- 
der nog wel ter sprake zullen komen, bekend gemaakt, vóór 
zq den „Lauwer-stryt" uitgaf. 

Ongelooflijk is het , welke hoogdravende eeretitels zij in dien 
bundel van hare bewonderaars — meest jonge dichters — 
ontvangt Noemt J. le Blon haar nog maar alleen „Een 
voetster van de Konst", en Mr. Andries Pels eene „minnares 
van konst en wetenschappen, eene Saffo", bij den tooneel- 
dichter JoHANNES Smidt heet zij eene „lichtende colombe der 
poëzy", bij Pilips van Zbbsen „meestresse van Apolloos 
schatten", en door den te Rotterdam geboren, maar te 
Utrecht gevestigden lier- en kluchtspeldichter Mr. Pieter 
Elzevier wordt zij „de glans van 'tNederlants Parnas" ge- 
noemd. Henrick Bruno sprak haar toe als „Amstels Pallas" 
en Henrick Waterloos legde er nog wat op door haar „de 
Pallas onzer eeuw" te noemen, terwijl Mr. Jonas Cabeuau 
haar verheerlijkte als „geleerde maecht en thiende van den 
Rey der susters van de Sou, een Saffo in het rijm, een 
Sibylle in 't spreken". J. Ketelhobd meende, dat, nu Eras- 



214 KATHABINA QUBSTIBRS EN AMDSRB DICHTBRESSBN. 

mus in koper praalde, het beeld van Katharina wel van 
goud mocht zijn, en Philxppus Theodoor Tol (die in 1669 
Blanche de Bourbon tot de heldin van een treurspel maakte) 
beschreef in brommende verzen hare rijk voorziene ,,konst- 
kamer** in de Warmoesstraat te Amsterdam, vol van hare 
eigene kunstwerken; doch zeker vereert niets haar zoozeer 
als het gedichtje, dat Vondel in 1654 maakte „Op de kunstige 
teekeningen en bootzeersels" van deze. „tweede Saffo ii^ haer 
dichten", zooals hij het jonge meisje daar noemde. 

Dat zij niet alleen dichteres was, maar in allerlei kunsten 
bedreven, zoodat, volgens een der lofdichten, fc haar Tessel- 
schade herleefd scheen, dat zij veler bewondering wekte door 
hare pennekunst, haar graveeren op glas, in koper en hout, 
haar teekenen met houtskool en krijt, haar schilderen en haar 
aquarelteekenen van bloemstukjes, hare boetseer- draai- en 
papiersnijkunst, haar kunstig borduren en hare kunst om van 
papier welriekende bloemen verrassend na te maken, kunnen 
wij vermeld vinden in een der vele dichtstukjes, die de Leid- 
sche, maar toen te Amsterdam gevestigde, advocaat Joan 
Blasiüs haar wijdde, en waaruit wij allerlei kleine bijzonder- 
heden omtrent haar vernemen. 

Deze gedichtjes komen voor in de Mengeldichten^ door Blasius 
in 1661 „de voornaamste Joffers toegepast" : een bundel, die 
wel geene poözie van veel kunstwaarde bevat, maar belangrijk 
is, omdat die rijmende liefdes- en hoffelijkheidsuitingen ons 
een blik doen slaan op den omgang van de beschaafde, kunst- 
lievende jonge dames en jonge heeren in de tweede helft der 
zeventiende eeuw. Wij kunnen er b.v. ook kennis door leeren 
maken met verschillende kunstbeoefenende jonge meiqes, die 
nu en dan versjes schreven en in bloemlezingen lieten drukken, 
zooals Adriana Schrevelia, dochter van Cornelius Schrevelius, 
den rector der Latijnsche school te Leiden, eene „geleerde 
nymf en puyk der Leydse Joffren'', die haar tijd doorbracht 
met dichten en ook met „fluyt, viool, penceelen, pennen, pot- 
loot, verw en doek" ; zooals ook Margareta le Goüche, later 
gehuwd met Nicolaas Klopper, de „roemruchtbre nymf, waarop 
den Amstel bralde", volgens Blasiüs, die haar als vertaalster van 
Guarini's „Pastor fido" doet kennen ; en zooals verder Maria de 
Karpentier, dochter van den Amsterdamschen predikant Caspa- 



JOAN BLASIU8. 215 

rus de Karpentier, en Pbtronella van Zul, echtgenoote vanden 
Gelderschen staatsman Adam van Kaldenbach, die door Blasius 
geroemd wordt als uitmuntend in glasgra veeren, papiersnijden, 
borduren, cymbelspelen en dichten, waarbij zij,naar het heet,„hoog 
in Sophokleesche laarsen trad", maar die verstandig genoeg was 
om overdreven lof eer een gevaar, dan iets aangenaams te vinden. 
Andere meisges, waaraan Blasius zijne gedichten wijdde, 
hadden dat nog meer aan zijne vriendschap of verliefdheid te 
danken, en die verliefdheid ging bij hem in ernstige liefde 
over, toen hij Maria Wiebouts had ontmoet. Haar zong hij 
de groote meerderheid der vele gedichten van Fidamanta kusjed, 
Minnewijaen en Byrijmen toe : een bundel door hem uitgegeven 
in 1663, een jaar nadat hij in het huwelijk verbonden was 
met haar, die daarin als zijne Oelestyne werd verheerlijkt en 
die ook zelve een klein versje voegde bij de vele lofdichten, 
waarmee deze bundel prijkt en waaronder er ook voorkomen 

van GORNELIA VAN DER VeER CU SlBYLLB VAN GrIETHÜYSBN. 

Als tooneeldichter zullen wij Blasius later nog aantreffen 
en zelfs eene rol van eenige beteekenis in de schouwburg- 
wereld zien spelen: nu moet ik nog even vermelden, dat hij 
in 1666 ook een stichtelijken bundel heeft uitgegeven, getiteld 
„Heilige gedachten over het Allerheiligste avond-maal onzes 
Heeren'*, ten deele uit het Latijn van den Amsterdamschen 
hoogleeraar Robert Keuchenius vertaald, en gevolgd door 
enkele gedichten van zijn vriend, den Haarlemschen schilder 
en „gelaurierden poëet" Franco Snbllinx, want die bundel 
voert ons tot Huygens terug, omdat wij daarin onder den 
titel „Uit de Gods-dienst van den Ed. Heer Konstantyn Huygens" 
niet minder dan negen gedichten van Huygens „over des 
Heeren Avondmael" opgenomen vinden. Dat Blasius met 
Huyoens in betrekking stond, blijkt ook uit een lang gedicht, 
aan Huygens reeds vroeger toegezonden en onder de bijrijmen 
van „Fidamants kusjes*' gedrukt. Ook bleef Huygens' stijl niet 
zonder invloed op hem : gezochte zinswendingen en woordspe- 
lingen vond hij mooi, maar voor Hooft had hij blijkbaar nog 
grooter bewondering. In zijn qit Plautus' „Menaechmi" ver- 
taald blijspel Dubbel en Enkkel van 1670 voegde hij zestien 
regels in uit Huygens' Zedeprint van „een onwetend medicyn." 

Aan Huygens' Zedeprinten (bv. aan de print van den alchi- 



216 JAN VAN DER YEEN's „ADAMS APPEL". 

mist) herinneren ook de Zinne-beelden oft Adam» Appel, die de 
apotheker Jan van der Veen in 1642 opdroeg aan de Regeering 
zijner vaderstad Deventer. Minstens tienmaal is dat werk her- 
drukt, en inderdaad was de opgang, dien het maakte, niet 
onverdiend: onder de vele emblematabundels, die hier ver- 
schenen, is het zeker een van de beste. De vijftig zinnebeelden 
(door S. Savry gegraveerd), ieder met een tweeregelig Neder- 
landsch en Fransch opschrift en verklaard in twaalf goede 
alexandrijnen, worden telkens door een liedje en een klink- 
dicht gevolgd. Naar den aard dezer dichtsoort zijn ook deze 
zinnebeelden leerrijk van strekking. Ook toont de dichter 
zich goed te huis in den Bijbel, zooals van iemand te ver- 
wachten is, wiens vader in den tijd der „Egiptische slavernye 
ende Babelsche banden het Spaansche jock ontweeck" en 
van Deventer naar Haarlem vluchtte, waar de dichter zelf 
het levenslicht zag. Toch is hij allesbehalve een femelaar, 
al is hij een voorstander van strenge zeden. Verder toont hij 
zich een aanhankelijk burger van Deventer, waarheen hij 
reeds in zijne jeugd zal teruggekeerd zijn , en een goed vader- 
lander, vooral in de achter den bundel herdrukte Zegezan- 
gen, waarin hij de verschillende veroveringen van Frederik 
Hendrik verheerlijkt. 

Dat de verzen van Huygbns meer indruk op hem hebben 
gemaakt dan die van eenig ander dichter, schijnt uit zijne 
manier van dichten te mogen worden afgeleid; ook noemt 
hij eenmaal met name het „Costelick Mal", maar over het 
algemeen is Van der Veen geen slaafsch navolger. Zijne 
verzen hebben een eigen karakter: iets wat vooral gezegd 
mag worden van zijne vele, ook achter de zinnebeelden her- 
drukte, bruiloftszangen, waarvan de eerste al van 1622 dag- 
teekent. Zij vervallen meest in een vroolijken, zelfs min of 
meer geestigen toon , terzelfder tijd dat zij den indruk maken 
van geschreven te zijn door een ernstig man. Zijne scherts 
is dan ook nooit plat of onbehoorlijk , zoodat men moeite zal 
hebben in onze letterkunde bruiloftsdichten in vrooUjken 
trant aan te treffen, die be^ter van taal, gedachten en vin- 
ding zijn dan deze. Onder de eigenlijke bruiloftsliedjes zijn 
er ook , die op den lof van welluidendheid aanspraak kunnen 



JAN VAN DER VEEN EN JACOB VAN DER DOES. 217 

maken. Het komt mij ook voor, dat latere dichters zich wel 
eens wat van Van der Veen hebben toegeëigend. 

In 1653 droeg Van der Veen nog een tweeden dichtbun- 
del aan de Regeering van Deventer op, namelijk 162 Raedt- 
selen met hunne oplossingen in rijm. Hij hield er zich van 
verzekerd, dat dit „zyn leste werk sou syn, te meer alsoo 
ayn keersse in de pijp brandde", zooals hij zegt, en in 1659 
is hij dan ook overleden. Hij liet ze na lang aarzelen druk- 
ken, omdat hij er eenig nut van verwachtte ter vervanging 
van de vele vieze en onkiesche raadselen, die er in omloop 
waren, maar beeldde zich niet in, dat zij hem op den naam 
van dichter aanspraak gaven. Wel was de poëzie van zijne 
jeugd af z\jn speelpopje geweest, maar hij wist zelf te goed, 
dat hij, op het schrijven van poëzie doelende, „'t rechte wit 
niet getroffen had, vermits Pegasi-Bron hem geweygert 
was". Op deze woorden van den verstandigen man wil ik, 
ten aanzien van zijne raadselen, niet afdingen, maar over 
het algemeen was hij toch meer dichter geweest dan menig 
ander, die hooger dunk van eigen gaven had. Aan dezen 
bundel voegde hij ook nog een wat verward hekeldicht „Gul- 
den ende ijzeren eeuwe" toe, en een „Nikkerspraatie" over 
den eersten Engelschen oorlog. 

Eindelijk moeten wij als navolger van Huygens nog Jacob 
VAN DER Does vermelden, die, ofschoon hij zijne rechtsstudiën 
niet ten einde bracht, aan zijne prinsgezindheid zijne benoe- 
ming in 1672 tot thesaurier van Den Haag had te danken. 
Als zoodanig overleed hij reeds in 1680 op negenendertig 
jarigen leeftijd. Met eene Tragedie van Dido debuteerde hij in 
1661; twee jaar later volgde nog een ander tooneelstuk, „Het 
houwelyck tusschen Aeneas ende Lavinia", beide naar de „ Aeneis" 
bewerkt en door „de Compagnie van Jan Baptista van For- 
nenburg" te 's-Gravenhage vertoond. Verder gaf hij in 1663 
onder den titel Geestelyck e?i Werelilyck Tyt-verdryJ een bun- 
del stichtelijke gedichten (o. a. berijmingen van Salomo's 
spreuken) uit, waarbij ook eenige „Mengeldichten", meest 
minnezangen en bruiloftsdichten , gevoegd zijn, en waarin 
ook een klein versje van Huygens is opgenomen, „hem 
toegesonden". 

Wat hem hier eenig recht op vermelding geeft, is zijn 



218 JACOB VAN DER DOBS; CATS TE DORDRECHT. 

groot beschrijvend gedicht in alexandrijnen, 's-Oraven-Haghe^ 
in 1668 gedrukt met twee lofdichtjes, die aan Huygkns min 
of meer afgedwongen waren. Van der Does geeft daarin eene uit- 
voerige, tot in kleine bijzonderheden afdalende, maar weinig dich- 
terlijke beschrijving van zijne geboorteplaats in den vorm van 
eene wandeling door de stad en hare omstreken (Scheveningenen 
Rijswijk) met zijne lezers, die daarbij menigmaal een lid van 
het door hem zoo geliefde Nassausche vorstenhuis ontmoeten, 
zooals men dat ook in Huygens' „Voorhout" doet. Daaraan 
herinnert het gedicht dan ook sterk, schoon in anderen vers- 
vorm, vooral bij de beschrijving van het Voorhout zelf, dat 
niemand zich sedert Huygens meer kon denken zonder vrije- 
^ïJ^J^S; galante hofmakerijtjes en uitstalling van kleederpracht 
en geleende schoonheid. Deze ontbreken ook bij Van der Does 
niet, die daarbij misschien nog wat onbescheidener dan Huygens 
menigen sluier oplichtte. De waarde van zijn gedicht bestaat 
hoofdzakelijk hierin, dat het ons van het uiterlijke leven in 
Den Haag een vrij duidelijk beeld geeft, ook des winters, daar 
het ijsvermaak der Haagsche groote wereld er niet onverdien- 
stelijk in beschreven is. 



XXXVI. 

Werk en invloed van Cats na 1626. 

Nadat Jacob Cats zijn „Houwelick" had uitgegeven, wijdde 
hij zich als pensionaris van Dordrecht aanvankelijk vooral 
aan staatszaken, waardoor hem in 1627 het voorrecht te beurt 
viel, als buitengewoon gezant naar Londen te worden afge- 
vaardigd, hetgeen hem de ridderketen van St. -Joris bezorgde. 
In 1630 verloor hij zijne vrouw aan eene slepende ziekte. 
Slechts twee dochters, Anna en Elisabeth, liet zij hem na, 
van welke de eerste met Jonkheer Cornelis van Aerasen, drost 
van Breda, en de tweede eerst met den later zoo beruchten 
griffier Cornelis Musch en vervolgens met Dirck Pauw in het 
huwelijk trad. Beredeneerende, dat een weduwnaar van over 
de vijftig jaar onverstandig deed met een nieuw huwelijk aan 
te gaan, bleef Cats nu verder ongetrouwd, en in zijne een- 



CATS' „spibgel" bn „trou-ringh". 219 

zaamheid zocht hij zijn troost weder in de dichtkunst. Dikwijls 
was hij er zoo mee vervuld, dat hij, als „in barensnood'* ver- 
keerende, 's nachts opstond, licht aanstak en opschreef wat 
hem in den zin was gekomen, zooals hij vertelt in eene uit- 
voerige en tot in kleine bijzonderheden volgehouden vergelijking 
van het ter wereld brengen zijner papieren kinderen met het- 
geen er in eene kraamkamer pleegt voor te vallen. 

In 1632 was het een groote bundel van niet minder dan 
122 zinnebeelden, dien hij uitgaf onder den titel Spiegel van 
den Ouden en Nieuwen Tijdt, en die later wat gewijzigd en ook 
iets vermeerderd is. In drie deelen is het werk verdeeld, en 
elk van deze wordt met een spreukenbundel in verschillende 
talen besloten. Het eerste deel bevat zinnebeelden over kinder- 
opvoeding, vrijerij en liefdesverhoudingen, het tweede over 
huiselijke zaken en burgerlijk leven, het derde over ambts- 
bediening en staatszaken en wordt met Christelijke bedenkingen 
besloten. Van eene spreuk als opschrift voorzien, worden de 
aardige prentjes verklaard in gedichtjes, gedeelteUjk in alexan- 
drijnen, gedeeltelijk in korteren versvorm, en besloten met een 
schat van zinrijke aanhalingen uit allerlei schrijvers. Van 
alles wat Cats schreef hebben de versjes van dezen bundel 
misschien de meeste bekendheid verworven: hoort men soms 
nog iets van hem aanhalen als gevleugeld woord, dan zal het 
licht uit dezen bundel zijn. 

Van minder omvang en beteekenis is zijn daarop in 1633 
gevolgd dichtwerk Klagende Maeghden, en nauweUjks had hij 
het voltooid, of hij zette een veel grooter werk op touw, het 
omvangrijkste dat wij van hem bezitten en dat, in 1635 voor 
de pers gereed, twee jaar later het licht zag onder den titel 
«'sWerelts begin, midden, eynde, besloten in den Trovrringh, 
met den Proef-steen van denselven". Wat het voor een werk 
is, kunnen wij misschien het best aanduiden door het een 
novellenbundel in verzen te noemen, waarin vijftien groote 
verhalen zijn opgenomen, die zelf soms nog — bij uitweiding 
'— één of meer kleinere vertelsels bevatten. Den inhoud dezer 
verhalen heeft Cats, zooals hij zegt, „niet erdicht ofte in syn 
eygen breyn gesmeet, gelijck het gebruyck van de Poëten 
veel plagh te wesen", maar hij heeft „beter gevonden de ge- 
schiedenissen van goede schrijvers te ontleenen", en welke 



220 CATS' „TJftOU-RINGH". 

schrijvers dat waren heeft Dr. Worp voor ons onderzocht, die 
tevens heeft doen zien, hoe vrij hij soms met zijne stof om- 
springt door het tusschenvoegen van eigen opmerkingen of 
het uitspinnen van allerlei bijzonderheden. 

In vier afdeelingen heeft hij den bundel verdeeld. De eerste 
bevat vijf ^Trou-gevallen", aan den Bijbel ontleend, o.a. het 
„Gront-Houwelick" van Adam en Eva in het Paradijs, en, 
als een van de levendigste verhalen, de „Maegden-roof van de 
Benjamyten te Silo". Van de vier verhalen der tweede afdee- 
ling vermeld ik alleen de „Spoock-liefde, besloten met het 
houwelick van Cyrus en Aspasia", naar de „Varia Historia" 
van Aelianus, waaruit ook onder de zes verhalen van de derde 
af deeling het uitvoerigste van alle, de „Opkoomste van Rhodopis, 
een borgelicke dochter, tot de koninghlicke kroone", is ge- 
nomen. In deze afdeeling vindt men ook het bekende „Trou- 
geval tusschen een Spaensch edelman ende een heydinne 
(Preciosa)", dat hij, evenals weer anderen na hem, middellijk 
ontleende aan „La Gitanilla de Madrid" ^1613) van Cervantes, 
terwijl de „Monita et ezempla politica" van Lipsius hem de stof 
leverden voor zijne „Mandraghende maeght", d. i. de verdichte 
liefdesgeschiedenis van Emma, de dochter, en Eginhard, den 
secretaris van Karel den Grooten. De andere verhalen zijn 
geput uit Herodotus, Plutarchus, Diogenes Laërtius, Athenaeus 
en Achilles Tatius, uit Ovidius, Livius, Plinius en de Gesta 
Romanorum, en verder nog uit Boccaccio's Decamerone (V9, 
X 4) uit „Il Pecorone" (1558) van Ser. Giovanni en uit een 
werk van den rechtsgeleerde Jean Papon. De vierde afdeeling 
eindelijk wordt geheel ingenomen door twee onder den invloed 
van het Hooglied geschreven lange bijeenbehoorende gedichten : 
„Lofsang" en „Bruylofts- gedicht op het Geestelick Houwelick", 
door den dichter aan zijne beide, toen gehuwde, dochters toegewijd. 

Meer in bijzonderheden den „Trou-ringh" te bespreken is 
hier ondoenlijk, maar dit kan er toch wel van gezegd worden, 
dat de verhalen zich zeker niet minder aangenaam zullen 
hebben laten lezen dan de vele prozanovellen, die destijds tot 
de gewone lectuur behoorden, en dat alleen het snoeimes 
noodig zou zijn om er ook in onzen tijd dankbare lezers aan 
te bezorgen. Dat het in Cats' eigen tijd aan lezers niet ont- 
brak, blijkt wel uit de mededeeling van den uitgever, dat 



CAT$' „toou-ringh". 221 

van geen der werken van vader Cats zoovele exemplaren in 
twintig jaar zijn verkocht; en dat zegt nog al iets voor een 
zoo kostbaar werk, als men weet, dat er vóór 1655 van den 
«Spiegel" omstreeks vijf en twintig duizend en van het 
„Houwelick'* omstreeks vijftig duizend exemplaren gedrukt 
zijn. Niet weinig ook heeft het bijgedragen tot den roem van 
Anna Mabia Schubrmans, „'t wonder-stuck van onsen tijt*', 
wier portret met eerbrief, lofdichtje en een geheelen cata- 
logus van hare verdiensten en begaafdheden tot het voorwerk 
van het boek behoort. 

Cats zelf meende met zijn „Trou-ringh" aan Holland iets 
geschonken te hebben, „waerdoor men overlangh noch sijner 
sou gedencken", en was er zóó mee ingenomen, dat hij het 
tegelijk ook in Latijnsche vertaling wilde doen verschijnen; 
en daarvoor heeft hij Barlaeus, maar niet terstond en slechts 
gedeeltelijk, weten te winnen; en toen deze geen lust had het 
werk verder voort te zetten, heeft de Haagsche rechtsgeleerde 
CornÊlis Boby, Zeeuw van geboorte als Cats en door eene 
psalmberijming en andere middelmatige Nederlandsche en 
Latijnsche gedichten bekend, er nog de vertaling van sommige 
verhalen aan toegevoegd, terwijl Cats zelf de geschiedenis 
van Jacob, Lea en Rachel in Latijnsche verzen als „Patriarcha 
bigamos" heeft overgebracht. Onder den titel „Faces Augustae" 
verscheen in 1643 dit werk, dat echter slechts van ongeveer 
de helft der verhalen eene zeer vrije en zeer bekortende ver- 
taling leverde. 

Kort vóór de „Trou-ringh" het licht zag, namelijk in 1636, 
was aan Cats de eer te beurt gevallen, met algemeene stem- 
men benoemd te worden tot Raadpensionaris van Holland en 
West-Friesland in plaats van Adriaen Pauw, met wien hij reeds 
in 1630 op de voordracht had gestaan, maar die toen boven 
hem verkozen was,, omdat men Uever niet aan een Zeeuw dat 
hooge ambt in Holland gunde. Nu echter bleek zijne afkomst 
geen beletsel meer. Ook had men hem reeds te voren opge- 
dragen het ambt tijdelijk waar te nemen, terwijl Pauw als 
gezant in Frankrijk verwijlde. In 1645 werd hij bovendien 
nog tot Groot-zegelbewaarder en Stadhouder van de leenen 
benoemd. Van het raadpensionarisschap zeide hij zelf later, in 
overeenstemming met zijne plechtige verklaring vóór de be- 



222 CATS ALS RAADPENSIONARIS. 

noeming, „ick had het niet gesogt en 't is my evenwel in 
stilheyt toegebrogt". 

„Godt geeve, dat het hem ende den lande zaeligh zy", 
schreef Hoopt, toen hij het vernam, zeker niet zonder 
daaraan eenigszins te twijfelen. Aan Cats zelf is dan ook het 
bekleeden van dat aanzienlijk ambt, het gewichtigste in de 
Republiek naast dat van de Stadhouders, altijd zwaar gevallen 
naar zijn eigen getuigenis; maar zijne volgzaamheid bij vol- 
doende kennis en bekwaamheid maakte hem er juist zoo 
geschikt voor in een tijd, waarin Frederik Hendrik zeker 
geen zelfstandig man in dat ambt naast zich zou geduld 
hebben en ook de Staten van Holland inzagen, dat niets zoo 
noodig was als het vermijden van binnenlandsche twisten. 

Wel is Cats in zijn ambt meermalen als officieel redenaar 
opgetreden, zooals een paar maal bij de ontvangst van vorste- 
lijke personen en bij de inhuldiging van Willem II als stad- 
houder, maar overigens is er door hem zoo weinig zelfstandigs 
verricht als bekleeder van eene waardigheid, die zoo grooten 
invloed verschaft had aan Oldenbarnevelt en verschaffen zou 
aan Jan de Wit, dat Willem II hem in 1650 de gevangen- 
neming der invloedrijkste leden van de HoUandsche Staten en 
den reeds ondernomen aanslag op Amsterdam eenvoudig kon 
mededeelen, zonder dat hij iets anders van hem behoefde te 
verwachten dan verbazing, ontsteltenis en onderworpenheid. 
De onverwachte dood van den jongen Prins drong hem echter 
naar voren. Het houden van de Groote Vergadering in 1651 
moest hij voorbereiden, en hij opende en sloot die dan ook 
namens de Staten van Holland met lange, schoon door de 
Staten zelf vooraf nog zeer bekorte, redevoeringen, die in 
hare breedsprakigheid beter geschikt waren om gelezen, dan 
om aangehoord te worden. Na afloop der vergadering vroeg 
hij echter zoo dringend om ontslag, dat hij het op het eind 
van 1651 verkreeg; en zijne dankbaarheid daarvoor uitte hij 
in een dankgebed tot God, dat hij in de Statenvergadering zelf 
knielend uitsprak. Eene beoordeeling van deze openbare vroom- 
heidsuiting komt alleen hem toe, die zich in staat acht alles 
mee te voelen, wat er toen in het hart van Cats is omgegaan. 

Toch was de vierenzeventigjarige grijsaard daarmee nog niet 
aan het eind van zijne staatsmansloopbaan. Op het eind van 



CATS ALS GEZANT £N OP SORGHVLIBT. 223 

het jaar werd hem de hopelooze opdracht gegeven, met Dr. 
Gerard Schaep en Paulus van der Perre als gezant naar Londen 
te gaan om te beproeven, of hij het uitbreken van den 
dreigenden oorlog met Engeland nog kon verhinderen. In het 
Ëngelsche parlement hield hij eene Latijnsche redevoering 
en in den Staatsraad twee andere, maar aangenaam was zijn 
leven in Engeland niet, te minder omdat tijdens zijn ver- 
blijf feitelijk, zij het ook niet officieel, door Tromp's voort- 
varendheid de oorlog reeds was uitgebroken. ^Ons dienaers 
syn beschimpt en dickmael oock gesmeten*', zegt hij, „en 
menig schamper lied en menig slim gedicht wiert voor ons 
huys geplackt, oock in het helder licht". Bij volksoploopen 
werd zelfs zijn leven bedreigd, zoodat hij blijde was, toen hij 
in het midden van 1652 de terugreis mocht aanvaarden. 

Sinds dien tijd leefde hij als Groot-zegelbewaarder, maar 
overigens ambteloos (want eene poging om zich in 1655 tot 
Raadsheer in het hof van Holland te doen benoemen mis- 
lukte) op zijn landgoed Sorgh vliet, dat hij in 1642 in het 
duin tusschen Den Haag en Scheveningen was begonnen aan 
te leggen en waarop hij in 1652 onder toezicht van zijn 
schoonzoon Pauw een huis liet bouwen. D4&r genoot bij 
weder van het buitenleven, dat hem altijd zoozeer had aan- 
getrokken; dd&r ontving hij zijne vrienden, liefst predikanten, 
van welke er zelfs twee geregeld bij hem kwamen preeken; 
Aé&r kortte hij zich verder den tijd en zelfs zijne slapelooze 
nachten met het maken van verzen in grooten overvloed. 

Toen in 1655 de eerste uitgaaf verscheen van „Alle de 
Wercken van Jacob Cats" vond men daarin, behalve al de 
vroeger verschenene, nog bovendien: Ouderdom, buytenleven 
en hofgedachien op Sorghvliet; Invallende gedachten op voorval- 
Jende gelegentheden ; Afbeeldinge van het huwelick onder de ge- 
daente van een Fuyck; Doot-kiste voor de Levendige (of Sinne- 
beelden uyt Godes Woordt, aenwijsende de kortwijligheyt , 
ydelheyt en onzekerheyt van 't menschelijck bedrijfj, waarop 
een „Tsamen-sprake tusschen de Dood en een Oud man" en 
eene andere „tusschen ziel en lichaam" volgen, en eindelijk 
ook een soort van herdersspel, dat zelfe in 1655 op den 
Amsterdamschen schouwburg vertoond is, Koningklyke her- 
derin Aspada getiteld : eene slechts zeer middelmatige dramati- 



CATS' LATERE DICHTWERKEN; ZIJNE VERHOUDING TOT HUYGBNS. 

seering van hetzelfde aan Aelianus ontleende verhaal, dat hij 
ook reeds in den „Trou-ringh" had verteld. Een ander verhaal 
uit den „Trou-ringh" werd in 1658 onder den titel „Zariades 
en Odatis ofte geluckige Droom-liefde" gedramatiseerd door 
Jacobus Havius, den oudsten zoon van Mejuffrouw Cornelia 
Havius, bij Oats sedert den dood zijner vrouw „gouvernante 
van de huyshoudinge*' en hoog door hem gewaardeerd. 

HuYOBNS kon in de latere dichtwerken van Cats weinig 
smaak vinden. „Het heele Boeck van Cats is ick en weet 
niet wat", schreef hij in een onuitgegeven puntdichtje, en 
inderdaad van deze uitdrukking heeft Cats, evenals van 
andere zinledige versvulsels, schromelijk misbruik gemaakt, 
wat wij hem hier trouwens lang niet voor het eerst verwijten. 
Toch bood HuYGBNS aan „aller dichtren bestevaer", zooals 
hij hem noemde, op den eersten dag van 1668 een nieuwe- 
jaarswensch in rijm aan als tegengeschenk voor het lofdichtje, 
dat hij aan Huygens voor zijne „Korenbloemen" had doen 
toekomen. Zoo hadden dan de beide dichters op hun ouden 
dag, nadat Cats stadgenoot van Huygens geworden was, de 
oude vriendschapsbetrekking weer hersteld, die omstreeks 
1684 voor korten tijd verstoord was geweest tengevolge van 
een misverstand over geldverlies, door Huygens geleden bij 
eene mislukte finauciëele onderneming (indijking in Engeland), 
waarin Oats zich te roekeloos had gewaagd. Ofschoon Oats 
niet zóó uitsluitend poëet was, dat voordeelige geldbelegging, 
vooral in den vorm van landwinning, hem onverschillig liet, 
mag men hem toch allerminst verwijten, meer op geldver- 
garen bedacht te zijn geweest, dan een voorzichtig huisvader 
behoort te zijn, te minder omdat hij er zelf ten volle van over- 
tuigd was, dat het voor den rijke een zwaarwichtig (en daarom 
dan ook te meer prijselijk) werk was, godvruchtig te blijven 
of, zooals hij zelf in een dikwijls misverstaan distichon zeide: 
„Het is een deftig werck en waert te sijn gepresen, Godt- 
zalig en met een ook rijck te mogen wezen". 

In 1658 gaf Oats nog een soort van berijmde gezondheids- 
leer uit onder den titel Tachtig-jarige bedeneldngen , en tevens 
eene schildering van zijn Tachtig-jarig leven en huya-houdinge 
op Sorghvliet, geschreven op verzoek van zijn neef Antonius 
Thysius, hoogleeraar in de rechten te Leiden; maar met deze 



LAATSTE OKDICHTBN AAN EN UJKDICHTEN OP CATS. 225 

langdradige en stichtelijke gedichten heeft Cats, evenmin als 
met zijne andere op Sorgh vliet vervaardigde dichtwerken, 
zijn roem bij het nageslacht kunnen vermeerderen: veeleer 
heeft hij er daarmee afbreuk aan gedaan. Tegenover de laatste 
werken van Huygens, die nog altijd met genoegen te lezen 
zijn, kunnen wij van de zijne niet anders zeggen, dan dat 
zij in toenemende mate lijden aan de kwalen van den ouder- 
dom. Zichtbaar namen de krachten van Cats dan ook af* 
Toen HüYGENS in 1660 vernam, dat Cats bezig was zijn 
reeds door ons genoemd en wegens den inhoud belangrijk 
Twee-^n-Uichtig-jaerig leven te beschrijven , gaf hij zijne vrees te 
kennen, dat 's dichters „leven uyt sou syn eer dat syn leven 
uyt was", doch die vrees was ijdel, want reeds in 1657 was 
het werk voltooid en in de beide volgende jaren werd er 
nog slechts een klein stukje bijgevoegd. Cats heeft het dus 
tijdens zijn leven niet willen laten drukken, en eerst in 1700 
is het uitgegeven, dus veertig jaar na zijn dood, want den 
12den September 1660 is Jacob Cats op SorghvUet overleden, 
met het gebed op de lippen, dat hij voor zijne laatste ure in 
rijmvorm geschreven had. In handschrift liet hij nog één 
dichtwerk na, OhedachUn op slapeloose nachten j dat „tot een 
ghedachtenisse ghesonden werd aen d'Heer Jan Lambrechts 
binnen Brugghe" en in 1689 te Brugge van de pers kwam. 
Aan lijkdichten en grafschriften ontbrak het hem niet. 
HuTOENS maakte er niet minder dan vijf voor den man, 
die, volgens hem> „soo menigh blad had naegelaten, daer 
all de naer-eeuw een geschall van lof en eer af maken sal" : 
eene voorspelUng, die niet is uitgekomen. Henrick Bruno 
noemde hem in een gedicht op zijn dood het „grootste Par- 
nassi licht, niet genoegh te roemen", Westbrbabn, die hem, 
evenals anderen, op zijne laatste verjaardagen met gedichtjes 
geluk wenschte, maakte ook een grafschrift op hem, waaruit 
wij reeds enkele uitdrukkingen aanhaalden, en wees, toen in 
1661 de Amsterdamsche tooneeldicht^r en uitgever Jan Jacobsz. 
Schipper een tweeden druk van „Alle de Wercken" van 
Cats ter perse legde, in een lofdicht op zijne buitengewone 
populariteit, ook onder het welgestelde pubUek. Immers zes 
jaar te voren had Schipper het gewaagd „so kostel^jck een 
werck" met „pracht van so veel Prenten" in 750 exemplaren 

II 15 



226 CATS' AANZIEN BU ZIJNE TUDGENOOTBN. 

te doen drukken, zoodat men vreezen moest, dat „de goede 
Schipper Jan aan den grond zou zitten" vóór hij ze aan den 
man gebracht had, maar wel integendeel was de geheele 
oplaag binnen weinige jaren uitverkocht en bleef de vraag 
zóó groot, dat het omvangrijke werk opnieuw ter perse moest 
gaan. 

Voor den eersten druk had ook reeds Jebemias de Deckeb, 
die overigens geen navolger van Oats kan heeten, een lofdicht 
gemaakt, waarin de bekende uitspraak gevonden wordt, „dat 
Cats alleen door zijn gedicht meer blinde sielen brogt tot 
Ucht, meer dertele tot schamen als all' ons dichters t' samen". 
Vooral ook wekte het bewondering bij De Deckeb, dat Cats, 
„die altyd is beslet geweest met soo veel sware dingen en 
staets-bekommeringen, meer dichts gedaen heeft als de geen', 
die nauwelijcx iet anders deen, en in syn besig leven soo veel 
en wel geschreven". 

Als bewijs van het hooge aanzien, waarin Oats stond, kan 
men ook hierop wijzen, dat verschillende dicht- en prozawerken 
aan hem werden opgedragen, nadat Huygens met zijne op- 
dracht van het „Costelick Mal" daartoe het voorbeeld had 
gegeven. Zoo droeg Pers hem den tweeden druk van zijn 
„Bellerophon" op, Gillis Jacobsz. Quintijn in 1629 zijn 
hekelend dichtwerk „De HoUandsche Liis met de Brabantsche 
Bely", JoAN DE Bbüne de Jonge in 1644 zijn „Wetsteen der 
Vernuften", Gerard Wuten van Soetermeer in 1650 zijn te 
Leiden uitgegeven gedicht „Het Houwelick van de herderinne 
Roseliine ende den herder Thiter", Mr. Jonas Cabeljau in 
1657 zijne „Treurbrieven der blakende vorstinnen en minne- 
brieven der vorsten en vorstinnen van P. Ovidius Naso en 
Aulus Sabinus, op gelijk getal vaerzen in Nederduitsche wijzen 
overgezet", en zong Cobnelis Hendeicksz. Udkmaks van 
Veere hem in 1658, bij het nederleggen der laatste doorhem 
bekleede staatsambten, een afzonderlijk uitgegeven gedicht toe, 
getiteld „Het grove Pack-Kleedt af-getrocken van het lastigh' 
pack des Werelts". 

Een bewonderaar van Huygens, op wiens „Daghwerc^ hij 
een lofdicht schreef, en dien hij in een paar kortregelige vers- 
jes navolgde, namelijk de Leidsche dichter FRAN901S le Bleu, 
wijdde aan Cats en aan Huygens samen in 1642 zijn in 1669 



FRAN901S LB BLEU; DORDSCHB DICHTSCHOOL. 227 

herdrukten dichtbundel Minnevlam, waarin de tweeëntwintig- 
jarige jongeling grootendeels als Thyrsis zijne liefde tot en zijn 
rouw over den vroegen dood van zijne Amaril uitzong en ook 
in enkele andere verzen 'zijne nieuw ontwaakte liefde voor 
Cassandra uitte. Men zou dien bundel bijna een dagboek zijner 
reine en innige liefde kunnen noemen in vloeiend gerijmde, 
uit het hart gekomen verzen, waarvan het pastorale waas al 
zeer doorzichtig is en waarin de smart al even natuurlijk, 
naief zelfs, en eenvoudig is uitgestort als de verrukking der 
jonge liefde. Bijgevoegde mengeldichten bevatten o.a. een ge- 
dicht op de verloving van Prins Willem en Maria van Engeland 
en een „Minnaers- wapen", dat tot tegenhanger van Cats' 
»Maegden-wapen" moet strekken. 

Dat de dichttrant van Cats ook op vele, vooral stichtelijke, 
dichters grooten invloed heeft gehad, spreekt van zelf; maar 
juist dat, waarin zijne geheel eigenaardige aantrekkelijkheid 
bestaat, heeft men niet kunnen navolgen, en alleen zijn vloeien- 
den, vaak dreunenden en al te regelmatigen versvorm, zijne 
breedsprakigheid, ook waar het platte en alledaagsche zaken 
geldt, en de koppeling van godsdienstbespiegeling en wellust- 
beschouwing in één gareel heeft men ongelukkig wèl kunnen 
nabootsen en nog overdreven. 

Is zijn invloed op zijne meeste Zeeuwsche vrienden ook 
nog niet o verh eerschend, meer komt die uit bij zijne Dordsche 
vrienden, die zoo groot in aantal waren, dat zij aanleiding 
hebben kunnen geven om van eene door Cats gestichte 
Dordsche dichtschool te spreken. Bij elk van die hoogst mid- 
delmatige dichters kunnen wij hier natuurlijk moeielijk afzon- 
derlijk stilstaan. Wij moeten ons voor de meeste bepalen tot 
verwijzing naar de „Beschrijving der stad Dordrecht", het 
prachtwerk in 1677 door Matthys Jansz. Balen uitgegeven 
ter verheerlijking van de eerste der stemmende steden van 
Holland en vooral van de Dordsche patriciërs, die er in de 
zeventiende eeuw eene eer in stelden, kunstbeschermers en 
min of meer ook kunstbeoefenaars te zijn. 

Onder deze namen gemakkelijk de eerste plaats in de heeren 
van het huis Develstein in de Zwijndrechtsche waard, die daar 
gaarne geleerden en kunstenaars cmt vingen en een kring vorm- 
den, waarin niet minder kunstliefde, maar wel veel minder 



228 DE DOBDSCHE DICHTSCHOOL. 

begaafdheid gevonden werd dan in den Muiderkring. Eerst 
zetelde daar tot aan zijn dood in 1631 de burgemeester Willem 
VAN Bbveren, die het in den Geuzentijd verwoeste slot weer 
liet opbouwen, daarna zijn zoon Cornelis, ridder van St. Michiel, 
die in 1663 overleed, en ten slotte diens zoon Willem, ge- 
storven in 1672. Al deze Van Bbverens hebben ook Neder- 
landsche verzen gemaakt, maar Cornelis het meest. 

In dien kring ontbrak het evenmin als te Muiden aan be- 
gaafde en dichtlievende vrouwen, zooals Cornelia Blanckenburg, 
Anna van Blocklandt, wier huweUjk met Cornelis Boey door 
NicoLAEs RüYSCH een huwelijk van Minerva met Apollo werd 
genoemd, Maria de Wit, Catharina en Wilhelmina Oems, 
Anna van Beverwijk en Maria van Akerlaecken; maar ver 
werden deze overtroffen door Margareta van Godewyck, 
die in geleerdheid en kunstvaardigheid zelfs Anna Maria 
Schuermans naar de kroon trachtte te steken, daar zij behalve 
de meeste moderne ook de classieke talen en zelfs het 
Hebreen wsch beoefende, terwijl zij niet alleen in het Neder- 
landsch, maar ook in het Latijn en Fransch verzen maakte, 
die niet gedrukt werden, maar nog in handschrift worden 
bewaard. 

Haar vader, de Dordsche praeceptor Pibter van Godewyck 
gaf vele, nu vergeten, gedichten in Catsiaanschen trant uit, 
zooals in 1646 „Der Vrouwe-lof', en gezangen op den Mun- 
sterschen vrede, maar is in herinnering gebleven door zijn 
didactisch blijeindend spel „Witte-Broods kinderen of bedorven 
Jongelingen" (van 1641), eene bewerking van het schooldrama 
„Dyscoli" (1603) van Comelius Schonaeus, maar merkwaardig 
omdat de bewerker daarin de Dordsche volkstaal ten tooneele 
bracht. 

Van de andere Dordsche dichters, die Cats tot voorbeeld 
namen, vermeld ik alleen den Dordschen predikant Jacobus 
Lydius, vooral bekend door zijn prozageschrift „Belgiumglorio- 
sum", dat hij ook vertaalde als „'t Verheerlikte of verhoogde 
Nederland", en Matthijs van de Mbrwede (eigenlijk Van 
Muylwijk), heer van Clootwijk, die een deel van Europa 
doorreisde en van zijn losbandig leven in Rome onbeschaamd 
getuigenis aflegde in zijn dichtwerk „üytheemsen oorlog ofte 
Roomse Min-triomfen voorgevallen en beschreven in 't jaar 



JOHAN VAN SOMSRBN BN JACOB MBYYOGEL. 229 

1647 — 1650", en uitgegeven na zijne terugkomst in 1651: een 
zoo wulpsch werkje in Ovidiaanschen trant, dat het door 
beulshanden verbrand werd, maar juist daarom menigen her- 
druk beleefde. Daarna gehuwd en bekeerd, versneed hij zijne 
pen en dichtte hij in Catsiaansche verzen den bundel „Geeste- 
licke minnevlammen*' (1653), waarin o.a. eene berijming 
van het Hooglied naast andere stichtelijke gedichten voorkomt. 

De beste der Dordsche dichters was Mr Johan Cornelisz. 
VAN SoMBRBN, die in 1655 Dordrecht, waar hij in 1622 ge- 
boren was, verliet om pensionaris van Nijmegen te worden. 
In 1676 overleed hij echter in Dordrecht, na in 1666 griffier 
van de Chambre-mi-partie geworden te zijn. Hij verwerkte 
onderwerpen uit de Oudheid tot vier treurspelen, beoefende 
ook vaderlandsche oudheidkunde en toonde zich Catsiaan en 
inderdaad niet onverdienstelijk dichter met een in 1666 uit- 
gegeven bundel: „Uytspanning der vernuften, bestaende in 
Geestelycke en Wereltlycke Poëzye", waarin ook verscheidene 
gedichten zijn opgenomen van zijne toen reeds overleden 
vrouw Elisabbth Vervoorn, met wie hij van 1648 tot 1657 
getrouwd was. Ook verscheidene andere leden der familie 
Van Someren maakten Catsiaansche verzen. 

Buiten Zeeland en Dordrecht treffen wij nergens den invloed 
van Cats zoo sterk aan als bij de leerdichten van Krul, die 
wij reeds bespraken, en ook bij den Hoornschen rijmelaar 
Jacob Coenraedsz. Meyvogel, bepaaldelijk bij diens bundel 
„Vermakelycke Bruilofts-kroon", in vier deelen, gewqd „Aen 
de Jonge Jeught, de Onder-getrouwde, de Getrouwde en de 
Aendachtige, vergeleken by de Morgen-stont, de Voormiddagh, 
de Namiddagh en de Avont-stont", waarin Catsiaansche zinne- 
beelden voorkomen en o.a. ook eene „Avontuerlycke Vryagie 
van Goridon en Silvia" en eene „Minne-klacht of t' Samen- 
spraeck tusschen Philis en Philida", die sterk aan Cats' 
dialogische gedichten en aan zijn „Trou-ringh" herinneren. 
Bij de groote menigte liederen, die er ook in voorkomen, 
had de schrijver een ander voorbeeld, maar geheel onder 
Cats' invloed staat weder een door hem in 1646 uitgegeven 
langdradig en plat rijm werk: „Gulden-Spiegel ofte Opwekkinge 
tot ChristeUjke Deugden". Vele jaren vroeger, namelijk in 
1634, had Meyvogel ook reeds een drieledigen bundel uitge- 



230 INYLOBD VAN GATS HIER EN IN DUIT3CHLAND. 

geven onder den titel „Schatkist der Liefde", waarvan het 
eerste deel twee jaar vroeger" was » voortgebracht in tijdt van 
vrolijckheyt", het tweede een „Rouw-klacht in tijdt vandroef- 
heyt" inhoudt en het derde handelt over de „broosheyt des 
menscheUjcken levens". De godsdienst kon wel geen schameler 
kleed aantrekken dan zij in deze bundels heeft gedaan, en 
zoo zal men ook moeielijk ergens plomper en onkuischer be- 
handeling van eene bijbelstof kunnen vinden dan in zijn 
treurspel met onjuisten titel: „Thamars ontschakingh of de 
verdoolde liefde van Ammon", waarin, in het midden van 
de zeventiende eeuw, ook nog de allegorische personen 
Deugt en Valsche Schyn optreden. 

Al deze werken van Mey vogel zouden hier geene vermel- 
ding verdienen, als zij niet herhaaldelijk, nog tot op het eind 
van de achttiende eeuw, herdrukt waren en dus gretig gelezen 
moeten zijn door een pubUek, dat letterlijk alles stichtelijk 
kon vinden, als er ook maar bijbelstof en preekstoelwoorden 
in gemengd waren. Wij leeren er uit, hoe veredelend in gods- 
dienstig en aesthetisch opzicht de lezing der gedichten van 
Vader Oats heeft moeten en kunnen werken in een tijd, 
waai'in nog voor duizenden zielen de draf van Meyvooel 
dagelij ksch brood kon wezen, maar ook, hoe zij plompe geesten 
in een verkeerd spoor konden leiden, wat zich weer wreekte 
in het veroordeelend vonnis, dat later over het dichtwerk van 
Oats zelf zou worden geveld. 

Was de invloed van Oats op vele onzer dichters der zeven- 
tiende eeuw niet gering, ook buiten onze Republiek deed die 
invloed zich krachtig gelden, met name in Duitschland, waar 
de vele vertalingen zijner werken er niet weinig toe bijdroegen. 
In 1636 verscheen de eerste vrije bewerking van een dicht- 
werk van Cats, namelijk van zijne „Galathea ofte Harders- 
Clachte" in de „Ai-tige deutsche Gedichte" van Zacharias 
Lund, wiens oorspronkelijke werken in dien bundel ook duideUjk 
bewijzen, dat Oats zijn zeer bewonderd voorbeeld was. Ook 
over andere vertalingen zijn wij door de onderzoekingen van 
Johannes Bolte en Sophie Schroeter ingelicht. Zij vermelden 
zelfs twee vertalingen van den „Self-stryt", de éérste van 1647 
door Ernst Ohristoph Homburg, die reeds in 1642 in zijn 
bundel „SchimpfF-und Ernsthafifte Olio" dichttrant en gedachten 



BEBOBMDHEID VAN OATS IN DUITSCHLAND. 231 

mn Cats bij verscheidene zijner eigene gedichten had over- 
genomen, en de tweede veel minder verdienstelijke van 1648 
door Johann Burger. 

De „Kinderspelen" werden in 1657 met eenige vrijheid ver- 
dienstelijk in het Hoogduitsch overgebracht door Johann 
Heinrich Ammon, terwijl Georg Greflinger enkele gedichten 
uit de „Klagende Maechden" vertaalde; maar boven alles was 
het de „Trou-ringh", die de aandacht trok. Niet minder dan 
negentien maal is daaruit tusschen 1644 en 1659 een verhaal 
vertaald door acht verschillende dichters, en wel, daar sommige 
verhalen meer dan eens vertaald werden, drie verhalen uit 
de eerste en drie grootere en zes kleinere uit de tweede 
afdeeling. Het eerst werd van het laatste kortere verhaal, 
^Grafhouwelick", in 1644 eene goede vertaling gegeven door 
Johann Peter Titz, die ook in eigene gedichten Cats navolgde. 
Daarna gaf (in 1651) Georg Neumark de vertaling van vier 
verhalen uit, die deels letterlijk, deels vrij zijn overgebracht, 
maar door het invoegen van schilderingen en moralisaties 
nog breedsprakiger geworden zijn, dan zij in het oorspronke- 
lijke reeds waren. Daarentegen heeft Albino von Weissenfels 
in 1652 het „Trougeval van koning ülderich en Phryne Bocena" 
overgebracht in bekortend gemaniëreerden stijl, maar toch 
ook met eigen invoegsels. Georg Greflinger gaf (1652 — 53) de 
vertaling van vier verhalen en C. Chr. Dedekind bracht er 
in 1654 drie woordelijk over, maar door misverstaan van het 
Nederlandsch dikwijls geheel verkeerd en zelfs onzinnig. Even 
letterlijk, maar veel beter, ofschoon blijkbaar met veel moeite, 
vertaalde Timotheus Ritzsch er drie (1655 — 57). Van twee ver- 
halen dankte men in 1659 eene goede vrij letterlijke vertaling 
aan Jacobus Schwieger, en van één verhaal in hetzelfde jaar 
ontving men eene onbeholpen, door eene menigte hollandismen 
ontsierde, vertaling van Johann Tonjola. Onder deze zijn er 
wel drie van de „Vrystermarf', dat dus blijkbaar bijzonder 
beviel, en wel van Greflinger in 1652, van Ritzsch in 1655 en 
van Schwieger in 1659. 

Driemaal is ook Cats' herdersspel van de „Koningklyke 
herderin Aspasia" vertaald, het laatst in 1744 door A. G. 
IMich als „Schaferspiel Elisie". Dat schijnt tevens de laatste 
vertaling geweest te zijn, die er in Duitschland van eenig 



232 BBKENDHSID VAN DE NBDBBL AND8CHE POËZIB IN DUIT8CHLAND. 

werk van Gats is gemaakt, maar in het begin der achttiende 
eeuw was Cats in Duitschland blijkbaar nog zeer in trek, 
want niet alleen gaf Cosmus Conrad Cuno in 1707 eene stijve, 
pruikerige vertaling van de „Maeghden-Plicht", maar zelfs 
verscheen van 1710 tot 1717 te Hamburg in acht deelen 
eene volledige vertaling van alle werken onder den titel: 
„Des unvergleichlichen hoUandischen Poëten Jacob Cats sinn- 
reiche Wercke und Gedichte". Drie dichters hadden daaraan 
hun arbeid besteed: Ernst Christoph Homburg, A. E. von 
Baeszfeldt, die zich het beste van zijne taak kweet, en Bart- 
hold Feind, die verreweg het grootste aandeel aan het werk 
had en die er ook eene aesthetische reactie mee bedoelde 
tegen de gemaniëreerdheid en bombastische hoogdravendheid 
der tweede Silezische school, waarvan ook hij in zijne jeugd 
een aanhanger was geweest, maar waarvan hij een afkeer 
gekregen had, zoodat hij door zijne vertaling der gedichten 
van Cats zijn landgenooten heeft willen leeren, weer natuur- 
lijk en eenvoudig in de poëzie te zijn. Hij noemde het bij 
Cats „eine grosse Kunst und ein unfehlbares Kennzeichen 
seiner geschickten Feder und Fahigkeit des Verstandes, dass 
er die Sachen so natürlich und dabey rein und wohlfliessend 
beschrieben". 

Dat Opitz groote Nederlaudsche gedichten van Heinsius en 
De Groot vertaalde, hebben wij reeds gezien; Gryphius en 
anderen brachten sommige stukken van Vondel in het Hoog- 
duitsch over; van Jan Vos is de „Medea" vertaald en, door 
Hieronymus Thomae, ook de „ Aran en Titus" ; van Camphuysbn 
en LoDBNSTBYN zijn verscheidene gedichten in het Duitsch nage- 
volgd en vertolkt, en Barthold Feind bracht, behalve gedichten 
van Cats, ook (in 1702) den „Lof der Geldzucht" van Jbremi as 
de Decker in Duitsche verzen over. Cats was dus niet de 
eenige Nederlaudsche dichter, waarmee de Duitschers in ver- 
taling kennis konden maken; maar van geen ander dichter 
is zooveel en zoo bij herhaling vertaald als van hem. Van 
alle Nederlaudsche dichters is alleen Cats in Duitschland 
waarlijk populair geweest en een tijd lang niet minder dan 
Heinsius bewonderd. 

Wanneer wij echter geneigd zouden zijn, ons daarin te ver- 
heugen, dan moeten wij wel bedenken, dat daardoor bij de 



BBKENDHBID VAN CAT8 IN DUITSCHLAND BN BBLQIË. 233 

omwenteling, die er in 't midden van de achttiende eeuw in 
de Duitsche poëzie plaats had, en waarop al spoedig de glans- 
periode der Duitsche letterkunde volgde, Jacob Oats voor 
het type van den Nederlandschen dichter gold, en dat men 
nog meer dan eene eeuw lang in Duitschland de waarde der 
Nederlandsche poëzie, zelfs uit haar bloeitijd in de zeventiende 
eeuw, is blijven afmeten naar de gebrekkige vertalingen van 
Cats' gedichten, die zich daarin nog platter en breedsprakiger 
voordoen, dan zij werkelijk zijn, en al het naïef-vernuftige en 
eenvoudig-natuurlijke verloren hebben, dat zelfs de best ge- 
slaagde vertaling niet voldoende heeft kunnen weergeven. 

Zoo is daar de, ook wel door Nederlanders nageprate, fabel 
in de wereld gekomen, dat ons volk een weinig dichterUjk 
volk zou zijn, in elk geval in dichterlijken aanleg verre voor 
onze Oostelijke naburen zou moeten onderdoen, voor dezelfde 
naburen, die onzen Oats als den grooten poëet bewonderden 
en navolgden in een tijd, waarin Hooft en Vondel en ook 
nog wel anderen hier te lande veel meer in eere waren dan 
hij. Had men deze toen in Duitschland meer kunnen waar- 
deeren dan Cats, dan zouden ongetwijfeld de Duitschei's eene 
betere herinnering hebben bewaard aan den tijd, waarin de 
Nederlandsche dichters hunne leermeesters en voorbeelden 
waren. 



XXXVII 
Catalanen en andere geestelijke dichters in Zuid-Nederland. 

Nergens was Jacob Cats meer in eere en werd hij in de 
zeventiende eeuw meer nagevolgd dan in de Zuidelijke Ne- 
derlanden. Wordt wel eens beweerd, dat in ons land in ieder 
gezin naast den bijbel ook de werken van Cats konden worden 
aangetroffen, in de Zuidelijke Nederlanden namen die werken 
inderdaad de plaats van huisbijbel in. En zoo was het ook 
nog veel later. In het begin der negentiende eeuw ontbraken 
zij maar „in weynige huysgezinnen'', volgens Willems, die 
ons ook vertelt, hoeveel verzen van Cats men toen nog van 
buiten kende: sommigen te Antwerpen waren toen nog in 



234 OORZAKEN VAN CATS' VERMAARDHEID IN ZUID-NEDERLAND. 

staat, „meer dan vyf duyzend verzen van hem voor de vuyst 
op te zeggen". 

Kenmerkend is dan ook de anecdote, die verteld wordt van 
den Mechelschen aartsbisschop Jacob Boonen, aan wien Vondel 
zijne „Altaer-geheimenissen" had aangeboden en van wien 
hij als tegengeschenk een zeer middelmatig schilderstuk ont- 
ving; deze prelaat nu zou bij het lezen van Vondel's dicht- 
werk gezegd hebben, dat de dichter heel aardig rijmde en 
zoo voortgaande nog wel kans had, eenmaal Cats te evenaren. 
En toch was Cats protestant ; maar zóó weinig treedt bij hem 
het leerstellig geloof op den voorgi-ond, dat men alleen d&n 
in hem den Calvinist zal kunnen zien, als men weet, dat hij 
tot die sekte behoorde, en dat geen katholiek ooit aan eenig 
gedicht van hem aanstoot heeft behoeven te nemen. 

Cats' populariteit in België berustte natuurlijk in de eerste 
plaats op zijne wezenlijke verdiensten, maar bovendien ook 
op eigenschappen, die andere Noordnederlanders niet of slechts 
in minderen graad bezaten. Het stichtelijk en zedelijk karakter 
van zijne dichtwerken moest dé.4r meer op prijs gesteld worden 
dan in Noord-Nederland, omdat daar toen op letterkundig ge- 
bied de geestelijkheid den toon aangaf en de dichters daar 
ook zelf meerendeels priesters waren. DaarUj kwam, dat ook 
toen reeds de meest beschaafden, de adel en de verdere 
aristocratie, die eene hoofsche poëzie hadden kunnen waar- 
deeren, voor het meerendeel Nederlandsche verzen versmaad- 
den en, zelf Pransch sprekende, ook Fransche (of Spaansche) 
boeken of in 't geheel niets lazen: Bijna alleen aan de bur- 
gerij kwamen daar Nederlandsche verzen in handen en deze 
verstond van alle Noordnederlanders Cats het best, zoowel 
wegens de eenvoudigheid en ongekunsteldheid van zijne poëzie, 
als wegens zijne, niet zoover van de Zeeuwsche spreektaal 
afwijkende, schrijftaal, waaraan het Vlaamsch nauwer verwant 
was, dan aan het HoUandsch, vooral dan aan dat nieuwere 
HoUandsch, zooals bv. Hooft en Vondel dat schreven. De 
Zuidelijke Nederlanders waren nog met den eenen voet in de 
Middeleeuwen blijven staan en hadden daarom te veel moeite 
om zich vertrouwd te maken met de moderne taaischeppingen 
van het Noorden, waarop Cats zich veel minder toelegde dan 
andere dichters van beteekenis onder zijne land- en tijdgenooten. 



WILLEM V. D. ELST, JACQUKS YMMKLOOT EN JÜSTÜS DE HARDUYN. 235 

Aanvankelijk vinden wij naast Cats ook nog Heinsius, als 
iemand van Europeesche vermaardheid, tot voorbeeld gesteld, 
zooals bv. in de Qeestelycke dichten van Willem van der Elst, 
pastoor van Bouchoute en Waterdij k, die verklaart, dat wie 
„de rechte wet van dichten soeckt te leeren, tot Heinsium en 
Cats profytlyck hem sal keeren*'; immers, zegt hij, „deestwee, 
nu lang vermaert voor mannen van verstant, doen daer van 
schoon vertoogh aen heel het Nederlant". Deze man had er 
nog aardigheid in, dat het jaar 1622, waarin hij zijn dicht- 
bundel uitgaf, op den titel ook kon aangeduid worden met 
de talletters in zijn naam, op deze wijze: „WILheM Van 
Der eLst, priester, paste Vr". Dat Heinsius' poëzie eenigen 
invloed op hem gehad heeft, blijkt uit niets; van Cats heeft 
hij misschien zijn redelijk vloeienden versbouw geleerd, maar 
meer dan verstandig berijmd proza in zuivere taal is zijn 
dichtwerk toch niet. 

Onder de Vlaamsche dichters zette hij bovenaan Jonkheer 
Jacques Ymmeloot, heer van Steenbrugge, 27 October 1574 
te Yperen geboren en vertegenwoordiger der Belgische twee- 
taligheid, daar hij evengoed vloeiende verzen in het Pransch 
als in het Nederlandsch wist te maken, terwijl hij bovendien 
nog Latijnsche verzen schreef. Zijn gezag had hij vooral te 
danken aan een in 1626 uitgegeven werkje „La France et la 
Flandre reformées, ou traite enseignant la vray e methode d'une 
nouvelle poësie franjoise et thioise, harmonieuse et délectable", 
waarin hij dezelfde metrische regels leerde, die al lang in de 
Noordelijke Nederlanden door iedereen in practijk werden ge- 
bracht, namelijk de regelmatige afwisseling van lettergrepen 
met en zonder klemtoon, waardoor de moderne poëzie zich van 
het oude rederij kersrijm onderscheidt. 

Tot zijne vrienden, en tegelijk ook tot de eerste dichters, 
die zijne metrische lessen ter harte namen, behoorde de ge- 
leerde pastoor van Audeghem bij Dendermonde, Justus de 
Hardüyn, geboren 11 April 1582 te Gent en op negenen- 
vijftigjarigen leeftijd in zijne parochie overleden. Ook zijn vader 
Fbanciscus had zoowel Latijnsche als Nederlandsche gedich- 
ten, o. a. vertalingen van Anacreon, gemaakt, doch ze niet 
uitgegeven. De zoon trad in 1620 op met een bundel „Godde- 
Ucke lofsanghen*', waarmee hij hoopte „alle windvol ende siel- 



236 JUSTUS DB HARDUYN KN QKRARDUS ZÖBS. 

quetsende Venusghejancksel te verschuyven". Hij verkeerde 
in den waan, dat „Gods lof te singhen een oirsaecke sou 
wesen, dat men niet meer en sou singhen dien verblinden 
God Cupido, maer wel de alsiende Goddelicke Dryeenigheydt", 
doch bediende zich, om dat doel te bereiken, ook van het 
Hooglied, waarvan eene reeds vroeger door hem gedichte na- 
volging (ten deele als beurtzang) in dezen bundel is opgenomen 
naast eene vertaling van het „Stabat mater", berijmde psalmen 
en andere inderdaad niet ondichterlijke Uederen. 

Goede psalmberijmingen komen ook voor in een aanhangsel 
tot dezen bundel: „Den Val ende Op-stand van den Coninck 
ende Prophete David", uit het Latijn van Pater Beza vertaald ; 
maar meer opgang maakte hij met eene andere vertaling, 
waarbij hij in versbouw en woordgebruik het meest op Cats 
gelijkt, namelijk met zijn emblematisch werk „Goddelycke 
wenschen" (van 1629). Het oorspronkelijke de „Pia desideria" 
van den geleerden Jezuïet Herman Hugo, Spinola's aalmoeze- 
nier, was in 1623 te Antwerpen verschenen, reeds in 1628 in 
het Fransch vertaald, en beleefde wel twintig uitgaven, zoodat 
het zeker wel eene Nederlandsche vertaling verdiende. De 
vijf en veertig zinnebeelden, die men er aantreft, zijn in drie 
boeken verdeeld en onderscheiden als „versuchtinghen der 
leet-betuygende siele, wenschen der godtvruchtighe siele en 
versuchtinghen der Godtminnende siele". Een bijbeltekst is 
het opschrift, een jong meisje is er meestal het zinnebeeld der 
ziel, een gevleugelde knaap dat van den geliefde. Aanhalingen 
uit kerkvaders zijn ten slotte toegevoegd aan de vrij uitvoerige, 
soms zeker al te breedsprakige gedichten in verschillend soort 
van strophenvorm. 

Een andere bundel bevat de zeventien zinnebeelden van A. 
Wierix, die de pater Jezuïet Stephanus Luzvic onder den titel 
„Oor Jesu Amantis Sacrum" door zesregelige Latijnsche versjes 
had verklaard, welke een ander priester der sociëteit van Jezus, 
Gerardus Zoks, in evenveel Nederlandsche versregels over- 
bracht en in 1627 uitgaf onder den titel „Het Godtvruchtich 
Herte, Den Koninghlycken Throon van Jesus, den vreedsa- 
mighen Salomon". Van ieder prentje is een reuzenhart, door 
kleinere aardig geteekende figuurtjes omgeven, het middelpunt. 
De reeks van zinnebeelden vormt één geheel, dat ons doet 



ANDERS BMBLEMATADICHTBR8. 237 

zien, hoe het kind Jezus het hart aan de wereldsche machten 
ontrukt, achtereenvolgens aankloppende en binnengelaten, het 
reinigend, verlichtend, versierend, tot ^qjlfe woning makend 
en met palmen tooiend. De versjes zijn wel beknopt, maar 
daarom nog niet keurig. 

Een derden emblematabundel vertaalde Petrus Gheschier, 
de „pastor van 't Princelijck begyn-hof, geseydt Den Wijn- 
gaerdt, in Brugge", uit het Latijn van zijn stadgenoot, den 
Brugschen aartsdiaken Antonius a Burgundia, vier jaar nadat 
het oorspronkeUjke te Antwerpen gedrukt was, namelijk in 
1643 en onder den titel „Des Wereldts Proefsteen ofte De 
Ydelheydt door de Waerheyd beschuldight ende overtuyght 
van Valscheydt". Lange, zeer middelmatige verzen verklaren 
de vijftig zinnebeelden, die de bundel bevat. 

Een ander Bruggeling, die in 1673 een berijmd leven van 
den patriarch Bruno uitgaf, namelijk de Karthuizerbroeder 
Petrus Mallants, wilde voor zijn stadgenoot niet onderdoen 
en vertaalde in 1667 gedeeltelijk een Latijnschen bundel zinne- 
beelden van Benedictus Haeftenus van Afflighem, onder den 
titel „De Heyr-Baene des Cruys". Zoowel in de verzen van 
dien bundel, als in de alexandrijnen van zijn heiligenleven 
verraadt deze kloosterbroeder duidelijk studie van Oats. 

Men ziet, de emblematische dichttrant was — zeker ook 
almede door den invloed 7an Oats — in Zuid-Nederland toen 
zeer in trek, want het bleef niet bij vertalen. Ook met oor- 
spronkelijke gedichten kwamen er verscheidene bundels zinne- 
beelden uit, zooals de „Kjoone der vier Hooft-Deughden, toe- 
ghe-eyghent, aen de H. Maghet ende Moeder Godts Maria" 
(1644) van Ernbst van Veen, zoon van den bekenden schilder 
en ontwerper van emblemata Otto van. Veen, en zelf advocaat 
en waardijn der munt te Brussel. 

Een provoost van de Brabantsche munt, Gberaerdt van 
WoLSCHATEN, maakte in zijn werkje „De Doodt vermaskert 
met des Weerelts Ydelheyt" (1654) bij achttien houtsneden 
naar een doodendans vanHolbein vrij lange kortregelige versjes 
met zuiver Catsiaanschen dreun, door overdenkingen en bij- 
voegsels gevolgd In gemakkelijkheid van versbouw doet hij 
vooT Cats niet onder en daarom zijn vooral de „vier vreught- 
rijcke lustpriëelen, nieu bloeselkens van minne-liedekens, roos- 



238 ADBIAEN POIBTEBS. 

kens van herders-sanghen, wyngaert-rancxkens van drinck- 
liedekens en coddige deuntjens", die er voorkomen in zijn 
„Antwerps lusthofken" van 1661 te prijzen. Zelfs kunnen wij 
ze, als wij geen al te hoogen maatstaf aanleggen, lieflijk en 
dichterlijk noemen: eene ware verademing te midden van al 
die stichtelijke rijmen, waartoe ook de „neepdichten" of epi- 
grammen en „De on-ghemaskerde Liefde des Hemels" (1686) 
van den Antwerpschen minderbroeder Joannbs a Gastro 
behooren, die met laatstgenoemden emblematischen bundel 
een tegenhanger bedoelde te geven van het meest bekende 
en ook meest gelezen Zuidnederlandsche dichtwerk der zeven- 
tiende eeuw : „Het Masker van de Wereldt afgetrocken", het eerst 
in 1645 in beknopten vorm uitgegeven onder den titel „Ydel- 
heyt des Werelts", maar later veel vermeerderd onder den 
nieuwen titel minstens vijf en dertig maal gedrukt. 

De schrijver van dat werk was Adriaen Poirters, 2 Nov. 
1605 in het Noordbrabantsche Oosterwijk geboren , eerst te 
's-Hertogenbosch , daarna te Douay onderwezen en in 1625 
in het professiehuis der Jezuïeten te Mechelen opgenomen, 
waarna hij in 1637 tot priester gewijd werd en in 1641 de 
kloostergeloften als geestelijke der sociëteit van Jezus aflegde. 
Vele jaren was hij te Mechelen en Maastricht leeraar in de 
oude talen; den 4den Juli 1674 overleed hij te Mechelen. 

Toen zijn boek den zevenden druk beleefde, droeg hij het 
op „aen de waerachtige Philothea, dat is de Godt-min- 
nende Ziele", die hij ons als eene geestelijke jonkvrouw voor- 
stelt, geheel in overeenstemming met den geest van zijn 
geschrift, dat er op uit is, minachting in te boezemen voor 
de onder bedrieglijk schoonen schijn zoo leeÜjke of althans 
zoo onbelangwekkende wereld, en alle Godminnende zielen 
op te wekken om die wereld te ontvluchten achter de veilige, 
alleen rust en geluk waarborgende, kloostermuren. Terwijl in 
het werkje alle uitingen van zinneUjkheid worden afgekeurd, 
predikt het zelfs de voortreffelijkheid der huweUjksonthouding, 
zonder te betreuren, dat de algemeene toepassing van deze 
leer den ondergang van het menscheUjk geslacht ten gevolge 
zou hebben, en zonder te bedenken, dat het feit van 'smen- 
schen bestaan daarmee zelf reeds veroordeeld wordt als gevolg 
van eene afkeurenswaardige of in elk geval minderwaardige daad. 



ADRIAEN POIRTBRS. 289 

Aan deze strekking zou het boek dan ook zeker niet die 
populariteit te danken hebben gehad, die er ook onder meer 
wereldsgezinden aan ten deel viel, indien het niet bovendien 
eene lange reeks van anecdoten en verhalen bevatte ter ken- 
schetsing van het ijdele leven der wereldlingen in allerlei 
kringen der maatschappij , dat Poibters blijkbaar tot in de 
kleinste kleinigheden nauwkeurig had waargenomen, en waar- 
van de gebreken en zwakheden voor zijn scherpziend oog ook 
onder aantrekkelijke vermomming niet verborgen hadden 
kunnen bUjven. 

Dat deze priester een zeer doeltreiBEenden vorm heeft weten 
te vinden om aan zijne zedenpreeken ingang te verschaffen, 
kan niet worden ontkend, en dat kan tot op zekere hoogte 
eene kunst genoemd worden. Ook als woordkunstenaar ver- 
dient hij den lof van te beschikken over en handig gebruik 
te maken van die woord- en zin vormen, welke een grooter 
publiek kunnen pakken, al zal het kleinere publiek van 
fijner beschaafden misschien meermalen aan de platheid der 
taal aanstoot genomen hebben en er zeker zijne aesthetische 
behoeften niet in bevredigd hebben gezien. 

Ncuu* den vorm behoort „Het Masker" tot de rubriek der 
emblematabundels. Eene zinnebeeldige prent met kort op- 
schrift en spreuk vormig onderschrift gaat vooraf; dan volgt 
een, dikwijls vrij uitvoerig, gedicht in viervoetige versregels, 
die de rijmwoorden eer van zelf schijnen te vinden dan te 
zoeken, en daarop gaat de dichter tot proza over, dat ge- 
woonlijk weer door gedichten, zelfs van langen adem, wordt 
afgewisseld. Bladzijden achtereen worden die „aenspraecken" 
in proza voortgezet, niet zelden door „toemaetjens" en irbij- 
worpjens" gevolgd; en daaruit zou gemakkeUjk eene aardige 
bloemlezing van verhaaltjes bijeengebracht kunnen worden, 
waarvan die, welke in rijmvorm vervat zijn, veel gelijkenis 
hebben met de verhalen uit Cats' „Trou-ringh", al zijn zij 
ook veelal in andere versmaat geschreven. 

Nu en dan is Poibtbrs snedig, ja zelfs vinnig in zijne 
hekeling, maar meermalen ook is zijne gemoedelij k-boertende 
voorstellingswijze in staat, een glimlach te wekken, ofschoon 
telkens het rif van den knekelman om den hoek gluurt, om 
er aan te herinneren, dat het den schrijver niet hoofdzakelijk 



240 ADRIAEN P0IBT£R8. 

te doen is, om de ijdele wereld te bespotten, ma^r bovenal 
om den mensch te wijzen op den ernst van bet aardsche 
leven als voorbereiding tot het hiernamaals, het wezenlijke 
leven. Aan belezenheid ontbreekt het den Jezuietenleerling 
niet, en dikwijls geeft hij aanhalingen uit Latijnsche schrij- 
vers, Classieken en Kerkvaders, ten beste, en ook uit de 
Spaansche litteratuur, waarmee hij zeer vertrouwd schijnt 
geweest te zijn. Van Neder landsche dichters spreekt hij ner- 
gens, dus ook niet van Cats, al is deze ook ongetwijfeld in 
menig opzicht zijn voorbeeld geweest, zoodat dan ook zijne 
bewondërafiu*s hem den naam van „Brabantschen Cats" heb- 
ben gegeven. 

Ofechoon PoiETBES aan „Het Masker van de Wereldt afge- 
trocken" zijne beroemdheid te danken had, was het alles- 
behalve zijn eenig werk: zelfs schreef hij zooveel, dat wij 
hier slechts een deel van zijne geschriften kunnen vermelden, 
die in zuiver stichtelijke beschouwingen en in hekelingen van 
wereldsche dingen te onderscheiden zijn. Naar den vorm zijn 
zij bijna alle een mengsel van dicht en ondicht, meerendeels 
met zinnebeeldige of andere prentjes versierd. 

Zijn eerste, in 1646 uit het Latijn vertaald, werk waseene 
geschiedenis der Jezuietenorde , verdeeld in zes boeken, die 
alle met een vrij groot aantal zinnebeelden (samen 104) be- 
sloten worden. De titel luidt: ,Afbeeldinghe van d'eerste 
eeuwe der societeyt Jesu voor ooghen ghestelt door de duyts- 
nederlantsche provincie (provincia Plandro-Belgica) der selver 
societeyt." Ter wille van zijne orde schreef Poirters nog in 
1666 „Ghebede boecxken oft korte ghetyden ter eeren van 
den H. Franciscus Xaverius", en in 1671 „Het leven van 
den H. Franciscus de Borgia". 

Een werk van godvruchtige bespiegeling is „Het duyfken in 
de steen-rotse, dat is eene medelydende siele op de bittere 
passie Jesu Christi mediterende" (1657). Een emblematisch 
karakter dragen „Het Heyligh Herte vereert aen alle Godt^ 
vrughtighe Herten voor eenen Nieu-jaer" (1659) en het onvol- 
tooid door hem nagelaten en eerst in 1696 uitgegeven „Heyligh 
Hof van den Keyser Theodosius". Hoeveel waarde door hem aan 
bedevaarten werd gehecht, blijkt uit twee werkjes, door hem in 
1657 uitgegeven: „Den Pelgrim van Halle ofte historie van 



JAN VAN MIJB9 PBTUU8 CROON RN JAN LAMBRBCHT. 241 

Onse Lieve Vrouwe van Halle", waarin hij vertelt van den oor-r 
sprong van het daar vereerde Mariabeeld, de mirakelen, die 
er door verricht, en de giften, die er aan geschonken zijn, 
en ,Het pelgrimken van Kevelaer", een liedboekje, dat „litaniën, 
hymni, liedekens, herdersdicht] ens en reysgebeden voor de 
processie van Kevelaer" bevat. Het leven der H. Rosalia 
beschreef hij in 1658 uit dankbaarheid, dat hij genezen was 
van de pest, waardoor hij in 1657 te Antwerpen aangetast werd. 

Andere navolgers van Oats waren nog Jan van Mijb, 
die, behalve een paar andere stichtelijke boekjes, waarin hij 
,'t catholyck-roomsch gheloof dicht wys verclaerde", ook in 
1647 te Antwerpen geestelijke „Eclogae ofte Herders-Sanghen" 
in vloeienden dichtvorm uitgaf. Petrus Croon, een in 1634 
te Mechelen geboren pater Jezuiet, die in 1682 te Leuven 
overleed als „canonik regulier en religieus (prior) van S. Mar- 
tens"(klooster) aldaar, na verschillende emblematische wer- 
ken te hebben uitgegeven, die van vernuft en gemakkelijk- 
heid in het rijmen, maar, reeds blijkens de onderwerpen zelf, 
van weinig dichterlijke verheffing getuigen, o. a. de „Cocus 
bonus ofte Geestelycke Sinnebeelden ende Godtvruchtighe 
uyt-leggingen op alle de gereetschappen van den Koek" 
(Brugge 1663), en de Brugsche rechtsgeleerde Jan Lambrecht 
(geb. 1 April 1626), van wien wij reeds gezien hebben, dat 
hij met Qats persoonlijk bevriend was. Waarschijnlijk heeft 
hij hem in 1648 leeren kennen, toen hij met eene diploma- 
tieke zending in Den Haag belast was. 

Cats schreef (evenals ook Wbsterbabn) een lofdicht voor 
zijn bundel „Vlaemsche vrede-vreucht", te 's Gi-avenhage in 
1659 gedrukt, waarin ook een allegorisch vredespel, getiteld 
„De Vlaemsche Maecht", voorkomt. In hetzelfde jaar werd 
van hem ook eene bijbelsche pastorale, „Rachel of het thoon- 
neel van oprechte liefde", te Brugge vertoond in tegenwoordig- 
heid van den Brugschen bisschop Carolus van den Bosch, die 
een jaar later tot bisschop van Gent benoemd werd, wat Lam- 
BftECHT een gedicht: „Deuchdenlof, als „wellecomwenschinge" 
in zijn nieuw bisdom deed schrijven. Toen dezelfde Carolus 
van den Bosch in 1651 tot bisschop van Brugge was gewijd, 
tegel^'k met Andreas Oreuvenius tot bisschop van Roermond, 
bevond Vondel zich te Brugge en maakte hij eene ode op 
U 16 



/■ 



242 JAN LAMBBECHT BN PBKTEB VLOBBS. 

de „Bisschoppelycke staetsi" dezer beide bisschoppen. Van Lam- 
bbbcht's andere dichtwerken vermeld ik verder alleen zijn 
„Onstervelicke Lof van de Redenrijcke Dicht-conste" (van 1661), 
die van vurige liefde voor de kunst getuigt en , evenals andere 
zijner werken, hem doet kennen als een ijverig voorstander 
van het „in Vlaanderen Vlaamsch" en heftig tegenstander van 
hen, die ook toen reeds „haer moedertael sich schaemden" en 
spraken, ja baden in het Fransch , alsof zij door God voor 
Walen wilden aangezien worden. 

Opmerkelijk is het zeker, dat de overgroote meerderheid 
van Gats' navolgers in de ZuideUjke Nederlanden tot den 
geestelijken stand behoorde; maar ook onder die dichters of 
rijmelaars, bij wie invloed van Gats niet onmiddellijk valt 
aan te wijzen, treden de geestelijken door hun aantal op den 
voorgrond, misschien omdat zij meer dan de beschaafde leeken 
voeling hielden met het volk en daarom meer hart bleven 
houden voor de Vlaamsche of Brabantsche taal en voor Neder- 
landsche verzen, dan de ontwikkelden onder de heel of half 
verfranschte leeken, terwijl het eigenUjke volk zoozeer in 
domheid en stompheid begon te verzinken, dat daaronder het 
optreden van een dichter of ook maar van een rijmelaar eene 
zeldzaamheid moest worden. Natuurlijk kwam daar nog bij, 
dat de geestelijken beter dan de leeken wisten, hoe zij moesten 
schrijven, om voor het streng gericht der geestelijke censoren 
te kunnen bestaan. 

Zoo gaf dan de Antwerpsche Dominicanermonnik Pbsteb 
Vlobbs in 1659 de beide deelen uit van „De wonder baere mirake- 
len van den H. Roosen-Grans", eene verzameling van berijmde 
wonderverhalen, die dienen moeten als bewijs van de „son- 
derlinghe gratiën ende weldaeden bewesen van Godt-almachtigh 
den ghenen die devoot syn tot den heylighen Roosen-Grans 
synder alder-heylighste Moeder ende altijdt Maghet Maria". 
Deze bundel heeft vooral de aandacht getrokken , omdat onder 
de een en twintig wonderverhalen van het tweede deel ook 
het verhaal voorkomt, getiteld „Religieuse, uyt haer Glooster 
gheloopen, keert onsienelijck wederom", dat denzelfden inhoud 
heeft als de bekende middeleeuwsche sproke van Beatrijs. 
De schrijver zelf noemt dit verhaal „het fraeyst' van allen'', 
naaar vergelijkt men het met de middeleeuwsche sproke, 



VERSCHILLENDE SnCHTBLUKB DICHTSBS. 243 

dan blijkt het, hoe hortend en stootend de alexandrijnen van 
Vloebs zijn tegenover de bevallige metriek der sproke, en 
hoe smakeloos en plat dit lieflijk verhaal der middeleeuwen 
onder zijne handen is geworden. Op deze bundels berijmde 
Mariamirakelen liet hij in 1661 en 1662 nog twee andere 
volgen , namelijk de beide deelen van zijn „Geestelickeii 
Roosen-tuyl". 

Andere stichteUjke dichters warende pastoor van Nieuwe- 
kerke (bij Yperen; Pbbtis van Roüvboy met «Tobias-lever 
voor de onkuyssche weerelt" (1639) en „Tobias-galle voor de 
blinde weerelt" (1640), de Antwerpsche monnik Peetee de 
Beer met ^Geestlijcke Rymkonste*' (1657), de Ypersche Car- 
meliet Oliveriüs a St. Anastasio of De Crock met ver^ 
schillende niet geheel onverdienstelijke dichtwerken, o. a. 
»Den Geestelyken Lusthof der Carmelielen" (1659—61), de 
Brosselsche Jezuiet Willem van Wissenkercke , die in 1664 
het vijftigjarig jubilee eener kloosterzuster met verzen vierde, 
de Antwerpsche priester Gaspar Scholten met ,Den oprech- 
ten Weghwyser naer het eeuwigh leven" (1664), Hibronimüs 
DE MoELDER, rellgious der Orde van de Minimen te Antwerpen, 
die een niet onverdiensteUjk , maar wat eentonig leerdicht 
in vloeiende alexandrijnen schreef, getiteld: »Den lydenden 
Christus ofte de Passie ons Heere Jesu Christi, met de klachte 
van de Maghet Maria" (I6661, de Brusselsche Augustijner 
monnik Jan de Leenheer, die in zijn „Tooneel der Sotten" 
(1669) het ^kluchtighe" met het ,gestichtighe" in .sinnen- 
spreuken" zocht te vereenigen, maar in beide laag bij den 
grond bleef, en de priester Mathias Poürmenois, die met 
veel gemakkelijkheid „Den Gheestelyken Valhoet" berijmde 
(1670). 

Van de oudere, gedeelteUjk zelfs middeleeuwsche, geestelijke 
liederen waren er nog vele in den volksmond blijven leven. 
Verscheidene er van werden ook wel opnieuw gedrukt, maar 
soms — en dat gewoonlijk niet tot hun voordeel — om- 
gewerkt of gemoderniseerd. Dat was b. v. het geval met „veel 
schoone Leysenen ende Gheestelycke Liedekens van diveer- 
sche devote materiën", die in 1620 te Antwerpen gedrukt 
werden in „Het Prieel der Gheestelicker Melodiie", In de 
, voorsprake" wordt daar gezegd, dat het „meestendeels al 



244 OUDB BN XISÜWB QBBSTBLUKB LIBDBBBK. 

oade Liedekens waren, die noch somtij ts hebben ghedruckt 
gheweest, maer", wordt er bijgevoegd, „gelijc sy seer incorrect 
waren, soo hebben wy die met groote moeyte, arbeyt ende 
neersticheyt moeten corrigeeren." Als reden daarvoor werd 
vooreerst opgegeven, dat „veel liedekens seer kinderachtich 
waren ende schenen van een simpel vrouken gedicteert te 
wesen, andere gheenen sin en hadden, soodat men die lesende 
bycans niet geraeyen en conde wat dat sy wilden seggen, 
andere liedekens somtijds ondiscretelijc waren , ja ooc onge- 
stichtelijc hier en daar sprekende, daer de Gheusen ende de 
quade Gatholijcken waren mede spottende." Vervolgens wer* 
den zij ook veranderd, «omdat de oude liedekens op seer veel 
plaetsen qualijc waren rijmende", zoodat men „daer andere 
goede ende bequame rijmen voor in hare plaetse had moeten 
stellen", en eindelijk „wasser eene groote foute in alle de 
Vlaemsche liedekens, dat de veerssen hier ende daer een 
twee oft dry syllaben te luttel oft te veel waren hebbende; 
ooc warender corte syllaben voor lange, lange voor corte 
geset, het welc in 't singen een groote onbequamicheyt by 
brocht." Daarom hebben de uitgevers van den bundel „hare 
Rhetorijcke ghebrocht op den Fransoyschen ende Italiaen- 
schen voet, te weten op sulcke, datter niet een syllabe min 
oft meer en sy dan den sanck is vereysschende." 

Behalve deze gemoderniseerde oude liederen werden er ook 
vele nieuwe gedrukt, zooals van den Brusselaar Willbm van 
Spoblbbrqh, die in 1618 Bonaventura's „Psalter der H. Maghet 
Maria" vertaalde, en van den pastoor van Ter Alphen (bij 
Aalst) Pbbter db Vleeschoudbrb, die in 1660 vr^ goede 
vertalingen en paraphrasen van psalmen en kerkelijke lof- 
zangen uitgaf. 

Behalve verscheidene andere stichtelijke werkjes, hebben 
wij een geestelijk liedboek, getiteld „Den Berch der gheeste- 
licker vreughden, vol hemelsche loven ende melodieuse lof- 
sangen", in 1617 te Antwerpen uitgegeven door den pater 
Jezuiet Lodbwijk Makbblijdb, 27 Jan. 1564 te Poperinge 
geboren en sedert 1611 missionaris in Holland, waar hij als 
overste der zending 17 Aug. 1630 te Delft overleed. Een ander 
pater Jezuiet, Johannbs van Sambbbck, gaf in 1662 een lied- 
boek uit met kinderachtig-gekunstelde liedjes, getiteld „Het 



GÉBSt^LIJKB LISDBREN. 245 

geestelyck Jubilee". In 1639 liet de Dominicaan Joannbs de 
LixBONAy later prior der Predikheeren te Antwerpen, het eerste 
deeltje approbeeren van „Het Hemels Nachtegaelken oft 
Gheestelijcke Liedekens", waarop later nog twee andere deeltjes 
volgden. 

De licentiaat in de theologie Guiltelbcus Pauwelsz. Boloq- 
NiNO, van Italiaansche afkomst, maar zelf 15 Maart 1590 te 
Antwerpen geboren en te Leuven onderwezen, gaf in 1645, 
toen hij, na pastoor van St. Joris te Antwerpen geweest te zijn, 
sinds drie jaar bevorderd was tot kanunnik gradueel der 
cathedraal aldaar, „Den gheestelycken Leeuwercker, vol godt- 
vruchtighe liedekens en leyssenen" uit. Deze bundel is in drie 
afdeelingen verdeeld: de eerste zingt „van de verborghent- 
heden Christi ende de H. Maghet Maria", de tweede „van de 
Heylighen", de derde „van 't Geloof, Hope ende Liefde ende 
eenighe andere deughden". Verder schreef deze, als dichter 
zeker zeer middelmatige, godgeleerde nog een spellingboekje, 
waarin hij eene „nieuwe noodelijcke orthographie" voorstelde, 
en eenige verhandelingen, Avaarin hij het Calvinisme en 
andere ketterijen bestreed, als voorbereiding tot het ambt van 
censor, dat hij in zijn ouderdom bekleedde. Den 24Bten October 
1669 is hij te Antwerpen krankzinnig overleden. 

De reguliere kanunnik van Eindhoven en directeur van 
een nonnenklooster te Weert, Gaudentiüs van Loemel, ver- 
tegenwoordigde de Noordbrabantsche poëzie, o. a. met „Den 
geestelycken Orpheus" van 1660. Uit de abdij van Afflighem 
kwam „Het gheestelijck Blom-hofken van Bethleem" voort 
van den Benedictijner geestelijke Godefridus Büssé, dat in 
den tweeden druk van 1664 negen en dertig liedjes bevat „op 
musieck met twee stemmen ghekomponeert" door den dichter 
zelf. Eenvoudige kerstliederen maken bijna de helft van dien 
bundel uit, die verder o. a. ook liederen bevat tot Maria en 
sommige heiligen gericht. De Dominicaan Jordanus van den 
Bempdb, geboren te Doornik en 11 Maart 1671 te Brugge 
overleden, beweende in twaalf ween-dichten „Den bloedigen 
Goeden Vrijdagh" (1670). Van Herman Harts, die m 1685 
als koordeken van zijne geboortestad Aarschot overleed, zag 
o. a. in 1674 de liedbundel „Het gheestel^cke Bieken" het 
licht, die gerust onuitgegeven had kunnen blijven. 



246 QBBSTBLIJKB LIBDBBBN; SCHOOLDRAMA DBR JBZUIBTBN. 

Terecht meer geliefd werden de beide bandels van DaniAx. 
Bbllbmans, reguliere kanunnik te Grimbergen en pieifitoor te 
Horsen, waar hij 21 Februari 1674 overleed, nauwelijks drie 
en dertig jaar oud. In zijne bundels: „Het Oyterken van 
Jesus , spelende sestigh nieuwe Liedekens op het groot Jubilé 
van het H. Sacrament tot Brussel" (1670) en „Den lieffelyc- 
ken Paradys-vogeP' (1670) met honderd zangen, komen inder- 
daad vele liefeUjke, gevoelvolle en welluidende liederen voor, 
die talrijke malen herdrukt zijn en hem den lof van Adriaen 
Poirters en ook van Paquot deden verdienen. 

Naast deze breede schare van priesters en monniken, wier 
rijmwerken zoo weinig verscheidenheid opleveren, dat wij 
ons tot eene vrij dorre opsomming moesten bepalen, die wij 
echter niet achterwege wilden laten , om te doen zien , dat er 
in de zeventiende eeuw toch nog vrij wat in de Nederlandsche 
taal is gedicht in de half verfranschte Zuidelijke Nederlanden, 
traden daar ook wel leeken als dichters op, maar hun aan- 
tal blijkt, althans buiten den kring der rederijkers, al zeer 
gering, terwijl zij bovendien nog dikwijls met de geestelijken 
in stichtelijkheid wedijverden. 

XXXVIII 

Het geestelijk tooneel In Zuld-Nederiand. 

Zooals de geestelijken in de zeventiende eeuw de voor- 
naamste leer- en lierdichters der Spaansche Nederlanden 
waren, zoo voerden zij daar toen ook heerschappij op het 
tooneel, met name de paters Jezuïeten, en naast hen de 
Augustijnen. Verschillende Zuidnederlandsche Jezuïeten ken- 
nen wij als dichters van Latijnsche schooldrama's, zooals 
Carolus Malapertius („Sedecias'' 1616), Nicolaus Susius („Pen- 
dularia" 1620) en Jacobus Libenus (Joseph" 1634). Zg hadden 
— in tegenstelling tot de Calvinistische predikanten — inge- 
zien, welk eene opvoedkundige kracht er gelegen is in het ver- 
toonen en aanschouwen van tooneelstukken, indien deze ten 
minste een godsdienstig of althans zedeUjk karakter hebben, 
en een hunner, de bekende geschiedschrijver Famianus Strada, 
de bewonderaar van Parma, had in zijne „Eloquentia bipar- 



YBBTOONINGBN DBB JEZUÏETEN TB GENT EN ELDERS. 247 

tita'* (1617) gepleit voor de tooneelspeelkunst, wanneer slechts 
onderwerpen uit de gewijde geschiedenis, en niet uit heidensche 
historie of fabelleer, tot leering en stichting ten tooneele ge- 
bracht werden. Zélf namen nu de Jezuïeten in de tien colleges, 
die zij allengs in België stichtten, de zorg op zich voor de 
dramatische opvoeding hunner leerlingen , die zij bij plechtige 
gelegenheden, vooral bij prijsuitdeelingen , bijbelsche tooneel- 
spelen in Latijn of Ylaamsch lieten vertoonen. 

Zoo vindt men in de stadsrekeningen van Gent vermeld, 
dat hun in 1602 eene geldeUjke bijdrage werd verstrekt voor 
y't maecken ende rechten van een theater voor haerlieder 
schole, omme daerop te vertooghen en te exhiberen seker 
commedie ofte tragedie", en voor „het rechten van een stel- 
lagie, daerop huerlieder studenten vertoocht ende ghespeelt 
hebben seker commedie". Ook in 1606 is daar sprake van „de 
Patres van de societeyt Jhesu in *t cloostre spelende eene comedie 
ende ander historiën ende vertooghen". In 1615 vinden wij hun 
eene tegemoetkoming gegeven in het drukken van de pro- 
gramma's voor hunne tooneelvoorstelling of „voor 't prenten 
van de acten van 't cort begrip van de comedie alsdoen by 
haerlieder jonckheydt" gespeeld. In 1640 verzoeken zij zelfs 
van het stadsbestuur van Gent eenige huisjes, om die te 
sloopen en op het terrein een schouwburg te bouwen ten 
einde „de jonckheyt der stede te exerceeren ende eenighe 
commedien, tragedien ende acten te representeren". Negen 
jaar later was aan hun wensch voldaan en de eerste schouw- 
burg te Gent gesticht. 

Te Kortrijk werd in 1600 bij de blijde inkomst der Aarts- 
hertogen door de leerlingen der Jezuïeten de geschiedenis 
van Jason vertoond. Toen zij in 1616 zich te Oudenaarde 
gevestigd hadden, lieten zij ook d&&r door hunne leerlingen 
tooneelstukken vertoonen, en zij hadden er weldra zulk een 
goed ingericht theater, dat zij daarmee de rederijkerskamer 
„Het Kersouwken" overtroffen, zoodat deze gewoonlijk het 
theater van hen huurde voor eigen vertooningen. Te Yperen 
is in 1628 sprake van tooneel voorstellingen der Jezuïeten, 
waar echter door sommige toeschouwers zooveel wanorde werd 
gesticht, dat de stadspolitie te hulp moest geroepen worden. 
(Jok in Brabant werd het tooneelspel door de Jezuïeten be- 



248 WILLBM ZBBBOTS EN QUILLIAM BA8BLBB. 

vorderd. Te 's-Hertogenbosch werd in 1597 van wege de 
fratres op de markt comedie gespeeld; ook in 1605 deden 
hunne studenten dat, en in 1611 vertoonden de Jezuieten 
er eene stichtelijke comedie tijdens de kermis. In 1618 werd 
er door de paters Jezuieten de marteldood van den H. Theo- 
dorus in hunne school gespeeld, in 1622 de comedie van de 
H. Ignatius en Xaverius, en zoo verder tot 1629, toen de 
stad door Frederik Hendrik veroverd werd. Toen in 1665 
ühristina van Zweden aan Brussel een bezoek bracht, werd 
zij daar op een spel van de jonge Jezuieten vergast. 

Aan geestelijke tooneelstukken ontbrak het onder de leiding 
der Jezuieten en Augustijnen in de zeventiende eeuw dan 
ook niet in de Zuidelijke Nederlanden, hetzij ze door hunne 
leerlingen werden vertoond, hetzij het aan vrije liefhebbers 
of aan de rederijkerskamers veroorloofd werd, ze te spelen. 
Twee bundels van zulke geestelijke tooneelstukken bezitten 
wij van den Leuvenschen Premonstratenser Willem Zeebots, 
sedert 1667 pastoor van Wakkerzeele en 8 Juli 1690 op 
vijfenzestigjarigen leeftijd in de Parkabdij te Leuven over- 
leden. Zijn eerste bundel van 1661 bevat een kerstspel, een 
spel van ,jden zuyveren Patriarch Joseph", een spel van 
„het leven ende martyrie van den H. Adrianus" en een spel 
van Hendrik VIII van Engeland „ofte scheuringe van Enge- 
lant ende 't afwijken van 't Catholieck geloof', vertaling van 
„Henricus octavus seu schisma Anglicanum" (1624), een der 
vele Latijnsche tooneelstukken van den Leuvenschen hoog- 
leeraar Nicolaus Vernulaeus. Een tweede bundel, dien Zeebots 
in 1687 uitgaf, bevat een zeer uitvoerig Passiespel en spelen 
van Tobias en van St. Hubertus: alles gedeeltelijk in mid- 
deleen wschen geest, gedeeltelijk in den trant van het school- 
drama. 

In GuiLLiAM Baseleb ontmoeten wij den dichter van een 
mirakelspel in drie bedrijven, getiteld „Zegenprael der onwin- 
bare Kercke", enz., dat hij in 1674 voor de Augustijnen te 
Leuven maakte, om daarmee het derde eeuwgetij te vieren 
van „'t H. Sacrament van mirakel", toen in htm convent 
berustend en nu in de St.-Jacobskerk te Leuven bewaard. 
Opmerkelijk is het , dat in dit stuk ook hervormers — natuur- 
lijk niet tot hun voordeel — optreden en dat er door alle- 



SACRAMttKTSSPBLBM VAN LfiUYBN BN BRUSSEL. 249 

gorische personen, als Godsdienst, Kercke en Maeght van 
Loven, in gejammerd wordt over den twist, die er destijds in 
de theologische kringen opnieuw ontstaan was naar aanleiding 
van de bij Aagustinus aansluitende leeringen, verkondigd 
door den vroegeren Leuvenschen hoogleeraar en Yperschen 
bisschop Comelis Jansenius, en nog lang na zijn dood (1638) 
en zijne veroordeeling in 1643 en 1653 door Paus ürbanus 
VIII en Paus Innocentius X door tal van godgeleerden, ook 
aan de Leuvensche hoogeschool, verdedigd en zelfs oorzaak 
der schorsing van den Jansenistischen Jacob Boonen als aarts- 
bisschop van Mechelen en van zijne vervanging als aarts- 
bisschop door Andreas Oreuvenius, bisschop van Roermond. 

Niet alleen Leuven kon zich (evenals vroeger ook Breda en 
Amsterdam) beroemen op het bezit van een miraculeus Sacra- 
ment: de St.-Goedelekerk te Brussel bezat er eveneens een, 
waarvoor een jaarlijksche plechtige ommegang was ingesteld 
door Wenceslaus en Johanna van Brabant: en ter viering van 
het derde eeuwfeest daarvan gaf nu Daniël Danoot, „bor- 
gher van Brussel", in 1670 een spel uit, getiteld „Aller won- 
derheden wonderenschat oft Mirakel der Mirakelen". Daarin 
wordt de wonderdadige geschiedenis vertoond van dat Sacra- 
ment, of liever ciborie met drie hostiën, in handen gekomen 
van een Jood Abraham , die zich met andere Joden niet 
ontzien had, de Sacramenten te bespuwen en met dolken te 
doorboren, maar opeens handen en dolken met bloed bevlekt 
zag, tot een bewijs van het ware karakter der hostiën als 
Christus' lichaam. De vrouw van den Jood bekeerde zich op 
het zien van dat wonder en stelde er verschillende parochie- 
priesters mede in kennis , de Joden werden vóór de St.-Catha- 
rinakerk verbrand, en voor het Sacrament in de St.-Qoedele- 
kerk werd links van het koor eene kapel gesticht , vervolgens 
versierd met glasschilderwerk, daaraan in het midden der 
zestiende eeuw door verschillende vorsteUjke personen ge- 
schonken. Nog altijd wordt daar dit Sacrament van mirakel 
bewaard en vereerd. 

Ook andere mirakelspelen werden in de zeventiende eeuw 
vertoond, vooral ter eere van heiligen. Reeds noemden wij 
de spelen van St.-Adriaen en St.-Hubertu8 door Zbbbots. Te 
Brussel speelde men in 1610 eene heilige tragi-comedie van 



260 9 SPEL VAN 8T. GOMMABR" VAN CORNBUS DB BIB. 

„Den Salighen Ignatios de Loyola of Antiluther". Te Thielt 
werd o. a. in 1614 een spel van St. Jan Baptist vertoond, 
in 1615 een van St. Sebastiaen, in 1617 een van St. Joris 
en in 1618 een van St. Stephanus. Een spel van St. Gom- 
maer werd in 1614 en verder geregeld te Lier gespeeld. 

Een nieuw spel van St. Gommaer dankte men daar in 1669 
aan Cornelis db Bib. In drie bedrijven is het verdeeld. Het 
eerste bedrijf (of „handel") doet ons zien, hoe de groote sou- 
daen het Frankenrijk bedreigt en koning Pepijn daarom 
Gommaer, heer van het land van Rijen, aan het hoofd plaatst 
van zijn leger en hem tevens zijne nicht Guimaria ten huwelijk 
geeft. In het tweede bedrijf keert Gommaer op het bericht van 
den dood zijner ouders, van welke hij in het vorige bedrijf af- 
scheid genomen had , terug en laat zijne vrouw achter, als hij 
vervolgens tegen de Saracenen optrekt en hen verslaat. In- 
middels heeft zijne vrouw hare onderdanen mishandeld, en 
nadat hij daaraan een einde heeft gemaakt , wil hij ten gevolge 
van eene vroeger afgelegde belofte naar Rome vertrekken, 
maar met zijn gevolg te Emblehem gekomen en daar op het 
open veld overnachtend, krijgt hij het te kwaad met den 
landeigenaar, omdat zijne dienaars een van diens boomen 
hebben geveld. Het derde bedrijf begint met het eerste mirakel. 
Met behulp van een engel richt Gommaer den boom weer op 
en heelt de breuk met een gordel , zoodat er zich weer frissche 
bladeren aan vertoonen. Zoo werd „het dor groeyende**. Op 
de plaats zelf van het mirakel wordt nu door Gommaer eene 
kapel gebouwd. Daarop doet de heilige een tweede wonder: 
hij laat eene bron ontspringen om zijne van dorst versmach- 
tende en bovendien door zijne vrouw gekwelde onderdanen 
te laven, en als hij vernomen heeft, dat ook zijne vrouw 
van dorst verkwijnt, geneest hij ook haar met het water van 
zijne wonderbron. Daarop sterft hij , diep betreurd door 
dienaars en onderdanen. 

Zooals men ziet is dit mirakelspel, evenals al zijne middel- 
eeuwsche voorgangers, niet veel meer dan eene aaneenscha- 
keling van tafreelen uit de legende van den heilige, alleen 
met dialogen in wat moderner verzen. Gomische tusschen- 
spelen, waarop de middeleeuwers zooveel prijs stelden, ont- 
braken ook hier niet. Vooreerst treden in Baetsoeckigh- 



s 
1 



MIRAKBLSPBI^SN VAN DE BIE EN ANDEREN. 251 

Bedrijf en Hertneckigh-Gemoet een paar iets gemoderniseerde 
sinnekens eenige malen op; maar verder is er ook eene, 
later wat omgewerkt afzonderlijk uitgegeven, klucht van 
yJan Goedthals en Qriet syn wyf', in opgenomen, die met 
een twist tusschen het echtpaar begint. Griet echter wil 
uitgaan en draagt nu Jan de zorg voor het huis en het huis- 
werk op, maar h^' heeft honger en vraagt haar vooraf een 
sneetje ham. Liever dan er hem iets van te geven, zegt de 
feeks, zou zij de hammen, die in den schoorsteen hangen, 
door de duivels zien wegpakken, en daarop gaat zij heen. 
Nu komen er twee soldaten binnen, die eten vragen, en 
Jan zegt, dat hij hun niets kan aanbieden: maar er hangen 
nog ongerookte hammen in de schouw, en dadelijk klimmen 
de soldaten naar boven. Op dat oogenblik komt Griet razend 
en tierend terug , en nu maakt Jan van de gunstige gelegen- 
heid gebruik. „Och", roept hij den soldaten in de schouw 
toe, ,och, duvels, compt uyt de schou, helpt my van mijn 
wijf, ick sal u allen mijn hespen (hammen) geven en 't wijf 
oock daerbij". Roetzwart komen nu de soldaten met de ham- 
men uit de schouw te voorschijn, en Griet, die ze voor dui- 
vels aanziet, is doodsbenauwd. Zij valt voor hen op de knieën , 
krijgt bevel zich met haar man te verzoenen en acht zich 
DOg gelukkig, dat de gewaande duivels weer vertrekken, al 
nemen zij ook de hammen mee. 

In 1671 gaf De Bib nog, onder den titel van treurspel, 
een tweede mirakelspel uit: „De Heylighe Gecilia oft den 
Spieghel van de eerbaerheydt", eveneens met een comisch 
tusschenspel ; en later maakte hij nog een paar andere heili- 
genspelen. In 1631 is er te Borch-Loon in Limburg sprake 
van een daar door de rederijkers vertoond spel van St. Geer- 
trui. Te Brussel werd in 1641 een spel van de H. Dorothea 
(door Geebaerd van den Brande) vertoond. Aan Veurne 
leverde Glaudb Ogieb in 1644 een spel van St. Agnes en 
in 1662 een nog in handschrift bewaard spel (met duvelry) 
van St. Barbara, wier geschiedenis in 1646 ook te Oudenaarde 
was gespeeld. Een „Bly-eyndende-treurspel van het leven 
ende wondere daeden van den H. Rombout'*, gedicht door 
den kapelaan en organist van de St.-Romboutskerk te Meche- 
len, Philippüs Glaüdïüs Basubl, werd in Juli 1680 vier- 



\ 



262 BUÉteliSGHB 8PBLBN. 

maal door de kamer „De Peoene" vertoond ter viering van 
het negenhonderdjarig jubelfeest van den heilige , den patroon 
van Mechelen. Moderner van vorm dan al deze stukken en 
niet onverdienstelijk van taal en versbouw was „De H. Genoveva 
ofte herkende onnooselheit", door Antonio Francisco Wou- 
THEBs in 1664 te Antwerpen uitgegeven. 

Aan bijbelsche spelen ontbrak het evenmin. Te Thielt 
werd in 1616 de geschiedenis van Pharao vertoond , te Veume 
in 1618 die van David en in 1623 die van Jephta. Het laatste 
onderwerp werd ook in 1637 gedramatiseerd door den Lier- 
schen notaris Jobis Bbbckmans, die ook de geschiedenis 
van Absalon en, evenals Zeebots, die van Jozef in tooneelvorm 
bracht, en verder nog spelen maakte van „Ammon en Tha- 
mar" en van „Esther" , zooals er in de zeventiende eeuw ook 
in het Limburgsche Hasselt vertoond werden. D&&r werd ook 
een „Jozua" en ^De Belegering van Samaria" gespeeld. Joan 
YzERMANS schreef voor de „Olyftack" te Antwerpen een „Achab", 
Claubb db Qriek gaf in Brussel een „Samson" uit en Jan 
Bbllet van Yperen een „David en Bersabee'*. 

Hen allen overtrof de Antwerpsche schilder Güiliam van 
NiEUWELANDT met zijjne bijbelsche treurspelen in classieken trant, 
die met de HoUandsche van zijn tijd kouden wedijveren, name- 
lijk zijn „Saul" van 1617, zijn „Salomon" van 1628 en zijn 
„Jerusalems Verwoestingh door Nabuchodonosar*' van 1635, 
die alle zeer sterk den invloed van Seneca of zijne Fransche 
navolgers verraden. Zijn „Jerusalems Verwoestingh" bevat 
zelfs vele, soms tamelijk uitvoerige, stukken, die vrij nauw- 
keurig vertaald zijn uit Gamier's „Juifves" (van 1585). Op- 
merkelijk is het, dat de Profeet bij Gamier door Nibuwb- 
LANDT in eene allegorische figuur, „Gramschap Godts", is 
veranderd. Zijn „Salomon" bewijst bovendien, dat de dichter 
Hooft's „Geeraert van Velsen" kende en bewonderde. 

Uit de apocriefe boeken werd de geschiedenis van Susanna 
in 1625 te Yperen gekozen. Die werd ook te Hasselt ver- 
toond, evenals Judith's heldendaad. Daar speelde men ook 
een gelijkenisspel , namelijk „Van den ontrouwen rentmeester", 
terwijl CoBNELis de Bie in 1678 te Lier een spel van „Den 
verloren sone Osias" liet spelen, dat blijkbaar geschreven is 
onder den invloed van Lope de Vega*s „El hij o prodigo" en, 



MY8TE|U8BPKI<BN. . 258 

evenals het Spaansche stuk, opk allegorische personen bevat, 
namelijk Sorgheloose Wellusticheyt , Onghebonde Vrijheydten 
Voorsichticheyt. Dat de bordeelscène in het stuk allesbehalve 
stichtelijk is, schijnt aan de censoren geen aanstoot gegeven 
te hebben. Opmerkelijk is het, dat aan het slot ook de onte- 
vreden broeder (Amadis) zijn nijd overwint en hartelijk 
deelt in de algemeene blijdschap. 

Het mysteriespel eindelijk bleef in de zeventiende eeuw in 
de Zuidelijke Nederlanden — en niet eens veel veranderd 
van vorm — in eere. Tot 1626 toe werd de Passie her- 
haaldelijk te Veurne gespeeld. Te Haile vertoonde men 
baar o. a. in 1665, Te Brussel werd in 1651 een spel van 
,Den lydenden en stervenden Christus" door den toen 
nog jongen rechtsgeleerde Johaknes de Oondé uitgegeven. 
Van Zeebots noemden wij reeds een passiespel en ook Gob- 
NELis DK BiE deed te Lier in 1680 „leven ende doodt van 
^en oodtmoedighen en verduldighen Christus tragedie-wijs in 
dry besondere deelen af beelden" onder den titel „Qoddelyck 
Bansoen der Zielen Salicheyt". Van denzelfden dichter heb- 
ben wij ook een kerstspel van 1700, getiteld „De verlichte 
Waerheyt van Godts Vleesch gheworden Woordt". Overigens 
werd er in de eerste helft der zeventiende eeuw te Yeume 
meermalen een spel van Bethlehem vertoond en schreef ook 
Jak Lambrbcht van Brugge er een in 1685, nadat ook 
Willem Zeebots in 1661 „Den blyden Kersnacht ofte de 
Geboorte Christi onses Zaligmakers" had gemaakt. 

Veel. beter dan deze rijmwerken is een eigenaardig soort 
van mysteriespel van 1686, dat in de zeventiende eeuw door 
de kamer „De Veltbloemen" van het Limburgsche Bilsen 
vertoond werd, namelijk „De mensch-wordingh van het 
Eeuwigh Woort in den Schoot van de Heylighe en Onbe- 
vleckte Maget Maria, volbracht onder de boodschap van den 
Aerts-Engel Gabriël". Het stuk begint met eene „inleydingh" 
of voorspel, waarin de schim van Adam optreedt om te klagen 
over de ellende, die hij door zijne ongehoorzaamheid berok- 
kend heeft aan zijn nageslacht, dat nog altijd gedoemd is „in 
het voorgeborght" der hel met vurig verlangen uit te zien 
naar de komst van den Messias, den beloofden verlosser; 
maar het niet bij klachten latende , is Adam's schim nu op 



254 „DB MBNSCH-WOBDINGH VAN HET EBUWIQH WOOBT". 

aarde verschenen, om de H. Maagd in hare slaapkamer te 
wekken, ten emde hare voorspraak Toor de ongelukkigen 
in te roepen. 

Met het begin van het eerste bedrijf, dat, evenals de beide 
volgende, in den hemel speelt, treden Gabriël en Ra£aël ten 
tooneele, zich verheugend in de kalme rust, die er in den 
hemel, en den algemeenen vrede, die er op aarde heerscht. 
Zij hebben er een voorgevoel van, dat nu de volheid der tijden 
gekomen is, waarop de verlossing van het menschdom zal 
plaats hebben, en besluiten hunne samenspraak met een beurt- 
zang, waarin alle oudtestamentische voorspellingen in herin- 
nering worden gebracht in den vorm van een gebed met het 
refrein: „Daegh Messia! daegh, o Oosten! Oom die droeve 
stam vertroosten". Wanneer daarop Uriël verschijnt om Ga- 
briël op te roepen voor den troon van God, vervult bUjde 
hoop hun hart. 

Uriël, die met den englenrei in het tweede bedrijf de terug- 
komst van Gabriël afwacht, maakt zich nu in een nieuwen 
bedezang tot tolk van de om verlossing en erbarming smeekende 
menschheid, totdat Gabriël met Michaël optreedt om uit Gods 
naam de blijmare te verkondigen: „Genade houdt het velt, 
Gerechtigheyt stemt toe: de Godtheyt sal sigh heden met de 
menschheyt laeten paeren I" Nu is het juichenstijd : „Roept 
Hosanna I doet met psalmen, blyde schaeren, 't hof weergal- 
men!" zoo wekt Michaël den englenrei op, en zelf geeft hij 
het voorbeeld met welluidende lofliederen, besloten door het 
in koor aangeheven refrein: „God sy lof, prijs, heerlij ckheyt. 
Nu en in al eeuwigheyt !" Met een kort overzicht der geschiedenis 
van Lucifer's opstand tegen God te geven besluit Michaël dit 
bedrijf in schilderende verzen, die, zij het ook van verre, aan 
Vondel en wel bepaaldelijk aan diens „Lucifer*' doen denken, 
zoodat het wel nauwelijks te betwijfelen is, of de dichter heeft 
dat treurspel gekend. In elk geval is het geen geringe lof, dat 
wij moeten erkennen, hier en elders in zijn stuk Vondel's 
toon te hooren. Het derde bedrijf, eene samenspraak tusschen 
Rafaël, Michaël en Uriël, is het minste gedeelte van het ge- 
heele dichtwerk : daar wordt de vleesch wording van de God- 
heid al te spitsvondig bespiegeld en daalt de dichterlijke ver- 
heffing merkbaar. 



I» 



DB MRN8CH-W0RDINQH VAN HST EEUWIGH W00BT'\ 255 



Met het vierde bedrijf worden wij uit den hemel naar Naza- 
reth verplaatst, om een gesprek van Maria met Joseph's 
broeder Alpheus en diens vrouw Maria Gleophae te hooren, 
waarin li^aria vertelt van Gods wonderdadig bestier, dat haar 
tot Joseph's bruid heeft gemaakt zonder dat zij daarmee „haer 
eer en maegde-bloem" behoefde te offeren. Een beurtzang 
van engelen opent het laatste bedrijf: het is een echt dichter- 
lijke huwelijkszang, schitterend van aan het Hooglied ont- 
leende beelden, eene viering van „d'aenstaende versamelingh 
van de Gode- en Mensch-lyckheyt". Nadat het , hymen, hymen, 
hymeneyl" heeft uitgeklonken, schuiven de gordijnen achter 
op het tooneel open en zien wij Maria in haar slaapvertrek 
biddend om de verlossing der menschen, onbewust dat zij 
zelve is uitverkoren om den Verlosser ter wereld te brengen. 
Dat wordt haar nu door Gabriël met de bekende schriftwoorden 
aangekondigd, en met den englenzang : het Eere zij God, Vrede 
op aarde, eindigt de handeling, ofschoon daarop nog een 
„sluytreden" van Gabriël volgt, waarin nog eens beknopt de 
beteekenis der Menschwording uiteen wordt gezet, besloten 
met een jubelend danklied: „Segen, Segen overall Boven en 
op 't aerdsche dall" en met de jubelkreet: „Ëeuwigh lof, 
triomph en eer sy den Alderhoogsten HeerI" 

Naar het mij voorkomt, spant dit in waarlijk nieuwen vorm 
herboren oud mysteriespel als dichtwerk de kroon van alles 
wat de Zuidelijke Nederlanden in de zeventiende eeuw hebben 
voortgebracht. 



XXXIX. 

De rederijkerskamers in Vlaanderen. 

Ofschoon de Jezuieten en Augustijnen in de zeventiende 
eeuw in België op het tooneel heer en meester waren, weerden 
zq daarom nog niet alle anderen van de planken. Zelfs bevor- 
derden zij ook den lust om vertooningen te geven bij anderen 
en maakten zij ook het optreden van vreemde tooneelspelers 
mogelqk door aan deze tijdelijk hun eigen tooneel af te staan. 
In de zeventiende eeuw treffen wij dan ook meermalen buiten- 



256 TOONEELSPRLBN TR QBNT ; PARMA TBOBNOYKB DR ^BDBRIJKBRS. 

landsohe acteurs aan. Zoo traden er b.y. reeds in en omstreeks 
1603 te Gent Fransche, Italiaansche en Engelsche tooneelisteo 
op en in Juni 1620 „Spaensche commedianten" onder directie 
van Baltasar de Yarlios. 

Toen in 1664 het schuttersgilde van St. Sebastiaan op den 
Kouter te Gent een schouwburg had doen inrichten, waren 
het meest Fransche troepen, die daar optraden. Slechts eene 
enkele maal werden er Ylaamsche stukken gespeeld, b.y. in 
1665, vermoedel^'k door de rederijkers van St. Agneta of de 
Mandisten, van wie voor het eerst weder in 1662 eene ver- 
tooning vermeld wordt, terwijl »de liefhebbers van den bloeyen- 
den Lauw'rier" te Gent in 1686 ,alle kunstminnende geesten 
op hun Overwonnen Breda door de Wapenen van Leopold I" 
noodden. De oude Gentsche hoofdkamer „De Fonteine" heeft 
echter de geheele zeventiende eeuw door geslapen, en eerst bij 
het begin van de achttiende , herleefde zy als de fenix uit 
zyn asch, ten trots en spyt van al, die meer uit vrees dan 
haet betrachtten haren val", zooals het heet in een gedicht, 
in 1706 door Jacob Hyb op het herstel der kamer gemaakt 

Inderdaad was vrees, dat de kamers zich wat al te onafhan- 
kelijk zouden toonen, wel de hoofdoorzaak, waarom men ze 
aan zóó gestreng toezicht onderwierp, dat zij zich klein moesten 
houden, al werd haar in het begin der zeventiende eeuw ook 
weer zooveel vrijheid gegund, dat zij eenige levensteekenen 
konden geven, maar tevens ook zoo Weinig vrijheid, dat er 
van eenigen bloei nauwelijks meer sprake kon zijn. Toch 
was ^ zelfs dat een vooruitgang. Onder Al va immers was het 
openbaar optreden van de rederijkers zoo goed als onmoge- 
lijk geweest, en ook na zijn vertrek had gedurende de eerste 
jaren van den Opstand de ellende van den burgeroorlog de 
belangstelling in hunne vertooningen . uitgedoofd. 

Toen daarop in 1585 Parma alle Zuidelijke Nederlanden 
weer onder de macht van den Spaanschen koning had terug- 
gebracht, hadden de onrustige tijdsomstandigheden wel geen 
volstrekt beletsel meer voor de herleving der rederijkerskamers 
behoeven te zijn, maar een jaar te voren had Parma reeds 
een edict uitgevaardigd, waarbij de kamers als gevaarlijk voor 
de zuiverheid van de kerkleer waren afgeschaft en hare goe- 
deren verbeurd verklaard waren. Na zijn dood was er van 



DE KAMERS DOOR DE 8PAANSCHB RBGEERING VERBODEN. 257 

verschillende kanten moeite gedaan om voor de kamers de 
oude voorrechten te herwinnen en voor haar verlof te ver- 
werven om weer geregeld openbare vertooningen te geven, 
maar Philips II dacht er anders over en had geantwoord 
met een schrijven van 24 Juli 1593 aan den Raad van 
Vlaanderen en dien van Brabant, om hun te gelasten, het 
opnieuw optreden der rederijkers te beletten. Vandaar in 
Augustus van hetzelfde jaar een omzendbrief van den Raad 
van Vlaanderen aan de Vlaamsche gemeenten, waarbij bevolen 
werd „vergaderinghen ofte exercicien van der rhetoricque niet 
meer te ghedogen". Uit dien brief blijkt tevens, dat toen „eenighe, 
doende professie van de rhetoricque, stellende carmen ende bala- 
den in rij me, francois ofte vlaemsch, groote instantie hadden 
gedaen omme anderwaerf up te stellen de cameren, vergade- 
ringhen ende exercicien van dezelve Rhetoricque, jeghens de 
placcaeten van zijne Majesteit hier up gheëxpedieert, zonder 
eenich achterdincken ende zonder tansiene de groote abuusen, 
desordren, inconvenienten ende schandalen, die hier voormaels 
daerduere zijn gheschiet.". 

In 1597 en 1601 was verder het placaat van 1559 tegen 
het verspreiden van boeken en geschriften en het geven van 
vertooningen opnieuw uitgevaardigd; doch door de Aartsher- 
togen waren daarmee niet alle vertooningen volstrekt verboden : 
er mochten „spelen ende battementen tot eerlijcke ghenuechte 
van den volcke" vertoond worden „op conditie van behoerlicke 
visitatie en approbatie*' en „in onverletten tqd ende buyten 
den Goddelicken dienst.'' Natuurlijk volgde daaruit niet, dat 
de Rederijkers weer mochten optreden: alleen de Jezuieten, 
Augustijnen en vreemde tooneelgezelschappen konden, na 
approbatie hunner stukken, verlof krijgen ze ten tooneele te 
voeren. 

Vergeleken bij deze gestrenge maatregelen tegen de Rede- 
rijkers was het dus een groote vooruitgang, dat, na het sluiten 
van het Bestand in 1609, aan verschillende Rederijkerskamers, 
die waren blijven voortbestaan en zelfs hier en daar, zij het 
ook misschieir in den vorm van geestelijke broederschappen, 
in beperkten kring hadden kunnen blijven voortgaan met het 
beoefenen der kunst, weer verlof werd gegeven vergadering 
te houden, indien zij dat van de Regeering verzochten, en 
II 17 



258 DE KAMERS DOOR DE AARTSHERTOGEN HERSTELD. 

zelfs in het openbaar te spelen^ indien de stukken slechts 
vooraf waren goedgekeurd. 

Van dat verlof maakten verscheidene kamers gebruik, en 
van dien tijd af breekt er dan ook een nieuw tijdvak van 
rederijkerij in de Zuidelijke Nederlanden aan, maar een dat 
weinig of niets voor de kunst heeft kunnen opleveren, omdat 
de geschiedenis er van eene ware lijdensgeschiedenis is van 
wanhopige pogingen door de Rederijkers aangewend om, bij 
geringen steun van Regeering en volk en onder streng toe- 
zicht of zelfs tegenwerking van de Geestelijkheid en de met 
hunne tooneelvertooningen concurreerende Jezuïeten, het hoofd 
boven water te houden. 

Op stichtelijkheid en zedelijkheid der stukken werd door 
de geestelijke censoren bovenal gelet, zelfs dan, wanneer ook 
wereldsche spelen werden toegelaten. Vandaar dat men dik- 
wijls zijne toevlucht nam tot het weer opnieuw vertoonen van 
oude, reeds lang te voren goedgekeurde stukken, of deze iets 
moderniseerde en namaakte, waarbij dan nog de zucht kwam 
om het schitterend verleden der kamers, waarvan de geschiedenis 
gewaagde, zoo mogelijk te doen herleven. Geen wonder dus, 
dat de Rederijkers het in de ZuideUjke Nederlanden in de 
17<iö eeuw niet verder hebben kunnen brengen dan eene 
flauwe schaduw te worden van hetgeen zij daar eene eeuw te 
voren waren geweest. Met lederen stap vooruit toch brachten 
zij het voortbestaan hunner kamers in gevaar. 

In Oost- Vlaanderen was het niet Gent, maar Oudenaarde, 
waar de rederijkerij het meest van zich deed hooren. In 1609 
traden de beide oude kamers, die van „De H. Geest" en van 
„Het Kersouwken", opnieuw met vertooningen en een ebate- 
mentspel op, maar in 1620 wordt van de eerste voor het 
laatst melding gemaakt, terwijl „Het Kersouwken'*, blijkbaar 
boven haar begunstigd, omdat haar de oude zaal boven de 
Steenpoort door de Stedelijke Regeering teruggegeven werd 
en de Paxvobianen in eene gehuurde kamer moesten ver- 
gaderen, nog jaren lang een betrekkelijken bloei genoot. 

In 1610, toen het „Kersouwken" een nieuw reglement kreeg, 
telde die kamer reeds veertig leden, met den heer van Pamele 
als beschermheer. Het volgende jaar benoemde zij bij loting 
haar eersten koning en vierde zij haar eerste, jaarlijks op 8 



BR KAMERS VAN OUDBNAABDR, ST. NICOLAAS RN WETTBRBN. 259 

Januari herhaald, Koningsfeest. In 1613 treffen wij haar op 
het landjuweel te Haarlem aan. Jaren lang speelde zij nu 
verder gedurende de kermis op den Sacramentsdag, gewoonlijk 
op de lakenhal of in de groote zaal van het stadhuis. In 1628 
waren het de schepenen der stad zelf, die haar het stuk over- 
handigden, dat zij op Sacramentsdag te spelen had, nameUjk 
eene korte vertooning van Adam en Eva in het Paradijs, 
waarin ook het Serpent en God de Vader optraden. Op een 
wedstrijd te Kortrijk in 1645 behaalde zij een tweeden prijs 
en het volgende jaar vierde zij de benoeming van een nieuwen 
hoogbaljuw der stad en casteleinij van Oudenaarde met een 
spel jran St. Barbara, de patrones van het te Oudenaarde 
nog bloeiende tapissiersgilde . Door in 1662 op het Brugsche 
landjuweel een eersten prijs te behalen verhoogde zij haar 
aanzien bij de burgerij harer stad, zoodat zij in de tweede 
helft der eeuw, ondanks den oorlog, waarvan Vlaanderen toen 
veel te lijden had, zich heeft weten te handhaven. 

In het land van Waas hield „De Goudbloem" te St. Nicolaas 
van 1611 af gedurende de geheele 17de eeuw weer geregeld 
hare vergaderingen en gaf zij vertooningen, zooals sedert 1650 
een optocht met een figuurUjken wagen, de „Maegdenberg" 
geheeten, waarop negen maagden gezeten waren, die de negen 
rederijkerskamers van het land van Waas verpersoonlijkten, 
en twee andere, die Pallas en Rhetorica met het blazoen der 
kanier voorstelden. Niet alleen hier zien wij vrouwen en 
meisjes aan de vertooningen der rederijkers deelnemen, maar 
in de 17de eeuw riep men ook elders hare hulp in: zelfs 
behoorden in sommige kamers niet alleen gildebroeders, maar 
ook gildezusters tot de leden. Enkele van de spelen, die „De 
Goudbloem" sedert 1645 vertoonde, kennen wij, maar geen 
van alle schijnt door den facteur der kamer zelfgedicht te zijn. 

Van het naburige Wetteren weten wij, dat daar in 1661 
„een schoon spel van sinne" werd vertoond, en dat de over- 
heid daar den rederijkers geldelij ken steun verleenden, zooals 
b.v. in 1682, toen „Pieter Blancquaert, Jan Burchgrave en 
ander liefhebbers van de retorycko" zich met goed gevolg tot 
Burgemeester en Schepenen wendden om eene tegemoetkoming 
te ontvangen in de onkosten bij de vertooning van „De comedij 
van duc de Bieron". 



260 DB KAMBR8 VAN BRUGGE BN TPBRBN. 

Van de Westvlaamsche kamers treden de „H. Geest*' en 
de „Drie Santinnen" van Brugge op den voorgrond, daar zij 
beide in 1613 aan het refereinfeest te Leiden deelnamen^ en 
de eerste toen ook aan het landjuweel te Haarlem en in 1620 
aan het refereinfeest te Mechelen. De kamer der »Drie San- 
tinnen" beriep tegen 6 Mei 1628 een landjuweel. Na het 
„Vlaemsche vrede-feeste, ghehouden door die van Brugge ende 
't GoUegie 'sLandts van den Vrye" of „de triomphelicke 
vieringhe van den langhverwachten pays tusschen beyde de 
katholijcke kroonen van Spaignen en Vranckrijck" (1659), 
waarvoor Gblbin Sohbpprbs gedichten, liederen en ook eene 
vertooning schreef (in 1660 uitgegeven), beriep ook de Brugsche 
kamer „De H. Geest" een landjuweel en wel tegen 7 Aug. 
1662; doch vermoedelijk hebben de rederijkers zich daar wat 
al te groote vrijheid veroorloofd inde oogen der geestelijkheid, 
althans in het volgende jaar werden er maatregelen genomen 
om de vroegere placaten op de censuur strenger te handhaven. 

Te Yperen waren met het Bestand ook de beide kamers, 
die van St. Anna of de Rosieren en die van Onze Lieve 
Vrouwe van Alsemberge of de Korenbloem, herrezen. De laat- 
ste koos in 1618 den toen drieëndertigjarigen bierkruier 
Claudb ds Glbrck, die pas een jaar lid der kamer was, maar 
zich daar reeds spoedig had onderscheiden, tot haar bezoldig- 
den factor en stond hem in 1623 eene wedde van tien pond 
grooten toe, op voorwaarde dat hij jaarlijks aan de kamer een 
treurspel en een esbatement zou leveren, wat hij ook jaren 
achtereen schijnt gedaan te hebben, misschien tot zijn dood 
(13 Oct. 1645) toe. Een handschrift zijner dichtwerken, in 1 620 
door de kamer begonnen, is slechts voor een klein deel be- 
waard gebleven en bevat de onuitgegeven tooneelstukken 
„Belgica en Spinola", „'t Guesengejanck" en „Sedechias". 
Ofschoon hij niet alleen „veel gebladert had in Cats suyver 
bladt", maar ook „in Vondels wercken", bracht hij het niet 
verder dan tot vloeiend rijmer in beschaafde taal. Hij zal het 
ook wel geweest zijn, die de spelen leverde, waarmee jaarUjks 
tot 1643 (en ook later weer sedert 1656) de bekende „tuindag" 
te Yperen gevierd werd. 

Het eene jaar speelde dan „De Korenbloem", het andere 
de kamer der Rosieren een spel; eene enkele maal traden 



DE KAMBBS VAN YPBREN, VEURNB, ENZ. 261 

beide kamers op. Factor van de Rosieren was sedert 1620 de 
boekdrukker Jan Bellet, die o. a. op 17 Oct. 1622 ter eere 
van Gislenus Baelde, den eersten prins der kamer sedert hare 
herinrichting, eene klucht deed vertoonen op de vraag: „wat 
pyn moet eenen minnaer draegen, eer hy zyn liefste kan be- 
haegen?" Zijn opvolger als factor der Rosieren was N. Ver- 
poort, dichter van vele „nieuwe tuindagspelen*', minstens tot 
1680 toe. De oude beroemde kamer „Alpha en Omega" werd 
eerst weer in 1660 opnieuw ingericht. 

De beide Veumsche kamers, „De Sorgeloosen'' en die van 
St. Barbara, waren al in 1530 tot ééne kamer vereenigd met 
de verbonden spreuken „Aerm in de beurse en van sinnen 
jonc*', en ook deze herrees in 1609, toen haar plechtig eene 
nieuwe banier werd overhandigd, doch eerst in 1613 kreeg zij 
verlof „in 't openbaer als andersints op huerlieder gewoonlicke 
feestdaghen te spelen". Het schijnt haar goed gegaan te zijn, 
want in 1621 kon zij met steun van de Stedelijke Regeering 
in de Duinkerkstraat een eigen gildehuis laten bouwen, bekend 
onder den naam van „Parnassusberg", dat zij echter in 1653 
weer moest verkoopen om het van den nieuwen eigenaar te 
huren. Zij had, behalve een bode of knaap, voor wien in 1627 
eene bijzondere instructie werd opgemaakt, ook nog een be- 
zoldigden kapelaan of proost, sot en alferis of vaandrager, en 
vierde als van ouds weer vijf feestdagen, namelijk St.-Bar- 
beldach (4 December), Derthiendach, wanneer men „coninck 
trock", den derden Meydach, wanneer de H.-Kruisommegang 
plaats had, de Coninckfeeste (in Juni) en den H.-Sacrament- 
dach. Van 1624 tot 1639 treflFen wij er Jan Heyndricx aan 
als facteur en vervaardiger o.a. van een spel van zinnen „Den 
rycken Baron" (vertoond 21 April 1627) en „een zinnespel op 
den treves ofte pays" van 1631. Zijn opvolger als facteur of 
„componist" was (van 1640 tot 1653) Claude Ogier, die een 
jaargeld van 40 pond genoot. In 1665 leverde haar latere prins 
NoRBERT Cardinael, schepcn der stad en castelnij van Veume, 
haar nog een spel van „Den heylyghen Ludowycus", maar 
toen schijnt er toch reeds voor haar een tijdvak van verval 
te hebben geheerscht, waarvan zij zich eerst op het eind van 
de 17<io eeuw wat herstelde. 

De kamer „De H. Geest" te Dixmuide nam in 1613 aan 



262 D£ KAMERS VAN KORTRIJK, WBRVIK STRAZBLB, DUINKBEIKB. 

het landjuweel te Haarlem deel, maar liet daarna niets meer 
van zich hooren. Te Kortrijk vinden wij in 1616 zoowel de 
Fonteinisten als de Kruisbroeders weer aan den arbeid. De 
eersten vertoonden in 1634 een treurspel „Mariamne" van den 
geneesheer Jan de Valckqravb, terwijl de Kruisbroeders zich 
schaarden onder hun prins, den smid Joos Mattelaer, op 
wien zij tot zijn dood (28 Aug. 1687) prat waren, daar hij in 
zijne refereinen en balladen, waarvan er nog zestien in hand- 
schrift bewaard zijn, „niemant beschaemt, niemand ontsticht 
heeft", zooals zijn grafschrift getuigt, terwijl hij in 1645 te 
Kortrijk een wedstrijd liet houden en zelf in 1652 den eersten 
prijs behaalde op het refereinfeest, dat toen was uitgeschreven 
in het tegenwoordig geheel verfranschte Comene. 

Het naburige Wervik zag ook in 1609 hare kamer van St. 
Michiel of de Droogaers hersteld, nadat hare leden, zooals ook 
elders gebeurde, plechtig hadden moeten zweren, „nyet te 
maeken eeneghe spoelen, refereynen, liedekens oft yedt dat 
Retorica aengaet, dat eenichsins zoude moghen smaken naer 
eeneghe herisie". Zoo ijverig weerde zij zich, dat zij tusschen 
1638 en 1641 eene verzameling van 65 tooneelstukken bijeen- 
bracht, die nu wel verloren is, maar waarvan de catalogus 
nog bewaard is, ten bewijze van de liefde, die er toen nog 
heerschte voor de Vlaamsche dichtkunst in een klein plaatsje 
op de grens van het Nederlandsch taalgebied. Hetzelfde blijkt 
uit de „confirmatie" door de Ypersche hoofdkamer in 1663 
van „de gilde van Rethorycque binnen de prochie van Strazele 
in Casselambacht (dus in tegenwoordig Fransch- Vlaanderen), 
voerende als haeren schilt ofte blasoen 't beelt van Onse 
Vrauwe van Halsenberge, metten titele van Cleendaedigh 
Bescheet". Te Duinkerke was van de vijf rederijkerskamers, 
die er eertijds bestaan hadden, die van St. Michiel of „Het 
Kersouwken" herleefd onder begunstiging der Stedelijke Regee- 
ring, die in 1621 haar eene aanzienlijke toelage schonk om 
hare lokaalhuur te betalen. 

Te Roesselare werd o.a. van 1661 tot 1663 gespeeld door 
de kamer van St. Barbara of „De zeegbare herten". Te 
Thielt eindelijk werden van 1610 af, toen de oude kamer 
„De wilde roos" weer herleefde, telkens vertooningen gegeven, 
meestal „ter eeren van den hoochweerdighen Sacramente iu 



DB KAlkfBB VAN THIELT 263 

den ommeghanck" en van St. Jan Baptist, den patroon der 
kamer, terwijl er ook het rhetoricaal verkeer met andere 
kamers, zooals bv. van Kortrijk en Roesselare, werd onder- 
houden. Nadat de kamer in 1662 met de geestelijkheid geschil 
had gehad over de censuur, weigerde zij te spelen, maar al 
spoedig legde zij het hoofd in den schoot, want twee jaar later 
wendde zij zich tot de Landsregeering met verzoek „dat zy 
sullen moghen exerceren hun spel van Rethorijck ende spelen 
hunne oude spelen ende verthooninghe van Rhetorijcke, ge- 
Hjck sy van te vooren gedaen hebben". Het werd den sup- 
plianten op advies van Burgemeester en Schepenen goedgun- 
stiglijk „geoctroyeerdt ende gheaccordeerdt", maar daarbij werd 
niet nagelaten hun nog eens opzettelijk op het hart te druk- 
ken, dat zij niets mochten vertoonen zonder vooraf »copije van 
henlieden verthoogh aen den Pastor ofte Deken der stede van 
Thielt mitsgaders aen Bailliu, Burgemeester ende Schepenen'' 
overgeleverd te hebben om gevisiteerd te worden. 

Aan die voorwaarde werd overal streng de hand gehouden, 
en daaruit is het ongetwijfeld grootendeels te verklaren, dat 
bij zooveel goeden wil om dichtkunst en vooral tooneelkunst 
te beoefenen, als wij in bijna alle gedeelten van Vlaanderen 
konden opmerken, toch zoo bitter weinig goede poëzie is ge- 
schreven en zoo weinig is vertoond, wat ook maar eenigszins 
kon wedijveren met hetgeen de Vereenigde Gewesten in den- 
zelfden tijd hebben opgeleverd. 

Overigens mag niet vergeten worden, dat in het Noorden 
door den bloei van handel en nijverheid in dien tijd groote 
welvaart heerschte, terwijl in het Zuiden zelfs kleine onkosten 
voor rederijkersvertooningen ter nauwernood konden bestreden 
worden, omdat daar overal handel en nijverheid kwijnden en 
de oorlog gedurende de geheele ITd® eeuw, met slechts korte 
tusschenpoozen van vrede, de Zuidelijke Nederlanden, en wel 
in het bijzonder Vlaanderen, tot één groot slagveld maakte, 
waar geheele streken, dorpen en kleine steden soms tijdelijk 
ontvolkt en in handen van den plunderenden vijand waren. 
Neemt men ook dat in aanmerking, dan is het nog te ver- 
wonderen, dat de rederijkers in dien tijd zooveel ijver bleven 
betoonen en telkens weer beproefden, nieuw leven in hunne 
kamers te wekken. 



264 DB KAMEB8 TB BRUSSBL. 

XL. 

De rederijkerskamers in Brabant. 

Met de Brabantsche rederijkerskamers was het eenigszins 
anders gesteld, dan met de Vlaamsehe, omdat in Brabant 
armoede en verval minder groot waren en de groote steden, 
als Brussel en Antwerpen, wat meer toegankelijk bleven voor 
den invloed van buitenlandsche beschaving. Daar konden 
middeleen wsche toestanden niet zoo ongeschonden blijven 
heerschen als in Vlaanderen en moest zelfs de geestelijkheid 
hu en dan wat water in haar wijn doen. Zij deed dat echter 
altijd hoogst ongaarne en schoorvoetend, en vandaar dat, 
alles samengenomen, ook in Brabant de litteratuur niet zoo- 
veel hooger stond, dan in Vlaanderen , en de invloed van het 
Fmnsch-Spaansche hof zich daar zelfs nog wat krachtiger deed 
gevoelen, en er toe meewerkte, om de pogingen, die ook daar, 
vooral onder de rederijkers, in het werk werden gesteld ter be- 
vordering eener nationale letterkunde, schipbreuk te doen lijden. 

Zien wij eens, hoe het in de hofstad Brussel gesteld was. 
Daar waren de drie van ouds bekende kamers in en om- 
streeks 1620 weer ijverig aan 't werk, vooral het „Marien- 
cransken", dat onder leiding stond van den advocaat Willem 
VAN DER BoRCHi die „tot behoef van d'arme vondelkinderen" 
te Brussel stichtte, wat hij hoopte dat een „eeuwigh schou- 
burgh" zou zijn, maar wat door tegenwerking slechts kort 
mocht bestaan. Hij deelde dat mee in de voorrede van zijn 
treurspel Rosimunda, in 1650 „ghespeelt tot een afscheydt van 
de Lief-hebbers der Rijmerkonste binnen Brussel op het stadt- 
huys", nadat de antwoorden gelezen en bekroond waren, die 
door verschillende kamers waren gegeven op de door het 
„Mariencransken" uitgeschreven vraag: „Wat of beter is, Peys 
of Oorlog?" Of zijn in 1651 te Brussel gedrukt treurspel 
„Rosimunda" eene vertaling is van het gelijknamige Latijnsche 
treurspel van Van Zbvecote, weet ik niet: wèl is het bekend, 
dat dit stuk vertaald werd door Guilliam Caudron, die, althans 
in 1671, toen hij het „Leven der groote Catharina van Alexan- 
driën" bezong, factor was van de kamer der Catharinisten te 
Aalst. 



DB KAMBBS TB BBUSSBL. 265 

Brusselsch rederijker was ook Fbans Godin, een ijverig 
voorstander van het Nedeilandsch als landstaal, in wiens dicht- 
werk men voor het eerst het later zoo veel gebruikte woord 
„franskiljon" aantreft om den verfranschten Brabander aan te 
duiden. Hij schreef, behalve een paar uitvoerige stichtelijke 
dichtwerken, twee allegorische tooneelstukken als uiting zijner 
vreugde over het mislukken der pogingen van Lodewijk XIV 
om den Beierschen keurvorst Ferdinand tot keizer van 
Duitschland te doen benoemen in plaats van Leopold I, die 
na den dood zijns vaders in 1657 daarop de meeste aanspra- 
ken had. In het eene stuk, „De Krooningh des Keysers", liet 
de dichter aan „een bancket, toe-ghericht door den Godt 
Apollo", dichters van verschillende natiën, een Franschman, 
een Engelschman, een Zweed, een Beier, een Spanjaard en 
een Hongaar, optreden om hunne meening over de keizers- 
keus te zeggen. 

De inhoud van het tweede spel is volledig vervat in den 
langen titel: „Nieuw Treur-spel ende vertoogh, hoe dat Luci- 
fers ghesanten door verscheyde middelen van practijck ende 
kracht de Verkiesinghe des nieuwen Keysers hebben willen 
beletten, in 't faveur van hun creaturen, doch te vergheefs. 
Met een tusschen-klachte van de teghenwoordighe lijdende 
Kercke over den onchristelijcken bloedighen Oorloghe der 
Fransoysen, die de ongheloovighe verkeerde Engelen in *t gant- 
sche Christendom soecken te planten. Dienende tot een af- 
keeringhe des Gheloofs van Jooden, Turcken, Heydenen ende 
van alle de nieuwe bijghelooven". Terloops zij hier even opge- 
merkt, dat ook VoNDBL, wiens treurspel „Lucifer'^ door Godin 
blijkbaar gekend is, en die een vreugdezang aanhief „Op het 
kroonen van Leopoldus", evenals Godin van die keizerskeus 
den voor de Zuidelijke Nederlanden zoo hartelijk gewenschten 
vrede tusschen Spanje en Frankrijk (in 1659 ook werkelijk 
gesloten), en bovendien een krachtiger optreden tegen de het 
Christenrijk bedreigende Turken verwachtte. 

Op de puinhoopen van de oude Brusselsche kamer „Het 
Boeck" werd in 1657 eene nieuwe kamer, „De Wijngaerd", ge- 
sticht, die in 1857 haar tweede eeuwfeest mocht vieren. 

Meer dan de Brusselsche kamers trok de Mechelsche kamer 
„De Peoene" de aandacht. Op het eind van de IQ^e eeuw was zij 



266 KAMER EN REFEREINFEEST TE MECHELEN. 

deerlijk in verval geraakt; in 1591 had zij een eigen huis, 
dat zij aan de Groote Markt bezat, moeten verkoopen, zooals 
de kamer van Neckerspoel te Mechelen, „Het boonbloemken", 
reeds in 1586 had moeten doen; maar terwijl deze zich niet 
weer herstelde, kwam „De Peoene" weer voor korten tijd tot 
betrekkelijken bloei. 

Na in 1612 van een paar Antwerpsche gildebroeders een 
nieuw blazoen ontvangen te hebben, wist zij, evenals vóór 
haar „Het Kersouwken" te Leuven (dat o. a. in 1627 op de 
kermis vertooningen gaf) en de Brusselsche en Antwerpsche 
kamers, in 1617, onder haar overhoofdman Ridder Joost van 
der Hoeve, oudburgemeester van Mechelen, verlof te krijgen 
„d'ériger de nouveau la dite confrérie et de faire les exercices 
que de toute ancienneté et devant ces troubles Ton est 
accoutumé de faire", wel te verstaan natuurlijk op voorwaarde, 
dat zij niets zou uitgeven of vertoonen, wat niet vooraf door 
den censor was goedgekeurd. 

In 1620 bekrachtigden Schepenen en Raad van Mechelen 
hare „ordonnantie", en nog in hetzelfde jaar beriep zij een 
refereinfeest, het eenige in de Zuidelijke Nederlanden, dat in de 
17de eeuw de aandacht trok, ook in het Noorden, want van 
daaruit namen niet minder dan zes kamers aan den wedstrijd 
deel: vooreerst de Brabantsche kamer „De Oraengie-lely" van 
Leiden en de Brabantsche kamer „De witte Angieren" van 
Haarlem, maar van diezelfde plaats ook „De Wyngaert- 
rancken", van Gouda „De Goudsbloem", van Goes „De Nar- 
dusbloem" en van Haastrecht „De Balsembloem". Uit het 
toen nog grootendeels Spaansche Noord-Brabant verschenen 
verder twee kainers uit 's Hertogenbosch, „De Jonge Vreuchden- 
bloem" van Bergen-op-Zoom en „De Vlasbloem" van Hel- 
mont. Drie kamers kwamen op uit Brussel en drie uit Ant- 
werpen en verder waren ook Halle, Assche, Vilvorden, Aar- 
schot, Diest, Lier, Geel, Mol, Arensdonck, Turnhout en uit 
Vlaanderen Brugge ieder met eene kamer vertegenwoordigd. 

Behalve andere prijzen werden er ook uitgeloofd voor het 
beste blazoendicht, het referein, „den cloecsten reghel" en „'t 
beste liedeken". Voor ouden of nieuwen dichttrant toonde 
men geene voorkeur: ieder mocht naar believen „oude moeders- 
tael en Fransche maet" volgen of „naer d'oude stijlen doen", 



KAMER BN RBFBRBINFBBST TB MBCHKLBN. 267 

zeide de facteur Hbndrice Fayd'herbe in zijne kaart. Deze 
maakte ook een „Esbatement van vier personagiën'' om er 
het feest mee te besluiten, terwijl „De Peoene** bovendien nog 
een ander spel speelde, namelijk het treurspel „Porphyre en 
Cyprine'', door den deken der kamer, Jan Thibullibr, gemaakt. 

Het Mechelsche refereinfeest is het eenige in de Zuidelijke 
Nederlanden, waarvan de vruchten ook in druk verschenen, 
en wel onder den titel „De Schadt-kiste der philoiophen en- 
de poëten", een vrij kostbaar werk met afbeeldingen van 
blazoenen, dat natuurlijk vooraf door den censor nauwkeurig 
was nagezien, met dit gevolg, dat deze geraden vond bij som- 
mige gedichten „de auteuren (in margine geciteert) uut den 
druck te laeten ende oock eenighe woorden in de binnewerc- 
ken te veranderen, sonder de regelen van silaben te vercor- 
ten ofte verlenghen". Vooral hinderde het hem, dat zoo „veele 
in henne wercken de Philosophen boven de Christene leeraers 
verkosen", terwijl toch die heidensche schrijvers, zooals de 
Peoenisten het den censor wel moesten nazeggen, alleen mochten 
worden aangehaald in zooverre zij niet „contrarie syn ons waer- 
achtigh Catholyck ende Rooms geloove", daar „de reste van 
henne dolinghen onprofijtelyck" en dus van geener waarde moest 
geacht worden. Men ziet, de censor van het Mechelsche aarts- 
bisdom staat met zijne schapen tegenover de classieke wereld 
zelfs nog in de IT^e eeuw op het zuiver middeleeuwsch stand- 
punt, alsof er nooit eene Renaissance geweest was. 

Onder het herderUjk toezicht van den aartsbisschop zette de 
Mechelsche Peoene nog vele jaren hare rhetoricale werkzaam- 
heid voort, al valt er ook weinig van te vermelden. Na Fayd' 
HERBE, sedert 1634, treffen wij er Pebter Willemans als 
facteur aan, die 11 Sept. 1675 overleed en misschien de dich- 
ter was van een „Spel van Sofonisba", dat in 1635 bij gelegen- 
heid van de kermis vertoond werd. In elk geval mocht de 
kamer zich onder zijn bestuur in de gunst der Regeering ver- 
heugen, want terwijl zij eerst in het Moriaenshoofd eene ver- 
gaderzaal had moeten huren, die bij een bezoek van rederijkers 
uit Diest in 1637 veel te klein bleek, werd haar in 1639 door 
de Stedelijke Regeering vergund, eene „camer op het oud 
Palleys (of Schepenhuis) te gebruycken metten soldere ende 
andere plaetsen, sonder daervore aen de stadt eenighe huer 



268 „DB olyftack" tb antwbrpbn. 

te moeten betaelen"; en feestelijk werd toen ook de groote 
benedenzaal van dat gebouw als nieuwe kamer met eene too- 
neelvoorstelling ingewijd. 

Ook te Antwerpen waren sedert het Bestand de rederijkers- 
kamers weer hersteld, en wel ten getale van vier. „'tLelyken 
van Calvarien'' gaf in 1610 teeken van nieuw leven door het 
uitschrijven van eene prijsvraag, en „De Olyftack" in 1613 
door mede op te trekken naar de wedstrijden te Amsterdam 
en te Haarlem en door in 1616 aan //Den groeyenden boom" te 
Lier de kaart van een maandelij ksch refereinfeest toe te zenden. 

De schilder Guiliam van Nieuwelandt, die in 1615ouder- 
man van de kamer was geworden, deed door haar in 1617 
zijne treurspelen „Livia'* en „SauP' vertoonen, en in 1618 
zijne tragedie „Claudius Domitius Nero". Voor die laatste ver- 
tooning verzocht de Olyftack aan de Stedelijke Regeering, 
weder gebruik te mogen maken van de „groote camer ofte 
statencamer op den stadtshuyse gelyck sy tanderen tyde die 
hebben gebruyckt", en zij verzocht er bij, dat daar „tot deser 
stadts coste een tooneel ofte stellagie" gemaakt en met tapijten, 
enz. behangen zou worden. 

In 1618 stelde zij ook een nieuw reglement op, en in 1620 
nam zij onder haar factor, den kleerenmaker Joan Yzermans, 
aan het refereinfeest te Mechelen deel, waar ook Guiliam 
VAN Nieuwelandt en Joannes van den Bosch als hare leden 
hunne gedichten ten beste gaven; maar reeds in 1624 had 
zij te klagen dat zij door andere gilden werd tegengewerkt, 
„zoodaniglijck dat er vele eenen grouwel van Rhetorica 
krijgen ende de kamer verlaten sonder hunne doodschuld te 
betalen.'* Mogelijk hangt daarmee samen, dat Yzermans, die 
vooral de kamer van verschillende spelen voorzien had en 
reeds in 1618 door haar daarvoor met eene gouden medaille 
met ketting vereerd was, er ook, nog vóór 1628, een spel 
„Brabantia over den desolaten staet van Antwerpen" deed 
vertoonen. Op Pinksteren van het jaar 1629 daarentegen had 
hij weder lust „Den Lof van Poësis" op het tooneel der kamer 
speelwijs uit te beelden, en in 1631 liet hij er ifReinaert de 
Vos of der Dieren oordeel" speelwijs vertoonen; 

In hetzelfde jaar werd door de „brave Retrosijns" van Ant- 
werpen een batement gespeeld tot beschimping van Frederik 



„DE OLYPTACK" tb ANTWERPEN. 269 

Hendrik, die in de lente van 1631 een aanval op Duinkerke 
had beraamd, maar, toen de Spaansolie veldheer, de markies 
De Santa Croce, op zijne hoede bleek te zijn, zijne troepen 
weer had doen terugtrekken. Nu werd „f Antwerpen op 't 
tonneel 's Prinsen beelt gedragen, gelijk een dode man verwon- 
nen of verslagen"; een dokter kwam op om het lijk te ont- 
leden: overal werd naar het hart gezocht, maar te vergeefs: 
't was nergens te vinden, totdat men eindelijk ook het onderste 
gedeelte van het lichaam onderzocht, en zoo waar, daar werd 
het hart „recht achter in de hier* gevonden : het was den Prins 
in de schoenen gezakt 

Evenmin als andere schimpdichten op den Prins bleef 
ook dit spel in de Noordelijke Nederlanden onopgemerkt, 
en toen kort daarop de vloot van Graaf Jan van Nassau 
op het Slaak eene schandelijke nederlaag had geleden, 
moesten de Antwerpenaars met hun „Jan de Mossel-vanger", 
zooals Graaf Jan spottend genoemd werd, op hunne beurt 
den spot verdragen, hun tegenklinkend uit het „Verkeer- 
speP', een vermakelijk gedicht van den reeds door ons 
besproken Deventer dichter Jan van der Veen, die daarin 
het Brabantsch vol bastaardwoorden aardig wist te paro- 
diëeren. De Antwerpenaars deden er echter het zwijgen niet 
toe: Geerabrdt van den Brande, Fran^ois Bruynincx, 
Verstocken en nog iwee anderen, die verscholen zijn achter 
de spreuken „Ik leef door de Doot" en „E vero salus", 
kaatsten telkens weer, tot in 1632 toe, den bal terug, en zoo 
ontstond er een waar „Kaats-speP', zooals Van der Veen 
het noemde, en een „Weder-botten", zooals het heet op den 
titel van een dichtbundeltje zijner vijf Antwerpsche tegen- 
standers. Als welgeslaagde proeve eener rijmschermutseling 
der Zuid- en Noordzij van Leeuwendaal verdienen deze, ook 
achter Van der Vbbn's „Zinne-beelden oft Adams appel" af- 
gedrukte, schimpdichtjes hier in herinnering gebracht te worden. 

In 1639 stelden de dichters Joan Jansens (waarschijnlijk 
dezelfde als Joan Yzermans), die, zooals het heet, ook op hoo- 
gen leeftijd „in de conste niet en verkoude, maer noch het 
hooft daervan was", en Van den Bosch, de prins der kamer, 
door hun invloed den jongen Güilliam Ogibr, die pas lid 
van de kamer was, in de gelegenheid, daar zijn eerste too- 



270 „DE OLYPTACK" en „de VIOLIERE" tb ANTWERPEN. 

neelstuk, „De Gulsigheydt", te doen vertoonen, dat aanvanke- 
lijk door de leden verworpen was, omdat het in knippel verzen 
geschreven was en dus „gheene maet hadde naer den retho- 
rycken RegheF'. 

In 1641 werden er van Geeraebdt van den Brande, den 
levensbeschrijver van Joannes van den Bosch, enkele stuk- 
ken vertoond, maar in 1643 werd haar „het jaerlycx pen- 
sioen" door de stad niet meer uitbetaald, en een jaar later 
wordt gezegd, „hoe dat niettegenstaende alle debvoiren, die 
geschiedt zijn tot restauratie derselve camer, deselve geheel 
ende al vergaen soude, soo er geene andere middelen ge- 
bruyckt en worden tot desselfs onderhoudinghe." Die andere 
middelen schijnen hierin bestaan te hebben, dat zij in 1660 
met „De Violiere" vereenigd werd, ofschoon zij blijkbaar ook 
daarna onder haar eigen naam en als zelfstandige tooneelaf- 
deeling van „De Violiere*' of het St. Lucasgild verschillende 
vertooningen heeft gegeven. 

„De Violiere" zelf beleefde trouwens ook maar een korten 
tijd van opbloei. In het begin der 17de eeuw was de bekende 
schilder Sebastiaen Vrancx, die in 1612 als deken van het 
St. Lucasgild voorkomt, haar factor en blijkbaar een zeer 
ijverig factor, daar er verscheidene tragicomedies, pastorales 
en comedies of kluchten in handschrift van hem bewaard 
zijn. Had men in zijn geest kunnen voortwerken, dan zou 
Antwerpen misschien op den duur met Amsterdam in de 
poëzie hebben kunnen wedijveren; nu dat niet gebeurde, 
moest Antwerpen in de kunst zich al evenzeer door Amster- 
dam laten overvleugelen, als in den handel. Toch deden de 
Violieren aanvankelijk hun best, ook door in 1613 naar Am- 
sterdam op te trekken en daar aan den wedstrijd van* 't Wit 
Lavendel deel te nemen. In 1619 had de kamer; ook bUjkens 
de ordonnantie van dat jaar, het zoover gebracht, dat al 
hare oude privilegiën opnieuw bevestigd werden, waarvan 
zij nog in hetzelfde jaar gebruik maakte om een refereinfeest 
te beroepen. 

Het volgende jaar behaalde zij op het refereinfeest te 
Mechelen verscheidene prijzen. Dichters onder hare leden 
waren toen Ghelbynsen van Schelle, de schilder Alexander 
VAN Fornenberch, die zich deed kennen als een groot be- 



» 



DB VIOLIERk" tb ANTWERPEN. 271 



wonderaar van Quinten Matsijs, den „Antwerpschen Protheus 
of Gyclopschen Apelles", zooals hij hem noemde, en die ook 
in verzen het 200-jarig jubilé der Antwerpsche aalmoezeniers 
in 1658 bezong, en, als derde, de Gentenaar Johannbs 
GoossBNS, die een dichtwerk, „Triumphe van den H. Joseph, 
bruideghom van Maria, voesterheer van Jesus*', ter eere 
van de broederschap van St. Jozef, verbonden aan de St.- 
Kerstkerk te Antwerpen, uitgaf. Iets later leverde Guiliam 
VAN NiEUWBLANDT a£^n „De Violiere" zijne stukken, o.a. in 
1628 zijne tragedie „Salomon" en reeds vroeger, in 1624, 
zijne „Aegyptica ofte Aegyptische tragoedie van M. Anthonius 
en Cleopatra", die ook in 1635 ter eere van den Hertog van 
Croy door de Violieren werd vertoond. 

In hetzelfde jaar werd te Antwerpen met buitengewone 
praal, waaraan bij de tachtig duizend gulden te koste gelegd 
was, de bUjde inkomst van den Prins-Cardinaal Ferdinand van 
Oostenrijk als Spaansch landvoogd gevierd. Aan niemand 
minder dan Rubens was het opgedragen, de stad te versieren 
met eerepoorten, beeldengalerijen en tafereelen, en ook met 
vier theaters, waarop toen werd gespeeld, het een al prachti- 
ger en kunstvoller dan het andere. De Violieren* gaven toen 
's morgens op een der door Rubens ontworpen speelhuizen 
eene vertooning op de Groote Markt, en voerden 's avonds in 
de abdij van St. Michiel ten aanschouwen van den nieuwen 
landvoogd en zijn geheele hof de „Tragedie van Pei-seus en 
Andromeda" ten tooneele, die misschien eene vertaling was 
van Galderon's „Fortunas de Andromeda y Perseo". Van de 
kunstwerken, door twintig schilders en zes beeldhouwers 
onder Rubens' leiding naar zijne ontwerpen voor deze ge- 
legenheid gemaakt, is ons slechts een klein gedeelte bewaard 
gebleven, maar van de grootschheid er van kunnen wij toch 
een algemeenen indruk krijgen door de veertig kopergravu- 
res van Rubens' leerling Theodóor van Thulden in 1641 — 42 
met uitvoerigen tekst van Gevaerts in het licht gezonden. 

Destijds (nameUjk van 1635 tot 1638) schreef ook Jonkheer 
Frederico Cornelio de Conincq voor de kamer verscheidene 
stukken. In 1636 bracht zij op haar jaarlijkschen feestdag (18 
üctober) de „Timon Misanthropos", door den priester en schilder 
Pebtbb Mbulewels vertaald, ten tooneele, en in 1645 van 



272 „DR VIOLIERE" te ANTWERPEN. 

denzelfden bet vaderlandsch tooneelstuk „De Reuze Dragon 
ende Brabon ofte Oudtbeyt van Antwerpen". In dien tijd was 
het voor de kamer eene groote aanwinst, dat de gevierde 
blijspeldicbter Guiliam Ogier de „Olyftack" in den steek liet 
en van 1644 tot 1647 voor „de Violiere*' vier nieuwe spelen 
maakte, waarop, na lang stilzwijgen, van bem tusscben 1677 
en 1680 nog drie andere volgden, op den jaarlijkscben feest- 
dag der kamer gespeeld. 

Tocb werd reeds in 1643 beweerd, dat „De Violiere" ofbet 
schildersgilde eigenlijk geene echte rederijkerskamer meer was, 
maar „mits de menigte van ambagten ende natiën, die daer 
onder scbuylden, meer voor een ambacbt was te reputeren als 
voor eene camer van rhetorica". Vandaar misschien dat in 
1660 „De Olyftack" met haar vereenigd werd, om in baarde 
dichtkunst te vertegenwoordigen, terwijl zij zelve zich door 
Koning Philips IV tot eene schildersacademie als die van Rome 
en Parijs wist te doen verheffen. Dat gebeurde 6 Juli 1663 
vooral door toedoen van haar deken, den invloedrijken hof- 
schilder David Teniers. Ook verliet zij toen hare vroegere 
vergaderplf^ftts op de Groote Markt, na van de Stedelijke 
Regeering verlof te hebben verkregen om boven de Beurs te 
vergaderen, waar spoedig de groote Schilderskamer, zooals 
hare vergaderzaal genoemd werd, met zolderschilderingen van 
Jacob Jordaens en Theodoor Boeyermans werd versierd ter 
eere van „Ars Picturae" en van „ Antverpia pictorum nutrix'^ 
(nu in het Antwerpsch museum\ terwijl Artus Quellinus er 
een borstbeeld van den toenmaligen landvoogd, den markies 
De Caracena, aan schonk. 

Het verlof om boven de Beurs te vergaderen kon haar te 
eer verleend worden, omdat reeds in 1637 geklaagd was, dat 
„de koophandel niet ging ende den pant boven de borse 
ledig stond", en sinds dien tijd was het er met den handel 
niet beter op geworden. De stad Antwerpen, die in 1568 meer 
dan honderdduizend inwoners had, telde er in 1648 nog maar 
vijfenzeventig duizend, en niet alleen omdat in 1585 zoovele 
Protestanten uit hare muren getrokken waren, maar ook 
omdat er nog zoovelen voortdurend dat voorbeeld bleven 
volgen. In 1616 toch verklaarde de bisschop van Antwer- 
pen, dat in den laatsten tijd ongeveer tweehonderd ge- 



DE VIOLIKRE" en ,DE GOUDBLOEM'* te ANTWERPEN. 273 



„M^MM « XN^UA«.UB> MM^^ J, 



zinnen Antwerpen metterwoon hadden verlaten, waartoe 
weliswaar ook ketters behoorden, maar die toch voor het 
meerendeel goede katholieken waren, alleen uit winstbe- 
jag naar de Vereenigde Gewesten verhuisd, omdat in het 
Zuiden niets meer te verdienen viel. Een tijd lang was de 
schilderkunst nog het eenige, wat in Antwerpen bloeide, en 
de nu tot Academie verheven „ Violiere'* hield haar voornamelijk 
in eere, ofschoon niet ontveinsd kan worden, dat de meeste 
harer leden voor en na groote liefhebbers van kannen en 
schotels waren en hare jaarboeken, en vooral hare kasboeken, 
allermeest van vi'oolijke en overdadige braspartijen gewagen. 
Hoe slecht het met Antwerpens welvaart destijds ook ge- 
schapen mocht staan, d&drvoor schijnt altijd nog wel geld 
beschikbaar geweest te zijn. 

Toch werden er ook nog wel vertooningen gegeven, bepaal- 
deUjk op 18 October, zooals in 1677 eene allegorie „Ontwaeckte 
Poësie" en in 1678 een blijspel „Osmin en Darasia'' van den 
toenmaligen deken Jozef Lamoblet, die niet lang daarna 
overleden schijnt te zijn, zoodat in 1680 en 1682 de gebroe- 
ders Balthasab en Cornelis Wils, boekbinders van beroep, 
zijne plaats als tooneel dichters innamen. 

Reeds veel vroeger had een vermoedelijk bloedverwant van 
hen, Adriaen Wils, zich te Antwerpen naam gemaakt als 
dichter. Hij was factor der kamer „De Goudbloem^' en schijnt 
de acht tafelspeelkens en battementspelen, die er in handschrift 
van hem bestaan, op omstreeks dertigjarigen leeftijd in 1599 
en 1600 geschreven te hebben, toen de kamer dus op non- 
actief gesteld was. Verder hebben wij ook nog vrij wat andere 
gedichten van hem over, o.a. eenige amoureuse liedekens en 
een groot aantal, meest stichtelijke, refereinen. Toen „De 
Goudbloem" in 1620 op het Mechelsche refereinfeest verschei- 
dene prijzen won, was hij blijkbaar haar factor niet meer, 
want hij verscheen daar als „particulier van Antwerpen" met 
een referein en een liedeken. 

Van 1680 dagteekent een nieuw reglement der kamer, die 
toen, en verscheidene jaren later, gewoon was, „na den feest- 
dag van .0. L. V. Geboorte in September eene vertooning te 
geven". Aan de reeds vermelde schitterende feestvertooningen 
van 1635 nam zij ook een werkzaam aandeel, wat haar wel 

II 18 



274 „DB QOüDBLOEM" te ANTWERPEN. 

op 500 gulden te staan kwam. In 1636 was een der Antwerp- 
sche burgemeesters hoofdman der kamer, blijkens de opdracht 
van het langdradige en bombastische „Treurspel der deughde- 
lijcke Carite en onger egelden Trasillus" door den dichter Jan 
Strijpen den Jongen. 

Toch schijnt zij bij de Stedelijke Regeering niet in de gunst 
te hebben gestaan. Immers toen zij in 1643 beweerde te Ant- 
werpen de eenige kamer te wezen, „waerdeaenghenameconste 
van rhetorica ende poësie onderhouden en geëxcerceert werd, 
houdende te dien eynde eenen seer experten facteur ofte poëte, 
met gagie van 40 gulden sjaers", op welken grond zij van de 
Stedelijke Regeering vrijdom van accijnsen voor eene zekere 
hoeveelheid bier en wijn en eene verhooging van pensioen tot 
36 gulden 's jaars vroeg, v^erkreeg zij niet meer dan dien vrij- 
dom en 24 gulden toelage gedurende acht jaar. 

Gekbabrdt van den Brandb, die vroeger lid van „De 
Olyftack" geweest was, was toen haar facteur. In 1649 werd 
van hem „La Gitanilla, ghenaemt het' Spaens heidinneken" 
vertoond, waarin de aantrekkelijke stof van Cervantes' bekende 
novelle gedramatiseerd was, maar niet lang daarna (althans 
vóór 1653) moet hij overleden zijn. In 1654 voegde de kamer 
nog een tweede deel bij het reeds vroeger door haar uitgegeven 
nieuw Antwerpsch liedboekje, genaamd „Den Lusthof der 
Jonckheydt'*. Onder de dichters, die daaraan liedjes leverden 
en dus waarschijnlijk ook wel leden der kamer waren, trefifen 
wij J. Spierincx en Jacqubs Clouwens aan, maar uit later 
tijd is mij van de kamer niets meer bekend. 

Te Lier trad in 1614 de kamer „De groeyende boom" weer 
als van ouds op met een spel ter eere van haar patroon St. 
Gommaer en ook met een „Spel van Ferdinandus", en enkele 
jaren later wedijverde zij in het referein met de Antwei-psche 
kamers, maar daarna vernemen wij eerst weer in 1659 iets 
van haar, als de Liersche notaris Gornelis de Bib door haar 
zijne tragicomedie „Alphonsus en Thebasile" en zijne klucht 
„Van den verdraeyden advocaet" laat vertoonen. Van dien 
tijd af tot in het begin van de 18de eeuw toe heeft De Bib 
talrijke tooneelstukken voor deze kamer geschreven, terwijl 
enkele van hem ook vertoond werden door „eenige vrije lief- 
hebbers^' en door „de Ongheleerden" of de leden der kamer 



DK KAMBBS TE LIER, HALLE, THIENEN EN DIEST. 275 

„Het Jenettebloemken", die wij in 1620 op het Mechelsche 
refereinfeest aantreffen. 

Als prins van die kamer kennen wij in 1611 den toen reeds 
hoogbejaarden Bartelmeus Boecx, die in den geuzentijd mede 
tot de vervolgden om het geloof schijnt behoord te hebben, 
blijkens een handschrift met gevoelvolle en welluidende liederen, 
dat wij van hem bezitten, maar die er het leven afbracht en 
later vermoedelijk weer in den schoot der Kerk is terugge- 
keerd, omdat hij andera wel niet den titel van Prins van de 
kamer „De Ongheleerden" had mogen voeren in een klaaglied 
over de zonden der menschen, die om het door hen bedreven 
kwaad, zooals hij meende, in 1611 met hevige vorst en bitteren 
hongersnood werden gestraft. 

Wat later had ook deze kamer tot haar hoofddichter of 
„hooftprince" een notaris, die reeds in 1636 de geschiedenis 
van „Dido ende Hyarba" voor haar tot een treurspel bewerkte, 
het volgende jaar die van „Jephte ende sijn dochter" en zoo 
nog vele andere classieke en bijbelsche onderwerpen voor haar 
dramatiseerde, het laatst in 1688, nameUjk Joris Frans Xaveer 
Berckmans, heere van den Laethove van der Borcht, eerst 
rentmeester en overdeken der lakenhal, later raad, en in 1669 
ook schepen, van Lier, waar hij 7 Juni 1694 overleed. 

Te Halle waren Anthoen Huaert, Mbrtbn van Wichelen 
en Van der Zee leden der kamer „De Ongeachten", toen deze 
in 1620 aan het refereinfeest te Mechelen deelnam. Drie jaar 
later stond het stadsbestuur haar eene kleine tegemoetkoming 
toe voor het schilderwerk bij hare vertooningen; in 1630 
vinden wij haar vriendschappelijk samenwerkend met de leer- 
lingen der Jezuïeten, en zoo worden er nog enkele andere 
voorstellingen van haar vermeld, o. a. in 1665 eene Passie- 
vertooning, die luisterrijker dan gewoonlijk was, maar na 1675 
wordt niets meer van haar vernomen. 

Te Thienen was de kamer „De Fonteyne" herrezen en telde 
in 1648 zelfs 141 leden. Te Diest werd de kamer „De Lelie" 
in 1602 voor een oogenblik wakker geschud, toen bij de in- 
huldiging van Philips Willem van Oranje als heer van Diest 
vertooningen moesten gegeven worden, die vervaardigd werden 
door LoDEWiJK VAN DEN Berghe. Met dien dichter trad de 
kamer op het eind van 1614 voor drie jaar „opnieu liefflyck 



276 DB KAMERS TB D1B8T, HASSELT EN TONGEREN. 

ende vriendelyck in accoort om te aenvaerden het factoors 
ambt", wat hem de verplichting oplegde , de componisten ofte 
liefhebbers der camer hunne refereynen, ageringhen of eenige 
andere dichten te oversien, jaerlix een spel van sinne, cluchte 
oft present oft andere ageringhe" te leveren en verder alle 
stukken, „'t sy die gespeelt souden worden op strate, stathujs 
oft elders, naer gelegenheyt te besorghen en te roleren". Daar- 
voor kreeg hij twaalf Rijnsche goudguldens 'sjaars en «alle 
maeltyen, colfdagen en wanneer hij compareert sijn vry gelach". 
Zijne kunst heeft hij reeds terstond het volgende jaar kunnen 
toonen, toen „De Lelie'' door de Catharinisten te s-Hertogen- 
bosch tot een wedstrijd werd uitgenoodigd. Nog tot minstens 
1660 vertoonde „De Lelie" hare stukken in de kermisweek 
vóór het stadhuis, evenals ook de kamer „De Christus oogen", 
waarvan wij verder weten, dat zij in 1620 aan het referein- 
feest te Mechelen deelnam. 

Te Hasselt in Limburg was „De roode Roos" in 1611 her- 
leefd, en minstens tot 1670 vertoonde zij, meestal op kermi»- 
maandag, hare stukken, waarvan wij er tien in handschrift 
overhebben, alle waarschijnlijk in Limburg zelf vóór 1615 
gedicht, geheel in den ouden rederijkerstrant, met comische 
tusschenspelen te midden van den vervelendsten en langdra- 
digsten ernst. Het zijn twee sinnespelen, een gelijkenisspel en 
zeven oudtestamentische stukken. Later schijnt men er ook 
nieuwerwetscher stukken te hebben leeren kennen : ten minste, 
wij zullen wel het bekende treurspel van Jan Vos mogen zien 
in den „litus en Aran", waar de kamer in 1685 mee beloofd 
had te Loos om den prijs te zullen dingen met de kamer „De 
witte Lelie" van Tongeren. Die wedstrijd echter liep op on- 
eenigheid uit, want de Hasseltsche kamer bleef op den bepaal- 
den dag weg en „De witte Lelie" alleen vertoonde toen dat 
stuk op de markt van het dorpje. 



XLL 

De wereldlijke dichters In Zuid-Nederland. 

In de rederijkerskamers was het, dat de wat meer wereldsche 
poëzie in Zuid-Nederland beoefening vond, al bleef ze daar 



KLUCHT VAN HBNDRICK FAYD'hBRBB. 277 

• 

ook al zeer laag bij den grond. Toch zijn er eenige van hare 
beoefenaars, over welke wij wat meer in bijzonderheden 
moeten treden. 

Van het wereldlijk tooneeldicht was de klucht van ouds het 
meest geliefd, en aan zulke spelen ontbreekt het dan ook niet, 
al is er maar weinig bij, wat zelfs met de middelmatige 
kluchten van de Amsterdamsche poëten kan wedijveren. Dat 
de Antwerpsche schilder Sebastxabn Vbancx er in het begin 
van de 17<iö eeuw verscheidene maakte, hebben wij reeds ge- 
zien. Ook noemden wij reeds het „Esbatement van vier personen", 
dat de facteur der Mechelsche kamer, de beeldhouwer Hen- 
DRicK Payd'hbrbb (geb. 1574 f 1629), maakte om er in 1620 
het door zijne kamer uitgeschreven refereinfeest mee te be- 
sluiten. In kreupele alexandrijnen geeft daarin Droncken Claes 
EJjn spijt te kennen, dat hij zich door zijn compeer Heyn tot 
spelen heeft laten verlokken en niet alleen al zijn geld, maar 
ook zijn vrouws mantel aan hem verspeeld heeft. Als hij bij 
felle Griet, zijne vrouw, te huis komt, wordt hij natuurlijk 
niet vriendelijk ontvangen, en wanneer hij dan bovendien 
nog „den sot met haer scheert", roept zij woedend uit, dat 
zij liever, dan nog verder met hem te leven, zich van kant 
wil maken of zich „met levende lijf den duyvel overgeven". 
Kort daarop komt Heyn haar het gewonnen geld en den 
mantel terugbrengen om hare liefde te winnen, en wanneer 
hij haar nog bovendien twintig kronen belooft, toont zij zich 
bereid hem ter wille te zijn, indien zij er slechts in kunnen 
slagen, Droncken Claes te bedriegen; en dat is zeer goed 
mogelijk, want ze heeft gezegd, dat zij zich aan den duivel 
wil overgeven, en als Heyn zich nu maar als duivel verkleedt 
Bn haar zóó van haars mans zijde komt weghalen, is de zaak 
gezond. Dat listige plan wordt ook uitgevoerd, maar wanneer 
»riet met den gewaanden duivel verdwenen is, krijgt Claes 
toch argwaan, en hij begeeft zich naar Mr. Steven, „een 
Brvaren man, die alle toovery en zwarte consten can", om diens 
hulp in te roepen. Deze wendt nu al zijne bezweringskunsten 
&an, waarbij Claes hem de onmogelijkste woorden moet na- 
seggen, en, alsof Heyn niet een gewaande, maar een echte 
iuivel ware, komt hij inderdaad te voorschijn en wordt dan 
ontmaskerd en naar verdienste afgeranseld. 



278 JAN BBLLET EN GUILIAM OOIBR. 

Onder de vele stukken, die Jan Bellet als facteur van de 
Ypersche kamer der Rosieren tussclien 1620 en 1640 liet ver- 
toonen, waren ook verscheidene kluchten, zooals die van 
„Francasso en Florette" en van „Monsieur Lappe en Joflfrouw 
Warmoes". Deze Ypersche boekdrukker, die waarschijnlijk te 
St. Omaars geboren was vóór zijn vader vandaar naar Yperen 
verhuisde, zong in 1625 ook „den lof der stede Belle ende 
haerder casselrye" en toonde zich daarbij een ijverig voor- 
stander van zijne moedertaal, die, zooals hij zegt, „ontleende 
schuym niet hoeft", omdat zij „soo overvloedlij ck in haer 
schatten beluyckt al wat de reden kan bevatten in de nature*'. 
„Redent in gheen vremde talen!" is zijne vermaning. 

Deze leer is misschien wel het best in practijk gebracht 
door GuiLLAM Ogier, bij wiens tooneelstukken, gemaakt, zoo- 
als wij reeds zagen, voor de Antwerpsche kamers, wij wat 
langer moeten stilstaan, omdat zij tot het beste behooren wat 
de Zuidnederlandsche tooneellitteratuur in de 17de eeuw 
opleverde. Ook in de Noordelijke Nederlanden kwamen zij in 
eere, daar men er den geest van Bredero in herkende, wiens 
kluchten en blijspelen ongetwijfeld ook door Ogieb bestudeerd 
en hier en daar nagevolgd zijn. Het duidelijkst komt dat uit 
bij zijne tweede klucht, „De Hooveerdigheydt" van 1644, 
waarin de „vermeynde joncker Francisco" veel gelijkenis ver- 
toont met Bredero's Jerolimo, en diens knecht Joos met 
Bredero's Robbeknol. Zelfs de taal, die in het stuk gesproken 
wordt, is, ofschoon allesbehalve boekentaal, geen zuiver Ant- 
werpsch, maar sterk verhoUandscht. Overigens verschilt de 
inhoud van het spel te eenemale van hetgeen wij in den 
„Spaanschen Brabander" te- zien krijgen. De berooide Francisco, 
bij al zijn bluffen een bespottelijke bloodaard, snoeft er op, 
dat hij door een rijk huwelijk wel spoedig weer in goeden 
doen zal geraken, maar eindigt met Beyken, de zwagerin van 
den baas der beerstekers, te trouwen, die een kind bij hem 
heeft, dat, te vondeling gelegd en door een verdienstelijk ge- 
teekenden goedhartigen boer gevonden, tot een paar komieke 
tooneeltjes aanleiding geeft, maar ten slotte door de moeder 
teruggenomen en door den vader erkend wordt. 

Eenige jaren vroeger had Ooieb zijn eerste, op zeventien- 
jarigen leeftijd door hem geschreven, stuk „De Gulsigheydt" 



QUILIAM OGIBR. 279 

aan de Antwerpsche kamer „De Olyftack" aangeboden en in 
1639, vier jaar nadat het gemaakt was, met moeite vertoond 
gekregen. Het is de klucht van eene oude vrouw, Jakemyn, 
getrouwd met Droncken Heyn, een jong man, die al haar 
goed verkwist, maar die beterschap belooft, als zij weer in 
levenden lijve tastbaar vóór hem staat, nadat hij korten tijd 
in den waan geweest was, dat hij haar plotselingen dood had 
veroorzaakt, en beiden (zijne vrouw zelve evengoed als hij) 
zich verbeeld hadden, dat zij na dien ge waanden dood als een 
geest rondspookte. 

Wie de dronkemanspraat in deze klucht niet al te aanstootelijk 
vond, zal haar zeker niet zonder lachen hebben kunnen zien. 
Van talent voor het comische getuigt het stuk in elk geval 
wel. Het is, evenals de andere stukken van den dichter, vol 
leven en treffend van werkeUjkheid en maakte dan ook 
grooten opgang. Ooieb sprak daarover nog op zijn ouden dag 
met welgevallen: hij vertelde zelf, dat „onse stadt noyt ver- 
saedt scheen in het sien en in het hooren" er van, zoodat 
het stuk meer dan honderd maal vertoond was geworden en 
meer dan veertig jaar in trek was gebleven. Dat anderen het 
evenwel eene „vuile klucht" hebben genoemd, is even be- 
grijpelijk, want niet alleen Wijntje is de heldin van het stuk, 
maar ook Trijntje, die er ook eene hoofdrol in speelt in de 
gedaante van een bedrogen meisje, dat haar best doet, hare 
schande door een huwelijk, onverschillig met wien, te bedek- 
ken. Om OoiEB*s spelen billijk te beoordeelen, moet men beden- 
ken, dat zijne iets oudere tijdgenooten, zoowel de joligeAdriaen 
Brouwer als de deftige hofschilder David Teniers, niet minder 
ruwe tooneeltjes op paneel brachten, dan hij op de planken. 

Zijn derde stuk, in 1645 vertoond, „De Gramschap", ook 
wel „De moetwillige bootsgezel" genoemd, reken ik, trots de 
ruwe schipperstaal die er in gesproken wordt, tot het beste 
wat Ogier heeft geschreven, al komt ook daarin, evenals in 
zijne andere stukken, een qui-pro-quo voor, dat gezocht van 
vinding en gebrekkig van uitwerking is. 

In 1646 volgde „De Onkuysheydt", zóó realistisch voorgesteld, 
in al hare leelijkheid en jammerlijke gevolgen, dat Ogier er 
met recht van mocht zeggen: „Gheen droever thoon als dit 
heeft treur-spel oyt gehadt". Het eindigt er dan ook mee, dat 



280 OUILIAM OGIBR. 

een oude lichtmis zijne eigene even gemeene bastaarddochter 
„den hals afsteekt" en dan bij zijne op die misdaad gevolgde 
vlucht in een „bornput" valt en verdrinkt, terwijl Petronel, 
eene andere jonge vrouw van even lichte zeden, in de kraam 
sterft, nadat zij te voren in een niet onverdienstelijk uitgevoerd 
tooneeltje door eene voorgewende poging om zich van het 
leven te berooven er in geslaagd was haar moeders toom te 
bezweren. In dit stuk heeft Ogier ons het vuilste en gemeenste 
noch gespaard, noch zelfs omsluierd: hij wilde een walg van 
de onkuischheid geven, en daar hij in zijn stuk „het ongesontste, 
gevarelyckste ende ten hooghsten het onsaligste, ende dit alles 
niet ten halven ghenoegh" heeft willen vertoonen, is hem dat 
ook volkomen gelukt. Hij wist, dat „de poëeten met de pen- 
nen vryer mogen leven" dan de zedeleeraars „op predicanten 
stoel", met wie hij overigens ééne lijn wilde trekken, en had 
de voldoening, dat zijn stuk „de kenners, soo Gheestelyck als 
Weirelyck, wel beviel". 

Ook zijn vijfde, ongetwijfeld veel aantrekkelijker, stuk „Den 
Haet en Nydt" (van 1647 1, waarin als bij uitzondering ook 
sympathieke personen, zooals bv. Lucas, de vlijtige, rijkge- 
worden schoenlapper, optreden, zou een blij-treur-eindend spel 
kunnen genoemd worden, al zal ook niemand licht een traan laten 
om den dood van nijdigen Teeuwen, waarmede het spel besluit. 

Daarop volgden dertig jaar, waarin de dichter het tooneel 
geheel verwaarloosde en, behalve dat hij zich aan zijn beroep, 
het onderwijs, wijdde, „meer verheven saecken", zooals hij zegt, 
„in rymery stelde op een vaste maet". Van hetgeen hij „meer 
verheven" noemt, schijnt ons echter niets overgeleverd te zijn; 
doch eindelijk wisten zijne vrienden de oude liefde weer bij 
hem op te wekken en voltooide hij de reeks der zeven hoofd- 
zonden door in 1677 ook nog „De Gierigheydt" en „De 
Traegheydt" speelsgewijze te behandelen. Deze beide stukken 
onderscheiden zich van de vorige, die met hunne maatlooze 
verzen de spreektaal van de heffe des volks voortreffelijk 
weergeven, door eene eenigszins gekuischter taal, in den vers- 
vorm van den alexandrijn gewrongen. De lezer mocht nu 
oordeelen, zeide hij, of het werk zijner oude jaren beter was 
dan dat van zijne jeugd, of dat het vuur zijner jonge jaren 
te veel was afgekoeld. 



GUILIAM BN BARBARA OGIER. 281 

Toen Ogibr zijn zevental had voltooid, wijdde hij het toe 
aan een zijner medeleden van de toen vereenigde Violiere 
en Olyftack, tweemaal deken van die kamer, den schilder 
Gonzales Coques of Cocx, die hetzelfde had gedaan met het 
penseel als hij met de pen, namelijk de zeven hoofdzonden 
af te 'beelden, en verklaarde hij in een kort gedichtje, dat 
/sconstenaei-s schilderkonste zijn dichten" had overtroffen. 

Eerst 22 Febr. 1689 is Ogibr te Antwerpen overleden, 
doch in zijne laatste twaalf levensjaren heeft hij nog maar 
ééne klucht geschreven, namelijk in 1680 „Belachelyck mis- 
verstant ofte Boere Geck". Een onnoozele dorpsdrost, die ieder 
jaar op kermis aan de boeren een vet varken moet schenken, 
— zoo is de korte inhoud — wenscht een jaar over te slaan en laat 
zich door Hans, een „Boere Geck", die hem beet wil hebben, 
raden te zeggen, dat het voor de boeren bestemde varken hem 
ontstolen is. Als hem nu inderdaad zijn varken, en wel door 
Hans zelf, ontstolen blijkt te zijn, is hij in de grootste ver- 
legenheid, daar de boeren hem niet gelooven en volstrekt een 
varken willen hebben om er maaltijd van te houden. Hans, 
die geen dief wil zijn, brengt ten slotte het varken terug, dat 
in levenden lijve ten tooneele verschijnt, maar met zwarte 
plekken beschilderd om ook bij de boeren de zaak voor een 
grap te kunnen doen doorgaan. Hij is tevreden, dat hij den 
drost voor zijne gierigheid wat geplaagd en aan de boeren 
toch het varken, waarop zij recht hadden, bezorgd heeft. Dat 
een van de boeren zijne vrouw een „varken" noemt, veroor- 
zaakt overigens in het stuk meer dan één grof koddig mis- 
verstand van de soort, waarvan Ogier blijkbaar veel hield. 

GuiLiAM Ogier had eene begaafde dochter, Barbara, 17 
Februari 1648 geboren en in 1680 met den bekenden Ant- 
werpschen beeldhouwer Willem Kerricx gehuwd. Ook zij heeft 
verschillende tooneelstukken geschreven, zooals b.v. het treur- 
spel „De Getrouwe Panthera" van 1677, maar daar zij eerst 
18 Maart 1720 overleed, behooren hare meeste werken nog 
niet tot het tijdvak, dat wij nu behandelen. Daartoe behoort 
dan ook niet haar blijspel „Don Ferdinand oft Spaenschen 
Sterrekijker", vertaling van „Le feint Astrologue" van Thomas 
Comeille, dat zelf eene bewerking is van Calderon's „El 
Astrologo fingido". Ik maak er hier even melding van, omdat 



282 ANDERE BLU- EN KLUCHTSPELDICHTER8. 

het stuk, ofschoon eerst in 1714 te Antwerpen vertoond, wel 
eens aan haar vader is toegeschreven. 

Naast Ogibr verdienen nog enkele andere blijspeldichters 
eenige vermelding, zooals de Antwerpsche advocaat Antonio 
Francisco Woüthers, van wien in November 1674 op den 
Antwerpschen schouwburg vertoond werd het blijspel „De 
twee gelycke Schippers" of de sprekend op elkaar gelijkende 
broeders Sander van Bal: een getrouwde Antwerpsche en een 
ongetrouwde Amsterdamsche : dubbelgangers der „Menaechmi" 
van Plautus, wiens comedie hier zeer vrij en tot drie bedrijven 
ingekort is nagevolgd. De meretrix Erotium treedt er als 
»Catryn, de waerdin" op en de parasiet Peniculus als 
„Steven, de tafel-gast". Verder spelen Griet, de vrouw van 
den eenen, en Joris (= Messenio), de knecht van den anderen 
Sander, er eene rol in. In vrij goede alexandrijnen is het 
stuk geschreven. 

Voor eene klucht van Balthasar Wils, door Olyfkack en 
Violier e te Antwerpen gespeeld, en getiteld „Den verliefden 
Periander ofte de veranderlijke liefde", maakte *s dichters 
broeder Cornelis een tweede deel, getiteld „Bonjan en San- 
derijn", en deze laatste verwerkte voor dezelfde kamer eenige 
tooneelen uit Cervantes' meesterwerk tot het blijspel „Den 
grooten en onverwinnelijcken Don Quichot de la Mancha, oft 
den ingebeelden ridder met zijn schildknaap Sance Panche", 
in 1682 gedrukt te Amsterdam, waar een jaar t^ voren andere 
tooneelen uit denzelfden roman tot blijspelen waren bewerkt, 
zoowel door J. Soolmans, als door Simon van der Gruyssbn. 

Niet gering is het aantal kluchten, die de notaris Cornelis 
DE BiE voor de Liersche kamer „Den groeyenden boom" 
maakte. Het waren er minstens achttien, waarvan de opsom- 
ming en bespreking ons te lang zou ophouden. Alleen ver- 
dient het opmerking, dat sommige van die kluchten door 
De Bie uit het Spaansch zijn vertaald. Van de klucht „Van 
den jaloursen Dief' (in 1674 gedrukt) en van een paar andere 
kan ik dat slechts vermoeden, doch in „Het lichtveerdigh 
Pleuntjen en Gys Snuffelaer, oft d'occasie maeckt den dief', 
waarin de beide hoofdpersonen zich door hunne onbeholpen- 
heid op ongeoorloofden minnehandel laten betrappen, mag 
men waarschijnlijk eeue bewerking zien van Agustin Moreto's 



KLUCHTBN BN TRAOICOMBDIBS UIT EBT SPAANSCH. 283 

„La ocasion hace el ladron", terwijl de klucht van „Roelandt 
den Clapper, geseyt Hablador Roelando" (in 1673 gedrukt) 
zeer zeker vertaling is van j,Los dos habladores'*, een der 
negen „entremeses" van Cervantes, maar te onrechte onder de 
werken van Lope de Vega opgenomen en ook door De Bis 
voor diens werk gehouden. Als één der beide pochers, de 
edelman Sarmiento, zich door den anderen, Roelandt, heeft 
moeten laten doodpraten, wil hij zich wreken door ook zijne 
woordenrijke vrouw Beatrix met Roelandt in aanraking te 
brengen, maar zelfs zij kan tegen den on vermoeiden „clapper" 
niet op, wordt woedend en wreekt zich ten slotte met behulp 
van hare dienstmaagd Agneet door den armen Roelandt onder 
stokslagen te doen ineenkrimpen. 

Behalve kluchten heeft De Bie uit het Spaansch ook tragi- 
comedies vertaald. Zijn stuk „Armoede van den graeve Florellus, 
oft lyden sonder wraeck" (van 1671) is de vertaling van „La 
pobreza de Reynaldos", waarvan de stof (de strijd van Reinoud 
van Montalbaan tegen de Mooren gedurende de regeering van 
Earel den Groeten) door Lope de Vega ontleend is aan een 
in 1625 verschenen roman van L. Dominguez. Het blij-eindig 
treurspel „Den groeten hertoghe van Moskoviën oft gheweldighe 
heerschappije", dat de Bib in 1672 te Lier deed vertoonen, 
is eene vertaling van Lope de Vega's „El Gran Duque de 
Moscovia", dat ook vertaald schijnt te zijn door Aittonio 
Fbancisco Wouthebs onderden titel „DenMoscoitschenKnets, 
dat is den groeten hertog van Moscoviën*'. In elk geval heeft 
WouTHBBs „El castigo sin venganza'' van Lope de Vega in 
1665 vertaald als „De verliefde stiefmoeder of de gestrafte 
bloedschande". 

Het beroemde stuk van Pedro Calderon de la Bar ca, „La 
vida es sueflo", werd in vertaling van Schouwbnbbbgh onder 
den titel „Het leven is maer droom" vertoond door „de vrye 
lief-hebbers der rymer-konste binnen Brussel" en in 1647 daar 
gedrukt, samen „met een bevallige kluchte van de Gilde- 
broeders van Koeckelbergh, daerop passende". Een ander 
Brusselsch dichter, de boekdrukker Glaude de Gbibck, die 
veel uit het Fransch vertaalde, bracht ook, hetzij onmiddellijk 
uit het Spaansch, hetzij door het Fransch heen, in 1668 
Calderon's „El mayor encanto Amor" over onder den titel 



284 INVLOED VAN HET SPAANSCH TOONEBL. 

„Ulysses in 't eylandt van Circe oft geen grooter tooverg als 
liefde", en ook de comedie en de tragicomedie, die de reis- 
lustige, in Duitschland in 1606 geboren en te Sevilla in 1649 
overleden, Jonkheer Fredbrico Cornelio de Oonincq in 1635 
en het volgende jaar door de Violieren te Antwerpen deed 
vertoonen, schijnen naar Spaansche stukken bewerkt te wezen, 
daar zij in drie deelen of „jornadas" verdeeld en vol verwik- 
keling zijn, terwijl de personen er van ook Spaansche namen 
dragen en de geschiedenis in Spanje voorvalt. Op het voor- 
beeld van de Spaansche tooneeldichters deed ook De Conincq 
de aanzienlijke personen in andere versmaat (en wel in zeer 
goede alexandrijnen) spreken dan de minder beschaafden, wier 
verzen onregelmatig zijn en meer met de spreektaal, zelfs de 
platte spreektaal van Antwerpen, overeenstemmen. 

Dat er destijds in de Zuidelijke Nederlanden zooveel uit het 
Spaansch werd vertaald, behoeft ons niet te verwonderen. 
Reeds in de 16de eeuw was, vooral onder de regeering van 
Philips II en zijne Spaansche landvoogden, het Spaansch er 
eene bekende taal geworden; en daar Antwerpen toen eene 
der grootste boekenmarkten van Europa was, werden daar 
toen ook verscheidene Spaansche boeken — soms zelfs voor 
het eerst — ter perse gelegd. Ook in de 17d© eeuw zijn er 
nog vrg wat Spaansche werken te Brussel en Antwerpen ge- 
drukt. Aan het hof werd ook veel Spaansch gesproken, en 
onder adel en geestelijkheid, vooral onder de paters der 
Jezuïetenorde, had menigeen eenigen tijd in Spanje doorge- 
bracht, zooals ook vele aanzienlijke en letterkundig beschaafde 
Spanjaarden in de Spaansche legers, bepaaldelijk onder 
Spinola, zelf aanvankelijk een vrijwilliger, vrijwillig en op 
eigen kosten hadden gediend ; en onder deze niemand minder 
dan Galderon zelf, die in zijne comedie „El sitio de Breda" de 
geschiedenis dramatiseerde van het beleg, waaraan hij in 1626 
in persoon had deelgenomen. Dat het Spaansch tooneel het 
voorbeeld moest worden voor die tooneeldichters, die aan het 
ouderwetsche rederijkersspel ontgroeid waren, spreekt dus 
eigenlijk wel van zelf, te meer daar men bij het overbrengen 
van Spaansche stukken voor het snoeimes der censoren wel 
niet behoefde te vreezen, want immers de Spaansche koning 
Philips IV zelf was een hartstochtelijk liefhebber van het too- 



HBRDBRSSPKLBN. 285 

neel en groot bewonderaar van tooneeldichters als Lope de 
Vega en Galderon, die zeer b\j hem in de gunst stonden. 

Ook andere stukken dan de reeds genoemde waren, al zijn 
zij misschien oorspronkelijk, op Spaansche leest geschoeid, 
zooals het treurspel „Rosalinde, hertoginne van Savoyen" 
(1641) van Gbsbabbdt van dbn Brandb, met een, ook als 
afzonderhjke klucht verschenen, tusschenspel van „Gielen 
Leepoogh en Truy Schoffels" ; het in 1656 door „de Ongheleer- 
den" te Lier vertoonde blij eindig spel „Philantus" van Nicolaes 
Gbbraerdts; het tooneelstuk „De manmoedige Olimpia ofte 
verlost Romen" van Balthasab Wils, dat door de Violieren 
gespeeld werd; en het ook door deze vertoonde historiespel 
,Den Konink van Napels ofte in wanhoop hoop" van Roeland 
VAN Enqelbn, die in 1662 ook eene vertaling in dichtmaat 
van de „Aeneis" uitgaf en Guarini's „Pastor fido" vertaalde. 

Overigens heeft het herdersspel in de Zuidelijke Nederlanden 
weinig beoefening gevonden. Het treurspel „Porphyre en 
Cyprine", dat de zilversmid Jan Thieullibb, deken van „De 
Peoene" te Mechelen, ten tooneele bracht, toen deze kamer 
in 1620 haar reeds besproken refereinfeest hield, is eigenUjk 
een in Thraciö spelend herdersspel, dat echter door den dich- 
ter een treurspel genoemd wordt, omdat Porphyre, een arme 
herder, die de liefde van Cyprine, eene rijke boerendochter, 
heeft gewonnen en haar tegen een beer beschermd heeft, 
zich doorsteekt met hetzelfde wapen, waarmee hij den beer 
had gedood, wanneer hij Cyprine door dwang harer ouders 
met een koopmanszoon getrouwd vindt. Dat treft de ontrouwe 
geliefde zoozeer, dat ook zij zich doodt met hetzelfde zwaard, 
en het stuk besloten wordt met „een verthooninghe van de 
dooden". Ook andere vertooningen en een paar liedjes zijn 
ter versiering van het spel ingevoegd. 

AUeen uit eenige in 1628 gedrukte liedjes, die in zijne 
pastorales voorkwamen, weet men, dat Jgan Yzkbmans, facteur 
der kamer „D'Olyftack" te Antwerpen, de herdersspelen 
vEurestes", „Grisella" en „Pan en Syringa" heeft gedicht. 
Zoo worden ook van een der hoofdmannen van de Ant- 
werpsche Violiere, Sbbastiaen Vbancx, als schilder „seer 
aerdigh in Lantschap, Peerdekens en beeldekens", zooals Van 
Mander zegt, eene tragicomedie „Aminta en Silvia" en eene 



286 HBRDBBSSPELBN ; INYLOBD DKR CLAS8IBKBN. 

comedie pastorael „Satirs Vergelding" vermeld, die beide on- 
gedrukt zijn, en waarvan ook de tijd der vervaardiging onbe- 
kend is, maar die in elk geval van vóór 19 Mei 1647 dag- 
teekenen, daar Vrancx toen op zeventigjarigen leeftijd overleed. 

Van Jonkheer Fbedkrico (üornblio de Oonincjq werd in 
1638 door „De Violiere" te Antwerpen nog een stuk „Herder- 
sche Ongestadigheid", op den zin „Gheen liefde sonder strijdt", 
gespeeld, van Oeeraerdt van dbn Brande in 1649 door 
„De Goudbloem" te Antwerpen „La Gitanilla, ghenaemt het 
Spaens heidinneken", en van Jan Lambrecht in 1659 te Brugge 
het reeds vroeger door ons vermelde bijbelsche herdersspel 
„Rachel", maar daarmee zullen wij dan ook wel bijna alles 
genoemd hebben, wat er in pastoralen trant in de 17<le eeuw 
op het Brabantsch-Vlaamsch tooneel werd vertoond. 

De invloed der classieken op het tooneel was in de Zuide- 
lijke Nederlanden in de verte zoo groot niet als in de Noorde- 
lijke, ofschoon er wel studie van de oude schrijvers werd ge- 
maakt en er ook wel vertalingen van uitkwamen, zooals de 
reeds genoemde van de „Aeneis" door Van Engelen, eene 
weinig bekende, in 1650 te Antwerpen uitgegevene, van Ovidius' 
„Metamorphosis ofte Herscheppinge" door Seger van Dort 
met een portret van den vertaler, door Quellinus geteekend 
en door P. de Jode gegraveerd, en eene zeer middelmatige 
van Ovidius' „Heroides" (in 1659) door den Brusselschen 
edelman en rechtsgeleerde Lüdovicus Broomans (f 1667), die 
daar ook nog andere gedichten, o.a. drie vertaalde idyllen 
van Theocritus, bijvoegde en zich vooraf reeds als Latijnsch 
dichter had doen kennen. 

Min of meer onder Seneca*s invloed staat de „Mariamne", 
een treurspel in vgf bedrijven met koren, van den Kortrijk- 
schen geneesheer Jan db Valckgravb, in 1634 te Kortrijk 
vertoond en het volgende jaar daar gedrukt; maar het op- 
treden van allegorische personen, als Liefde, Onrust, Quaet 
Vermoeden, Nydigheyt en Wraekghierigheyt , die moeten 
voorstellen wat er omgaat in het gemoed van Herodes, den 
eigenlijken hoofdpersoon van het stuk, wanneer deze nog aar- 
zelt zijne echtgenoote Mariamne te doen vermoorden, maakt 
in dit stuk een weinig classieken indruk, evenals ook het 
handelend optreden van eene ontastbare figuur als Echo. 



OUILIAM VAN NIBUWELANDT. 287 

Het meest onder classieken invloed staat de beste der Zuid- 
nederlandsche tooneeldichters uit de 17<iö eeuw, de schilder 
GüiLiAM VAN NiBUWELANDT, die echter half Amsterdammer 
was, al was hij dan ook in 1584 te Antwerpen geboren. 
Zijne jeugd bracht hij in Amsterdam, zijne jongelingsjaren te 
Bome door en eerst in 1606 keerde hij naar Antwerpen terug, 
waar hij toen werd opgenomen in het St.-Lucasgild en ook 
lid werd van de kamer „De Olyftack". Voor deze schreef hij 
in 1614 het treurspel „Livia", dat eerst in 1617 vertoond werd 
evenals zijn „Saul", waarop in 1618 zijn „Claudius Domitius 
Nero" volgde. Voor ,De Violiere" dichtte hij in 1624 „ Aegyp- 
tica ofte Aegyptische Tragoedie van M. Anthonius en Cleopatra", 
en in 1628 „Salomon", waarmee hij afscheid nam van z\jne 
geboortestad, want nog in hetzelfde jaar begaf hij zich weder 
naar Amsteidam, waar in zijn sterQaar 1635 nog twee treur- 
spelen van hem uitkwamen: „Sophonisba Aphricana" en 
yJerusalems verwoestingh door Nabuchodonosor". 

Van zijne drie bijbelsche treurspelen hébben wij reeds ge- 
sproken; van die, welke onderwerpen aan de ongewijde ge- 
schiedenis ontleenden, stemt de „Livia" nog het minst met de 
classieke tragedie overeen, ofschoon de bedrijven er reeds door 
reizangen besloten worden. Het is een waar gruwelstuk, waarin 
de eene moord volgt op den anderen. De persoon, die de titel- 
rol vervult, wordt reeds vermoord in het allereerste gedeelte 
van het stuk, en van de zeven personen, die er in optreden, 
zijn er bij het dichtschuiven van de gordijn nog maar twee 
in leven. Evenals in Seneca's treurspelen verschijnt ook in dit 
stuk een geest, namelijk de wraakroepende geest der geheel 
onschuldig door haar zoon vermoorde Livia, op wier verschij- 
ning de moordenaar zich zelf in wanhoop van het leven berooft. 

De „Claudius Domitius Nero" vangt zelfs met eene geest- 
verschijning aan, uit den Acheron oprijzende, waarna wij er 
nog eene tweede in te zien krijgen, namelijk van Agrippina's 
geest, evenals Livia wraakroepende over moedermoord. Seneca's 
invloed op Van Nieüwblandt blijkt wel het meest overtuigend 
hieruit, dat een droomverhaal, door Poppaea aan Nero gedaan, 
de vrij getrouwe vertaling is van een soortgelijk droomverhaal 
uit Seneca's „Octavia". Trouwens ook andere gedeelten uit dat 
treurspel zijn door Van Nibuwblandt in het zijne vertaald, 



288 QUILIAM VAN NIEUWELANDT. 

terwijl er verder, evenals in de nSophonisba'', ook nog de aan 
Seneca ontleende voedster in optreedt. 

De „Sophonisba", die zelfs, behalve in een gezang aan het 
eind van het vierde bedrijf, geene reizangen heeft (evenmin 
als „Salomon")> vertoont daarentegen een wat meer romantisch 
karakter, vooral in het laatste bedrijf, waarin verschillende 
allegorische personen, terwijl Sophonisba er den giftbeker ledigt, 
een wilden fakkeldans uitvoeren. Door den versvorm wijkt dit 
stuk eveneens van de strenge vormeenheid der classieken af, 
daar bv. Masinissa en Sophonisba er hunne liefde in lyrische 
strophen tegenover elkaar uitspreken; maar dat de eenheids- 
wetten van plaats en tyd er niet bij in acht genomen z^'n, 
onderscheidt het stuk niet van Van Nieuwelandt's andere 
treurspelen. 

Dat de „Aegyptica", die veel ontleend heeft aan Garnier's 
„Mare Antoine" (van 1578), bij gelijkheid van stof ook eenige 
gelijkenis vertoont met Shakespeare's „Antony andCleopatra", 
behoeft ons niet te verbazen, en evenmin, dat er ook een 
comisch tooneel in voorkomt, al druischte dat lijnrecht in 
tegen de leer der aanhangers van de classieke school, waarvan 
Van Nibuwelandt dus wel een dankbaar leerling, maar geen 
onvoorwaardelijk voorstander kan geweest zijn. Als schilder 
behoorde onze dichter tot de epigonen der Italiaansche school 
en koos hij bij voorkeur Romeinsche bouwvallen en triomf- 
bogen tot onderwerpen zijner kunst. 

Behalve tooneelstukken kennen wij ook nog andere dicht- 
werken van hem, zooals eene „Elegie op den dood van Albertus 
van Oostenrijk" in 1621 en, van hetzelfde jaar, een uitvoerig 
leerdicht „Poema van den mensch, inhoudende d'ijdelheydt 
des Werelts, d'ellende des levens ende rust des doodts", in 
zeer goede alexandrijnen geschreven, die zelfs meermalen van 
echt dichterlijken geest getuigen. Trouwens ook in zijne treu^ 
spelen komen zulke gedeelten voor, en wanneer hij zich op 
het voorbeeld der Ouden van de stychometrie in zijne stukken 
bedient, geeft hij verdienstelijke voorbeelden van kernachtig- 
heid en slagvaardigheid in de woordenwisseling zijner helden. 
Ook zijne dochter Constantia, gehuwd met den bekenden 
schilder van stillevens, Adriaen van Utrecht, werd door hare 



H. F. VAN DEN BRANT RN GLAUDB DB ORIBCK. 289 

tijdgenooten geprezen als dichteres, doch schijnt geene verzen 
te hebben uitgegeven. 

De hartstochtelijke Antwerpsche rechtsgeleerde Jonkheer 
Hermannus Pranciscus van den Brant, die in 1685 het 
eeuwfeest van „De Herstellinge van de Roomsche Religie 
binnen de stadt Antwerpen" met een „blij eindigend treur- 
triumphspel" deed vieren, nadat hg ook reeds in 1679 „Bly- 
eindige Belgica, tot verheffinge van 't Heilig Sacrament des 
Autaers ende tot vernietiging der ketteren" had uitgegeven, 
behoort als treurspeldichter ook tot de classieke richting, 
ofschoon hij niet zoozeer onder den invloed der Ouden als wel 
der Fransche tooneeldichters stond. Dat bewijst zijn gruwelijk 
treurspel „Bela, Prins van Hongaryen", in 1678 te Antwerpen 
vertoond, maar zoo stroef van versbouw, dat de toeschouwers 
het ongenietelijk vonden. Dat het stuk viel, weet hij zelf echter 
aan het opzettelijk slechte spel der tooneelspelers, naar hij 
meende tegen hem opgeruid door Adriabn Peys, die destijds 
en later te Antwerpen verschillende vertalingen van Fransche 
blijspelen liet vertoonen, welke eigenhjk eerst tot de volgende 
periode behooren en meerendeels ook of zelfs wel uitsluitend 
te Amsterdam vertoond en gedrukt zijn. Van den Brant 
wreekte zich echter op Peys door een hekelspel : „Het verweirde 
Sothuys van Antwerpen'' te schrijven, dat in 1678 te Amster- 
dam werd gedrukt, en later nog door eenige bUj spelen gevolgd 
werd. 

De ware vertegenwoordiger van het Fransch classicisme in 
de Zuidelijke Nederlanden was echter in de tweede helft der 
17de eeuw de Brusselsche boekdrukker Claude de Grieck, 
die o.a. in zijn „Heraklius" (1650) een treurspel van Pierre 
Corneille overbracht, in zijn „Don Japhet van Armeniën'* 
(1657^ een aan het Spaansch ontleend stuk van Scarron ver- 
taalde, in „Den grooten Belisarius" (1658) een treurspel van 
Rotrou ten tooneele bracht en in zijne „Zenobia" (1667) 
de „Zenobie, reine d' Armenië", door Montauban naar het 
Spaansch bewerkt, in het Nederlandsch berijmde ; doch deze 
stukken zijn voorloopers van de letterkunde, die in het 
volgende tijdvak zou overheerschen. 

Wij nemen er afscheid mee van de Zuidnederlandsche 
tooneelpoëzie, om nu nog iets over het Zuidnederlandsche 
II 19 



290 OUILLIAM VAN DBR BOBGHT BN ANDSHB LIERDICHTBB8. 

wereldsche lierdicht mee te deelen, want geheel verwaarloosd 
werd dat in elk geval niet, al kon ook dat met het Noordneder- 
landsche van dien tijd niet wedijveren. Tot de verdienstelijkste 
liedboekjes behoort de „Triumphus Cupidinis", in 1628 uitgegeven 
door JoAN YzERMANS, Waarin men «stichtige en seer ver- 
maeckelijcke liedekens" vindt, en ook „sommige epitalamiën, 
bruyloft-liedekens en andere poëmata". 

In 1641 gaf Guilliam van der Burcht, van wien wij reeds 
gezien hebben, dat hij als tooneeldichter zijn uiterste best, 
schoon te vergeefs, deed om te Brussel een schouwburg als 
de Amsterdamsche te stichten, op negentienjarigen leeftijd — 
blijkens zijn door Alexander van Fornenberch geteekend 
en aan den liedbundel toegevoegd portret — eene verzameling 
liederen uit onder den titel „Brusselsche blom-hof van Gupido". 
Zij is in drie deelen verdeeld: in het eerste deel vindt men 
„minneklaghten", in het tweede «herders-ghesangen", in het 
derde „boertighe lietjens". Uit de lofdichten blijkt, dat Van 
DER BoRCHT iu Vriendschapsbetrekking stond tot verschillende 
Antwerpsche dichters, die niet zonder recht zijn lof verkon- 
digden. Zijn broeder Jan van der Borcht of Joannes a Gastro 
versierde het liedboek met 12 kopergravures. Zinnebeelden, 
aan de dierenwereld ontleend, gaf Van der Borcht een jaar 
later in z\jne „Sedighe Sinnebeelden op den aerdt der ge- 
pluymde, vier-voetighe, waterighe, ghekorven oft bloedeloose 
dieren", en in 1643 volgde van hem nog een, o.a. door zijn 
Brusselschen vriend Glaude de Grieck terecht geprezen, uit- 
voerig werk „Spieghel der eyghen kennisse", waarin verschil- 
lende verhalen, elegieën en hekeldichten, ten deele in goede 
alexandrijnen, ten deele in korteren versvorm, voorkomen, 
met ondicht afgewisseld. 

Het land van Waas leverde in den kapitein Albertus 
Iqnatius d'Hanins een dichter op, die evengoed in Latijn, 
Spaansch en. Fransch als in 't Nederlandsch verzen wist te 
maken, meest alle ter eere van de Spaansche Overheid en de 
Katholieke kerk met hare heiligen, nadat hij, vóór 1666, zijn 
ontslag uit den krijgsdienst genomen en zich te Gent gevestigd 
had. Vóór dien tijd, in 1653, had hij reeds te Brussel 
een liedbundel uitgegeven onder den titel „Het bevel van 
Gupido, bestaende in dry deelen : minnelietjens, herdersgedichten 



NIC0LAU8 OMAZUR EN ANDERS UEBDICHTERS. 291 

en kluchten". Tot zijne eer moet gezegd worden, dat hij, die 
in staat was gemakkelijk in vreemde talen te dichten, het 
toch eene schande zou gerekend hebben voor „onse edel Gentsche 
maegt*', indien zij bij de huldiging van den Spaanschen Koning 
Karel II als graaf van Vlaanderen niet te voorschijn gekomen 
ware ,met eenigh Vlaems ghedicht tot eer van haren vorst en 
quytingh van haer plicht, schoon datter in het hof geen 
Vlaemsch meer wordt gesproken'', zooals hij zegt, ^en dat ons 
vorst sinds lang 't ghebruyck heeft afgebroken der Neder- 
lantsche tael". 

De Antwerpsche koopman Nicolaüs Omazur, een vriend 
van Alexander van Pornenberch, Guiliam Ogier, Geeraerdt 
van Wolschaten, Adriaen Peys en Comelis de Bie, kwam er 
eerst in 1663 toe, dus op gevorderden leeftijd (want hij was 
23 September 1603 te Antwerpen geboren), aan de „eerbare, 
geest-rij cke en sangh-minnende Joufi&ouwen der stadt Ant- 
werpen" een liedboek te wijden, waarvan de titel reeds voldoende 
den inhoud doet kennen: „Labyrinthus Cupidinis, dat is Den 
doolhof der Liefde, waer in eertijts Daphne (van ApoUo ver- 
volght sijnde) verkeerde in eenen Lauwrier-boom, Verciert 
met Roose-Tuynen van Rijmen, ghestelt op de nieuwste Dans- 
wijsen ende Stemmen van desen tijt, bestaende in Minne- 
Liedekens, Herders-Sanghen, Veldtdeuntjens, etc." Wij kunnen 
er, ofschoon het niet zonder verdienste is, evenmin bij stilstaan 
als bij „Den eerelycken Pluck- vogel ghepluckt in diverache 
pluymkens van Minne-Liedekens ende andere Vrolijckheden ; 
uyt-ghebroeyt door Joncker Livinüs van der Minnen" en 
het eerst in 1669 te Brussel gedrukt. 

Dat het in de Zuidelijke Nederlanden aan minneliederen, 
ook in den Renaissancestijl, te eenemale ontbrak, mag dus 
niet worden beweerd, maar hun aantal is toch zeer gering in 
verhouding tot de vele geestelijke liederen, die daar in de 
17de eeuw uitkwamen ; en zoo is het ook met andere gedichten 
van wereldsche dichters, die te midden van de vele priester- 
dichters slechts een klein groepje vormen. Toch büjven er 
nog enkele ter vermelding over, zooals Everabrt Sicbram, 
die in 1615 te Antwerpen eene vertaling uitgaf der 23 eerste 
cantos van „U divino Ariosto oft Orlando Furioso". Opmerkelijk 
is het, dat de vertaler meende het een en ander uit het ge- 



292 SICBRAM, NUMAN, VEB8TBGEN, VRBDIÜ8. 

dicht, dat hem voor zijne Vlaamsche lezers minder belang- 
wekkend voorkwam, te mogen weglaten, en dat hij in de 
plaats daarvan in verschillende zangen vrij wat nieuws heeft 
ingelascht, met name de moordgeschiedenis, die Thomas Eyd 
in „The Spanish Tragedy" behandelde, en die hij aan diens 
treurspel zelf, maar ook aan de bron daarvan, ontleend sch^'nt 
te hebben. Evenals het oorspronkelijk gedicht van Ariosto 
bestaat ook de vertaling er van uit achtregelige strophen 
(rijmschema ababahcc), maar de versmaat onderscheidt zich 
in niets van de onregelmatige metriek der rederijkersballade. 

Tot de oudere dichters, die nog in het laatste kwart der 
16de eeuw hunne werken schreven, behoort Philips Nüman, 
griffier der stad Brussel, waar hij in 1617 overleed. Na in 
1583 onder den vergriekschten naam Hippophilus Nean- 
der een dichtwerk, „Den Spieghel der Menschen*', te hebben 
uitgegeven, droeg hij in 1590 zijn zeer uitvoerig leerdicht 
„Den strijt des gemoets in den wech der deuchden" aan de 
Regeerders zijner stad op. In den ouderwetschen referein vorm 
geeft hij daarin verstandige lessen van levenswijsheid, vervat 
in eene beschaafde taal, die nochtans niet geheel vrijgehouden 
is van bastaardwoorden, en dat wel opzettelijk, zooals blijkt 
uit eene „voorsprake", waarin hij het gebruik van vreemde 
woorden verdedigt. In Latijnsche verzen begroette hij in 1599 
de Aartshertogen. Gedurende zijne latere levensjaren heeft 
NuMAN zich vooral bezig gehouden met het beschrijven en 
verheerlijken van de mirakelen onzer Lieve Vrouwe van 
Scherpenheuvel bij Sichen in Brabant. 

Jonkheer Richard Verstegen, in Engeland uit Antwerpsche 
ouders geboren en in 1640 te Antwerpen overleden, wisselde 
zijne oudheidkundige studiën af met het schrijven van epi- 
grammen, waarvan hij den eersten bundel in 1617 uitgaf, en 
waarin. hij den draak stak met Fransche modes en HoUandsche 
theologische haarklooverijen. Een ander oudheidkenner, de 
bekende rechtsgeleerde en zegelbeschrijver Olivibr db Wrbe 
of Vrbdius, te Brugge in 1596 geboren en daar in 1652 
overleden, diende als dichter kerk en godsdienst door in 
1624 „den oorspronck ende voortganck der Oarmeliten" in 
rijm te stellen, en dat deed eveneens zijn beschermeling de 
advocaat Lambbrt db Vos van Brugge, onder wiens vele 



SRYCIU8 PUTEANUS BN ANDBRBN. 293 

godsdienstige dichtwerken slechts één enkele bundel yoof- 
komty waarin een darteler toon heerscht, Bacchus en Venus 
het onderwerp zijn en de invloed van Daniël Heinsius te be- 
speuren is. 

Door Heinsius werd ongetwijfeld ook nog vrijwat invloed 
geoefend op den geleerden Leuvenschen hoogleeraar Erycixjs 
PuTEANus, te Venloo 4 Nov. 1574 geboren, die in 1606 den 
leerstoel van Lipsius innam en tot zijn dood (17 Sept. 1646) 
bleef bekleeden. Zijne talrijke Latijnsche geschriffcen . in proza 
en poëzie kunnen hier natuurlijk niet ter sprake komen, of- 
schoon zij tot het beste behooren, wat de Zuidelijke Neder- 
landen in de 17de eeuw leverden; maar wel moeten wij even 
vermelden, dat hij onder den naam Honorius van den Born 
ook Nederlandsche gedichten uitgaf, namelijk „Ledigh leven, 
daghelycks broodt, met korte jaerlanghe dichtstichtighe spreuck- 
beelden tot deughden voedsel uitghedeylt", zooals de titel van 
den in 1639 uitgekomen tweeden druk luidt, waarbij hij in 
1641 nog eene „Toemaete** voegde. Natuurlijk kan van een 
werk van Pütbanus niet gezegd worden, dat het onbeteekenend 
is, maar dat het als poëzie hoogen lof verdient, zal wel nie- 
mand beweren. Even weinig dichterlijk zijn de „Poëmata in 
nederduytsche taele'^ in 1641 in 't licht gezonden door den 
Brusselschen advocaat G. Theodosius Walhorn of Dbckher, 
en de „fraeye kortbondige spreuken, geschiedenis en dichtjens'^ 
waarmee de bekwame Antwerpsche geneesheer Michiel Boü- 
DEWiJNS in 1664 „tot lichter onthouden en vermaeck" zijne, 
zooveel mogelijk „in eyghene, suyvere Nederlandsche tael" 
geschreven, genees- en gezondsheidsleer op het voorbeeld 
van Van Beverwyck doorvlocht. 

Ten slotte moeten wij nog eens terugkeeren tot Cgrnelis 
DE Bib van Lier, die zich, behalve door zijne vele tooneel- 
stukken, ook heeft doen kennen door gedichten in anderen 
trant, maar meest van zedelijken of stichtelijken aard. Onder 
deze treedt zijn „Faems Weer-galm der Neder-duytsche Poësie" 
van 1670 als het meest bekende op den voorgrond. Aan den 
abt der Premonstratenser abdij van Tongerloo toegewijd, tracht 
het door „zedige moraliteyten en sinne-beelden", waarbij dicht 

en ondicht afwisselen, in het licht te stellen wat er al onder 
„'s werelts Sots-cap" schuilt. Het is een zonderling mengelmoes 



294 CORNELIS DE BIE. 

van geleerdheid en naïveteit, zonder begrijpeUjke reden in 
vijf hoofdstukken afgedeeld en telkens van het een op het 
ander overspringend. Opmerking verdient het, dat De Bib in 
zijne „Aenleydinghe" of voorrede spreekt van „den Hollantschen 
styl en manier" van schrijven, en dat hij, zonder ook maar 
even van Vondel (d4dr althans, want elders noemt hij zijn 
naam wel) te reppen, alles, nu en dan zelfs woordelijk, over- 
neemt wat Vondel in zijne „Aenleidinge ter Nederduitsche 
Dichtkunste" geschreven had. Ook van Zacharias Heynsz 
maakt hij melding, zoodat hij blikbaar ook wel bekend was 
met hetgeen er in Noord-Nederland was uitgekomen. Toch 
zijn zijne Noordelijke stamgenooten over het algemeen zijne 
vrienden niet, want bij zijn betoog „dat de kettery den oor- 
spronck is der Nederlandtsche allende" en ook elders in zijne 
dichtwerken toont I^j duidelijk genoeg zijn afkeer van het 
„gebroedtsel der Calvinisten'' en wijt hij den treurigen toestand 
van zijn land aan den voorspoed der gehate opstandelingen. 

Van meer beteekenis is een der eerste werken van De Bib, 
dat reeds in 1661 voltooid was, maar waarvan de uitgave door 
het overlijden van zijne eerste echtgenoote, Elisabeth Smits, 
in 1662 eenjaar vertraagd schijnt te zijn, namelijk „Het Gul- 
den Cabinet van de Edel Vry Schilder Gonst". 

Het opschrift van zijn daarbij gevoegd portret, door Jan 
Meyssens naar de schilderij van £rasmus Quellinus gegraveerd, 
leert ons, dat Cornblis dk Bib den lO^en Februari 1627 te 
Lier werd geboren. Dat zijn vader Adriaen de Bie zelf een 
verdienstelijk schilder was, verklaart voldoende de liefde, die 
zijn zoon levenslang voor de schilderkunst heeft gehad en die 
hem ook dit werk in de pen gaf. Toch had Cornblis zelf in 
1648 te Leuven philosophie gestudeerd, en vermoedelijk ook 
rechten, daar hij bij het uitgeven van zijn eerste werk notaris, 
procureur en griffier bij de militaire rechtbank te Lier was. 
Later was hij ook meermalen lid der Regeering van zijne 
geboortestad en onderman en deken van de lakenhal. Dat hij 
bovendien ook langen tijd de dichter der kamer „Den groeyenden 
boom" is geweest, hebben wij reeds gezien, en tot in zijn 
hoogen ouderdom is de dichtkunst zijne liefste bezigheid ge- 
weest. Hij legde de pen zelfs nog niet neer, nadat hij in 1706, 
toen de dood zijner tweede vrouw, Isabella Caelheyt, henm 



CORNSUS DB BIB. 295 

blijkbaar ook aan zijne eigene sterfelijkheid herinnerd had, 
„voor sjmen vriendelycken Adieu aen de Werelt" nog een 
uitvoerig werk, „Echos Weder-klanck*' had uitgegeven, waarin 
tal van stichtelijke gedichten voorkomen en ook tooneelstuk- 
ken, o.a. eene als realistische schets van het volksleven wel- 
geslaagde „klucht van den Nieuw-gesinden Doctoor, Meester 
Quinten-Quack, en Cortisaan, synen bly-geestigen Knecht". Op 
het fraai gebeeldhouwde grafmonument, dat hij in de St,- 
Gommaarskerk te Lier voor zijne beide echtgenooten en zich 
zelf liet oprichten, is zijn eigen sterfjaar niet ingevuld en ons 
ook nu nog onbekend, schoon wij weten, dat hij in 1711 nog 
leefde, dus vijftig jaar nadat hij door „Het Gulden Cabinet" 
de aandacht op zich gevestigd had. 

Dat werk geeft in dicht en ondicht, in Latijn en Neder- 
landsch, historische aanteekeningen over, kenschetsende mede- 
deelingen aangaande en hooggestemde lofspraken op bijna 
driehonderd schilders, plaatsnijders, beeldhouwers en bouw- 
meesters, meerendeels Nederlandsche, die van het midden der 
16de eeuw af geleefd hadden of voor een groot deel nog in 
leven waren, toen het werk uitkwam. Het is een waar pracht- 
werk, want van allé kunstenaars vindt men er het portret; 
doch niet al die portretten waren opzetteUjk voor Db Bnc's 
werk vervaardigd: vele er van waren reeds in 1649 zonder 
tekst in een bundel uitgegeven. 

„Wie dat de Kunst beschryft, zal leeven door zyn blaaren", 
riep Jan Vos uit in een lofdicht, dat hij voor De Bib's 
,Cabinet" maakte en dat opnieuw, Db Bie's vriendschapsbe- 
trekking met HoUandsche dichters en zijne belangstelling ook 
in de HoUandsche kunst bewijst. Zoo zeide hij ook (in 1706) 
in de voorrede voor zijn treurspel „Wraek van de verkrachte 
kuysheydt bewesen in 't ramp-salig leven van de princerse 
Theocrina, onteert van den ontuchtigen en bloetgierigen 
Amurath", een gruwelspel, waarin niet minder dan zeven 
dooden vallen, dat daarin „den loon van de deught, naer den 
Brabantschen stiel, soetvloeyigh en zedigh voorgestelt, ende 
de straf van het quaet, volgens de maniere der hollantsche 
hooghdraventheydt (wat wel de hoogdravendheid van Vos' 
„Aran en Titus" zijn zal) rym-geestigh bewesen*' werd, „om 
daerdoor den mondt te stoppen van alle belgh-suchtige be- 



296 DE DICHTKUNST IN DIBN8T VAN DEN GODSDIENST. 

nijders, hun latende voorstaan, jae geloovende, dat eenen Bra* 
bantschen rijmer met die van HoUant niet en sou connen 
over een comen'*. 



XLII 
De Psalmen en Godsdienstige liederen in Noord-Nederland. 

Onderscheidt de Zuidnederlandsche letterkunde zich in de 
17de eeuw van de Noordnederlandsche ook hierdoor in 't oog 
vallend, dat het geestelijk of kerkelijk karakter er van zoo 
duidelijk op den voorgrond treedt, en dat onder de Zuid- 
nederlandsche dichters de geestelijken eene zoo sterke meerder- 
heid vormen, toch ontbrak het ook in de Zeven Vereenigde 
Gewesten aan stichtelijke poëzie in dien tijd geenszins en 
hebben ook daar de geesteUjke voorgangers, de predikanten, 
de dichtkunst gaarne in dienst gesteld van den godsdienst, 
terwijl ook leeken daaraan ijverig hebben meegedaan. 

Dat eene dienende kunst uit den aard der zaak eene beperkte 
kunst is, te beperkter naarmate de godsdienstige overtuiging 
stelliger en dus minder rekbaar is, geeft ons nog de vrijheid 
niet, die dienende kunst als minderwaardig in een hoekje te 
dringen. Wil de kunst niet ontaarden in een ijdel spelen met 
woorden, klanken, kleuren of lijnen, maar wil zij inhoudvol 
en daardoor belangwekkend blijven, dan mag de poëzie, die 
haar inhoud vindt zoowel in gedachten als in gevoelsstemmin- 
gen, niet willekeurig godsdienstige gedachten of stemmingen 
van een godvruchtig gemoed als inhoud harer kunstvormen 
wraken, alleen omdat de vrome dichter haar dienstbaar maakte 
aan hetgeen in zijn oog van meer gewicht is. Zij mag er zich 
zelfs op beroemen, dat zij ook in den staat van dienstbaarheid 
hare waarde behouden kan, al heeft zij als onafhankeUjke 
kunst ook gelegenheid, de wieken breeder uit te slaan en hooger 
vlucht te nemen. 

Allerminst mag de geschiedschrijver der letterkunde min- 
achtend de voortbrengselen eener op stichting gerichte kunst 
voorbijgaan, daar hij immers het karakter zijner wetenschap 
zou miskennen door als dogmatisch kunstleeraar op te treden. 
Alleen zal h^ beknoptheid bij de behandeUng der godsdienstige 



60DSDIBNSTIGB poëzib; jacobus rbvius. 297 

poëzie hiermee kunnen verontschuldigen, dat deze poëzie zich 
dechts op een beperkt gebied van menschelijk denken en 
jevoelen beweegt, en daardoor zoo weinig verscheidenheid van 
inhoud en toon oplevert, of m. a. w., dat de verzen van den 
Benen stichtelijken dichter dikwijls zoo sprekend gelijken op 
lie van den anderen. Ook zal hij kunnen opmerken, dat het 
bewustzijn van tot nut en stichting zijner medemenschen bij 
te dragen menig stichtelijk dichter heeft verleid, in de eigenlijke 
kunst niet naar het hoogste te streven, maar zich met het 
middelmatige tevreden te stellen; en het middelmatige, dat 
vanzelf allicht ook het algemeene is, verdient alleen in zijne 
ilgemeenheid en niet ook individueel te worden besproken. 

Toch is er in de godsdienstige poëzie der 17de eeuw nog 
^el verschil in toon en kleur waar te nemen, bepaaldelijk in 
de NoordeUjke gewesten, waar op godsdienstig gebied zoo weinig 
eenstemmigheid heerschte en zoovele van elkaar zeer verschil- 
lende sekten gevonden werden. Voorzoover de verschilpunten 
hoofdzakelijk van leerstelligen aard zijn, raken zij het wezen 
der poëzie niet; maar zeer dikwijls ook gaan zij samen met 
meerdere of mindere gestrengheid van levensopvatting, dieper 
of oppervlakkiger gemoedsleven, fijner of minder fijn gevoel, 
blijmoediger of somberder wereldbeschouwing. Deze brengen 
zelfs eenige verscheidenheid in de gedichten van den in dien 
tijd op godsdienstig gebied toongevenden kring der Gerefor- 
meerden, waarin wij ons nu door dichtvaardige predikanten 
zullen laten binnenleiden. 

Aan de spits van deze staat, als de oudste en geenszins de 
minste, Jacobus Rbvius, die, in 1586 te Deventer geboren, 
te Amsterdam werd opgevoed en te Harderwijk studeerde, 
waarna hij eerst predikant werd te Zeddam, vervolgens te 
Winterswijk en in 1614 te Deventer, In 1641 werd hij als 
opvolger van Festus Hommius benoemd tot regent van het 
Statencollege te Leiden, waar hij zich een vurig Calvinist 
toonde en bij zijne heftige bestrijding van Cartesius door 
Curatoren zelfs -tot bezadigdheid moest vermaand worden. Den 
15den November 1658 is hij daar overleden. 

Ter eere van zijne geboortestad schreef hij in 't Latijn een 
nog zeer gewaardeerd werk, „Daventria illustrata", en als 
Nederlandsch dichter maakte h\j zich in 1630 vooral bekend 



298 VEBZBT TEGEN DATHEBN's PSALMBERIJMING. 

door zijne OverysseUche Sangen en Dichten, waarop later nog 
enkele andere gedichten volgden, b.v. op de overwinningen 
van Gustaaf Adolf van Zweden en op de nederlaag der 
Spanjaarden op het Slaak. Al zijne verzen getuigen van een 
krachtigen geest, die zich in eigen woorden scherp, soms 
hekelend, wist te uiten en de taal daartoe volkomen tot zijne 
beschikking had. Zijne streng Calvinistische richting komt ook 
in zijne verzen duidelijk uit: hij is er niet zachtzinnig in zijn 
oordeel over anderen, maar tevens gestreng voor zich zelf. 

Rbvius, die als „reviseur'' eenig aandeel had gehad aan de 
Statenvertaling des Bijbels, was het eens, zooals hij zeide, met 
„het eendrachtig gevoelen van alle verstandige, dat de nieuwe 
oversettinge des Nederduytschen Bybels met een goede ver- 
beteringe der Psalmen behoorde gevolgt te werden". De in 
de kerken gebruikelijke psalmberijming van Datheen, waaraan 
de meerderheid der ongeletterde gemeenteleden bijzonder ge- 
hecht was, behoefde daarom nog niet afgeschaft te worden, 
maar eischte toch dringend verbetering, en toen Revius eenigen 
tijd te vergeefs gewacht had, of ook anderen dat verbeterings- 
werk zouden ter hand nemen, gaf hij in 1640 daarvan zelf eene 
proeve in 't Ucht onder den titel: „De CL Psalmen Davids, 
eerst in Ned. dicht gebracht door P. Dathenum ende nu 
gebetert door J. Revium." 

Anderen, van meening dat Datheen te willen verbeteren 
verloren moeite was, gaven eigen vertalingen in rijm uit, en 
ook in rijmlooze verzen, zooals in 1644 Jgan de Brune, die 
in zijne voorrede wees op „de gebreklickheid" van Datheen's 
berijming, onder de vrienden van poëzie reeds berucht om 
„de onduitse taaie, 't slecht gedicht, de onnutte stopwoorden, 
als fijn, bloot, eenpaer, koene, gaar, klaar, rein. Baan, dit termijn, 
enz. en vele onwoorden als pof kansen en diergelijke, die onder 
deese heilige gesangen gemengt zijn", zooals hij zeide. 

Even ongunstig oordeelde Huygens over Datheen's werk in 
het korte lofdichtje, door hem in 1656 gemaakt op de nieuwe 
psalmberijming die Henrick Bruno toen in 't licht zond. 
„Dat een van Datheen*', zeide hij, „daer is de wereld sot nae", 
en waarom? alleen omdat het „'t oudste kind" was; maar de 
vromen mochten er dan alle mee tevreden wezen, „'t was all 
te vreen op God na", vreesde hij. Dat Huygens in het kerk- 



HUYGENS' PLEIT VOOR HBT OBGBLGEBRUIK. 299 

gezang bijzonder belangstelde, is bekend : niet alleen de woor- 
den, maar ook de muziek ging hem zeer ter harte, en onder 
zijne eigene composities waren dan ook verscheidene nieuwe 
psalmwijzen. Vooral ook ergerde hij zich aan de oorverscheu- 
rende manier, waarop zoo vaak in de kerken werd gezongen: 
een euvel, dat, naar zijne meening, alleen te verhelpen was 
door den zang, meer dan gewoonlijk plaats vond, met orgel- 
spel te begeleiden, want .zelfs in de groote stadskerken ontbrak 
het orgel toen nog dikwijls of werd het niet gebruikt. Zoo 
kreeg bv. de Westerkerk te Amsterdam eerstin 1687 een orgel. 

Zooveel belang stelde Huygbns hierin, dat hij zelfs in 1641 
een prozageschrift in 't licht zond, getiteld: „Ghebruyck en 
onghebruyck van 't Orgel in de Kercken der Vereenigde Neder- 
landen", waarin hij welsprekend pleitte voor het orgel als 
middel om de stichtelijkheid der godsdienstoefeningen te ver- 
hoogen of liever om het onstichtelijke er van te verminderen, 
maar waarin hij tevens uitdrukkelijk te kennen gaf, dat hij 
het orgel niet misbruikt wenschte om er de zinnen mee te 
streelen, zooals in de Roomsche kerken zoo dikwijls geschiedde. 
Dat hij ook tegen zulk een misbruik te velde trok, was noodig, 
omdat men hem anders, vreesde hij, van papisterij zou ver- 
dacht hebben, daar de strenge Calvinisten immers alle kunst 
bij de godsvereering uit den booze achtten en als paapsche 
afgoderij veroordeelden. 

Toch heeft hij daarmee niet kunnen verhinderen, dat zekere 
Jan Jansz. Galckman een zeer heftig en lasterlijk libel als « An- 
tidotum" uitgaf tegen de werking van het paapsche venijn, 
dat Huygens, zooals het heette, met een schijnheilig gezicht 
in de Kerk trachtte te verspreiden. Huygens vond dit ge- 
schrift zóó beleedigend en gevaarlijk, dat hij meende zich te 
moeten verdedigen door een bundel „Responsa prudentium" 
uit te geven, waarin hij gunstige beoordeelingen van gezag- 
hebbende mannen over zijn geschrift had bijeengebracht, terwijl 
hij bovendien nog bewerkte, dat de Haagsche kerkeraad het 
«Antidotum" als een lasterschrift veroordeelde en den schrijver 
dwong, «christelyke satisfactie" te geven. Van overhelling tot 
het pausdom verdacht te worden, was, voor wie gaarne protes- 
tant wilde blijven, destijds zóó gevaarUjk, dat, naar het mij 
toeschijnt, Huygens' spoedig hierop gevolgde aanval op Tessel- 



300 NIEUWE PROEVKN VAN PSALMBERIJMING. 

schade's „misgeloof ', zooal niet uitsluitend, dan toch grooten- 
deels, heeft moeten dienen om den verkeerden indruk uit te 
wisschen, dien hij op menigeen door zijn pleiten voor het 
kerkorgel had gemaakt. 

Zelfs de afkeuring van Datheen*s psalmberijming was bij de 
fijnen verdacht, en daarom was het niet zonder beteekenis, 
dat zelfs Cats in 1659 in een lofdicht voor den tweeden druk 
der, het eerst in 1648 uitgegeven, psalmberijming van Mr. 
CoRNELis BoEY durfdc schrijven, dat Davids harpgezang „na 
langen tijd gebroght in onse spraeck, by menigh mensch bynaest 
was sonder smaeck", zoodat Boey allen lof verdiende, die „op 
Davids harp als op vemieude snaren speelde". De groote massa 
gereformeerden toch vereenzelvigde Datheen's berijming zoo- 
zeer met de gewijde liederen van David zelf, dat iedere andere be- 
rijming hun, daarbij vergeleken, als menschenwerk en niet meer 
als Gods woord in de ooren klonk. Men wilde nu eenmaal in de 
kerken niet het werk zingen van dezen of dien bekenden dichter. 

Toen de predikant van Ridderkerk, Hermes Gelosse, in 
1665 weder eene nieuwe psalmberijming uitgaf, begreep hij 
dan ook wel, dat er geene kans was, die in de kerken inge- 
voerd te krijgen en gaf hij in zijne voorrede den volgenden 
raad: „Ik meene, dat indien ooit een ander rijm van David 
in de Neederlandse Kerken in plaatse van Datheni rijm mochte 
komen ingevoert te worden, hetselve allerbest en alderbequaamst 
aldus soude konnen geschieden, te weeten: indien uit alle 
degeene, die de Psalmen Davids ooit in rijm gestelt ende in 
't licht gegeven hebben, wierde uitgekipt hetgeene allerbest 
met den text overeenquam, het beste duits ende de beste rijm 
was, ende dat daaruit dan een psalmboek wierde ge- 
maakt, om zo alle d' ijdle eere, nijd en wangunst uit Ghristi 
kerke te weeren, dat seekerlijk te wachten stonde, zo wanneer 
iemants rijm in 't particulier die eere wierde aangedaan". 

Dit „concept" beviel „bysonderlik wel" aan den Amster- 

damschen goudsmid en voorzanger der Amstelkerk Hendrie 
Ghysrn, en hij ondernam met oordeel en geduld het door 

Celosse aanbevolen werk. Hij verschafte zich een groot aantal 

psalmberijmingen, niet minder dan zeventien, en heeft „deese 

alle ingesien, vers tegen vers, ja reegel tegen reegel, en die 

met malkander vergeleeken, beneffens de Textwoorden van 



DB DOOR GHY8BN GBHBRUIKTE PSALMBBRIJMINGBN. 301 

de nieuwe Oversettinge en dan, zoveel de rijm, op malkander 
slaande, konde lyden, datghene uitgekipt, dat, na sijn oordeel, 
het naaste aan de woorden of zin van den text qaam, en de 
vloeienste rijm was". Verder veranderde hij zelf hier en daar 
een woord. Dezen arbeid noemde hij „het plukken van bloemen 
en saamenbinden tot een bouquet", en dezen bundel gaf hij 
in 1686 met eenige lofdichten (ook van Huygens, Vollbnhovb 
en Balthazar Bbekbr) in 't licht onder den titel van „Hoonigraat 
der Paahndichten ofte Davids psalmen met d'andere lofsangen". 

De dichters, die hij voor zijn werk heeft geplunderd, wier 
verzen hij netjes in stukjes heeft geknipt om ze dan als eene 
legkaart, soms inderdaad niet onverdienstelijk, weer tot een 
geheel te maken, noemt hij zelf op, en wij zullen zijn voor- 
beeld volgen, om te doen zien, hoevelen zich vóór dien tijd 
al met het berijmen der psalmen hadden bezig gehouden. 
Gedeeltelijk hebben wij ze trouwens al vroeger besproken of 
althans genoemd. In chronologische volgorde zijn het: 
Petrus Dathbbn (1566), Philips van Marnix (1580), Antho- 
Nis DB HuBERT (1624), DiDBRicüs Rapelsz. Camphüysen (1680), 
Jacobus Rbvius (1640), de Amsterdamsche predikant Henri- 
cus Gbldorpiüs (1644), Mr. Cornelis Boey (1648), de Leidsche 
spraak- en wiskunstenaar Christiaen van Heule (1649), Jacob 
Westerbabn (1655), Henrick Bruno (1656), de Amsterdam- 
sche predikant Jacobus Clbrquius (1664), Hermes Gelossb 
(1665), DiRCK Adriabnsz. Disselburg (1666), die gedeeltelijk 
in rijm, gedeeltelijk rijmloos had vertaald, de Amsterdamsche 
drogist JoANNES Six van Chandelier (1674), die in 1657 reeds 
een bundel niet onverdienstelijke „Poesy" van verschillenden 
aard had uitgegeven, Mr. Samuel van Huls (1682), eerst klerk 
ter griffie van de Generaliteit en later secretaris van Prins 
Willem III, JoACHiM Oudaek (1684) en Johannes Roldanus 
(1685), predikant te Enkhuizen. 

Van enkele andere psalmvertalingen had Ghysen geen ge- 
bruik kunnen maken, zooals bv. van die van Joan de Brune, 
als in rijmlooze verzen geschreven, en „ De versnaarde konings- 
harp", door den Hagenaar Christoffel Pibrson in 1679 te 
Gouda, waar hij toen woonde, uitgegeven, omdat daarin „de 
psalmen Davids na den text of naasten zin verkort'' waren. 
Evenmin kon Ghysen gebruik maken van „ De Psalmen Davids 



302 ABRKOUT VAN OVBBBBKS. 

in Nederduytsche Rijmen gestelt" door Mr. Abrnout van 
OvBRBBKB, omdat zij gedicht waren „op deselve wijsen en 
getal van sang-versen, als die in de Gemeenten in Nederlandt, 
de onveranderde confessie van Augsburg toegedaen, werden 
gesongen". Zij waren in 1663 opgedragen aan de predikanten 
en ouderlingen der Luthersche gemeente te Amsterdam, waartoe 
Abenout van Ovbrbbkb toen behoorde, ofschoon hij te Leiden 
(in 1632) geboren en daar ook in de rechten gepromoveerd 
was. Ook hij was Zuidnederlander van afkomst, daar zijn 
vader, als zoon van een uitgeweken Antwerpenaar, te Frank- 
fort aan den Main het levenslicht zag. Te vergeefs hoopte hij, 
dat zijne psalmberijming in de Luthersche kerken zou worden 
ingevoerd ter vervanging van de wel wat verouderde van 
Van Habcht, die daar nog altijd in gebruik was, tot zij wat 
later vervangen werd door de in 1680 gedrukte berijming van 
Jan van Duisberg, die al evenmin voor Ghysbn's doel ge- 
schikt was. 

Van Overbeke, die op eigen kosten zijne psalmberijming 
had uitgegeven, heeft er slechte zaken mee gemaakt, en daar 
hij door losbandig leven totaal op zwart zaad geraakt was, 
nam hij, zooals in dien tijd zoovele berooide pretmakers deden, 
zijne toevlucht tot de Indien. In 1668 ging hij als Raad van 
Justicie naar Batavia, maar reeds na vier jaar keerde hij als 
bevelhebber van eene retourvloot terug. In 1674 overleed hij 
te Amsterdam, en zeker heeft men hem geen goeden dienst 
bewezen door vier jaar later „De Geestige werken" van hem 
verzameld uit te geven. Toch zijn zij later nog dikwijls her- 
drukt, omdat de platte geestigheid dezer meerendeels zoutelooze 
verzen en de reeds in 1668 van hem verschenen „Geestige en 
Vermaeckelicke Reys-beschryvinge naer Oost-Indiën", die ook 
in den bundel is opgenomen, bijzonder in den smaak vielen 
bij de talrijke liefhebbers van onstichtelijke aardigheden. Eenige 
vaderlandsche gedichten, die Van Ovbrbbkb ook reeds vroeger 
had uitgegeven, namen zij daarbij mee in den koop. In de 
tweede helft der zeventiende eeuw waren er meer lichtmissen 
als Van Overbeke, die zich onder de stichtelijke dichters eene 
plaats zochten te verwerven, als hoopten zij door ernstige ver- 
zen het gebrek aan levensemst te kunnen vergoeden. 

Ten slotte hebben wij nog ééne psalmberijming te vermelden, 



vondbl's psalmybrtaung ; conradus goddabus. 303 

die Ghysbn voor zijne bloemlezing moeielijk kon gebruiken, 
al was het ook de voortreffelijkste, die er in dien tijd (in 1657) 
verschenen was, namelijk „Koning Davids harpzangen, den 
Nederduitschen toegezongen" door Joost van Vondel en door 
hem met een gedicht opgedragen aan Ghristina van Zweden. 
Zelfs al ware zij niet berijmd naar de Vulgaat, dan nog zou 
zij voor Ghysen's doel minder bruikbaar geweest zijn, omdat 
de strophenbouw niet toeliet haar te zingen op de gebruikelijke 
melodieën, die ieder wenschte te behouden. 

Hoe hoog VoNDBL overigens de psalmen stelde, blijkt wel 
het duidelijkst uit zijne reeds veel vroeger aan Gornelis van 
Campbn gerichte ode: „Wie üavid pooght te steecken naer 
zijn kroon, die terght, als Lucifer, den hooghsten troon, en 
word geschopt uit dat oneindigh schoon des Groeten Vaders". 
Een eigenaardigen tegenhanger van deze dichterlijke ode gaf 
Vondel in eene andere, in den zelfden welluidenden strophen- 
vorm aan Daniël Mostart gewijd onder den titel: „De 
Roomsche lier", met den aanvang: „Wie Flakkus pooght te 
steecken naer syn kroon, die tart, als Pan, ApoUoos hoogen 
toon, en krijght in 't end den welverdienden loon van Midas 
ooren". Toch zag Vondel in David den „onnavolgelijcken 
Harpenaer, die 't lierspel dooft van Flakkus en Pindaer". 

In plaats van de tegenstelling vindt men juist de samen- 
stemming van David en Horatius afgebeeld op het titelblad 
van de „Nieuwe Gedichten, Sonder rym, naa de Griexe en 
Latynse Dicht-maten, op allerhande soorten van Verssen, 
ingestelt" door Conradüs Goddaeüs, sedert 1634 opvolger van 
zijn vader als predikant van Vaassen op De Veluwe. Deze 
bundel, die in 1656 te Harderwijk het licht zag, bewijst dat 
er ook in de zeventiende eeuw letterkundigen waren, die iets 
durfden en die er hunne eer in stelden de wereld te verbazen 
met iets wat „noit voor desen in Neder-duits gesien nochge- 
bruiklik" was, zooals min of meer pralerig te lezen staat op 
het titelblad, dat zijn beeldwerk dankt aan de vier en twintig 
psalmen Davids, op verschillende Horatiaansche versmaten 
vertaald in den bundel te vinden. 

Goddaeüs verkeerde zelf in den waan, dat hij met zijne 
verzen eene geheele omwenteling zou brengen in de Neder- 
landsche dichtkunst. Tot het maken van rijmlooze verzen had 



304 CLA88IEKE VERSMAAT DOOR G0DDABU8 VOORGESTAAN. 

Geeraaxdt Brandt, zooals wij beneden zullen zien, toen reeds 
door pleit en proeve aangespoord, maar Goddaküs ging veel 
verder: niet alleen het rijm wenschte hij te verbannen, maar 
ook de Nederlandsche versmaat. In eene zeer uitvoerige voor- 
rede, waarin alles, wat er van dien aard reeds vroeger zoo nu 
en dan buitens- en binnenslands was beproefd, zorgvuldig 
bijeengebracht was, trachtte hij te betoogen, dat in het vervolg 
ook door den modernen dichter de versbouw der classieken 
nauwkeurig moest en kon worden nagemaakt. Dat deze vers- 
bouw ook de eenige echte versbouw was, nam hij stilzwijgend 
aan, maar men meene daarom niet, hier te doen te hebben 
met een overdreven bewonderaar van de alleen zaligmakende 
classieken : integendeel, Goddaeus is een dweper met de voor- 
treflijkheid van het Nederlandsch en zou zich voor „seer 
ondankbaer tegen onse algemeine vaderland en gewoonlike 
geboort-spraak" gehouden hebben, indien hij niet had trachten 
aan te toonen, hoever zijne moedertaal in „bequaemheed tot 
de oprechte en suivre Poësy" de classieke talen overtrof. 

In zijn bundel nu heeft hij aan de groote verscheidenheid 
van Horatiaansche versmaten Nederlandsche woorden onder- 
geschoven, want iets anders kan zijn knutselwerk eigenlijk 
niet genoemd worden. Klemtoon rekent bij zijne metriek niet 
mee: ook in onze taal onderscheidt hij alleen korte en lange 
lettergrepen, en wel naar de daarvoor in de classieke talen 
heerschende regels. Kort zijn voor hem alleen de met één 
letterteeken geschreven en door één medeklinker gevolgde 
klinkers: alle andere zijn lang, zelfs de geheel toonlooze klin- 
kers, indien er twee of meer medeklinkers op volgen. Op die 
geschreven letters heeft hij letterlijk alleen gelet bij het maken 
van deze verzen, waarvan de taal zich dan ook van het dorste 
proza door niets anders onderscheidt, dan door tal van latinis- 
men, en toch komt hem nog niet eens de naam van rijmelaar toe. 

Uit één der twee grootere gedichten van den bundel: een 
„Swane-sang", door hem in langdurige ziekte geschreven, en 
een gedicht „Helle-brand", of een briefdoor den rijken man der 
gelijkenis van uit de hel aan zijne broeders op aarde gezon- 
den, zal ik enkele regels als proeve meedeelen, namelijk den 
aanvang van het laatste gedicht, in wat hij hexameters oi 
heroïsche verzen noemt: 



OODDABUS' CLASSIEKE VERSMAAT; WILLEM SLUYTER 305 

,,Soo uit I d'Helle wel | oit een | brief op 'er | aerde ge | raekt is, 
Wenscht' ik | , dat dees* | ook dan | vailig | wierde be | handigt 
Aen myn | vyf Broe | ders, 't leven | alsnoch | zynde ge | nietend' ; 
Soo s' hun I niet scha | men my | voor haer | seste te | houden". 

Verder vindt men in den bundel 144 kleine gedichtjes op 
177 personen uit den bijbel, van Adam af tot Christus toe, 
onder den titel „Tooneel der Oude Wereld". Het laatste ge- 
dichtje zegt van Jezus in Sapphischen strophenvorm : 

,,DeBe I den Leeu | is van het | edle | Juda 
Tmaagde | lik zaad | , Immanu | el, met | ons God : 
Zynde | daerdoor | hier op'er | aerd ge | zegent 

Alle ge I slachten | . 

Duirig I hem toe I komt lof en | eere | , beide 
Hier en | hier nae | maels hy is | onsen | Heiland, 
Ende | der woor | den Godes | het Be | ginsel, 

Middel en | Einde*'. 

Blijkbaar heeft men in letterkundige kringen bij het lezen 
van deze verzen de schouders opgehaald. Navolging hebben 
zij, meen ik, bij niemand gevonden. 

Grooter tegenstelling is er moeielijker te denken, dan van 
GoDDAEUs' pijnlijke maatknutselingen en van de onopgesmukte, 
gemakkelijk vloeiende rijmsels van zijn wat jongeren ambtge- 
noot WHiLBM Sluytbr, den Gelderschen Oats, zooals men hem 
wel genoemd heeft wegens even eenvoudigen, vloeienden en 
stichtelijken dichttrant en even groote populariteit, zij het 
dan ook slechts in den achterhoek van het land, waar zelfs 
in de negentiende eeuw zijne gezangen nog in den huiselijken 
kring werden gezongen. 

In 1627 te Neede geboren, studeerde hij onder Voetius te 
Utrecht en werd hij in 1652 predikant te Eibergen in de heer- 
lijkheid Borkulo, aan welker heer. Graaf Otto van Limburg 
(-Stirum) en Bronkhorst, hij een zijner dichtwerken opdroeg, 
evenals andere aan diens echtgenoote Elisabeth Charlotte en 
aan hunne dochter „Gravinne en Vrouwelijn Amelia Louisa 
Wilhelmina", die ook zelf dichteres was en, zooals hij zegt, 
„hem en sijns gelijk met dichten bijwijle overwon en zelfs 
voor gelauwerde geesten niet behoefde te zwichten". 

Het lied trok hem bovenal aan en langzamerhand had hij 
n 20 



306 WILLEM 8LÜYTER. 

zoovele „Psalmen, lofsangen ende geestelyke liedekens" ge- 
dicht, dat hij ze in 1659 tot een bundel vereenigde, die mis- 
schien echter eerst in 1661 het licht zag en in hetzelfde jaar 
gevolgd werd door een nog veel omvangrijker bundel „Gesan- 
gen van Heylige en Godvruchtige stoffe". Deze bevat in 
vloeiend, zangerig rijm vele dagelijksche en bijzondere bede- 
zangen, avondmaalsliederen en boetzangen, lofzangen op Jezus, 
waarschuwingen tegen de zonde, lessen van deugd en god- 
vruchtigheid, liederen bij leed en in benauwde tijden en be- 
rijmingen van gedeelten uit den bijbel. In negen boeken zijn 
zij onderscheiden en bij den inhoud van het laatste boek 
sloten zich zijne reeds genoemde Psalmen en, wat later, nog 
eene bewerking van „Het Hooge-lied Salomons" aan. Hij gaf 
ze uit als tegengift tegen „soo vele ydele, lichtveerdige, on- 
kuysche liedekens", als „er dagelijks gedrukt en herdrukt" 
werden in „een groote menigte van soodanige sangboekjens, 
die men noemt Minne-beekjens, Lust-hoven, Zang-priëeltjes, 
Nachtegaeltjes, etc", want „in der Boekverkoopers winkels*' 
zou men, zegt hij, „tegen twee geestelyke wel tien wereldsche 
(opdat ik niet en segge beestelyke) lied-boeken vinden, waerin 
dikwijls niet een eenig woord van den waren God of van 
Christo onsen middelaer en saligmaker gevonden werd, maer 
wel seer vele van de Heydensche afgoden, tegen het uytge- 
drukte verbod Gods". 

In 1662 trad hij in het huwelijk met Margareta Sibylle 
Hoornaerts, hem in dwepende vroomheid evenarend, ja, nog 
overtreffend, al bij haar leven vervuld van de hemelsche 
zaligheid, waarnaar zij zoozeer verlangde, en reeds op aarde 
„met haer Hemelse Bruyd'gom als ondertrouwt". Zij vond dan 
ook „haer eertroon ras by 't salig Lam", zooals Sluyter (met 
verzet der letters van haar naam) zeide, want twee jaar na 
hun huwelijk overleed zij op vierentwintigjarigen leeftgd, 
kort na de geboorte van hun tweede dochtertje. Met groote 
aanschouwelijkheid, veel gevoel en Christelijke berusting heeft 
Sluyter haar sterfbed beschreven in zijn gedicht „Doods-echt- 
scheydinge", het voornaamste dichtwerk uit zijne „Christelyke 
Doods-betrachting", in 1667 uitgegeven door zijn vriend, den 
Alkmaarschen predikant Abnoldus Bobnius, die zelf ook zoo 
nu en dan stichtelijke gedichten maakte. 



WILLEM SLUYTER. 307 

Inmiddels was Slüyter door den inval der Munsterschen 
uit zijne pastorie verdreven. Na zijne boeken en verdere be- 
zittingen te Zutfen in veiligheid te hebben gebracht, was hij 
zelf in 1665 naar 's-Gravenhage gegaan, waar hij zich mocht 
verheugen in den omgang met zijn ouden vriend Johannes 
VoLLKNHOVE, die er toen juist uit Zwolle was beroepen; maar 
het stadsleven beviel hem niets, want „wat men ojrt in 's-Gra- 
venhaeg op 't haeglijks sag, was maer een plaeg" in zijn oog 
„by de Borkeloosche vryheid"; en toen de vrede van 1666 
den Achterhoek van vijandelijke troepen had verlost, keerde 
hij dan ook zoo spoedig mogelijk naar Eibergen terug. De 
vreugde daarover gaf hem zijn meest bekende gedicht „Buy- 
ten-leven" in de pen, in 1668 nog eens samen uitgegeven 
met een vervolg: „Eensaem huys- en winter-leven", waar- 
achter weder verschillende gezangen op het landleven zijn 
opgenomen. 

Het „Buytenleven" is in hoofdzaak eene verdediging van 
Slüyter's eenzaam leveij, dat door velen werd afgekeurd. 
Buiten is het, naar zijne overtuiging, veel beter dan in de stad 
met al hare drukte en haar gewoel, waar men slechts de 
wereldsche ijdelheid najaagt en zijne lusten bot viert. Het 
stille buitenleven daarentegen geeft ruime gelegenheid tot 
kalme overpeinzing van het hoogere, en voor wie dat verlang^, 
is de verdere omgeving onverschillig. Wel mist men buiten 
de praal der steden met hare grootsche gebouwen, en vuil 
en slijkerig is het er soms ook, maar het slijk, dat de 
schoenen besmet, is beter af te boenen, dan het vuil der 
zeden, waarmee in de steden de ziel bevlekt wordt. Overigens 
vindt men daar buiten de schoonheid der natuur, die de ste- 
deling niet zoo te zien krijgt, vooral op een zomerochtend als 
de zon heerlijk verrijst, de bedauwde Jonge teere spruyten 
haer hoofd uytsteken in de locht" en het voglenheer „op de 
twijgen singt en springt van blijdschap, omdat het weer een 
nieuwe dag met nieuwe vreugt aenschouwen mag." Zelfs in 
den winter gevoelt hij zich veel behaaglijker, „wanneer hy 
in een warme kamer in stille vryheyd" stichtelijk en tegelijk 
vermakelijk werk heeft mogen verrichten, dan wanneer „een 
narreslee met bellen door al de straten van de stad hem op 
en neer getrokken had.". Van deze en andere stadsvermaken 



308 WILLEM SLÜYTBR. 

■ 

heeft hij een afkeer, omdat ze zoo gevaariijk zijn. Buiten 
komt men niet in de verleiding. „De lusten, die de siel be- 
kooren, zijn lichter te eenemael te smooren, dan soo te 
maeVgen, dat het hert niet eenigzins verstrikt en wert", en 
zoo gaat hij voort met het buitenleven te prijzen, het stads- 
leven te hekelen, om dan te eindigen met de verklaring: 
„Een mensch, die stil en geern' alleen is, met God, sijn 
hoogste lot, gemeen is en niet met 's werelds sorg beswaert, 
heeft als een hemel hier op d'aerd." 

Het „Eensaem huys- en winter-leven," dat volgt, geeft eene 
beschrijving van zijn eigen eenzaam leven, want zijne beide 
dochtertjes worden elders opgevoed. Slecht één vertrek heeft 
hij in gebruik, studeerkamer en keuken te geUjk. Dienstboden 
heeft hij niet noodig: zelf stookt hij zijn vuur, kookt hij zijn 
eten, opent hij de deur. Alleen voor het ruwste werk heeft 
hij een half uur per dag eene dienstmaagd. Dat schijnt 
armoedig, maar „wat heeft de mensch een gelukkig lot, die 
dag by dag niet van veel goud, mapr van zijn leven reek'ning 
houdt" en, overdaad van drank en spijs schuwende, matig 
weet te leven en na den soberen maaltijd zich mag verlus- 
tigen met psalmzingen. „Met boeken en goed schrijf-gerak" 
verlustigt hij zich. Zijne eenige gasten zijn dorpelingen, die hem 
dikwijls van het noodige voorzien, dat hij zich ook niet ont- 
houden wil; maar hij heeft weinig noodig. Alleen om zijne familie- 
leden en kinderen te zien en om het oog te laten gaan over 
het drukken zijner gedichten begeeft hij zich soms naar de 
stad, maar het liefst is hij in zijn kluisje. „Dat lykt het Mon- 
nikleven well" voegt men hem soms toe, maar hij antwoordt: 
zijn leven strekt tot bewijs, dat men nog niet behoeft te be- 
hooren tot de „geschoren kloosterlien" om „'s werelds y del- 
heen te kunnen ontvlieden." 

Zou men SLUYTflB hier met zijn gematigd ascetisme een 
protestantschen kluizenaar of monnik kunnen noemen, een 
protestantsch Mariavereerder toonde hij zich met zijn „Loüsang 
der Heylige Maegd Maria," dien hij in 1669 uitgaf, tegeUjk 
met zijn, ook reeds vroeger verschenen, gedicht „Triumphee- 
rende Christus.'* De approbatie der Zutfensche classis, die zijn 
gedicht „conform Gods Woord bevond," vrijwaarde hem 
tegen de beschuldiging van toenadering tot het Catholicisme; 



( 



WILLEM SLUYTER. 309 

doch dat hij een nieuwen bundel , Vreugd- en Liefde-sangen" 
besloot met een woordspelend gedicht „Op de mis-geloovige 
misse," wekt het vermoeden, dat hij, die wel steeds de booze 
wereld, maar nooit eenigen vorm van kerkgeloof aanviel, 
daarmee de verdenking van niet goed protestant te zijn heeft 
trachten te weerleggen. 

Zijne eigene gemeenteleden en die van de omliggende 
dorpen droegen hem echter als op de handen, en, wat hem 
nog meer genoegen zal gedaan hebben, zongen met opgewekt- 
heid zijne liederen, waarvan hij mildelijk uitdeeling hield. 
„Rondom in onse kerspel van Eybergen," schreef hij, „hadden 
se een bysonder Sang-lust gewekt en alle lichtvaerdige on- 
tuchtige liedekens byna t'eenemael, door Gods genade, uytge- 
dreven;" en uit vreugde daarover droeg hij in 1670 aan zijne 
eigene gemeente nog een nieuwen omvangrijken liedbundel op, 
getiteld „Eybergsche Sang-lust." Hij was er vast van overtuigd, 
dat hij voor zijne dorpelingen niet nuttiger had kunnen zijn, 
dan met zijne „eenvoudige Sang-dichten, die ook de minste 
van haer konden verstaen, van bujrten leerden en alsoo al 
haer leven lang onthielden, behalven datter ook vele door de 
bekoorlijkheyd der Sang-tonen tot het lesen en andere goede 
plichten aengelokt en opgewekt werden ; ja ook haere kleyne 
kinderen selfs hierom te liever ter scholen gingen en te grager 
en vrymoediger werden tot 't lesen, wanneer se hoorden, dat 
de woorden soo op malkander rymden en op allerley aenge- 
name wijsen konden gesongen en uytgegalmt worden." Wie 
dat leest en weet, dat het geene grootspraak, maar beproefde 
waarheid is, mag niet zonder waardeering van Willem 
Slüyter spreken en moet zijne gezangen wel voor goedge- 
slaagde voorbeelden van volksliederen houden, wil hij althans 
den schijn niet op zich laden van alleen volkspoëzie te noe- 
men, wat door onbeholpenheid en naïveteit den overbeschaafde 
soms voor een oogenblik kan bekoren. 

Dat Sluyter in 1672 nog eens door de Munsterschen ver- 
dreven was en toen op het huis te Schagen Justina van 
Nassau had aangetroffen, in de lezing van Jeremia's klaag- 
liederen troost zoekend voor de rampen, waardoor het vader- 
land toen getroffen werd, gaf hem aanleiding om ook „Jereraia's 
Klaeg-liederen op dicht- en sang-mate" te stellen en haar 



310 WILLEM SLUYTER KN JODOCUS VAN LOiJBNSTBYN. 

nog in hetzelfde jaar dien bundel op te dragen. Het was zijn 
Jaatste werk. Het beroep naar Rouveen, dat hij in 1673 aan- 
nam, kon hij niet meer aanvaarden: in December 1673 
overleed hij te Zwolle, nog slechts in rijm eene „lykreden** 
op zich zelf aan zijne Eibergsche gemeente nalatende, die 
met een berijmd „graf-schrift van hem selfs" na zijn dood 
werd uitgegeven. 

Aan vriendschap en waardeering ontbrak het hem niet, 
en evenmin aan lofdichten. Wy vinden er vóór zijne -vele 
dichtbundels verscheidene, zooals van eenige zijner Geldersche 
ambtgenooten, Magnus Umbqrovius, predikant te Borkulo, 
EvBRHARDüs Beckinck, predikant te Neede, Andreas TjOderus, 
predikant te Doesburg, en Gualthbrüs Herckmans, predikant 
te Oosterbeek; maar ook van meer bekende collega's uit 
andere streken van het land, zooals Volkbrus van Ooster- 

WIJCK, JOHANNES VoLLENHOVE en JODOCÜS VAN LODBNSTBYN, 

die in vele opzichten een geestverwant van Sluyter was en 
evenals deze het stichtelijk gezang voor een krachtig middel 
hield om godvruchtige gezindheid en vroom geloof te onder- 
houden of te wekken. 

Uit een patricisch geslacht werd Jodocüs van Lodensteyn 
den 6den Februari 1620 te Delft geboren. Te Utrecht studeerde 
hij onder Gysbertus Voetius, wiens getrouwe leerling hij 
levenslang gebleven is en bij wiens dood in 1676 hij een ge- 
dicht „ter gedachtenisse" schreef. Een tweejarig verblijf te 
Praneker ten huize van Coccejus na zijn ütrechtschen studie- 
tijd heeft hem wel tot een vriend, maar allerminst tot een 
aanhanger van Coccejus gemaakt. In 1644 aanvaardde hij het 
predikambt te Zoetermeer en Jfegwaard en in 1650 vertrok 
hij vandaar naar Sluis. 

In hetzelfde jaar werden ook zijne eerste verzen gedrukt, 
namelijk „Memoriale versen over History-boucken des Ouden 
testaments", later nog vermeerderd met dergelijke over de 
„vijf Histori-boeken des Nieuwen testaments", die het best in 
eene geschiedenis der mnemotechniek op hunne plaats zijn, 
evenals de eerst na zijn dood uitgegeven berijming van het 
Lukasevangelie. Zijne liederen dagteekenen met enkele uit- 
zonderingen eerst van na 1653, toen hij beroepen werd tot 



JODOCÜS VAN LODKNSTKYN. 311 

predikant te Utrecht, wat hij tot zijn dood (6 Aug. 1677) ge- 
bleven is. 

Deze liederen geven hem recht op eene eigen plaats in de 
geschiedenis onzer letterkunde als de voornaamste dichtuitingen 
eener godsdienstige richting, die zooveel aanhang heeft ge- 
vonden, dat zij onder den titel „Uyt-spanningen" in vier 
boeken niet minder dan zestien uitgaven (de laatste van 1780) 
hebben beleefd, terwijl na 's dichters dood eenige, vroeger af- 
zonderUjk uitgegeven, gedichten nog in een tweede deel zijn 
verzameld.' Wanneer de eerste druk het licht zag, is niet be- 
kend, maar daar de liederen bijna alle gedateerd zijn, weten 
wij, dat verreweg de meeste gedicht zijn van 1659 tot 1665, 
toen eene zware ziekte hem trof. Misschien zijn zij kort daarop 
voor 't eerst gedrukt, maar in latere uitgaven draagt de voor- 
rede als dagteekening 7 Julii 1676. 

Het lag evenmin in Lodenstbyn's karakter als eertqds in 
dat van Camphuysen, om met zijne liederen eenigen kunst- 
roem te willen behalen; maar Camphuysen deed dat zijns on- 
danks, LoDBNSTEYN heeft dat mijns inziens noch door den 
vorm, noch door den inhoud zijner liederen kunnen doen. 
Welluidend zijn zij slechts eene enkele maal; de dichterlijke 
beeldspraak is er niet nieuw of, indien wel, niet zelden wan- 
smakelijk. Meent men er nu en dan den toon van Hooft of 
Vondel in te hooren, dan is het alleen omdat Lodbnsteyn 
enkele van hunne liederen in eigen woorden heeft nagebootst, 
zooals Vondel's rei van Klaerissen en Hooft's lied „het vinnig 
stralen van de son'*, dat in zijne omwerking een minnelied tot 
den geestelijken herder geworden is. 

Soms hebben de liederen betrekking op bepaalde gebeurte- 
nissen, ook in 's dichters familie- of vriendenkring, zooals bv. 
het lijkdicht op zijn Utrechtschen ambtgenoot en boezemvriend 
Justus van den Bogaert, die in 1663 overleed en dien hij ook 
in een uitvoerig prozawerk herdacht. De vervolgingen der 
Waldensen in 165o en nog eens in 1661 — 63 gaven hem (zooals 
ook De Decker en Oudaen) een „Treur-gesang over d'elende 
der Piedmontoysen" in de pen, en andere gedichten hebben 
betrekking op geruchtmakende twisten in zijn tijd. 

Daartoe behooren vier treurliederen over de kerkelijke voor- 
vallen van 1660, waarin hij ten nauwste betrokken was. De Re- 



312 JODOCÜS VAN LODEN8TEYN. 

geering der stad Utrecht eischte toen, evenals die van Amster- 
dam in 1630, voor twee afgevaardigden uit haar midden toe- 
lating tot de kerkeraadsvergaderingen, en de beide predikanten, 
Abraham van de Velde en Johannes Teelinck, dié daarover 
op den preekstoel tegen [de Overheid losgedonderd hadden, 
werden uit hunne bediening ontslagen*, waarmee Lodensteyn 
de autonomie der Kerk aangetast achtte, zooals hij ook zelf 
van den preekstoel scherp genoeg te kennen gaf. Ook later is 
hij nog dikwijls in zijne preeken, waarvan er verscheidene ge- 
drukt zijn en waarmee hij grooten opgang maakte, tegen de 
Overheid uitgevaren, wanneer die in de kerkelijke zaken wilde 
ingrijpen. „Wat geestelickheyt is er in de Overheden! veele 
zyn Atheïsten!" durfde hij eens van den kansel zeggen. 

Zoo koos hij ook partij voor zijn vriend Jacobus Koelman, 
die ook als dichter van „Geestlyke gezangen" bekend is, toen 
deze in 1674 door de Staten van Zeeland, tegen den wensch 
zijner gemeenfte in, was afgezet als predikant te Sluis, omdat 
hij zich niet aan Overheid en kerkordening wilde onderwerpen 
op het stuk van strenge onderhouding der kerkelijke feestdagen 
en woordelijk uitspreken der formulieren. Koelman verzette 
zich daarmee — en Lodensteyn was het geheel met hem 
eens — tegen al te vormelijken godsdienst. Volgens beiden 
was de Gereformeerde kerk verslapt en ontaard. Er moest 
nieuw leven in de doode kerkgebruiken gebracht worden. 
Strenger dan gewoonlijk gebeurde moest de Sabbatsrust worden 
onderhouden. Krachtiger moest tegen het veldwinnend Cartesia- 
nisme, zooals dat aan de Leidsche hoogeschool verkondigd 
werd, worden opgetreden. 

Met dat alles hield Lodensteyn nog niet op, rechtzinnig 
Calvinist te zijn, en het is dan ook aan zijne vijanden niet ge- 
lukt, hem wegens ketterij te doen veroordeelen ; maar toch ge- 
voelden de strenggereformeerden wel, dat, mocht hij dan ook 
op leerstellig gebied al geen ketter zijn, het toch juist niet 
de echt Calvinistische geest was, die hem bezielde. In de 
Gereformeerde kerk vertegenwoordigt hij in dien tijd de 
mystiek-piëtistische richting, en het zijn vooral zijne liederen, 
die daarvan getuigden. Zij dienden om tot onderlinge stich- 
ting der wedergeborenen gezongen te worden in de oefenings- 
bijeenkomsten der vromen, die ten huize van Voetius gehouden 



J0D0CÜ8 VAN- LODENSTEYN. 313 

werden, of ook wel ten huize van de geleerde dweepster Anna 
Maria Schuebmans, althans tot 1666, toen zij verhuisde naar 
Middelburg, waar op aanbeveling van zijne Utrechtsche geestver- 
wanten toen Jean de Labadie uit Genève tot Waalsch predi- 
kant beroepen was. Met hunne vriendschap voor dezen dweper 
hebben de Voetianen zich min of meer gecompromitteerd, 
vooral nadat hij in 1668 als predikant weer was afgezet en 
eerst te Amsterdam, later buitenslands, leeringen verkondigd 
en bijeenkomsten gehouden had, die terecht groote ergernis 
wekten, maar door Lodensteyn werden verontschuldigd. 

Met Sluyter had Lodensteyn eene zekere voorliefde voor 
het monniken-ascetisme gemeen. Zelf altijd ongetrouwd ge- 
bleven, verdedigde hij het kloosterwezen, als te onrechte door 
de Hervorming afgeschaft, en prees hij het coelibaat, omdat 
strengheid van zeden daardoor het best kon bevorderd 
worden, want al wat wereldsch was, was zonde in zijn oog, en 
niet te gestreng kon het veroordeeld worden. De onvolmaakt- 
heid der menschelijke natuur mocht er niet als verontschuldiging 
voor worden aangevoerd : die natuur toch kon verbeterd worden 
door bekeering en wedergeboorte. Daarin nu kon men zich stelsel- 
matig oefenen op de wijze van Tauler en Thomas a Kempis, 
wier geschriften hij hoog stelde. In onderlinge oefeningen kon 
die wedergeboorte worden bevorderd onder gebed en gezang, 
maar ook in de heilige eenzaamheid, wanneer men zich in 
gemeenschap voelde met God. „Al myn tragten, myn ver- 
wag^en is na U, myn God, alleen", zong hij, en met minachting 
van alle bekoringen der wereld riep hij uit: „Hoog, omhoog, 
myn ziel, na boven ! Hier beneden is het niet : 't rechte leven, 
lieven, loven is maar daar men Jesum siet!'* 

De liederen op den „lieven soeten Jesus", wiens heilig leven 
ieder tot voorbeeld moest strekken, herinneren in vele opzichten 
aan de middeleeuwsche liederen der minnende ziel, zooals bv. 
een „lied der minne tusschen Emanuel en Sulamith op de 
maniere van harders-sang". Wie in Jezus gelukkig is, blijft 
onverschillig voor aardsche rampen, meende hij, en hij toonde 
ook, dat hij dat waarlijk meende, toen hij in November 1673 
met dertien andere aanzienlijke Utrechtsche burgers door de 
Franschen, die voor hun aftocht Utrecht gebrandschat hadden, 
als gijzelaar meegevoerd werd naar het fort Rees, waar hij 



814 JODOCUS VAN LODBNSTfiVN ES JBRBMIAS DB DBGKBR. 

gevangen bleef tot de schatting betaald was, d. i. tot Februari 
1674. Zelfs „gevangen", wilde hij toen niet ophouden „'s Hemels 
Heerscher vry en bly met gesangen te loven" ; immers „'s Hemels 
Geest en kent geen band", zeide hij in zijn lied „Hert-sterckte 
in Jehova", het eerste der vier liederen, die hij in zijne ge- 
vangenschap dichtte en die onder den titel „Meditatiën over 
eenige van 'sHeeren Gods Eygenschappen" gedrukt z\jn,vóór 
zij in de „Uyt-spanningen" werden opgenomen. 

Zijn Slüytee's liederen meest onder zijne Geldersche dorpe- 
lingen gebleven, die van Lodensteyn hebben overal in dorpen 
en steden, waar piëtistische oefeningen gehouden werden, vorm 
gegeven aan de uitingen der vrome gemoederen, en niet alleen 
hier te lande, maar ook in Duitschland, waar Lodensteyn 
nog lang daarna onder de piëtisten hoog stond aangeschreven, 
zoodat men ook d&dr meermalen zijne liederen heeft vertaald 
of nagevolgd. 

XLin. 

Stichtelijke poëzie van Contra-remonstranten en Remonstranten. 

Niet alleen godsdienstige liederen, maar ook stichtelijke 
leerdichten en bijbelbespiegelingen zijn er in de tweede helft 
der zeventiende eeuw bij ons in groot aantal gemaakt, en die 
van den beminnelijken Jeremias Abrahamsz. de Deckbr 
treden daaronder op den voorgrond. Ook diens vader was 
weder een Brabander, van Antwerpen geboortig. Na tot de 
verdedigers van Oostende behoord te hebben, had hij zich 
eerst te Dordrecht neergezet, waar zijn zoon Jeremias in 1609 
geboren werd, en vandaar vertrok hij weinige jaren later naar 
Amsterdam. Daar was hij eerst specerij handelaar en vervolgens 
makelaar, een beroep waarin zijn zoon hem ijverig behulp- 
zaam was. „Om kleenen makel-loon" moesten zij zich moe 
loopen „van 's morgens vroeg tot 's avonds laet"; maar „de 
daelders en dukatons en kloncken noch en rammelden hun 
niet zeer in buidel of kasse", te minder omdat vader en zoon 
beiden hun vrijen tijd verder aan studie wijdden. Geschied- 
boeken en reisverhalen waren 's vaders lievelingslectuur en 
ook de geestesspijs, waarmee de zoon van jongs af werd 



JKREMIAS DE D£CKi£R. 315 

opgevoed. De vader kende de Oudheid alleen uit de tweede 
hand en gaf uit het Fransch vertalingen van Florus en 
Eutropius, door den zoon in 1664 ter perse gelegd; maar hij 
zorgde er voor, dat zijn zoon tot de geleerde kooplieden van 
zijn tijd zou behooren en ten minste Latijn leerde. 

Diens oudste gedichten zijn dan ook goede vertaliugen naar 
Latijnsche dichters, als Horatius en Prudentius, waarbij later 
nog vertalingen kwamen van Juvenalis' veertiende en Persius' 
vierde hekeldicht, van heldinnenbrieven van Ovidius en van 
SaHnazarius' „Galathea", als voorlooper der achttiendeëeuwsche 
navolgingen van diens visscherszangen. Omvangrijker vertaling 
was die van Buchanan's treurspel Baptisies (of Dooper), door 
De Decker in 1652 uitgegeven, een jaar nadat hij voor 't 
eerst als dichter de aandacht op zich gevestigd had door het 
omvangrijkste zijner oorspronkelijke stichteUjke gedichten, de 
„Qoede Vrydag ofte Het Lijden onses Heeren Jesu Christi". 

De roem van dit gedicht klonk nog na tot ver in de 19de 
eeuw en de „cierlyke netheid", die Vondel in De Decker 
prees, mag er dan ook zeker eene verdienste van genoemd 
worden, zooals van alles wat geschreven werd door dezen 
dichter, die zich zelf niet spoedig voldeed en langen tijd aar- 
zelde, vóór hij iets ter perse durfde zenden. Met moeite kon 
men hem in 1656 bewegen, zijn „Goede Vrydag" met zijn 
„Dooper" nog eens uit te geven, samen met eene bloemlezing 
uit zijne kleinere gedichten, en aan een nieuwen druk, dien 
een ander uitgever in 1659 van zijne „Rym-oefiFeningen*' 
{ zooals zij toen heetten) tegen zijn uitdrukkeUjken wensch in 
de wereld zond, voegde hij sleq^ts schoorvoetend eenige nieuw- 
gemaakte gedichten toe en ook eenige eerstelingen, die toen 
ongetwijfeld door hem verbeterd zijn, namelijk berijmingen 
van verschillende psalmen en van de „Klaegliederen Jeremiae, 
op psalmwijzen gestelt", waarvan hij zeide, dat zij „onrijpe 
fruyten van syne noch seer jonge en byna kinderlijcke jaren" 
waren. 

De „Goede Vrydag" bestaat uit tien tafreelen van ongelijken 
omvang en verschillend van dichtmaat, ofschoon bij alle de 
alexandrijn regelmatig door korte versregels wordt afgewisseld. 
Hooge dichterlijke vlucht neemt het gedicht niet ; zelfs maken 
zeer prozaïsche opmerkingen in alledaagsche woorden niet 



316 JBREMIAS DE DECKER. 

zelden een indruk van smakelooze banaliteit, die zoovele stichte- 
lijke gedichten kenmerkt; maar daartegenover staan roerende 
ontboezemingen van innig gevoel, die zeker menig vroom lezer 
tot tranen toe zullen bewogen hebben; daartegenover treft ons 
ook de groote aanschouwelijkheid, waarmee bv. Christus' gee- 
seling wordt geschilderd en zijne kruisiging, zóó dat wij „de 
spijkeren met ysselijcke slagen door hout en handen hooren 
jagen". Dat de dichter de tafreelen van Jezus' lijden besloot 
met een tafreel der verrijzenis, was eene gelukkige gedachte 
van hem: geen „duyster graf' immers kon „den Vorsf die 
eeuwig leeft" gevangen houden. Dood en hel had hij door zgn 
kruisdood overwonnen. 

Ofschoon in geen enkel opzicht afwijkend van het recht- 
zinnig gereformeerd geloof, dat hij aanhing, doet De Decker 
zich noch in dit dichtwerk, noch in eenig ander voor 
als een ijverig Contra-remonstrant. Daartoe was hij veel 
te vredelievend en zachtzinnig van karakter. Evenmin 
echter heeft hij er aan gedacht, in een puntdichtje („Op 
Pansa"; de praedestinatieleer aan te vallen, zooals Wbster- 
BAEN meende, die, een bondgenoot in hem ziende, daar- 
over in 1658 eene, twee jaar voortgezette en ook uitge- 
geven, briefwisseling met hem begon, waaruit wij zijn vrij- 
zinnigen geest kunnen leeren kennen. Grondige studie heeft 
hij, zooals hij daar zegt, van de twistpunten der Remonstranten 
en Contra-remonstranten niet gemaakt, daar hij ze altijd heeft 
„gehouden voor speculatiën, die de gronden der saeligheyd 
heel weynig betreffen;" en hij zou wenschen, dat men nu 
maar ophield met daarover t^ strijden. „Dat Lutersche en 
Menisten sich afscheyden van de publycke Kercke, heeft 
eenigen schijn van reden," zegt hij, maar waarom zouden 
Remonstranten en Contra-remonstranten zich niet weer ver- 
eenigen? 't Was „een seer bot, grof, ja godloos misverstant 
geweest, dat men in den beginne om sulcke dingen Staet en 
Kercke so schendig heeft beroert en overhoop gesmeten en 
den anderen so lelijck verkettert, en dat ten wedersijden meer 
uyt haet en bitterheyd als uyt liefde tot de waerheyt." Nu 
echter kon men wel wijzer geworden zijn en moesten de Re- 
monstranten weer tot de publieke kerk terugkeeren. Men zou 
ze daarin gaarne opnemen, zonder veel naar hunne gevoelens 



JKRBMIAS DB DBCKBR. 317 

te vragen, en had dat in Amsterdam ook reeds met verscheidene 
Oudremonstranten gedaan, die daarom nog niet tot de strenge 
praedestinatieleer bekeerd waren. De oude Gereformeerden, 
„die in 't gevecht geweest en noch heet waeren in hun 
harnasch," waren nu overleden of „hebben water in hun wijn 
loeren doen" en zullen om zoo klein verschil de terugkee- 
renden niet willen uitsluiten, terwijl van het groote publiek 
nu niet één op de duizend weet, „wat d'oorsaecke sij der 
aparte vergaderingen" en „elck syne partije volgt niet u}i; 
verstand, maer slechts uyt gewoonte en op voorgang van 
ouderen." Hartelijk wenscht hij daarom „dat die sotte 
scheuringe en uyt blinde passiën onstaene breucke eenmael 
mochte werden geheelt en genesen". Men mag het er gerust 
voor houden, dat in de Gereformeerde kerk, althans in Holland, 
de groote meerderheid er evenzoo over dacht en dat men in 
de officiëele kerk van het geharrewar over spitsvondigheden 
genoeg begon te krijgen. Alleen onder de Doopsgezinden bleef 
het nog lang heftiger toegaan, al gold het daar gewoonlijk 
meer het leven dan de leer. 

Dezelfde goedmoedige geest, die uit De Deckeb's brief- 
wisseling spreekt, blijkt ook uit zijne kleine gedichten, als 
zijn „Lentelied", zijn „Aendacht op den Kersdagh des jaers 
1659, zijn uiterst bevallig gedichtje „Te vroeg opluikende 
bloeme", zijn „Morgen-stond" en verder uit zijne verzameling 
van meer dan zevenhonderd vertaalde of oorspronkelijke 
puntdichten, die daarom dezen naam dan ook niet met volle 
recht dragen, want puntig zijn zij zelden, scherp z^n zij nooit. 
Zelf wist hij ook zeer goed dat zijne puntdichten „soo pun- 
tigh en aerdigh alom niet en sloten als den aerd eens Punt- 
dichts is vereyschende", en zelf bekende hij : „heel goed jocks 
en ben ik niet en hebbe veel liever dat Ghy leert als lacht". 
De meeste kleine gedichtjes uit den bundel zouden dan ook 
eer zedespreuken mogen genoemd worden, gewoonlijk in 
keurig-beknopten vorm en verstandig van zin, nooit persoonlijk, 
maar in 't algemeen vooral ontucht en zedeloosheid bestraffend 
en zelf nooit aan den gewaagden kant, want „van Martiaelsche 
vuyligheden was hy doodvyand." 

Door tijdgenoot en nageslacht gewaardeerd en ook met 
verschillende dichters zijns tijds bevriend, bleef De Decker 



318 JBRBMIAS DK DEOKER. 

zich toch steeds in beperkten kring bewegen, meer uit liefde 
dan uit eerzucht de poëzie beoefenend, en zeker niet uit 
geldzucht. „De Poëzy doet selden schoorsteen roocken," schreef 
hij op het laatst van zijn leven uit ondervinding: alleen met 
vertaalwerk verdiende hij soms een paar „blanken," en 
daarin is dan misschien ook de reden te zien, waarom hij 
levenslang ongehuwd is gebleven, ofschoon hij zich geen 
huwelij kshater toont. Toch kan het ook wel zijn, dat de vrouw, 
met wie hij eenmaal gelukkig hoopte te wezen, hem te vroeg 
door den dood is ontrukt. Er bestaat namelijk een klinkdicht 
van hem „Op de dood van Iemand," waarop, meen ik, nog 
nooit bijzonder de aandacht is gevallen. „Stort nu een beek 
van tranen, o mijn' oogen," zoo begint het, „nu ghy die 
oogen siet soo jammerlijck met duisternis betogen, die bovenal 
met ongeveynst medoogen en waeren druck oyt sagen mijn 
verdriet; die uyt mijn heil, dat luttel was of niet, oprechte 
vreugde en waer genoegen sogen." Hare deugd, zoo eindigde 
hij, leefde voort in zijne gedachten. Onwankelbare trouw aan 
eene gestorven geliefde zou dan ook wel niet zoo vreemd zijn 
in een zoo teergevoelig man als De Dbckeb blijkbaar ge- 
weest is. 

Zonder eigen gezin, hechtte hij zich te inniger aan zijne 
ouders, zijne broeders en zusters en hunne kinderen. Aan- 
doenlijke liefde spreekt uit het lijkdichtje op den dood van het 
zoontje zijner zuster Catharina, wier huwelijk met den wiskunste- 
naar en schrijfmeester Willem Verjannen hem ook een brui- 
lofbsdicht had doen schrijven ; maar van dankbare genegenheid 
getuigt vooral het gedicht op de gouden bruiloft zijner ouders 
in 1657. Van zulke gelegenheidsdichten vloeit onze letterkunde 
over en de geschiedschrijver, „die schricklijkst daervan zwijgt 
heeft allerbest gedaen," maar met die van De Decker behoort 
hij eene uitzondering te maken; deze toch gebruikte ze alleen 
om eens de gelegenheid te hebben, zijn gevoelig hart uit te 
spreken in eenvoudigen trant zonder eenige jacht op dich- 
terlijk sieraad; maar daar zij alleen kwamen uit de volheid 
van zijn hart, zijn zij in hun eenvoud welsprekender dan 
menige lierzang, die hooger vlucht neemt. 

Sommige schijnen geschreven voor de eeuwigheid, omdat 
er eene oprechte liefde en eene innige droefheid in klinkt, 



JBBKMIAS DB DEOKBR. 319 

die eeuwig weerklank zal blijven vinden, zoolang de heilige 
band, die ouders en kinderen verbindt, zal gevoeld worden. 
Geene gedichten van Db Decker zijn dan ook zoo bekend ge- 
worden, als de „Suchten en Tranen over 't lyck myns Vaders, 
overleden den 16 Mey 1658", een bundel van vijf rouwdichten 
over den dood van den man, die hem „by sijn leven was 
als een God geweest." Geen vader heeft misschien ooit van 
zijn zoon zooveel lof en dank ontvangen, en weinigen zullen 
die misschien ook zoozeer hebben verdiend ; en toch is er 
niemand, die bij het lezen dezer rouwzangen aan overdrijving 
zal denken, of, doei hij het, dan heeft hij den dichter om die 
overdrijving te liever. 

De dood, „die bittre en ongetrouwe", had hem en de zijnen 
„van rouw in rouwe gerukt", want de grijze vader bezweek, 
toen de zijnen nog nauwelijks waren uitgetreurd over den 
dood van hun broeder David, te Batavia overleden, wien De 
Decker bij zijne heenreis naar de 'Indien een hartelijk af- 
scheidslied had toegezongen. En dezen overleden broeder prijst 
hij nu gelukkig, als hij uitroept: „O saligh ghy, die ons ver- 
driet, ons bitt'ren huys-rou niet en siet, en niet en hoort ons 
lijck-gebaren, maer sacht en vreedsaem uytgestreckt in 't 
uyterst end der Oesterbaren ligt van 't Javaensche sand ge- 
decktl" Het was Db Decker*s laatste rouwzang niet: in 1664 
perste hem de pest, die toen bij ons zoo hevig woedde, weer 
„Tranen op 't graf van synen broeder Abraham" uitdeoogen; 
maar nog één broeder bleef hem over, om over hem rouw 
te dragen, toen hij zelf in December 1666 onverwacht onder 
een hevigen koortsaanval bezweek, en om een jaar later het 
omvangrijke gedicht uit te geven, dat Jeremias de Decker 
gemaakt en reeds (zelfs met de voorrede) voor de pers in ge- 
reedheid gebracht had, zijn Lof der Geldzucht 

Erasmus' „Lof der Zotheid", door zijn vriend Westerbaen 
in verzen overgebracht, heeft De Decker, zooals hij zelf zegt, 
opgewekt om een dergelijk uitvoerig hekeldicht te schrijven. 
Ongelukkig ontbrak hem Erasmus' bijtend vernuft en gaat de 
hekeling bij hem telkens in bespiegeling over. Zelfs zijn er 
gedeelten, waarin de toon der satire zoo weinig gehoord wordt, 
dat wij den lof, aan de geldzucht toegezwaaid, bijna voor 
ernstig gemeend zouden houden. De dichter toch was veel te 



320 JEREMIAS DB DECKER EN VOLKERÜS VAN OOSTBRWIJCK. 

waarheidlievend en bezadigd van oordeel, om te willen over- 
drijven en het nut te willen miskennen, dat het geld te allen 
tijde gesticht heeft en bij goed gebruik moet blijven stichten. 
De echte dichtvervoering neemt het gewoonlijk met de waar- 
heid zoo nauw niet. Dat behoeft ons echter niet te verhinderen 
in den „Lof der Geldzucht" ook menige goedgeslaagde be- 
schrijving, menige treffende zedenschildering op te merken, 
vervat in eene keurige taal en vloeiende versmaat. Daarin, 
zooals over het algemeen met zijne verzen, toont De Decker 
zich een voorlooper van de dichters der achttiende eeuw; 
maar terwijl deze, zooals men wel eens heeft opgemerkt, taal 
en maat en rijm hunner verzen zoolang likten tot alle dich- 
terlijk gevoel er uitgelikt was, heeft De Decker de kunst 
verstaan, een zuiver en innig gevoel zóó er in te doen 
leven, dat ook nu nog bij het lezen van zijne verzen in ons 
hart de teerste aandoeningen van zachten weemoed worden 
gewekt. 

Bij andere stichtelijke dichters behoeven wij niet zoo lang 
stil te staan, bv. bij Volkerus van Oosterwijck, in 1603 te 
Delft geboren, waar hij van 1640 tot 1670 predikant was en 
op den laatsten dag van het jaar 1675 overleed. Verschillende 
gedeelten van den bijbel gaf hij „in sangrijm" uit, zelfs (in 
1660) den „Heydelbergschen Catechismus." Evenals zijn vriend 
HuYGENS, die in 1649 aan het proza van Archibald Arm- 
strong's „Banquet of Jests" (1630) ruim honderd sneldichtjes 
ontleend had, berijmde Van Oosterwijck in 1657 onder 
den titel „De Christelycke Seneca" „driehondert Gulde 
Spreucken'* uit het proza werkje „Occasional Meditations" van 
Joseph Hall, bisschop van Norwich. In 1659 gaf hij nog 
eens driehonderd rijmpjes uit onder den titel „Hof-bloemen," 
en op beide bundels maakten zoowel Hüygens als De Dec- 
ker lofdichten. De laatste had ook reeds, naar aanleiding van 
Van Oostkrwijck's in 1655 uitgegeven „Rymen en zangen 
over 't Hooglied", aan de „schaemteloose Venus-wichten, die 
Parnas tot een bordeel maeckten," toegeroepen: „leert uw 
minnedichten voortaen wysselyken richten naer dien kuisschen 
minnetoon." 

Voor menigen vrome, die gaarne minnedichten schreef 
zonder daarom als wereldling te boek te willen staan, was 



SIMON ABBBS GABBBMA BN FRANCI8CU8 MARTINI US. 821 

het Hooglied eene ware toevlucht, en het is dan ook niet 
vreemd, dat zoovelen altijd maar weer aan de berijming van 
datzelfde bijbelboek hunne krachten beproefden, zooals o. a. 
in 1654 de geleerde, maar weinig ijverige vriend van Gys- 
BERT Japicz, namelijk Simon Abbes Gabbema, in 1628 te 
Leeuwarden geboren, daar in 1659 geschiedschrijver van 
Friesland geworden en in 1688 overleden. 

Een ander stichtelijk dichter, wiens verzen bij De Decker 's 
„Goede Vrydag" te vergelijken zijn, wasFRANCiscusMARTiNius, 
in 1653 op eenenveertigjarigen leeftijd gestorven als predi- 
kant te Epe, ringbroeder en vriend van Goddabus, die hem 
een grafschrift en twee andere metrische gedichten wijdde. 
Het oudste, wat wij van Martinius kennen, was „Camper- 
Lof, door hem in 1641 gedicht ter eere van zijne geboortestad, 
waar hij ook drie jaar als conrector aan de Latijnsche school 
verbonden is geweest. Toen in 1648 de Veluwsche kwartier- 
school te Harderwijk tot Geldei-sche hoogeschool werd ver- 
heven, vierde hij die voor zijn gewest zoo heuglijke ge- 
beurtenis met een feestdicht, dat bijzonder de aandacht op 
hem deed vestigen, en ook reeds drie jaar vroeger had hij 
niet geringen lof van Hooft ingeoogst, bij wien hij op het 
Muiderslot eens met Barlaeus ten eten was geweest en op 
wien hij toen wel geen bij zonderen indruk had gemaakt, maar 
wien hij kort daarop een gedicht toezond, waarover de Drost 
aan Barlaeus schreef, dat hij er „veele aardige slaagen en 
schranderheeden in speurde, die hem deden gelooven, dat hij 
voor geenen van onze Duitsche Rijmers (uitgezonderd Huygens) 
zouw behoeven te wijken, wen het hem lustte zijnen geest 
aan de Poëzy te koste te leggen". 

Dat laatste nu heeft hij niet gedaan, want bij zijn betrek- 
kelijk vroegtijdigen dood liet hij slechts een paar gedichten 
van eenigen omvang na: het door Hooft geprezen „Treur- 
gedicht tot Verklaringe over 't Lyden en Sterven van onsen 
Heere Jesus Christus", o.a. in 1649 afzonderlijk verschenen, 
en de onvoltooide „Triumphe der Opstandinge van onsen 
Heilant Jesus Christus", in 1654 gedrukt: beide met verschil- 
lende kleinere vroeger hier en daar verspreide verzen ook te 
vinden in den bundel zijner in 1729 verzameld uitgegeven 
«Gedichten". Brandt verheerlijkte Martinius in een graf- 

21 



322 HEIMAN DULLABRT. 

schrift, als iemand die „van godtlijk vier geraekt en heil'ge 
lust gedreven, sijn Heylandts lijden zong en 't bloedt dat hy 
vergoot", en voegde er bij, dat hij stierf, toen hij op het punt 
was, ook in verzen Christus' hemelvaart te beschrijven. 

Niet veel ouder dan Martinius stierf een ander, in het oog 
zijner vrienden even verdienstelijk en even veel belovend, 
stichtelijk dichter, namelijk Heiman Dullaert, die in 1636 
te Rotterdam geboren werd en door zijn zwak gestel slechts 
met moeite den leeftijd van achtenveertig jaar bereikte. Door 
zijn ouderen vriend Oudaen in een hartelijken lijkzang be- 
treurd, leefde hij nog lang daarna als een edelaardig, vriende- 
lijk en zachtmoedig man in de herinnering zijner vrienden voort, 
dermate zelfs, dat David van Hoogstraten er nog in 1719 toe 
kwam, zijne hier en daar verspreide, maar meerendeels onge- 
drukte gedichten, in een bundeltje bijeenverzameld, uit te 
geven. Deze meende ook, dat Dullaert „onder de beste 
dichters eene aenzienlyke plaets verdiende", doch het nage- 
slacht heeft dat oordeel niet kunnen bevestigen, daar zijne 
gedichten, die meest van gemoedelijk-stichtelijken aard zijn 
en gedeeltelijk bijbelwoorden of bijbelsche voorstellingen tot 
onderwerp hebben, zoo weinig een eigen karakter bezitten, 
dat het ons onmogelijk is, ze anders dan met algemeene 
termen te kenmerken. Bij zijne zwakke gezondheid was het 
een geluk voor hem, dat zijne middelen hem veroorloofden 
zonder ambt of beroep te leven, al nam hij ook, als diaken 
van de Waalsche gemeente, aan het kerkelijk leven deel, en 
al legde hij zich ook als liefhebber ijverig toe op muziek en 
schilderkunst. Ter beoefening van de laatste kunst begaf hij 
zich zelfs voor geruimen tijd naar Amsterdam, om zich daar 
te stellen onder leiding van Rembrandt, van wiens schilderijen 
hij goede copieën leerde maken. 

Veel meer naam dan deze stichtelijke dichter maakte de, 
ook als kanselredenaar gevierde, Johannbs Vollenhove, in 
1631 geboren te Vollenhove, waar zijn vader burgemeester 
was, en, na een jaar predikant te Vledder geweest te zijn, in 
1655 te Zwolle beroepen en vandaar tien jaar later naar Den 
Haag gegaan, waar hij 14 Maart 1708 overleed. De Universi- 
teit van Oxford verleende hem het eeredoctoraat in de theologie, 
toen hij in het laatst van 1674 eenigen tijd te Londen dienst 



JOHANNES VOLLENHOYB. 823 

deed als predikant bij het buitengewoon gezantschap, dat daar- 
heen was gegaan om er een zeevaartverdrag te sluiten. 

Onder zijne gedichten treft men eenige rijmbrieven aan, uit 
Engeland overgezonden, waarin o.a. de verrukkelijke omgeving 
van Londen, het lieflijke Theemslandschap met Windsor en 
Richmond wordt verheerlijkt en verbazing wordt uitgesproken 
over al de pracht, die Londen nog ten toon kon spreiden na 
den hevigen brand, die er in 1666 had gewoed en waardoor 
VoLLBNHOVB zclf toou gezougou had, dat Londen, «te deerlyk 
van het vier verslonden, nu dezelve stadt, nu geen Londen 
meer was, maar een woeste puinhoop". Bij hem en ook bij 
VoNDBL, Wbsterbaen, De Dbckbr en anderen, die dien brand 
bezongen evenals Samubl van Hoogstraten, die tijdens den 
brand in Londen woonde, heette dat toen eene gerechte straf 
voor den brand, kort te voren op Terschelling gesticht door 
de Engelschen, wier hoofdstad, als zij zich niet haastten het 
oorlogsvuur te blusschen, voor Vollbnhove, een roofnest 
zonder eer zou blijven, al „stichtte men daar ook schoner 
beurs en straten, al zag men een nieuw Londen weer, gebout 
met enen glans en luister, daar 't oude doof by stont en 
duister". 

Dit vers van Vollbnhove is steeds tot zijne beste gedichten 
gerekend, evenals ook de „Lykklagt op Graaf Nicolaas Serini", 
die, strijdend voor den Keizer tegen de Turken, in 1665 ge- 
sneuveld was. Van die lijkklacht toch schreef Vondel, dat het 
„een lierzang was, dien heldt waardig en uit een volle ader 
van de hengstebron uitgeborsten". Ook reeds veel vroeger 
had Vondel, ondanks zijn afkeer van predikanten, Vollenhove 
geprezen en hem zelfs een der beide zonen genoemd, die hij 
in de dichtkunst zou nalaten, naar aanleiding van Vollen- 
hove's proefstuk als dichter, dat tegelijk zijn meesterstuk was, 
namelijk de Kruütriomf. Hij had het „al een wyl tyts gedicht 
voor syn beroep" in 1655 naar Zwolle en droeg het in 1656 
aan de Regeering van Zwolle als een dankofier op. Duidelijk 
kunnen wij er uit zien, dat Vondel vooral zijn voorbeeld was 
geweest, en vijfentwintig jaar later riep hij nog den dichters 
en ook zich zelf toe : „Leert Vondei's taal, Parnastaal, spreken". 
Die taal klinkt ons dan ook inderdaad wel tegen uit den 
„Kruistriomf. Er is kracht en gloed in; maar een echte zoon 



324 JOHANNB8 VOLLBNHOVB. 

van Vondel was Vollenhove toch niet, en in zijne latere 
gedichten nauwelijks een kleinzoon. 

Een groot gedeelte van die latere gedichten gaf Vollenhove, 
met den „Kruistriomf ' samen, onder den titel „Poëzy" in 1686 
uit, en de godsdienstige gezangen, die in dezen vrij omvang- 
rijken bundel voorkomen, zijn in 1750, dus lang na 's dichters 
dood, nog eens herdrukt en toen vermeerderd met een groot 
aantal andere gezangen in denzelfden toon, door Vollenhove 
na 1686 en voor het meerendeel in 1693 gedicht. Zij wor- 
den in dien bundel onderscheiden in kruisgezangen, feest-, 
boet-, troost-, lof-, wek- en mengelzangen. Wat niet van zuiver 
stichtelijken aard was, is in dezen tweeden bundel niet weder 
opgenomen. 

Men vindt er daarom ook niet de „kerkdichten" van den 
eersten bundel in, en dus ook niet de bekende „Klagte over 
den kerktwist" van 1678, waaruit wij Vollenhove als vrijzinnig 
en vredelievend geestverwant van Jeremias de Decker leeren 
kennen, afkeerig van „twistgeschreew", waarmee „de Fari- 
seew valschelijk zyne eerzucht weet te vergulden". „Leert 
hier u zelfe verzaken: leert nedrigheit van Christus kruis, en 
vrê met waarheit planten : Dat past Godts vrêgezanten", roept 
hij er zijnen „broeders" in toe; maar als predikant had hg 
die medebroeders en de kerkbesturen te ontzien, en aanvanke- 
lijk schroomde hij daarom het gedicht, ook zelfs anoniem, in 
het licht te geven, „duchtende, dat syn stijl al te kenbaar 
was en de waarheit by wrevelige menschen niet zou willen 
gezegt zyn". Zoo schreef hij aan zijn vriend Brandt, dien 
hij juist om zijne vredelievendheid zoo hoog schatte, en wiens 
sterk gekleurd remonstrantisme hij volstrekt niet hinderlijk 
vond, te minder nog omdat zij zich in de eerste plaats als 
dichtvrienden beschouwden en „Parnassus zich geen verschil 
in kerkleer aanti'ok". 

Behalve deze „kerkdiohten" bevat Vollenhove's eerste bun- 
del nog een groot aantal gelegenheidsdichten, bij verjaarfeest, 
bruiloft of overlijden van vrienden, helden en grootwaardig- 
heidsbekleeders gezongen. Daaronder trekken de aandacht het 
hartelijk gedicht van 1663 „Op het jaargetyde*' van zijne eerste 
vrouw, Gezina Hake, en de „Gedachtenis*' bij haar dood in 
1681. Toch, hoe innig hij ook haar heengaan betreurde, twe^ 



JOHANNBS VOLLBNHOVB. 325 

jaar later konden zijne vrienden (in de eerste plaats Brandt, 
en verder o. a. ook Huygbns) hem in verzen gelukwenschen 
met den nieuwen huwelijksband, toen door hem geknoopt met 
Kathaiina Roozeboom, eene kleindochter van SimonStevin. 

Leefde de geest van dien grooten grootvader in zijne klein- 
dochter voort, dan zal dat voor Vollenhove in haar eene 
aantrekkelijkheid te meer geweest zijn, want evenals Stevin 
was ook hij een voorstander van de zuiverheid zijner moeder- 
taal, en een zijner merkwaardigste gedichten is dan ook zijn 
gedicht van 1678 „Aan de Nederduitsche schrijvers". Hij be- 
strijdt daarin het gebruik van bastaardwoorden en van eigen- 
namen met Latijnsche buigingsuitgangen, en spaart ook 
„den preekstoel" niet, die „Pransch, Latyn, Hebreewsch met 
Duitsche woorden spreeckt". Maar zijn gedicht is niet alleen 
een pleit voor taalzuivering: het stelt ook allerlei andere meer 
en meer ingeslopen taalgebreken aan de kaak, en is zelfs 
grootendeels eene spraakkunst in i-ijm, waarin bv. bij lidwoor- 
den en voornaamwoorden gewezen wordt op de juiste buigings- 
uitgangen voor de verschillende taalkundige geslachten. 

Met dit gedicht staat Vollenhove op den drempel van een 
nieuw tijdvak in onze letterkunde, waarbij hij trouwens ook 
voor de laatste vijfentwintig jaar van zijn leven behoort. Hij 
is hier in theorie, wat hij eigenUjk in al zijne gedichten in 
de practijk was: iemand voor wien de poëzie in de allereerste 
plaats bestond in het gebruik van eene zuivere, oordeelkundig 
beschaafde, grammatisch juiste taal. Toen Brandt's tweede 
zoon, Gekraardt, in 1683 op zevenentwintigjarigen leeftijd 
als Rotterdamsch predikant overleden was, en hij dien jongen 
man in een lijkdicht ook als dichter prees, noemde hij hem 
„in bruiloftzang en lyk- en zededichten al even schoon en 
zuiver door zyn vyl". Hoe menigmaal zou hier later de vijl nog 
dienst moeten doen om poëzie tot proza af te gladden of aan 
proza den schijnglans van poëzie te verleenenl 

Van de Gereformeerde stichtelijke dichters zijn wij door den 
jongen Gebraardt Brandt te vermelden reeds onwillekeurig 
tot de Remonstrantsche overgegaan: een overgang trouwens, 
die ons door Vollenhove's vriendschap voor sommigen onder 
hen niet moeieUjk is. 

Vermelding verdienen onder hen, althans met een enkel 



326 REMON8TRANT8CHB DICHTERS; PIBTBR DE GROOT. 

woord, de Leidsche glasschrijver Willem van Heemskerk, op 
wien wij later nog terugkomen, de Rotterdamsche boekver- 
kooper Johannes Nabranus of Jan van der Neer, wiens 
geschriften echter veeleer stekelig dan stichtelijk te noemen 
zijn, NicoLAAS BoRREMANs, tot 1652 predikant te Nieuwkoop, 
daarna te Maasland, behalve door veel proza ook door enkele 
kleinere gedichten bekend, en Pietkr de Groot, Hugo's zoon, 
over wiens veelbewogen leven en veelzijdig bedrijf als staats- 
man wij hier natuurlijk moeten zwijgen, maar die als dichter 
in drie talen (Latijn, Fransch en Nederlandsch) hier niet on- 
vermeld mag blijven, al behandelde hij de poëzie slechts als 
eene bijjzaak, zoodat hij dan ook nooit een gedichtenbundel 
heeft uitgegeven, maar alleen zoo nu en dan zijne verzen aan 
vrienden afstond om ze in eene der verschillende destijds 
verschijnende bloemlezingen te plaatsen, b.v. in „Verscheyde 
Nederduytsche Gedichten" (van 1651) en „ApoUo's Harp" 
(van 1658). In den laatsten bundel vindt men van hem o.a. 
een uitvoerig stichtelijk gedicht: „üp de geboorte onzes Heeren 
Jesu Christi". Zijn voornaamste dichtwerk, „Uitbreiding der 
Psalmen", werd eerst in 1724 uitgegeven, dus lang na zijn 
dood, daar hij in 1678 op drieënzestigjarigen leeftijd overleed, 
na zich „trou voor staat en vryheit" gekweten, maar levens- 
lang in het lot zijns vaders gedeeld te hebben: „gevlucht, ge- 
keert, beticht, maar loflyk vry gesproken*', en als „over winner 
van zyn ongelyk en leedt" gestorven, zooals het heet in het 
grafschrift, voor hem gemaakt door Gberaardt Brandt, 
die, naast Wbstbrbaen, de eigenlijke dichter der Remonstranten 
mag genoemd worden. 

Van Antwerpsche afkomst, werd Brandt 25 Juli 1626 te 
Amsterdam geboren, waar zijn vader Gerrit, ook reeds een 
geboren Amsterdammer, wegens zijne liefde voor de dichtkunst 
eenigen tijd schouwburgregent is geweest en overigens een 
bestaan vond als horlogemaker en werktuigkundige, waarvoor 
aanvankelijk ook zijn zoon werd opgeleid. 

Deze toonde reeds jong zijn aanleg voor de poëzie en waagde 
er zich nog vóór zijn achttiende jaar aan, een oorspronkelijk 
treurspel te schrijven, Veinzende Torquatus, dat, ofschoon zonder 
reizangen, zoowel de „Aran en Titus" van Jan Vos navolgt, als 
de treurspelen van Seneca, waaruit verschillende versregels meer 



GEERAARDT BRANDT's „VEINZENDE TORQÜATÜS". 327 

of minder vrij vertaald zijn overgenomen en waarvan de al 
te hoogdravende taal nog vèr overtroffen wordt, terwijl gru- 
welen plegen en bespreken schering en inslag is van het stuk 
Het merkwaardige van dit treurspel is, dat de jonge dichter 
het eerste ontwerp er van ontleend heeft aan eene novelle uit 
het zesde deeltje der „Tragische Historiën" van Bandello- 
Belleforest, waarin verhaald wordt „met wat een listicheyt 
Amleth, namaels Coningh van Denemarcken, gewroken heeft 
de doodt van zyn vader Horwendill, omgebracht by syn eygen 
broeder Fengo, ende meer andere zyne geschiedenissen", en 
dat er dus dezelfde stof in verwerkt is, als in Shakespeare's 
„Hamlet". Brandt heeft echter de gebeurtenissen naar Rome 
overgebracht en aan zijne personen Latijnsche namen gegeven. 
Hamlet zelf heet hier Torquatus, zijn vermoorde vader Manlius, 
zijne moeder Plancina, zijn oom, die ook hier zijn eigen 
broeder vermoordde en diens weduwe trouwde, heeft er den 
naam Noron ontvangen en is er Romeinsch keizer. De Horatio 
van Shakespeare treedt ook hier op, maar onder den naam 
Junius. Laërtes is er Pizo en zijne zuster Ophelia draagt er 
den naam van Juliane. Ook bij Brandt verschijnt de geest 
van Manlius aan zijn zoon om hem tot wraak aan te sporen, 
ook bij hem veinst de prins, die van Athene, waar hij studeerde, 
naar Rome overkwam, zich krankzinnig, en tracht Noron te 
onderzoeken, of die krankzinnigheid echt of voorgewend is, 
door hem met zijne gehefde Juliane in een bosch buiten de 
stad samen te brengen en hem daar bij hun onderhoud te 
beluisteren. Evenmin als Hamlet loopt hier Torquatus in de 
val: hij blijft zich ook daarbij als krankzinnig voordoen en 
doet zelfs aan het „to be or not to be" denken door zijn 
„daar ik ben, ben ik niet, en daar ik niet en ben, daar is nu 
mijn gemoedt". Verder vinden wij hier Hamlet's tooneel met 
zijne moeder gedeeltelijk terug. Ook dat was door den tiran 
voorbereid, om zijn neef te doorgronden, en evenals Polonius 
bij Shakespeare, boet ook hier de „onder de tappijt" verborgen 
Lentulus zijn spioneeren met den dood. Pizo keert hier (doch 
als zegevierend veldheer) terug evenals Laërtes, en ook hier 
emdigt Juliane met zelfmoord, doch eerst op het eind van het 
stuk; als Noron door een geschenk van haar, een vergiftigd 
kleed, gedood is, zooals ook eenmaal Seneca's Hercules gedood 



328 bbandt's bbbste gbdichticn. 

was. Zij doorsteekt zich dan, als eene andere Lucretia, omdat 
zij de schande niet wil overleven van door Noron verkracht 
te zijn, zooals de dichter zich niet ontzien had, op het tooneel 
zelf te vertoonen na haar onderhoud met Torquatus. Bij 
Noron vergeleken is Shakespeare's Claudins nog maar een 
kind in de boosheid, want Noron stapelt in het treurspel het 
eene gruwelstuk op het andere, met dit gevolg, dat bij het 
dichtschuiven van bet gordijn Torquatus nagenoeg de eenige 
is, die nog het leven heeft kunnen behouden. 

Vergelijken van „Hamlet" en „Veinzende Torquatus" zou 
vergelijken van dag en nacht zijn ; maar toch verraadt Brandt's 
bombastisch gruwelstuk zekeren aanleg, die Caspab Bablaeus 
zelfs in verbazing bracht, zoodat hij, vol verwondering in het 
stuk den geest van Seneca herkennende, in een lofdicht uitriep: 
„'t was eertijds mannen werk, nu komt de têere jeugt en davert 
op 't tooneel en tart de gryse hairen". Vooral verwonderde hij 
er zich over, dat een jonge man zoo goed de kunst van vein- 
zen verstond: een lof echter, dien Bbandt liever maar niet 
had moeten verdienen. Toen het stuk in 1645 op den Am- 
sterdamschen Schouwburg werd vertoond, kon de jonge dichter 
zich gelukkig rekenen, ook Tesselschade onder de belangstel- 
lende toeschouwers te zien. Hij had er zijn naam voorgoed 
mee gevestigd. 

In 1649 gaven Nicolaas Borremans en Johannes Naeranus 
alle „Gedichten" verzameld uit, die Bbandt tot dien tijd toe 
had gemaakt. Onder de kleinere verzen treft men daar enkele 
minnedichten aan en ook een welgemeend lijkdicht op Bablaeus 
en een ander „Op d'uitvaart van zyn Hoogheidt" Frederik 
Hendrik; maar het belangwekkendste in den bundel is een 
zeer uitvoerig gedicht „Op het sluiten der eeuwige vrede", in 
rijmlooze verzen. Zulke verzen te schrijven was toen een waagstuk. 
Slechts zelden was dat bij ons beproefd, en daarom meende 
Bbandt dan ook er zich in eene „voorreede" over te moeten 
verantwoorden, als over „een nieuwigheit", ofschoon toch de 
Ouden nooit hadden gerijmd, maar alleen de maat hadden in 
acht genomen. De oudere Nederlanders echter hadden de 
maat verwaarloosd, zeide hijj, en konden daarom het rijm 
niet missen; nu echter, sinds Spieghel, Hooft en Vondel* van 
„onze poëzy, die te voor en niet als rijm was, maatgedicht" 



BRANDT's BIJMLOOZB y&BZBN EN HUWBLIJK. 829 

hadden gemaakt, „konden wy het rijm zoo wel ontbeeren als 
andere taaien", daar immers het rijm „den geest in een eng 
en slaafs perk bepaalt". Ook waren Italië en Spanje ons in 
het schrijven van rijmlooze verzen reeds voorgegaan, en zelfs 
onder de Franschen, die meest allen aan het rijm hechtten, 
waren er geweest, zooals Du Bellay, Montaigne en Mesnadière, 
die voor rijmlooze verzen hadden gepleit. „De dichters", had 
Huygens gezegd, „zyn dichtblindt: zij zien maer door het 
Rijm", en ook daarop meende hij zich te mogen beroepen: 
niet in het rijm behoorde de poëzie te bestaan, maar „aardige 
vonden en rijke beschrijvingen moesten de Poëzij een ziel 
instorten". 

In theorie kan men Brandt zeker geen ongelijk geven, en 
Franciscus Martiniüs, wiens oordeel hij had ingeroepen, 
schonk hem bijval, doch zeker is die bijval weinig algemeen 
geweest, daar Brandt, behalve in het om dienzelfden tijd ge- 
schreven gedicht „De traanen van den Apostel Peter", nooit 
meer met rijmlooze verzen voor den dag is gekomen, zeker 
omdat hij gevoelde, dat hij aan de hoogere eischen, die het 
rijmloos gedicht stelt, niet kon voldoen. Alleen reeds metrisch 
zijn zijne verzen in zooverre gebrekkig, dat zij telkens enjam- 
beeren, wat zelfs bij rijmende verzen uitzondering moet zijn, 
maar rijmlooze verzen tot een bastaardsoort van rhythmisch 
proza maakt, ongunstig afstekend bij een proza met vrijen 
rhythmus, op zin en welluidendheid gegrond, zooals de proza- 
kunstenaar dat weet te schrijven. 

Nadat deze gedichtenbundel was uitgegeven, heeft Brandt 
bijna niets anders dan stichtelijke gedichten in 't licht ge- 
zonden. Immers spoedig » maakte van een tooneelpoëet de 
liefde een predikant", zooals Jan Vos dichtte, en als een ge- 
volg daarvan weer „raakte Zuzann', hoe kuisch en koud van 
hart, aan Brandt". De wederzijdsche genegenheid toch van 
Brandt en Van Baeble hing ten nauwste samen met Brandt's 
liefde voor Van Baerlb's schoone en geestrijke dochter 
SosANNA, vier jaar ouder dan hij, in wetenschappelijken kring 
grootgebracht, zelf ook muziekbeoefenaarster en dichteres, en 
alleen geneigd den jongen dichter hare hand te schenken, 
als hij het beroep van horlogemaker liet varen en zich aan 
de studie wijdde. Zoo begon Brandt dan op tweeëntwintig- 



330 bkandt's „stichtelyke gedichten 



tt 



jarigen leeftijd de studie der theologie en wel, daar hij even- 
als de Van Baerles tot de Remonstranten behoorde, aan het 
Remonstrantsch seminarie te Amsterdam. In drie jaar had 
hij de studie ten einde gebracht en in 1652 werd hij tot 
predikant te Nieuwkoop beroepen, vanwaar hij in 1660 naar 
Hoorn ging, om zeven jaar later predikant te Amsterdam te 
worden en dat tot zijn dood (12 Oct. 1685) te blijven. Even 
vóór hij het predikambt aanvaardde, trad hij met zijne 
SusANNA in den echt. Zij schonk hem drie zoons, Caspak, 
Gekb AARDT en JoHANNES, die als dichters of geschiedschrijvers 
in huns vaders voetspoor traden. Hunne moeder overleed in 
1674 en een jaar later ging Brandt een tweede huweUjk aan 
met Catharina van Zorgen. 

Als predikant van kleine gemeenten hield Brandt tijd ge- 
noeg over om zich aan de studie te kunnen wijden, en het 
was vooral de geschiedbeoefening, die hem aantrok. Als ge- 
schiedschrijver heeft hg, vooral door zijn voortreffelijken 
prozastijl, veel naam gemaakt en zijn roem tot in onzen tijd 
kunnen handhaven. Daarop komen wij later terug. Maar de 
poëzie was toch zijne eerste liefde geweest en ook haar wenschte 
hij niet ontrouw te worden, al meende hij ook, dat zijn ambt 
hem verbood, andere dan godsdienstige poëzie te schrijven. 
Nadat hij eenige jaren aan zijne „Historie der Reformatie" 
gewerkt had, bekroop hem de lust om, ter verpoozing van dat 
werk, stichtelijke gedichten te maken, en hij gaf daaraan toe, 
al vroeg zijn vriend Dirck Geesteranus hem ook in 1663, of 
„er niet veele zouden zijn, die meerder verlangen hebben 
naar het vervolg van de historie, als naar poëzij", omdat 
„liefhebbers van de harteroerende rijmen in die kunst wel 
meerder stichtelyke stoffe vinden". Die opmerking was juist: 
stichtelijke verzen waren er genoeg, en onze letterkunde zou 
er niet veel bij verloren hebben, als zij verstoken was ge- 
bleven van de „Stichtelyke Gedichten, vervaetende verscheide 
gebeden, plichten en opwekkingen ter godtsaeligheit", die 
Brandt in 1665 met eene opdracht aan Pieter de Groot uitgaf. 

Zonder juist de verdiensten van dezen bundel te willen ver- 
kleinen, meen ik mij van verdere bespreking te mogen ont- 
houden, en alleen te moeten opmerken, dat als aanhangsel 
daarbij gevoegd is een vrij uitvoerig gedicht De Vreedsaeme 



BRANDT'S VBBDRAAOZAAMHBID. 831 

Chrisieny met nog uitvoeriger proza-aanteekeningen. In den 
geest van Hugo de Groot en Franciscus Junius bepleitte hij 
daarin de van ware Christenen gevorderde vredelievendheid 
en verdraagzaamheid, en bejammerde hij het, dat verschil op 
leerstellig gebied zoo vaak tot verkettering leidde, alsof de 
zaligheid niet langs verschillende wegen te vinden was. Zoo 
had hij ook reeds in 1646 geschreven bij het portret van een 
godgeleerde: „Het nieuw Jerusalem wel twalef poorten heeft; 
gaan wy door d'eene deur, laat hun dan gaan door d'andren". 
Door deze verdraagzaamheid won hij de vriendschap van 
velen, ook onder de Gereformeerde predikanten, zooals Mar-, 
TiNius en VoLLBNHOVB. Zclfs Sluytbr trad daarom met hem 
in briefwisseling, en daaraan danken wij van hem een berijmd 
antwoord (van 1667) aan den Eibergschen kluizenaar, waarin 
hij hem zijne oprechte vriendschap aanbiedt, om „eens met 
hem de vredekerk te bouwen", en waarin hij het alleen be- 
treurt, dat Sluytbr wel vriendschappelijk met hem den dage- 
lijkschen maaltijd zou willen gebruiken, maar den Remon- 
strant toch niet zou wenschen toe te late^i aan den disch des 
Heeren. Aan de eerlijkheid van Brandt's overtuiging behoeft 
men nog niet te twijfelen, als men het waagt te vermoeden, 
dat deze opvatting van het Christendom bij hem meer uit 
het hoofd, dan uit het hart voortkwam, daar hij zich in zijn 
leven en in zijne geschiedwerken niet altijd zoo zachtmoedig 
toonde, als hij beweert, dat de Christen moet zijn. Daarom 
konden dan ook zijne vijanden geloof vinden, als zij ver- 
klaarden, dat het „stichten van Brandt' in hun oog dikwijls 
„brandstichten" was. 

Wat van Brandt's latere gedichten nog hier en daar ge- 
drukt werd of bij zijn leven ongedrukt bleef, is met zijne 
beide reeds genoemde dichtbundels samen in 1725 in drie 
deelen als „G. Brandts Poëzy" keurig uitgegeven, en daarin 
vindt men ook die kleine gedichtjes, waarin vooral zijne ver- 
diensten als dichter uitkomen: bijschriften bij portretten en 
grafschriften. In dat vak was hij een meester. Een zoo groot 
aantal puntige, kernachtige epigrammen bezitten wij van 
geen onzer dichters. Terecht noemde Vondel hem „een goed 
epigrammatist". Wij komen er later nog op terug. 



832 WBRBLDLINQEN RN VBOMBN, KBRKBLIJKBN BN POLITIBKBN. 

XLIV. 

Gedichten van Doopsgezinden en Collegianten. 

Buiten den kring der Contra-remonstranten en Remonstranten 
staat in de zeventiende eeuw nog een groot aantal dichters, 
die tot andere kerkelijke gemeenten behoorden, grootendeels 
tot de verschillende, nu eens meer gescheiden, dan weder 
opnieuw vereenigde, gemeenten der Doopsgezinden. Ook van 
hen is menige stichtelijke dichtbundel uitgegaan. Ofschoon 
door de strengrechtzinnigen nauwelijks als broeders erkend, 
dikwijls verketterd, soms niet eens meer als Christenen be- 
schouwd, maken zij op den geschiedschrijver van den gods- 
dienst zoowel als vaa de dichtkunst den indruk van niet 
minder vroom en stichtelijk, ja gewoonlijk zelfs van vromer 
en stichtelijker te zijn, dan de rechtgeloovige leden der Gerefor- 
meerde kerken. 

Onderscheidt men de menschen van dien tijd, zooals men 
ook die van onzen tijd nog zou kunnen doen, in twee typen : 
vromen en wereldschen, dan mag men deze onrechtzinnigen 
meestal tot de vromen rekenen, zelfs al neemt men niet aan, 
dat ieder wereldling uit den aard der zaak ernst of godsvrucht 
mist. Menig rechtzinnig lid der Gereformeerde kerken daaren- 
tegen was in zijn leven man van de wereld, behagen schep- 
pend in aardsche lusten, strevend naar wereldsche eer en 
maatschappelijke welvaart, terwijl menig onrechtzinnige vrome 
daarvan afkeerig was, in zijn denken steeds van het eeuwige 
vervuld. Vroomheid en wereldsgezindheid zijn dan ook, onaf- 
hankelijk van iedere kerkelijke instelling, persoonlijke ge- 
moedstoestanden, als uitvloeisel van aard en opvoeding. 

Behalve in deze beide typen kon men, en kan men nog, 
de menschen in twee andere typen onderscheiden, wier ver- 
schil hoofdzakelijk berust op maatschappelijke positie of op 
verstandelijke overtuiging aangaande de plaats, die de Kerk 
behoort in te nemen in Staat en Maatschappij. De vertegenwoor- 
digers van deze beide typen werden destijds de kerkelijken 
en de politieken genoemd „So van outs als in onse tijden in 
meest alle landen", zeide Huoo de Groot, „heeft men gemerct 
een groot verschil tusschen de Politijcquen ende tusschen de 



WERBLDLIJKB EN KBRKBLIJEB PAOANISTBN. 333 

Eerckelijcke persoonen over de theologische questiën: alsoo 
de Theologanten alle saacken van religie hoogh ghewoon zijn 
te weghen, als waarin haar wetenschap ende uytnementheydt 
boven andere personen bestaat. De Overheden ter andere zijde, 
lettende op de rust van de republijcque, meenen, dat in vele 
van die saken sonder verbreekingh van Godes wet eenighe 
redelijcke accommodatie kan vallen: waaruyt dan dickmaal 
ghebeurt, dat de Theologanten de Regierders uytkrijten als 
luyden dien de Goddelijcke waarheydt niet ghenoegh ter herte 
en gaat; de Regierders ter contrarie de Kerckelijcken als 
onghevoechelijcke personen". 

De Groot nu, die in zijn tijd als het hoofd der politieken 
kon beschouwd worden, was ongetwijfeld van nature een 
vroom man. Dat waren ook bv. Camphuysbn, Brandt en 
OüDAEN, die alle aan de zijde der politieken stonden. Daaren- 
tegen was Daniël Heinsius, ofschoon strengrechtzinnig Cal- 
vinist, een wereldsch man en als dichter, door zijn inleven in 
den heidenschen tijd en zijn gebruik maken van mytho- 
logie, waarvoor h\j zelfs eene lans brak, iemand, die ten 
volle den indruk kon maken van wat men een „paganist" zou 
kunnen noemen. Alle renaissancemannen waren dat min of 
meer; maar onder deze waren er toch ook verscheidenen, die 
innig vroom konden genoemd worden. Men denke aan Van 
M ANDER en Vondel, terwijl daarnaast de werken van Hoopt, 
die niet alleen politiek, maar ook wereldsch was, eene veel 
meer vaderlandsche, veel minder mythologische kleur hebben. 
Vermelding verdient het, dat de bekende, reeds vroeger door 
ons genoemde rector der Latijnsche scholen te Amsterdam, 
Jacob Barendsz. Heiblocq, die tevens candidaat in de theo- 
logie was, met het gebruik van mythologische namen niet 
was ingenomen, en uitdrukkelijk zeide, dat hij „met voor- 
dacht Cupidoos, Mercuuren en Jupijnen en andre Goden en 
Godinnen heeft gemijt". 

Zelfs heeft het paganisme juist de meeste bestrijding gevonden 
bij onkerkelijken, bij vrome politieken, zooals Camphuysbn, 
van wien wij dat reeds hebben gezien, en vooral bij Joachim 
>Fransz. Oudaen, die meermalen tegen het, zijns inziens 
onchristelijk, gebruik van mythologie te velde trok. Toen 
hij in 1662 deelnam aan de bruiloft van Mr. Joan Blasius, 



834 JOACHIM OUDAEN TBOBN HET HEIDENDOM. 

die een jaar te voren een handboekje voor mythologie onder 
den titel „Geslachtboom van Goden en Godinnen" had uitge- 
geven, maakte hij van die gelegenheid gebruik om in een 
bruiloftsdicht zijn wensch uit te spreken, dat al die mytholo- 
gische wanschepsels, „ofschoon ze uitzinnig met den naam van 
goden blinken", weer mochten verzinken in den duisteren 
afgrond, waaruit ze opgerezen waren. Wilde men er zich mee 
verontschuldigen, zooals velen deden, dat die godennamen niets 
anders waren dan „namen om cieraat te geven", dan nam h^' 
de vrijheid ze „ellendig toeverlaat" voor dichters zonder eigen 
vinding, „arm bedelaars-gesmuk" te noemen. Even onbewim- 
peld, als OuDAEN hier zijn vriend Blasius verweet wat hij in 
hem afkeurde, deed hij het negen jaar later ook zijn vriend 
Antonides, want als deze zich in de „voorreden" voor zijn 
„Ystroom" verontschuldigt tegenover diegenen, die „zich aen 
de naemen van goden en godinnen stooten, omdat ze naer der 
heidenen gewoonte zweemen", doelt hij daarmee op Oudaen, 
die, hoe bijzonder ook met den „Ystroom" ingenomen, hem 
dat duidelijk te kennen had gegeven. 

Het sterkst sprak hij zich dienaangaande uit in een gedicht 
vóór zijne prozavertaling van „Amobius tegen de Heidenen", 
van 1677. Daarin noemde hij het gebruiken van godennamen 
„den Alderhoogsten tergen" en „met God en Godsdienst schim- 
pen". Moet men ze slechts als ijdele namen en niets meer 
beschouwen, wat heeft men dan, zegt hij, aan „die Griekse 
en Roomsche poppen", die „vunssige scherminkelbeenen, galgen- 
azen, dor geraamte, doo krengen van voorhenen?" Maar hij 
vreest, dat zij voor de meesten meer zijn dan namen, dat hij, 
die er zich van bedient, „zich van d'eigen geest laat mennen, 
doch zyn dwaasheid niet wil weten met hen onvermomt te 
erkennen". Immers het leven van dezulken was dikwijls even 
„wellustig, wulps en welig", als dat der overspelige goden. Ook 
in zijn lijkdicht op Vondel heet het spijtig van den modernen 
dichter: „'t Zyn goden wat hy denkt, 't zyn goden wat hy 
droomt, 't zyn goden voor en naar, van onderen tot boven", en 
in 1688 vermeide hij er zich in, onder den titel „Godenpleit", 
in Nederlandsche verzen de Latijnsche gedichten te vertalen, 
waarmee Izak de Schepper en Willem Siccama elkaar naar 
aanleiding van het gebruik der mythologie hadden bestreden. 



JOACHIM FRAN8Z. OUDAEN. 335 

Dat zich hier eene ernstige overtuiging uitspreekt, en niet 
de geheime jaloezie van. den ongeleerde, die zich zoo menig- 
maal in soortgelijke aanvallen op den geleerdere verraadt, blijkt 
wel hieruit, dat Joachim Oudabn gerust tot den kring der 
geleerden mocht gerekend worden, want, ofschoon hij te Rijns- 
burg, waar hij 7 Oct. 1628 geboren was, zijn vader in de 
bakkerij moest helpen, bezocht hij toch geregeld de Latijnsche 
school te Leiden ; en ook later, toen hij secretaris van Scrive- 
Bius geworden was, wiens Latijnsche bijschriften op de graven 
van Holland hij in 1651 in Nederlandsche verzen vertolkte, 
legde hij zich zóó ijverig op de Glassieken toe, dat hij in staat 
was in 1664 een geleerd en doorwrocht werk als „Roomsche 
Mogentheid" uit te geven, dat nog lang met vrucht door 
archaeologen en beoefenaars van Romeinsche penningkunde 
is geraadpleegd. Toen echter had hij al sinds vele jaren den 
kring der Leidsche geleerden verlaten, want in 1656 was hij 
in het huwelijk getreden met Eeuwitje, de dochter van den 
Rotterdamschen steenbakker Stout, en medebestuurder van 
diens steenbakkerij geworden, zooals hij tot zijn dood (26 April 
1692) bleef. 

In Rotterdam was hij langen tijd de hoofd vertegenwoor- 
diger der poëzie, maar zijne Rijnsburgsche afkomst ver- 
loochende hij niet. Ofschoon uit Remonstrantsche ouders ge- 
sproten, en steeds in de politiek medestander der Remonstran- 
ten, gevoelde hij zich toch meer geestverwant van de door zijn 
moeders familie gestichte sekte der Rijnsburgsche CoUegianten, 
wier geschiedenis hij in 1 672 met groote ingenomenheid schreef. 
Hig behoorde dan ook levenslang tot die vrome libertijnen, 
van welke wij reeds een type hebben leeren kennen in 
Camphuysbn, met wien Oudabn bijzonder ingenomen was, 
zoodat hij zelfs van diens werken eene stüandaarduitgave be- 
zorgde. Daar de Rijnsburgsche CoUegianten, die ook bui- 
ten Rijnsburg hunne bijeenkomsten hielden (in Amsterdam 
sedert 1646), geen eigenlijk kerkgenootschap wilden vormen, 
konden zij ook tot de hunnen rekenen, wie bij andere ge- 
meenten aangesloten wenscbten te blijven, en zoo behoorde 
OüDAEN dan te Rotterdam tot de Waterlandsche Doopsge- 
zinden, bij wie hij ook het ambt van diaken vervulde. 

Voor deze gemeente heeft hij zelfs in 1684 zijne, vier jaar 



336 JOACHrM FRAN8Z. OUDABN. 

te voren uitgegeven, vrije en gedeeltelijk op nieuwe zang- 
wijzen gestelde psalmberijming zoodanig omgewerkt, dat z^' 
in de gemeente gezongen kon worden op de toen overal ge- 
bruikte en algemeen bekende wijzen der Fransche vertaling 
van Marot en Beza. Dat was eene concessie van hem, want 
hij had dat aanvankelijk juist niet willen doen, om geen 
gevaar te loopen door het gebruiken van denzelfden vers- en 
strophenvorm, waarvan alle andere vertalers zich hadden be- 
diend, hunne uitdrukkingen onwillekeurig over te nemen. 

Ook als dichter toch bezat Oudaen een oorspronkelijken 
geest, afkeerig van navolging, en zijne gedichten vertoonen 
dan ook inderdaad een eigen karakter. Zij zijn krachtig van 
uitdrukking, wanneer het de hartstocht — meestal veront- 
waardiging — is, die hem tot dichten drijft; maar geeft het 
onderwerp daartoe minder aanleiding, dan zijn zij te weinig 
beeldrijk, te hard en stroef en ook daardoor kenneüjk onder- 
scheiden van Camphuysen's zoetvloeiende liederen, die toch 
zoo groote aantrekkelijkheid voor hem hadden, en van Von- 
del's hooge vlucht, die hem toch inderdaad in verrukking 
bracht. Wanneer hij echter „dien adelaar" nu en dan poogde 
„te achterhalen, door volglust aangenoopt", bereikte hij niet 
veel meer, dan duister te worden door ongewone en gezochte 
woorden te mengen in de wat platte omgangstaal, waarboven 
hij zich in het algemeen bij zijn schrijven moeieUjk wist te 
verheffen. 

Nochtans neemt hij onder de tweedenrangsdichters van dien 
tijd eene eervolle plaats in, zoowel door zijne „Voorschaduwing 
van het zegepralende riik onzes Heeren en Zaligmakers Jesu 
Christi en deszelfs Heerlykheid op Aarde" (van 1666), waarin 
hij, als geestver wajit van zijn vromen en nauwgezetten vriend 
Mr. Johan Hartighvelt, zijn geloof aan de spoedige vestiging 
van het duizendjarig rijk uitsprak, en door zijne „Uytbreyding 
over het boek Jobs, in verscheyde dichtmaat" (van 1672), als 
door kleinere godsdienstige gedichten, o.a. de vertaling van een 
„Hymnus van Coelius Sedulius", en door een bijbelsch treur- 
spel, „Het verworpen huis van Eli" (van 1671). 

Dat stuk is geheel geschreven in den classieken trant van 
Vondel's treurspelen, waarvan Oüdakn echter de dichterlijke 
verheffing in de verte niet heeft weten te evenaren, allerminst 



JOACHIM OUDAEN BN WILLEM VAN HEEMSKERK. 337 

in de reizangen, waarmee de bedrijven besloten worden. De 
tooneel wetten zijn er streng bij in acht genomen, zoodat de 
handeling zich dan ook in weinig meer dan vierentwintig uur 
afspeelt. Met dit stuk keerde Oudaen terug tot de liefde zijner 
jeugd, want reeds in 1648 had hij tegenover Vonders „Maria 
Stuart" een treurspel „ Johanna Grey of gemartelde onnozelheyd" 
geschreven, een jaar later gevolgd door „Koning Konradyn 
en Hertog Frederyk", twee stukken, die wat meer lyrisch van toon 
en wat minder streng gebouwd zijn dan zijn laatste treurspel. 

Willem Jacobsz. van Heemskerk, in 1613 te Leiden geboren 
en door Oudaen , oudste zyner vrinden" genoemd, had bij 
hem met zijn treurspel „Hebreeusche heldinne" (d. i. Judith) 
in 1647 den lust opgewekt om ook in het treurspel iets te 
beproeven en hem daarbij met een prijzend gedicht aange- 
moedigd. Levenslang, tot hun beider dood in 1692, zijn zij 
vrienden gebleven, zooals ook uit verschillende onderling 
gewisselde gedichten blijkt. Van beroep lakenbereider en in 
1674 ook een der staalmeesters van de Leidsche lakenhal, 
heeft Heemskerk zich toch meer bekend gemaakt als ijverig 
en bekwaam glasgraveur, van wien nog een bijzonder groot 
aantal kunstwerken bewaard is gebleven. 

Daar Oudaen het met Vondel gemeen had, dat hij de 
kunst niet verstond, „vinger op' den mond*' te leggen, en het 
ook bij hem werkte als nieuwe most, die door de spon heen- 
barstte, kon er maar weinig belangrijks gebeuren, wat hem 
geen lof- of strafdicht ontlokte. Voor zoover dat staatsgebeur- 
tenissen waren, komen wij er later op terug; inaar het waren 
dikwijls ook voorvallen op kerkelijk gebied of uitgaven van 
opzienbarende dicht- of prozawerken. Zoo viel hij als krachtig 
voorstander van gewetensvrijheid in 1662 en 1665 den 
Utrechtschen predikant Cornelis Gentman, die ketterjacht had 
verdedigd, met twee gedichten aan, nadat hij ook reeds met 
een gedicht tegen de „vierige yver der kettermeesters in 
Holland" was opgetreden. De geloofsvervolging der Waldensen 
m 1655 gaf hem aanleiding om in een gedicht „Wreed ! wreder ! 
alder wreedst I" op den verderflijken invloed te wijzen van 
Lipsius' vroegere verdediging van het ketterdooden en, in het 
vijfde (en eenige) bedrijf van een treurspel, „Servetus" te ver- 
heerlijken tegenover de hardvochtige wreedheid van Calvijn. 

n 22 



338 JOACHIM OUDABN BN DB SOCINIANBN. 

HüYGENs noch Vondel liet hij, zooals wij reeds zagen, onge- 
moeid, toen 'zij geschreven hadden wat hij afkeurde, en dat 
hij afkeer van het Catholicisme van zijn voorgeslacht geërfd 
en door redeneering nog versterkt had, blijkt herhaaldeüjk 
uit bitse uitvallen in zijne werken. 

Daarentegen ging hij ter verdediging van den jong ge- 
storven Rotterdamschen predikant Geebaardt Brandt den 
jongen in 1683 een dichtstrijd aan, en verheerlijkte hg 
Erasmus bij gelegenheid dat in 1677 diens, door Hendrick de 
Keyser vervaardigd en te Rotterdam in 1622 opgericht, stand- 
beeld op een nieuw voetstuk werd gesteld, waarop ook nu 
nog een achtregelig bijschrift van Oudaen te lezen is , ter 
eere van dat „licht der talen, zout der zeden, heerlyk wonder, 
waar, met de liefde, en vrede en godgeleerdheid praalt". 

Bij rechtzinnigen stond Oüdaen als Sociniaan te boek, en 
ongetwijfeld ook te recht; maar sedert 1653 was het zeer 
gevaarlijk daarvoor uit te komen, want toen hadden de Staten 
van Holland er zich over verontrust, „dat de Sociniaensche 
secte dagelij cks meer ende meer was toenemende ende dat de 
Aenhangers derselver tot verbreydinge van hare dwalinghen 
albereyts hadden begonnen op verscheyde plaetsen te houden 
haer t' samen-rottingen ende bijeenkomsten.... maer ook 
hadden onderwonden door den druck gemeen te maken vele 
van hare Sociniaensche Schriften ende Boecken, alle vol van 
lasteringhe tegens de fondamentale gronden ende Hoofk-poinc- 
ten van de ware ChristeUjcke Religie"; en dientengevolge 
hadden zij bij placaat met straffen van zware boeten, correctie 
en verbanning allen bedreigd, die zulke samenkomsten hielden 
of zulke geschriften uitgaven. Van dien tijd af vond Oüdaen 
het geraden, alleen anoniem voor de leer van Socinus op te 
komen, en dan nog wel meer als verdediger dan als profeet. 

Toch moet men daaruit niet opmaken, dat hij een vrijden- 
ker was in den tegenwoordigen zin des woords. Hij achtte 
zich integendeel juist den waren voorstander van den Christe- 
lijken godsdienst. „Gods eer te vord'ren was steeds zyn opperste 
oogemerck", en daarvoor „wachtte hy eer by God en prijs by 
alle vromen". Stichtelijk dichter is Oüdaen dan ook in de 
eerste plaats, en wijsgeeren als Hobbes en Spinoza waren hem 
een gruwel. „Laat vry Spinozen en Des-Karten verzinken in 



OUDABN EN ZIJNE VRIENDEN TEGENOVER HET ONGELOOF. 339 

hun dweepery!" zeide hij (in 1688) in een lied „Ophethuwe- 
lyk van Adriaan Verwer'', die reeds in 1683 een merkwaardig 
lofdicht van hem ontvangen had voor zijn werk: „'t Mom- 
aensieht der Atheïstery afgerukt, of Wederlegging van de 
geheele Sedekonst van Benedictus de Spinoza". Dat hierdoor 
Verwer de atheïstery „ontdekt en in haar sluiphol agterhaalt" 
werd, was voor Oüdaen eene rede tot vreugde en dankbaar- 
heid, al had ook eenmaal deze „vermomde atheïst" .te Rijns- 
burg onder zijne vrienden een toevluchtsoord gevonden. 

Sterker bewijs nog van zijne vrees voor afdwaling van den 
openbaringsgodsdienst levert zijne vertaling (1687) van het 
Latijnsche geschrift, waarmee Georgius Mebius het beroemde 
boek van Antonie van Dalen over de orakels deit Ouden be- 
streed, en vooral het gedicht, dat hij er aan deed voorafgaan 
en waarin hij niet onduidelijk te kennen gaf, dat, wanneer 
men eenmaal begonnen is in den godsdienst der Heidenen 
niet anders te zien dan priesterbedrog in plaats van er de 
geheimzinnige macht van den Booze in te verafschuwen, men 
gevaar loopt, ook andere geheimenissen te willen verklaren 
als bedrieglijk menschenwerk, en waar zou dan misschien het 
einde zijn! Men ziet, Oudaen kon, hoe vrijzinnig ook tegen- 
over bindende leerstellingen, den duivel nog niet verbannen uit 
zijne godsdienstige wereldbeschouwing, zooals spoedig daarop de 
Amsterdamsche predikant Balthazar Bekker zou durven wagen. 
Onder de bijzondere vrienden van Oüdaen treflFen wij ver- 
schillende vrome Libertijnen aan, meerendeels ook tot de 
Rijnsburgsche CoUegianten behoorende : vooreerst zijn broeder 
Frans en zijne beide zwagers, Joan Dionysz. Verburg en 
Joannes Bredenburg, die tot op zekere hoogte geestverwant, 
maar toch ook bestrijder van Spinoza was; en verder den 
geleerden Daniël de Breen, den bekenden Amsterdamschen 
staatsman Mr. Koenraad van Beuningen en den chirurgijn 
Jacob Ostens (f 1678), die te Rotterdam leeraar der Doops- 
gezinden was geworden en in 1651 ook een stichtelijken dicht- 
bundel heeft uitgegeven, getiteld „Liefde Son, omstralende de 
hoedanigheyt der tegenwoordige genaamde Christenheyt". 

Andere vrienden van Oüdaen waren de liefhebber-schilder 
Heiman Düllaert, van wien wij reeds spraken, en diens 
medeleerling bij Rembrandt, de Dordsche schilder Samuel 



340 DB GEBROEDERS VAN HOOGSTRATEN; „LUST- HOF DER ZIELEN." 

VAN Hoogstraten, die zich in de kunstgeschiedenis door 
werk en leer bij zijne tijdgenooten vrij wat aanzien verworven 
heeft en ook als dichter (o.a. met twee treurspelen .Dieryk 
en Dorothe of de Verlossing van Dordrecht" in 1666 en „De 
Roomsche Paulina of bedrogen kuischheid" in 1668) is opge- 
treden, en diens jongere broeder, de Rotterdamsche boekver- 
kooper Frans van Hoogstraten, die veel in proza en verzen 
uit het Latijn heeft vertaald en als dichter stichtelijke zangen 
en zinnebeelden schreef, o,a. in 1668 „Het Voorhof der Ziele" 
bij zestig prentjes van Romeyn de Hooghe, wiens etsnaald 
zich ook leende om Oüdaen's „Uytbreyding van het boek 
Jobs" te versieren. 

Wenscht men kennis te maken met een groot aantal stich- 
telijke dichters uit de zeventiende eeuw, dan heeft men 
slechts den „Lust-hof der Zielen" op te slaan, in 1681 uitge- 
geven en later meermalen herdrukt. Daar vindt men van een 
zestigtal stichtelijke dichters liederen, „waarvan eenige noit 
in druk geweest en de overige uit veele gedrukte Lied-boeken 
gezocht, byeen vergaaderd en in ordre gesteld zijn door Claas 
Stapel", die er zelf met twaalf liederen toe bijdroeg en in 
zijne „Voorreede" schreef, dat hij „geen onderscheid gemaakt 
had in de Autheuren van wat naam, gezindheid of volk 
dezelve mochten zijn, als ze anders maar de naam van rechte 
Christenen konden draagen, God'-lijk en Hemels gezind waaren, 
en onder dat volk sorteerden, die het Lam volgen waar het 
ook heenen gaat, doordien hy voor vast en zeker hield, dat 
geen bloote opinie of nette waarheidsbevattinge van duistere 
verschillen, inzonderheid die de mensch beeter noch erger 
maaken, iets, maar het nieuwe schepsel, de onderhoudinge 
van Gods gebooden en het leevendige geloof, daadig door de 
liefde, alleen zal gelden ten daage, als wanneer den Rechter 
van leevenden en dooden den gantze ring des aardboodems 
rechten en aan de belijders zijnes naams niet zoozeer het ver- 
stand, als goede werken beloonen zal.'' 

Men vindt in dien bundel dan ook, naast liederen van Ge- 
reformeerden en Remonstranten, vooral een groot aantal van 
Doopsgezinden, o. a. van den Dordschen leeraar Tibleman 
Jansz. van Bracht, bekend door zijn prozawerk „Bloedigh 
tooneel der Doopsgezinde en wereloose Christenen" (van 1660). 



COLLEGIANTBN KN LIBBRTIJNKN. 341 

Ook aan gedichten van Rijnsburgsche CoUegianten ontbreekt 
het er niet, zooals van Jan Eveetsz. Gbesteranus, van 
JoANNBS Bredenburg, van den Rotterdamschen figuurschilder 
Joost van Geel (geb. 1631, f 1698), wiens „Gedichten" ver- 
zameld eerst in 1724 werden uitgegeven, en zelfs van Adam 
Boreel, heer van Duynbeke (in 1603 te Middelburg geboren i 
en van diens jongeren vriend Galenüs Abrahamsz. de Haan, 
8 Nov, 1622 geboren te Zierikzee, te Leiden in de medicijnen 
gepromoveerd en sedert 1648 leeraar bij de Vlaamsche Doops- 
gezinden van het Lam. 

Deze man, die, volgens een lofdicht van Jan Zoet, „geen 
mensch aan zyn verstand wou binden, en graag zyne onvol- 
maakthaid beleed", die als een „wakkre haan, daar 't onver- 
stand op beet, het al overkraaide in 't straffen van de zonden", 
maar die allengs meer en meer Sociniaan bleek te zijn, werd 
in 1662 fel bestreden door Samuel Apostool en twee andere 
ambtgenooten van hem, waardoor er twee jaar later nieuwe 
scheuring in de Vlaamsche gemeente kwam en zijne tegen- 
standers, die voor hem het veld hadden moeten ruimen, in 
de Zon kerk gingen houden, terwijl Galenus zich in het Lam 
handhaafde en zelfs in 1692 benoemd werd tot een soort van 
Doopsgezind hoogleeraar, wat hij tot zijn dood in 1706 ge- 
bleven is. 

Onder de pamfletten, die naar aanleiding van dezen gerucht- 
raakenden strijd werden uitgegeven, waren er ook verscheidene 
in dichtmaat, zooals bv. Bredenburg's „Scherm voor de 
stekende Zon der Amsterdamsche Mennisten, of Verdediging 
der Verdraagzaamheid" (1665); doch ons bestek laat niet toe, 
daarover broeder uit te weiden, evenmin als over de schimp- 
en hekeldichten tegen de Kwakers van William Ames en 
William Caton (van 1657 tot 1662, en 1670), tegen de Laba- 
disten (van 1666 tot 1671) en van de elkaar fel bestrijdende 
Cartesianen (onder Joannes Coccejus en Abraham Heidanus) 
ên Voetianen of aanhangers van Gysbertus Voetius. Eene 
bloemlezing er van vindt men in de „Nederduitse en Latynse 
Keurdigten", in het begin der achttiende eeuw door Pieter 
van der Goes (d.i. Pieter van der Veer) te Rotterdam uitgegeven. 

Niemand bedroefde zich destijds over de verdeeldheid der 
Christenen meer dan een vriend van Oudabn, de Haarlemsche 



342 PETRUS LANGEDULT. 

geneesheer Petrus Langedült, lid der Vlaamsch-Doopsgezinde 
gemeente en tevens ijverig CoUegiant, zooals ook duidelijk uit 
zijne vrome dichtwerken blijkt, o. a. uit een treurspel, dat hij 
in 1684, drie jaar vóór zijn dood, uitgaf, getiteld „Christus- 
lydende en verheerlykt". Ter vertooning was het evenmin 
bestemd als een ander — voorzoover ik weet onuitgegeven — 
treurspel van hem, dat ik in handschrift bezit en dat, onder 
den titel „De Babylonise Toren der hedensdaagse Christenen", 
de jammerlijke verbrokkeling der Christenheid in allerlei 
elkaar verketterende sekten met veel theologische kennis dui- 
delijk in 't licht stelt en met veel vrijzinnige vroomheid be- 
treurt. Dat laatste gebeurt vooral op het eind der bedrijven 
in reien van „Vrede-lievende Christenen'* en van „Soekers" 
of „Wachters'', de aanhangers der van 1656 tot 1662 te 
Amsterdam door William Ames vertegenwoordigde Engelsche 
sekte, die geene zichtbare kerk op aarde wilden erkennen, 
vóór Jezus zelf teruggekeerd zou zijn om zijn rijk op aarde 
te stichten. „Set al dat breyn-geschift, dat doom-gesplits ter 
zijden", laat hij ten slotte door Gabriël verkondigen, „keert 
terug tot de oude leer", de leer van „liefde, vrede, trou, ge- 
loof en nedrigheyt", staakt den ijdelen arbeid om kerken te 
willen reformeeren, „leeft stil, dient malkaar in deugden" en 
voegt u het liefst bij hen, „die minst regeren, minst aan 
kerk-gewoontens binden en niet na breyn-geloof, maar slechts 
na werken vragen". 

Dat die eindelooze scheurmakerij en twist over nietigheden, 
waarover Hugo de Groot zich zoo had bedroefd, eindelijk de 
vrome gemoederen begon te verdrieten, is niet vreemd, en dat 
er vooral in de rijen der Doopsgezinden mannen en vrouwen 
waren, die smachtten naar een algemeen Christendom boven 
geloofsverdeeldheid, kan men volkomen begrijpen, als men 
door Langedült niet minder dan veertien verschillende sekten 
van Doopsgezinden, die er geweest of toen nog waren, in zijn 
treurspel hoort opnoemen. Al die zoo hoogmoedige bemoei- 
ingen met leer en leven van anderen — want daaruit kwam 
de scheuring meest voort — bracht menig twijfelmoedige, 
zegt Langedült, tot wanhoop, ja tot waanzin en zelfmoord. 
Anderen, dat bannen en mijden, dat bestraffen en kwellen, 
dat twisten en redekavelen moede, zochten den vrede voor 



GEVOLGEN DER PARTIJTWISTEN; RETBR ANSLO. 343 

huil gemoed bij het eeuwenheugend gezag der oude kerk van 
Rome, tot welke zij ten slotte terugkeerden. De Calvinisten, die 
bij al hunne dogmatische gestrengheid niet altijd de vroomsten 
waren, kwamen er licht toe, de leden der kleinere sekten van 
papisterij te verdenken, en in zooverre niet zonder grond, als 
in de zeventiende eeuw, en vooral in het tweede kwart er van, 
menigeen uit den kring der Remonstranten (zooals bv. de 
geleerde theoloog Bertius) en nog meer uit dien der Doops- 
gezinden (zooals bv. Vondel) tot de Katholieke kerk is over- 
gegaan. 

Dat deed ook Rbyer Anslo, die in zijn tijd onder de beste 
dichters meetelde, al maken zijne, in 1713 verzamelde, ge- 
dichten juist geen bijzonder grooten bundel uit. Zijn naam, 
gelijk aan den vroegeren naam van de stad Christiania, her- 
innert aan zijne Noordsche afkomst, maar in 1626 was hij 
uit Doopsgezinde ouders te Amsterdam geboren en zelf werd 
hij daar op twintigjarigen leeftijd bij de, sinds 1644 vereenigde, 
Hoogduitsche, Friesche en Waterlandsche gemeenten van den 
Toren gedoopt. 

Van 1644 dagteekent ook zijn eerste gedicht : een door gema- 
niëreerdheid ongenietbare bruiloftszang. Twee jaar later schreef 
hij het eerste zijher grootere gedichten: „De martelkroon van 
Steven'', dat hij aan Hadrianus Junius, den rector van de 
Latijnsche school der Nieuwe Zijde opdroeg „uit dankbaarheit 
voor zijn geleerde lessen". Niet onverdienstelijk volgde hij 
daarin den stijl van Vondel, ofschoon hij overigens meer be- 
wondering toonde voor Hoopt, aan wien hij ook zijn „Zege- 
tempel" opdroeg, het uitvoerigste der vele gedichten, waarin 
hij Frederik Hendrik verheerlijkte. 

Toch gold zijn lof nog meer de ijdele koningin van Zweden, 
Christina, Gustaaf Adolf s dochter, die het type was van de 
kunstlievende en geleerde, maar daarom nog niet verstandige 
vrouw, en die zoowel daarmee als met het tentoonspreiden 
van vorstelijke praal en mildheid ook anderen dan den jongen 
Anslo wist te verblinden. Toen zij haar eenentwintigsten 
verjaardag beleefde, wijdde hij haar een verjaardicht, en wat 
later eene ode, waarin hij haar verheerlijkte als „de Zweedsche 
Pallas", zooals zij zich ook had laten af beelden als hoofd- 
figuur van een groot tafreel, dat de door haar gestichte biblio- 



344 RBYBR ANSLO EN MAQDALBNA BAECK. 

theek versierde. Onze agent aan het Zweedsche hof, Miehiel 
Ie Blon, wist hem van haar als belooning eene gouden keten 
te bezorgen, eene eer, die hem met den ook zóó door haar 
beloonden Vondel op êéne lijn stelde ; maar in zijn dankdicht 
(getiteld „Papier voor gout") noemde hij dat zelf „gelyken 
loon aan ongelyke pennen" en besloot hij met deze woorden: 
„zoo veel als myn nederig gedicht voor 't heerlyk rym des 
grooten Vondels zwicht, zooveel te meer heb ik u dank te 
weten". Een jaar later, in 1650, bezong hij haar nog eens, en 
toen zij in 1654, om openlijk tot de Katholieke kerk te kunnen 
overgaan, afstand had gedaan van hare kroon en Zweden 
verlaten had, om, op hare reis ook Holland bezoekend, te Rome 
haar verder leven door te brengen, prees Anslo haar in eene 
ode nog eens, omdat zij de „evangelische parel, hetKatholyk 
geloof, het Roomsche Godtskleinoot" gekocht had voor de 
vorstelijke macht, ofschoon zij met „ryk en kroon hare majes- 
teit niet afgeleit" had, die men nu „te Rome in nedrigheit 
nog hooger pralen zag". 

Onder Anslo's kleinere gedichten vinden wij, behalve brui- 
lofts- en lijkzangen, verscheidene, waarin gejuicht wordt over 
het sluiten van den Munsterschen vrede en over de grond- 
legging van het Amsterdamsch stadhuis in het vredejaar, 
welk laatste gedicht zoozeer door Burgemeesteren gewaardeerd 
werd, dat zij er Anslo eene zilveren schaal voor vereei-den. 
Aan zijne moeder droeg hij met een hartelijk en vroom ge- 
dicht eengeheelen bundel van 233 korte „Bybelsche Byschriften" 
op, blijkbaar bestemd tot onderschriften voor bijbelsche prenten. 

Een ander groot dichtwerk was zijn eenig trem-spel „De 
Parysche bruiloft", in 1649 uitgegeven met eene opdracht 
aan Miehiel Ie Blon, maar zeker reeds wat vroeger door hem 
gemaakt en alleen, zooals hij zegt, uitgegeven „ter gunste van 
een, die hem zoo lief was als het licht"; en wie die ééne was, 
valt niet moeieUjk te gissen, daar wij onder zijne gedichten 
er ook een vinden, waarin hij zich „voor eeuwig en altoos 
verplicht" rekende aan Magdalena Baeck, de oudste dochter 
van Hooft's zwager Joost Baeck, indien zij zich wilde verwaar- 
digen zijn treurspel te lezen. 

Ongetwijfeld is dit dichtwerk een geweigerd liefdesoflfer ge- 
weest, doch daar dit in classieken stijl (ook met reizangen 



*RBYEB ANSLO EN LAURBNS BAEB. 346 

aan het eind der bedrijven) geschreven stuk den Bartholomeus- 
moord afkeurenswaardig genoeg voorstelt om de goedkeuring 
van Frederik Hendrik, den kleinzoon van den Admiraal De 
Coligny, te kunnen wegdragen, is het zeer onwaarschijnlijk, 
dat Anslo met dit offer tegelijk aan Magdalena Baeck nog 
een veel grooter offer zou hebben gebracht, namelijk het 
oflFer van zijn vaderlijk geloof, zooals wel eens is beweerd. 

Wie meende, dat Anslo hoofdzakelijk ter wille van haar 
katholiek zou geworden zijn — en hij werd dat, schoon nog 
niet ofl5ciëel in den loop van 1649 — nam dan natuurlijk 
tevens aan, dat zij zelve reeds vóór dien tijd van geloof zou 
veranderd zijn, en dat valt m. i. niet alleen niet te bewijzen, 
maar is ook hoogst onwaarschijnlijk. Immers wat ten gunste 
van die meening wordt aangevoerd, is uitermate zwak. Hare 
moeder, Magdalena van Erp, zou katholiek geweest zijn, doch 
alleen omdat Vondel aan haar zijn, volstrekt niet kenmer- 
kend katholiek, gedicht „De Kruysbergh" opdroeg, dat boven- 
dien door hem nog vóór zijne bekeering is gedicht en in 
1641 achter zijn „Peter en Pauwels" alleen herdrukt is. Ook 
hare zuster, Debora Baeck, zou katholiek geweest zijn; doch 
dat volgt immers nog geenszins uit hét feit, dat zij in 1664, 
dus veel later, trouwde met Joannes Wuytiers, heer van Assum- 
berg en Heemskerk, misschien één van de vele bekeerlingen 
van zijn oom, Joan Banning Wuytiers, die, eerst zelf tot het 
katholiek geloof overgegaan en in 1619 ook tot priester gewijd, 
volgens Vondel's lijkdicht op hem, ook allengs „al 'tmaeghschap, 
dat verstroit geduurigh verder van de waerhoit dwaelde en 
nergens weide vondt, te koy braght als een oprecht herder. 

Van CathoUsme blijkt niet veel uit het Latijnsche lofdicht, 
dat Magdalena's latere zwager nog veel later gemaakt heeft 
op de Bybelse Gezangen, die in 1675 in het licht gegeven 
werden door haar eigen, echt Protestantschen, broeder Mr. 
Laubens Baeck of, zooals hij zich noemde, Bake, heer van 
Wulvenhorst, welke heerlijkheid hij geërfd had van zijn vader 
Joost, die haar in 1671 had gekocht. Die „Bybelse Gezangen" 
behoorden in hun tijd tot de meest gewaardeerde stichtelijk- 
protestantsche gedichten. Het zijn berijmingen en uitbreidingen 
van groote stukken uit den Bijbel, vooral uit de profetieën 
van Jeremia, Habakuk en Jesaia, maar ook van Salomo's 



346 LAUBENS BAKE EN BEYBB ANSLo/ 

Hooglied en van verschillende Oudtestamentische lofzangen. 
Uitvoerige prozaverhandelingen gaan er aan vooraf, en als 
inleiding ook eene meer algemeene, zeer lezenswaardige ver- 
handeling „over de heilige en bybelpoëzy'*. Dat hij deze 
eindigt met uitdrukkelijk zijn geloof aan de Drieëenheid uit 
te spreken, bewijst, hoe weinig lust hij had, om voor Soci- 
niaan gehouden te worden, ofschoon de opdracht van zijxi 
bundel aan Koenraad van Beuningen zou kunnen doen ver- 
moeden, dat hij met de Rijnsburgers in betrekking stonö- 
Evenals deze, maar volgens Oudabn nog te weinig en ni ^ 
consequent genoeg, komt hij op tegen het misbruik van c3Le 
z. i. reeds lang afgezaagde mythologie, en vooral tegen \m^ et 
„mengen van heilige met onheilige zaaken". Daar hij in 16^B1 
benoemd werd tot kerkmeester van de Amstelkerk, behoor^aade 
hij ongetwijfeld tot de Gereformeerde gemeente. 

Daar nu de familie Baeck veel meer blijk geeft van vrooi 
protestantsche dan van katholieke gezindheid, houd ik 
voor meer waarschijnlijk, dat Magdalena Baeck Anslo ju 
om zijne bekeering heeft afgewezen. Wat hem tot die 
keering heeft gebracht, is moeielijk met eenige zekerheid 
zeggen, maar vermoedelijk heeft zij plaats gehad onder d 
invloed van Vondel of althans van het door Vondel gegev 
voorbeeld Eveneens mag vermoed worden, dat de teleurst- 
ling, die hij op het gebied der liefde ondervond, er evenv< 
toe heeft bijgedragen om hem bijna onmiddellijk na het 
geven van zijn treurspel, nog in Sept. 1649, zijn vaderland te 
doen verlaten, als de ontevredenheid zijner familie over zij ^e 
bekeering. 

Hij nam dan afscheid van geboortestad en vaderland, m a^ip r, 
blijkens een bij 't Bingerloch geschreven gedicht, niet zonc^er 
weemoed. Nog nauwelijks buiten de grenzen van „'t U^^ve 
vaderlant, zoo waardt als 't leven", werd hem „'t hart flaa»-'»^, 
als 't dacht' om al zyn bloet, om vrient en vreemt, in si.^n 
zoo teer gemoet zoo diep gekropen". Hij ging naar Ronie 
„om voor des Tybei-s Myterkroon Latyn te spreken" en. er 
de feesten van het Jubeljaar 1650 mee te vieren. Nooit is 
hij naar zijn vaderland teruggekeerd. Te Rome ging hij, vol- 
gens de „Litterae Annuae" der Jezuïeten, 7 December 1651 
oflBciëel tot de Katholieke kerk over. Hij kwam er in dienst 



BEYBB ANSLO 347 

bij den Kardinaal Luigi Capponi en bereidde zich tot den 
geestelijken stand voor; doch eerst in 1666 werd hij tot sub- 
diaken gewijd en verder schijnt hij het niet gebracht te heb- 
ben. Te Perugia is hij 16 Mei 1669 overleden 

Te Rome heeft hij nog maar enkele kleinere gedichten gemaakt 
en één uitvoerig dichtwerk, waartoe „De Pest tot Napels" hem 
in 1656 stof gaf. Alle ellende, waarvan hij daar getuige was, 
wordt den lezer treffend voor oogen gesteld door eene reeks 
verhalen van, naar 't schijnt, in dien vreeselijken pesttijd te 
Napels ook werkelijk voorgevallen afschuwelij kheden ; endaar 
bij groote volksrampen gewoonlijk de schandelijkste ondeug- 
den, die zich anders zorgvuldig trachten te verbergen, onbe- 
schaamd voor den dag treden en ook deze door den dichter 
breed worden uitgemeten, maakt het gedicht in de eerste 
plaats een gruwelijken indruk: het wekt veeleer afkeer dan 
ontroering. Dat het inderdaad indruk maken kan, heeft het 
aan de goed gekozen woorden te danken, doch eigenUjk dich- 
terlijk is de taal maar zelden. Anslo, die te voren er wel 
eens in geslaagd was, door den toon zijner verzen aan Vondel 
te herinneren, doet ons bij den aanvang van het gedicht, 
wanneer hij een algemeenen indruk van de pestwoede geeft, 
ook nog van verre aan hem denken, maar als hij spoedig 
daarop tot den verhaaltrant overgaat, daalt zijn stijl, zoodat 
wij allengs niet meer Vondel, maar Cats meenen te hooren; 
en zelfs het gebed tot God om de nog overgeblevenen te 
3paren, waarmee het gedicht eindigt, is zuiver Catsiaansch 
van gedachte en taal. 

-XLV. 

Verhouding van dicht- en schllderlcunat. 

Den 208ten October 1653 werd er op de St.-Jorisdoelen te 
Amsterdam een merkwaardige maaltijd gehouden door „schil- 
ders, poëten en liefhebbers der zelfder konsten", ter viering 
van „de vereenigingh van Apelles en ApoUo". In eene zaal, 
die door Comelis Brizé, schilder van stillevens en sohijnbe- 
driegers en kastelein van den Schouwburg, met festoenen ver- 
sierd was, werd daar toen Joost van Vondbl begroet door 



348 VONDEL DOOR DB SCHILDERS GEHULDIGD. 

ApoUo, die hem als zijn groeten zoon den lauwerkrans op de 
slapen drukte, en toen de grijze dichter daar „de wellekomst- 
fluyt in drie teugen" had uitgedronken, werd daarmee het 
huwelijk van dicht- en schilderkunst beschouwd als voorgoed 
gesloten te zijn. De karmozijnverver Thomas Asselijn, die 
later zulk eene rol van beteekenis als tooneeldichter zou 
spelen, maar nu eerst in zijne opkomst was, had de berijmde 
toespraken gemaakt, die daar werden uitgesproken met een 
gezang en een sonnet ter eere van Vondel en gedichtjes op 
de vier daar opgehangen festoenen. 

In dien schilderkring paste Vondel volkomen, want toen 
hij in de volgende maand „aen de kunstgenooten van Sint ' 
Lukas t' Amsterdam'* als tegenbeleefdheid zijne prozavertaling 
van Horatius' Lierzangen en Dichtkunst opdroeg, die hij reeds 
„eenige jaren geleden voor tydverdryf en oefeninge" met 
hulp van Mostart en Victoryn had gemaakt, sprak hij het 
nog eens duidelijk uit, hoe nauw hij zich als dichter aan de 
schilders verwant gevoelde. „Van Plutarchus'\ zeide hij, en 
eigenlijk had hij „van Simonides" moeten zeggen, „heeft elck 
nu in den mont, dat schildery stomme Poëzy, de Poëzy 
spreeckende schildery is: want de Schilder beelt zijne gedach- 
ten met streken en verwen, de Dichter zijne bespiegelingen 
met woorden uit, en hare muzijk zweeft, met hooge, middel- 
bare en lage, droeve en blijde, statige en dertele klanckenop 
de pennen des Dichters, en volght scherp met hare galmen 
zijnen geest en vernuftige vonden, de ziel der zangkunste'*. 

Als tooneeldichter vooral was hij zich zijne nauwe betrek- 
king tot de schilders bewust, niet alleen omdat hunne hulp 
hem, en anderen tooneeldichters met hem, zoozeer te stade 
kwam bij het invoegen van levende, maar ook dikwijls ge- 
schilderde, vertooningen in hunne stukken, maar ook omdat 
hij er steeds op uit was met woorden te schilderen, wat zij 
met kleuren op het paneel tooverden. Van een tooneel uit 
zijn treurspel „Gebroeders" stelde hij zich voor, hoe het zich 
zou voordoen, als het door Rubens op doek gebracht was, en 
zoo schreef hij dan in de opdracht van dat stuk: „hier word 
ick belust, om door Rubens, de glori der penseelen onzer 
eeuwe, een heerlij ck en koningklijck tafereel als een treurtoo- 
neel te stoffeeren. Hij valt aen het teeckenen, ordineeren en 



VERWANTSCHAP VAN VONDEL*S POËZIE MET DE SCHILDERKUNST. 349 

schilderen, nocht zijn wackere geest rust eer het werkstuck 
voltoit zy. David zit 'er zwaermoedigh op den hoogen troon. 
Men ziet 'er, door een poort in 't verschiet, de drooge, dorre 
en dorstige landouw quijnen. Boven in 't gewelf van 't 
prachtige marmeren en cederen hof zwieren zommige Engel- 
kens, die, naer de gewoone zinrijckheid des aller ver nuf tighsten 
Schilders, elck om strijd bezigh zijn, om net uit te beelden, 
'tgeen ter zaecke dient, 't Een schijnt het vonnis der Ge- 
broederen uit een half ingerolt blad te vellen. Een ander 
geeft met een geslote waterspuit te kennen dat de hemel ge- 
sloten zy", en zoo gaat hij voort met allerlei andere zinne- 
beeldige engeltjes te teekenen, om dan aldus te vervolgen: 
„Sauls verweze nakomelingen staen voor den rechterstoel en 
zien zeer deerlijck. . . terwijl de Gabaoners met wraeckgierige 
en gloeiende aengezichten, aen d'eene zijde, op hun recht 
dringen, en aen d'andre zijde hem benaeuwen het misbaer 
en de traenen der allerbedruckste Michol ; waarnevens de stock- 
oude weduwe, al bevende met de rechte hand op haer stoxken 
en met de slincke op de rechte schouder van hare kamenier 
leunende, met een lachende aenschijn meld, dat ze, van rouwe 
aen 't mijmeren geslaegen, niet weet wat ze zeit". Om zoo 
nauwkeurig een denkbeeldig schilderstuk van Rubens met 
woorden te kunnen afmalen, moet Vondel wel goed in het 
karakter van Rubens' kunst zijn doorgedrongen. 

Meer dan eens ook heeft het zien van eene schilderij 
Vondel, naar zijne eigene verklaring, tot het dichten van 
een treurspel opgewekt. In de opdracht van den „Joseph in 
Dothan" zeide hij : „ Josephs verkoopinge schoot ons in den 
zin door het tafereel van Jan Pinas, hangende, neffens meer 
kunstige stucken van Peter Lastman, ten huise van den 
hooghgeleerden en ervaren Dokter Robbert Verhoeven, daer 
de bloedige rock den vader vertoont wordt, gelijck wy in t 
sluiten van dit werck ten naesten by met woorden des 
schilders verwen, teeckeningen en hartstoghten pooghden na 
te volgen"; en „toen hy den opstant tegens de Romainen en 
de doorluchtige daeden der Batavieren in de kunstige printen 
van [A.] Tempeest (door Otto Vaenius gegraveerd, 1611 — 12) 
bespiegelde en onder andere afbeeldingen den Romainschen 
stadthouder op den stoel zagh zitten, daer Julius Paulus in 



350 SCHILDBBSCOLLKGES. 

zyn bloet geverft lagh, en Nicolaes Burgerhart geketent naer 
Rome gevoert wiert, ontvonckte hem een yver om levendigh 
te ververschen den treurhandel der [Batavische] Gebroeders", 
zooals hij dan ook in 1663 deed. 

Reeds een jaar nadat de schilders hem op hun St.-Lucas- 
feest hadden bekranst, had hij gelegenheid, hun een kort 
lied toe te zingen ter „Inwydingo der Schilderkunste'*, de 
„tiende Zang-godin", die hij „met d'andre negen Pamas- 
godinnen" te gemoet trad, om op zijne beurt haar de kroon 
toe te reiken, want toen werd er door de schilders opnieuw 
feest gevierd. 

In verschillende groote steden van ons land waren de schil- 
ders in een St.-Lucasgild vereenigd, waar zij, naar hunne 
gezellige natuur, eene bent vormden en school maakten, zoo- 
dat men bv. bij ons van eene Haarlemsche, eene Leidsche, 
eene Delftsch-Rotterdamsche, eene Dordsche school kan spreken. 
Te Utrecht werd reeds in 1611 een afzonderUjk schilderscol- 
lege gesticht; maar bij de ouderwetsche inrichting der gilden 
werd de schilderkunst elders nog lang als een ambacht be- 
schouwd: de kunstschilder werd er niet onderscheiden van den 
huisschilder en niet alleen met den beeldhouwer, maar ook 
met den glazenmaker (die oudtijds trouwens ook glasschilde- 
rijen vervaardigde) en den blauwverver, en niet zelden ook met 
den boekbinder en boekdrukker (zooals te Amsterdam nog tot 
1662 toe) onder het patronaat van St. Lukas in één gildever- 
band gebracht. Dat nu begon den schilders, voor wie de kunst 
wat hoogers dan ambacht was, te verdrieten en zij wenschten 
zich overal omstreeks het midden der zeventiende eeuw tot 
afzonderlijke broederschappen te vereenigen, waartoe zij ook 
wel aansluiting bij de beoefenaars van andere kunsten zochten. 
Zoo was in 1642 te Dordrecht eene broederschap van schilders 
gesticht en zou in 1656 te 's-Gravenhage het genootschap 
Pictura, in 1668 te Antwerpen de Kunstacademie verrijzen. 

Iets dergelijks nu beproefden, onder bescherming van den 
burgemeester Joan Huydecoper van Maarseveen, ook te Amster- 
dam een viertal kunstvrienden en schilders, Marten Kretser, 
B. van der Eist (Helst?), Nicolaes van Helt Stocade en J. 
Meurs. Zij stichtten eene „broederschap der Schilderkunst" en 
vierden die stichting 21 October 1654 met eene allegorische 



kbbtsbr's broederschap der schilderkunst. , 351 

voorstelling van Pallas, ApoUo en Merkurius, weder door 
Thomas Assblijn gedicht. Niet onverdienstelijk wordt in deze 
samenspraak de schitterende bloei van Amsterdam beschreven, 
waar alles getuigt van weelde en welvaart, en waar „de Konst- 
godin, die door haar verwen geen van alle konsten wyckt, 
aan haar wydt-beroemde penceel de bouw- en beeld-k onst 
paart en ook de heiige Poëzy", zoodat men nu wèl reden 
heeft om voor deze zusterkunsten „een vaste bandt van eeuw'ge 
maagschappy" te maken en Jaarelyks haar jaargety" te vieren. 
De ziel dezer broederschap was blijkbaar de kunstbescher- 
mer Marten Kretser, die ook drie jaar lang schouwburgregent 
is geweest. Hij had, als „Minnaer van de konst, Mecenas van 
doorluchte geesten", een schilderijenkabinet bijeengebracht, 
waarin de beste HoUandsche en Vlaamsche, en ook Italiaan- 
sche, meesters vertegenwoordigd waren en dat wij vrij goed 
kunnen leeren kennen uit een uitvoerig gedicht, waarin Lam- 
BEBT VAN den Bos in 1650 dit „Konstkabinet van Marten 
Kretzer" beschreef. Tot zijne kunstschatten behoorde o.a. ook 
eene „Ste Marie Magdalene door Titiaen geschildert", waarop 
Vondel een gedicht maakte. Dat inderdaad Kretser tot het 
oprichten van deze broederschap den stoot had gegeven en 
dat daarmee ook een verbond van dicht- en schilderkunst 
bedoeld werd, bUjkt duidelijk uit een uitvoerig dichtwerk van 
Jan Vos, getiteld „Strydt tusschen de Doodt en Natuur of 
Zeege der Schilderkunst", waarin op het eind deze merkwaar- 
dige verzen voorkomen, bij wijze van eene voorspelling in 
het verleden: zoodra Amsterdam 

„De gaffel zwaaien zal van alle zeen, 

Zal 't grimmelen van Schilders en Poêeten: 

Deez' zullen in dit hooft der watersteen 

£en broederschapi door Kretsers raadt, oprechten 

Om u op 't jaargety ten dienst te staan. 

Briezé zal, tot sieraadt, festonnen vlechten 

Van speel- en bon- en wapentnigh, en blaan 

Van lanwren offeren op uw altaaren. 

Zoo wordt nw Faam behoedt voor ondergang. 

Apollo zal hier met Apelles paaren, 

De Dichtkunst met haar dochter Maatgezang. 

Hier ziet men Rem brandt, Flink, de Wit, Stokade, 

Daar Van der Helst, de Koningen, Quillien, 

Van Lpo, Verhulst, Savooy, Van Z{jl, wiens daade' 



352 DICHTBR-SCHILDERS. 

In 't kleen zoo groot z^n, dat de Doodt moet vlien, 
Men ziet 'er Bronkhorst, Kalf en Bol uitmunten, 
En Graat en Blom, en die penseel en plet 
Veel waarder schatten dan de heldre punten 
Van dierbaar diamant in goudt gezet." 

Men ziet hier mefteen, wie destijds in Amsterdam voor de 
eerste schilders doorgingen of, zooals Quellinus en Verhulst, 
toen gevierde beeldhouwers waren; en men vindt hier Rem- 
brandt in de allereerste plaats genoemd. Vos heeft, als verver 
en glazenmaker van beroep, zeker op den naam van schilder 
geene aanspraak gemaakt en was dus niet schilder en dichter 
te gelijk, zooals er vroeger zoovelen geweest waren. In dezen 
tijd neemt hun aantal wel af, maar toch kennen wij als zoo- 
danig nog Hbinrick Bloem aert, Samuel van Hoogstraten, 
Joost van Geel, Gerbrandt van den Eeckhoüt, Willem 
ScHELLiNCKS, PiETER Verhoek, dcu „gccstrycken Poëet en 
Schilder" Pieter des Ruelles, op wiens „ontydigen Doodt" 
(1658) een lang gedicht werd gemaakt door Frederik Vbrloo, 
den Kamper burgemeester Bernhard Vollenhovb (broeder 
van den predikant Johannes), die tevens schilder was en als 
dichter o.a. in 1661 een treurspel „De broedermoord te Tranziane" 
(dramatiseering van een Indisch verhaal) dichtte, en eindelijk 
HiERONYMüs Sweerts, die zich meer als Jeroen Jeroensen 
heeft bekend gemaakt door zijne „Koddige en ernstige op- 
schriften op luyflFens, wagens, enz." 

Ook zij versterkten den band, die dichters en schilders aan 
elkaar verbond, en Kretser's broederschap zou ook een hope- 
loos ondernemen geweest zijn, indien niet reeds sinds lang 
schilders en dichters met elkaar in vriendschapsbetrekking 
hadden gestaan. Doch niet alleen bij de dichters, ook over 
het algemeen in de zeventiende eeuw, vonden onze schilders 
groote waardeering. Hunne tijdgenooten zagen het evengoed 
in, als wij, dat ook zij hun tijd tot eene gouden eeuw hebben 
gemaakt. Ook bij onze beste dichters vloeit het daarom over 
van lof op hunne werken, al maakte persoonlijke bekendheid 
eene bijna goddelijke vereering, als sommige schilders bij het 
nageslacht gevonden hebben, natuurlijk onmogelijk, terwijl het 
van den anderen kant dikwijls meer vriendschap dan veree- 
ring was, die hun een lofdicht deed schrijven. 

Zoo bv. toonde Geeraardt Brandt voor het keurig portret 



SCHILDBRVRIBNDBN VAN GBBRAARDT BRANDT. 253 

van Susanna van Baerle, waarop ook Vondel een dichterlijk bij- 
schrift schreef, zijn dank aan den schilder Geeraerdt Pietersz. 
van Syl door hem in 1651 de door hem bijeengebrachte 
„ Verscheyde Nederduytsche Gedichten" op te dragen, met een 
brief ter inleiding, waarin hij o.a. schreef: „De Poösy, die 
solck een groote gemeenschap met Uw schilderkunst heeft, dat 
d' eene dikwils met woorden schildert en d' ander met verwen 
spreekt, geeft my nu gelegenthejrt om uw E. gedichten voor 
schildery en woorden voor verwen aen te bieden". 

Een gedicht van Brandt „Op d' afbeelding van Rozemond 
door» den beroemden schilder G. Flink*' verheerlijkte een tweede 
portret zijner Susanna. „Hier ging", schreef de dichter van 
Govert Flinck, „hier ging zyn kunst zo ver die reiken kon, en 
geen Apel noch groote Titiaan heeft grooter kracht met zyn 
penseel gedaan." Het portret van Brandt zelf werd eerst 
geteekend door Jan Ijievens: een portret waarop hij het 
bekende bijschrift maakte: „Wiens schaduw viel hier neer, 
wat meent gy, dat ge ziet? Ay, vraag het Brandt niet, 
want hy kent zich zelf nog niet". Daarna, toen hij predikant 
te Amsterdam was geworden en „aan 't Y te lichten poogde," 
werd het door Michiel van Musscher geschilderd. Eene koper- 
gravure van Pieter van Gunst [naar dat portret versiert het 
derde deel zijner „Historie der Reformatie" (1704) en ook 
de volledige uitgave zijner „Poëzy" van 1725. 

Een vijfde met Brandt bevriende schilder was Adriaen 
Backer, voor wien hij een bruiloftsdicht maakte, toen hij in 
1669 met Eliza Colyn in het huwelijk trad. Hij prees hem 
daarin om „het voeglyk t' zamen voegen van beelden, zodat 
het l^eurigste oog genoegen moest scheppen uit de schikking 
van zyn geest", en vooral legde hij er nadruk op, dat de 
schilder dat geleerd had „te Rome, 't school der grootste kun- 
stenaren, daer zich de kunst vertoont op doek en muur, metaal 
en steen", en waar men, zich vermeiende „in eenen beemt 
van Rafelsche taaffreelen, de kunstige natuur" leerde volgen. 
Brandt's vriendschap tot Adriaen Backer gaf hem in 't zelfde 
jaar ook nog twee korte lofdichten in de pen: op een portret, 
dat hij van den predikant der Remonstranten Barth. Praevostius 
had geschilderd, en op een historiestuk van hem, voorstellende 
„'t Gerecht van Hertog Karel van Borgonje". Ook bij Jan Vos 

II 23 



354 POBTBBTTBN VAN DB GROOT, CAT8 EN HUYGBNS. 

treffen wij eenige gedichten op schilderwerken van Backer 
aan, zooals op twee portretten van een echtpaar, dat zich (zon- 
derling genoeg I) als Jason en Medea had laten afbeelden, op 
een „Sint Jan den Dooper" en op „Een slaepende Harderin, 
die yan Chimon gezien wordt", in bezit yan Abraham van 
Bassen en zóó mooi, dat zij „niet door 't groot penseel, maar 
door Natuur geschaapen" scheen om, zelfs slapende, den aan- 
schouwer in liefde te doen ontgloeien. 

De rijken en aanzienlijken onder onze dichters konden tegelijk 
ook als Maecenas optreden. Zoo bv. Jacob Wbstbbbabn, van 
wien w^ reeds opgemerkt hebben, dat hij op Ockenburg. eene 
geheele portrettengalerij bezat: „een opperlyst van menschen 
sonder handen en sonder onderlyf', zooals hij zegt: „kunst 
van Miereveld en Ravesteyn den Ouwen". Dat Michiel van 
Miereveld in zijn tijd, d.i. tot zijn sterfjaar 1641, de meest 
gevierde portretschilder was, is bekend. Reeds vermeldden wij, 
dat hij in 1629 het eerste en beste portret van Hooft schil- 
derde; van HüGD DB Groot maakte hij in 1631 een portret 
en van Cats twee portretten (beide nu in het Rijksmuseum), 
het eerste (ook door Willem Delff in koper gesneden) in 1634, 
het tweede in 1639. Het portret, dat ons Oats in 1655 voor- 
stelt en de uitgaaf zijner werken van dat jaar versiert, is naar 
Adriaen van de Venne door M. Mosyn gegraveerd. Nog werd 
er van Cats een portret geschilderd door Jan Antonisz. van 
Ravesteyn, dien wij zoo even naast Miereveld als vermaard 
portretschilder van dien tijd vermeld zagen, en die als zoodanig 
ook genoemd wordt door Huygbns, als deze van eene kladschil- 
derij zegt, dat het „van Mierevelds pinceel niet, noch van 
Ravesteins palett" is. 

Toch maakte Huygbns tusschen beiden wel onderscheid en 
stelde hij van beiden Miereveld verreweg het hoogst. Deze 
had dan ook in 1624 zijn portrei geschilderd, dat, door Willem 
DelflF in koper gesneden, zijne „Ledige Uren" versiert. Weinige 
jaren later schilderde Jan Lievens hem, en in 1632 Anthonie 
van Dyck. In 1657 toekende zijn zoon Christiaan z^n portret, 
dat, gegraveerd door Cornelis de Visscher, met zijne » Koren- 
bloemen" uitkwam, terwijl eene gravure van Abraham Bloote- 
ling gedaan werd naar een portret, dat zijn vriend Caspar 
Netscher in 1672 van hem schilderde en dat nu in het Rijks- 



SCHILDBRYRIENDBN VAN HÜYGSNS, VLAMINQBN. 355 

museum te zien is. Vandaar misschien ook, dat Hüygens op 
Netscher in 1684 niet minder dan acht Latijnsche en Neder- 
landsche grafschriften gemaakt heeft. 

Bijzonder was Huygbns ook ingenomen met den „uytnemen- 
den bloemschilder Daniël Seghers", die zelfs met een portret 
van Willem III (nu in het Mauritshuis), naar zijne gewoonte 
in een festoen van rozen en oranjebloesem, zijn schoordteen 
versierde. Hij heeft dan ook meer dan één Latijnsch ofNeder- 
landsch gedicht tot hem gericht, zooals ook Jan Vos deed, 
en Vondel, die hem een bij noemde, „honiglekkerny en geur 
uit allerhande bloemen zuighend", maar bovendien in hem 
gewaardeerd zal hebben, dat ook hij tot de bekeerlingen der 
Katholieke kerk behoorde. 

HüYGENS zelf ook was in de kunst niet geheel onervaren, 
zooals het oudste portret bewijst dat wij van hem bezitten, 
in 1622 door hem zelf geteekend. In 1611 had hij ge- 
durende drie maanden teekenles gekregen van Hendrick Hon- 
dius, terwijl zijn bloedverwant Jacob Hoefnagel hem met 
waterverf leerde schilderen en zijn vriend Brostbrhuysbn 
hem bij het etsen behulpzaam was. Vreemd is het daarom 
ook niet, dat Frederik Hendrik, toen hij zijne jachthuizen te 
Honselaarsdijk en Rijswijk met schilderwerk (meest familie- 
portretten) versieren liet, en later Amalia van Solms, toen zij 
de Oranjezaal of het Huis-ten-Bosch door Jacob van Campen 
liet bouwen en tot een kunsttempel en mausoleum voor haar 
overleden echtgenoot maakte, daarbij aan Hüygens opdroegen, 
met de schilders in briefwisseling te treden. Zoo bezitten wij 
dan ook nog bv. zijne coiTCspondentie met Rembrandt en 
Geeraerdt van Honthorst, en ook met Vlaamsche schilders, 
zooals Rubens, Jordaens, Gonzales Goques en Adriaen van 
Utrecht. 

Vlamingen hebben daarom ook vooral een groot aandeel 
gehad aan de versiering van de Oranjezaal, en wel Jacob 
Jordaens in 't bijzonder, wiens kolossale allegorie van Frederik 
Hendrik's roemrijke daden er het veelbewonderd meesterstuk 
is. Ook elders in ons land stond Jordaens (trouwens naast 
Rubens, Van Dyck en Theodoor van Thulden) in hoog aan- 
zien om het forsche realisme, dat al zijne werken, zelfs zijne 
allegorieën, voor den zeventiendeëeuwer zoo aantrekkelijk 



356 JACOB JOBDABNS BN PIBTBR LASTMAN IN BBRB. 

maakte, en misschien ten deele ook, omdat hij aan zijn kunst- 
roem het voorrecht dankte, als protestant te Antwerpen te 
mogen blijven wonen en werken. Ook voor het Amsterdamsch 
stadhuis heeft Jordaens in 1661 vier schilderstukken geleverd. 
Hij werd daartoe vooral uitgenoodigd, omdat hij, evenals de 
meeste Vlamingen, zich meer dan de Hollandsche schilders 
op decoratieve kunst had toegelegd. Op twee van deze schil- 
derijen, die tafreelen uit den Bataa&chen opstand voorstellen, 
heeft Jan Vos een bijschrift gemaakt, evenals op het derde, 
dat Simson als Filistijnendooder te zien geeft ; doch het vierde, 
waarop het gevecht van David en Goliath is afgebeeld, schiJDt 
niet door Jan Vos bezongen te zijn. 

Welke schilders in de zalen der Amsterdamsche patriciërs 
door hunne schilderijen het meest vertegenwoordigd en onder 
hen het moest in eere waren, kunnen wij het best te weten 
komen door Jan Vos, die steeds bereid was, de kunstschatten 
zijner Maecenassen te bezingen, maar die daarin toch vrij 
goed overeenstemde met Vondbl, ofschoon deze bij voorkeur 
zijne lier besnaarde voor de werken van die schilders, met 
wie hij persoonlijk bevriend was. 

Voor Vondel is Pieter Lastman (reeds in 1633 overleden) 
nog lang de groote schilder gebleven: „de Apelles onzer 
eeuw", zooals hij zegt, wiens voorstelling (in 1614) van de 
„Offerstaetsie te Lystren" aan Paulus en Bamabas gebracht, 
toen (namelijk in 1657) in bezit van Jan Six, nu op Graaf 
Stetzki's slot Romanow, door hem als een ongeëvenaard mees- 
terstuk tot in kleine bijzonderheden in verzen werd geschilderd. 
Oud ABN maakte in 1657 een gedicht op „Lastmans Offerstryd 
tusschen Pylades en Orestes" (toen in bezit van Reinier van 
der Wolf), dat hij „een weerga" noemde van de door Vondel 
bezongen schilderij. Omstreeks denzelfden tijd bezat Marten 
Kretser van hem een „Pyramus en Thisbe", „door ongemeene 
weelde van konst en verw op 't treurigh gloeyende paneel 
uytgebeeld", zooals Lambbrt van dbn Bos zegt, die ook het 
„toover-swieren" bewonderde in een „Vrouwken van Sarepta'^ 
door Lastman geschilderd en ook in Kretser's Konstkabinet 
naast een „Eng'len bootschap" van Pynas te bewonderen. 

Van Rembrandt's medeleerling bij Lastman, Jan Lievens of 
Livius van Leiden, zooals Vondbl hem soms noemt, bezat 



VONDBL EN VOS OVBB LIEVBNS, KONINCK, BOL BN FUNCK. 357 

Kretser „menigh Landtschap: in leven selver boven 't leven, 
wanneer men 't op sijn schoonste siet", zegt Van dbn Bos, die 
evenzeer over eene „Maria Magdalena" van Lievens in Kret- 
ser's verzameling veiTukt was. vol bewondering voor Lievens 
waren ook Vondel en Jan Vos. Diens „Fabius Maximus" in 
de burgemeesterskamer op het nieuwe stadhuis werd door 
beiden in verzen geprezen, en door Vos alleen eene „Opwek- 
king van Lazarus" en een „Christus in 't graf', door hem 
geschilderd. Verder vereerden zij eenstemmig Rembrandt's 
leerlingen Philips Koninck, Ferdinand Bol en Govert Flinck. 

Van Philips Koninck bezong Vondel eene Allegorie van 
den vrede, een „Orestes en Pylades", een „Triomf van Bacchus", 
en zelfs tweemaal eene „Slapende Venus". Voor Ferdinand 
Bol waren Vondel en Vos beiden vol lof over „het heerUjk 
stuk", de verpersoonUjking van 'sLands Regeering, waarmee 
de Zeeraad door hem de kajuit van het Admiraliteitsjacht had 
laten versieren, en ook voor het schoorsteenstuk, waarop Mozes, 
de wet aan het volk vertoonend, is voorgesteld in de schepen- 
kamer van het stadhuis, nu de troonzaal in het paleis, waar 
deze schilderij nu achter den troon verborgen is, en voor een 
ander stuk op het stadhuis, dat de onverschrokkenheid van 
Fabricius tegenover Pyrrhus' olifant afbeeldt. Vondel maakte 
ook nog een gedicht op een stuk van Bol in het Admiraliteits- 
gebouw, „het gestrenge krygsrecht van Titus Manlius ïorquatus" 
voorstellend, en Jan Vos op een allegorisch schoorsteenstuk 
van hem in het vorstelijk verblijf van Hendrik Trip. 

Aan Govert Flinck wijdde Vondel een bruilofsdicht bij zijn 
tweede huweUjk met Sofia van der Hoeven in 1656, twee bij- 
schriften bij zijn portret en een grafschrift bij zijn vroegen 
dood in 1660. Hij roemde hem als den schilder van „'tlevens- 
groote leven", zooals ook Paolo Veronese dat op doek bracht, 
„met kracht en majesteit, door vrou Natuur tot schilderen ge- 
dreven". Van die Natuur week hij, volgens Vondel, nooit af: 
„altijt volgde hij het leven en de waerheit, 't zy hy Maurits 
maelde in het blanke harrenas, of met zijnen Keurvorst praelde, 
of, vol y vers bezig was om 't Stadthuis en Aemstelheeren door 
den Roomschen Curius zuinigheit en trouw te leeren". Aan 
dat laatste stuk wijdde hij, evenals Jan Vos, nog een afzon- 
derlijk bijschrift; en zoo wedijverde hij ook met Vos in het 



358 JAN vos OYBR GOVBBT FLINCK BN BARTH. VAN DBB HELST. 

prijzen van een „Venus en Cupido met gebroken boogpees", 
door Flinck geschilderd voor Joan Huydecoper en nu nog in 
Teylers museum te zien. Vos en Brandt beiden maakten een 
bijschrift op zijn schilderstuk „Salomons gebed" in de Raad- 
kamer van het stadhuis, waarop de allegorische voorstelling 
der Hemelsche wijsheid of Sophia de trekken van Flinck's 
vrouw vertoonde, en Vos schreef er ook nog een op een 
„Christus", waarvoor Plinck een Jood tot model genomen had, 
toen hij hem voor Joris de Wijze schilderde, en op eene 
„Venus", die de schilder in eene „Maria Magdalena" omschiep, 
op een „Doop van den Moorschen Kamerling", op eene „Ster- 
vende Lucretia" in Huydecoper 's lusthof Goudesteyn, en op 
nog meer andere stukken; maar toen Flinck het corporaal- 
schap van Joan Huydecoper afbeeldde, dat in 1648 den gesloten 
vrede met een schuttersfeest vierde, werd het gedichtje dat 
Vos er bij schreef, op de schilderij zelf opgenomen, waar men 
het nog, in het Rijksmuseum, kan trachten te lezen. 

Nog bekender dan dit fraaie schuttersstuk is de „Schutters- 
maaltijd" van Bartholomeus van der Helst, bij dezelfde ge- 
legenheid geschilderd. Op den voorgrond ziet men daar eene 
trom liggen met een blad papier daarop geschilderd, dat de 
bekende versregels van Jan Vos te lezen geeft: 

„Belloone walgt van bloedt, ja Mars vervloeckt het daveren 
Van 't zwangere metaal ; en 't zwaardt bemint de schee : 

Dies biedt de dappre Wits aan d' eedele van Waveren 
Op 't eeuwige verbond t de Hooren van de Vree". 

Later heeft Vos, die gaarne zijne bijschriften met een soort 
van spreuk besloot, daar nog deze regels bijgevoegd: 

„Zoo vlecht de strydbre leenw zyn lauwren met olyven. 
Wie dat de vree bevecht begeert ook vry te blyven*'. 

Nog een derde schuttersstuk (evenals de beide andere m het 
Rijksmuseum) vertoont een vijfregelig dichtje, en wel van 
Vondel, namelijk het stuk, waarop Joachim Sandrart een 
marmeren borstbeeld van Maria de Medicis geschilderd heeft, 
omgeven door het corporaalschap van Cornelis Bicker, heer 
van Swieten, dat haar bij haar bezoek aan Amsterdam in 
1638 tot eerewacht had verstrekt. Met Sandrart, den Prankforter 



VONDKL EN JOACHIM SANDRART. 359 

schilder, die zich tijdelijk Id Amsterdam vestigde en daar 
grooten opgang maakte, was Vondel bijzonder bevriend, 
waartoe gemeenschappelijk kerkgeloof misschien bijdroeg; maar 
vooral ook zal Vondel hem bewonderd hebben als geleerd 
schilder, die de kunstregelen volkomen kende en ook wist 
toe te passen, zooals men het best kan zien uit het groote en 
belangrijke werk, dat hij in 1675 — 79 uitgaf, „Deutsche Academie 
der edlen Bau- Bild- und Malereikunste". Opmerkelijk 
is dan ook, dat Vondel in een bijschrift op de afbeelding, 
die Sandrart van zich zelf gemaakt had, van hem, die een 
„verciersel der Y- en Amstelstadt" was geworden, niet alleen 
roemde, dat „Natuur hem 't penseel gaf', maar ook, dat „de 
Tiber hem schilderlessen had gegeven", iets wat bij Vondel 
blijkbaar even zwaar woog als bij velen zijner tijdgenooten. 

Als huisvriend van Sandrart heeft Vondel ook gedichten 
gemaakt op verschillende kunstwerken, die hij bezat, marmeren 
beelden, teekeningen, zooals van Giulio Romano, en ook schil- 
derijen van Rafaël en Paolo Veronese. Verscheidene werken 
van Sandrart ielf ook heeft hij bezongen : behalve verschillende 
portretten, een groot altaarstuk dat St. Sebastiaan voorstelde 
en voor den keurvorst van Beieren bestemd was, eene „Maria 
Magdalena", de allegorieën van Dag en Nacht en de aardige 
„Verbeeldingen der twaalf maanden", die zich nu in het slot 
Schleissheim bij München bevinden, maar waarvan de gra- 
vures met Latijnsche bijschriften van Barlaeus in 1645 het 
licht hebben gezien. 

Toen Sandrart omstreeks 1646 Amsterdam weer verliet en 
als hofschilder naar Beieren terugkeerde, deed Vondel hem 
uitgeleide met eene dichterlijke klacht. „Wie scheit de blyde 
Poëzye en schoone Schilder-kunst, twee susters soet van aerti" 
riep hij daarin uit: „Wie scheit de kunst van kunst, soo 
minnelijck gepaert, wie scheit penseel en pen, de verwen en 
de woorden!" Toch wilde hij Sandrart „syn fortuin en soo 
veel grooter eer" niet misgunnen en wenschte hij hem „een 
engel als schilt en leitsman op de reis" toe, opdat hij „Bajere 
met kunst en schilderyen mocht kleeden; en dat heeft San- 
drart niet alleen gedaan, maar hij heeft Vondel ook later de 
bewijzen gegeven van zijn voortdurenden werklust en zijne 
vriendschap te gelijk, toen hij hem uit Weenen het door hem 



360 VONDEL EN VOS OVER STOÜADE EN ANDEBEN. 

vervaardigde portret van keizer Ferdinand III toezond, dat 
Vondel daarop ook bezong. Een ^Ulysses en Nausikaa", waar- 
mee Sandrart den schoorsteen in het huis van Joan Huyde- 
coper versierde (nu in het Rijksmuseum ï, werd door Jan Vos 
in een gedichtje beschreven. 

Een ander gevierd schilder was destijds de Nijmegenaar 
Nicolaes van Helt Stocade, die, na hofschilder van Lodewijk 
XIII van Frankrijk geweest te zijn, omstreeks 1650 naar 
Amsterdam overkwam. Zijne graanuitdeeling door Jozef, op 
de tresory van het stadhuis, werd zoowel door Vondel als 
door Vos van bijschriften voorzien, en evenzoo eene „Room- 
sche Clelia, de gijzeling ontzwemmend". Alle zinnebeelden, 
waarmee hij de zolderingen versierde van de beide paleizen, 
die de gebroeders Louys en Hendrik Trip in 1664 voor zich 
op den Kloveniersburgwal te Amsterdam door Justus en Philips 
Vingboons lieten bouwen en die nu het bekende Trippenhuis 
uitmaken, beschreef en verheerlijkte Jan Vos in eene geheele 
reeks van zesregelige puntdichtjes, die alle door eene kern- 
achtige spreuk aan het einde gekenmerkt zijn. 

Zoo zou ik kunnen voortgaan met nog tal van bijschriften 
van beide dichters te vermelden op schilderijen van minder 
op den voorgrond tredende meesters, zooals bv. een op ,De 
bocht van de Heerengracht" van Geeraert Berkheyde ^nu in 
het Museum-Six), door Vondel nog in 1672 gedicht ; of Von- 
dbl's lofdichten op twee groote naaktschilderingen van Dirck 
Bleecker, den hooggewaardeerden hofschilder van Prins Willem 
II, namelijk eene „Danaê" (voor den Heere van Halteren ge- 
schilderd) en eene „Triomfeerende Venus" (voor Prins Willem 
II), beide in staat „een Godt te bekooren" en, zooals de dichter 
zegt, niet te verachten door de vrouw, omdat haar man haar 
nog hartstochtelijker zou omhelzen, wanneer hij vooraf door 
„de deugt en netheit van 't penseel" was „aengeterght van 
gloet"; maar ook aan een catalogus, zooals ik al druk bezig 
ben, er een van de door Vondel en Vos bezongen schilderijen 
te maken, moet een einde komen. 

Ging ik er mee voort, dan zou men zien, dat onder een 
zestigtal namen van schilders, die er op zouden voorkomen, 
toch enkele van de beroemdste, bv. Jan Steen en Adriaan van 
Ostade, Gerard Dou en Paulus Potter, Dirk en Frans Hals, 



SCHILDERS DOOR OUDABN EN AMPZING GEPREZEN. 361 

zouden ontbreken. Alleen een broeder van de laatsten, Jan Hals, 
zou er onder zijn bentnaam „Joan den Esel"- vertegenwoordigd 
zijn door een lofdicht van Vondel (van 1665) op een „Home- 
rus", dien Willem Spieringh te Delft bezat. Men moet dan ook 
niet vergeten, dat de lofdichters Amsterdammers waren en dus 
daar gemaakte of althans daar geziene schilderstukken bezongen, 
zoodat wij dan ook met geheel andere schilders kennis maken 
in eene reeks van lofdichten van Oüdaen op het schilderijen- 
kabinet van Johanna Volkaerts (in 1646), o.a. opeene „Opwek- 
king van Lazarus" door A. Willaerts, een „Brand buiten Haer- 
lem" door Hans Boulenger, een „Storm op zee" door Johannes 
Porcellis en een „Boere-keuken" door Hendrick Maertensz. 
Sorgh. Op eene copie door Sorgh van een oud portret van 
Huibert Duif huis gemaakt (nu in het Rijksmuseum) is nog 
een vierregelig bijschriftje van Oudaen te lezen. Ti'ouwens 
ook te Amsterdam kon men toen met schilderstukken van 
den Rotterdammer Sorgh kennis maken. Tobias van Domselaer 
toch bezat van hem een „Jupiter en Merkuur in de doening 
van Philemon en Baucis", waarop Jan Vos, vriend en mede- 
schouwburgregent van Van Domselaer, een gedichtje maakte. 
In Samubl Ampzing's „Beschryvinge ende Lof der stad Haer- 
lem" (1628) ontbreken de namen niet van Frans en Dirk 
Hals, „gebroeders in de konst, gebroeders in het bloed, van 
eener konsten min en moeder opgevoed", en wordt van den 
eerste geroemd, dat liij zoo „wacker de luyden naer het leven 
schilderde", terwijl van den ander de „suyv're beeldekens" 
geprezen worden. In Ampzing's gedicht worden, behalve allerlei 
vroegere Haarlemsche schilders, die de dichter hoofdzakelijk 
uit Van Mander's „Schilderboeck" kende, nog verscheidene 
jongere geprezen, o.a. Heyndrick Gerritsz. Pot, van wien het 
„wonder" heet, „wat hy doet in dese onse dagen", Karel de 
Hooch, van wien men „ruwynen kon sien naer 't leven afge- 
beeld", Jacob Pynas, Pieter Claeszen, Pieter de Molijn en vele 
anderen. Johannes Porcellis wordt er vermeld als „de grootste 
konstenaer in schepen", Willem Glaesz. Heda als beroemd 
door zijne „banketten", zooals Hans Boulenger door zijne 
„bloemen". De naam van Pieter Jansz. Saenredam kon er 
reeds hierom niet verzwegen worden, omdat hij aan Ampzino 
„in zyn werk getrou de hand bood" door er teekeningen voor 



362 SCHILDERS VAN STILLEVKNS; PORTRETTEN VAN VOS. 

te maken, in koper gesneden door Jan van den Velde, den 
vermaarden calligraaf, die ook als zoodanig door Ampzing 
wordt geroemd. 

Ook Salomon van Ruysdael wordt er geprezen omdat hij 
„goed in landschap" was „en beeldekens daerby", maar ont- 
breekt het aan lofdichten op Jacob van Ruysdael en Mein- 
dert Hobbema, dan is het, omdat landschappen bf minder in 
tel waren, öf althans zich minder leenden tot eene poëtische be- 
schrijving, zooals mythologische voorstellingen en historiestuk- 
ken. Ook bloemstukken (behalve die van Daniël Seghers) en 
stillevens werden maar zelden met lofdichtjes vereerd. Jan 
Vos schreef er een op de „Bloemen door [Willem] van Aalst 
geschildert" „met een glans, die nimmer zou verflensen" en 
die daarom de rozen, door de natuur voortgebracht, nog 
overtroffen; Oüdaen vermeldde Maria van Oosterwijk, „die 
keur'ge Schilderesse van veld- en bloemgewas", die „yder 
plant-ontwerp wel op 't papier bewaarde", zoodat zij „in hare 
kunst-stukken t'samen voegde", wat in verschillende jaarge- 
tijden bloeide; en Vondel dichtte een schertsend „Raetsel" 
tot lof van „Sint Lukas Kalf', d. i. Willem BlalflF, den kunst- 
vaardigen schilder van „stilstaende dingen", zooals „banketten, 
dischgerecht en brief, limoen, citroen en glas en schael, 
cieraet en overdaet en prael". Van Jan Baptist Weenix bezat 
Marten Kretser een „wonderstuck", vechtende ooievaars voor- 
stellend, dat zijn vriend Lambert van den Bos aanleiding 
gaf om uit te roepen, dat hij met zijn „tooverend penseel 
Romen self kwam braveeren, als had vóór hem nooyt konst 
geweest". 

Bij portretten was het natuurlijk in de eerste plaats of zelfe 
wel uitsluitend te doen om den afgebeelden persoon te prijzen; 
doch wie in dien tijd de gevierde portretschilders waren, kun- 
nen wij in elk geval uit die lofdichten en bijschriften leeren. 
In den kring van Vondel en Vos stond ongetwijfeld Jan 
Lievens als portretschilder bovenaan. Vos zelf werd doorhem 
geteekend. Een ander portret sneed later Karel Dujardin van 
hem in koper. Voor beide afbeeldingen maakte hij een bfl- 
schrift. Niet veel minder aanzien dan Lievens genoot ook 
Bartholo'meus van der Helst, die er zelfs in geslaagd was, den 
roem van zijn talentvoUen leermeester Nicolaes Elias te ver- 



PORTRETTEN VAN VONDEL. 363 

diiisteren, en op wiens portretten wij vele bijschriften van 
Vos bezitten, geen enkel echter van Vondel, geen althans 
waarbij hij met name genoemd wordt. De schilders, op wier 
portretten Vondel (evenals ook Jan Vos) verscheidene ge- 
dichtjes heeft gemaakt, zijn, behalve Lievens, nog Joachim 
Sandrart, Govert Flinck, Philips Koninck en Karel van 
Mander de Jonge, die alle vijf tot zijne vrienden mogen ge- 
rekend worden, daar zij ook hem zelf hebben afgebeeld. 

Het oudste portret, dat wij van Vondel kennen, is in 1641 
door Sandrart geteekend omstreeks denzelfden tijd, toen hij 
ook CosTBR en Hooft, Vossius en Barlaeüs afbeeldde. Eene 
kopergravure daarnaar van Theodoor Matham versiert den 
eersten druk van Vondel's „Verscheide Gedichten" van 1644 
met een bijschrift van den dichter zelf. Voor den tweeden 
druk van 1650 vindt men eene gravure naar een portret, door 
Jan Lievens geteekend, die Vondel vroeger ook reeds geötst 
had, en van wien misschien ook de geschilderde beeltenis van 
1660 is, die wij nog op de Amsterdamsche Universiteit kunnen 
zien in de kamer der letterkundige faculteit. Govert Flinck 
schilderde Vondel in 1653, toen de dichter „een ring van 
zesmael ellef jaeren" sloot en reeds zijn „hooft besneeuwt" 
zag. Het portret werd ten geschenke gezonden aan den Directeur- 
generaal Gerard Huift in Oost-Indië, met een begeleidend ge- 
dicht van Vondel, waaruit groote genegenheid en profetische 
bezorgdheid spreekt. 

Toen Vondel in 1657 eene reis naar Denemarken maakte, 
sloot hij daar ook vriendschap met den hofschilder Karel van 
Mander, den kleinzoon van den bekenden dichter, en deze 
„wiens penseel zoo rijck begaeft op 's groötvaers spoor en 
baen ten hemel draefde", schilderde hem toen als zeventig- 
jarige. Uit dankbaarheid daarvoor maakte hij een lofdicht op 
den ouden Van Mander en op portretten van verschillende 
Denen, door zijn jongen vriend geschilderd. Met eenige andere 
gedichten samen gaf hij deze uit in een kleinen bundel, ge- 
titeld „De Pamas aen de Belt". 

Van hetzelfde jaar 1657 is Vondel's meest bekende portret, 
waarop wij hem zien, zooals Cornelis de Visscher „met kryt 
en kunstigh yzer syn ouderdom in koper levende af beeldde" ; 
en daarop volgen nog verscheidene portretten van Philips 



864 vondel's portrettbn; hüygbns over de schilders. 

Koninck, die hem „in 't kleen** ook reeds in 1656 had geschil- 
derd, terwijl hij Koning Davids „snaren en heiligh harpgezang 
en trant vast volgde." Hij „telde vijf en seventigh, toen Koning 
hem dus levendigh te voorschijn braght op zyn panneeV', 
dichte Vondel in 1662, en daarna schilderde of teekende hij 
hem nog vele malen, o.a. in 1665 en 1674 (beide in het Rijks- 
museum) en zelfs nog later. Zooals hij er in 1671 uitzag, 
vinden wij hem vóór de uitgave zijner „Poëzy" van 1682 
door Hendrik Bary gegraveerd met een bijschrift van Brandt. 
Zoo heeft dan de schilderkunst, die Vondel zoo hoog ver- 
eerde en in menig keurig gedicht verheerlijkt heeft, zich ook 
te zijnen opzichte niet onbetuigd gelaten, en kunnen wij ons 
nu den grooten dichter voorstellen, zooals hij zich in verschil- 
lende tijdperken van zijn leven vertoonde. 

XLVI. 

Onze dichters tegenover Rubens en Rembrandt. 

Van Rubens en Rembrandt hebben wij nog slechts als in 
't voorbijgaan gesproken, toen wij over de betrekking van onze 
dichters tot de schilderswereld spraken en o.a. zagen, dat 
Rembrandt door Jan Vos aan de spits der schilders werd ge- 
steld en dat Hüygens met Rubens en Rembrandt in briefwisse- 
ling is geweest. Hüygens was het onder onze dichters, die het 
eerst Rembrandt als het schildergenie der toekomst heeft weten 
te erkennen. 

Wij bezitten namelijk van hem eene merkwaardige critiek 
op verscheidene schilders van zijn tijd in zijne omstreeks 
1630 geschreven fragmentarische autobiographie, en terwijl 
hij daarin verschillende anderen slechts terloops vermeldt, 
Comelis van Haarlem, evenals Hendrik Vroom, verouderd 
noemt en den brutaal-ontuchtigen Johannes Torrentius, wiens 
verrassend weergeven van de levenlooze natuur hij prees, slechts 
met eene mengeling van weerzin en bewondering bespreekt, 
stelt hij er twee jonge schilders op den voorgrond, aan wie 
hij eene schitterende toekomst voorspelt: Jan Lievens en 
Rembrandt Harmensz. van Rijn. In smaak en levendigheid 
van gevoel stelde hij Rembrandt boven Lievens, in stoutheid 



HUYOBNS BN BBMBBANDT. 365 

en vinding en grootschheid van onderwerpen en figuren 
Lievens boven Rembrandt. 

Van den laatste had hij toen juist een Judas gezien (die 
eenige jaren geleden weer is teruggevonden), vol berouw de 
zilverlingen, waarvoor hij Jezus verkocht had, aan de priesters 
terugbrengend. Daarvan zegt hij : „Laat geheel Italië hier komen 
en al wat er schoons en bewonderenswa€u:digs van de hoogste 
oudheid af is overgebleven : het gebaar van den wanhopenden 
Judas alleen, die raast en huilt en vergiffenis smeekt zonder 
dat zijn gelaat de hoop daarop uitdrukt, dat afschuwelijk 
gelaat, de uitgerukte haren, het verscheurde gewaad, de ver- 
wrongen armen, de ten bloede toe samengeknepen handen, 
de plotselinge kniebuiging en de deerniswekkende ineen- 
krimping van dat lichaam onder de hevigste smart: dat alles 
plaats ik tegenover de elegantie van het verleden en wensch 
ik te laten zien aan die onwetenden, die wanen, dat tegen- 
woordig niets gedaan of gezegd kan worden, wat de Oudheid 
niet reeds gezegd of gezien heeft. WaarUjk aan geen Proto- 
genes, Apelles of PaiThasius is ook maar iets in de gedachte 
gekomen van dat alles, wat een baardeloos jongeling, een Hol- 
landsche molenaar in ééne figuur, afzonderlijk en met elkaar 
heeft weten uit te drukken. Geluk, mijn vriend Rembrandt! 
Ilium, ja geheel Azië naar Italië te hebben overgebracht be- 
teekent minder dan dit, dat nu door een Nederlander, die 
totnogtoe nauwelijks een stap deed buiten de muren van zijne 
vaderstad, de hoogste roem van Griekenland en Italië op de 
Nederlanders is overgegaan.'' 

Die woorden van Huygens zijn bewaarheid, zij het ook al 
niet in de zeventiende eeuw zelf, dan toch later. Toch was 
Rembrandt ook reeds in zijn eigen tijd een schilder van 
grooten naam geworden. Huyqbns liet het dan ook niet na, 
hem bij Frederik Hendrik aan te bevelen, voor wiens jachtslot 
te Honselaarsdijk hij van 1633 tot 1639 vijf tafreelen mocht 
schilderen, namelijk eene Kruisverheffing, Kruisafneming, 
Graflegging, Opstanding en Hemelvaart. Later leverde hij aan 
Frederik Hendrik ook nog eene schilderij, die de „Aanbidding 
der herders" voorstelde. Door erfenis zijn al deze stukken naar 
Beieren gegaan, waar zij zich nu in de Münchener Pinakotheek 



366 VBRBBRDBRS VAN RBMBRANDT ; PENNBKON8TBNAABS. 

bevinden. Ook het portret van Huygens' broeder Maurits (nu 
in Hamburg) heeft Rembrandt in 1632 geschilderd. 

Verder weten wij, dat ook Scbivbrius (wiens portret in 
1626 door Frans Hals geschilderd werd) „twee braave groote 
stukken van Rembrandt" bezat en dat er zich in de verzame- 
ling van Marten Kretser ook Rembranden bevonden, wat 
Lambbrt van dbn Bos aanleiding gaf om in zijn gedicht op 
Kretser 's Konstkabinet tot Rembrandt te zeggen: „Elck weet 
Wat eer dat ghy kont halen, wanneer ick slechts u name 
noem." Jan Jacobsz. Hinlopen was in het bezit van een in 
1660 geschilderd stuk van den meester, dat zich nu in het 
Rumiantzof-museum te Moskou bevindt en Haman voorstelt, 
bij Esther en Ahasverus te gast. Voor dat stuk, evenals voor 
eenige andere schilderijen in het huis van dien kunstlie venden 
Amsterdamschen schepen, heeft Jan Vos een dichterlijk bij- 
schrift gemaakt. Hij deed dat ook voor het portret (nu in de 
Gemalde Galerie te Cassel), dat Rembrandt in 1632 schilderde 
van Lieven van Coppenol, maar de lof geldt hier, zooals 
gewoonlijk bij de gedichten op portretten, meer den persoon, 
die voorgesteld werd, dan den schilder, die het beeld op doek 
bracht. 

Trouwens ook Lieven van Coppenol was kunstenaar in zijn 
vak, de pennekonst. Hij was zelfs „de fenix aller pennen", 
volgens Jan Vos, en heeft zich dan ook als zoodanig door 
velen, ook door Vondel, in lofdichten verheerlijkt gezien. In 
Daniël de Lange eerden Vondel, Anslo en Vos, in Pranjois 
de Bruine en Willem Verjannen De Decker, in Peter en 
Johannes Serwouters Vondel en Vos, in Hendrick Meurs 
Vondel en in Dirk van Oorschot Vos hunne kunstgenooten, 
allen door „'t bexken van de pen" tot hunne bewonderaars 
sprekend, evenals „de vier gewijde Bekjens, die met oordeel 
't wit papier witter toonden door de trekjens van de vlugge 
vederzwier", van wie Tenqwagel spreekt. Van deze vier zijn 
ons David en Hendrick Beck ook bekend door verscheidene 
gedichten in handschrift, tusschen 1617 en 1634 door hen 
gemaakt. De eerste dichtte zelfs vijftig sonnetten voor den 
winterkoning van Bohème en in 1622 te 's-Gravenhage, waar 
hij toen woonde, eene geestelijk-allegoriseerende uitbreiding 
van „Het Hooge-liedt Salomons'* in negen zangen. 



DE DECKBR EN VONDEL OVER REMBRANDT. 367 

Van onze dichters vereeuwigde Rembrandt er twee duor zijn 
penseel : Krul in 1683 en Jbbemias de Decker in 1659. Het 
eerste dezer portretten bevindt zich nu te Cassel, het tweede 
in de Hermitage te St. Petersburg. De Decker was met het 
zijne zeer in zijn schik en er bijna trotsch op, zooals hij zegt, 
dat „onzes tyds Apell" zich verwaardigd had, hem af te 
beelden, „en dat niet om wat loons daer uit te mogen spinnen, 
maer louterlyk uit gunst: uit eenen eed'len trek tot opze 
Zanggodinnen, uit liefde tot de kunst" ; en, het een roekeloos 
ondernemen achtend, „door rym-pen of gedicht den roem te 
willen queken van zyn beroemd penceel", zond hij hem daar- 
voor geen lofdicht, maar een rijmend „dank-bewj'^s", dat 
nochtans den hoogsten lof inhoudt. Vóór de schilder met 
dezen zijn arbeid begon, drukte beider vriend Henrick Wa- 
TERLOOS den „wytberoemden schilder" wel op het hart, dat 
hij nu geen gewoon mensch, maar „een paerel der poëten*' 
te schilderen kreeg en dus nu wel ter dege „zyn grootmeester- 
schap" te toonen had door „zyn pinseel in held're hemel- 
glansen te dopen". 

Voor Waterloos zelf had Rembrandt in 1651 een „Verrezen 
Christus" geschilderd, aan Maria Magdalena verschijnend (nu 
in 't hertooglijk museum te Brunswijk), en onder de spreuk 
„micat inter omnes" schreef De Decker daarop een klinkdicht, 
waaruit ons blijkt, dat de dichter vooral getroffen was door 
de juistheid, waarmee de geest van het bijbelverhaal was 
weergegeven door het levende en uitdrukkingsvolle der figuren 
en daarbij ook door „de grafrots hoog in de lucht geleid en 
ryk van schaduwen", die „oog en majesteit aen all' de rest 
van 't werk" gaf. 

In Vondel's werken komt Rembrandt's naam maar eenmaal 
voor. Op een portret van den gestrengen leeraar der Water- 
landsche Doopsgezinden te Amsterdam, Cornelis Claesz. Anslo, 
in 1640 door Rembrandt met rood krijt geteekend (nu in de 
Albertina te Weenen), als studie voor het portret, dat hij in 
het volgende jaar van hem schilderde (nu in de Gemalde- 
Galerie te Berlijn), maakte Vondel dit gedichtje: „Ay, 
Rembrant, maal Cornelis stem. Het zichtbre deel is 't minst 
van hem: 't onzichtbre kent men slechts door d'ooren. Wie 
Anslo zien wil, moet hem hooren". Hoe ongaarne missen wij 



368 RUBENS OOK IN NOORD-NEDBRLAND IN BERE. 

hier iedere aanduiding, dat onze grootste dichter ook Rembrandt 
als onzen grootsten schilder heeft weten te waardeeren I Maar 
te vreezen is het, dat de grootheid van Rembrandt's genie 
onopgemerkt aan hem voorbij is gegaan. 

Wie zich daarover zou willen verwonderen, beginne liever 
met zich te ontworstelen aan de tirannie der alledaagsche 
kunstdweperij, die slechts in ééne bepaalde richting het 
gejiie weet te vinden en te vereeren. Naast Rembrandfs kunst 
heerschte er in zijn tijd nog eene andere kunst, die men, in 
plaats van haar allereerst met die van Rembrandt te verge- 
lijken, veeleer op zich zelf moet leeren begrijpen en be- 
wonderen, want ook die andere kunst had hare grootmeesters, 
en daaronder, als zonder eenigen twijfel den eersten, Petras 
Paulus Rubens, dertig jaar vóór Rembrandt geboren en vijf 
en twintig jaar vóór hem overleden. 

Dat Rubens bij velen te onzent in de zeventiende eeuw 
zeer in eere was, is bekend. Reeds terloops vermeldden wij, 
dat Anna Visschbr persoonlijk met hem bevriend was. Hij 
schonk haar met een Latijnsch bijschrift een exemplaar der 
gravure van Lucas Vorsterman (1620) naar eene zijner Susanna's, 
en op zijne (ook door Jonas Suyderhoef gegraveerde) schilderij, 
die eene moeder met haar kind voorstelt, was zij zoo „ver- 
lieft", dat zij die in 1621 naschilderde, zooals zij aan Rubens 
in een gedichtje meedeelde, waarin zij zelfs zijn raad vroeg 
over de manier om witte verf te krijgen, die niet geel werd. 
Hoopt maakte vijf kleine dichtjes „op Rubens schilderij der 
swemmende maeghden": waarschijnlijk de vlucht van Clelia 
voorstellende, zooals er van Rubens een in de Dresdener 
Galerie te zien is. Huygens was vol schrik en bewondering 
voor een „Medusakop" van Rubens, dien hij ten huize van 
zijn vriend Sohier te Amsterdam zag, maar te ijselijk vond om 
in eene woonkamer opgehangen te worden, ofschoon hij den 
schilder „een der wonderen van deze wereld" noemde. 

Menigeen onder onze Amsterdamsche patriciërs stelde er 
hoogen prijs op, één of meer stukken van Rubens te bezitten. 
Op Kommerrust, de in een uitvoerig dichtstuk door Jan Vos 
bezongen hofstede bij Naarden, waarin de rijksontvanger van 
Holland, Mr. Joan üytenboogaardt (vereeuwigd door tal van 
portretten en ook door penseel en etsnaald van Rembrandt) zich 



RUBENS GEPRBZBN DOOR JAN VOS KN VONDEL. 369 

in de edelste voortbrengselen van natuur en kunst verlustigde^ 
kon men toen zijn Amazonenstrijd voor Troje bewonderen, 
die zich nu in de Pinakotheek te München bevindt, en dien 
Jan Vos in het genoemde gedicht aldus beschreef: 

„Hier woén de legers om elkander te doen wQken. 
Daar trapt de x>aardehoef op leevenden en l\jken. 
Gins stort de ruiter van de brug tot in de yloedt. 
Het laage water wast en rookt van bruizendt bloedt.'* 

Nog een ander stuk van Rubens, dat zich nu eveneens in de 
Pinakotheek te München bevindt, namelijk het schrik- en 
indrukwekkend tafreel van Saul's bekeering door het verblin- 
dend bliksemlicht, werd door Jan Vos in dichtregelen nage- 
schilderd. Ook is een van Rubens' martelaarsstukken, een „Sint 
Laurens, daar hy gebraaden wordt,'* door hem van een bij- 
schrift voorzien; en weer van eene andere zijde kon men 
Rubens leeren kennen in de woning van Jan Jacobsz. Hinlopen, 
waar „Vrou-Venus koets" zich vertoonde, omgeven door „wolken 
vol van dartle minneschaaren", kleine Cupido's, die „hun 
stompe pylen wetten", zooals wij al weer weten van Jan Vos, 
die ook daarvan eene dichterlijke beschrijving gaf. 

Ook voor VoNDEi. was, wij zagen het reeds, „Rubens de glori 
der penseelen onzer eeuwe", die in het Noorden, volgens hem, 
slechts één „genan" had, Pieter Lastman, door Vondel om 
dezelfde deugden, die hij ook in Rubens bewonderde, zoo hoog 
vereerd, namelijk om zijne natuurgetrouwheid en de ordi- 
nantie of schikking zijner figuren. Op Rubens' „dooden 
Leander in d'armen der zeegodinnen" maakte hij, evenals 
Jan Vos, een lofdichtje, toen dat stuk in bezit van Pieter Six 
was gekomen, nadat het vermoedelijk (maar als „Hero en 
Leander" vermeld) van 1637 tot omstreeks 1644 behoord had 
tot de door Rembrandt bijeengebrachte kunstschatten. 

Hoe goed Vondel het karakter van Rubens' kunst begreep, 
hebben wij reeds gezien, toen wij uit de opdracht van het 
treurspel „Gebroeders" zijn ontwerp van een, alleen in zijne 
verbeelding bestaand, schilderstuk van Rubens aanhaalden. 
Vondel's kunst was dan ook ten nauwste aan die van Rubens 
verwant. Wat hem bovenal in Rubens aantrok, was hetzelfde 
wat wij ook in zijne eigene grootere dichtstukken kunnen 
II 24 



370 KÜNSTVKRWANTSCHAP VAN RUBENS EN VONDEL. 

bewonderen, het was het dramatisch karakter zijner tafireelen 
vol leven en beweging, het geweldige, alles aandurvende, 
hemelbestormende zijner doeken, de kleurenweelde en de volle 
lichtgloed, die ons uit zijne werken tegenstraalt ; en het was, 
behalve de natuurgetrouwheid van het schitterend coloriet in 
vleeschkleur, kleederdos of wat ook, bovenal de onuitputtelijk- 
heid van vinding bij de veelzijdigheid zijner onderwerpen en 
de kunstige groepeering der onderdeden, want dat laatste 
hield Vondel voor het moeielijkste en daarom ook voor het 
hoogste in de kunst. 

Daar kwam echter nog bij, dat Rubens, evenals hij zelf, 
in alle onderdeden de natuur getrouw volgend, toch tegelijk, 
door algemeen geldende schoonheidsregels te huldigen, die 
anderen (en Rembrand t zelfs opzettelijk) verwaarloosden, maar 
die in Vondel's oog onaantastbaar waren, aan het geheel 
zijner tafreden het karakter wist te geven van eene boven- 
aardsche schepping der verbeelding. De beeldrijkheid zijner 
eigene poëzie vond hij bovendien terug in de allegorieën van 
Rubens, die daarbij evenmin mythologie versmaadde als hij 
zelf, en die zich een geleerd schilder toonde, zooals hij zelf 
een geleerd dichter trachtte te zijn. Bedenkt men daarbij, dat 
Rubens de Renaissancekunst wist te vervlaamschen, zoodat de 
Romeinsche goden en godinnen in prachtstukken van Vlaam- 
sche of Brabantsche mannen en vrouwen met sterke spieren, 
mollige vleeschronding en zilverachtigen huidglans werden 
omgeschapen, zooals Vondel ook de Oudheid wist te verhol- 
landschen, en dat beiden ook hierin overeenstemden, dat zij 
die genationaliseerde Oudheid tot dienares wisten te maken 
van dezelfde Katholieke kerk, die zij met hunne kunst hebben 
verheerlijkt, dan zal men begrijpen, dat voor Vondel Rubens 
wel de grootmeester der schilderkunst moest zijn, en niet 
Rembrandt. 

Rembrandt's groote verdiensten toch liggen elders. Natuur- 
getrouw in het weergeven van geest en leven, beeldt hg het 
uiterlijke der natuur, het bijkomstige, óf niet altijd even 
getrouw af, óf weer wat getrouwer dan verlangd werd door 
hen, die het ledijke in de werkelijkheid op ernstige stukken 
liefst weggedoezdd of verfraaid wenschten/Poont ook Rembrandt 
zich een meester in het groepeeren , het is niet de harmonie 



VAB6BLIJKINO VAN BUBBNS EN BBMBBAKDT. 371 

Ier lijnen, die de veelheid der figuren en kleuren bij hem 
ot eene eenheid maakt, zooals bij Rubens, maar de harmonie 
Ier in elkaar overvloeiende kleurschakeeringen onder de 
;ooverwerking der btmdels lichtstralen, die het geheel als eene 
eenheid beheerschen en waarin ook reeds zijne tijdgenooten 
oordeelden, dat zijne kracht gelegen was, zoodat zijn leerling 
3amukl van Hoogstbaten in zijne „Inleiding tot de Hooge- 
ichool der Schilderkunst" (van 1678) van hem zeide : „wonderlijk 
neeft zich dezen Rembrant in refiexeeringen gequeeten, ja 
iet scheen of deze verkiezing van 't wederom kaetsen van 
^enich licht zijn rechte element was." 

En waar is allegorie, waar mythologie bij Rembrandt te 
vrinden? De enkelen, die goden bij hem heeten, zijn in 't 
^eheel geene goden meer; 't zijn menschen geworden als 
iUe andere menschen, die hij schilderde , alsof hij , zooals 
soovelen onder zijne Doopsgezinde geloofsgenooten , in echte 
mythologie godslastering zag. En is ook zijne kunst bovenal 
Bene godsdienstige kunst, evenals die van Rubens voor een 
groot deel is, zij is zuiver Protestantsch, reeds hierom, dat 
zij uitsluitend bijbelsch is en ons wel meermalen, evenals 
Rubens, naar den stal van Bethlehem verplaatst, maar ons 
nooit eene Madonna te zien geeft, zooals Rubens zoo dikwijls 
deed. Zijn, tegenover de vele tafreelen uit Jezus' lijdensgeschie- 
denis, bij Rubens de Oudtestamentische voorstellingen in de 
minderheid, juist deze, evenals die van Jezus' gelijkenissen, 
trokken Rembrandt bijzonder aan. Martelaars- en Mirakel- 
stukken, waarmee Rubens zoovele kerken heeft versierd, zijn 
geene onderwerpen voor Rembrandt's penseel. 

Oaat Rubens bij zijne opvatting van bijbel en legende altijd 
uit van de kerkelijke overlevering, al drukt zijn genie er 
ook het stempel der oorspronkelijkheid op, zoodat hij ze ook 
voor het vervolg opnieuw getypeerd heeft, Rembrandt kent 
geene traditie: hij leest zijn bijbel als een vroom Noordneder- 
lander, als voedsterzoon van het vrijgevochten Leiden, dat 
om gewetensvrijheid te behouden hongerdood niet vreesde. 
Hij is zich bewust van zijn recht om het tafreel der bijbel- 
sche geschiedenis te zien, zooals hij het wil zien, met eigen 
oogen, met eigen geest; en zoo zeer leeft die geschiedenis 
voor hem, dat hij haar niet ziet als op een afstand of in het 



VONDEL MET REMBRANDT BEKEND, MAAR NIET GEESTVERWANT. 

ver verleden geschied, maar als weer geschiedend op het 
oogenblik zelf, met menschen, die hij kent en uit het volle 
leven — het leven ook van de Jodenbuurt, waar hij woonde — 
als wegpakt om ze in zijne geschiedbeelden eene plaats te 
geven. 

In Rembrandt, die, zooals Pels het later Samuel van 
Hoogstraten nazeide, „alles uit zichzelf te weeten onderwond, 
zich aan geen grond en snoer van regels wilde binden" en 
alleen op zijne oogen vertrouwde, in Rembrandt openbaart zich 
bij alles, en het duidelijkst bij zijne vroom-piëtistische bijbel- 
opvatting, dat individualisme, dat hem tot een type maakt 
van den Hollander, zoodat wij het dan ook evenzeer 
bij andere bijbelschilders zijner dagen aantreffen, bij Jan 
Lievens en Jan Steen, om van Rembrandt's eigen leer- 
lingen te zwijgen ; maar dat eerst tot het scheppen van mees- 
terstukken kon meewerken, wanneer het een individualisme 
was van iemand als Rembrandt, met zijne vaardige en geoefende 
techniek, zijne onvermoeid arbeidende geestdrift, zijn kleur- 
en lichtgevoel en zijn fijnen, helderen geest, die van al wat 
hij zag of hoorde of las terstond begreep, wat er het wezenlijke 
en ^ wat er het bijkomstige van was. En het beangstigende van 
dat individualisme had Vondel juist uit den kring van Rem- 
brandt's geestverwanten doen wegvluchten en hem eene veilige 
rustplaats doen zoeken aan de voeten der Goddelijke Majesteit 
van het kerkgezag, waarvoor hij ook Rubens, zijn genialen 
geestverwant, naast zich neergeknield vond. 

Dat Vondel overigens niet alleen met Rembrandt*s kunst, 
maar ook met den schilder persoonlijk bekend is geweest, valt 
moeielijk te betwijfelen. Vooreerst toch toonde hij zich bekend 
met Rembrandt's schoonbroeder Wij brand de Geest, die met 
Hendrikje Uylenburgh, Saskia's zuster, getrouwd en te Leeuwar- 
den hofschilder der Friesche stadhouders was. In een aardig lof- 
dicht vergelijkt hij hem bij Prometheus, daar ook hij „de zon 
haar heiligh vuur durfde ontstelen en de vingers zengen om 
leven in zijn heelt te brengen" en daar ook hij, „om op 't 
aardrijck 't licht te malen, den hemel pionderde van zijn stralen". 

Vervolgens mag persoonlijke bekendheid van Vondel met 
Rembrandt hieruit worden afgeleid, dat beide kunstenaars een 
gemeenschappelijken Maecenas bezaten in dien Jan Six of 



JAN 8IX, MAECBNAS VAN REMBRANDT EN VONDEL. 873 

burgemeester Six, wat hij trouwens eerst in 1691, na beider 
iood, geweest is, in wiens „Pandora" hunne werken elkaar 
Dntmoetten en wiens naam door hun roem over de geheele 
wereld vermaard is geworden. Voor het portret, dat Rembrandt 
reeds in 1641 van Six' moeder, Anna Wijmers, maakte, schreef 
Vondel een vierling, en een ander voor dat van den zoon, 
ien „geleerden en beleefden jongeling*', zooals deze „in 't 
bloeienst van zyn jeught, verlieft op kunst en wetenschap en 
ieught", was afgebeeld, zonder dat wij weten door wien, want 
in 1647, toen Rembrandt hem het eerst schilderde en meester- 
ijk etste tegelijk, was Six (14 Januari 1618 geboren) nauwe- 
lijks meer een jongeling te noemen, en zeker was hij dat niet 
[neer in 1654, zooals Rembrandt hem toen afbeeldde in den 
rooden mantel en met den hoed op 't hoofd, in onzen tijd 
jnder zoovele andere kunstschatten het prachtstuk in de 
«woning van zijn nazaat. Prof. Jan Six te Amsterdam. 

Een jaar later zou Vondel een meer van waardeering dan 
^an dichterlijke geestverrukking getuigend gedicht aanbieden 
„ter bruiloft van Joan Six en Margarite Tulp", de dochter 
v&n den, op Rembrandt 's „Anatomische les'* als practisch 
geleerde voorgestelden, doctor en lateren burgemeester Nicolaes 
Pulp. Ongetwijfeld zal Vondel, evenals wij dat van Rembrandt 
weten, Six bezocht hebben op zijne hofstede „Elstbroeck binnen 
Hillegom", waarvan hij den lof zong in een allerliefst „danck- 
Dffer voor ooft en wiltbraet, hem uit die hofstede toegezonden" 
loor Six, die daar toen als joi^g echtgenoot alles te genieten 
had wat het leven den fijnbeschaafden, in alles belangstellen- 
ien man in zoo rijken overvloed bieden kan. 

Wij leeren er Six tevens uit kennen als beoefenaar van 
liet „Veltgedicht", en inderdaad mag hij als dichter in onze 
litteratuurgeschiedenis ook eene plaats voor zich eischen, al is 
sijne dichterlijke nalatenschap niet groot. Vooreerst kennen 
wij van hem eenige kleinere Latijnsche en Nederlandsche 
«rerzen, en daaronder ook een „Brief aen Cloris" met de ver- 
melding van zijn eigen schilderijenkabinet, „daer", zooals hij 
segt, „*t gerucht zoo luyt van blaest, daer soo veel voor staen 
«^erbaest, die my om 't gezicht soo vryen", en verder een 
gedicht op Muiderberg, voor zijn vi'iend Hendrik Hooft ge- 
schreven. 



374 JAN SIX ALS TOONBBLDICHTBB. 

Van meer omvang zijn zijne beide tooneelwerken : een blij- 
spel Onschuld (van 1662) en een treurspel Medea (van 1648). 
Ofischoon getrouw aan den streng classieken treurspelvorm 
naar het model van Seneca, van wien in het tweede bedrijf 
zelfs een tooneel geheel is vertaald, is Six bij zijne opvatting 
der persoon van Medea afgeweken van de classieke overlevering: 
vooreerst omdat hij „geen verwarmde spyse wilde opdisschen", 
vervolgens omdat hij te veel realist was, om Medea als toove- 
nar es te willen voorstellen, en eindelijk omdat hij met haar, 
ials onverdiend door Jason verstooten, te veel medelijden ge- 
voelde, om haar in de oogen der toeschouwers hatelijk te 
kunnen maken. Inderdaad valt hier een fijner kunstgevoel 
dan bij de meeste tooneeldichters te waardeeren, terwijl het 
poëtisch gehalte der goedgebouwde alexandrijnen niet zelden 
gunstig afsteekt bij het vele middelmatige, dat destijds van 
het tooneel af gezegd werd. De uitgave der „Medea" is versierd 
met eene ets van Rembrandt, die de bruiloft van Jason en 
Creusa voorstelt. 



XLVII. 

De dichtkunst en hare andere zusterkunsten. 

Het gebeurde maar uiterst zelden, dat Rembrandt's etsnaald 
de uitgave van een dichtwerk hielp opluisteren. Toch komt 
bij het illustreeren der gedichten de samenwerking van dichters 
en schilders, die zeer dikwijls ook etsers of graveurs waren, 
het meest uit Met het groot aantal emblematabundels van 
dien tijd, hun gemeenschappelijk werk, hebben wij langzamer- 
hand reeds kennis gemaakt, al nam hun aantal en vooral 
hunne kunstwaarde na het midden der zeventiende eeuw ook 
merkbaar af. Doch ook voor andere dichtwerken sneden de 
graveurs hunne voorstellingen in koper, en inzonderheid ont- 
brak het niet aan fraaie en vernuftig bedachte zinnebeeldige 
titelprenten, die dan meestal weer op hare beurt door een 
gedicht werden verklaard, zooals bv. Vondel deed met de 
titelprent voor zijne „Altaer-geheimenissen'^ (in 1645) en met 
die van Theodoor Matham voor zijne vertaling van ,Virgilius 



flBNRICE QOLTZIUS BN ANDERE PLAATSNIJDERS. 375 

Maroos wercken" (in 1646). Daarbij trad dan de dichtkunst 
op als dienares van de beeldende kunst, zooals zij dat ook 
vroeger reeds had gedaan, wanneer zij de, meestal zinnebeel- 
dige, vertooningen op het tooneel in verzen had verklaard, 
en zooals zij ook deed, wanneer zij afzonderlijk uitgegeven 
groote prenten van dichterlijke onderschriften voorzag. Wij 
kennen er van Starter, Cats, Vondel en vele anderen. 

Als de grootste graveur gold in den loop der zeventiende eeuw 
nog altijd Henrick Goltzius, die in 1628 door zijn stadgenoot 
Samuel Ampzing uitbundig geprezen werd als de „Phoenix, die 
de bergen, de Alpes overvliegt en durft selfs Romen tergen", 
zoodat „de geesten, die wei-eer en noch van name sijn', voor 
hem neerknielen". Als glasschrijver, teekenaar en schilder 
zwaait Ampzinq hem den hoogsten lof toe, maar als hij ver- 
meldt hoe benijdenswaardig kunstig hij in koper sneed, vraagt 
hij : „Heeft Durer wel iet fraeys of Lukas oyt gemaekt, dat 
door sijn yser niet noch beter is geraekt?" Ook Vondel schreef 
nog een lofdicht op zijne „zerck*', lang nadat hij (1 Jan. 1617) 
overleden was. De vermaarde roodkrijtportretten (nu in het 
Museum-Fodor),die Goltzius van de gezusters Visscher teekende, 
had hij ongetwijfeld evenzeer bewonderd als Huyqbns, die in 
1630 nog vol vereering voor hem was, doch toen maar weinig 
minder lof gaf aan zijn leerling Jacob de Geyn en naast dezen 
ook Claes Jansz. Visscher als een uitstekend plaatsnijder 
onder de jongeren prees. 

In wat later tijd waren het Paulus Pontius, Willem Jacobsz. 
Delff, Reinier van Persijn, Theodoor Matham, Gornelis en 
Jan de Visscher, Jonas Suyderhoef, Cornelis van Dalen en 
Abraham Blooteling, die de meeste portretten graveerden, 
waarbij door onze dichters bijschriften gevoegd werden, want 
nauwelijks kon destijds een portret in koper gesneden worden, 
zonder dat een dichter gereed stond met een Latijnsch of 
Nederlandsch epigram, dat daaronder zijne plaats vond en 
door den uitgever daar ook verlangd werd. 

Verscheidene onzer dichters hebben zulke bijschriften ge- 
dicht, maar niemand muntte in deze dichtsoort zoozeer uit, 
als Gberaardt Brandt. Vele zijner bijschriften danken hun 
ontstaan aan Brandt's wensch, om zijne „Historie der Refor- 
matie" met portretten op te luisteren. In de eerste twee deelen 



376 brandt's bijschriften bij portretten. 

van dat werk vindt men dan ook zeventien portretten, waar- 
van alleen dat van Goomhert een distichon van Hooft als 
bijschrift heeft, en de andere een vier- of zesregelig gedichtje 
van Brandt. Sommige dezer portretten zijn door Hendrik 
Bary gegraveerd, o.a. dat van Erasmus, wat den dichter aan- 
leiding gaf den plaatsnijder in 1663 aldus in een lofdichtje 
toe te spreken: „Toen myn Histori quam in 't licht, verscheen 
Erasmus op 't papier, gemaalt met woorden van myn plicht; 
maar gy bragt ons den edlen zwier van *t wezen inuwkopre 
plaat. Gy volgt de snee van Vorsterman: gy treft dat zedige 
gelaat, en wat het yzer geven kan'\ Een ander portret van 
Bary was dat van Willem van Oranje, den „verlosser van 
ons landt'', zoo juist door Brandt geteekend is dezen keni- 
achtigen uitroep: „Wat hebt gy staals gekeert op 't punt van 
uw verstandtl" Even bekend is ook Brandt's bijschrift bij 
het beeld van Prins Maurits: 

„Gy hebt in 't harnas nouit voor yyanden geswicht; 
't Gebou der vryheit, door uw vaders handt gesticht, 
Doch in den opgangh met syn dierbaer bloedt begooten, 
Voltooit: gy hebt den tuin met vestingen geslooten; 
Maer ach, de kerk en staet wierdt in uw tydt gescheurt, 
Daer Spanje om heeft gejuicht, dat Hollandt noch betreurt." 

Tot de pittigste bijschriften bij portretten in de „Historie 
der Reformatie'' behooren ook die op Burgemeester Hooft, den 
„Christen Kato", den pleiter „voor 't heilig recht van 't dwange- 
loos geweten", op Hugo de Groot „ruim soo groot als de 
groote Rotterdammer" Erasmus, op Hubert Duif huis, „niet in 
geleerdtheit, maer in deucht soo groot als Erasmus", op Fran- 
ciscus Junius, die „het valsch door 't waarj den haat door min 
bestreedt", op Johannes Uitenbogaerdt, den „Christen Cicero, 
den tweden Guldemondt", die „Gode 't sijn, den Staeteu 't 
hunne gaf' en op Jacobus Arminius, die zijne „laetste les besloot' 
met deze woorden : „Men dring meer op het doen dan op 't 
spitsvindig weten". 

Ook van andere portretten, dan in de „Historie der Refor- 
matie" voorkomen, zijn Brandt's bijschriften zeer bekend 
geworden, zooals bv. het epigram op Al va, „dien krygsman 
hardt als staal en bitterder dan roet", op Egmont, met wiens 



GRAF3CHRIFTBN OP PRAALGRAVEN. 377 

„hooft, daar tot tweemaal toe heel Vrankryk voor most beven", 
tegelijk „recht en vryheit" getroffen werden, op Cornelis 
Tromp, „die als een blixem viel op Karels trotse vloot en 
vloog van schip op schip in 't aanzicht van de doot", op 
Michiel de Ruiter, „der Staten rechterhand, den redder van 
't vervallen vaderlant, die in één jaar twee grote koningryken 
tot driemaal toe de trotse vlag deê stryken", op Oldenbarne- 
velt, *s lands „vader, 's lands voorspraak, redder, rader", op 
Jacobus Taurinus, die vervolgd werd alleen omdat hij „ge- 
wetens dwang bestreen, 's lants vryheit voorgestaan" had, op 
Christiaan Hartzoeker, „hartzoeker met de naam, hartzoeker 
met de daadt", en op verscheidene andere predikanten der 

Remonstrants che broederschap. 

Nauw verwant aan deze bijschriften op portretten zijn de 

grafdichten, die ook in groot aantal door Brandt en anderen 
gemaakt zijn, zonder juist bestemd te wezen om op de graf- 
zerk te worden uitgebeiteld. Toch kan men er ook nu nog 
verscheidene lezen op de praalgraven der gesneuvelde zee- 
helden, al prijken sommige daarvan ook alleen met Latijnsch 
proza of dicht. 

In het eerste gedeelte der zeventiende eeuw hebben wij 
Henrick de Keyser reeds als beeldhouwer der voornaamste 
praalgraven en Hoopt als dichter van het grafdichtje op 
Heemskerk's tombe leeren kennen. Zijn oudste zoon Pieter 
de Keyser, die zijn vader als stadsbeeldhouwer van Amsterdam 
opvolgde, dankt zijn roem vooral aan het praalgraf voor Piet 
Hein in de Oude Kerk te Delft (1630). Misschien is ook van 
hem het houten gedenkteeken in de Oude Kerk te Amster- 
dam voor Cornelis Jansz. de Haan (1633), dat met een Latijnsch 
grafschrift van Barlaeus prijkt en met een Nederlandsch 
van Reael, namelijk: 

,,Hier rast die Heldt, die van s^jus vyands schepen 
In seven mael quam seven vlaggen slepen, 
En gaf voor 't laest op twee soo dapper vonck, 
Dat 't eene vlood en 't ander b\j hem sonck". 

Zijn broeder Willem de Keyser, die hem in 1647 als stads- 
beeldhouwer verving, voerde samen met Rombout Verhulst 
het ontwerp van Jacob van Campen voor het praalgraf van 



378 GRAFSCHRIFTEN OP PRAALGRAVEN VAN VERHULST. 

Maarten Harpertsz. Tromp in de Oude Kerk te Delft uit 
(16o4). Eene gravure van dat praalgraf door Cornelis van 
Dalen heeft een achtregelig grafdicht van Vondel tot onder- 
schrift: „Hier rust de Zee-Held Tromp, de dappere bescher- 
mer der Zee-vaert en der Zee", enz. Ook voor eene allegorische 
voorstelling van Tromp als Neptunus, op een wagen door 
zeepaarden voortgetrokken, heeft Vondel een bijschrift gemaakt. 
Omstreeks denzelfden tijd vervaardigden Willem de Keyser 
en Rombout Verhulst samen ook naar Van Campen's ontwerp 
het praalgraf voor Jan van Galen in de Nieuwe Kerk te 
Amsterdam, met het bekende grafdicht: „Hier leidt in 't Graf 
van Eer de dappere van Gaaien", enz. De Mechelsche beeld- 
houwer Rombout Verhulst, die voor deze beide gedenkteekenen 
nog met Willem de Keyser samenwerkte, heeft door zijn 
meerder talent zijn medearbeider weldra geheel verdrongen 
en kan in de tweede helft der zeventiende eeuw beschouwd 
worden als de officiëele beeldhouwer der Staten-Generaal. Als 
zoodanig beitelde hij in 1665 het praalgraf voor Egbert Meeuwsz. 
Kortenaar in de Groote of St.-Laurenskerk te Rotterdam, met 
Bbandt's beroemd woordspelend grafschrift: 

„De Helt der Maas, verminkt aan oog en rechterhant, 
£n echter *t oog van 't roer, de vuist van 't vaderlant, 
De grote Kortenaar, de schrik van 's vyants vloten, 
d' Ontsluiter van de Zondt,- legt in dit graf besloten". 

Daarop volgde van hem in 1670 het gedenkteeken voor 
den schout-bij -nacht Willem van der Zaan, met een, G. Stijls 
geteekend, grafdicht: „Dit is door 't Landt tot Eer van Van 
der Zaan bestelt", enz.; en in 1674 voor Isaac Sweers, met 
Latijnsch opschrift, beide in de Oude Kerk te Amsterdam; 
maar zijn, in 1681 voltooidj meesterwerk was het praalgraf 
voor Michiel Adriaansz. de Ruiter in de Nieuwe Kerk te 
Amsterdam, met twee Latijnsche gedichten van Nicolaas 
Daniëlsz. Heinsius, waarvan Johannes Vollenhovk de ver- 
taling in Nederlandsche verzen heeft gegeven. 

Een enkel grafmonument kennen wij ook van den beeld- 
houwer Artis de Witt, namelijk voor den vice-admiraal Abra- 
ham van der Hulst in de Oude Kerk te Amsterdam (1666) 
met het opschrift : „ Hier rust hy, die niet rusten kon, eer hy 



DB BBELDWBRKBN VAN ARTUS QUBLLINUB QBROBMD. 379 

syn vyand overwon: om hoogh leeft hy in vreughden, in 
marmer door syn deughden". Op de door een metalen hek 
omgeven zerk onder dit gedenkteeken is een vierregelig graf- 
dicht van Vondel uitgehouwen met dit slot: „De faem des 
braven helts braveert metael en marmer'*. Eene eenvoudige 
grafzerk in de Groote Kerk te Rotterdam wijst door een tien- 
regelig grafdicht van Antonides van der Gobs de plaats 
aan, waar de vice-admiraal Johan de Liefde, „d'eer der Maes", 
in 1673 begraven werd. 

Terzelfder tijd dat Rombout Verhulst in Den Haag zijne 
praalgraven beitelde, was te Amsterdam door den invloed 
van Jacob van Campen een ander Zuidnederlander stadsbeeld- 
houwer geworden, namelijk Artus Erasmusz. Quellinus, in 
1649 uit Antwerpen naar de Amstelstad gekomen om daar 
het beeldwerk voor het nieuwe stadhuis te vervaardigen. „De 
Tyber'', zeide Vondel in zijne „Inwydinge van 't Stadthuis t^ 
Amsterdam" (1655), 

„De Tyber had voor hem de hooge school ontsloot en, 

Hy staet voor Angeloos noch geen aelout vernuft 

In astin beeldhouwerye of tekenkonst verbluft. 

Eischt iemant van dien lof een bl^ck en kenbaer teken, 

Men vraege elck meesterstuck : de stommen zullen spreecken 

£n pleiten voor den man, die zulck een kunstenschat 

Als Aertsbeelthouwer van de zegenr^'ckste stadt 

Besteede aen 't Kapitool der Amsterdamsche Heeren, 

Die hun Stadthuis met kunst, gelyck met schat, stoffeeren". 

Wij kunnen niet bhjven stilstaan bij de meesterlijke wijze, 
waarop Vondel in dit gedicht alle beeldwerken beschrijft, 
door Quellinus — als beeldhouwer evenknie en geestverwant 
van Rubens als schilder — voor het stadhuis gemaakt of 
door zijne medehelpers naar zijne modellen uitgevoerd, zooals 
de „beeldewercken'* der frontispiesen van de beide gevels, 
,.daer wy Q.uellyns vernuft en geest zien triomfeeren", de 
indrukwekkende vierschaar en de „acht marmeren beelden 
van goden omhoogh in d'enden van de lange gaeleryen", en 
al wat daar verder door Quellinus in 1655 reeds voltooid was 
of binnen weinige jaren afgewerkt zou worden. 

In hetzelfde gedicht spreekt Vondel ook van „het heerlijck 
orgel*' in de Nieuwe Kerk, bij welks marmeren pilasters 



380 DB BEELDWERKEN VAN ARTUS QUBLLINUS GEROEMD. 

Quellinus in 1652 kinderfiguurtjes tusschen muziekinstrumen- 
ten, bloemen en vruchten beeldhouwde, die in hun soort 
onovertroffen zijn, evenals de kinderfiguurtjes van Rubens. 
Vondel echter vermeldde ze niet, maar wel de „vier orgel- 
deuren", die hij beschreef en waarop door „Bronckhorsts' 
tekengeest en schoone schilderkunst, hem van Natuure alleen 
miltdaedigh ingegeven,, geen verf maer louter ziel en leven" 
te zien was. 

Onder de grootere werken, door Quellinus te Amsterdam 
uitgevoerd, behoorden ook de frontispiesen der voor- en achter- 
gevel van 'sLands Magazijn op Kattenburg, in 1658 „gehou- 
wen door Quellijn, des Aemstels beeldehouwer," die het 
Zeebewind en de bescherming, daardoor aan handel en scheep- 
vaart verleend, allegorisch voorstellen en door Vondel ook 
nauwkeurig in zijn groot gedicht „Zeemagazyn" beschre- 
ven zijn. 

Te midden van zijn omvangrijken arbeid als stadsbeeld- 
houwer vond Quellinus nog den tijd om verschillende andere 
beelden in marmer te houwen, die door onze dichters niet 
onbezongen gelaten werden, bijv. in 1660 een „marmeren 
Pallas voor Joan Maurits van Nassau uit het hooft van Fidias 
Quellijn door geest en kunst herschapen", zooals Vondel zegt, 
die dezen beeldhouwer niet beneden de Grieksche en Italiaan- 
sche meesters wilde stellen: immers „de kunsten syn aeneeu 
noch tijt gebonden, vernuften gaen en komen op hunn' tijt; 
de jongste vint wel dat geen outsten vonden: men schat de 
kunst, die hangt aen vroegh noch spa.*' Inderdaad, de zeven- 
tiende eeuw scheen recht tot die uitspraak te geven; doch 
wie zou haar voor de achttiende durven herhalen! 

Onder de gedichten van Jan Vos vinden wij lofdichtjes op 
weer andere werken v&n Quellinus, op een „Apollo en de 
nege Muzen door Quellinus gebootseert voor de Koningin 
van Zweeden", op een anderen „Apollo" van hem en op een 
„Kupido uit marmer gehouwen." Reeds vóór zijne komst te 
Amsterdam zal Quellinus de beelden van Ignatius de Loyola 
en van Franciscus Xaverius voor de Jezuïetenkerk te Ant- 
werpen hebben gemaakt, waarop Vondel kleine bijschriftjes 
dichtte, maar te Amsterdam maakte hij het, ook door Vondkl 
bezongen, marmerbeeld van Dr. Nicolaes Tulp, nu nog in het 



LOF VAN QUBLLINÜS KN ALBERT VINCKENBRINCK. 381 

Museum-Six te bewonderen. Zoo bezit de familie Huydecoper 
op Goudesteyn (onder Maarseveen» nog het marmerbeeld, in 
1654 door Quellinus van Joan Huydecoper vervaardigd, waarop 
Jan Vos een bijschrift maakte en Vondel een ander, eindigend 
met deze woorden: „Het lust den burger hem in marmer- 
steen t' aenschouwen, maer schooner staet de man in 't hart 
des volx gehouwen." 

Vondel en Vos beiden maakten een lofdichtje op Quellinus' 
marmerbeeld van Cornelis Witsen, en Vos ook een op dat 
van diens echtgenoote Katharina Opcy, terwijl aan het mar- 
meren medaillon of, zooals Vondel zegt, „aen den ommetreck 
in klaeren marmei*steen gekloncken'* van Cornelis de Graef 
gedichtjes van Vondel en Vos gewijd zijn en van Vondel 
alleen ook aan het pendant daarvan, het medaillon van De 
Graefs echtgenoote Katharina Hooft, beide nu in het bezit 
van het Oudheidkundig Genootschap te Amsterdam. Op 
Quellinus zelf hebben wij een schertsend lofdichtje van Vos 
en op zijn door Van Helt Stocade geschilderd portret een 
vierling van Vondel. 
Toen Quellinus te Amsterdam kwam, had een ander beeld- 
schepper, Albert Jansz. Vinckenbrinck, die echter niet uit 
marmer zijne kunstwerken hieuw, maar ze uit stevig eikenhout 
sneed, daar juist (in 1649) zijn meesterstuk tot stand gebracht: 
den preekstoel van de Nieuwe Kerk, bewonderenswaardig in 
al zijne deelen: kuip, trapleuning, de drie paneelen van den 
eigenlijken preekstoel, en dat alles bekroond door het sierlijke, 
uitvoerig bewerkte, torenvormige klankbord, ten volle wa&rdig 
om door onze eerste dichters bezongen te worden. Toch heb 
ik te vergeefs naar een lofdicht op dat werk gezocht. Wèl 
bezong Jan Vos een meesterwerk van houtsnij kunst, dat toen 
in bezit was van Abraham Alewijn en op het eind van de 19^e 
eeuw, misschien nog, in dat van C. Becker te Prankfoi-t, 
namelijk een palmhouten appel, een „hemels beeldtwerk" van 
twee duim middellijn, opengaande als eene doos en waarin van 
binnen „de zeven groote werken van barremhartigheidt*' zich 
vertoonen in twee tafreelen, wemelend van microscopisch 
kleine figuurtjes, in schier ongelooflijke menigte door den 
kunstenaar met vaste hand gesneden. Ofschoon Vos den naam 
van den kunstenaar niet noemt, weten wij nu toch, dat ook 



DB KUNST VAN HOUTSNIJDBN, IVOORDRAAIEN BN WASB0BT8BEREN. 

dit een werk is van Vinckenbrinck, die het, toen hij in 1664 
overleed, met nog verscheidene andere palmhouten meester- 
stukjes van fijne houtsnijkunst naliet. 

Zulk soort van kunstig knutselwerk was in de zeventiende 
eeuw zeer in eere. Een kerse- of kriekesteentje, waarop eene 
Beiersche non den keizer, de zeven keurvorsten, den dood met 
zijn zandlooper en eenige honderden doodshoofden gesneden 
had, een kunstwerkje zóó klein, dat men „arents oogen moest 
leenen'* om het te zien, ja, waarop zelfs ^d'arent zich blint 
zag", werd eerst door Vondel in een gedichtje vereeuwigd, 
toen het in bezit was van Jan Pietersz. van den Eeckhoudt, 
en later nog eens door Jan Vos,, toen het in handen gekomen 
was van KAtharina, de echtgenoote van burgemeester Cornelis 
de Graef. Een „paternoster van pruimesteenen", of „twalef 
keisers aan een snoer'*, omdat ieder „kunstjuweel" een der 
twaalf eerste Romeinsche keizers voorstelde, werd bezongen 
door Reyer Anslo, die „zich meer verwonderde, hoe hy het 
meer bezag." 

Dat de kunst van ivoordraaien en beelden-snijden in ivoor 
niet verwaarloosd werd, getuigt de lof, door Samuel Ampzing 
gegeven aan den Haarlemmer Jacob Hillebrandsz. van 
Pruyssen, die door zijn „wonder- werk" bij den hertog van 
Ferrara in de gunst kwam, terwijl zijn zoon Lambrecht niet 
minder in eere was bij Albertus van Oostenrijk, vóór hij uit 
diens landen naar Dieppe verhuisde. „Nu siet het Fransche 
volk de vrucht van zijne hand," zegt Ampzing in 1628 
van hem. 

Ook de kunst van boetseeren in was werd beoefend. Dat 
blijkt uit een gedichtje, door Vondel in 1651 gemaakt „op 
een gekleurt wassenbeelt". „Hier trof de Kunst haar wit op 
't Hooft", zoo besloot Vondel dit gedichtje met eene woord- 
speling, want het bekoorlijk wassen kopje met oogen, die 
„blaeuwden als turkoizen", met die „weeligh zwierende locken 
van het blonde hair, dien zwanenhals en het poezeligh albast" 
van den blanken boezem was het sprekend gelijkend beeld 
van Baertje Hooft, de schoone weduwe, met wie zijn zoon 
Joost een paar jaar te voren een tweede huwelijk gesloten had. 
Dat Vondel in 1654 ook op de kunstige boetseersels van 
Kathabina Questiers een lofdichtje maakte, hebben wij gezien. 



DE GOUDDRIJVERS VAN VIANEN EN LÜTMA. 383 

Evenmin ontbrak het destijds aan kunstige goud- en zilver- 
smeden, die meesterwerken van drijfwerk leverden en daarvoor 
ook bij de dichters vereering vonden. »0p een drinckscheepjen, 
Adam van Vianens werck", had Hooft reeds in 1608 een 
klein gedichtje gemaakt. Op een ander zijner kunststukken, 
,,een zilveren drinkbeker, een paert verbeeldende", schreef 
veel later Pieter Verhoek een klinkdicht. Theodorus van 
Kessel bracht het meerendeel der werken van dezen kunstenaar 
in plaat en Jan Vos maakte een grafschrift voor dien be- 
roemden Utrechtschen goud- en zilverdrijver, „die het goudt 
een ziel wou geeven" en door den Dood uit wraak daar- 
over zelf werd ontzield, „maar in goud", zegt de dichter, „ver- 
rijst zyn geest" weder. 

Niet minder beroemd en als kunstenaar in hetzelfde vak 
nog hooger staande dan Adam was zijn broeder Paulus van 
Vianen. Op verzoek van „zommige kunstbeminders van het 
goutsmitsgilde" schreef Vondel in 1668 op hem twee gedichten, 
het eene op zijn portret, door Johannes Lutma den Jongen 
geschilderd, en het andere op zijne „dryfkunst" : de „eeuwigh 
even frisch en jongh . blijvende kunst, die hy in schilt en 
beker, en kan en schael en bekken klonck", en waardoor hij, 
„met hamer en pensoen in weerbarstige metaelen dryvende, 
beelden wist uit te haelen, zoo schoon als 't oogh geschapen 
zagh" en als Keizer Rudolf II, voor wien hij werkte, „noit 
naer heur waerdy en eisch betaelt heeft". 

Hetzelfde gedicht diende ook om Joan Lutma, vader en 
zoon, te prijzen, in wie „de ziel van Paulus scheen vervaeren", 
maar die, ofschoon zij in technische vaardigheid door niemand 
overtroffen werden, aan de in hun tijd gezochte gemaniëreerd- 
heid en overlading te veel offerden om even smaakvolle en 
edele kunstwerken te kunnen scheppen als de beide Vianens. 
Sedert 1628 werden aan den ouden Lutma door de Regeering 
van Amsterdam herhaaldelijk goudsmidswerken opgedragen, 
wanneer er aan vorstelijke personen kostbare geschenken 
moesten worden aangeboden. Toen Lutma de Oude in 1669 
overleed, schreef Vondel op hem een grafschrift en een ander 
op eene afbeelding van den vader door den zoon. Ook Gebraardt 
Brandt gaf in vier versregels er zijne voldoening over te 
kennen, dat de vader, „wiens edle hamer op het zilvere 



384 GEDICHTJES OP PENNINGEN. 

panneel verheve schildery en beeltwerck had gedreven, door 
hamerslag zijns zoons in koper dus zou leven". Als beeld van 
den ouden Lutma kennen wij eene ets van 1656, eeB penning- 
beeld van 1659 en eene hamergravure, alles van de kunst- 
vaardige hand zijns veelzij digen zoons, die ook eene hamer- 
gravure van Vondel maakte en die, evenals zijn vader, be- 
roemd was om de door hem gedreven of gegraveerde pennin- 
gen. Op één dezer, „ter gedachtenis der Vreede" van 1648 
door Joan Lutma op last der Burgemeesteren van Amsterdam 
gemaakt, hebben wij een bijschrift van Jan Vos, die in een 
ander bijschrift in herinnering bracht, dat de voortreffelijke 
gi-aveur Wouter Muller „Tromp door kunst in zilver leeven" deed. 

De medailleerkunst bleef dan ook niet buiten aanraking 
met de poëzie. Van Vondel hebben wij verscheidene kleine 
gedichtjes, hetzij op trouw-, lijk- of andere gedenkpenningen 
gegraveerd, bv. op den begrafenispenning voor Govert Plinck 
(1660), hetzij ter eere daarvan geschreven. Onder deze ver- 
dienen even vermeld te worden de gedichtjes „Matige 
Regeering" en „Maghtige Neering" op de beide zijden van 
„den Amsterdamschen gedenckpenning", in 1655 vervaardigd 
door Jurriaan Pool bij de stichting van het stadhuis, dat op 
de voorzijde is afgebeeld, terwijl op de keerzijde het Amster- 
damsche koggeschip zich vertoont als eene tweede Argo met 
den buit van het guldenvlies beladen. Een tweede gedichtje 
„Machtige neering*^, waarin sprake is van Amsterdam's „macht 
en ryckdom en de duyzent schepen, waervoor de stad te gelyck 
haer paelen open zette", werd door Vondel gemaakt op den 
prachtigen, door Jurriaan Pool gegraveerden ,Amsterdamschen 
gedenkpenning van 1657 met dezelfde voorzijde als de vorige 
penning, maar met eene andere keerzijde, die de met eene 
keizerskroon pralende stedemaagd in den HoUandschen tuin 
voorstelt, met de stad op den achtergrond en de wapenschilden 
der zesendertig raden langs den rand. 

De legpenningen, tot den Munsterschen vrede toe, jaar op 
jaar van staatswege uitgegeven, met allegorische voorstellingen 
en Latijnsche opschriften, zijn evenmin bij onze dichters 
onopgemerkt gebleven. Toen de penningkundige Hendrik 
d'Acquet in 1658 in het huwelijk trad, herdacht Oudaen in 
een bruiloftsdicht ook dat »leg-geld, 't geen het Vaderlandsch 



OBDICHTBN OP QLASORAVBURS SN aLASSCHILDBRS. 385 

gedenk in spreuken doet herleven, dat in 't geheugen duurt 
en stori-wys, staatkundig en bedreven maakt". 

Ook de kunst van graveeren op glas vond waardeering bij 
de dichters. Onder de oudere glasschrijvers stelde Samüel 
Ampzino zijn stadgenoot Jan Bouchorst bovenaan, wiens naam 
hij in zijn groot lofdicht op Haarlem hoopte te hebben ver- 
eeuwigd, „al mochten syn glazen ook breken", ja zelfs zijn 
meesterwerk, de glazen der groote zaal van 't Haarlemsch stad- 
huis, waarop door hem bij de wapenschilden der veroveraars van 
Damiate een zeer uitvoerig gedicht kunstig gegraveerd was. 
Van de andere Haarlemsche glasschrijvers, wier namen Ampzing 
vermeldt, prijst hij inzonderheid Pieter Holsteyn als „groot 
schryver op het glas" en als schilder met „water- ver wen" te 

gelijk. 

Onder de latere glasschrijvers leerden wij reeds Willem 

DiBCKsz. Hooft en onder de nog latere als den meest be- 
roemden den dichter Willem van Heemskerk kennen, wiens 
kunstig met diamant beschreven drinkglazen o.a. door Huy- 
GENS, Brandt en Oud a en werden bezongen. Onder een fraai 
portret van Heemskerk in zwarte kunst door Abr. Blooteling 
(naar eene schilderij van Jan van Mieris, 1687) lezen wij een 
zesregelig bijschrift van Geertrüid de Graeuw, geb. Gordon, 
dichteres van Bergen-op-Zoom, wier eerste gedichten in 1686, 
toen zij zesentwintig jaar was, te Rotterdam werden uitgegeven. 
Met den naam van glasschrijver werden ook nog in de 
zeventiende eeuw evenals voorheen ook die kunstenaars aan- 
geduid, die glasschilderijen maakten door een mozaïekwerk 
van in lood gevatte stukjes gekleurd glas, waarop dan de 
schaduwen werden ingebrand. Ofschoon van deze glasschilderijen 
niet zelden ook de vinding, schikking en uitdrukking meester- 
Ujk is, bestaat toch de groote schoonheid dezer werken hoofd- 
zakelijk in de harmonie der meestal schitterende kleuren. 
Soms leverden schilders er de cartons voor, die dan door de 
glasschrijvers of glasbranders in glas werden uitgevoerd ; maar 
dikwijls waren deze laatsten ook zelf de ontwerpers der glas- 
voorstellingen, zooals in het derde kwart der zestiende eeuw 
de beroemdste van alle Nederlandsche glasschilders, de gebroe- 
ders Dirck en Wouter Crabeth van Gouda, van wie iedereen 
de twaalf heerlijke glazen kent, waardoor de St.- Janskerk te 

n 26 



386 DB CRABBTH's, TTBOUT SN VAN D1EPBN6BECK. 

Gouda eene groote vermaardheid gekregen heeft. Ofschoon 
in 1661 hun „uurglas" reeds lang „verloopen*' was, schreef 
Vondel toch nog bij de toen door Hendrik Bary van hen 
gegraveerde portretten korte bijschriften, waarin hij melding 
maakte van de verschillende tafereelen uit de geschiedenis 
van St. Jan door Dirck Crabeth, en van „Elias' oflFer'' op het 
groote raam van den Zuider kruisbeuk der Goudsche kerk (ge- 
schenk van Margareta van Parma) en van het „Avondmaal" 
op het groote raam van den Noorder kruisbeuk (geschenk 
van Koning Philips II), beide het werk van Wouter Crabeth. 

Jonger tijdgenoot van de Crabeth's was te Haarlem Willem 
Tybout, wiens kunst men ook in de Goudsche kerk kan 
bewonderen en van wien Samuel Ampzing uitriep: „Hoe 
dapper meesterlijk kon Tybout glasen schrijven I" 

Behoorden deze meesters nog tot de zestiende eeuw, ook de 
zeventiende eeuw legde zich nog op glasschilderen toe. Zelfs was 
toen de vroegere manier om de schilderijen van glasmozaiek 
samen te stellen nog niet in onbruik geraakt, maar toch kwam 
daarnaast toen ook reeds de nieuwe manier op, om de kleuren 
zelf met emailverf op kleurloos glas in te branden. In de 
zeventiende eeuw was Abraham van Diepenbeeck, te *s-Her- 
togenbosch in 1596 geboren en te Antwerpen in 1675 overleden, 
een der bekwaamste glasschilders, zooals men nog kan zien in 
verschillende kerken te Antwerpen, waar hij tot Rubens' leer- 
lingen behoorde en ook op doek en paneel werk leverde, dat 
vooral uitmuntte door „'t welschicken van Natuur." Dat vooral 
prees Vondel in hem, toen hij een lofdichtje maakte op het 
portret, waarmee de schilder „zich zei ven naer het leven teken- 
de." „Print en doeck en koorglas en panneel tuigen van 
's mans vernuft", zegt Vondel daar. 

Ook nog in de zeventiende eeuw waren glasschilderijen 
meest schenkingen aan kerken, en niet gering is zelfs het 
aantal glazen, door de Regeering van Amsterdam aan ver- 
schillende kerken van HoUandsche steden en dorpen ge- 
schonken. Te Amsterdam zelf bevonden zich al sinds lang in 
de Oude Kerk zulke glasschilderijen, en daaronder ook een 
fraai, maar door den tijd deerlijk gehavend glas, waarop het 
kronen van Philips den Schoonen voorgesteld was. Na het 
sluiten van den Munsterschen Vrede nu liet de Regeering 



OLAS8CHILDKRIJBN EN FLORBNTIJNSCH MOZAÏEK. 387 

dat glas door een ander vervangen, waarop het volgende vers 
van Vondel werd ingebrand, dat in 't kort weergeeft, wat 
er op is voorgesteld: „Philippus toekent met syn handen het 
vreeverbondt met seven landen en staet syn recht en tytel 
aflf. Dit tuycht het segel, dat hy gaflf/' 

Nog een tweede glas werd toen eveneens aan de Zuid- 
zijde van den koortrans der kerk aangebracht, waarop boven 
twee geharnaste mannen zijn afgebeeld, de een met zegel 
en banier van Arasterdam, de ander met het stadswapen 
en den vrijheidshoed, en waarop beneden de wapens der 
burgemeesters prijken. Op de bovenhelft maakte Jan Vos een 
vierregelig bijschrift, op de benedenhelft Vondel, die verder 
nog zes versregels dichtte „op de heelkunst" voor een glas in 
de toenmalige kamer van het chirurgijnsgilde boven de kleine 
Vleeschhal. Een twaalftal glazen, die tafereelen uit de geschie- 
denis van Karel den Stouten, Maria en Keizer Maximiliaan 
voorstelden, ontvingen elk een bijschriftje van Jan Vos. 

Nog eene andere kunst werd in de zeventiende eeuw in 
Amsterdam beoefend, of liever was daar „van nieuws her- 
booren" door het talent van den Kleefschen goudsmid Dirck 
van Rijswijck: de kunst van het zoogenaamd Florentijnsch 
mozaiek of het inleggen van een paneel of toetssteenen plaat 
met bloemfiguren van paarlemoer. Een „tafelkrans" van zulke 
„bloemen, lofwerck en festoen, een schoone regenboogh" van 
kleuren en goud vlocht Van Rijswijck in toetssteen, om als 
geschenk te dienen voor Gerard Huift, toen deze in 1654 als 
Directeur-Generaal naar Oost-Indië vertrok. Vondel heeft toen 
dat kunstwerk van onverwelkelijke bloemen in een keurig 
gedicht bezongen, en toen in 1660 de kunstenaar op bijna tach- 
tigjarigen leeftijd nog eene tweede „toetssteene feesttafel 
der goden met den kunstrijcken parlemoerkrans" bevlocht, 
wedijverde Oudaen met Vondel, wie haar het best zou be- 
schrijven en verheerlijken. Wie beide gedichten onbevooroor- 
deeld vergelijkt, zal moeten erkennen, dat Oüdaen ditmaal 
zijn grooten leermeester al zeer nabij wist te komen. Met dit 
„werkstuk", waarvan de wedergade, volgens Fokkens in zijne 
„Beschryvinge van Amsterdam'*, „in de werelt niet meer te 
vinden is", overtrof de kunstenaar ook zijn vroegeren arbeid, 
en wie de afbeelding, die beide dichters met woorden gaven 



388HUTGENS OVBR DBN BOUWMBBSTBR JACOB VAN GAMPEN. 

van die rijke verscheidenheid van paarlemoeren bloemen, door 
een zwerm van allerlei, als levende, insecten omzweefd, wenscht 
te vergelijken met het kunstwerk zelf, heeft daartoe de gele- 
genheid in het Rijksmuseum, waar „die tafelzon", sinds een 
paar jaar als rijksbezitting, nog „onverdooft flickert", die 
„rozengaarde" nog haar ouden glans en luister doet afstralen 
„op *t hoofd van den Meester-Konstenaar'*, voor wien zij de 
schoonste eerkroon gebleven is. 

En nu de bouwkunst, verheerlijkt door de poëzie. 

Terwijl in het eerste kwart der zeventiende eeuwHendrick 
de Keyser, zooals wij reeds zagen, de gevierde bouwmeester 
was, verrijst in het tweede kwart Jacob van Campen als de 
groote zon met een glans, waarvoor ieder ander licht ver- 
bleekte. Deze kunstenaar, die zich aanvankelijk veel naam 
als schilder verwierf en als zoodanig door Ampzing geprezen 
werd en o. a. een door Jan van den Velde gegraveerd portret 
van Lourens Koster schilderde, vormde zich in Italië, door 
bestudeering der bouwwerken van Andrea Palladio te Vicenza, 
tot den eersten bouwmeester der Republiek, die consequent 
den bouwtrant der latere Renaissance volgde, met gevels uitr 
sluitend van gehouwen steen, meest Ionische, maar ook Korin- 
thische pilasters, droehoekige frontispiesen en festoenen van 
bloemen en vruchten. 

Dat was toen de moderne, algemeen geprezen bouwstijl. 
HuYGENS, die Van Campen met de technische hulp van 
Pieter Post niet alleen in dien stijl in Den Haag het Maurits- 
huis voor Joan Maurits van Nassau, en de Oranjezaal voor 
Amalia van Solms had zien bouwen, maar hem ook den bouw 
van zijn eigen woonhuis in Den Haag en van Hofwijck had opge- 
dragen, noemde in het gedicht op die laatste schepping hem 
dan ook den „Van Campen, dien die eer voor eewigh toe 
sal hooren, van 't blinde Nederlands mis-bouwende gezicht 
de vuyle Gotsche schel te hebben afgelicht", en prees hem 
bij zijn overlijden in een paar grafdichten als den grooten 
„herstelder van wel-bouwens-kunst, die 't Gotsche kruUigh 
mail met staetigh Roomsch vermande en dreef ouw' kettery 
door ouder waerheit heen". 

Het was ook door Hüygens' toedoen en door dat van zijn 
neef Nicolaes van Campen, den door Vondel in verzen ge- 



vondbl's „inwydingb van 't stadthuis". 389 

prezen en in 1638, toen hij overleed, betreurden bouwheer van 
den Schouwburg, dat de aandacht der Amsterdamsche burge- 
meesters op Jacob van Campen gevestigd werd, om plannen 
te ontwerpen voor een nieuw grootsch stadhuis, zooals Amster- 
dam dat in plaats van het bouwvallig en te bekrompen oude 
stadhuis noodig had. Jaren moest het duren voor die plannen 
tot uitvoering werden gebracht, maar in het vredejaar 1648 
werden eindelijk de grondslagen van dat nieuwe stadhuis ge- 
legd door het inheien van den eersten der 13659 boomen uit 
„het Noortsche mastbosch, dat het Raethuis op den rugh nam'', 
en in 1655 kon het, naar het ontwerp en onder toezicht van 
Van Campen gebouwd, ofschoon toen nog niet geheel gereed, 
in gebruik genomen worden. Daniël STi^LPABRT, die in 1648 
tot stadsarchitect was aangesteld, was de technische leider van 
den bouw, maar gaf zelf in een gedicht „Eerplicht aan myn- 
heer en meester Jacob van Campen" aan dezen de volle eer, 
die hem als ontwerper toekwam, en weersprak het gerucht, 
waardoor hij zelf als mede-ontwerper was aangewezen. 

Toch was het niet meer dan billijk, dat Vondel naast Van 
Campen ook zijn naam loffelijk vermeldde in het schitterend 
gedicht, dat hij in 1655 op de „Inwydinge van 't stadthuis t' 
Amsterdam" schreef. Het is de schoonste lofzang, die er ooit 
is gezongen voor Amsterdam als brandpunt van den wereld- 
handel en tegeUjk als de tooverwereld, waar alle kunsten heen- 
snelden om met de pracht harer schoonheid die stad aan Amstel 
en IJ te siereu, die „als keizerin de kroon droeg van Europe". 

Met den lof der Overheid, die zulk een grootsch raadhuis 
behoefde en waardig was, vangt het gedicht aan. Uitvoerig 
worden dan de vroegere zetels der Stedelijke Regeering in 
aansluiting aan de geschiedenis van Amsterdams opkomst en 
vooruitgang beschreven, en ook de brand, die het vorig stad- 
huis in 1652 tot een puinhoop maakte. Dan volgt eene schil- 
derachtige beschrijving van deu Dam met alle hoofdgebouwen, 
die het nieuwe stadhuis omgaven: de St.-Katrynekerk, de 
Waag, de Vischmarkt en de Beurs, die met het Stadhuis 
samen maakten, dat de Dam in luister „niet behoefde te wijken 
voor Sint Markus plaets te Venetië, noch zelfs voor den vroegeren 
Campus Martius te Rome". Levendig is het tafereel, dat Vondbl 
vervolgens ophangt van het marktgewoel op den Dam, plas- 



390 vondbl's „inwydinge van 't stadthuis". 

tisch het beeld, dat hij geeft van de bedrijvigheid, waarmee 
de bouwstoffen op het Damrak gelost en de bouw van het 
stadhuis verricht werd, en ten slotte — slechts afgebroken 
door een overzicht van alle andere hoofdgebouwen, die Amster- 
dam bezat — nauwkeurig tot in kleine bijzonderheden toe, 
maar daarom niet minder dichterlijk, de beschrijving van 
Van Campen's grootsche schepping zelf. 

Om Vondel's opgetogenheid ten volle te begrijpen, moeten 
wij ons dat reusachtig en kostbaar gebouw denken, zooals het 
zich voordeed, toen het nog geheel nieuw was: eene statige, 
tot een harmonisch kunstwerk met talrijke Romeinsch-Korin- 
thische pilasters en festoenen omgeschapen, Bentheimer rots, 
met bleekgouden gloed glanzend in 't zonlicht, schitterend 
als gedreven zilver door het witmarmeren beeldwerk der van 
metalen, door Quellinus gemodelleerde en door de gebroeders 
Hemony gegoten, reuzenbeelden omgeven frontispiesen; aan 
de hoeken met blinkend vergulde keizerskronen versierd en 
aan den voorkant bekroond door den bevalligen toren met 
zijn door beelden omringd koepeldak, zijn koggeschip als wind- 
wijzer en zijn lieflijk klokkenspel: een overweldigend meester- 
werk inderdaad, door Vondel met kunstenaarsliefde verheer- 
lijkt ook verheerlijkt, zooals het van binnen door schil- 
der- en beeldhouwkunst samen op 't heerlijkst was getooid 
met die mythologische en allegorische zinrijkheid, waj^rop de 
zeventiende eeuw prijs stelde, omdat voor haar een kunstwerk 
zonder gedachte was als een mensch zonder geest. NatuurUjk 
verzuimde Vondel ook niet, melding te maken van de mozaiek- 
vloer der groote zaal, in drie globekaarten „twee weerelden" 
afbeeldend: „de hemelkloot en (de beide halfronden van) de 
aerdtkloot", waarop ook Huygens twee puntdichtjes maakte, 
maar die, voortdurend „met de voeten getreden", allengs 
jammerlijk zijn afgesleten. 

De schepping van zulk een grootsch ontworpen en weelderig 
uitgevoerd gebouw was in overeenstemming met Amsterdams 
vermogen: „'t een is hier 't ander waerdig: de stad een zulk 
stadhuis, 't stadhuis een zulke stad", zeide De Decker, en ook 
door andere dichters, zooals Rbyer Anslo en Jan Vos, die 
zelf als glazenmaker aan den bouw meewerkte, is het stad- 
huis bij zijne stichting of zijne inwijding, zelfs in zeer uit- 



LOF VAN STADHUIS, ZBBMAGAZIJN EN AMSTERDAMS VERQROOTING. 

voerige gedichten, verheerlijkt; maar waar zou het einde zijn, 
als wij die alle wilden bespreken? 

Alleen mag ik hier niet zwijgen van het bekende gedichtje 
van HüYGENS voor de „Doorlnchte Stichteren van 's werelds 
Achtste wonder, van soo veel Steens orahoogh, op soo veel 
Houts van onder'', dat hun, keurig door Cornelia Kalf gecal- 
ligrafeerd, in 1657 uit zijn naam door Jacob van der Burgh 
werd aangeboden en hun zooveel genoegen deed, dat zij het 
in burgemeesterskamer deden ophangen. Nog een negende 
wonder wist Pieter Rixtel in Amsterdam te vinden, namelijk 
de afbeelding, die Geeraert Berckheyde van het stadhuis schil- 
derde en waarvan hij half schertsend half ernstig zeide: »Het 
Aghste wonder staet, van steen gebout, aen 't Y; maer 't 
Negende is dat Aghste in dese schildery". 

Toen Van Campen in 1657 op zijn buitenverblijf Rande- 
broeck overleden en in de St. Joriskerk van hét naburige Amers- 
foort begraven was, werd tegen een pilaar bij zijn graf een 
gedenkteeken voor hem opgericht, waarop deze vierUng van 
Vondel te lezen is: „d' Aerts Bouheer, uyt de stam van 
Kampen, rust hier onder, die 't Raadhuys t' Amsterdam ge- 
boud heeft, 't achtste wonder". 

Wat na Van Campen's dood te Amsterdam van regeerings- 
wege verrees (want Philips Vingboons was daar de bouw- 
meester der meeste nieuwe woonhuizen in laat-renaissancestijl), 
was het werk van Daniël Stalpaert, en daaronder muntte het 
Admiraliteitsmagazijn bij de scheepstimmerwerf op Kattenburg 
uit, dat in 1658 voltooid was en ook door Vondel in een 
uitvoerig, reeds genoemd, gedicht „Zeemagazyn" schilder- 
achtig beschreven werd als „'t gezegent Magazyn, door Stal- 
paerts kunst gebouwt". Niet lang daarna werd de vierde 
uitlegging van . Amsterdam uitgevoerd, de laatste tevens vóór 
de kolossale uitbreiding der stad in de tweede helft der negen- 
tiende eeuw. De gordel, die Oud-Amsterdam omgeeft, werd 
toen geheel voltooid met het doortrekken van de drie hoofd- 
grachten van de Leidsche gracht af tot aan de Amstel en, 
aan de overzijde daarvan, tot aan de Plantage toe. Jan Vos, 
die in 1662 aan deze „Vergrooting van Amsterdam" een uit- 
gebreid en verdienstelijk, schoon grootendeels Vondel nagevolgd, 
dichtwerk wijdde, prees daarin „de wijsheidt van de krijgs- 



392 DB MUZIBK IN DB TWBBDB HBLFT DBB ZBVBNTIBNDB EBUW. 

bouwmeester Koek, 't vemufk van Zwaanenburg, vermaart 
door zijn gebouwen, en fiere wakkerheidt van Stalpaardt, om 
zoo kloek als kunstigh alles naar haar schetsen af te meeten". 
Zoowel bij het portret van Gerrit Barentsz. Zwaanenburg, in 
wiens „geest men de geesten van all* d'ouwen", namelijk van 
„out Atheen en Roomen", zag, als op dat van Daniël Stal- 
paert maakte Jan Vos ook nog een bijschrift. 

Over de, aan de poëzie nauwer dan eenige andere zuster- 
kunst verwante, muziek kunnen wij kort zijn, omdat wij er 
in verband tot de poëzie en vooral tot het lied voor de eerste 
helft der zeventiende eeuw hier en daar reeds genoeg van 
gezegd hebben, en de tweede helft der eeuw alleen van een 
treurig verval getuigt. Daarmee wordt niet beweerd, dat de 
beoefening van muziek en zang toen allengs zou verwaarloosd 
zijn, want aan dilettanten onder leiding van bekwame leer- 
meesters ontbrak het ook toen nog niet, vooral niet onderde 
jonge vrouwen. In het bijzonder te Dordrecht werd veel werk 
gemaakt van muziek en zang onder de leiding van Theodoor 
Tegelbergh, „een tweede Amphion", volgens Margarbta van 
GoDEWYCK, die „door syn gulde snaren kon droef heyt in de 
mensch en soete vreughde baren." Ook bleven vele van de 
oude liedboekjes in eere en verschenen er telkens nog weer 
nieuwe, als bewijs dat er in gezellige bijeenkomsten en bij 
feesten ook toen nog veel werd gezongen. Eene vergelijking 
echter van die nieuwe liedboekjes met de oudere valt zoozeer 
ten nadeele van het tweede gedeelte der zeventiende eeuw 
uit, dat het mij overbodig voorkomt, titels op te geven van 
liedboekjes, die bijna alle bekoring missen en waaraan slechts 
derden- en vierdenrangsdichters meewerkten. 

Daarbij kwam, dat de muziek zoo goed als alle oorspronke- 
lijkheid verloren had: de periode van nabloei der groote 
Nederlandsche toonkunst was omsti'eeks het midden der zeven- 
tiende eeuw afgesloten, toen ook Dirck Sweelinck gestorven 
was, die nog eenigen tijd de traditie van zijn grooten vader 
had voortgezet, doch meer als uitvoerder dan als schepper op 
muzikaal gebied. Fransche, Italiaansche en Engelsche muziek 
was bijna het eenige, wat men daarna ten gehoore bracht. 
Met zulke muziek werden op den schouwburg ook de niet 
zeldzame balletten begeleid; en ook de zangspelletjes, die tegen 



componisten; hbmony's klokkenspel. 393 

het einde der zeventiende eeuw zich tot ware operettes ont- 
wikkelden, hebben geen eigen nationaal karakter. Zij volgen 
alle den toon van LuUy. 

Verlangt men enkele namen van niet onverdienstelijke 
Nederlandsche componisten uit dezen tijd, dan breng ik in 
herinnering Anthoni van Noordt, organist eerst van de Nieu- 
wezijdskapel, daarna van de Nieuwe Kerk te Amsterdam, die 
in 1659 een „Tabulatuur-boeck van Psalmen en Fantasj'^en" 
uitgaf, den Amsterdamschen boekverkooper Cornelis de Leeuw, 
die „met snaargeluit den geest ten oore uitlokte", zooals het 
heet in een „Vreugdezang", dien zijn vriend Willem van 
Heemskerk hem bij zijn huwelijk toezong, Remigius Schrijver, 
organist en klokspeelder te Middelburg, die voor Oüdaen's 
„Psalmen" nieuwe muziek componeerde en bij zijn dood in 
1681 door dien dichter in een lijkzang betreurd werd als zijn 
vriend en medehelper bij het werk om aan de gewijde ge- 
zangen „haar volmaakt geluid" te verschafifen „naar eisch en 
zwier van eiken psalm", den Arnhemschen en Kampenschen 
organist Gisbert van Steenwick, en eindelijk nog den Deventer, 
later Hamburger organist en componist van een „Hortus 
Musicus", Jan Adamsz. Reincken. 

Afzonderlijke vermelding verdient nog het klokkenspel, met 
draaienden „speelton" of krachtig »göbeier", dat destijds eene 
groote verbetering had ondergaan door de meerdere voortref- 
felijkheid der volkomen toonzuivere klokken, toen gegoten 
door Franjois Hemony, „d' eeuwige eer van Loteringen, die 
't gehoor verlekkren kon op zijn fclokspijs en zijn nooten, ons 
zoo kunstrijk toegegoten", zooals Vondel in 1661 zeide in zijn 
gedicht „Op het klokmusyk t' Amsterdam." Met zijn broeder 
Pierre had hij zich eerst te Zutfen gevestigd, waar hij in 1644 
de klokken van den Wijnhuistoren goot ; maar in 1657 richtte 
hij met zijn broeder te Amsterdam op de Keizergracht bij 
het Molenpad zijne gieterij op, en daar voorzag deze „klok- 
helt", zooals men er maar „eens in duizent jaer" één te zien 
krijgt, de voornaamste kerken van Noord- en Zuid-Nederland 
en ook den stadhuistoren van Amsterdam van „hemelsch 
klockmuzijck, gelyck een luit of Swelings orgelpijpen en snellen 
cimbeltoon, met vingeren te grijpen." 

De klokken, door hem in 1660 aan de Oude Kerk te 



894 DB BBIERAARS 8ALOMON VBRBEBB: BN JACOB VAN NOORDT. 

Amsterdam afgeleverd, ter vervanging van de klokken, in 
1622 voor die kerk door Hendrick Aelke gegoten, werden 
voortrefifelijk bespeeld door den Groninger Salomon Verbeek, 
die ook beierman van Hemony's Regalierstorenklokken was 
en van wien Vondel schreef, dat hij „met voet en vingren 
klanken wist dooreen te slingren" en „d*allereelste kerkkoo- 
raelen verdoofde'* door „met klokken als cymbaelen te spelen." 
Zoo had dan de uitlegging van Amsterdam als 't ware „op 
muzijk van torenklokken" plaats. 

Ook de Beurs te Amsterdam bezat, tot 1668 toe, volgens 
Melchior Pokkens, „een ongemeen klokgespeel, daar alle daagh 
tot vermaak der wandelende kooplieden en andere kunstigh 
op gespeelt werd*' en wel door den organist van de Oude Kerk, 
Jacob van Noordt, wien Jan Dullaert in 1659 toezong: „Gy 
maakt, wanneer gy van de Beurs haar toren uw klokke-spel 
met hemelsmaak aan d'Amsterdamsche Jeugd laat hooren, 
haar door het zoet geluit zoo tam, alsof zij zaten in een droom." 

Zoo vinden wij dan alle kunsten, die zoo ruimschoots heb- 
ben bijgedragen om de zeventiende eeuw in onze geschiedenis 
tot eene glanspériode te maken, naar verdienste geëerd in de 
werken harer zusterkunst, de poëzie, die zich, zooals zij toen 
door Vondel en op zijn voorbeeld ook door anderen werd 
opgevat, de veelzijdigste aller kunsten toonde, gereed en ook 
in staat om het geheele rijke leven der 17de eeuw terug te 
tooveren voor onzen geest. 



XL VIII. 

Vondel als treurspeldichter. 

Voor Joost van Vondel was, al van zijn eerste optreden 
af, de poëzie geen spel, maar eene ernstige kunst, die zich 
öf met het bovenaardsche bezighield öf het aardsche van uit 
een hooger oogpunt deed bezien. Er is verheflBng in bijna 
alles wat Vondel schreef. Scherts is bij hem, schoon niet te 
eenemale ontbrekend, toch eene hooge uitzondering en behoudt 
dan nog meestal een edel karakter. Maakt hij eene enkele 
maal, zooals in sommige zijner hekeldichten, van de alle- 



vondkl's vbblzijdighbid als dichter. 395 

daagsche volkstaal gebruik om daardoor te meer den lachlust 
te wekken, dan is dat slechts eene krijgslist, die hij aanwendt 
om te zekerder te trefifen en niet omdat hij zelf in dien vorm 
behagen schept. Ook dan drijft hem verontwaardiging, en 
alleen aan die hekeldichten, waarin die verontwaardiging zich 
in ernstigen toon uitte, hechtte hij eene blijvende waarde. 
Het minnelied, zelfs in den ernstigen hoofschen vorm van 
Hooft, heeft hij ter nauwernood beoefend, ofschoon toch de 
liefde met den wellust, die haar van nature begeleidt, door 
hem naar waarde geschat werd, zooals overvloedig blijkt 
uit zijne vele bruilof tsdich ten, toonbeelden van einstige en 
kiesche, maar toch onverbloemde dichtbehandeling der huwe- 
Ujksliefde, ook van hare zinnelijke zijde. 

Sluiten wij den vroolijken, dartelen dichttrant uit, dan 
kunnen wij zeggen: er is geene enkele dichtsoort, waarin 
Vondel niet zijne krachten beproefd heeft en niet beter ge- 
slaagd is dan iemand zijner landgenooten. Als episch dichter 
hebben wij hem slechts in een enkel dichtstuk leeren kennen, 
maar als leerdichter in verscheidene dichtwerken, aanvankelijk 
meest emblemata en later schilderende of lofprijzende bij- 
schriften en eerdichten in groot aantal, maar vooral ook 
poëtische verhandelingen, waarin de dichterlijke beschrijving 
op den voorgrond treedt, doch waarvan ook het lyrisch 
karakter niet te miskennen valt. Maar als eigenlijk lierdichter 
is hij in zijne volle kracht, ook wanneer de alexandrijnen 
zijner lof- en zegezangen elkaar in breede stroomen volgen, 
schier zonder ons eenige oogenblikken van rust of verademing 
te laten; doch het meest in zijne kortere oden, waarvan de 
toon- en maatverscheidenheid ons bewondering afdwingt en 
de welluidendheid ons oor evenzeer boeit, als de rijkdom van 
denkbeelden onzen geest. 

Toch beschouwt Vondel zich zelf niet in de eerste plaats 
als lierdichter, maar als treurspeldichter. Hij is het met Ovidius 
eens, dat „hoe hoogh men drave in stijl en toon, het treurspel 
alleen de kroon spant," en wanneer hij zich zelf teekent in 
de bijschriften op zijne afbeeldingen, dan zegt hij, dat hij 
„leeft in treurdicht, verslingert op aeloude en blóende treur- 
tooneelen," dat hij „Lucifer zijn treurrol leert volspeelen" en 
„'t Grieksch en Roomsch tooneel in Neerlant pooght te 



396 vondel's ongewijde treurspelen. 

stichten". Terwijl hij één herdersspel schreef, heeft hij dan ook 
niet minder dan drieëntwintig treurspelen gedicht en er nog 
acht vertaald. 

Voor dertien zijner oorspronkelijke treurspelen koos hij 
bijbelsche onderwerpen, voor de andere tien, waarvoor hij dat 
niet deed, werd de stof hem meerendeels door toevallige om- 
standigheden aan de hand gedaan : wij hebben ze bijna alle 
reeds besproken, namelijk den Oysbreght van Aemstel (yeLU 1&S7), 
de Maria Staart (van 1646) en den Zungchin (van 1667), die 
onderwerpen uit de nieuwere geschiedenis ten tooneele voeren; 
de Maeghden (van 1639) en de Peter en Pauwels (van 1641) 
als legendestukken, en de stukken, waarvoor oude geschiede- 
nis of mythologie de stof leverden: Hvêrusalem verwoest (van 
1620), Palamedes (van 1625) en drie andere, die wij nog niet 
behandelden. 

Het eerste van deze is de Salmoneus (van 1657), waarin 
deze koning van Elis, door hoogheidswaanzin gedreven om 
zich als een god te doen vereeren, zijne gerechte straf onder- 
gaat, wanneer Jupiters bliksem de paarden van zijn zegewagen 
aan 't hollen brengt en „hy doot uut den wagen, de wagen 
aen stucken gesmeeten wort**: een stuk, dat Vondel schreef 
om den tooneeltoestel van zijn door de Regeering verboden 
„Lucifer** nog eens te kunnen gebruiken. In het tweede, den 
Faëton (van 1663), is het bekende verhaal van diens „reucke- 
loze stoutheit*', om met onervaren hand den zonnewagen te 
willen mennen, naar de Metamorphosen van Ovidius gedra- 
matiseerd; en in het derde, Batavische Gebroeders (van 1663), 
is eene enkele episode uit het leven van Claudius Civilis 
(hier Nikolaes Burgerhart geheeten) ten tooneele gebracht, 
namelijk zijn gevankelijk wegvoeren naar Rome door Fonteins 
Capito na het ter dood brengen van zijn broeder Julius Pau- 
lus. Zeer bekend is uit dit treurspel de heerlijke „rey van 
Batavische vrouwen'' geworden, waarmee h^t tweede bedrijf 
besluit, en waarin de schets, door Tacitus in zijne „Germania" 
van het eenvoudig en zoowel geestelijk als lichamelijk door 
en door gezonde leven van den nog niet „door vreemde heer- 
scHappy'* bedorven Germaan gegeven, door Vondel zoo mees- 
terlijk in zijne schilderachtige verzen is overgebracht, dat geene 
gouden eeuw ons door eenig dichter ooit dichterUjker is voor- 



vondel's bijbelschk treurspelen. 397 

getooverd, dan dat „gelukkig leven van den Duitschman" 
door Vondel. 

Van Vondel's bijbelsche treurspelen hebben wij het Pascha 
(van 1612) reeds behandeld; de overige zijn in chronologische 
volgorde: Gebroeders (van 1639) of de terdoodveroordeeling 
van Saul's zeven nakomelingen door David op raad van den 
hoogepriester Abjathar ten einde de bloedschuld te zoenen, 
die Saul door zijn moord der Gabaoners op de Israëlieten ge- 
laden had; Joseph in Doihan (van 1640) of de verkoop van 
Joseph door zijne broeders; Joseph in Egypten (van 1640) of 
Joseph's strijd tegen den hartstocht van Jempsar, de vrouw 
van Potiphar, geschreven als tegenhanger van Euripides' en 
Seneca's „Hippolytus"; Salomon (van 1648) of Salomon's ver- 
leiding tot afgoderij door Hiram's dochter Sidonia; Lucifer 
(van 1654) of de, eigenlijk niet bijbelsche, opstand van Lucifer 
tegen God; Jeptha (van 1659) of de uitvoering van Jeptha's 
„offerbelofte" door het slachten zijner dochter Ifis; Koning 
David in ballingschap (van 1660) of de tijdelijke nederlaag, 
aan David door zijn zoon Absolon toegebracht als straf voor 
zijn overspel met Berseba (Bathseba); Koning David herstelt 
(van 1660) of David's overwinning op en rouw over zijn zoon 
Absolon; Samson (van 1660) of de „heilige wraeck'', die de 
mishandelde richter ten koste van zijn leven op de Filistijnen 
neemt door hen en zich zelf onder het puin van den instortenden 
Dagonstempel te begraven ; Adonias (van 1661) of de mislukking 
der samenzwering, uit „rampzalige kroonzucht" door Adonias 
tegen zijn broeder Salomon gesmeed; Adam in ballingschap 
(van 1663) of „aller treurspeelen treurspel", namelijk de val 
der stamouders van het menschelijk geslacht na de door hen 
in het Paradijs zoo heerlijk gevierde bruiloft, geschreven onder 
den invloed van Hugo de Groot's „Adamus exul", en Noah 
(van 1667) of de „ondergang der eerste weerelt" na de ver- 
geefsche waarschuwingen, door den gestrengen boetprediker 
Noah gericht tot het goddelooze, door Achiman en Urania 
als grootvorst en grootvorstin van het Oosten beheerschte, 
geslacht van „reuzen en geweldenaeren". 

Door nog tot ver in het derde kwart der zeventiende eeuw 
bijbelsche treurspelen te dichten, wat toen in Noord-Neder- 
land door bijna niemand meer werd gedaan, bleef Vondel 



398 DB VBRHBYBNHBID DER BIJBELSTOF. 

getrouw aan de liefde zijner jeugd, toen Fransch treurspel en 
Latijnsch schooldrama door het dramatiseeren van bijbelstof 
de overlevering der middeleeuwen nog bleven handhaven, zij 
het ook in moderner vorm. Op deze, zoowel op de stukken, 
die hij in zijne prille jeugd te Keulen en te Utrecht had zien 
vertoonen, als op die, welke door de bekende geleerden en 
erkend vrome protestanten Buchanan, Schonaeus, Heinsius, 
Grotius, Van den Honert, Theodorus Beza en, ook reeds veel 
vroeger, door Gregorius Nazianzenus geschreven waren, beriep 
hij zich in het „berecht" vóór zijn „Salmoneus*', om de keus 
zijner onderwerpen als tooneelstof te rechtvaardigen. 

Uitgaande van de stelling, dat voor den treurspeldichter de 
verhevenste stof de beste is, moest hij wel „liever stof uit 
Móses onfeilbare als uit wereltsche historie of eenige heidensche 
verzieringe nemen", daar hij meende, zooals hij in de opdracht 
van zijn „Joseph in Dothan" zeide, dat „de heilige boven 
andere geschiedenissen altijt voor zich brengen een zekere 
goddelycke majesteit en aenbiddelycke eerwaerdigheit, die ner- 
gens zoozeer dan in treurspelen vereischt worden". Even ver ging 
bijbelstof de heidensche fabelen, naar zijne meening, te boven, 
als „de zonne des Heiligen Geestes alle Heidensche starren 
met haren glans uytdoet", en niemand kon dan ook beweren, 
dat zijne onderwerpen niet verheven genoeg waren. 

Wèl beweerden zijne tegenstanders, dat „geschiedenissen, 
beschreven met die zuivere en sneeuwwitte duiveveder" (d.i. de 
pen van den H. Geest), juist al te verheven waren om tot 
stof van tooneelspel te mogen dienen. Vondel zelf was er 
dan ook wel van overtuigd, dat bij het behandelen van bijbel- 
stof „een zonderlinge maetigheid en saechachtige eerbiedigheid 
onderhouden diende" en dat men geene wijziging in het bijbel- 
verhaal mocht brengen. In het „berecht" vóór zijn „Jeptha" 
sloot hij zich daarom ook aan bij Vossius' stelregel: „tgeen 
Gods boeck zeit, noodzaeckelijck, tgeen het niet zeit, spaer- 
zaem, tgeen hiertegens strijd, geensins te zeggen". Dat was 
uit een artistiek oogpunt een nadeel, want dat beperkte de 
vrije vlucht der verbeelding van den kunstenaar niet weinig, 
zooals Vondel zelf erkende; maar daartegenover stond het 
voordeel, dat „de tooneelstof kon vergoeden wat er somsmis- 



TREURSPELEN ALS EPISODEN DER WERELDQESCHIBDENIS. 399 

schien aen de vereischte hooghdraventheit des styls mocht 
ontbreecken". 

Voor Vondel nu is de bijbelstof geene reeks van gewijde 
verhalen, maar het groote epische verhaal der ontwikkeling 
van Gods wereldplan met de menschen, waarvan Lucifers 
opstand, de zondeval en de verlossing door Gods menschwor- 
ding de hoofdmomenten waren en het jongste gericht bij de 
wederkomst van Christus de slotscène zou uitmaken. Van die 
hoofdmomenten zijn er door Vondel in zijn „Lucifer** en 
„Adam in ballingschap" twee ten tooneele gebracht, en onder 
al zijne treurspelen bekleedden deze beide dan ook, naar zijne 
meening, wat de behandelde stof betreft, de eerste plaats. Doch 
ook in zijne andere treurspelen, evenals in deze twee, wordt 
vertoond, hoe de booze geest, in Lucifer en zijne trawanten 
verpersoonlijkt en in de menschen gevaren, er naar streeft, 
de verwezenlijking van Gods wereldplan te verijdelen, maar 
daardoor juist het werktuig wordt in Gods hand, om dat 
grootsche plan tot uitvoering te brengen: het is de geest, die 
steeds het booze bedoelt en steeds het goede bewerkt. Zooals 
men ziet, hebben al Vondel's bijbelsche treurspelen wezenlijk 
hetzelfde karakter als het oude mysteriespel, maar in moderner 
vorm, zoodat men er hetzelfde van kan zeggen als van Cal- 
deron's „autos sacramentales", namelijk dat het mysteriespel 
daarin tot zijne hoogste ontwikkeling is gekomen, als de 
volmaaktste kunstuiting eener godsdienstige wereldbeschouwing, 
die nu echter bezig is in den strijd met eene andere wereld- 
beschouwing door deze te worden verdrongen. 

Terwijl nu ieder onderwerp uit de bijbelsche geschiedenis 
een wezenlijk deel uitmaakt van de geheele wereldgeschiede- 
nis, die daarom de kolossale achtergrond is voor elk van 
Vondel's treurspelen, is tegelijk ook iedere afzonderlijke ge- 
schiedenis, losgemaakt uit het groot geheel, eene afspiegeling 
in 't klein van hetgeen de wereldgeschiedenis in het groot te 
aanschouwen geeft. Als zulke afspiegelingen of typen hadden 
in de middeleen wsche mysteriespelen de Oud-testamentische 
verhalen ook reeds dienst gedaan, en bij Vondel bleven zij 
denzelfden dienst verrichten. 

Dat in het „Pascha" de uittocht der kinderen Israëls uit 
Egypte voor Vondel de afspiegeling was van de Verlossing 



TYPOLOGISCH BN STICHTELIJK KARAKTER VAN VONDEL'S TREURSPEL. 

des menschdoms uit de slavernij der zonde, hebben wij reeds 
opgemerkt. Zoo is ook Joseph het zinnebeeld van Christus: 
ter dood veroordeeld, verkocht, in den put begraven, maar 
verrezen uit den duisteren afgrond als een feniks uit zijne 
asch, en den stam der Hebreeën voorgegaan naar het land, 
waar hij, als vorst in al zijne heerlijkheid tronende, ook 
woonplaats zou verschaffen aan zijne ouders en broeders. Zoo 
herinnert David, na zijne overwinning op Goliath feesteUjk 
ingehaald door „gansch Jerusalem", aan Jezus' intocht op 
Palmzondag, en David, „*s rijx heilant", genoodzaakt in 
ballingschap te gaan, omdat „zijn dischgenoot zijnen heer 
durfde verraden", aan den Heiland der menschen, door Judas 
verraden en naar Golgotha uitgeleid. Zoo „overwint Samson 
de vyanden door zyn doot tot een voorbeelt van den beloofden 
Verlosser", en sterft ook Ifis, Jeptha's dochter, als zoenoffer, 
zooals later ook Jezus sterven zou. Zoo blijkt dan, om met 
Vondbl's eigen woorden uit de opdracht van zijn „Jeptha" 
te spreken, „het heilighdom des bybels behangen met beelden, 
die Messias, hooghgewijt, uitbeelden en gemoeten met ver- 
langen, eer hy verschijnt ten offer op zijn tijt". 

Als episoden uit het groote werelddrama, waarin God de 
eigenlijk handelende persoon is en de menschen de zich vrij 
gevoelende werktuigen zijn óm zijne beschikkingen uit te 
voeren, hebben VondeVs treurspelen reeds op zich zelf een 
stichtelijk en daardoor ook moreelopvoedend karakter. God 
zelf treedt (behalve in het „Pascha") bij Vondel niet meer 
ten tooneele, zooals in de mysteriespelen, maar wèl treden 
daarin zijne vertegenwoordigers in zijn naam op, zooals de 
aartsengelen Gabriël, Rafaël en ten slotte Michaël in den 
„Lucifer", en eveneens de engelen in den „Adam in balling- 
schap", zooals verder Noah in het gelijknamige treurspel en 
hoogepri ester of profeet in andere stukken. In „Salomon" en 
„Adonias" ziet men de gevolgen van Gods toorn over Davids 
misdrijf, door Nathan in naam van God uitgesproken, toen 
hij tot dien koning zeide : „Het zwaert zal in der eeuwigheit 
van uwen huize niet aflaten. lek zal een ongeluck uit uwen 
huize tegens u verwecken^'. Trouwens Davids ballingschap 
zelf is reeds eene straffe Gods. In de „Gebroeders" voldoet 
David, op raad van den hoogepriester, aan den eisch, dien 



DIDACTISCH KARAKTER VAN VONDBL'S TREURSPEL. 401 

God door het veroorzaken van langdurige droogte en hongers- 
nood had te kennen gegeven. In den „Samson" is het weder 
God, die geene andere goden voor zijn aangezicht duldt en 
daarom den gevangen Israëlietischen richter met zoodanige 
kracht begiftigt, dat hij in staat is, den Dagonstempel der 
Filistijnen te verwoesten. Zoo leeren Vondel's treurspelen in 
het algemeen „rechtvaerdigheid betrachten en geen godheid te 
verachten'*. 

Bovendien echter houdt ieder stuk dikwijls nog eene afzonder- 
lijke leering in. „Salomon" en „Samson" bv. „waerschuwen 
de jongkheit, als met vierbakens, door d' ongelucken en rampen, 
waerin zy vervielen, die de wulpsche lusten den vollen toom 
gaven": immers, heet het aan *t eind van den „Salomon", 
„wie Godt verlaet en eert den Wellust boven Godt, verbeurt 
zyn kroon en wort zyn vyants schimp en spot". Van „David 
in ballingschap" heet het: „Een goude kroon op het hooft 
te willen draegen, als Absolon, of de korte wellust van een 
schoon vrouwenbeelt te genieten, als David, wat staenze zoone 
en vader dier!" en hét slot van „David herstelt" leert, hoe 
„Godts vloeck den zoon treft, die d'ouders durft onteeren". 
„Joseph in Dothan" en „Adonias" stellen al de gruwelijkheid 
van broedertwist in het licht; zoodat Vondel met recht in 
zijne „Inwydinge van 't stadthuis" van den Schouwburg, zooals 
hij dien wenschte, mocht zeggen: 

„De Schouwburgh plant en stampt de zeden in de jenght, 
Ontmomt de weerelt, leert welspreeckentheit en deught 
En w^sheit, nitgebeelt door rol en personaedje, 
Gelaerst of lichtgeschoeit gevoert op haer stellaedje". 

De leerzame episoden uit het stichtelijk en verheven wereld- 
drama worden in Vondel's ti*eurspelen ten tooneele gebracht 
als „spreeckende tooneelschilderyen", waardoor „al 't weerelt- 
lyck beloop naer 't leven afgeschildert" wordt, of als „geestigh 
getekent tapytwerck", waarop „hartstoghten, onderling aen 't 
barrenen, aen 't woelen, zich ontvouwen gelyck de verwen 
met de naelt of schietspoel", zooals de dichter in zijn „Sam- 
son" doet zeggen. Daar „beelden de personaedjen, elck volgens 
heuren staet ingekleet en gelijck vermomt, door stemmen en 
gebaer eene historie uit". 

n 26 



402 DK VBRTOONINGEN IN VONDEL's TREURSPELEN. 

Dat „uitbeelden" kon gedeeltelijk, zooals ook reeds in de 
middeleeuwen, in letterlijken zin met levende beelden of 
verven geschieden door de in de stukken ingevoegde ver- 
tooningen. In den „Sofompaneas" ziet men in het derde be- 
drijf „uytnemende schilderyen", door Pharao in de galerij 
geplaatst „om Josephs vorige wedervaren, Pharoos droomen 
en gesichten en den welgeschickten staet van Egypten, die 
anders niet konden op het toonneel komen", voor den geest 
te brengen. In het vierde bedrijf van de „Gebroeders" ziet 
men „de vertooning daer de gebroeders hangen", ten over- 
vloede door eenige versregels verklaard. In het laatste bedrijf 
van de „Maria Stuart" zou men, als het stuk vertoond was, 
„het lijck door d'opene gordijnen" gezien hebben „en Joflers 
daer rondom, die by de lijcktorts quijnen". Dat in den „Sal- 
moneus" drie van zulke vertooningen gegeven werden, blijkt 
uit het drietal vierregelige versjes, ter verklaring daarvan 
door Vondel gemaakt. Ook is het hoogstwaarschijnlijk, dat 
nagenoeg dezelfde vertooning, die wij nu nog altijd aan het 
eind van het vierde bedrijf van den „Gysbreght" zien, ook 
reeds in Vondkl*s eigen tijd daar te zien is geweest. 

Het, grootendeels allegorische, „tableau yivant**, dat Ifis' 
offer door haar vader in den „Jeptha" voorstelde, was op 
Vondel's verzoek door Jan Vos ontworpen en werd door hem 
ook beschreven en van een zesregelig bijschrift voorzien. Voor 
Vondel 's „Lucifer" ontwierp Jan Vos drie vertooningen, die 
de paradijsgeschiedenis voorstelden en die men beweeglijke 
tafereelen zou kunnen noemen, omdat er ook op droeve en 
blijde muziekwijzen in gedanst werd. Eene beweeglijke ver- 
tooning zal in het vierde bedrijf van den „Joseph in Dothan" 
het voorbijtrekken van de karavaan der Arabische kooplieden 
geweest zijn, en in het vierde bedrijf van den „Salomon" de, 
door schrikkelijk gedonder en gebliksem verstoorde, ofFerstaatsie 
van Astarthe, voor welk tafereel misschien Lastman's „OflFer- 
staetsi van Lystren" het voorbeeld is geweest". In den „Sam- 
son" ziet men tegen het eind van het vierde bedrijf „den 
grooten ommegangk, ge viert met spel en zangk en in Dagons 
naem begonnen", zooals de Aertspriester dien vooraf beschrgft, 
vóór hij onder het zingen der „kooraelen" werkelijk plaatsheeft. 

Deze en andere pompeuze vertooningen behoorden bij 



HET PLASTISCH KARAKTER VAN VONDBL'S TREURSPEL. 403 

Vokdkl's treurspelen, waarvan zij den indruk ongetwijfeld 
versterkt hebben, zoodat het eene dwaasheid zou zijn, ze weg 
te laten bij het opnieuw vertoonen van die stukken in onzen 
tijd, waarin de regie over nog zooveel betere hulpmiddelen 
te beschikken * heeft, dan in Vondel*s dagen. Kenmerkend 
voor die treurspelen echter zijn zij niet, omdat ook zoovele 
andere tooneeldichters zich daar toen van bedienden. Terwijl 
anderen echter grootendeels aan die vertooningen den bijval 
dankten, die door het poëtisch gehalte hunner stukken dikwijls 
moeielijk zou kunnen verklaard worden, streefde Vondel er 
naar, stukken te schrijven, die ook bij lezing of voordracht 
alleen in staat waren indruk te maken en te bekoren, zij het 
ook in mindere mate dan bij de vertooning, waarvoor zij 
bestemd waren. 

Wel was ook hij er van overtuigd, dat „het zien meer de 
harten beweeght dan het aenhooren en verhael van het ge- 
beurde", maar hij meende toch ook, dat „de toestel destreur- 
handels zoodanigh behoorde te wesen, dat die maghtigh ware 
alleen door het aenhooren en lezen medoogen en schrick uit 
te wercken". Hij is er dan ook vooral op uit geweest, door 
den aard zijner poëzie eene zoo groote aanschouwelijkheid aan 
zijne treurspelen te geven, dat zij desnoods ook zonder ver- 
toond te worden konden genoten worden als tooneelstukken 
of, zooals hij het noemt, als „ooghmuzyck", als woordschilde- 
ringen. Hij wenscht, dat zijne alexandrijnen zullen zijn „gelyck 
uithefiTende schilderyen, rijck gestoffeert en doorwrocht", zoodat 
de lezer in zijne verbeelding ziet, wat de toeschouwer op het 
tooneel in werkelijkheid te zien krijgt, ja, eigenlijk nog veel 
meer, ook wat daar niet vertoond kon worden. 

In al zijne stukken kan men grootsche tafereelen geschilderd 
vinden, zooals, om slechts enkele voorbeelden te noemen, in 
den „Palamedes" het tafereel der steeniging van den onschuldig 
veroordeelden held, in den „Gysbreght", de diie tafereelen 
van strijd en plundering door Arent, Gysbreght en den Bode 
vertoond, in den „Joseph in Dothan" het tafereel van Jacobs 
rouw bij het ontvangen van de doodstijding zijns geliefden 
zoons, in den „Lucifer" van den heroïschen kamp in het 
luchtruim door Michaëls en Lucifers heerscharen gestreden, 
in den „Samson" van het Dagonsfeest en het daverend in- 



404 yondbl's treurspelen zijn woordtafbrbblen. 

eenstorten van den Filistijnschen afgodstempel, in den „Adam 
in ballingschap" van den vemikkelijken hof Eden, in den 
„Noah*' van den zondvloed, zooals Noah dien als profeet 
afschildert, waarop dan in het lied der Joffers een geheel 
ander tafereel volgt, het bekende bekoorlijke schilderijtje van 
„de swaen, dat vrolyke waterdier, noit zat van kussen". 
Wij zien haar vóór ons, zooals zij „nestelt op den vloet en 
haere eiers kipt'^ en zooals zij, terwijl „vlieghende jongen mé 
zwemmen door stroom en zee, groeit in 't levendigh element, 
de veeren wast en spansseeren vaert tot 's levens endt". „Ster- 
vende zingt ze noch een vrolyck liet; haer flaeu gezicht zoeckt 
noch eens het licht, den bruitschat, van de natuur te leen 
aen elk gegeven om bly te leven: zoo vaert ze heen". 

Zulke tafereelen, schitterend van coleriet of aanschouwelijk 
als marmerreliefs van grooter of geringer omvang, kan men 
telkens in een treurspel van Vondel aantreffen : woordtafereelen, 
in karakter en kunstwaarde te vergelijken bij de kleurtafereelen 
van Rubens' schilderijen en bij de beeldtaf ereelen van Quellinus' 
meesterwerken; ja, men zou een treurspel van hem over het 
algemeen wel kunnen kenmerken als eene harmonisch aaneen- 
geschakelde rij van beeldengroepen, die, elkaar afwisselend, 
samen in een groot beweeglijk beeldwerk eene geschiedenis 
voorstellen in den letterlijken zin des woords. De kalme rust 
en plechtige majesteit, door Vondel daarmee aan zijne stukken 
verleend, zou misschien te veel van aandacht en verbeelding 
zijner toeschouwers geëischt hebben, indien de dichter geene 
afwisseling in zijne treurspelen had weten te brengen door 
verschillende tooneeltjes vol beweging en werkelijkheid, uit- 
muntend door levendigen, dikwijls geestigen, dialoog; want 
Vondel is, ondanks de verhevenheid zijner gedachten, een 
realist in merg en been, die niet alleen zijn geest door boeken- 
studie voedde, maar ook door opmerkzaam rond te kijken in 
het woelig menschenleven, zooals dat in eene bedrijvige stad 
als Amsterdam zich in de grootste verscheidenheid voordeed. 

Eindelijk zijn ook nog de reizangen een wezenlijk, onmis- 
baar bestanddeel van Vondel's treurspelen. Zijne hooge be- 
gaafdheid als lierdichter komt nergens meer uit dan daar; 
maar toch mag men ze niet op zich zelf, alleen als liederen, 
beschouwen, daar eerst in verband tot den geheelen inhoud 



DK REIEN IN VONDEL's TREURSPELEN. 405 

van het treurspel hunne volle beteekenis kan worden gevoeld 
en genoten. Men kan verder gaan en zeggen : wie de reizangen 
wegliet, zou den geest der treurspelen niet kunnen begrijpen, 
want zij leeren ons, hoe wij de handeling hebben op te vatten. 
Slechts nu en dan nemen zij aan de handeling deel, maar 
meestal staan zij er naast, om den indruk te vertolken, dien 
de handeling op den toeschouwer moet maken, en hem te 
helpen om het verloop der geschiedenis uit een hooger oogpunt 
te bezien, dan de handelende personen zelf kunnen doen. 

Dat zij in Vondel's eigen tijd gezongen zijn, kan niet meer 
betwijfeld worden; maar ook bij deze reien heeft Vondel 
getracht de poëzie zooveel mogelijk onathankelijk te maken 
van de muziek, ofschoon hij er ten volle van overtuigd was, 
dat zij, „geoefent door eenen groeten Orlando, onder het 
speelen d'aenschouwers eene hemelsche gelyckluydentheit van 
heilige galmen laeten hooren, die alle deelen der goddelijcke 
zangkunste in hunne volkomenheit zoodanigh bereickt, dat ze 
de zielen buiten zich zelve, als uit den lichame, verruckt, en 
ten volle met eenen voorsmaeck van de geluckzaligheit der 
engelen vergenoeght". Toch, ofschoon de toovermacht van 
muziek en zang onvoorwaardelijk erkennend, heeft Vondel 
er zich op toegelegd, zijne reien zóó welluidend te maken, 
dat zij, ook ongezongen, zouden klinken als muziek. 

De reien treden bij Vondel, zooals ook bij anderen, alleen 
op aan het eind van ieder bedrijf behalve het laatste. Tot op 
het jaar 1639 heeft hij er nog geen bepaald type voor aan- 
genomen en worden de reien ook nog door verschillend soort 
van personele gezongen, bv. in den „Gysbreght" in het eerste 
bedrijf door Amsterdamsche Maeghden, in het tweede door 
Edelingen, in het derde door Klaerissen en in het vierde 
door Burghzaten. Sedert 1639, voor het eerst met het treurspel 
„Maeghden", is het steeds dezelfde rei, die aan het slot van 
ieder bedrijf optreedt, zooals in „Maeghden" zelf een rei van 
Agrippiners, in „Gebroeders", in „Salmoneus'' en in „Zungchin'' 
een rei van priesteren, in de beide „Joseph's", in „Adam in 
ballingschap" en in „Noah*' een rei van engelen, in „Maria 
Stuart'* een rei van staetsjoflFeren en in „Adonias" een rei 
van hoQoflFeren, in „Faëton" een rei van „uuren''. Meestal 
bestaat die rei uit een zang, een tegenzang en een toezang; 



406 * vondel's reien; beneca's invloed. 

soms zijn er twee of drie zangen en tegenzangen; meermalen, 
vooral in de latere stukken, ontbreekt de toezang. Eene enkele 
maal vindt men den rei afgewisseld door of in beurtzang met een 
solo, zooals de rei der Batavische vrouwen in de „Batavische 
Gebroeders*' en de reien in „Salmoneus" en „Lucifer". In het 
laatste stuk treedt tegenover den rei der getrouwe engelen, 
maar niet aan het eind der bedrijven, een tweede rei, die der 
Luciferisten, op. Bovendien heeft men in sommige treurspelen 
lyrische gedeelten, die vermoedelijk als solo of koorzang ge- 
zongen of althans met muziekbegeleiding gesproken zijn. 

Vondel's reien nfunten niet alleen door rijkdom van ge- 
dachten, beeldrijkheid van voorstelling en aan geleerdheid 
grenzende kennis uit, maar treffen ons vooral door de groote 
verscheidenheid van steeds welluidenden rhythmus en zinrijken 
strophenvorm : zinrijk, omdat hij meestal zoo geheel past bij 
de gedachten, die er in geuit worden, en bij den geest der 
handeling, die door den reizang besloten wordt, zooals inder- 
tijd door Nicolaas Beets op overtuigende wijze is aangetoond. 

De vereeniging van vertooning en zang hebben Vondel's 
treurspelen dus met het oude mysteriespel gemeen; maar 
toch valt bij Vondel's reizangen slechts zeer in de verte aan 
de koorzangen der mysteriespelen te denken : bij hem besluiten 
zij de bedrijven in navolging van hetgeen de tragedie van 
Seneca in de Europeesche letterkunde had ingevoerd. Aan 
Seneca toch en zijne moderne navolgers, zooals Hooft, heeft 
Vondel voor zijne treurspelen tameUjk veel ontleend, vooral 
toen hij daarvan studie genoeg had gemaakt om twee stukken 
van Seneca, de „Troades" in 1625 onder den titel van De 
Amsterdamsche Hecuba en de Hippolytus in 1628 te kunnen 
vertalen. Ook in eenige andere stukken van Vondel komen 
langere of kortere reeksen van versregels voor, die met meer 
of minder vrijheid naar Seneca vertaald zijn ; doch bovendien 
was het Seneca*s invloed, die er Vondel toe bracht, in menig 
stuk een, ook reeds bij de Grieksche tragici voorkomenden, 
Bode in te voeren, namelijk in zijn „Palamedes", zijn „Gys- 
breght', zijn „Maeghden", zijn „Koning David in balling- 
schap" en zijn „Samson". Op Seneca's voorbeeld deed Vondel 
ook eene Voedster optreden in zijn „ Joseph in Egypten" en*in 
zijne „Maria Stuart", maar daar onder den naam van kamenier. 



sbneca's invloed op vondel, 407 

Tot het invoegen van droomverhalen, zooals er door Bade- 
loch in den „Gysbreght" en door Jempsar in den „Joseph 
in Egypten*' worden gedaan, werd Vondel evenzoo door 
Seneca gebracht, die bijzonder ingenomen was met geestver- 
schijningen, zooals wij er dan ook vele evenzeer bij Vondel 
als bij Shakespeare aantreffen. In „Maeghden" verschijnende 
geesten van Sinte Ursel en St. Aethereus, in „Zungchin" de 
geest van Franciscus Xaverius en in „Koning David in balling- 
schap' ' Urias' geest. Booze geesten, die evenals Seneca's wraak- 
godinnen en andere heibewoners uit den afgrond der hel 
komen oprijzen, zijn bij Vondel Sisyphus in den „Palamedes", 
Simon de toveraer en Elymas in „Peter en Pauwels'', Lucifer 
in „Adam in ballingschap" en ApoUion in „Noah". Deze 
laatste opent daar het stuk met eene lange alleenspraak, zoo- 
als men er ook bij Seneca verscheidene aantreft. Die van 
Palamedes, Gysbreght en Dagon (in den „Samson"), die bijna 
het geheele eerste bedrijf innemen, zouden wel redevoeringen 
in verzen mogen heeten. Ook op het eind van Seneca's en 
dientengevolge ook van Vondel's treurspelen komen soms 
lange toespraken voor, door goden (zooals Neptunus in „Pala- 
medes") of door engelen gehouden om de gevolgen der in het 
stuk voorgestelde handeling, meestal de wraak Gods, te voor- 
spellen. 

Zulke lange toespraken werkten er toe mee om aan de 
tragedies van Seneca een rhetorisch karakter te geven, waar- 
van Vondel's treurspelen dan ook evenmin geheel zijn vrij 
te pleiten, tegenover de stukken der Grieksche tragici, van 
welke alleen Euripides soms, maar in veel minder mate, tot 
rhetoriek en tot daarmee zoo nauw verwante gezwollenheid en 
koude woordenpraal vervalt. Evenals Seneca te groote woorden 
gebruikt, is hij er ook op uit, te groote gruwelen te vertoonen, 
die meer griezelig dan wezenlijk treffend zijn ; maar door hem 
daarin niet te volgen onderscheidt Vondel zich gunstig van 
zijne meeste tijdgenooten met hunne inderdaad al te bloe- 
derige treurtooneelen. Hij hield er niet van, zooals hij in 
het „berecht" vóór zijn „Jeptha" zegt, „wanschape en gruw- 
zame wreetheden te vertonen, en misgeboorten en wan- 
schepsels door het ontstellen van zwangere vrouwen te 
baren." Van alle personen in Vondel's vele treurspelen sterft 



408 INVLOED DfiB ORIKKSCHB TRAGEDIE OP VONDEL. 

alleen Arent in den „Gysbreght" op het tooneel voor de oogen 
der toeschouwers. Met Horatius was hij het eens, dat men het 
sterven zelf niet moest vertoonen „om ongeloof waerdigheit te 
schuwen." Wel krijgt men in enkele zijner stukken in eene 
vertooning de lijken te zien van hen, wier dood niet vertoond, 
maar alleen verhaald was. 

Om waarheid was het Vondel in zijne bijbelsche treurspelen 
dan ook bovenal te doen; en hij kon waar zijn, omdat hij 
onvoorwaardeüjk geloofde aan de realiteit der bijbelsche ver- 
halen, zooals Sophocles geloofde aan de waarheid der mythen, 
die hij ten tooneele bracht, terwijl Seneca, die als Stoïcijn in 
de goden niet meer dan ijdele schimmen, in de mythen niet 
anders dan ongeschiedkundige fabels kon zien, het gevaar niet 
kon ontgaan om overdreven voor te stellen, wat hij toch maar 
voor gewrochten van verbeelding hield, en uit ongeloof aan 
de grootschheid en verhevenheid zijner dichtstof met groote 
woorden en gruwehjke daden zekere schijn-grootschheid te 
geven aan hetgeen hij persoonlijk niet meer als verheven kon 
gevoelen. 

Geen wonder dus, dat, toen Vondel eenmaal kennis ge- 
maakt had met de Grieksche tragici, Seneca voor hem niet 
meer het groote voorbeeld van den tooneeldichter kon blijven, 
al heeft hij ook daarna nog wel het een en ander aan hem 
ontleend. De Elektra, door De Groot Sophocles' meesterstuk 
genoemd en daardoor reeds op zich zelf bij hem aanbevolen, 
schijnt het eerste Grieksche treurspel geweest te zijn, dat hij 
meer dan oppervlakkig leerde kennen. Joan Victoryn „prickelde 
hem menighmael" het stuk te vertalen, en met de hulp van 
Isaac Vossius volbracht hij dat moeielijke werk in 1639. 
Jaren gingen er nu voorbij, voor hij zich weder aan het 
vertalen van een Grieksch treurspel of althans aan het uit- 
geven van zulk eene vertaling waagde. In 1660 verscheen 
zijne vertaling van Sophocles' Koning Edipus, en nog eenige 
jaren later bracht hij ook een paar stukken van Euripides 
over, nameUjk lügenie in Tauren in 1666 en Fenidaensche of 
gebroeders van Thebe in 1668, waarop nog in hetzelfde jaar de 
vertaling van Sophocles* Herkules in Trojchin de reeks zijner 
vertalingen van Grieksche treurspelen besloot. 

Afgezien van „Hippolutus den Kroondrager'*, door Jacob 



INVLOED DER ORIBKSCHB TRAGEDIE OP VONDEL. 409 

ViNCK in 1671, waarvan het laatste gedeelte stukken bevat, 
die vrij vertaald zijn naar Euripides, kan men zeggen, dat 
in de zeventiende eeuw Vondel de eenige geweest is, die 
Grieksche treurspelen in het Nederlandsch heeft overgebracht 
en daarmee getoond heeft, hoever hij zijn meesten tijdgenooten 
vooruit was. Immers, hij was tot de overtuiging gekomen (of 
door Lipsius en Grotius daartoe gebracht), dat de Grieksche 
treurspelen als kunstwerken ver boven die van Seneca uitmunten. 
Reeds in 1639 had hij van de „Elektra" met het oog op Seneca 
gezegd: „walgelijcke opgeblaezenheid, waervan Griecken en 
Latynen hoe aelouder hoe vryer zijn, heeft hier nergens plaets ; 
oock geen wispeltuurigheid van stijl" ; en later gaf hij meermalen 
zijne voorkeur voor de Grieksche treurspelen boven die van Seneca 
te kennen, het duidelijkst in de opdracht van zijn „Herkules 
in Trachin", waarin hij zeide: „Wie dit treurspel in de weegh- 
schaele van een bezadight oordeel tegen den dollen, ook 
Eteeschen, Hercules van Seneca naeukeurigh opweeght, zal 
wel bevroeden, hoe de Latynsche speelen van geleertheit 
gepropt zijn, maer, boven hunne kracht gespannen staende, 
met luit roepen en stampen de Griecken poogen te verdooven, 
die ondertusschen hunne natuurlijcke stem bewaeren en, 
gelijck afgerechte musikanten, met kennisse begaeft, op de 
vereischte maet de stem naer den zin der woorden weeten ta 
verheffen en te laeten daelen en hierom op den Zangbergh 
den prijs by d'allerwijste keurmeesters behouden". 

Men ziet hier meteen, wat het was, dat Vondel van de 
Grieken geleerd heeft, namelijk eenvoudigheid en natuurlijk- 
heid. Allengs was hij aan de gekunstelde school van Ronsard 
ontgroeid en meer en meer doorgedrongen in den geest van 
het meest classieke der classieke kunst. Naarmate hij ouder 
werd, was hij eenvoudiger geworden in het te pas brengen 
van zijne omvangrijke kennis en natuurlijker in zijn taalge- 
bruik, zonder iets van zijne beeldrijke dichterlijkheid te ver- 
liezen, noch tot de platheid van de alledaagsche omgangstaal 
te vervallen; want waar men hem later soms platheid van 
woordenkeus heeft te laste gelegd, heeft men gewoonlijk ver- 
zuimd te bedenken, dat ook de taalkleur zich allengs wijzigt 
en dat, wat nu soms plat en alledaagsch klinkt, in vroeger 
tijd nog volstrekt niet eveneens behoeft geklonken te hebben. 



410 VOMDBL's ONDBRWSRPING aan het OBZAQ van ARISTOTELE8. 

Onder den invloed der Grieken is ook de dialoog bij hem 
dikwijls levendiger en geestiger, de karakteristiek fijner ge- 
worden en is er meer waarheid en natuurlijkheid gekomen 
in de manier, waarop zijne personen spreken en zich gedragen, 
al bewijzen zijne oudere stukken ook, dat reeds zijne persoonlijke 
neiging het hem gemakkelijk maakte, die richting op te gaan. 

Vondel was er de man niet naar om, ondanks zijne om- 
vangrijke vertaaloefeningen, bij zijne oorspronkelijke werken 
de modellen van anderen slaafs na te bootsen, maar evenmin 
om uitsluitend op eigen wieken te willen drijven. Ook als 
kunstenaar had hij behoefte aan een gezag. Hij hield niet vau 
wat hij ergens „meesterlooze schooien" noemt; maar Ue£st 
erkende hij een gezag, dat zich in den vorm van een theore- 
tisch stelsel voor het verstand wist te rechtvaardigen. Geen 
zijner voorgangers of tijdgenooten onder de Nederlandsche 
dichters heeft er zich ijveriger op toegelegd dan hij, om zich eene 
volledige kunstleer eigen te maken, waarnaar hij kon werken 
en waarop hij zich kon beroepen. In de opdrachten of be- 
richten vóór zijne treurspelen spreekt hij telkens daarover, 
maar nergens uitvoeriger dan in het „berecht" vóór zijn 
„Jeptha", waarin hij zijne geheele kunstleer van het treurspel 
uiteenzet, omdat hij juist in dat treurspel een voorbeeld wilde 
geven van een tooneelstuk, dat volkomen aan alle eischen 
der dramaturgie beantwoordde. 

In hoofdzaak sloot Vondel zich bij Aristoteles en diens uit- 
leggers aan, en wanneer hij van hem afwijkt — wat in zijne 
eerste stukken niet zelden gebeurt, omdat hij toen die kunst- 
leer nog niet nauwkeurig genoeg kende en wist toe te paasen - 
dan geschiedt dat bij zijne latere stukken alleen, omdat hij 
Aristoteles te veel als wetgever, te weinig als empirisch ver- 
slaggever der bestaande dramatische litteratuur beschouwde 
en hem, ook daardoor, niet altijd even goed begreep, of ook 
omdat eerbied voor het bijbelverhaal andere eischen aan hem 
stelde. Blijkbaar heeft hij Aristoteles' werkje over de poëzie 
ook in het oorspronkelijke bestudeerd, maar groot is boven- 
dien ook het aantal van door hem vermelde aesthetische 
verhandelingen van anderen over Aristoteles, die hij gelezen 
heeft, en daaronder in de eerste plaats de werken van Gerard 



VONDEL EN DE ARISTOTELISCHE KUN8TLBER. 411 

Vossius over de poëzie en de verhandeling van Daniël Hein- 
sius „de tragica constitutione". 

VoNDBL Ls het geheel eens met de definitie, die Aiistoteles 
aldus van de tragedie geeft: „zij is een afgerond geheel 
van bepaalde lengte [tegenover het epos, waarvan de omvang 
onbepaald is], waarmee in rhythmisch geordende woorden door 
ten tooneele tredende personen eene verheven handeling wordt 
voorgesteld, die begint met [bij den toeschouwer] deernis [met 
den held] en huivering [bij de gedachte aan eigen gevaar] te 
wekken, om te eindigen met de verzoening [katharsis] van 
deze en dergelijke aandoeningen tot stand te brengen'' ; maar 
of hij het laatste gedeelte dezer, inderdaad voor verschillende 
uitleggingen vatbare, definitie wel juist heeft begrepen, valt 
te betwijfelen, wanneer hij „einde en ooghmerck*' van het 
treurspel noemt: „de beide hartstoghten, medogen en schrick, 
in het gemoedt der menschen te maetigen en manieren, d' aen- 
schouwers van gebreken te zuiveren (1) en te leeren de rampen 
dezer weerelt zachtzinniger en gelijckmoediger te verduren". 
Blijkbaar heeft Vondel aan het treurspel veel meer eene 
zedelijke strekking willen geven, dan Aristoteles bedoelt. 

Dat de held deerniswaardiger in ons oog wordt, wanneer 
zijn ongeluk aan zijne naaste verwanten te wijten is, zag 
Vondel met Aristoteles terecht in, en daarvan maakte hij 
dan ook een gelukkig gebruik in zijn „Joseph in Dothan", 
zijn „Jeptha'' en de beide spelen van „Koning David". Dat 
de held van het stuk die deernis ook waard moet zijn, heeft 
Vondel terecht begrepen, al kost het ons ook eene enkele 
maal (b.v. bij den „Salmoneus" en den „Zungchin") moeite 
hem die deernis waardig te rekenen. Met de zielkundig volko- 
men juiste opmerking van Aristoteles, dat de held van een 
treurspel niet onder mag gaan zonder eigen schuld, omdat wij 
ons anders met zijn ondergang niet zouden kunnen verzoenen, 
is Vondel het volkomen eens. Toch gaat in enkele stukken 
de held volkomen schuldeloos te gronde, zooals in den „Pala- 
medes", en de „Maria Stuart"; doch dóAr is het Vondel's 
bedoeling ook niet, ons verzoend den schouwburg te doen 
verlaten: veeleer wilde hij bij zijne toeschouwers ergernis 
wekken over het gepleegde onrecht. Dat Joseph ondergaat in 
de beide stukken, waarvan hij de held is, is niet meer dan 



412 VONDEL EN DB ARISTOTELISCHE KUNSTLEER. 

schijn, daar immers de toeschouwers wisten en de reizang het 
ten overvloede uitspreekt, dat juist Joseph's ongeluk het mid- 
del was om hem tot eer en aanzien te brengen. Alleen van 
„Gysbreght" en „Batavische Gebroeders" zal men moeielijk 
kunnen betoogen, dat zij met de Aristotelische opvatting over- 
een te brengen zijn. . 

De beide hulpmiddelen, die Aristoteles aangeeft om den 
indruk der handeling te versterken, namelijk „herkennis" 
(anagnorisis) en „staetveranderinge" (peripetia), worden ook 
door Vondel niet versmaad, maar de „herkennis" is bij hem 
zeldzaam: in den „Jeptha" komt zij neer op geestelijke erken- 
tenis van schuld. De lotsverandering daarentegen is treffend 
in den „Gysbreght", den „ Joseph in Dothan" en den „ Jeptha". 
Ook in „Koning David herstelt" gaan de zegekreten over in 
eene rouwklacht van David over den dood van zijn zoon, in 
den „Adonias" „verandert de beooghde bruiloft in een bloet- 
bancket, de bruiloftzael in een schavot en de bruitsledekant 
in een graf des rampzaligen bruidegoms"; in den „Adam in 
ballingschap" volgt de jammerlijke verdrijving uit het Paradijs 
op de verrukking van het bruiloftsfeest, en in den „Noah" 
maakt de zondvloed een einde aan het meest brooddronken 
genot. Voor Vondel was trouwens de geheele wereldgeschie- 
denis een spiegel der vergankelijkheid van alle ijdele wereldsche 
vreugde. 

Tegen de opmerking van Aristoteles, dat de handeling van 
een stuk zich geleidelijk vanzelf moet ontknoopen zonder 
tusschenkomst van een zoogenaamden „deus ex machina", en 
die van Horatius, dat men daartoe alleen dan zijne toevlucht 
mag nemen, als de ontknooping zulk een ontknooper waardig 
is, heeft Vondel eigenlijk nooit gezondigd: immers, treden 
er aan het eind van sommige zijner stukken goden of boven- 
aardsche wezens op, dan heeft bijna altijd de ontknooping 
der eigenlijke handeling reeds plaats gehad en dienen zij 
slechts om, door de toekomst te voorspellen, den toeschouwer 
met Gods wereldbestuur te verzoenen ; want daar Vondei/s 
treurspelen altijd episoden voorstellen uit de groote wereld- 
geschiedenis, zijn zij eigenlijk nooit ten volle afgesloten. Ieder 
stuk zou bij hem de inleiding tot een volgend kunnen genoemd 
worden. 



VONDKL HOOFDVRRTEGENWOORDIGKR DER CLAS8IKKE RICHTING. 413 

Wat nu ten slotte de min of meer beruchte eenheidswetten 
van handeling, plaats en tijd aangaat, valt nog op te merken, 
dat eenheid van handeling bij Vondel niets te wenschen over- 
laat. Eenheid van plaats, die door Aristoteles niet genoemd, 
maar door de meeste kunstrechters van dien tijd geëischt werd, 
heeft Vondel eerst na 1640 in acht genomen. In het „berecht" 
vóór zijn „.Jeptha" en in de opdracht van zijne „Ifigenie" 
verklaart hij, er een voorstander van te zijn, zonder daarvoor 
echter zijne gronden op te geven. Tot den eisch van tijds- 
eenheid heeft Aristoteles inderdaad aanleiding gegeven door 
te zeggen, dat „de handeling der tragedie dikwijls binnen één 
zonsomloop of iets meer afloopt," waarbij men moet bedenken, 
dat de Griek sche treurspelen niet in bedrijven afgedeeld waren. 
Ook Vondel nu meent, dat de handeling niet langer dan 
vier en twintig uur mag duren, en heeft zich in al zijne 
stukken stipt aan dien regel gehouden, dikwijls met nadrukke- 
lijke vermelding, dat hij dat deed. 

Door zich in theorie bij Aristoteles* kunstleer aan te sluiten 
en zich ook in de practijk meestal daaraan te houden, althans 
voorzoover misverstand hem er niet van deed afwijken, is 
Vondel in onze letterkunde de strengste vertegenwoordiger 
geworden van het classieke treurspel en wordt hem daarvoor 
dan ook door de geleerden onder zijne tijdgenooten uitbundige 
lof toegezwaaid. 

Vraagt men, wat die geleerden in Vondbl's treurspelen wel 
het meest bewonderden, dan kan men, op grond van De 
Groot's brieven, over zijn „Gysbreght, Maeghden, Gebroeders 
en Elektra" zeggen : zij bewonderden er wel vooral in : belang- 
rijken inhoud, vinding en kunstvaardigheid in de samenstelling 
der deelen, levendige uiting der hai*tstochten, aangrijpende 
schildering van het aandoenlijke, juiste karakteriseering, locale 
kleur, verheven en tegelijk leerrijke gedachten, welsprekende 
taal, vloeiende en tegelijk schoon gebouwde verzen, Dat alles, 
waarvan ook reeds Hooft in zijne treurspelen het voorbeeld 
had gegeven, had in Vondel's tragedie, naar het oordeel van 
de meest bevoegden onder zijne tijdgenooten, zulk een trap 
van volkomenheid bereikt, als men, alles te zamen, nooit 
te voren bij eenig ander Nederlandsch treurspeldichter had 
aangetroffen; en wij kunnen er bijvoegen, als later ook 



414 vondel's „joseph in dothan". 

nooit weer bij de modern -classieke tragedie door iemand zou 
worden bereikt. 

XLIX 
Enkele van Vonders treurspelen. 

Het aantal van Vondbl's treurspelen is zóó groot, dat schets 
en kenmerking van ieder stuk afzonderlijk hier veel te veel 
ruimte zou innemen. Ik moet mij dus bepalen tot het bespre- 
ken van drie zijner bijbelsche treurspelen als typen van de 
overige. Daarvoor kies ik den Joseph in Dothan (van 1640), 
als het zuiverste type van een gedramatiseerd bijbelverhaal en 
als het meest geliefde van Vondel's stukken, dat — afgezien 
van den jaarlijks vertoonden „Gysbreght" — zich het langst 
op het tooneel heeft weten te handhaven en ook nu nog voor 
een zooveel moderner publiek de meeste aantrekkelijkheid be- 
houden heeft; vervolgens den Jeptha (van 1659), als het stuk, 
waarmee Vondel zelf een modeltreurspel heeft willen geven; 
en eindelijk den Ladfer (van 1654), als in verhevenheid al 
zijne andere treurspelen te boven gaande. 

De geheele handeling van den Joseph in Dothan geschiedt 
onder het zegenend toezicht van een engelenrei. Bij den aan- 
vang van het stuk vinden wij Joseph slapende bij een „be- 
moschten put, waerlangs de heirbaen loopt naer Dothan*', en 
omgeven door de „hemelreien'*, die „door last des hemelvooghts 
hem naerstigh gadeslaen" en den toeschouwer mededeelen, 
dat zij voor Joseph „door steenrots, ruighte en doren den 
wegh baenen naer 's werelts heerschappy" opdat alzoo het 
stamhuis van Abraham eenmaal zal kunnen heerschen over 
de geheele aarde en (door Jezus) ook over „doot en afgront". 
Deze rei trekt zich terug, wanneer Joseph ontwaakt uit den 
slaap of liever uit een droom, waarin hij negen slangen had 
gezien, die het op zijn leven toelegden, en de stem zijner 
overleden moeder had gehoord, die hem had toegeroepen, te 
vluchten, omdat zijn leven gevaar liep; maar daarop was het 
geweest, zooals hij zegt, als werd hem toegefluisterd: „schep 
moedt, o jongeling, Godt zal uw reize zegenen". Getroost door 
deze woorden en met het voornemen om aan zijne broeders 



vondkl's „josbph in dothan". 415 

zoo vriendelijk en onderdanig mogelijk den groet over te 
brengen van hun vader, die hem tot hen had afgezonden, 
gaat hij nu naar Dothan opweg. Aan het eind van dit korte 
bedrijf spreekt de engelenrei het nog eens uit, wat de zin van het 
treurspel is, namelijk „door lijden tot heerlijkheid*'. Joseph is als 
de ruwe edelsteen, die „slypens waert is en opheldert door 't 
schuuren". Nu nog „onvolwassen en zwack", zullen zijne 
schouders door het juk der dienstbaarheid te torsen geoefend 
worden om later in staat zijn „een rijck te schragen en een 
koning zelf te helpen draegen dat onverdraegelijcke pack*'. 
De droomen, hem door God gezonden, hadden dat reeds 
voorspeld. 

Met het tweede bedrijf zijn wij in Dothan. Alle broeders, 
behalve Ruben, zijn bijeen en zien daar van verre op den 
top eens heuvels iemand naderen. Weldra herkennen zij hem : 
het is „de droomer". Hij is tot hen afgezonden, om hen te 
bespieden en te verklikken, meenen zij ; maar nu is de ge- 
legenheid gekomen om zich op hem te wreken. Als Judas 
daartegen nog iets tracht in te brengen en het waagt te vragen, 
„wat dat kint misdaen heeft", barst hunne woede eerst recht 
los. Is hij niet vaders troetelkind, die te hunnen koste een 
wit voetje bij hun vader zoekt te verkrijgen? en is het niet 
zijn arglistig plan, om zich op die wijze tot heer en meester 
van al zijne oudere broeders te maken ? Wat er in hem omgaat 
bewijzen immers zijne droomen, waarin hij alle andere schooven 
voor de zijne zag buigen en „de zon en maen en starren met 
gebogen hoofden om zich heen zag staen". Dat plan moet 
verijdeld, Joseph moet gedood worden, zegt de sluwe Levi, 
de hardvochtige Simeon, en Judas alleen kan tegen de anderen 
niet op. Hij wijst er echter op, dat zonder toestemming van 
Ruben, den oudsten der broeders, niets kan besloten worden, 
en als Ruben nu juist aankomt, licht hij hem al van te voren 
in. Ruben is verontwaardigd, en of Judas, die zelf weinig ge- 
neigd is zich „om Josephs wil in gevaer te steecken", hem 
ook waarschuwt, dat het levensgevaarlijk zal zijn zich tegen 
de woeste wraakzucht der anderen te verzetten, Ruben heeft 
moed genoeg, om tegen hen op te treden. Met moeite brengt 
hij hen er toe, naar hem te luisteren, als hij een welsprekend 
pleidooi houdt voor zijn onschuldigen broeder, die „bloem van 



416 vondel's „joseph in dothan . 

zestien jaer of naulix zeventien, een kint zonder gal, gelijck 
de simple duiven", en als hij onder het dichterlijk beeld van 
„een schrickelijck gedrogh** hun den spiegel voorhoudt, waarin 
zij hun eigen „haet en nijt'* aanschouwen. Dat baat hem 
echter even weinig, als wanneer hij op hun gevoel tracht te 
werken ; en als hij heeft moeten inzien, dat zijn woord Joseph 
niet meer redden kan, daar zij hem zelf aangrijpen en met 
den dood bedreigen, bedenkt hij eone list. Er is een droge 
put: daarin moet men Joseph van honger en dorst doen om- 
komen, zegt hij : zoo kunnen zij van Joseph verlost worden 
zonder juist broeder bloed te vergieten. Die raad vindt ingang 
en de engelenrei besluit het bedrijf met een zang, waarin de 
onschuldige knaap, die op het punt is zijn broeders argeloos 
te gemoet te treden, vergeleken wordt bij het ree, dat zijn 
dorst komt lesschen aan de bron, waarbij de wreede jagers in 
hinderlaag liggen. In zijne vlekkelooze reinheid is hij als de 
morgenstar, waarvan de glans zelfs bij de zon, „het oogh der 
waerheit", niet verbleekt. 

Intusschen is Joseph aangekomen en met zijn hartelijken, 
vroolijken groet vangt het derde bedrijf aan. Een engel, zoo 
vertelt hij, heeft hem den weg naar Dothan gewezen; maar 
„stom als beelden^' hooren zijne broeders hem aan, en eerst als hij, 
verbaasd en bedroefd, niets meer weet te zeggen, barst de haat 
zijner broeders uit in bitteren spot met de door hen gevreesde 
eerzucht van den knaap, die zelf aan heerschappij voeren 
nooit dacht en er slechts zijns ondanks van droomde. ZeUs 
dat hij knielend vergeving vraagt voor hetgeen hij misschien 
onwetend tegen hen mocht hebben misdaan, kan hen niet 
vermurwen. Onmeedoogend wordt hij naar den put gedreven. 
Nu verandert het tooneel. Wij zijn bij den put, waarvan 
Ruben onderzoekt, of hij wel waarlijk goed droog is, en als 
hij zich daarvan heeft overtuigd en te kennen heeft gegeven, 
dat hij van plan is, Joseph daaruit heimelijk te verlossen, 
komen de broeders met den knaap aan. Hij verschuilt zich 
en ziet nu, hoe Joseph onder schimp en spot van zijn veel- 
kleurigen rok, het geschenk zijns vaders, beroofd en met een 
touw in den put neergelaten wordt. Is Joseph eenzaam in 
. den put achtergebleven, dan slaakt hij droeve klachten in 
een welluidenden lierzang, maar het eenig antwoord, dat hij 



vondel's „josbph in dothan^'. 4I7 

krijgt, is de weergalm van zijne eigen stem. Na verlaat Ruben 
zijne schuilplaats en troost hem met de belofte, dat hij, zoodra 
de broeders ver genoeg weg zijn en hij een touw zal gehaald 
hebben, hem zal komen verlossen. Intusschen hebben de 
engelen zich geschaard om den put als om een duister graf, 
waarin Joseph als een heerlijke zon is schuil gegaan om straks 
met nieuwen glans te verrijzen en na „veel jaeren van bal- 
lingschap en bedruckten ondergang met zyn van Godt verlicht 
vernuft den gouden troon te beschijnen^', die hem de macht 
zal verschaffen om „Jacobs kinderen en knaepen in een gast- 
vrij lant te voeren'', waar zij in onbezorgde rust van het 
idyllisch herdersleven zullen kunnen genieten. 

Bij den aanvang van het vierde bedrijf zijn de broeders 
(behalve Ruben) weer bijeengezeten en schijnbaar tevreden 
over hetgeen zij verricht hebben. Alleen Judas kan zijne ge- 
wetenswroeging niet verbergen : hem klinkt nog telkens Josephs 
weeklacht in de ooren, en daarom doet het hem genoegen, 
dat hij van verre eene Arabische karavaan ziet naderen, 
want nu zal hij Josephs leven kunnen redden door hem aan 
den vrachtmeester van die karavaan te verkoopen. De andere 
broeders vinden dat wel goed en dragen hem de onderhandeling 
op. Weer hebben wij nu in het midden van het bedrijf tooneel- 
verandering en hooren wij Joseph in den put zijne klachten 
herhalen; maar Judas doet hem naar boven komen en „veilt 
hem voor slaef' aan den vrachtmeester in een zóó levendig 
tooneeltje, dat de handelende personen van Nieuwmarkt of 
Jodenbreestraat schijnen weggeloopen te zijn om op het tooneel 
hunne negotie voort te zetten. Veel gedongen wordt er van 
Judas' kant niet, „voor tien paer zilverlingen is 't koop". In 
een aandoenlijk lied beveelt Joseph zich nu aan bij zijn 
nieuwen meester, den aan hem verwanten, ook uit Abraham 
gesproten, Ismaëller. „Och, Ismaëller, druck my zacht, gehjck 
een telgh van uw geslacht", voegt hij hem toe, en met een 
„och vader, Benjamin, och Ruben" volgt hij zijn heer, van 
wien Judas met een „geluck met dezen knaep, geluck op uwen 
toghtl" naar Semietische wijze afscheid neemt. Hoog verheft 
zich Arabië op zijn phenix, zoo zingt de engelenrei nu, en 
schildert daarbij dien vogel af met de schitterende kleuren, 
die Vondel dankte aan het slot van Lactantius' gedicht „de 

n 27 



418 vondel's „joskph in dothan". 

ave Phoenice", dat hij vertalend overtrof. Maar, zegt de rei, 
„den rechten Phenix kent ghy niet, o blinde Arabers", want 
„den rechten Phenix, die gewis veel schoener dan uw vogel 
is, hebt ghy voor een geringen prijs eerst nu in uw maght 
gekregen", en „dien onbekenden schat voert ghy naer Memphis 
en naer Zonnestat", waar weldra „de Nyl voor zyné Godtheit, 
voor zyn hooft, 't welck aller wyzen glans verdooft, de kroon 
met zeven tacken buygen zal". 2k)o zijn dan de afgunstige 
broeders, om het gevaar te ontgaan, dat Gods droomen hun 
van Joseph spelden, juist de bewerkers geweest van Josephs 
toekomstige grootheid door hem daarheen te voeren, waar 
zijne schitterende gaven waardeering konden vinden en waar 
hij, ten troon geklommen, hun vorst en hun voldoener tevens 
zou kunnen worden. 

Nog één bedrijf volgt er nu, om ook van den kant der 
broeders de handeling. af te sluiten, want de geheele verkoop 
is buiten Ruben omgegaan. Deze komt nu bij den put met 
het plan zijn broeder te verlossen, en als hij geen antwoord 
krijgt op zijne aanmaning om langs het uitgeworpen touw 
op te klimmen, daalt hij zelf in den put af om den knaap 
te zoeken. Wanneer hij hem niet vindt, barst hij in weeklachten 
en zelfverwijt uit. Hij kan niet anders denken, of de gruwelijke 
broedermoord heeft toch plaats gehad, en weer naar boven 
geklommen, ijlt hij nu naar zijne broeders om zekerheid te 
erlangen. „Och, broeders, spreeckt toch: leeft het kint of is 
het heen? Ten minste toont my *t lyck, opdat ik 't noch be- 
ween", zoo spreekt hij hen aan, wanneer hij hen allen (met 
uitzondering van Levi) bij eengevonden heeft, en als hij van 
hen vernomen heeft, wat er gebeurd is, stort hij in bittere 
en droeve woorden zijne diepe smart daarover uit. Te ver- 
geefs tracht Judas hem te troosten met de wisselvalligheid 
der fortuin, die reeds „menigh slaef in heer lij ck bewint gezet 
heeft"; en als Levi nu aankomt met Josephs rok, dan houdt 
Ruben tot die „pluim, waerin het duifken stack, t welck 
wreede havicken vervoerden", de beroemd geworden lyrische 
toespraak, waarin hij met stijgend zelfverwijt zich zelf het 
wilde dier noemt, dat Joseph verslond. Dat de broeders hunne 
schuld zuUen kunnen verbergen voor hun vader door hem 
te vertellen, dat Joseph door een wild dier is verscheurd, is 



VONDRL'8 „J08EPH IN EGYPTKN*'. 419 

een listig bedenksel van Levi, die nu zelf den rok met bokken- 
bloed bestrijkt en besprenkelt, hem scheurt en sleurt en er 
de tanden in zet om meer schijn van waarheid aan het 
leugenachtig verhaal te geven. Nadat de broeders onderling 
het bloedgeld verdeeld hebben en ook Ruben gedwongen 
hebben, zijn aandeel en daarmee een deel van de schuld, die 
op hen rust, te aanvaarden, gaan zij naar Jacob op weg; 
maar Ruben blijft nog een oogenblik alleen achter en besluit 
het stuk met eene uitvoerige, aanschouwelijke en aandoenlijke 
schildering van den indruk, dien de tijding van Josephs 
dood op den ouden vader moet maken. „Och d' ouders teelen 
't kint en maecken 't groot met smart: Het kleene treet op 
't kleet: de groote treen op 't hart": met deze woorden ein- 
digt het eerste deel van Josephs geschiedenis. 

Onmiddellijk na de voltooiing van dit treurspel bewerkte 
Vondel in een tweede treurspel, den Joseph in Egypten, het 
vervolg der geschiedenis, namelijk de mislukte poging van 
Potiphars vrouw, door hem Jempsar genoemd, om den kuischen 
Joseph te verleiden, en zijne veroordeeling tot eeuwige ker- 
kerstraf door de valsche beschuldiging der teleurgestelde 
vrouw. Handeling is er in dit stuk bijna niet. Het eerste 
bedrijf teekent ons Joseph als meest vertrouwden en gewaar- 
deerden dienaar van Potiphar en tegelijk als beschermeling 
zijner schutsengelen, die ook hier den rei vormen. In het 
tweede en derde bedrijf hooren wij Jempsars razende minne- 
klachten, door hare voedster aan Joseph overgebracht, en in 
het vierde bedrijf bereikt de strijd, dien Joseph door zijne 
getrouwheid aan zijn meester en zijn eerbied voor de heilige 
huwelijkswetten te strijden heeft, zijn hoogtepunt, als Jempsar 
hem in persoon eene ontuchtige omhelzing wil afdwingen en 
hij genoodzaakt is, haar te ontvluchten met achterlating van 
zijn overkleed, dat in het vijfde bedrijf als bewijs voor zijne 
schuld wordt gebruikt, zoodat hij naar den kerker gevoerd 
wordt om daar (als Christus) te „lijden met gedult, terwyl hy 
boet een anders schuit". 

Daar het stuk grootendeels bestaat uit pleidooien van Joseph, 
worden wij als uitgelokt, het te vergelijken met het groote 
pleit van Joseph en Sephyra, door Cats in zijn „Selfstryt'* 
geleverd; doch dan blijkt het ons ook, hoever Vondel als 



420 DE JOSBPHTRILOQIBËN VAN VONDEL EN TONNIS. 

dichter boven Oats staat, niet alleen door het zooveel meer 
poëtische van zijne taal, maar bovendien ook door zijn ver- 
mogen om zooveel gloeienden hartstocht in Jempsars woorden 
te leggen, dat iemand met minder deugd en standvastigheid, 
dan Joseph bezat, daartegen allicht niet bestand zou geweest 
zijn en geëindigd zou zijn met Jempsars merkwaardige stelling 
tot de zijne te maken: „de reden leert het my, 'dat ick u 
minnen moet, al schijnt het razemy". 

Met dit stuk had Vondel de geheele geschiedenis van 
Joseph ten tooneele gebracht, want reeds vijf jaar te voren 
had hij De Geoot's Sofompaneas of „Joseph in 't Hof' ver- 
taald, waarin vertoond werd, hoe Joseph als onderkoning van 
Egypte zijne broeders op de proef stelt en, na zich aan hen 
ontdekt te hebben, hun kwaad met goed vergeldt. Zoo vormen 
dan deze stukken samen eene trilogie, zooals wij er ook van 
de Grieken kennen ; en evenals bij deze de geheele trilogie 
op één dag werd vertoond, begon men in 1653 ook Vondel's 
drie treurspelen op één avond achter elkaar ten tooneele te 
brengen, nadat men er vroeger soms reeds twee op één avond 
had gespeeld. 

Vóór Vondel was Josephs geschiedenis al meermalen door 
de tooneeldichters tot onderwerp van hunne stukken gekozen, 
met name in het Latijnsche schooldrama, waarbij dan echter 
het geheele verhaal in één stuk was samengedrongen, zoodat 
er van kunstige samenstelling geene sprake kon wezen. Dat 
Vondel aan deze * schooldrama's iets ontleend heeft of zelfe 
heeft kunnen ontleenen, is mij niet gebleken ; maar wel waag 
ik het, te vermoeden, dat Vondel voor zijne stukken iets te 
danken zal gehad hebben aan „Josephs Droef- en Bly-eind 
Spel, niet min stichtelick als Droef en Vermaeckelick om 
lesen, in drie bysondere spelen vervaetet'* door Jan Tonnis 
(of Johannes Antonisz.), burger van Emden, die zijn eerste 
stuk reeds in 't begin van 1636 voltooid had en alle drie, te 
Groningen gedrukt, in 1639 opdroeg aan „Borgemeesteren, 
Syndicus, Raetsheeren en Secretarissen der wytberoemder 
Stadt Embden". 

Beide trilogieën onderscheiden zich in 't oog vallend hier- 
door, dat Vondel, die tegen de wet van tijdseenheid niet 
wilde zondigen, alleen drie hoofdmomenten uit Josephs ge- 



VONDEL'S en TONNIS' TRILOGIEËN VERGELEKEN. 421 

schiedenis op het tooneel heeft gebracht en al het andere met 
groote kunstvaardigheid en schijnbaar ongezocht in verhalen 
heeft weten te pas te brengen, terwijl bij Tonnis alles wordt 
vertoond, waardoor bovendien ook telkens, veel meer dan bij 
Vondel, de plaats der handeling verandert. Een gevolg daar- 
van was ook, dat Tonnis bij dezelfde episoden, die Vondel 
tot in bijzonderheden heeft kunnen uitwerken, niet zoo uit- 
voerig heeft kunnen zijn, al zijn zijne spelen dan ook veel 
langer, dan die van Vondel. Tonnis' eerste spel bevat even- 
veel versregels, als Vondel's beide treurspelen samen, maar 
Tonnis behandelt daarin veel meer, want het eerste bedrijf, 
dat bij hem eerst in het dal van Hebron speelt, bij Jacob, 
die zijn zoon Joseph naar Dothan zendt, en ons verder Joseph 
onderweg en bij zijne broeders vertoont, bevat reeds de ge- 
heele stof van Vondel's „Joseph in Dothan". Het tweede 
bedrijf doet ons zien, hoe Josephs bebloede rok aan den diep- 
bedroefden vader wordt gebracht en hoe de broeders zich 
voornemen door hun gedrag tegenover hem weer goed te 
te maken, wat zij misdaan hebben. Met het derde bedrijf zien 
wij Joseph naar Egypte gevoerd, aan Potiphar verkocht en 
bij dezen als hofmeester in de gunst. Het vierde bedrijf ver- 
toont den inhoud van Vondel's „Joseph in Egypten", waarbij 
wij Tonnis ter eere moeten nageven, dat hij bij zijne voor- 
stelling van Syphora's pogingen om Joseph te verleiden het 
in levendigheid van handeling op Vondel wint. In het vijfde 
bedrijf eindelijk vinden wij Joseph in den kerker, de droomen 
van schenker en bakker uitleggend. 

Tonnis' tweede spel vertoont ons Pharao, te vergeefs ver- 
klaring zijner droomen zoekend en die ten slotte bij Joseph 
vindend, die daarna onder den naam Psontonphanechus onder- 
koning van Egypte wordt en met Assenat de dochter van den 
priester Putiphar, in het huwelijk treedt. Het derde spel 
eindelijk geeft ons niet, zooals de „Sofompaneas", eene episode 
uit Josephs handeling met zijne, naar Egyptes korenschuren 
heengetrokken, broeders te zien, maar vertoont die geschiedenis 
volledig. Ook in dit stuk is de handeling veel levendiger 
dan bij De Groot- Vondel, wat bovendien in alle stukken van 
Tonnis het geval is door het groot aantal personen, dat er in 
optreedt, terwijl vondel, in aansluiting aan het zeer geringe 



422 VOKDEL'8 en TONNIS' TRILOGIEËN VERGELEKEN. 

aantal sprekende personen in de Grieksche treurspelen, van 
Josephs broeders er slechts vier sprekende invoert en de zes 
of zeven andere alleen „zwygende'' of als figuranten doet 
optreden. 

Ieder bedrijf (of „handeling") wordt besloten met een „choor", 
doch dat is ook nagenoeg het eenige wat Tonnis van den 
classieken treurspelvorm heeft overgenomen: want evenmin 
als de dichter de eenheids wetten van tijd en plaats heeft in 
acht genomen, heeft hij vermenging van ernst en scherts ver- 
meden. In zijne beide eerste spelen toch treedt als comische 
figjdur Potiphars dienaar Mus op, wiens gemeenzame taal 
merkbaar afsteekt bij de taal, die Tonnis zijne personen 
overigens doet spreken, ofschoon ook die, in vergelijking van 
Vondel's taal,' op den naam van poëtisch allerminst aanspraak 
kan maken. 

Toch wordt men bij de lezing van Tonnis' spelen telkens 
verrast door uitdrukkingen en gedachten, die ook bij Vondel 
worden aangetroffen, en al kon gelijkheid van stof en bron 
daartoe natuurlijk dikwijls aanleiding geven, meermalen toch 
wekken zij het vermoeden, dat Vondel het werk van zijn 
voorganger heeft gekend en onwillekeurig heeft gevolgd. 
Moeielijk valt het in elk geval louter aan toeval toe te schrijven, 
dat in beide stukken Joseph zijne klachten van uit den put 
naar boven zendt en dat Rubens woorden, als hij te vergeefs 
getracht heeft. Joseph idt den put te verlossen en aan zijne 
broeders hunne misdaad verwijt, in beide stukken zoozeer 
overeenstemmen. Opmerkelijk is het zeker ook, dat de beide 
door ons aangehaalde slotverzen van den „Joseph in Dothan" 
in anderen vorm weer te vinden zijn in het tweede bedrijf 
van Tonnis' eerste spel, waar Jacob als „spreeck-woort der 
voor-ouders" aanhaalt: 

„Wanneer een Kindt met d' oaders speelt 
En kinderlycke Deankes qaeelt, 
Soo treet het Vaeder op die schoot: 
Maer als het meerder ende groot 
Tot Mannelycken ouder wert, 
Soo treet het Vader op het hert'\ 

Verder stemmen Vondel en Tonnis — zeker niet toevallig — 
hierin overeen, dat zij Potiphars vrouw om Joseph te verleiden 



vondel's „jbptha'\ 423 

juist gebruik doen maken van een godsdienstig feest, waarvoor 
haar man met het geheele hofgezin afwezig is, terwijl zij zelve 
om te huis te kunnen blijven zich ziek heeft geveinsd. Niet 
minder treft het ons, dat Vondel, die als gewoonlijk in 
het geheele stuk zijne personen in alexandrijnen doet spre- 
ken, in den aanvang van den „Joseph in Egypten" zoowel 
aan de voedster als aan Jempsar in den dialoog bij afwis- 
seling iambische versregels van vier voeten in den mond 
legt en dat ook Tonnis Syphora en Milca, „haer Maeght", 
soms in korte versregels doet spreken ter afwisseling van de 
(slecht gebouwde en herhaaldelijk tegen den regelmatigen 
klemtoon zondigende) alexandrijnen, waarin overigens alle 
samenspraken zijner drie spelen geschreven zijn. Natuurlijk 
behoeft dat alles niet te kort te doen aan de verdiensten van 
VoNDBL, die uitstekend de kunst verstond, ruwe steenen tot 
brillanten om te slijpen. 

Ook bij het schrijven van zijn Jeptha, dien wij nu gaan 
bespreken, ontbrak het Vondel niet aan voorgangers, van welke 
hij er twee zeker gekend heeft, namelijk Abraham de Koning, 
voor wiens „Jephthahs ende zijn eenighe Dochters Treurspel" 
hij in 1615 zelfs een lofdichtje had gemaakt, en George 
Buchanan, wiens Latijnsch treurspel „Jephthes sive Votum" 
(van 1554) hij ook noemt, doch met de bijvoeging, dat deze 
dichter (en van De Koning had hij hetzelfde kunnen zeggen) 
„zich te grof vergreepen heeft tegens" de wet van tijdseenheid 
en „tegens d' openbaere waerheit der bybelsche historie". 
Dat Vondel ook zelf in zijne voorstelling van Jeptha's 
geschiedenis niet zuiver bijbelsch is, zullen wij straks zien; 
doch de eenheid van tijd heeft hij nauwkeurig kunnen hand- 
haven zonder daarmee aan zijne stof geweld aan te doen, 
ofschoon hij bij niet-handhaving zeker meer indruk had 
kunnen maken. 

Nu behoort bij het begin van het stuk het afleggen der 
onzalige „offerbelofte" reeds lang tot het verleden en zijn er 
ook reeds twee maanden verstreken sinds IQs, Jeptha's dochter, 
wier naam Vondel aan Buchanan ontleende, haar over de 
Ammonieten zegevierenden vader te gemoet trad en vernemen 
moest, dat die begroeting haar het leven zou kosten. Twee 
maanden waren haar toegestaan om zich in het gebergte in 



424 vondel's „jeptha". 

den kring harer vriendinnen (de Maeghden, die den rei 
vormen) tot sterven voor te bereiden. 

Bij den aanvang van het stuk zijn die twee maanden om en 
wordt zij door hare moeder Filopaie, aan wie noch Jeptha noch 
iemand anders iets heeft durven zeggen van het beraamde offer, 
vol uitgelaten vreugde terug verwacht. „Indien oit vrou van 
blyschap sterven kon", zegt zij tot den Hofmeester, zou 
zij nu moeten sterven, nu zij hare geliefde dochter op den- 
zelfden dag terug zal zien, waarop ook haar man, na eene 
tweede schitterende overwinning (op de Ephraïmmers) behaald 
te hebben, als zegevierend veldheer zal terugkeeren. De Hof- 
meester tracht haar op de droeve „staetsveranderingh" (peripetia) 
voor te bereiden door haar aan de wisselvalligheden van het lot 
te herinneren en tot gelijkmoedigheid aan te sporen. VergeUjkt 
Filopaie hare dochter bij eene schoon e bloem, bestemd om den 
bruidegom, die haar zal plukken, overgelukkig te maken, de Hof- 
meester wijst op de teerheid der bloemen, 's morgens zoo frisch en 
fleurig, 's avonds verwelkt. Maar de Slotvooght komt als Jeptha's 
bode uit het leger om een uitvoerig verhaal te doen van de 
op Ephraïm behaalde overwinning en daarmee tevens Jeptha 
in zijne grootheid als krijgsheld te schilderen. Hoe zwak 
echter toont zich diezelfde krijgsheld, wanneer wij den bode 
uit zijn naam Filopaie hooren gelasten naar het leger te komen, 
daar wij weten, dat hij, die zelf het leger reeds verlaten heeft, 
op deze wijze den strijd verijdelt, dien hij ongetwijfeld over 
het offer met haar zou hebben moeten voeren, indien zij ge- 
bleven was. Jeptha bedriegt hier zijne vrouw, evenals Aga- 
memnon Klytaemnestra bedroog in Euripides' „Iphigenia"; 
maar in dat stuk, dat Vondel bij het schrijven van het zijne 
levendig voor den geest stond en dat in menig opzicht ook 
door hem is nagevolgd, mislukt Agamemnons list en heeft de 
aangrijpende strijd toch plaats; en wij kunnen moeieUjk nalaten 
het te betreuren, dat Vondel niet aan een dergeUjken strijd 
zijne krachten beproefd heeft. Na eenige aarzeling toch laat 
hij Filopaie, die zoo gaarne hare dochter had afgewacht, ver- 
trekken, en onmiddellijk daarop komt Ifis met hare Maeghden 
uit het gebergte terug. De rei herhaalt dan den zegezang, 
eens ter onzaliger ure door Ifis zelve over de nederlaag der 
Ammonieten aangeheven, en Ifis, de schoone „roos van Jericho", 



VONDELS „jeptha". 425 

voegt daaraan toe, dat haar „hart van weelde opluickt, nu zy 
dezen dagh het offer naer vaders eisch voltrecken magh, den 
vaderlande en 't volck ten zegen, ten prgs van Godt". 

Bij het begin van het tweede bedrijf vertelt Ifis, dat zij in 
de eenzaamheid van het gebergte met het leven heeft afge- 
rekend en zich geheel met haar lot heeft verzoend. Zoo heeft 
Vondel het dan versmaad, ons van den hartroerenden en 
dramatischen strijd getuigen te doen zijn, waardoor Iphigenia 
zulk een diepen indruk op de toeschouwers maakt. Ifis is 
reeds bij den aanvang van het stuk de heroïsche figuur, het 
beeld der offervaardige gehoorzaamheid, waartoe Iphigenia 
eerst op het eind van het stuk, bij het toenemen harer 
zedelijke krachten, allengs is opgegroeid. Vandaar bij Vondel 
eene betrekkelijke kalmte tegenover de heftige gemoedsbe- 
wegingen in het Grieksche treurspel. Toch wenscht Ifis vóór 
haar sterven hare moeder nog eens te zien en dreigt zij zelfs 
naar het gebergte terug te zullen keeren, indien haar dat 
geweigerd wordt ; doch nu treedt de overwinnaar der Ephraïm- 
mers zelf op, zegevierend veldheer in schijn, rampzalig vader 
inderdaad, die ten volle beseft, hoe duur hem zijne overwin- 
ningen te staan komen. In „het eickenbosch" verscholen, 
heeft hij zijne vrouw zien voorbijrijden naar het leger, zooals 
hij zegt; maar ook al is die list gelukt, toch kost het hem 
groote moeite al zijn moed te verzamelen om het zware offer 
te brengen. „Een vorst, die meest tot heil van 't algemeen 
leeft", heeft voor zich persoonlijk maar één belang, namelijk 
voort te leven in zijn nageslacht: en nu zal hij zijn eenig 
kind zelf moeten dooden! Vreugde scheppen in de behaalde 
overwinningen kan hij niet meer, en wanneer zijne dochter 
hem blijmoedig en hartelijk te gemoet komt, kan hij alleen 
in zelfverwijt uitbarsten, dat hij door „reuckeloos beloven" zoo 
zware schuld op zich geladen heeft. Dat hij zijne belofte, die 
hem „zoo dier aen Godt verbint", zou mogen breken, daaraan 
denkt hij geen oogenblik, evenmin als Ifis, die gaarne alle 
schuld op zich neemt en het eene eer noemt, voor haar 
vaderland te mogen sterven. Met eene bede van den rei tot 
„Aertevader Jozef' om, uit den dood verrezen, zijne lieve 
nakomelinge te redden en daarmee het vorstelijk geslacht van zijn 
zoon Manasse voor den ondergang te bewaren, eindigt dit bedrijf. 



VONDKL B „JBPTHA . 

t derde hedrijf do.t ong getuigen zijn van den droevigen 
ijd over de vraag, oi Jeptha vrijheid zou kunnen vinden, 
zijne belofte te breken- ,^n,it heb myzelf ten vyant!" mocht 
hy wei uitroepen: ,geen vadei '«eft rampzaliger dan ick". De 
Hofmeester meent dat het nog tvijelachtig is, of Jeptha wel 
verphcht is het oflFer te brengen, fcj heeft immers by zijne 
belofte zulk een offer niet bedoeld en ztu in elk geval, vóór 
het te brengen, met priestera en wetgeleerden moeten raad- 
plegen : zij zullen kunnen uitmaken, of hier de letter of de 
zin der belofte gelden moet. Jeptba gevoelt wtl, dat hij de 
gunst des volks verliezen zal, als hij dat wreede oB'^r brengt, 
maar brengt bij het niet, dan verbeurt hij Gods ze^n en 
dat verbiedt hem zijn geweten. Toch wil bij den raad van 
Hofpriester en Wetgeleerde wel hooren, die nu optreden om 
hem te betoogen, dat hij zijne belofte zelfs niet mag houdtn, 
want God beeft immers aan de ouders de taak opgelegd, 
hunne kinderen te beschermen, en voor zich zelf eiscbt H^ 
„gehoorzaembeit en geensins menschevleiscb". Jeptha meent 
echter dat zijne gehoorzaamheid hier alleen kan blijken uit 
zijne bereidwilligheid om het offer te brengen. Tegenover 
God „steeckt hy in schuit: belofte is een verbant; syn heilige ; 
eedt is hem een wet geworden", die hem sterker bindt dan 
Mozes' wet: gij zult niet dooden. Dat „Godta priester bem 
ontslaet" van zijne verplichting, brengt zijn geweten niet tot 
rust, en daar hij zich niet gerechtigd acht, het offer nog uit 
te stellen, om ook nog den raad van den hoogepriester, den 
middelaar tusschen God en den mensch, in te winnen, besluit 
Jeptba met deze redeneering: door Gods geest gedreven, heb 
ik de belofte gedaan: God wil dus ook, dat ik die houd. 
Slechts met moeite weet de Hofmeester den Wetgeleerd© en 
den Hofpriester over te halen, bij het plechtig offer tegen- 
woordig te zijn: immers Jeptha ia altijd hun beschermer en 
weldoener geweest en in dat moeielijk oogenblik behooren zij 
bem ter zqde te staan en ook zijne dochter door hunne tegen- 
woordigheid te steunen, ofschoon Ifis moedig en gehoorzaam 
genoeg is om getroost haar leven te offeren, zelfs nadat haar 
vader geweigerd beeft te voldoen aan haar verzoek om vóór 
haar dood hare moeder nog eens te mogen zien. Intusschen 
is door den Hofpriester een bode naar Filopaie gezonden, en 



vondel's „jeptha". 427 

nu stort de rei den innigen wensch uit, dat het haar te beurt 
moge vallen, hare dochter door Gods beschikking gered te 
zien, zooals eenmaal Jochebed haar zoontje gespaard zag. 

Dat die wensch ijdel was, leert het vierde bedrijf. Alles is 
voor de droeve plechtigheid in gereedheid gebracht. Jeptha 
kan niet van inzicht veranderen, maar gevoelt zich diep onge- 
lukkig en hoopt, dat er een engel zal afdalen, door God uit 
den hoogsten hemel neergezonden, om hem te gebieden het 
„slaghzwaert onbloedigh in de scheede te steecken". Alleen 
Ifis is getroost. Als de vrome bruid des Heeren, die, wanneer 
zij haar offer brengt, tegelijk alle wereldsche banden afsnijdt, 
zoo zegt ook Ifis, gereed zich „tot heil van *t vaderlant" blij- 
moedig op te offeren, tot haar vader: „Nu kerm, nu klaegh 
niet meer. Gy waert dus lang myn vader, myn behoeder; nu 
ken ick Godt: geen vader, geene moeder heeft langer deel 
aen Ifis, als voorheen: die naem heeft uit. De Godtheit is 
alleen myn vader en myn moeder beide t' zamen" ; en zoo 
gaat zij voort met eene aandoenlijke en tegelijk verheffende 
afscheidsrede, die in menig opzicht herinnert aan den af- 
scheidsgroet, door Euripides' Iphigenia aan het leven gebracht, 
en die daarvoor in poëtische waarde zeker niet onderdoet. 
„Verheught stapt zy nu ten outer op den galm van den 
Maeghdenrei", die in een heerlijk lied de deugd der kinderlijke 
gehoorzaamheid en de macht der zelfverloochening bezingt. 

Als het vijfde bedrijf begint, is het offer gebracht -, maar nu 
heeft Jeptha ook zijne laatste krachten uitgeput. Als een 
gebroken man staat hij daar voor den Hofpriester. Hij heeft 
een afschuw van zichzelf, dien „schelmschen dochterslaghter, 
aertsmoordenaer, bloetschender, wetverachter, die naer den 
mont der wetgeleerden noch Godts priesters niet wou luisteren. 
Ochl ochl Nu gaen te spa, te spa zijne oogen open". Hij 
komt tot volledige schulderkentenis (agnitio). In zelfgenoeg- 
zamen trots heeft hij gemeend aan God, die vrijmachtig over 
alles kan beschikken, te moeten geven, wat hij Hem licht- 
vaardig beloofde, ook al handelt hij daarmee in strijd met 
Gods wet, en daarbij heeft hij aan de inspraak van zijn eigen 
geweten grooter gezag toegekend dan aan de uitspraak der 
door God ingestelde priesterschap, waar het gold Gods wil te 
leeren kennen. De ware gehoorzaamheid aan hoogere macht, 



428 VONDBL s „jbptha". 

het verzaken van „eigen zin" voor hoogeT bevel heeft zijne 
dochter hem door haar verheven voorbeeld geleerd, en nu is 
hij bereid tot iedere boetedoening, die de Hofpriester hem zal 
willen opleggen. Voor hem, „die zich wil laeten leeren" en 
schuld bekent, zegt de Hofpriester, is er altijd „hoop op Godts 
gena". Nu moet Jeptha zich naar den AertsoflFeraer te Silo 
begeven, die hem de middelen zal aanwijzen om Gods ver- 
giffenis te verwerven. Zelfs is het gewenscht, dat hij onver- 
wijld vertrekt, om niet door zijne tegenwoordigheid te ver- 
oorzaken, dat de droefheid zijner vrouw, die in aantocht is, 
met nog grooter heftigheid uitbarst, wanneer zij den moor- 
denaar van haar kind ziet. 

Na zijn vertrek treedt dan ook Filopaie op, en geweldig is 
de uitbarsting harer smart, als zij verneemt wat er gebeurd 
is. Eerst als de gordijn op den achtergrond is opengeschoven, 
waar de rei der Maeghden de rouwplechtigheden voor Ifis 
vervult, en als haar de „dootbus" met de asch harer dochter 
in handen gegeven is, die zij kussen en omhelzen kan, gaat 
de bitterheid der droefheid bij haar in zachtzinniger smart- 
gevoel over en krijgt zij zelfbeheersching genoeg om ook 
zelve in eene lyrische rouwklacht hare dochter te beweenen. 
Maar ook hare verbittering op haar echtgenoot moet plaats 
maken voor zachter gevoelens, en dat bewerkt ten slotte 
de Hofpriester door er vooipeerst op te wijzen, dat „de hemel 
dien slagh des doots, indien het hem beliefde, had kunnen 
beletten", maar het niet gedaan heeft, omdat hij wilde, „dat 
ieder zich aen Jeptha spieglen zou en wachten van dit reuckeloos 
beloven", en door daaraan vervolgens nog eene voorspelling 
toe te voegen, waarmee Vondel zoo gaarne zijne treurspelen 
besloot, omdat hij meende in dien vorm het best de tragische 
verzoening (katharsis) van den toeschouwer met Gods wereld- 
bestuur tot stand te kunnen brengen. Hier is de voorspelling, 
dat Jeptha, na zich te Silo met God en den Aertspriester 
verzoend te hebben, later waardig gekeurd zal worden om 
„voor ieder op den hoogen zegewagen der Heiligen in 't 
midden der Hebreen ten toon gevoert, geviert en aengebeen" 
te worden. Immers zijn hoogmoedig vertrouwen op de voor- 
treflfelijkheid van eigen inzicht was, nadat hij het lichtvaardige 
zijner belofte had ingezien, zijne eenige fout gebleven: 



DE „JBPTHA AM MODELTREUR8PKL. 429 

toen hij, eenmaal tot inkeer gekomen, zich verootmoedigd 
had en hem daarom vergiffenis kon worden geschonken, waren 
ook de nevelen weggevaagd, die zijne groote deugden, vooral 
zijn onbaatzuchtigen ijver voor God en vaderland, belet hadden 
te stralen in haar vollen luister. 

Qet komt mij voor, dat dit treurspel behoort tot de meest 
persoonlijke, die Vondel geschreven heeft, in dien zin, dat 
hij daarin eene episode uit de geschiedenis van zijn eigen 
zieleleven bij zijne bekeering heeft behandeld, waarom hij 
er dan ook zooveel prijs op gesteld heeft, het te maken tot 
„een toneelkompas" voor aankomende dichters om „de 
gewenschte haven van de volkomenheit der tooneelkunste in 
te zeilen". Blijkbaar heeft hij er de uiterste zorg aan besteed, 
en zelfs de alexandrijnen, waarvan hij zich anders bijna altijd 
in zijne treurspelen bedient, hier vervangen door „vaerzen van 
tien en elf lettergreepen, naerdien" zooals hij zegt, „de edele 
heer Ronsard, de vorst der Fransche dichteren, deze dicht- 
maet hooghdravender oordeelt en beter van zenuwen voor- 
zien en gesteven dan d' Alexandrijnsche van twalef en dertien 
lettergreepen, die, zoo veel langer, naer zijn oordeel, flaeuwer 
vallen en meer op ongebonde rede trecken". Ook de karakter- 
schildering der handelende personen is zorgvuldig door den 
dichter overwogen, en dat het stuk in geen enkel opzicht 
strijdt met de Aristotelische aesthetica, wordt algemeen erkend. 

Natuurlijk is streng in acht nemen van de regels eener 
kunstleer alleen nog niet voldoende om een meesterstuk te 
scheppen, zelfs niet in het oog der aanhangers van diezelfde 
kunstleer. De keus van de stof o a. is niet onverschilUig, 
vooral niet wanneer het eene bekende stof is, die wijziging 
eischte om den dichter zelf te kunnen bevredigen, want dan 
vloeien nit de tweeslachtigheid der stof voor den bewerker 
groote moeielijkheden voort; en dat was hier het geval. 
Vondel is hier, zonder het te vermoeden, afgeweken van het 
op zichzelf eenvoudige en begrijpelijke bijbelverhaal om het — 
onder theologischen invloed — in zijne voorstelling te ver- 
vormen tot een casuistisch probleem, waarvan het treurspel 
eene oplossing tracht te geven, die natuurlijk den Protestant 
veel minder zal bevredigen dan den Katholiek. 

Zooals het verhaal ons in het Boek der Richteren is 



430 CRITIBK OP vondkl's .jeptha 



9) 



»' 



overgeleverd, verplaatst het ons in eene nog ruwe maat- 
schappij, die aan den vader het recht over leven en dood 
zijner kinderen toekent, en die gelooft, dat de godheid zich 
door ofifers kan laten bewegen en menschenofifers niet afkeurt. 
Jeptha handelt geheel in overeenstemming daarmee, en uit 
niets blijkt, dat zijn volk zijne handelwijze heeft afgekeurd: 
integendeel hij heeft godvruchtig gehandeld, en zijne dochter 
die zich gewillig laat offeren, eveneens. Dat oflfer heeft het 
vaderland gered en daarom gaan dan ook nog jaren later 
vrome Israëlietische maagden ter beevaart naar het graf van 
haar, met wier dood haar vader de overwinning kocht voor 
zijn volk. 

Ook zoo kan het verhaal stof zijn voor een aangrijpend 
treurspel, wanneer de dichter ons maar voor een oogenblik 
weet over te plaatsen op het lager standpunt van zedelijkheid, 
dat de Israëlieten toenmaals innamen. Neemt men echter voor 
de Israëlieten een hoogeren beschavingstoestand aan, nameUjk 
dien van de Christenen der zeventiende eeuw, zoodat hunne 
priesters en wetgeleerden wel niet anders kunnen oordeelen, 
dan de Christelijke priesters eeuwen later zouden doen bij 
eene geheel andere opvatting van het wezen der godheid, dan 
zal daarvan van zelf het onaangenaam gevolg zijn, dat de 
held den indruk moet maken van onder alle personen in het 
stuk de eenige te zijn, die op dat lagere zedelijkheidsstand- 
punt is blijven staan. Niet, dat hij zich uitsluitend op zijn ge- 
weten beroept, stelt hem laag in ons oog, want ware hij niet 
een zedelijk achterblijver geweest, dan zou zijn geweten hem 
hetzelfde hebben gezegd wat hij nu van de priesters moet 
hooren, en dan had niemand hem een beroep daarop ten 
kwade kunnen duiden. Zoo heeft dan Vondel of liever de 
Theologie, die in de Israëlieten volstrekt het heilige, uitver- 
koren volk en in hun zelfzuchtigen oorlogsgod den lateren, 
door Christus verkondigden, Hemelschen vader wilde zien, den 
ongelukkigen bijbelschen Jeptha overgeplaatst in eene maat- 
schappij, waarin hij niet past en dus wel eene zonderlinge, 
onsympathieke en in den grond toch zeer beklagenswaardige 
figuur moest worden: het tegenovergestelde van een treur- 
spelheld en een heilige. 

Vondbl's iMcifer is het tragische voorspel op het hoofd- 



STOP BN KARAKTER VAN VONDEL's „I4ÜCIPER". 431 

moment in de wereldgeschiedenis: de Mensch wording van 
God. De voorstelling van Lucifers opstand tegen God is in 
den geest der kerkvaders en daardoor in de kerkelijke over- 
levering langzamerhand gegroeid uit enkele bijbelplaatsen, die 
onwillekeurig tot de wording der Lucifersmythe aanleiding 
gaven. Vondel heeft ze bijeengebracht in zijn „berecht" vóór 
het stuk, waarin hij er tevens op wijst, hoe de meening der 
godgeleerden verschilt ten opzichte van de nadere uitwerking 
dezer voorstelling, zoodat dus aan den tooneeldichter in dezen 
groote vrijheid gelaten werd. Van die vidjheid heeft hij, zooals 
hij zegt, * inzonderheid gebruik gemaakt om reeds vóór den 
opstand Gods mensch wording bedekteUjk te doen aankondigen, 
omdat hij daardoor te beter het tragisch karakter van dien 
opstand in het oog kon doen vallen. Zóó immers kon hij 
doen zien, hoe Lucifer, jaloersch op den mensch, omdat deze 
boven de engelen begunstigd zou worden, wanneer God zelf 
zich zou verwaardigen de menschelijke gestalte aan te nemen, 
door zijne pogingen om dat te verhinderen (eerst zijn opstand 
tegen God en vervolgens zijne verleiding van den mensch) 
juist de door God gewilde omstandigheden doet ontstaan, 
waaronder Gods menschwording uit liefde voor het gevallen 
menschdom moest plaats grijpen. Zóó blijkt het dan in Gods 
plan te hebben gelegen^, dat Ijucifer door zijn opstand juist 
dat zou bewerken, wat hij er mee hoopte te verijdelen. Alleen 
door dat in het oog te houden kan men het verheven karakter 
van dit treurspel ten volle begrijpen, indien men zich althans 
weet te plaatsen op het door Vondel ingenomen orthodox- 
kerkelijk standpunt, de verhevenheid der rechtzinnige leer 
van zonde en voldoening weet te erkennen en niet blind is 
voor de grootsche gedachte, die er gelegen is in de voorstel- 
ling der eenheid van 's menschen eindig wezen met het eeuwig 
wezen der godheid in den persoon van Christus. Daarbij doet 
het niets ter zake, of men het door Vondel als waar aange- 
nomen geloofsstelsel veeleer houdt voor het gewrocht van 
begrip en verbeelding der voorgeslachten, dan voor de ook 
nu nog verdedigbare formuleering eener wetenschappelijke 
wereldbeschouwing. 

Het tooneel, waarop de „Lucifer" speelt, is de hemel. Daar 
treffen wij bij het begin van het stuk Belzebub, „den Raet van 



432 vondel's ^lücipbr". 

's Hemels Stedehouder" (Lucifer), aan, in afwachting van Belial, 
dien hij heeft afgezonden „om uit te zien, waer ons Apollion magh 
blijven". Apollion toch was door Lucifer naar de aarde gezonden 
om zich met eigen oog te overtuigen van den heilstaat, waarin 
Adam, Gods jongste schepping, in het Paradijs verkeert. Spoedig 
komt nu Belial de nadering aankondigen van Apollion, die 
snel als „een vliegend vier", als eene verschietende ster door 
de negen hemelsferen van de aarde naar den hemel komt 
opstijgen. Een oogenblik nog en Apollion vertoont zich, 
geheel in verrukking over hetgeen hij op aarde heeft aan- 
schouwd. „Een gouden tack met ooft van karmozyn en gout*' 
brengt hij als eene proeve der aardsche heerlijkheid mede 
uit het Paradijs, dat hij vervolgens afschildert als een lusthof, 
zóó bekoorlijk, dat de engelen, zooals Belzebub zegt, hun 
„Paradys om Adams hof verwenschen zouden'*. Maar in dien 
lusthof, is de mensch, de koning eener geheele dierenwereld, 
nog het schoonste van alles: een dubbele engel, niet alleen 
geest, zooals de engelen des hemels, maar ook lichaam, en 
als zoodanig eene harmonische wezenseenheid. En die mensch 
zal zich tot in het oneindige kunnen vermenigvuldigen, want 
„in een hemel zonder vrouwen kennen de misdeelde engelen 
geen gespan van tweederhande. kunne", zooals de menschen, 
wier „leven is beminnen en wederminnen met een ouderlingen 
lust, onendelyck gelescht en nimmer uitgebluscht". „Natuurs 
penseel, geen verf, maer zonnestralen", zegt Apollion, zou het 
vereischen, Adams „bruit naer 't leven af te malen", want 
„engelen, hoe schoon ze nw oogh behaeghden, zyn slechts 
wanschapenheen by 't morgenlicht der maeghden". Toch 
waagt Apollion zich aan eene beschrijving, en wel met zóó 
goed gevolg, dat er in onze geheele letterkunde maar weinig 
is aan te wijzen, wat in poëtisch schoon het hier van Eva 
geschilderde beeld evenaart. Als „eeuwigh en onsterflijck" 
door de vrucht van den boom des levens te eten is de 
mensch reeds aan de „engelen, zijn broederen, gelijck" ; maar 
door zijn vermogen om „zijn wezen uit te storten in duizenir 
duizenden" is hij, zooals Belzebub opmerkt, ook «rmaghtigh 
den engelen over 't hooft te wassen". Duidelijk blijkt het nu: 
alleen om den mensch heeft God alles geschapen. 

Nog duidelijker blijkt dat, als Gabriël, Gods geheimnistolk, 



vondkl's „lücipkr". 4^3 

door een breeden rei van engelen omstuwd, optreedt om 
Gods bevelen af te kondigen. God bouwde inderdaad, zegt 
hij, „*t wonderlyck en zienelyck Heelal der weerelt zich zelf 
en oock den mensche ten geval en sloot van eeuwigheit het 
Menschdom te verheffen oock boven 't Engelsdom*\ Eenmaal 
zelfs, zoo kondigt hij aan, zal „het eeuwigh Woort, bekleet 
met been en Aren", als heer en rechter over engelen zoowel 
als menschen verschijnen, en als die heer in „menschelyck 
gestalt" zegevierend zijn troon in den hemel zal innemen, 
„dan schynt de heldre vlam der Serafynen duister by 's men- 
schen licht en glans en goddelycken luister". Daarom moeten 
ook nu reeds de engelen den mensch dienen, daar „wie Adam 
eert, het hart van Adams vader wint". Hoe de engelen „in 
dryderhande ry en negenvoudige orden onderscheiden worden", 
laat VoNDBL nu, in aansluiting aan de geestenleer van Gre- 
gorius den Groeten en Pseudo-Dionysius, door Gabriël uiteen- 
zetten, die hun daarop beveelt, elk in de hem aangewezen 
sfeer zijne plichten te vervullen en vooral Adam te dienen 
en te beschermen, hem op de handen te dragen. 

Als Gabriël heeft uitgesproken, valt de rei der engelen in 
met den beroemden zang: „Wie is het, die zoo hoogh ge- 
zeten, zoo diep in 't grondelooze licht, van tyt nog eeuwigheit 
gemeten noch ronden, zonder tegen wight by zich bestaet? en 
den tegenzang: „Dat 's Godt, Oneindigh eeuwig Wezen van 
alle ding, dat wezen heeft." Inderdaad is in deze zangen van 
Hem, dien „verbeelding, tong noch teken kan melden", 'alles 
gezegd wat de diepzinnigste wijsbegeerte ooit van God heeft 
kunnen uitdenken om van Zijne onuitsprekelijke grootheid 
een flauw denkbeeld te geven. Met een „heiligh, heiligh, 
driemael heiligh !" besluit de toezang van den rei deze hymne. 
Gods ondoorgrondelijk besluit moet voor de engelen „bondigh" 
(d. i. verbindende) zijn, Gods bevel moeten zij aanbidden en 
hem eeren in Adam, zonder nadere uitlegging van het waarom : 
immers „al wat Godt behaeght is wel". 

Staande op zijn strijdwagen opent Lucifer het tweede be- 
drijf, maar geen lichtglans omstraalt het gelaat van „Godts 
Morgenstar". Nu in het menschenpaar eene „dubbele star" 
verrezen is, is het met zijn luister gedaan, zegt hij vol spijt 
en bitterheid. De engelen zijn door God onherroepelijk ver- 
II 28 



434 vondbl's „lucifer". 

oordeelfl om slaven der menschen te worden: tegenspraak 
geldt hier niet. Belzebub geeft hem gelijk en schildert zijne 
vernedaring en zijne dienstbaarheid aan dien „aerdtworm, uit 
een klomp van aerde en klay gekropen', met zulke schrille 
kleuren af, dat Lucifer, daardoor geprikkeld, uitroept: „Dat 
zal ick koeren, is het anders in myn maght!" Aan die woor- 
den herkent Belzebub den fleren Lucifer, den machtigen stede- 
houder Gods. De mensch mag niet boven de engelen verheven 
worden. Deze moeten hunne oude rechten weten te hand- 
haven, en daarmee stemt Lucifer in: „laet zwichten al wat 
wil, ick wyck niet éénen voet. Is 't noodlot, dat ick vall'", 
dan wil ik vallen „met deze kroon op 't hooft". Veel liever 
ben ik „d' eerste vorst in eenigh lager hof, dan in 't gezalight 
licht de tweede of noch een minder", zegt Lucifer, en met 
die woorden wacht hij Gabriël af, die reeds vermoedt, wat er 
in hem omgaat. Tegenover hem ontkent Lucifer dan ook 
geenszins zijn spijt. Gods besluit is hem een raadsel, dat hij 
gaarne zou zien uitgelegd, maar „veel weten kan altyt niet 
vordren, somtyts schaden", antwoordt Gabriël: „de Hooghste 
ontdeckt ons slechts wat hy geraden vint", en Lucifer, die 
totnogtoe „zyn kroon voor Godt alleen gebogen" heeft, zal 
die nu ook moeten buigen „voor 't besluit der Godtheit". 
Maar inet dat besluit, zegt Lucifer, verkleint God zijn eigen 
Majesteit, en wanneer hij er zich tegen zou veizetten, zou 
het zijn om te „yvren voor Godts eere, om Godt zyn Recht 
te geven". Te vergeefs brengt Gabriël nog in herinnering, 
dat God „het punt, waerin zyn hoogheit is gelegen", zelf het 
best kent: wanneer hij vertrokken is, zegt Lucifer tot Belze- 
bub, dat hij vast besloten is, alles op het spel te zetten en 
zich door niemand te laten trotseeren. ApoUion, die nu 
optreedt, moge ook al wijzen op het gevaarlijke, het hopelooze 
zelfs van een opstand tegen God, Lucifer toont zich onver- 
vaard. Hij wil ook niet strijden tegen God, maar tegen Gods 
veldheer Michaël, zijn gelijke, zegt hij, en draagt nu aan 
ApoUion op, met Belial te overleggen, hoe het best het vuur 
der ontevredenheid onder de engelen kan aangestookt worden, 
zooals deze beide daarop ook doen. De opstand moet van de 
nu reeds morrende engelen uitgaan, meen en zij, hunne leus 
moet zijn : „den mensch in eeuwigheit ten hemel uit te sluiten", 



vondel's «lucifer". 485 



9 



en, wanneer zij omzien naar een hoofd voor den opstand, 
moet Belzebub als schoorvoetend hunne partij kiezen en 
Lucifer eerst aarzelend zich aan hun hoofd plaatsen, alsof bij 
om hunnentwil zich opofferde. Dan zullen zij hem te beter 
steunen. Wanneer zij heengaan om dat plan uit te voeren, 
spreekt de rei der getrouwe engelen zijne droefheid uit over 
den rossen gloed, dien 's hemels heilig licht verspreidt, nu het 
„door woleken en bedroefde nevels" belet wordt in vollen 
glans te stralen. 

Met het derde bedrijf zien wij de vruchten van ApoUions 
en Belials werk. Morrende en weeklagende zitten de ontevre- 
den engelen bij elkaar en dof klinkt het „helaes, helaes, 
helaes, waer is ons heil gevaren I" uit hun mond als het 
geloei eener oproerige menigte, die zich door de aan God 
getrouw gebleven engelen niet kan laten tit)osten, nog minder 
tot berusting in Gods wil kan laten bewegen. Wanneer de 
getrouwen de hulp van Belial en ApoUion inroepen om de 
morrenden tot bedaren te brengen, verklaren deze zich daartoe 
buiten staat: immers „zij steunen op hun recht!" en zijn niet 
ongehoorzaam geworden aan Gods wil, maar God zelf is van 
wil veranderd en daarover zijn zij terecht ontevreden. Belzebub, 
die nu verschijnt, ziet met genoegen, dat de ontevredenen 
„groeien in getal", en ofschoon hij hun gelijk geeft, dat zij 
over onrecht klagen, veinst hij hunne oproerige gezindheid 
af te keuren. „Met smeecken moght ghy best en eerst uw' 
wensch verwerven", voegt hij hun toe; maar zij zien meer 
heil in een onverhoedschen aanval en verlangen, dat Belzebub 
zich aan hun hoofd zal plaatsen. Hij weigert echter: alleen 
verklaart hij zich bereid, hun „voor te treden naer den troon 
van 't groot palais" om langs vreedzamen weg naar hun doel te 
streven, en bemiddelend treedt hij dan ook voor hen op, als 
Michaël verschenen is, om, vóór het oproer uitbarst, de straf 
aan te kondigen, die op de misdaad zal volgen. Deze sommeert 
hen, de wapens terstond heer te leggen en niet langer muit- 
ziek samen te rotten. Als zij zich onwillig toonen en zich op 
Lucifer beroepen, vertrekt Michaël met de getrouwe engelen 
om bij God z\jn beklag in te dienen. 

Nu vertoont zich Lucifer op zijn strijdwagen, en dringend 
smeeken de ontevreden engelen hem, zich aan het hoofd van 



436 vondel's , lucifer". 



n 



den opstand te plaatsen. Ook hij erkent, dat zij gegronde 
reden hebben om zich gebelgd te toonen, maar hoopt, dat 
God hun „dees belleghzucht vergeve". Hun verzoek om hun 
aanvoerder te zijn wijst hij aanvankelijk af, maar als Belzebab 
het ondersteunt, geeft hij zich, schijnbaar tegen zijn zin, ge- 
wonnen; en nu laat hij zich op een troon plaatsen om als 
hun vorst gehuldigd te worden, waarop de Luciferisten, „te 
gelyck by Godt en Lucifer" zwerend, hem „het wieroockvat" 
toezwaaien en hem verheerlijken met „muzyck, bazuinen en 
schalmeien", om dan vervolgens ten strijde te trekken onder 
het marschlied, dat ons met zijne trochaeïsch-dactylische vers- 
maat, door vier iamben besloten, den dreun hunner voet- 
stappen bij het tromgeroffel ook in woorden doet hooren: 
„Op, treckt op, o ghy Luciferisten, volght dees vaenl Ruckt 
te hoop al uw krachten en listen. Treckt vry aen. Volght 
dezen Godt op zyn trommel en trant. Beschermt uw Recht 
en Vaderlant". Als nu de laatste scharen zijn weggetrokken 
onder het zingen der godslasterlijke woorden: „wy met triomf 
kroonen Godt Lucifer: Bewieroockt hem, aenbidt zyn sterl" 
besluit de rei der getrouwe engelen dit bedrijf met een klaag- 
zang over de „Staetzucht", die zoo jammerlijk den vrede in 
den hemel verstoort. 

Gabriël deelt bij den aanvang van het vierde bedrijf aan 
Michaël mee, dat Lucifer, „in zynetrou verandert, trompeten 
trom roert en des hemels derde deel" onder zijn standaard 
verzameld heeft; en nadat Michaël zich door zijn schildknaap 
Uriël de wapenrusting heeft laten aandoen, trekt hij aan de 
spits zijner heerscharen op om „Godts oorlogh te voeren". 
Een tweede tooneel vertoont ons Lucifer aan het hoofd der 
zijnen, vol strijdlust en moed, omdat uit alle rangen der 
engelen voortdurend nieuwe aanhangers zijne partij komen 
versterken. Vóór den strijd spreekt hij zijne troepen toe. „De 
tiranny der hemelen zal verkeeren in eenen vryen Staet", als 
zij hem „voor 't hooft van hunnen vrydom kennen", zegt hij, 
en nu hernieuwen zij hun eed van trouw aan God en Lucifer 
tegelijk. Maar nog eene uiterste poging wordt er gedaan om 
den strijd te verhoeden. Rafaël, die Gods Barmhartigheid ver- 
tegenwoordigt, zooals Gabriël de Waarheid en Michaël de 
Gerechtigheid, treedt op om Lucifer te bezweren, dat hij, nu 



vondel's „lucifer". 437 



tt 



het nog tijd is, den dollen krijgstocht stake. Hij wijst hem op 
zijne tegenwoordige heerlijkheid, die hij roekeloos verspeelt 
door zijn misdadig opzet: „den olyftack der genade" biedt hij 
hem aan. Lucifer echter verontschuldigt zich: hij strijdt niet 
tegen, maar onder God; zijne „helden hebben Godt en Lucifer 
gezworen" en wenschen alleen tegen Michaël voor de hun 
wettig verleende handvesten en rechten te strijden. Dat is 
eene valsche leus, waardoor de Alwetendheid zich niet laat 
bedriegen, zegt Rafaël : Lucifer en zijne engelen hebben geene 
andere rechten, dan die God hun gegeven heeft en ook weer 
ontnemen kan ; en als redeneering niet baten mag, dan smeekt 
hij Lucifer met hartelijken aandrang, dat hij toch niet blin- 
delings zijn wis verderf te gemoet moge gaan. Nog is er ge- 
nade te wachten. Rafaël belooft zijn middelaar bij God te 
zullen zijn« Die liefdevolle woorden maken op den Stedehouder 
diepen indruk, zijn schuldbesef (de anagnorisis) ontwaakt, en 
zoodra dat gebeurt, breekt het licht des verstands weer heen 
door de nevelen van hoogmoed en nijd, die zijn geest hadden 
verblind. „Of ergens schepsel zoo rampzaligh zwerft als ickl" 
roept hij uit: „de neerlaegh is zwaer te myden", het was „de 
snootste ondanckbaerheit" zijn Schepper af te zweren, en hot 
baat hem niet, voor het Goddelijk licht zijne „verwatenheit 
te vermommen"; dat ziet hij nu helder in. Een oogenblik 
staat hij in twijfel; maar wie zich tot volksleider opwerpt, 
houdt daarmee op, zijn eigen meester te zijn: hij denkt de 
volksmassa aan te voeren, maar wordt slechts door haar voor- 
uit gestuwd. Teruggaan is voor hem onmogelijk geworden: 
dat ontwaart hij met schrik. „Hier baet geen deizen: neen, 
wy zyn te hoogh geklommen I" roept hij uit, en daar klinkt 
het trompetgeschal, waarmee Michaël het sein tot den aan- 
val geeft. De Luciferisten hooren dat met opgewondenheid. 
Zij wanen zich reeds zeker van de overwinning; maar inder- 
daad is de nederlaag al geleden, want Lucifer heeft alle zelf- 
vertrouwen verloren, en als ApoUion hem aanmaant ook van 
zijn kant het sein tot den aanval te geven, is het alleen de 
wanhoop die aan z^'ne besluiteloosheid een einde maakt. Hij 
blaast den aanval en trekt met de zijnen ten strijde. Voor 
Ra£&ël blijft nu niets anders over dan met den rei van ge- 
trouwe engelen neer te knielen en zich in gebed te richten 



438 vondel's „lücipbr". 

tot den 9 Vader, die geen wieroockvat, noch gout, noch lofzang 
waerder schat dan godtgelatenheit en stilte van 't schepsel", 
en genade af te smeeken voor den ongelukkige, die zelf weet, 
dat alle hoop op genade ijdel is. 

Bij het begin van het laatste bedrijf is de geweldige strijd 
gestreden en komt Uriël daarvan aan Rafaël verslag geven 
in een verhaal, dat van de stoutste dichterlijke verbeelding 
en van het machtigste uitbeeldingsvermogen getuigt. Met 
zijne driehoekige slagorde (het zinnebeeld der Drieëenheid) is 
Michaël, als een adelaar op zijne prooi, van boven neerge- 
streken op den boog der halve maan (het zinnebeeld van het 
Ongeloof), door Lucifers legerscharen gevormd, en heeft dien 
in het midden doorboord. Te vergeefs heeft Lucifer tot 
driemaal toe beproefd Michaëls diamanten schild te klooven, 
waaruit Gods heilige naam den muiteling tegenschitterde. 
Michaël „klinckt den wrevelmoedigen zyn bliksemstrael door 
helm en hooft in d' oogen, zoodat hij achteroverstort" uitzqn 
met Leeuw en Draak (de zinnebeelden van Hoogmoed en 
Nijd) bespannen wagen, die met hem in den afgrond ver- 
zinkt, waarin hij neerploft, onderweg veranderd „in een 
wanschapenheit", eene mengeling der ledematen van zeven 
dieren, die de zeven hoofdzonden vertegenwoordigen. «Dat 
leert de Staetzucht Godt naer zyne kroon te steken". 

Nu treedt zegevierend Michaël op, begroet door het triomf- 
lied van den engelenrei: „Gezegent sy de Held, die 't godde- 
loos gewelt, en zyn maght en zyn kracht en zyn standert ter 
^eder heeft geveltl" Maar als de laatste klanken van het 
„Prys en eer zy den Heere aller Hoeren I" nog nauwelijks 
zijn weggegolfd, komt Gabriël de droeve lotverwisseling (peri- 
petia) aankondigen met zijn: „Helaes, helaes, helaes, hoe is 
de kans gekeerti" „Och, Adam is gevallen!" klinkt het als 
„een donderslagh in d' oor en". Belial heeft op Lucifers bestel 
ook den mensch tot afval van God verleid. Zóó echter kan 
dat groote drama niet eindigen : de verzoening (katharsis) moet 
nog volgen. Wel zullen de menschen zich nu niet meer 
mogen voeden met de vruchten van den boom des levens en 
zullen de booze geesten, in den afgrond der hel gekluisterd, 
vreesel^k moeten boeten voor hunne schuld, maar eenmaal 
zal „de Godtheit uit het zaet van d' eerste vrou den Siercken 



vondel's ^lüciper"; jan jansz. vos. 439 

verwecken, die de Slang, den Draeck het hooft zal pletten", 
zoo voorspelt GabriëL En de Sterke is, dat weten de toe- 
schouwers. God zelf, die de menschelijke gestalte zal aan- 
nemen. In hoopvolle verwachting ziet nu de engelenrei de 
komst te gemoet van den „Verlosser, die, uit liefde herstellend 
wat in Adam wert verloren, 't vervallen menschdom eens 
van Adams errefschult zal verlossen" en zoo het mogelijk zal 
maken, dat de nakomelingen van het eerste menschenpaar 
voor het verloren paradijs „een schooner paradijs hierboven" 
zullen innemen om de plaats der gevallen engelen te bekleeden 
om den troon van God. 

De zondeval, hier slechts door Gabriël verhaald, zou later 
door Vondel in een afzonderlijk treurspel, Adam in balling- 
9efiap, in bijzonderheden worden uitgewerkt, en had Vondel 
in Noord-Nederland Christus ten tooneele mogen brengen, 
dan zou hij ongetwijfeld ook zijn Zuidnederlandschen geloofs- 
genoot vóór geweest zijn en met het tafereel der „Mensch wording 
van het Woort" dit grootsche mysteriespel hebben voltooid. 



L. 
Jan Jansz, Vos. 

Ofschoon alle letterkundigen en voorstanders van het tooneel 
Vondel onder zijne tijdgenooten eenstemmig niet alleen als 
onzen grootsten dichter, maar ook als onzen eersten tooneel- 
dichter erkenden, was er sedert 1641 naast hem een jong 
poëet opgestaan, die zich allengs aan den Schouwburg niet 
minder gezag en zelfs nog meer invloed had weten te ver- 
werven: Jan Jansz. Vos. Voor onze letterkunde was hij dan 
ook inderdaad in zijn tijd van zooveel beteekenis, dat hij hier 
eene afzonderlijke, opzettelijke behandeling verdient. 

Zijn geboortejaar is ons nog onbekend, maar mag bij gissing 
omstreeks 1615 worden gesteld. Als ambachtsman opgevoed, 
kende hij geene andere taal dan Nederlandsch ; maar als 
huisschilder en glazenmaker was hij een gezeten burger en 
later ook een der beide stadsglazenmakers, die de Stedelijke 
Regeering had aangesteld. Als wijnroeier verdiende hij er 



440 DE „ARAN BN TITÜS" VAN JAN VOS. 

nog wat big. Het dichten v^xi vensters bracht hem meer op 
dan het dichten van verzen, zooals hij zelf meer dan eens 
zeide, want hij was prat op zijn beroep: minder uit nederig- 
heid dan uit trots op zijn vernuft en andere persoonlijke 
gaven, waaraan hij wel wilde weten, dat hij zijn roem en 
aanzien uitsluitend verschuldigd was. 

In 1639 trad hij in het huwelijk met Grietje Gerrits, die 
hem één dochtertje schonk, waarop hij als weduwnaar alle 
liefde overdroeg, die hij voor de moeder had gevoeld, zoodat 
hij Vondel's raad om te hertrouwen afwees met de op- 
merking, dat hij „zyn eenigh kindt geen stiefmoer op te 
dringen zocht". Enkele minnedichtjes op Laura behoeven nog 
niet te pleiten voor tijdelijke ontrouw aan dit besluit, omdat 
zij zeer goed óf op verzoek van een ander kunnen gemaakt 
zijn 6f vóór zijn huwelijk tot zijne vrouw gericht kunnen ge- 
weest zijn, want veilig mogen wij aannemen, dat hij als dichter 
meer oefening dan bekendheid had, toen hij zich in 1641 
opeens in de kunstwereld groeten naam maakte met zijn 
treurspel „Aran en Titvs of wraak en weer wraak". 

Titus Andronicus heeft de Goten overwonnen en komt te 
Rome, waar Saturninus nog niet lang geleden tot keizer ge- 
kroond is, zoo vangt het stuk aan. Als gevangenen voert 
hij Thamera, de koningin der Goten, en hare beide zoons, 
Demetrius en Quiro, mede, en ook den Gotischen veldheer, 
den Moor (of liever neg