Google
This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project
to make the world's books discoverablc onlinc.
It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover.
Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the
publisher to a library and fmally to you.
Usage guidelines
Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying.
We also ask that you:
+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for
personal, non-commercial purposes.
+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the
use of public domain materials for these purposes and may be able to help.
+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it.
+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe.
About Google Book Search
Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web
at |http: //books. google .com/l
Google
Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken.
Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn.
Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u.
Richtlijnen voor gebruik
Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op
automaüsch zoeken.
Verder vragen we u het volgende:
+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden.
+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe-
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien
hiermee van dienst zijn.
+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet.
+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng.
Informatie over Zoeken naar boeken met Google
Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken
op het web via |http: //books .google .coml
DE ONTWIKKELINGSGANG
DER
NEDERLAND8CHE LETTERKUNDE
i k
DE ONTWIKKELINGSGANG
DER
NEDEBLANDSCHE LETTERKUNDE
DOOR
Dr. jan te winkel
Hoogleeiraar te Amsterdam
TWEEDE DEEL
HAARLEM
DE ERVEN F. BOHN
1908
TH" >:f,\v YORK
PUBLIC LI3RARY.
453327
ASTOR. LENOy AND
Tjlden founpatiöns
" 1909 L
• • •*.
• • •
' • ■ .
• t • *
• ••Va • •
-• ••
• • • '
• ••• ft
- • •
i7 •••
• •
•• • !
• • •
••.:•.••
DERDE TIJDVAK.
(Tweede gedeelte).
DE BLOEI DER LETTEREN
1680—1680.
XX.
Didericus Rafelsz. Camphuysen.
Daar Arasterdam door het groot aantal uitstekende dichters,
die in het eerste kwart der zeventiende eeuw optraden, op
letterkundig gebied wel als toongevend moest beschouwd wor-
den, en ook de geschiedschrijvers onzer letteren zich later in
de eerste plaats met de Amsterdamsche dichters hebben bezig
gehouden, zou men licht in den waan geraken, dat destijds
in Amsterdam, zooals tegenwoordig en ook reeds veel vroeger
in Parijs, de letterkundige beweging zich concentreerde. Dat
echter was geenszins het geval. De Amsterdammers zelf be-
schouwden zich min of meer als de vertegenwoordigers der
door Heinsiüs aangewezen Leidsche richting en bogen zich
gaarne voor het gezag van den grooten Delftenaar Hugo de
Groot, sinds 1613 pensionaris van Rotterdam. En ook elders
in ons land wemelde het van dichters, waaronder verscheidene,
die in hun eigen tijd in eere waren en ook bij het nageslacht
een goeden naam hebben behouden, al moesten zij ook ver
onder doen voor de groote Amsterdammers. Dat in geheel
Holland de dichtkunst hare beoefenaars vond, werd bij de
inwijding der Duytsche Academie in 1617 ook uitdrukkelijk
gezegd door Suffridüs Sixtinus in deze woorden:
„Daer schuylt een Groot ghemoet en geest in dyne paelen,
Vermaerde Rotterdam, die trots een yder biet
In const en wetenschap. Noch eene by de vliet
De Linge, sterck van stroom en loop; dan noch een graeghe
Tot const en wetenschap hier by in *8-Gravenhaeghe.
Ghy Leyde voet oock twee, twee die daer zyn bekent
Door haere const tot aen des werelts uyterst ent:
Een lettermoeder HeynSf een cloeck ervaren Schryver.'*
camphuysbn's jeugd.
Naast Heinsius en Scriveriüs, die hier genoemd, en De
Groot, die hier zinspelend aangeduid worden, is hier ook
sprake van een Hagenaar, waaronder (want Huygens was in
1617 nog niet als dichter opgetreden) ongetwijfeld Gjjsbert
VAN HoGENDORP moet verstaan worden. De dichter uit de
buurt van de Linge kan Rutger Wessel van den Boetse-
LAER zijn, die heer van Asperen was, of een Gorkumsche
dichter, hetzij Hbndrick van der Müyr, hetzij Abraham
Kemp. Een derde — de meest beroemde — dichter, die te
Gorkum het levenslicht zag, Didericus Rafelsz. Camphuysen,
was in 1617 als dichter nog onbekend, ofschoon hij in kerke-
lijke kringen de aandacht reeds eenigszins op zich geves-
tigd had.
Na zijne ouders vroeg verloren te hebben was Camphuysen
door de zorg van zijn ouderen broeder voor schilder opgeleid,
doch schilderijen van hem bestaan er niet. Van die, welke
aan hem werden toegeschreven, zijn er enkele van zijne zoons
of zijne neven, die later ook schilders waren. Bekendheid met,
maar geenszins liefde voor de schilderkunst blijkt uit zijne
gedichten. Op achttienjarigen leeftijd (in 1604) begon hij zich,
op aansporen van den Gorkumschen rector, op de studie toe
te leggen. Vier jaar later werd hij te Leiden als theologisch
student in het StatencoUege opgenomen, waar hij, vooral door
den invloed van zijn vriend Johannes van Alendorp, de denk-
beelden van Arminius ging aanhangen en voor Alendorp's
zuster Anna eene standvastige liefde opvatte, die ondanks de
tegenwerking harer moeder en andere beproevingen in 1613
tot een huwelijk leidde. Intusschen was hij een tijdlang goe-
verneur bij Gideon van Boetselaer, heer van Langerak en
Nieuwpoort, geweest, wiens geheele familie levenslang met hem
bevriend is gebleven.
Na zijn huwelijk voorzag hij te Gorkum met lesgeven in
zijn onderhoud, tot hij in 1614 leeraar w^rd aan de Hiërony-
musschool te Utrecht. In dien tijd schijnt er een omkeer
in zijn denken en gevoelen te hebben plaats gegrepen en be-
gon hij den rug toe te keeren aan al wat wereldsch was. Hij
predikte toen ook zoo nu en dan, o.a. voor de Doopsgezinden,
waartoe zijne moeder behoord had, en van wie hij eigenlijk
meer geestverwant was dan van de Gereformeerden. Ook trad hij
CAMPHUYSKN ALS PREDIKANT. 5
soms onder grooten toeloop in den Dom op; maar tegen het
aanvaarden van het predikambt zag hij op, en groote moeite
kostte het zijnen vrienden en beschermers om hem (in 1617) te
bewegen het proponentsexamen af te leggen, waarop hij on-
middellijk tot predikant te Vleuten werd aangesteld.
Slechts twee jaar heeft hij dat ambt mogen bekleedeti als
een bij zijne gemeenteleden zeer bemind en geëerd predikant.
Wèl behoorde hij tot de allerlaatsten, die als Remonstrant
werden ontslagen, omdat hij ook eigenlijk nooit als partij-
ganger der Arminianen was opgetreden, maar toen de van
predikanten beroofde Utrechtsche Remonstranten bij hem te
Vleuten ter kerk kwamen, werd hem in 1619 het preeken in
de kerk te Vleuten verboden, en van dat oogenblik af nam
bij eenig aandeel aan de Arminiaansche beroeringen. Hij
predikte nu te Vleuten in de open lucht en gaf zelfs eens —
in strijd met zijn afkeer van vertoon en schandaal — te
Rotterdam met eene predikatie aanleiding tot een klein
oproert] e.
Uit dien tijd dagteekent ook zijn eerste gedicht, althans het
eerste dat wij van hem bezitten, want in zijne jeugd had hij
vele, later weer „ten viere gedoemde", verzen gemaakt. Het
droeg den titel „Het schilt der verdructer ghemoederen" en
werd buiten zijn medeweten uitgegeven door den bekenden
Remonstrantschen pamfletschrijver en hekeldichter Reinier
Tellb. In het volgend jaar gaf hij er zelf eene verbeterde
uitgaaf van onder den titel „Ghewillighe patientie ofte lydens
remedie."
Verdrietig dat eene heilige en zoo zuiver persoonUjke zaak
als de godsdienst een onderwerp van openbaren twist en aan-
leiding tot vervolging was geworden, vroeg hij nog in het-
zelfde jaar ontslag als predikant. Toch riep men hem op om
de acte van stilstand te teekenen, en toen hij aan dien oproep
niet had voldaan, werd hij in het begin van 1620 uit de
Vereenigde Gewesten gebannen. Hij verliet echter niet terstond
het land en kwam daardoor ook voor korten tijd in de ge-
vangenis; maar daaruit weer ontslagen, begaf hij zich in *t
geheim naar Amsterdam, waar hij met vertalen uit het Latijn
in zijn onderhoud voorzag en, allengs zich losmakende van
de Remonstranten, wier hoofdmannen dan ook later slecht
6 CAMPHUYSEN TE AMSTERDAM; ZIJN „MAYSCHE MORGENSTOND".
over hem te spreken waren, meer en meer bewees, dat de
geest der Doopsgezinden en der Socinianen hem bezielde.
Dat bracht hem vanzelf in aanraking met de Rijnsburg-
sche coUegianten, eene te Rijnsburg wat vroeger door de
familie Codde gestichte vrome en tevens zeer vrijzinnige sekte,
die langzamerhand ook reeds buiten Rijnsburg aanhangers begon
te winnen en die, afkeerig van alle kerkelijke dogmatiek
en priestergezag, maar ook van staatsdwang en politieke be-
moeiingen, hare hoogste zaligheid stelde in onderlinge stich-
ting door bijbeloefening, een eenvoudig, vreedzaam en lijdzaam
leven en broederlijke godsdienstplechtigheden, die van het
ritueel der officiëele kerk afweken. In deze sekte had, door den
dompeldoop te ondergaan, de wegens Socinianisme door de
Dordsche synode afgezette predikant Jan Evertsz. Geesteranüs
zich laten opnemen, en deze behoorde — tot zijn dood toe —
tot de meest vertrouwde vrienden van Camphuysen, zooals
o.a. ook blijkt uit het gedicht, dat hij schreef ter aanprijzing
van Geesteranüs' IdoklenchvSy een uitvoerig Latijnsch dicht-
werk „tegen 't geestig dom der schilder-konst", waarin zonder
uitzondering alle voortbrengselen der schilderkunst worden af-
gekeurd als zinnelijken lust verwekkend, onstichtelijk of zelfs
profaan.
Levenslang heeft Camphuysen met de Rijnsburgers vriend-
schapsbetrekkingen onderhouden, en nog altijd herinnert daar-
aan een gedenksteen in den gevel van het later te Rijnsburg
door Spinoza bewoonde huisje, waarop Camphuysen's dicht-
regelen zijn uitgebeiteld: „Ach! waren alle menschen wijs en
wilden daarbij wel, De aard' waar haar een paradijs: nu isse
meest een hel". Deze bekende verzen vormen het slotcouplet
van Camphuysen's beroemd lied „Maysche Morgenstond", door
hem in 1621 met een ander Meilied uitgegeven als „May-ge-
schenk aan de remonstrantsche ghemejiiten", en later aan den
wand van menige huiskamer in lijst achter glas te vinden,
met eene ets van Luyken versierd, 't Is eene lieflijk-eenvoudige
schildering van de kalme, vreedzame natuur op een lente-
morgen, waarin de schepping van den „wijsen goeden Meester"
een waar paradijs voor alle levende schepselen wordt genoemd,
behalve voor „den dwasen mensch" die „zijn eigen rust ver-
moordt" door zijn „zotten lust en zijn verkeerden wil". Ook
CAMPHÜYSKN IN FRIESLAND; „STICHTELYCKE RYMEN'^ 7
is onder de Rijnsburgers niemand ooit populairder geweest
dan CAMPHuysEN en zijn zijne liederen nergens meer gezongen
dan d4&r.
Lang nochtans was het den balling niet vergund onopgemerkt
in Amsterdam te blijven: reeds in 't midden van 1620 moest
hij vertrekken, en hij begaf zich toen naar Norden, waar hij
met Pieter Arendtsz. eene drukkerij oprichtte. Uit dien tijd
dagteekenen eenige door hem afzonderlijk uitgegeven langere
gedichten of kleine dichtbundels: 't eerst zijn „Victoria Victis"
of een dichterlijk betoog van „lydens nutticheyt*', vervolgens
een bundel van twaalf berijmde psalmen, met korte toepas-
singen tot slot, onder den titel „Godt de wraeck ofte troost
der schrift", eene uitbreiding van den 119den psalm onder den
titel „Den Yver tot Gods wet", en nog een paar bundeltjes
met vrije berijmingen van psalmen.
In Norden doorleefde hij overigens zorgvoUe dagen, ook door
het woeden eener pestziekte, waarbij hij onverschrokken hulp
verleende evenals zijn vriend Geesteranüs, wien dat echter
(in 1622) het leven kostte. Zeer spoedig daarop verliet Camp-
hüysen Norden met zijn gezin, uit vrees voor het woeden van
Mansfelt's troepen. Hij begaf zich naar Harlingen en vandaar
naar Ameland, eene onafhankelijke heerlijkheid, waar hij dus
buiten de macht der Staten was ; maar de zeelucht bleek voor
zijn gestel zóó nadeelig, dat hij er niet kon blijven, zoodat hij
zich bij het begin van 1624 te Dokkum vestigde, waar men
hem oogluikend liet wonen en waar hij met den vlashandel
in zijn onderhoud trachtte te voorzien en ook met schrijven.
Eigenlijk stuitte het hem tegen de borst, zeide hij, „ook
deel te hebben aan de algemeene zotheyd van Boek-maak-
lust inzonderheyd in deze tijden, waarin dagelijks de wereld
met boeken en vooral met rymeryen zoo gepropt word, dat
het eenen verveelen mochte, alleen maar de Tijtels en Op-
schriften, 'k swyge de Boeken zelfs te lezen.*' Om den broode
moest hij het echter doen, en duizenden hebben zich daarin
verheugd, want wat hij in 1624 te Hoorn in twee deelen liet
drukken waren zijne „SUchtelycke Rymen om te lesen of te
singen". Dit is de eenige door hemzelf bezorgde uitgaaf. In
1628, dus na zijn dood, verscheen in Amsterdam de tweede,
nu in drie deelen, omdat in het derde deel alle vroeger door
8 camphuysen's dood kn karakter.
hem afzonderlijk uitgegeven gedichten aan den bundel toege-
voegd waren ; maar de uitgaven volgden elkaar spoedig op en
waren soms vermeerderd met gedichten, die op zijn naam
stonden, maar niet van hem afkomstig waren. Eerst in den
twaalfden, door Joachim Oudaen bezorgden, druk van 1668
werd tusschen echt en onecht scheiding gemaakt en het laatste
bijeengevoegd in een vierde deeltje. In vijf kwarteeuwen zijn
Camphuysen's Rymen omstreeks vijftigmaal, meestal met bij-
gevoegde muzieknoten, gedrukt, wat in onze letterkunde van
geen enkel ander dichtwerk kan gezegd worden.
Om den druk zijner rijmen te bevorderen begaf Camphxtysen
zich in persoon naar Hoorn, en op de reis bezocht hij o.a.
ook de vrienden te Rijnsburg. In 1626 bood Mai*tinius Ruarus,
de rector der Sociniaansche school te Rakou, hem aan die
school het hoogleeraarsambt aan, maar hij kon niet besluiten
het aanbod aan te nemen en bleef te Dokkum, werkende aan
eene Uytbreiding over de Psalmen^ om gezongen te kunnen
worden „na de fransche dichtmate van Marot en Beza", zoo-
als met zijne andere berijmingen van psalmen niet mogelijk
was; maar ofschoon hij er zich nog in mocht verheugen het
werk vóór zijn dood voltooid te zien, zag het eerst in 1630 het
licht, nadat hij in 1627 te Dokkum was overleden, door zijn
zwak lichaamsgestel niet bestand tegen de vermoeienissen van
zijn onrustig leven.
Na zijn dood werd hij door zijne geestverwanten bijna als
een heilige vereerd. Zijne in goed proza geschreven theologische
werken (uitgegeven in 1638) konden daartoe minder aanleiding
geven dan zijne gedichten, waaruit in de eerste plaats een reine
geest en eene beminnelijke persoonlijkheid spreekt. De zieke-
lijkheid zijner natuur kon hem wel onverschillig maken voor
veel in de wereld wat belangstelling verdient, omdat het tot
het wezen van den gezonden mensch behoort, maar hij was
een van die lijdzame, lieve, zelfs blijmoedige zieken, die te
allen tijde het voorwerp der vereering hunner omgeving zijn
geweest en den indruk hebben gemaakt, alsof zij niet zoozeer
te zwak als wel te goed waren voor dit leven.
De grondtoon van Camphuysen's poëzie is minachting van
de wereld, waarin hij zich zoo weinig te huis gevoelde, van
die „wereld met haar schijn en vermomde dingen", waarin
DK GEEST VAN CAMPHUYSEN's POËZIE. 9
zelfs „Utopia, *t verdichte Nergensland", ook al lag het ergens
verscholen, nog „ver van volmaakt" zou wezen, en waarin
voor den „onvernoegden mensch" trots al zijn zoeken en
trachten „niets nieuws onder de zonne" te vinden is. „Dat in
't groot eerst is gespeurt, tselve beurt naderhand in 't kleyn'
en lage: hier by stukken en ten deel, daèr geheel: nu ge-
stadig, dan by vlagen": want „zoolang menschen menschen
zijn, zalder pijn, ramp, gevaar en onlust wezen." Dwaasheid
is het op aarde een paradijs te zoeken. Dat is alleen bij God
in den hemel te vinden en, gelukkig, „kort is de pijn en 't
zuchten (want 't leven zelfs is kort), maar lang en zoet de
vruchte, die ons daardoor geword." Op aarde is alles onbe-
trouwbaar, maar „wat winden dat er ruyschen, wat regen dat
er plast, het hooge Huys van Sion staet onbe weegt en vast."
Daarheen, naar het nieuw Jerusalem, „des hoogsten Konings
stad", is zijn vurig verlangen: „Hoelang, ach Heer!" roept hij
uit, „Hoelang noch mist mijn ziel den zoeten stand van 't
waar verheugen! Helaas, wanneer, wanneer zal ik eens 't
eeuwig vaderland betreden meugenl" Het leven op aarde is
een voortdurende strijd voor iedereen, maar 't behoort alleen
een „Christelyk Gevecht" te zijn met geestelijke wapens, want
slechts daarin wordt de ware eerkroon behaald, en „van te
stryden" zong hij daarom een aandachtig en welluidend lied,
om te leeren „hoe de mensch, die wel wil stryden, heeft te
stryden en hoe niet". „Al de weereld is vol strydens", zegt
hij daarin: „stryden is menigerhand: stryden dyd zomtydstot
eere, stryden diend zomtyds tot schand. Menig stryd een
dwaas'lyk stryden om 't gering, op 't ongewis: Menig stryd
een wyss'lyk stryden om 't geen strydens waardig is. Zomtyds
stryd de mensch een stryden, dat met Godes wille stryd :
zomtyds stryd de mensch een stryden daar den Hemel in
verblyd."
Wie strijdt tegen het leed, dat hem op aarde van buiten
wordt aangedaan, strijdt den waren strijd niet: strijden moet
de mensch tegen het kwaad, dat zijn eigen zondig hart hem
berokkent, want alleen dat kwaad maakt wezenlijk ongelukkig.
„Het lyden, dat uytwendig raakt, maakt geen goed mensch
rampzalig: 't Is d' onwil dié ellendig maakt, door lusten, zot
en dwalig." Zoo is de ware vrijheid ook niet, dat men de
10 DB GEEST VAN CAMPHÜYSEN's POËZIE.
gelegenheid heeft aan al zijne begeerten te voldoen: „Is 't u
om vryigheyd gedaan, zoo vrydt u van de lusten!" Tegen
dwingelandij, ook van de Regeering, mag men niet in opstand
komen: „De overheden dieder zijn moet yder Christen eeren:
gehoorzaam wezen, niet in schijn, maar na 't bevel des Heeren."
Niet Brutus, maar Christus zij het voorbeeld voor „Gods
kind'ren": „kruyslyden brengt ons tot de kroon, kruysdoen
zal z' ons verhinderen". De ware weg tot de vrijheid is, zich
te ontworstelen aan de slavernij der zonde; en „die voor Gods
Geest van zond' is vry heeft geen tyran te schromen." Vooral
liederen als dit waren zoowel in den geest der Doopsgezinden
als der Rijnsburgsche coUegianten. Ook klinken in de liede-
ren van dezen vervolgde om het geloof de tonen voort der
oude schriftuurlijke liedekens, voor langen tijd door de marte-
laars der Hervorming aangeheven; maar bij Camphuysen
worden dezelfde denkbeelden als wij daar vernemen in veel
keuriger, vloeiender en pittiger vorm uitgesproken, terwijl zij
vermoedelijk door niemand vóór hem ook zoo diep en zuiver
gevoeld zijn. In zijne rijmen heeft deze dichtsoort inderdaad
haar hoogtepunt bereikt. Niemand heeft hem daarin later
kunnen overtreffen, zelfs niet evenaren.
Nederigheid en gelatenheid zijn de deugden, die hij telkens
aanbeveelt; maar ook voor hem is liefde de hoogste deugd:
„Wat is of wezen zal, hoe hoog, by Liefd* is 't minder, ja
zonder Liefd' is 'tal, hoe nut, onnut en hinder. Elk sta dan
wie hy zy, de leerling met den leerder, na alle gaven vry,
maar na de Liefd' noch meerder". Een man, die van deze
denkbeelden bezield was, kon bij al zijn leed en al zijne
wereldverachting niet knorrig of zwaarmoedig zijn, en tot
klagen wekken zijne liederen dan ook niet op, veeleer tot
blijmoedige tevredenheid. „Vrolijk mach de mensch wel zin-
gen, als 'tin God geschied", zegt hij zelf, en een zijner troost-
rijmen eindigt met de samenvatting der geheele levensleer in
deze woorden: „doe wel en zy verheugd".
Toch is natuurlijk zijne vreugde hemelsbreed verschillend
van die der wereldlingen. Veel is er waarin hij zich niet meer
kon verheugen, zooals wij. Zelfs de kunst is voor dezen man,
die toch eens voor schilder was opgeleid, geen genot meer.
Zij is dikwijls verderfelijk, altijd gevaarlijk. Zelfs opent hij
DE VORM VAN CAMPHUYSEN's POËZIE. 11
zijn rijmbuudel met een gedicht tegen de kunsten, die in het
hart des menschen het kwaad zaaien, dat reeds al te welig
„van zelver wast", tegen de „verweende konst van malle malery,
die qua lust en fieltsche zotterny voedt", tegen „geyl gedicht
en minneklachten", die de maagdelijke reinheid wegnemen,
tegen den tij dverkwi stenden dichter van „logenstories", die de
hongerige maag paait met wind, tegen den geschiedschrijver,
die krijgsdaden verheerlijkt en zoo haat en wraakzucht aan-
wakkert. Toch zegt hij in zijn aardig liedje „Spels-Mate", waarin
hij handelt van de speelpopjes der menschen, die „elk hun
byzonder drijven, hun bysondere lust hebben", van zich zelf :
„rijmpjes maken is het mijn".
De dichtkunst is dus, wel verre van een vijand in hem te
hebben, zijn troetelkind. Hij besteedde aan zijne rijmen dan
ook vrij wat zorg en deed vooral zijn best om te maken, dat
zij evengoed met regelmatige afwisseling van klemtoon, dus
rhythmisch, konden gelezen worden, als bij de noten, bij de mu-
ziek pasten. Vandaar die welluidendheid en vloeiendheid, die ze
altijd zoo aantrekkelijk gemaakt hebben. Een gedicht acht hij
volgens zijn rijmbrief, getiteld „Wel-rymens wet", alleen goed,
wanneer het „volmondig, kort en klaar, indringend, ongestopt"
is, „met onverkrachten stijl bevalliglijken vloeyt en zelden hort
of gaapt of 's lezers oor vermoeyt." Van overdreven purisme
houdt hij niet, maar toch tracht hij te vermijden „al wat onze
taal en 't Neerlandsch oor niet lijd." „Eenvoud en natuur"
ging ook in de poëzie bij hem boven alles, en zoo waren dan
ook zijne liederen de zuivere spiegel van zijn denken en ge-
voelen, vrij van alle gekunsteldheid, woordenpraal engeleerd-
heidsvertoon.
Vooral eischt hij van een gedicht, dat het „spraak- en
spreukrijk is, zin en zenuw heeft." Uitdrukkelijk zegt hij, dat
„volheyd en aardigheyd van zin voor al moet gaaa" en dat
het hem somtijds moeite kostte daaraan „bevalligheydt van
woorden en syllaben" te paren; hij wist wat er aan zijne
rijmen ontbrak en begreep, dat ook anderen er vele fouten in
zouden vinden, zelfs zouden afkeuren wat hij goed achtte. Ook
in dezen liet hij gaarne aan „een yder 't vermaak van zyne
opinie". Hij zelf was tevreden, als zijn rijmwerk „den Christe-
lyken of tot Christelykheydt bereyden lezer stichtte en met
12 CAMPHUYSEN TEGENOVER DB RENAISSANCE
eenen vermaakte, 't zy door de stof of konst, waartoe vooral
van nooden was, klaar en verstandelijk te zijn." De rest achtte
hij ijdelheid. Daar hij slechts één doel voor oogen had, op
aangename wijze te stichten, begreep hij ook wel, dat menig-
een zijn bundel eentonig zou vinden, maar, zeide hij „veel
beter slecht en altyd eenderhand, dan oyt door qua' ver-
scheydenheyd t' ontstichten'' ; en terecht beweerde hij van zijne
liederen: 't is and*re saus, maar al de zelve spijze." Toch
heeft hij, bij de eenzijdige strekking zijner gedichten en de
gelijksoortigheid der onderwerpen, nog wel eene zekere ver-
scheidenheid weten aan te brengen door afwisselenden strophen-
vorm met of zonder refrein en ook door soms den vorm der
samenspraak (bv. tusschen Klager en Trooster) te kiezen;
Camphuysbn's poëzie staat lijnrecht tegen die der Leidsche
en Amsterdamsche Renaissancemannen over. Pralen „met
Latijnsch' of Grieksche geleertheyd" keurt hij af; „namen van
Goddinn' en Goden" mogen in zijne poëzie niet voorkomen;
vooral heeft hij een afkeer van die dichters, „die, terwijl ze
d'ondeugd laken, maken 't hart tot ondeugd graag; wiens
afwijzen is aanwijzen, tegen maken 'svleeschs vermaak; die
door smakelijke woorden 't quaad doen plegen met een smaak".
Dat hier dichters als Bredero en Starter bedoeld worden, kan
men slechts gissen, persoonlijke aanvallen doet Camphuysen
niet, en daarom is het zeer opmerkelijk, dat de eenige dichter,
dien hij ook zonder hem te noemen duidelijk als een verderver
van goede zeden aan de kaak stelt, het hoofd der Renaissance-
mannen, Daniël Heinsius is, den dichter, volgens hem, „die
uyt ééne zelve bome zoet en bitter water schonk en vandaag
ter eer van Christus, morgen weer van Bacchus zong; die als
strenge wysheydsliever deugd en heylge zeden dreef, en straks
met dezelve penne zotte minne-ranken schreef'.
Moet er in onze poëzie • van het begin der zeventiende eeuw
sprake zijn van twee richtingen, dan is het niet de romanti-
sche richting, die tegenover de classieke staat, en evenmin de
streng kerkelijke tegenover de politiek- vrij zinnige, maar de
vroom-godsdienstige tegenover de heidensch-wereldsche, de
eerste tevens als de ouderwetsche tegenover de tweede als de
meer moderne. En welke van beide was nu de nationale kunst-
richting, als men ten minste van nationaal-Nederlandsche
OOUDSCHB DICHTERS. 13
litteratuur wil spreken zonder te bedenken, dat er onder de
Nederlanders altijd vogels van diverse pluimage zijn geweest,
en dat het nationaal karakter van ons volk niet altijd het-
zelfde geweest is? Wij kunnen op die vraag alleen dit ant-
woorden: Camphuysen's poëzie werd ongetwijfeld bewonderd
en genoten door de meerderheid van ons volk, voorzoover dat
althans in poëzie belang stelde, en die van Hbinsius en Hooft
vond hare vereerders slechts in een kleinen kring van letter-
kundige fijnproevers. In geen enkel ander land zou poëzie als
die van Camphüysen zoozeer gesproken hebben tot het hart
van het volk als zij het hier te lande deed, en daarom kan
zij voor haar tijd en ook nog wel voor veel later tijd met
eenig recht de meest nationale poëzie der Nederlanders worden
genoemd, en als zoodanig verdient zij in eene geschiedenis
onzer letterkunde ook niet op den achtergrond te blijven.
XXI.
De dichtkunst in Holland bulten Amsterdam.
De dichters der andere Hollandsche steden behoeven ons
niet zoo lang bezig te houden als Camphüysen. Van de meeste
is het voldoende ze even te vermelden om te doen zien, dat
inderdaad in geheel Holland letterkundig leven bestond. Bijna
allen zijn het óf stichtelijke dichters óf rederijkers in den
ouderwetschen trant. Zóó bv. te Gouda, waar de kamer „De
Goudsbloem'' verscheiden leden telde, die wij bij name en
door sinnespelen of refereinen kennen. Rijssaert van Spiere
hebben wij reeds aangetroffen, en naast hem trad vooral op
allerlei wedstrijden Jacob Lucasz. Sasch op den voorgrond.
Andere Goudsche rederijkers waren Pjbter Melchiorsz. Al-
CHAS, Goossen Cornelisz. Bot, J. Adriaensz. Schoon, J. P.
Stam, Jacob Vbrbrügghb en Dirck, Andries en Pieter
Crijnbn Verveen. Van den onderwijzer in het H.-Geest-
gasthuis te Gouda, Jacob Jacobsz. Vennip, hebben wij een
esbatementspeelken van vier personagiën achter zijn „Kort be-
recht van *t Tuchthuis" (1611). Als lierdichter hebben wij
MiCHiEL Vlack reeds leeren kennen. In het naburige Haastrecht
14 HUQO DK GKOOT ALS GELEERDE.
was A. Taklman leider der rederijkerskamer „De Balsembloem."
Te Rotterdam schitterde van 1613 tot 1618 de Delftenaar
HuGO DE Groot boven allen uit.
Geen onzer voorvaderen meen ik onrecht te doen door hem
den grootsten man te noemen, dien Nederland ooit heeft voort-
gebracht. Als een wonder van vroegtijdige ontwikkeling, scherp
verstand, verrassende vinding en veelzijdige kennis op het ge-
bied van alle geestelijke wetenschappen, staarden zijne bewon-
derende tijdgenooten hem aan en staat hij nog bij het nage-
slacht bekend.
Met zijn „Mare liberum" (1609) en zijn „De jure belli ac
pacis" (1625) legde hij de grondslagen van een geheel nieuw
vak van wetenschap, het volkenrecht; met zijne „Inleiding
tot de HoUandsche Rechtsgeleertheyd" (1631) gaf hij niet alleen
den voortreffelijksten leidraad bij de studie van het recht,
dat tot op het eind van de achttiende eeuw in onze Republiek
gold, maar bevorderde hij tevens krachtig het streven der
taalzuiveraars, omdat zijne bedoeling met het schrijven van
dat werk in de eerste plaats was geweest, de bastaardtaai der
rechtswetenschap in zuiver Nederlandsch over te brengen. Als
geschiedschrijver van Holland gaf hij o.a. in zijne „Annales
et historiae de rebus Belgicis" een meesterlijk verhaal der ge-
beurtenissen gedurende de eerste helft van den tachtigjarigen
oorlog, terwijl hij ook door grondige studiën de kennis der
Oudgermaansche geschiedenis bevorderde. Als theoloog-exegeet
schonk hij belangrijke aanteekeningen op het Oude en Nieuwe
Testament, getuigende van zijne diepe en veelzijdige taal-
kennis, waardoor hij ook als philoloog door de uitgave en
verklaring van Grieksche en Latijnsche schrijvers — reeds
van zijn zestiende jaar af — de bewondering der geleerden
wekte, niet minder dan door zijne Latijnsche lierdichten en
drama's. Zelfs logica, natuur-, zeevaart- en wiskunde bleven
niet buiten zijn gezichtskring.
Gedurende de twisten van het Bestand was hij op politiek
gebied de ziel der vrijzinnige staatspartij, zooals Uytenbogaert
dat was van de vrijzinnige partij op kerkelijk gebied, en toen
hij den strijd had verloren en in 1619 op zesendertigjarigen
leeftijd tot levenslange gevangenisstraf te Loevestein was ver-
oordeeld, was daarmee dat krachtige leven allerminst gebro-
HUGO DE OKOOT ALS STAATSMAN. 15
ken, en schoon in het sterke slot zoo vast verzekerd, dat er
voor hem geene kans scheen „van in der eeuwigheit t' ont-
vlughten," had hij den moed het vernuftig bedenksel van
„zijn schrandre gemalin en druckgenoot en kruisheldin" (zooals
Vondel in 1632 Maria van Reigersbergh in zijn bekend lier-
dicht op „Huigh de Groot's verlossing'' noemde) uit te voeren,
„in boecken te veranderen" en zich „door den schiltwacht voor
boecken te laten uitdragen", daarmee zijn leven wagend voor
zijne vrqheid.
De beide jaren zijner gevangenschap waren intusschen aller-
minst onvruchtbaar geweest voor de wetenschap. Hij had,
evenals eertijds Coornhert, den lof der gevangenschap kunnen
zingen, omdat hij daardoor, na de onrustige dagen der staat-
kundige beroeringen, weer in de gelegenheid kwam, zich onge-
stoord aan de studie te wijden. Opmerkelijk is het, dat hij daar, na
steeds Latijn te hebben geschreven, blijkbaar uit vaderlands-
liefde ook de Nederlandsche taal voor eenige geschriften begon
te gebruiken, zooals voor zijne reeds genoemde „Inleiding",
die daar werd opgesteld, evenals zijne „Verantwoordingh van
de wettelycke Regieringh van HoUandt ende West-Vrieslandt",
in 1622 te gelijk in het Latijn en het Nederlandsch uitgegeven.
Daar heeft hij ook, naar 't schijnt, voor het eerst Neder-
lansche verzen gemaakt, die hem echter slechts op een zeer
bescheiden plaatsje in de geschiedenis onzer letterkunde aan-
spraak zouden geven, omdat De Groot in alles groot was,
behalve juist daarin, wanneer niet een man als hij, „wien 't
vaderlant te klein viel", zooals Vondel zeide, overal eene
eereplaats verdiende.
In 1618 werd voor 't eerst van De Groot gedrukt „Vraghe
en Antwoordt over den Doop, ghestelt in zijn ghevanckenisse
voor zijn Dochter Cornellia": eene beknopte geloofsleer zonder
eenige dichterlijke beteekenis, maar merkwaardig om de dui-
deUjkheid en kernachtigheid, waarmee daarin over ieder ge-
loofspunt van beteekenis in een enkelen alexandrijn een
vraagpunt gesteld en in een vloeienden rijmregel er het ant-
woord op gegeven wordt. In het volgend jaar verscheen eerst
eene „ Uutlegginghe van het Gebedt ons Heeren", geschikt
om op eene psalmwijs gezongen te worden, en daarna eene
korte „ChristeUjcke Betrachtinghe des lydens Christi" en eene,
16 HUGO DE GROOT'S KLBINERB OBDICHTBN.
door sommigen aan De Gboot's broeder Willem toegeschre-
ven, „Samenspraeck over de deught van weynigh spreken".
In 1621 zag een geheele bundel „Christelicke Gesanghen,
ghetrocken uyt het Oude ende Nieuwe Testament" het licht,
in zuiver en vloeiend Nederlandsch berijmd, en op het laatst
van zijn leven (in 1644) gaf De Groot nog in rijm eene
„Uutlegginghe des Alghemeynen Sentbriefs van den Apostel
Joannes" uit, waaraan, toen die vier jaar later, na De Groot's
dood, herdrukt werd, nog de niet bijzonder gelukte vertaling
van twaalf Katholieke kerkgezangen was toegevoegd en een
merkwaardig „Gesangh" of klacht over de jammerlijke ver-
deeldheid der Christenen, die door den geest der liefde en
der waarheid nauw verbonden moesten zijn en als „schapen
die één herder kennen", zich ook moesten laten „wennen tot
één zelven stal"; maar helaas! zoo klaagt De Groot: „Als
men 't wel versint, siende zijn wy blint, hoorend zijn wy doof;
en men mach wel vragen in dees laetste dagen: waer is nu
't geloof?" „Geen ydle waen toch is het die ons saligh maeckt",
maar eene kracht van binnen, een licht der waarheid, dat in
het gemoed ontbrandt door de werking der liefde tot God,
zich openbarend in liefde tot den naaste. Vooral in het laatst
van zijn leven was De Groot's ideaal de stichting van eene
algemeene Christelijke kerk boven geloofsverdeeldheid, die alle
waarlijk Christelijk voelende menschen ondanks hunne ver-
schillende meéningen over ondergeschikte punten der gods-
dienstleer broederlijk zou kunnen vereenigen. Vandaar ook
in dit gezang zijn gebed, het laatste tevens dat hem van de
lippen kwam: „Godt, die 't al vermeught, doet ons dese deught,
doet dit wonder- werck : wilt genadigh heelen de verbroken
deelen van de Christen -Kerckl"
Behalve deze kleine gedichten waarbij nog enkele te voegen
zijn uit den verzamelbundel „Verscheyde Nederduytsche Ge-
dichten" van 1651, gaf De Groot in 1622 een uitvoerig dicht-
werk in zes boeken uit: Bewys van den waren OodsdiensL Hij
schreef dit leerdicht vooreerst om zich zelf in den tijd zijner
gevangenschap te sterken in het geloof, maar vervolgens ook
vooral om „zijnen lantsluiden, inzonderheit die de zee bouw-
den, met dit werk te dienen, opdat ze hunnen tydt in de
leedigheit der lange zeereizen nuttelyck moghten besteeden en
n
BKWYS VAN DEN WAREN GODSDIENST." 17
zich van kennis voorzien om hunnen Godtsdienst te konnen
verdeedigen, den ongeloovigen, den Heidenen, Jooden enMa-
humetanen van de zaalighmaakende waerheit te overtuygen
en 't Christenrijck verder uit te breiden'*. Hij wenschte, dat
dit gedicht voor de zeelieden het middel zou worden om „diep
in 't versenghde landt tot aen het winterhuys end' aen de
zuyder asch 't Jerusalemsche kruys'* te brengen.
Hij tracht in dat gedicht in heldere, vloeiende, maar pro-
zaïsche alexandrijnen door verstandelijke redeneering eerst het
bestaan van God en het goed recht van den godsdienst te
bewijzen, vervolgens de voortreffelijkheid van het Christendom
en de geloofwaardigheid van de Heilige Schrift te betoogen
en eindelijk aan te toonen, dat het Christendom in waarheid
en deugdelijkheid verre den godsdienst der Heidenen, Joden
en Mohammetanen overtreft. Uit het geheele gedicht straalt
ons een geest van gematigdheid en vrijzinnigheid tegen, die
De Groot altijd heeft gekenmerkt en die hem meer oog deed
hebben voor hoofd- dan voor bijzaken. Ook hier reeds komt
het uit, hoezeer hem de eenheid der Christenen ter harte
ging: ,Wilt u niet scheurelick van vele Leeraers roemen",
zeide hij, ,,maer laet u allegaer na éénen Leeraer noemen, ge-
lijck ghy alle zijt in éénen naem gedoopt". Ook toonde hij
zich, zelfs in dit zuiver theoretisch gedicht, grooter voorstander
van het practisch dan van het dogmatisch Christendom. Hij
wenschte, dat men de niet-Christenen voor het Christendom
zou winnen „soo door 't gesonde woord als door een heyligh
leven, betoonende door 't werck de waerheydt van de leer eii
door der knechten deught de goedtheyt van den Heer". Aan
zijn „schoon Holland", de „bloem der Nederlanden", droeg
hij zijn dichtwerk op, en, zijn er fouten — met dit aandoenlijk
verzoek besluit hij het gedicht — „verschoont veel liever 't
werck dan dat ghy 't bitter laeckt, en denckt, och Heer! het
is te Louvesteyn gemaeckt."
In 1627 heeft De Groot dit gedicht met uitbreiding en
verbetering in Latijnsch proza vertaald, en onder den lateren
titel „De Veritate religionis Christianae" is het wereldberoemd
geworden. Zeker hebben weinige werken ooit zooveel opgang
gemaakt als dit, want .ofschoon het, in het Latijn telkens
weder herdrukt, in alle landen kon gelezen worden, is het
2
18 ANDERE ROTTERDAMSCHB DICHTERS.
bovendien nog, en soms meermalen, vertaald in het Pransch, liet
Hoogduitsch, het Engelsch, het Deensch, het Zweedsch, het Ma-
gyaarsch, het Arabisch, en ook in het Nederlandsch, voor de tweede
maal door Joachim Oudaen. In verzen is het Nederlandsch ge-
dicht in 1631 door Martin Opitz in het Hoogduitsch vertaald.
Opmerkelijk is het zeker, dat deze groote humanist zich in
het Nederlandsch b\jna uitsluitend, en zelfs in het Latijn ge-
woonlijk, als stichtelijk dichter heeft doen kennen en geschre-
ven heeft in een trant, die volstrekt geen invloed van de
Renaissance op hem kan doen vermoeden, ofschoon hij die
natuurlijk beter dan iemand anders kende.
Toen HuGO de Groot nog pensionaris van Rotterdam was,
woonde daar ook een zanglievend naamgenoot van hem,
Lauwbrens de Groot met zijn zoon, den zilversmid Heyn-
DRiCK Laüwbrbnsz. DB Groot, wier reeds vroeger in verschil-
lende liedboekjes verspreide stichtelijke liederen, met nog vele
nieuwe vermeerderd, in 1620 bijeenverzameld uitkwamen onder
den titel De Orote Korenbloem met een Oroen Spruytjen als toe-
gift in 1622. Zooals de zoon in de voorrede van den eersten
bundel zeide, gaf hij zijne liederen uit, omdat „des Heren
Apostelen in huer Zeynd-Brieven de Ghemeynten Ghoods ge-
raden hebben, huer onder malkanderen te stichten met geeste-
lycke gezangen in der Ghenaden". Grooten dank was hij,
zooals hij daar tevens zeide, verschuldigd aan de hulp en
voorlichting van Abraham Mathysz. van Ghbrwen, die „wel
gheoeffent was in de Maat van Dichten, als mede in de weten-
schap van het Neder-Duyts wel spellen, ende die oock alle
vreemde woorden van ander talen vermeed".
Met Van Ghbrwen samen maakte Heyndrick de Groot
o. a. ook een „konkordansi-lied'' op de letters van 't A.B.C,
in alexandrijnen, waarin lettergrepen met en zonder klem-
toon elkaar regelmatig afwisselden. Van Gherwbn was bijzonder
daarop gesteld, zoodat hij er zelfs een geheel pleidooi voor
hield in een spel-, taal- en dichtboekj e, getiteld „Voor-loperken,
inhoudende: Een kort onderricht der Letter-kunst", in 1624
door hem uitgegeven te zamen met zijn liedboekje De Qhulde
Fonteynader. In dien bundel komen ook stichtelijke liederen
voor van Heyndrick de Groot en verschillende andere vrome
zangers, die echter niet allen Rotterdammers waren. Vóór
ANDBRB ZUIDHOLLANDSCHE DICHTERS. 19
dien tijd (in 1617) had hij reeda een veel grooter liedbundel
uitgegeven: De Ohulde Zangfonteyne, bestemd om „veel Fon-
teyntjens (dat zyn ghelovighe harten) te winnen om te beleven
tgheen dat hierin verhaald staat totter hooghster zaligheyd".
Ook daarin vindt men naast talrijke klinkdichten en liederen
van hem, waaronder een gi'oot aantal naamdichten, verscheidene
liederen van Lauwerens en Hbyndrick de Groot en van
anderen, met name van Jan Senten, die ook zelf eigen stich-
teUjke liederen met die van anderen uitgaf in een bundel,
getiteld De nieuwe vrucht des vrynstoch (1625). Al deze bundels
zijn misschien meer van belang voor onze kennis van het
godsdienstig oefeningsleven in dien tijd, dan van beteekenis
voor de kunst, al getuigen zij ook van eene groote liefde voor
den zang in ernstige kringen.
Onder de Rotterdamsche rederijkers trad in dien tijd J. J.
VAN Wassenburgh op den voorgrond, zooals onder de Schie-
damsche rederijkers Jacob Dwinglo en Jan Barthout, die
wij reeds noemden, W. Nieupoort en Gerrit Martens, die
lid was der (vermoedelijk Brabantsche) kamer „'t Vijgeboom-
ken". Van Job van de Wael, de ziel der Vlaardingsche
kamer, hebben wij reeds een paar maal gesproken. Als dichter
van de Maaslandsche kamer „Den Olijfboom" hebben wij
GiDEON LoocKEFiER te Vermelden. P. Tanenburch was op *t
eind der zestiende eeuw een Bleiswij ksch dichter.
Delft, dat aan de Maas haar grooten Rotterdammer Erasmus
niet behoefde te benijden, omdat „De Groot ruim zoo groot''
was, kon zich, behalve op hem, ook nog op een ander ver-
dienstelijk dichter beroemen, namelijk op Johannes Stalpaert
VAN DER WiELE, eigenlijk in Den Haag (in 1579) uit een
aanzienlijk geslacht gesproten, maar, na eerst te Orleans in
de rechten gepromoveerd te zijn en vervolgens te Leuven en
ook te Rome theologie gestudeerd te hebben en gedoctoreerd
te zijn, in 1612 te Delft pastoor en in 1615 aldaar rector van
het begijnhof en St.-Aagtenklooster geworden.
Onder de Noordnederlanders staat hij, althans in het eerste
kwart der zeventiende eeuw, als Katholiek vertegenwoordiger
der poëzie zoo goed als alleen. Zijne gedichten zijn van tweeërlei
aard. Deels zijn het lofzangen ter eere van heiligen of dichterlijke
levensbeschrijvingen van heiligen, deels zijn het strijddichten
20 JOHANNES STALPABRT VAN DBR WIELK.
tegen de ketters en voor de moederkerk. Tot de laatste be-
hooren negen gedichten, gevoegd achter de negen handelingen
of samenspraken tusschen Pieter den Reyzer als verdediger
en Abacuk als bestrijder der katholieke leerstellingen, in 1624
uitgegeven onder den titel Roomsche reys. Behalve het zesde
gedicht (of bescheid op de zesde handeling), dat in alexan-
drijnen geschreven en in zes sectiën verdeeld is, zijn zij alle
geschreven in korte versregels van acht lettergrepen, in gemeen-
zamen, keuvelenden toon en minder hatelijk dan de liederen,
die (in 1631) na zijn dood uitkwamen onder den titel Extractum
Catholicum tegen alle gebreken van verwarde hersenen. Ofschoon
de 170 doses uit dezen „likkepot", zooals hij zijn bundel ken-
merkt, alle geschreven zijn in liedvorm met de wijsaangifte
er boven, is de toon er over het algemeen redeneerend en
niet zelden ook spottend en schimpend. Dikwijls begint zulk
een lied met eene min of meer uitgewerkte bewering tegen
de Kerk in een vorm, waarin men die inderdaad soms van
de tegenpartij kon vernemen, en daarop volgt dan gewoonlijk
eene vrij hatelijke weerlegging. Aan het eind van den bundel
gaf Stalpaeet nog „een peperhuysken" met vijf en twintig
liedjes of „bygevougde confijten, bequaem om de voorgaende
recepten oorbaerlijk te versuykeren", en inderdaad getuigend
van veel gevoel, ook voor het zangerige, en ook wel van
schertsende vroolijkheid.
Hooger waarde echter dan zijn hekeldicht bezitten zijne
heiligenliederen, waarvan bij zijn leven drie bundels uit-
kwamen. De eerste, *t Hemelrijck^ is eene verheerlijking van
den martelaar Adrianus, rechter van Nicomedië, in 26 korte
gedichten. De tweede, De Evangelische Schaty geeft in 16 gedichten,
wat meer in verhaaltrant, de geschiedenis van St. Laurens en
St. Hippolytus, waartoe de dichter zich nog te meer opgewekt
gevoelde, omdat St. Hippolytus de patroon was van Delft, „de
martelaer des Heeren**, dien „de bultige Lorrain tot Capitain van
zijn geboude stad" koos. Beide bundels kwamen in 1621 uit en
zijn geschreven in alexandrijnen, die bij de tijdgenooten den
naam hadden, bijzonder vloeiend te zijn, omdat aan den gewonen
Nederlandschen zinbouw nooit geweld wordt aangedaan en de
caesuur steeds valt na de zesde lettergreep. Door die nauw-
keurige regelmaat herinneren ons de verzen van Stalpakrt
JOHANNE8 8TALPAERT VAN DER WIELE. 21
telkens aan de groote dichtwerken van Cats, ofschoon het niet
zeer waarschijnlijk is, dat hij daarvan den invloed onderging.
In denzelfden trant gaf hij in 1622 uit : Vrouwelick Cieraet van
Sint Agnea versmaedt: eene verheerlijking dezer martelares in
achttien gedichten, eindigend met eene herinnering aan het
overbrengen van haar gebeente (in 966) naar „'t Bataviersche
riick" en het bisdom Utrecht. In eene voorrede en eene toe-
eigening in verzen wordt door den priester gepleit voor een-
voud in de kleeding der vrouwen.
Ofschoon deze drie bundels zich aangenaam laten lezen
door wie met eenige breedsprakigheid vrede kan hebbeu,
moeten zij toch onderdoen voor de uitgebreide verzameling
geestelijke liederen, die Stalpabrt allengs voor zijne gemeente
bijeenbracht, zoodat zij ten slotte een voUedigen bundel vorm-
den, de hooge feesten en de heiligen van lederen dag des
jaars verheerlijkend en dus als het ware eene dichterlijke
Legenda Aurea uitmakend. Eerst in 1634, na 's dichters
dood, kwam deze bundel van de pers onder den titel Den
Schat der geestelycke Lofsangen, Daarin is inderdaad een schat
van welluidende liederen vergaderd, van welke het lied voor
21 Januari, „Sint Agnes' Bruyloft", met het refrein „Stroyt
roo roos' en lelyblaen: Agnes sal te Bruyloft gaen", terecht
eene groote bekendheid heeft verworven; doch als verdienste-
lijk Katholiek loflied staat het in dezen bundel allerminst
alleen. Ook St. Dorothea, St. Bonifaes, St. Lutgardis, St. Maria
Magdalena, St. Ignatius Loyola, St. Jan (de dooper), de zalige
Joannes Ruysbroeck, St. Bibiana, St. Columba en anderen
worden er verheerlijkt in liederen, hunner waardig. „Pi'inci-
pium a Jesu'*, zoo wijzigde Stalpaert het classieke „a Jove
principium", en daarom begon hij zijn bundel ook met eene
opdracht aan Christus: „Ryst, myn Sinnenl ryst myn Sangh !
Ryst myn Sinnenl Ryst myn Psouter! om te loven 't heilig
Outer van myn God u leven langh": met deze aanvangs-
woorden van de opdracht wekte hij zich zelf op, om God te
verheerlijken, zooals eenmaal David dat had gedaan; en dat
deze opwekking niet tevergeefs is geweest, getuigt Stalpabrt's
geheele liedbundel.
Begeven wij ons nu van Delft naar Leiden, dan is het
hoofdzakelijk om de namen van eenige reeds besproken Leid-
22 LEiDSCHE dichters; jan jansz. orlbrs.
sche dichtei's in de herinnering terug te roepen. Naast Daniël
Heinsiüs en Petrus Scriveriüs, de alom bekende hoofd-
dichters van het Bataafsch Athene, vonden wij daar ook
reeds den hoogleeraar Jan Bodecher Benningh. Als leden van
de kamer „De Witte Acoleie" deden zich, naast Salomon
Davidsz. van Delmanhorst in 1597 en H. van den Bergh
in 1613 als factor, ook Matthijs Harmansz. van Crenbn-
BORCH in 1597 als keizer en Jacob Gommersz. van Noorde
in 't zelfde jaar als prins der kamer kennen, en verder nog
CORNELIS BOüWENSZ. VAN SiMPüL, ClAES JaNSZ. VAN DE VeU-
LEN, Joris van den Burch, D. V. Codde, P. Verhagen en
vooral de kamerzot Pieter Cornelisz. van der Morsch, ter-
wijl leden van de Brabantsche kamer „De Orangie Lely'*
waren: Jacob Düym, Jacx)büs Celosse en Maerten Beheyt.
Tot de Leidsche dichters behoorde in dezen tijd ook nog de
reeds terloops door ons genoemde neef van Jan van Hout,
Jan Jansz. Orlers, ofschoon hij zich meer als prozaschrijver
dan als dichter bekend maakte, vooral door zijne in 1614
uitgegeven en later meermalen herdrukte „Beschryvinge der
stad Leyden*', waarvoor de bouwstoffen al door zijn oom Van
Hout bijeengebracht waren. Vóór dien tijd (in 1610) had hij
in „Der Nassauschen Laurencrans" reeds eene „beschryvinge
en afbeeldinge" gegeven van alle overwinningen, door Prins
Maurits zelf of gedurende zijn stadhouderschap door anderen
behaald. Van zijne liefde voor het Oranjestamhuis getuigde
ook nog in 1616 zijn „Geslachtboom der Graven van Nassau".
Te Leiden 6 Januari 1570 geboren, had hij zich in Amster-
dam op den boekhandel toegelegd, tot hij in 1596, tegelijk
met zijn huwelijk, zich te Leiden als boekverkooper neerzette.
Prins Maurits bracht hem daar in 1618 in de regeering en
hij klom er vervolgens tot schepen en tot burgemeester op.
Den lOden Augustus 1646 is hij er overleden. In zijne spreuk
„OoRdeeLt sondER twiSt" is niet alleen zijn levensbeginsel,
maar ook zijn naam vervat.
Als dorpsrederijkers onderscheidden zich te Noord wijk Pie-
ter VAN BüRGERSDiJCK, te Zoetcrmccr H. van Adrichem en
te Warmond P. van Leeuwen en J. Blansabrt.
Noord-Holland deed in dichtoefeningen voor Zuid-Holland
niet onder, en Haarlem toonde zich ook in dit opzicht eene
HAARLEMSCHB DICHTERS. 23
kanststad, al was de oude hoofdplaats van Eennemerland ook
hierin, zooals in zoovele andere dingen, gedwongen haars on-
danks allengs de meerderheid van Amsterdam te erkennen.
Als factor van de „Pellieaen" kennen wij Pieter Aelbertsz.,
van wien op Pinkstermaandag 1590 op de Groote Markt een,
nog alleen in handschrift bewaard, spel der Machabeën werd
gespeeld en van wien wij verder nog een sinnespel bezitten,
waarin vertoond werd „hoe sommich mens al sijn goed be-
roeft is ende daerom bijna in desperaetie is." Later waren
H. SoETENDAL factor en Jacob Jansz. van der Beets prins
van deze kamer. Tot de oudere leden van de karaer „De
Wyngaertrancken" behoorde Jan Prins, dichter van een spel
„Van die daet der tirannen" en van een ander „Van d'een-
voudige mensch die soect daer hy Chrysto best mee behaghen
can" (1597), en tot de jongere Adam van der Hagen, Jonas
VAN Ghbrwen en, als een der ijverigste, de reeds meer dan
eens door ons vermelde Govert van der Eemd. Vooral waren
er vele schilders van deze kamer lid, met name Frans en
Dirck Hals, Salomon de Coninck, Simon de Bray, Jan Claesz.
Loo, Esaias van de Velde, Jan Wijnants, Gerrit Dircksz.
Brouwer, Adriaen Brouwer, van wien wij enkele versrjes
over hebben, onder zijne eigene etsen geplaatst, en Steven
Teünisz. van der Lust, die in veel later tijd (in 1652)
„Haerlems langhe en strenghe Beleegeringhe ende het over-
gaen derselver stadt door het scherpe sweerd der ellende*' ten
tooneele zou brengen onder den titel: „De herstelde Hongers-
dwang", en van wien in hetzelfde jaar een treurspel „Onghe-
blanckette Maria Stuart, coninginne van Schotlandt en Ghe-
waende coninghin van Enghelandt, gedoemt ende gestraft",
zou gedrukt worden als strijdschrift tegen Vondbl's „Maria
Stuart", nadat reeds te voren (in 1644) van hem op AUer-
kinderendag speelswijs de „Kinder-moort van Herodes, begaen
aen de Bethlehemsche Suyghelingen" door de kamer vertoond
was. Leden van de Brabantsche kamer „De Witte Angieren"
waren o.a. Jacob van der Schüere en Pieter Vergeelseune.
De Haarlemsche boekdrukkers Paschier van Wbstbüsch
en Vincent (of 2000, zooals hij zich soms schreef) Castelbyn
maakten zelf gedichten, evenals zij er anderen toe opwekten.
Ook David van Horenbeeck, de schrijfmeester der Latijnsche
24 SAMUEL ampzing; alkmaarschb dichtrrs.
school, besnaarde zoo nu en dan de lier, o.a. in 1618 ter eere
van Prins Maurits met zijn „Nassous Lof-gesangh", en ook
ter eere van zijn „goeden vriend", den Haarlemschen predi-
kant Samubl Ampzing, die onder al zijne rijmende stadge-
nooten verreweg de vruchtbaarste was, maar zich het meest
verdienstelijk maakte met de prozatoevoegsels tot zijne be-
rijmde „Beschryvinge ende lof der stad Haerlem" (1628),
waarin ook Scriverius' „Laure-kranz voor Laurens Koster
van Haerlem, eersten vinder van de Boeck-druckerye" is op-
genomen, en waarvan de voorrede ook „eenig onderwijs van
onse Nederduytsche Sprake ende Spellinge" geeft. De overige
dichtwerken van Ampzing zijn bijna alle van stichtelijken
aard. In 1624 gaf hij een „Rym-Catechismus" uit en in 1631
in zijn „Bibels Tresoor*' eene beknopte inhoudsopgave van
alle bijbelboeken in rijm. Zelfs in de liederen van „De Chris-
ten-Hoogtiiden" kon hij niet anders geven dan berijmd proza,
ofschoon hij zich toch boven de prozaschrijvers verheven
achtte door „de Rymkonste eene gave van den Here" te
noemen en te zeggen, dat „de rijm wat meer op de ribben
ende wat meer werks aen sich heeft als de Prosa, ende dat
veele buyten rijm wel wat konnen doen, dat ze in den rijm
moeten nalaten." Wij willen hem gaarne de eer geven van
behoorlijk te kunnen rijmen, en bevelen overigens deze en
andere werken van hem aan bij allen, die stichting boven
kunstgenot stellen.
Te Alkmaar, waar ook eene rederijkerskamer de dichtkunst
beoefende, deed zich Pibter Cornelisz., die er tot 1610 het
predikambt vervulde, reeds op het eind van de zestiende eeuw
als dichter kennen, o.a. door een „Referein en Liedt, ghe-
maect op den blyde Incomste" van Graaf Maurits te Alkmaar
in 1594. Een Alkmaarsch leeraar der Doopsgezinden, die zich
later te Amsterdam als boekverkooper neerzette. Jan Philipsz.
Scababue, schreef geestelijke liederen, die een groot gedeelte
uitmaken van „Het Ryper Liedtboecxken'' van 1624, dat
eenigen tijd later steeds samen in één band werd uitgegeven
met „'t Gheestelijck Kruydt-Hofken" en nog een „Achter-
Hofken".
Meer echter dan genoemde dichters deed de Alkmaarsche
predikant Adolphüs Tbctandbr Venator of Db Jager van
AD0LPHÜ8 TECTANDKR VENATOR. 25
zich spreken door de beroering, die er om zijn persoon in
de gemeente kwam, daar hij in 1610 na dertienjarige ambts-
bediening wegens onrechtzinnigheid door de classis van Alk-
maar als predikant ontslagen, maar door de Stedelijke Re-
geering en de Staten van Holland en West-Friesland in zijn
ambt gehandhaafd werd. In 1617 echter, toen hij een, weder
naar veler meening kettersch, • theologisch geschrift had uit-
gegeven, was hij niet meer te redden: hij ontving zijn ontslag
en zag zich zelfe, uit vrees voor erger, genoodzaakt eenigen
tijd later naar Frankrijk uit te wijken, waar hij in 1619
overleed.
Als dichter kennen wij hem o.a. door een in 1604 uitgege-
ven „Nieuw-Jaers-Dicht" ; maar buitendien toonde hij zich
vooral een liefhebber van tooneelpoëzie. Door eenige leerlin-
gen, die hij in het Grieksch en Latijn onderwees, liet hij zelfs
binnenshuis eene comedie van Terentius vertoonen, wat reeds
aan velen aanstoot gaf; maar erger maakte hij het nog in
het oog van de streng-rechtzinnigen, die beweerden, dat dit
„met de deftigheit van sijn ampt niet genoeg overeenquam'*,
toen hij ook zelf in den trant van het Latijnsche schooldrama
in 1603 een tooneelstuk uitgaf, getiteld „ Reden- Vreucht der
Wijsen in haer wellust en Belachen der dwasen quel-lust in
't lachen Democriti". Daarin laat hij Democritus optreden als
bespotter van de dwaasheden zijner medeburgers en daarom
voor krankzinnig gehouden door de Abderieten, die den medi-
cijnmeester Hippocrates uitnoodigen, hem gade te slaan en
zijne krankzinnigheid vast te stellen, maar die tot hunne verbazing
moeten ondervinden, hoe deze wijze geneesheer over den nog
wijzeren spotter in verrukking geraakt, zoodat hij luide ver-
klaart: „O wat een dapperen man heb ik bevonden! Wat
tongh can ghenoech zijn wijsheit vermonden! Wat heerlijcke
leeringh heb ick ontfanghen! O, mannen, ick weet het u
grooten danck, dat ghy my hebt gheroepen. Ick heb veel van
hem gheleerd". De stof voor zijn spel had Venator aan ver-
schillende Grieksche schrijvers ontleend, zooals hij zegt in de
opdracht aan zijn vriend Jan Nachtegael, den oudsecretaris
van Sonoy. In die opdracht geeft hij ook eenige rekenschap
van taal en versbouw, waarvan hij zich bediende. Rijm heeft
hij alleen gebruikt om zijn spel „te soeter in 't lesen ende
26 ADOLPHÜS TECTANDBR VENATOR.
lleflijcker in 't hooren te doen vallen", maai" „aen de mate"
heeft hij zich „niet nau ghebonden, opdat door de vrijheyt
ende minder op malcander vallen des dichts het te meerder
met de ongebonden reden soude moghen overeencomen". Ook
daardoor heeft het stuk een wat ouderwetsch karakter, maar
uitdrukkelijk geeft hij te kennen, dat hij met „den weispre-
kenden Spieghel", met wien hij te Alkmaar ongetwijfeld in
aanraking is gekomen, naar zuiverheid van taal heeft gestreefd,
ook „om niet alleen van den proncksprekers ende haers ghe-
lijcken, maer oock van den Boeren ende haer tael alleen
wetenden verstaen te worden".
In 1611 gaf Venator anoniem nog een 'veel uitvoeriger
tooneelstuk in het licht, dat een zeer persoonlijk karakter
draagt, namelijk „Een claer en doorluchtich vertooch van
d'Alekmaersche kerckelicke gheschillen", waarin verschillende
Alkmaarders onder zeer doorzichtige schuilnamen optreden
en hij zelf onder zijn eigen naam eeue hoofdrol vervult. Het
is voornamelijk gericht tegen zijn collega Hillenius en diens
vrienden, die hem beschuldigd hadden van aanslagen op de
eerbaarheid van twee zijner gemeenteleden, en die hij zoekt
te weerleggen door dramatisch voor te stellen, hoe de zaken
in werkelijkheid waren geschied en hoe de laster te werk was
gegaan, om hem in een valsch daglicht te kunnen plaatsen.
Dat hij inderdaad geheel onschuldig was aan hetgeen waar-
van men hem betichtte, behoeft natuurlijk niet te volgen uit
de vrijmoedigheid, waarmee hij hier de zaak voorstelt, maar
mag gerust geloofd worden op grond van het vrijsprekend
vonnis door den Hoogen Raad te 's-Gravenhage geveld. Het
stuk kan beschouwd worden als een merkwaardig voorbeeld
van de eigenaardige diensten, die de dichtkunst destijds be-
wees, en is, omdat Venator's zaak in den lande zooveel ge-
rucht maakte en zoo nauw samenhing met de kerkelijke
twisten, ook historisch wel van eenige beteekenis.
Ook het eigenlijke West-Friesland had zijne dichters, zelfs
in den Noordoostelij ken uithoek, waar te Barsingerhorn reeds
op het eind van de 16de eeuw de schoolmeester Dirck Adri-
AENSZ. Valcoogh, later notaris te Schagen, zich door twee
rijmwerken bekend maakte: den Beghel der Duytsche School-
meesters (van 1591) en de ChronyckevanLeeuwefiho7'ii(vsLnlbd9),
DIRCK ADRIAEN8Z. VALCOOGH EN CORN. PJETBRSZ. BIËN8. 27
Het eerste dezer beide werkjes, waarin de vereiscliten voor
de schoolmeesters, die tevens „prochie-kercken bedienen",
uiteengezet en alleriei paedagogische lessen gegeven worden,
en waarin, naast recepten (in proza) voor het maken van ver-
schillende inktsoorten, ook eene korte muziekleer in rijm, be-
rijmde gebeden en spreuken, dienstig als schrijf voorbeelden,
zijn opgenomen, is voor de kennis van het schoolwezen in de
16de eeuw van veel belang, maar verdient in eene geschiede-
nis van onze letteren alleen hierom vermelding, dat het ons
leert, hoe lang de middeleeuwsche traditie, om nuttige kennis
liever in rijmvorm dan in proza mee te deelen, zich heeft
kunnen handhaven. Valcoogh zegt zelf, dat hij zijnboeksken
„in slecht rijm en Duytsch gbecomponeert" heeft, «om den
jonghen Scholieren wille, die het rijm soeter ende gheneuch-
lyker in de ooren clincket ende in 't herte connen drucken,
dan sware redenen ende duystere materien*'. Opmerkelijk is,
dat men een der meest bekende gedichtjes uit de „Stichtelyke
Rymen" van Camphüyskn hier reeds aantreft in korter vorm,
namelijk: „Hier moet gheleden zijn; Hier moet gestreden zijn ;
Hier moet ghebeden zijn, Soo wy namaels willen in vreden
zijn".
Te Enkhuizen kwam in 1623 van de pers eene nieuwe
dramatiseering in drie bedrijven van het Ovidiaansche ver-
haal van Pyramus en Thübe, zonder veel handeling, maar met
veel Uefdesbespiegeling, die niet anders dan hoogst middel-
matig kan genoemd worden. Het was Cornklis Pietebsz.
BiËNS, die daarmee beproefde, zooals hij zelf zeide, zijne „cleyne
wiecxkens, die noch teer en swack waren, op sijn maniere uyt
te breyden*'. Later schijnt deze Westfriesche dichter zich van
het tooneel te hebben afgekeerd en bij voorkeur stichtelijke
gedichten, ook in emb'ematischen trant, te hebben gemaakt.
Zoo gaf hij in 1627 een „Handt-Boecxken der Christelycke
Gedichten, Sinne-beelden ende Liedekens tot troost ende ver-
maeck der Ghelooviger Zielen'' uit, maar eerst in den tweeden
druk (van 1635) vindt men bij de zinnebeeldige gedichtjes
ook prenten. In 1640 verscheen van hem nog een „Stichte-
lyck Cabinet" en twee jaar later een „Profytelyck Cabinet
voor den Christelycken Jongelingh", dat behalve zinnebeelden
ook dialogische gedichten bevat.
28 CORNELIS TABMSZ. EX DIRCE YELIUS.
Een tijdgenoot van Valcoogh was te Hoorn Cornelis Taemsz.,
die, na een deel van Europa doorreisd en een uit het Fransch
vertaalden spreukenbundel, Schat des Deuchts (in J 594) te heb-
ben uitgegeven, toen hij even te voren tot rentmeester van
Hoorn was benoemd, in Nov. 1600 op drieëndertigjarigen
leeftijd een ontijdigen dood vond door 's nachts van de Am-
sterdamsche veerschuit over boord te vallen en te verdrinken.
Bij velen had hij ook als dichter groote verwachtingen ge-
wekt, o.a. bij Van Mander en Zacharias Heynsz., met wie hij
bevriend was, en zeer werd hij geprezen, „hoewel in de La-
tijnsche tale niet sonderlingh ervaeren'*, om „zyn fraye en
aerdighe Duytsche Poësijen, die hy een van de eerste wat
neerstigher be wrocht en op haer cesuren en behoorlijcke raaet
ghebracht heeft, hebbende daerin 't behulp van de Italiaensche,
Fransche, Spaensche, Portugysche en Hoogduytsche Talen, die
hy neerstigh gheleert en oock de Poëten, die in yder tael
gheschreven hebben, met groote sorchvuldicheyt ghelesen
hadde".
Eene ode van hem „tot lof van den Banne van Hoorn**,
waaruit wij eenig denkbeeld van zijne dichtgaven kunnen
krijgen, is opgenomen in het werk, waaraan de aangehaalde
woorden ontleend zijn, namelijk de Chronück van Hoorn, een
prozawerk, in 1617 opnieuw en veel vermeerderd in 't licht
gezonden door Dirck Velius, die, na eerst te Leiden gestu-
deerd te hebben, in 1694 te Padua tot doctor in de medicijnen
promoveerde en zich vervolgens in zijne geboortestad Hoorn
als geneesheer neerzette, waar hij ook van 1600 tot 1618,
toen Prins Maurits er de wet kwam verzetten, lid van de
vroedschap was. Behalve klinkdichten en andere Nederlandsche
verzen heeft hij ook Latijnsche gedichten geschreven, van
welke een der uitvoerigste, „Westfrisia", in 1648 door den
Hoornschen rechtsgeleerde J. de Groot in Nederlandsche
alexandrijnen is overgebracht. Zijn meesten naam echter maakte
hij door zijne „Chronück'*, in 1648 opnieuw gedrukt en toen
versierd met zijn portret, waarvoor Vondel een bijschrift
dichtte.
Andere lofdichten op dit werk doen ons in 1617 als Hoom-
sche dichters kennen : den Medicinae doctor en Doopsgezinden
leeraar Antoni Roscius, die in 1624 zoo ongelukkig aan
i
. ANDBRE HOORNSCHK DICHTERS. 29
zijn einde kwam, toen hij, met zijne jonge vrouw van Hoorn
naar Amsterdam rijdende, door het ijs zakte en, terwijl het
water op zijne lippen bevroor, gloeiend van liefde stierf, zooals
Vondel in een klinkdicht op dit ongeval zeide; Jan Boulisz
en Israël van der Meersch, van wien liederen en leerdich-
ten, o.a. een lofdicht op Hoorn van 1605, in handschrift be-
waard zijn. Ook diens vader Jacob van der Meersch maakte
zich reeds op het eind van de 16de eeuw als dichter bekend,
o.a. door „Tgroote Raedtsel-Boeck * inhoudende dry hondert
nieuwe raedtsels met d'uytlegginghe van dien, in rijme vervaet,"
waarvan in 1614 een tweede druk verscheen.
In denzelfden tijd leefde daar nog een ander chronyckschrij-
ver, die den ondergang der tyrannen vanhet begin onzer jaar-
telling af in twee deelen beschreef (in 1620 uitgegeven),
PiETER Jansz. Twisk, te Hoorn in 1566 geboren en daar tot
zijn dood in 1636 Doopsgezind leeraar. Wij kennen hem
ook als dichter van klaag- en vermaanliedekens en van rijm-
bespiegelingen over en vertaling van psalmen.
Hoorn was vooral trotsch op de familie Hogerbeets, die haar
zoovele geleerden schonk, o.a. den Latijnschen dichter Pieter
HoGEBBEETS, die ook een enkel Neder landsch gedicht gemaakt
heeft ter eere van Van Mander, en Mr. Johan Bbbts, Rom-
bout Hogerbeets' neef en trouwen metgezel te Loevestein,
die in 1626 aan het eind van zijn studententijd een „bly-eind-
spel Melissa^' uitgaf en later nog een ander spel, Daphne of
Boschvryagie, schreef, maar zelf niets meer in 't licht schijnt te
hebben gezonden, zoodat eerst in 1669, een jaar na zijn dood,
zijne , Dichtkunst 7an verscheide stoffen" werd uitgegeven door
zijn schoonzoon Dr. Fran9ois Adriaensz. Piëns.
Dat ook in Noord-Holland overal het gezang in eere was,
weet iedereen. In allerlei gezellige bijeenkomsten werd daar
gezongen, bij feesten en bruiloften vooral. Dan brachten de
gasten, indien althans de gastheer zelf er geene uitdeeling van
hield, van die miniatuurboekjes mee, in segrijnlederen of
fluweelen, en ook zoogenaamde krette (of schildpadden)-
bandjes, dikwijls met kleine zilveren of gouden slootjes of
krabbetjes : boekjes, die ook nu nog onder den naam van
mopsjes in de herinnering zijn bUjven voortleven. Dien naam
hebben zij allervermoedelijkst te danken aan de veld- of
30 DE NOORDHOLLAND8CHE „MOPSJKS".
herderszangen, die er in voorkomen en waarin meermalen de
herder Mopsus (uit Virgilius' Bucolica) optreedt, o. a. reeds in
een der eerste liederen met het bijschrift „Coridon hoorende
Mopsus klagen spreekt hem aan" en de aanvangsregels: „Lieve
Mopsje, wil je sterven, maakt doch eerst u testament*'.
Aanvankelijk hadden de meeste Noordhollandsche steden
ieder haar eigen mopsje van geringen omvang. De oudste van
deze dagteekenen waarschijnlijk reeds uit het eerste kwart
der zeventiende eeuw, maar daar deze uiterst zeldzaam zijn
en een jaartal op den titel, ook later, bijna altijd ontbreekt,
is de Mopsjeslitteratuur moeielijk te dateeren. Al spoedig schijnen
twee of meer van die liedboekjes vereenigd te zijn uitgegeven,
wat den naam „dubbel Mopsje" in de wereld bracht. Van
dien aard kennen wij uit later tijd „'t Groot Hoorns, Enk-
huyser. Alkmaarder en Purmerender Liede-boek ' met een
vervolg, dat in zijn geheel wel eerst uit het laatst van de
zeventiende eeuw zal dagteekenen, en waarin ook het Edam-
mer Liedboek is opgenomen. Aan lofliederen op die steden
ontbreekt het er niet. „Alkmaar wel schoone stee", klinkt het
in een van die liederen; „o schoone stad van Purmerend",
in een ander. Ook treffen wij er een „Enkhuyser vryers-lied"
in aan. In het eerste deel hebben de bruiloftsliederen verre
de overhand, waarbij het opmerkelijk is, dat de meeste een
stichtelijk, soms schriftuurlijk karakter vertoonen en daardoor
grillig afsteken tegen de eenigszins precieuse herderszangen,
die er naast staan, of de samenspraken op muziek, zooalsb.v.
de „ Boere- Vryagie" met den aanhef: „Goeden avond, blanke
Leysje", en vooral tegen de drinkliederen, zooals het bekende
lied op den Rijnwijn van het „Oud manneken van tachentig
jaren" (door J. Engels) met het refrein: „O Rinsche wijn,
Gij maakt geen flerecijn! Ik moet, sey dat oud manneken,
nog drinken eens een kanneken; ik moet, sey dat oud man-
neken, nog eensjes vrolijk sijn !" Zelfs aan ondeugende liedjes
ontbreekt het in den bundel niet: wij vinden er o. a. ook
Starter's lied van Bommelalire, als een bewijs bovendien,
dat niet alle liedjes het werk zijn van dichters uit de plaatsen,
die deze liedboekjes haar eigen noemden. Nog enkele andere
liedjes zijn uit vroegere bundels overgenomen, maar slechts
DB ZBBUWSCHE RBDBRTJKKR8KAMBR8. 31
onder zeer weinige vindt men naam of kenspreuk des dichters :
de meeste zijn anoniem en zullen dat wel altijd blijven.
XXII.
De eerste dichtwerken van Jacob Cats.
Zeeland wilde voor Holland niet onderdoen. Ook d&ér
kwamen in het eerste kwart der zeventiende eeuw de dichters
van overal voor den dag met de bewijzen van hunne liefde
voor de poëzie. Minder dan in Holland ging daar de letter-
kundige beweging van de rederijkerskamers uit, want deze
waren er op het eind van de zestiende eeuw met geweld
door de Regeering onderdrukt en leidden er een kwijnend
bestaan. De Vlissingsche kamer „De blauwe Acoleye" gaf in
1597 nog eenig teeken van leven door een bundel refereinen
in het licht te zenden, maar zou verder zwijgen om eerst in
1641 weder onder haar factor Vincent Matthijssen met
verlof der Regeering een dichtwedstrijd uit te schrijven, waarop
zeventien kamers (van Zeeland die van Middelburg, Veere en
Goes) verschenen, en waarvan de vruchten het volgende jaar
werden uitgegeven onder den titel „Vlissings Redens-lusthof '.
In Zeeland waren het meest heeren van eenig aanzien, regeerings-
personen, die buiten de kamers om zich aan de dichtkunst
wijdden en gezamenlijk optraden onder aanvoering van den
man, die als van zelf was aangewezen om hun aller hoofd te
zijn: Jacob Cats.
Deze was 10 Nov. 1577 geboren te Brouwershaven, waar
zijn vader Adriaen Cornelisz. Cats tot de gezeten burgerij be-
hoorde en lid van de vroedschap was. Met zijn broeder Cornelis
en zijne beide zusters, alle ouder dan hij, werd hij bij zijn
oom te Zierikzee opgevoed, omdat zijne moeder een paar jaar
Da zijne geboorte was gestorven en zijn vader later getrouwd
was met eene Fransche vrouw, aan wie zijne tante de opvoeding
harer zusterskinderen niet wenschte toe te vertrouwen, om ze
niet te doen verfranschen. Na zijne schooljaren te Zierikzee
doorgebracht te hebben, bezocht hij de hoogeschool te Leiden
om er letteren en vooral rechten te studeeren, en daarna was
32 CATS' JONOBLINOSJAREN.
liij geruimen tijd voor verdere rechtsstudie te Orleans, waar
hij promoveerde en vanwaar het scheiden hem moeielijk viel,
omdat hij er zoovele lieve vriendinnen had gevonden, want
zijn „aert was van der jeugt genegen om te mallen en 't vrou-
welijck geslacht dat heeft hem wel bevallen", zooals hij zelf
zegt in zijn uitvoerig gedicht „Twee-en-tachtigjaerig leven.*' De
naïeve openhartigheid, waarmee hij daarin vertelt wat hem in
zijn lang leven weervoer, wat hij deed en misdeed, maakt dit
gedicht tot eene betrouwbare bron voor de kennis ook van
zijn gemoedsleven. De liefde tot het vrouwelijk geslacht was
echter, zelfs in zijne jeugd, niet van wulpschen aard: „in
eerbaer onderhout te praten, daer heeft hij 't altijd bij gelaten,"
en ofschoon hij te Orleans wel eene vrouw had kunnen vin-
den, een zoogenaamd Leuvensch of studentenhuwelijk keurde
hij af en eene vreemde vrouw mee te voeren naar zijn land
scheen hem niet bevorderlijk aan beider geluk. Met een bloe-
dend hart nam hij dan afscheid, toen hij vertrekken moest.
In Parijs, waar hij vervolgens eenigen tijd verbleef, beviel
het hem minder goed ; naar Toscane te gaan, waar hij verder
had willen studeeren, werd hem niet toegestaan, en zoo kwam
hij dan in ons land terug.
In Den Haag zette hij zich neer, om er de rechtspractijk
te leeren, en spoedig was hij geoefend genoeg om als advocaat
te kunnen optreden. Als zoodanig maakte hij zich reeds als
jong man grooten naam door het vrijpleiten van eene Goereesche
vrouw, die van tooverij beschuldigd was. Het geloof aan hek-
serij heerschte nog altijd onder het groote publiek, en zoo
heeft dan ook Cats er het zijne toe kunnen bijdragen om
aan de ellende, door dat wangeloof veroorzaakt, een einde te
maken. In Den Haag bleef hij voor het vrouwelijk geslacht
natuurlijk evenmin ongevoelig als elders: het kwam er zelfs
tot eene verloving, die tot een huwelijk zou geleid hebben,
als eene langdurige ziekte er hem niet toe gebracht had, ook
nu ontrouw te worden aan zijne liefde. Na zeven maanden
aan koorts geleden te hebben, gaf hij gehoor aan den raad
om in andere lucht herstel te gaan zoeken. Hij begaf zich
naar Engeland en bezocht er, behalve Londen, ook de hooge-
scholen van Oxford en Cambridge, waar hij o. a. de lessen
van den piëtistischen hoogleeraar William Perkens volgde.
CATS ALS ADVOCAAT. 33
maar de koorts raakte hij er niet kwijt. Toch, ofschoon ziek
en lusteloos, had hij na zijn terugkeer in zijn vaderland de
voldoening, de volledige vrijspraak te verwerven voor een
jong man, die om het leven van zijn vader te redden een
moord gepleegd had. Eindelijk, alle vertrouwen op de gepro-
moveerde geneesheeren verloren hebbend, beproefde hij het
met huismiddeltjes, die evenmin baatten, en toen, daar het
leven zooals het nu voor hem was hem tegenstond, besloot
hij eene laatste gevaarlijke kans te wagen en wierp zich, op
raad van zijn broeder, in de armen van een alchimist, een
duivelskunstenaar in het oog van menigeen ; maar hij deed
het onder biddend opzien tot God, en zoo kon hij het dan
ook later evenzeer aan Gods gunst als aan het roode poeder
(waarschijnlijk quinine) van den alchimist toeschrijven, dat hij
zich op eens een ander mensch gevoelde en plotseling voor-
goed genezen was.
De invloedrijke nensionaris van Middelburg, Apollonius
ScHOTTE, die bijzonder belang in hem stelde, ried hem nu af,
naar Den Haag terug te keeren, en bewoog hem, zich in
Middelburg te vestigen, waar uit de kaapvaart telkens processen
ontstonden. Hij deed het in 1603 en was er weldra een gevierd
advocaat, die — ook als stadsadvocaat — meer te doen had,
dan hij af kon. Nu werd het ook tijd voor hem om eene
vrouw te zoeken. In de Waalsche kerk werd zijne aandacht
getrokken door een lief gezichtje, dat hem geheel betooverde,
zoodat hij haar om een praatje over de onderdeur verzocht.
Spoedig waren zij het beiden eens ; maar Cats was zoo onvoor-
zichtig geweest, niet vooraf te onderzoeken, wie het was die
zijn hart had veroverd. Wat te laat vernam hij, dat haar
vader „ter beurs veracht was en banckqueroet gespeelt" had
en dat een jong advocaat, als hij, gevaar liep in Middel-
burg de mooie positie, die hij begon in te nemen, weer te
verliezen, als hij haar trouwde. Het bericht trof hem als een
donderslag. Hij was geen man met krachtigen wil, zooals
Coornhert, die voor eene geliefde vrouw zijne geheele toekomst
op het spel durfde zetten, hij bracht in strijd en droefenis
zijne dagen en nachten door, zinnend op een middel om zijne
liefde te blusschen en geleidelijk den geknoopten band weer
te ontknoopen. Het toeval was hem gunstig: met haar vader
3
34 CATS GEHUWD BN BKKBRRD.
ytrock de jonge maegt naer Amsterdam" en bij het afscheid-
nemen gaf hij haar wel genoegzaam te verstaan, dat hij haar
niet zou volgen. Cats is over dit geval hard beoordeeld. Ook
terecht? Welk vader zal Cats in dezen aan zijn zoon tot
voorbeeld durven stellen ? Maar ook, wie zal een veroordeelend
vonnis durven vellen over de velen, die evenzoo hebben ge-
handeld als hij, en dikwijls met minder strijd en hartzeer?
In Elisabeth van Valckenburg vond Cats in 1605 de vrouw,
die hem paste. Zij was eene Amsterdamsche, maar te Ant-
werpen geboren, van goeden huize en niet onbemiddeld,
verstandig en huishoudelijk, af keerig van 't lezen van „roman-
sche grillen'', maar op degelijke lectuur (b.v. van de levens
van Plutarchus) gesteld, en bovenal godsdienstig. Dat huwelijk
bracht eene geheele omkeering bij hem te weeg. Hij was in
zijiiö «groene jeugt tot ydelheyt" geneigd, wereldsch zonder
losbandig te wezen, en had er nooit behoefte aan gevoeld, lid-
maat van een kerkgenootschap te worden. „Dat hy tot Gods
Kerck ten lesten (in 1607) wert gebrogl", dat was het werk
zijner vrouw, want Cats was meegaande van natuur. Zelf
zonder veel initiatief, was hij gaarne bereid te doen wat hem
met eenigen aandrang werd aanbevolen. Vrienden en bloed-
verwanten vermochten veel op hem, zijne vrouw zeker niet
minder, en personen met verdiende of aangematigde autoriteit
het meest. Ook in zooverre is hij, ondanks zijne uitgebreide
kennis, veelzijdige ervaring en zin tot nadenken en bespiegelen,
levenslang kinderlijk gebleven in spreken, denken en handelen.
Eerzucht bezat hij weinig. De aanzienlijke staatsambten, die
hij later bekleedde, had hij in de eerste plaats aan zijne, vooral
juridische, bekwaamheid en aan zijne schikkelijkheid te danken ;
maar daar hij ze niet najoeg en ze zich telkens in den schoot
zag geworpen, dankte hij ze aan Gods goedheid, zooals hy in
zijne gedichten telkens doet uitkomen.
Weinige jaren na zijn huwelijk brachten de omstandigheden
ook eene verandering in zijne leefwijze: hij onttrok zich op
het eind van 1611 aan de rechtspractijk om landbouwer te
worden. Het sluiten van het Bestand gaf daartoe aanleiding,
want dat deed er hem voordeel in zien, om met zijn broeder
samen voor weinig geld ondergeloopen landen in Staats-
Vlaanderen aan te koopen, droog te leggen en te bebouwen.
CAT8 OP MUNNIKENHOP; ZIJNE EERSTE DICHTOEFENING. 35
Op die wijze heeft hij zich, daar de oogst van één jaar soms den
inkoopsprijs overtrof, in een tiental jaren een aardig kapitaaltje
verworven en ook zelf van het buitenleven kunnen ge-
nieten, al bracht hij dat ook juist niet geregeld te Groede,
Biervliet of IJzendijke in Staats- Vlaanderen door, maar in de
buurt van Middelburg op het oude, door de Middelburgsche
abdij gebouwde lusthof Munnikenhof onder Grijpskerke. Daar
was het zijn hoogste lust om „buyten alle sorg te sitten in
het groen". Toch werd er ook in dien tijd reeds gal in zijn
honing gemengd, zooals o.a. door het overlijden van zijne drie
zoontjes, van welke hij het oudste op tienjarigen leeftijd
verloor in het begin van hetzelfde jaar 1618, dat Cats als
dichter zou zien optreden.
Reeds in zijne jonge jaren was hij „tot dichten seer ge-
negen" en op de school te Zierikzee schreef hij „menig vers in
Roomsche taal," totdat „een eerbaer jongeling uyt Brabant
daer gekomen", wiens naam ons ongelukkig onbekend is, hem
eerst recht de regels der dichtkunst leerde. Toen kreeg hij ook
„een nieuw vermaeck in de Zeeusche tael". Aan de Leidsche
hoogeschool wist hij het zelfs zoover te brengen, dat hij
Grieksche verzen kon maken, maar in Orleans werd het
Fransch voor hem een en al: zijne „Zeeusche tael scheen hem
plomp en sonder luyster", en zoo waren de „klaeg-dichten",
waarvan hij vertelt, dat hij ze bij zijn vertrek maakte, onge-
twijfeld in het Fransch gedicht. Van al die verzen uit zijne
jongelingsjaren is ons niets bewaard gebleven, behalve hetgeen
hij er, naar hij zegt, in de oudste zijner uitgegeven werken
gewijzigd van heeft opgenomen; en zoo missen wij dan de
gelegenheid om Cats in zijne ontwikkeling als dichter te
volgen. Wanneer hij op veertigjarigen leeftijd optreedt, toont
hij zich terstond een geoefend verzenmaker, meester over taal
en rhythmus.
De verhouding der seksen is levenslang het meest geliefd
onderwerp zijner Muze gebleven, en daarom is het wel te be-
jammeren, dat wij van hem niet, zooals van de meeste minne-
dichters, een aantal van die subjectief-l)a'ische ontboezemingen
overhebben, die, uit het hart komende, tot het hart spreken
en dus juist de ware minnepoëzie vormen. In de oudste ge-
dichten, die wij van hem kennen, handelt hij over de liefde
36 CATS EN ANNA VISSCHER.
als een veertigjarig huisvader, die reeds verscheidene jaren
het huwelijksleven geleid had met eene zoo al niet gestrenge
dan toch ernstige huisvrouw, aan wie hij ook na haar dood
onwankelbaar trouw bleef. De eigenlijke „minne" was dus toen
voor hem reeds meer eene objectief-menschelijke neiging dan
een persoonlijke hartstocht geworden, die wel bij voortduring
zijne belangstelling wekte, maar die in hem alleen leefde als
eene door verstand getoetste herinnering. Niet de stem der
liefde zelf klinkt ons uit zijne gedichten tegen, maar die van
den menschkundigen leermeester der liefde.
Niet onwaarschijnlijk is het, dat zijne kennismaking met
Anna Visscher hem er toe gebracht heeft, als dichter op te
treden. De wijze Anna toch, die ook buiten Amsterdam be-
roemd geworden was, met Heinsiüs en De Groot als persoon-
lijke vriendin gedichten wisselde en in 1621 „aen den ver-
maerde constrijcke Petrus Paulus Rubbens" als zijne vriendin
een gedicht wijdde, was ook voor de Zeeuwen geene onbekende
gebleven. Haar te ontmoeten en haar te bewonderen was één ;
met haar ernstig of schertsend te redekaveleu was een éénig
genot, en dat was ook aan Cats te beurt gevallen. Hij had
haar, de reeds eenigszins bedaagde maagd, met zaakkennis en
verstand hooren spreken over het moeielijk punt, hoe een
meisje zich ten opzichte van de liefde moet gedragen om nog
te blijven binnen de grenzen van eer en schaamte, die een
zedig gemoed niet mag overschrijden ; en dat had hem bewogen
een oud gedicht, waarin hij eens hetzelfde onderwerp behan-
deld had, uit een vergeten hoekje te voorschijn te halen en
wat op te polijsten.
Het was eene samenspraak in Latijnsche verzen , waarbij hij
nu ook eene vertaling in Nederlandsche verzen voegde, als
die er ten minste niet reeds van ouds bij behoorde. De jeug-
dige Phyllis, „een duyve sonder gal, een half ontloken roos",
en nog in de jaren der onbedachtzaamheid, komt er daarin
rond voor uit, dat een meisje niet preutsch moet wezen,
maar om het liefdesgenot te smaken jongelieden wat moet
aanmoedigen en al haar best moet doen om zoo spoedig moge-
lijk een man te krijgen. Anna, rijper van verstand, wijst
daarentegen op de gevaren , „waerin een maegt wel licht ver-
valt, die veel met jong-mans jockt en malt", en leert hoe
CATS' „makchdkn-pucht" kn „galathka". 37
■
een fatsoenlijk meisje door overleg en ingetogenheid de klip-
pen kan ontzeilen, waarop lichtzinnige liefde schipbreuk lijdt.
Daar Phyllis en Anna beide bij hare redeneering ruim ge-
bruik maakten van beeldspraak , konden woord en wederwoord
tevens dienen als bijschriften bij emblematische gravures met
eene Latijnsche spreuk als opschrift en aanhalingen uit Latijn-
sche en Fransche schrijvers als onderschrift. Vier en veertig
van die aardige prentjes versieren het werk, dat in 1618 uit-
kwam onder den titel „McLechden-plicht , ofte ampt der jonk-
vrouwen in eerbaer liefde aenghewesen door sinnebeelden".
Dezelfde prentjes heeft Cats in 1627 nog eens gebruikt bij
zijne Emblemata moralia et oeconomica, om er in vloeiende,
meest kortregelige versjes lessen van levenswijsheid, ook bui-
ten de liefde, uit te trekken. De „Maechden-plicht" wordt met
een uitvoerig gedicht opgedragen aan Anna Roemers, die
het levend bewijs heet , dat de vrouw ook in kunst en weten-
schap met den man kan wedijveren zonder schade voor
hare eer als vrouw. Na die opdracht volgt nog een gedicht
ter verklaring van een groot emblema, het „Wapen-schilt*'
van alle eerbare maagden : een druiventros , waaraan het waas
der frischheid de grootste aantrekkelijkheid verleent en die
zich dus, om niet vóór den tijd die bekoorlijkheid te verlie-
zen, alleen bij het steeltje (d. i. door het huweUjk) mag laten
aanvatten.
Aan dit werkje heeft Cats, behalve een paar liedjes, nog
eene tamelijk uitvoerige „Harders-clachte*' toegevoegd, die later,
onder den titel Qalathea ofte Hardera-klachte omgewerkt on
belangrijk uitgebreid, ook afzonderlijk het licht zag. Meteene
afbeelding van Munnikenhof en eene uitnoodiging om daar
eens bij hem buiten te komen zond Cats dit gedicht uit
Grijpskerke naar Catharina van Muylwiick, op wie het, naar
het schijnt, toepasselijk was. De herder Dafnis klaagt daarin
over onverdiende achterstelling bij een steedschen medevrijer
en waarschuwt het landmeisje Galathea, dat zij toch de voor-
deden van het landleven niet over het hoofd moet zien en
zich niet moet inbeelden, dat zij in de stad gelukkiger zal
zijn. Ofschoon het gedicht door zijne inkleeding tot de pastorale
behoort, zijn toon en inhoud natuurlijk en even realistisch als
Cats dat ook in al zijne latere werken zou toonen te zijn.
38 GATS' »SINN'- en MINNB-BBELDBir".
In hetzelfde jaar 1618 gaf Oats bij den Middelburgschen
boekverkooper Hans van der Keilen nog een grooter, zuiver
emblematisch werk uit^ getiteld Silenus Alcibiüdia sive Proieus,
in Latijn, Fransch en Nederlandsch, waarvan het Nederlandsche
gedeelte bekend is als „Sinn'- en Minne-Beelden", later ook als
„Minnebeelden verandert in Sinnebeelden", en, daar zij van
drieërlei aard zijn, ook als „Minnehjcke, Zedelij cke endeStichte
lijcke Sinnebeelden". Het werk bestaat namelijk uit drie bundels,
elk met dezelfde 51 (later 52) door A. van de Venne getee-
kende en door J. Swelinck gegraveerde plaatjes, maar met
verschillende bijgevoegde dichterlijke verklaringen in drie
talen: Latijn, Fransch en Nederlandsch. De laatste bestaan
alle uit acht zeer regelmatig gebouwde alexandrijnen. In een
anderen druk zijn de versjes ten deele door een Latijnsch
prozastuk met Nederlandsche vertaling vervangen, en in latere
uitgaven vindt men zoowel de versjes als het proza.
De wijsheid in proza , waarbij aanhalingen uit allerlei schrij-
vers bovendien van groote belezenheid blijk gaven, en de
gemakkeUjkheid waarmee de dichter bewees, zich evengoed
in Latijn en Fransch als in zijne moedertaal te kunnen uit-
drukken , wekten bij de letterkundigen en geleerden de hoog-
ste bewondering, die niet alleen door zijne Zeeuwsche vrien-
den in lofdichten, maar ook door Heinsius in het Latijn
werd uitgesproken. Het grootere publiek kon slechts het vernuft
en de levenswijsheid waardeeren, waarvan de Nederlandsche
dichtjes verrassend getuigden. En inderdaad moet men de
vindingrijkheid van Cats bewonderen, die dezelfde prentjes
in het eerste deel wist te verklaren als zinnebeelden op het
gebied der liefde, in het tweede deel de zinnebeeldige voor-
stellingen wist toe te passen op maatschappeUjke toestanden
en verhoudingen, en in het derde deel ze wist voor te stellen
als godsdienstige symboliek. Zoo b.v. is de schildpad in het
eerste deel het zinnebeeld van den verliefde, die het liefdes-
pak altijd met zich voert, in het tweede deel van den armen
geleerde, die overal zijn geheelen rijkdom meedraagt, en in
het derde deel van den man met zondige neigingen, die altijd
gebukt gaat onder den last zijner booze lusten. Meestal zijn
de versjes beknopt en pittig, niet zelden met een puntig slot,
zoodat de breedsprakigheid, die ons in latere werken van Oats
KARAKTER DSR DICHTKUNST VAN CAT8. 89
zoozeer hindert, aan dezen bundel niet kan verweten wordeo.
Daarentegen behield Cats levenslang de hier reeds zoo in
't oog springende gave om in alles wat de natuur of de menschen-
wereld te aanschouwen geeft het beeld eener gedachte te zien.
Zoo toonde hij ook in het voornaamste van de toevoegsels
tot dezen bundel, nameUjk het Kinder-spel, bij eene prent, die
kinderen voorstelt spelende in den hofderMiddelburgsohe abdij,
dat de verschillende spelen, waarmee de jeugd zich bezighoudt,
kannen strekken tot beelden van hetgeen ook de volwassenen
in de maatschappij verrichten, wier bedrijf eigenlijk is op te
vatten als kinderspel in 't groot. Al het vergankeUjke was
Yoor Cats symbool van het eeuwig ware en goede.
In zooverre bezat hij eene der hoofdeigenschappen, die men
te allen tijde in den dichter gewaardeerd heeft; en toch zijn
er velen geweest, die hem niet alleen prozaïsch hebben ge-
noemd, maar hem zelfs geheel en al den naam van dichter
hebben willen ontzeggen. De oorzaak daarvan is gedeeltelijk
in Cats zelf te zoeken, maar gedeeltelijk ook gelegen in de
wat ai te bekrompen opvatting, die menigeen van de dicht-
kunst heeft. Bekrompen is het zeker, alleen poëtisch te noemen,
wat in ongewone, niet alledaagsche woorden als in orakeltaal
wordt uitgesproken, terwijl Cats zich altijd meer dan eenig
ander dichter beijvert, in eenvoudig, natuurhjk Nederlandsch
te spreken, niet als een wezen van hoogere orde, maar als
een gewoon mensch, die door zijne ondeugendheid nu en dan
ook een glimlach wekt. Die glimlach past voor velen niet bij
de verhevenheid der poëzie. Bekrompen is het verder, alleen
sommige conventioneele beelden poëtisch te vinden, en slechts
wat in de natuur bevallig en lieflijk is, als bloemen en vlin-
ders, of grootsch en schitterend, als zon en wolken, sneeuw
en donder, rots en waterval, geschikt te achten als beeld, en
het alledaagsche, nietige of lastige in de natuur, als koeien
en schapen, mieren en vlooien of voorwerpen van huiselijk
gebruik, vooral keukengerij, te prozaïsch te vinden om als
dichterUjk beeld dienst te kunnen doen, terwijl Cats juist
daaraan gewoonUjk zijne beelden ontleent.
Hij wist trouwens zelf wel, dat de meeste vrienden der poëzie
daarover anders dachten dan hij en bij het beeld niet genoeg
hadden aan het punt van vergelijking, waarop alles aankomt,
40 KABAKTBB DER DICHTKUNST VAN CATS.
maar ook eene aantrekkelijke bijvoorstelling verlangden, die
eigenlijk voor hen overbodig moest zijn. Zoo zeide hij later,
toen hij eene karn als zinnebeeld had gebruikt: „De Leser
gelieve hem niet te stooten uyt oorsake dat, in een soo voor-
tre£felycken en gewigtigen sake, als is de Christelicke Self-
strydt, by ons gebruyckt wert een Sinne-beelt ofte gelyckenisse,
genomen van een slecht huysmansgereetschap, het welcke wy
een „keeme'' noemen," en beriep zich dan ter verdediging
op de gelijkenissen van Jezus, waarin de beelden ook dikwijls
aan zulke alledaagsche voorwerpen ontleend zijn. In zgne liefde
voor beeldspraak stemt Cats met de rederijkers overeen; maar
hunne beelden waren allengs conventioneel geworden : bij Cats
zijn zij ten deele nieuw en frisch, en bovendien spint hij ze
niet, zooals zij deden, tot ingewikkelde allegorieën uit, die bij
de meest oorspronkeUjke schrijvers mank gaan aan gezocht-
heid en duisterheid.
Cats wil met zijne beelden, als de ware dichter, onmiddel-
Ujk trefifen en volkomen duidelijk zijn; doch daarin school ook
zijne zwakheid, in zooverre als hij zich dikwijls liet verleiden
tot overgroote duideUjkheid. Door de verklaring zijner beelden
niet aan den lezer over te laten, maar telkens met den tekst,
om 't zoo te noemen, tegelijk den commentaar te willen geven,
verviel hij van zelf van den dichttoon in den onderwijzenden
prozastijl, waarmee de vloeiende zinbouw zijner verzen, die
van den prozavorm slechts zelden afwijkt, geheel in overeen-
stemming is.
Ook konden de beelden dikwijls een prozaïschen indruk
maken, omdat zij zoo geheel en al pasten bij de inderdaad
prozaïsche levenswijsheid van Cats, die hoofdzakelijk bestaat
in kennis van de menschelijke zwakheden en van de mid-
delen om zich te hoeden voor de gevaren, waaraan deze bloot-
stellen. Practisch in het kleine, mist Cats den zin voor het
groote, voorzichtig tegenover het kwaad, waagt hij zich in de
richting van het ideëele nooit verder dan zijne berekening
hem toelaat. Idealiseeren acht hij gevaarlijk, en zoo blijft hij
in merg en been realist. Vandaar ook zijne neiging om de
liefde steeds van hare zinnelijke zijde te beschouwen, niet,
zooals men wel geïnsinueerd heeft, omdat hij zich daar bij-
zonder in verlustigde, maar omdat hij wist, welk een gevaar-
DB OODSDIBNST VAN CATS. 41
lijk zelfbedrog het is, de zinnelijkheid in de liefdesvoorstelling
te willen verloochenen. Zoo is dan welberedeneerde ingetogen-
heid zijn hoogste ideaal.
Toch heeft hij ook wel gevoel voor het verhevene, maar
dat zocht hij op een afzonderlijk gebied, het gebied van den
godsdienst. Van nature was hij wereldsch, en dat is hij ook
tot op gevorderden leeftijd gebleven ; maar zijne vrouw leerde
hem de verhevenheid van den godsdienst begrijpen, wekte
daarvoor zijne bewondering, maakte hem tot een geloovige;
en over de voortreflFelijkheid van den godsdienst raakte hij
dan ook nooit uitgepraat. Het meest echter waardeerde hij den
godsdienst als een beproefd voorbehoedmiddel tegen de ge-
varen, die den mensch in het leven bedreigen, als een steun
in zwakheid, een staf op den levensweg; maar hij was veel
te veel verstandsman om zoo geheel van den godsdienst door-
drongen te zijn, als b.v. Camphuysen dit was. Vandaar dat
hij soms den indruk gemaakt heeft van huichelaar te wezen,
wat hij toch inderdaad niet was ; maar daar hij den godsdienst
als het ware aangetrouwd had, werd deze eene tweede natuur
naast zijne eigene, wat in zijne gedichten dikwijls door ver-
rassende, ontwijfelbaar naief-eerlijke tegenstellingen uitkomt.
Geestdrijver is hij op godsdienstig gebied daarom ook nooit
geworden, en voor het Calvinisme, dat hij aanhing, heeft hij
dan ook zoo weinig gestreden, dat geen onzer dichters meer
geUefd is geworden bij Katholieken, dan hij. Schoon zeer be-
vriend met een kemphaan als de Middelburgsche predikant
Willem Teeling, en zelfs waardig gekeurd ouderling der Mid-
delburgsche gemeente te worden, heeft hij zich slechts eene
enkele maal en met veel gematigdheid in den partijstrijd van
het Bestand gemengd, door in 1618 en 1619 met een vlug-
schrift en gedicht de toen verschenen en als onheilbrengster
gevreesde „steert-sterre*' te verklaren als een geluksbode, die
vrede spelde voor de verscheurde kerk, en er met een „lof-
ghedicht'* bij eene plaat, die de opening der Dordsche synode
voorstelde, zijne vreugde over uit te spreken, dat de „tuymel-
gheest", die het land in rep en roer had gebracht, door de
beraadslaging der van alle kanten samengestroomde geleerden
nu weldra bedwongen en „de Nederlantsche kerck van wrevel-
moet bevryt*' zou worden, al kon hij ook ten slotte de bede
GATS' „SBLFSTRTT" EN „TOONBEL DER M ANNELICKB ACHTBABRHEYT".
niet terughouden, dat „God syn heylieh werck zoo zou laten
ghedien", dat het bij deze ééne synode zou mogen blijven. De
terechtstelling van Oldenbarnevelt betreurde hij : „ick heb het
beleefd", schreef hij in zijn ouderdom, „dat even groote zielen,
ach I voor een wreede bijl ter aerde moesten knielen." Op het
oogenblik dat de bijl viel, zal hij Oldenbarnevelt wel niet
minder groot en de bijl niet minder wreed gevonden hebben.
Toen Cats eenmaal als dichter was opgetreden, volgden
zijne werken elkaar spoedig op. In 1620 verscheen zijn „SeZ/-
stryt, dat is krachtige beweginge van vleesch en geest, poë-
tischer wyse voorgestelt in de persoon en op de gelegentheyt
van Joseph", voor wiens geschiedenis de dichter vooral Flavius
Josephus raadpleegde. Dit gedicht, in samenspraak tusschen
Joseph en Sephyra, Potiphars huisvrouw, is niet zoozeer eene
poëtische uitwerking van het Oudjoodsche verhaal, als wel
een algemeen pleidooi voor het toegeven aan zinnelijke lusten
eenerzijds en voor het handhaven van kuischheid en reinheid
anderzijds. Het doet nog beter dan „Maechden-plicht" ons Oats
kennen als een vernuftig advocaat, die handig allerlei argu-
menten vóór en tegen weet aan te voeren. In eene „korte
inleydinge", die echter tamelijk lang is, geeft Cats ter toe-
lichting nog drie verhalen in proza en verzen, van Scipio,
van den Zeeuwschen gouverneur uit den tijd van Karel den
Stouten, en van vier jongelieden (Roelant, Richart, Briseis en
Tethys), van welke er een (Richart), in hetzelfde geval ver-
keerende als Maerlant in zijn „tweeden Martijn" aannam,
door redeneering de moeielijke quaestie heeft uit te maken,
welke van twee jonkvrouwen hij het liefst uit levensgevaar
redden zal, haar die hij zelf liefheeft zonder wederiiefde te
ontvangen, of haar, die hem lief heeft, maar die hem zelf
onverschillig is.
In 1622 liet Cats nog een ander pleitgedicht volgen : To(meel
der mannelicke CLchtbaerheyt, waarin Charsena het goed recht
van koningin Vasthi, om zich tegen het onverstandig en ont-
eerend bevel van koning Assuerus te verzetten, bepleit tegen-
over 's Konings woordvoerder Menuchan, die de, ten slotte
ook door een vonnis bevestigde, stelling verdedigt, dat de
vrouw zich onvoorwaardelijk aan den wil baars mans heeft
te onderwerpen, omdat vóór alles het gezag van den man
GATS' OPTBBDBN ALS STAATSMAN. 43
hoog gehouden moet worden of, zooals Cats besluit, dat „het
wijf sal swijgen en sal duycken", omdat het redelijk is, dat
,de man sy vooght in sijn gesin".
Even vóór dit gedicht in het licht verscheen, had er eene
geheele omkeering in Cats' leven plaats gegrepen. Het her-
vatten van den oorlog had het noodzakelijk gemaakt, de door
hem drooggelegde polders weder te doen onderloopen, en in
denzelfden tijd werd hem o6k het bezit van andere landerijen
door de Regeering betwist. Jaren duurde het, vóór zijne rechten
er op werden erkend, en zoo was hij dan wel gedwongen zijne
pleidooien voor algemeene onderwerpen te staken en naar
Den Haag te gaan om zijne eigene belangen te bepleiten.
Tevens moesten er andere bronnen van inkomsten worden
gezocht. Zeker was het Cats daarom niet onwelgevallig, dat
hem in 1621 de leerstoel van het burgerlijk recht aan de
Leidsche hoogeschool werd aangeboden; maar nauwelijks had
hij dat aanbod in beraad genomen, of de stad Middelburg
droeg hem het ambt van tweeden pensionaris op. Zijne „tweede
ziel en al het naeste bloet'* waren er bijzonder op gesteld, dat
hij dit ambt zou aanvaarden, en zoo zette hij dan den voet op
politiek gebied en op de eerste sport der ladder, die hem tot
het hoogste staatsambt voeren zou, zonder dat hij staatsman
was van aanleg of neiging en zonder dat hij ooit, zelfs in den
hoogsten rang, anders dan eene ondergeschikte rol heeft ver-
vuld. Aan de Leidsche hoogeschool zou hij ongetwijfeld beter
op zijne plaats zijn geweest, maar de uiterlijke glans der staats-
ambten verblindde de oogen zijner naaste betrekkingen, en
misschien heeft niets hem meer moeite gekost, dan aan het
eind van zijne staatkundige loopbaan met een gerust geweten
te kunnen verklaren, dat „geen van sijn geslagt of van sijn
naeste magen" door zijn verzoek of raad ooit „tot eenig ampt
of eer of hoogen staet gebragt is".
xxni.
Cats als het hoofd der Zeeuwsche poëten.
Toen Cats zijn „Silenus Alcibiadis** aan de „ Zeeusche Jonck-
vrouwen" opdroeg, zeide hij, er zich over verwonderd te hebben,
44 DB ZBBUSCHB NACHTR6ABL.
dat de Zeeuwen zich gedurende den oorlog wel door Mars in
dichtgloed hadden laten ontvlammen, maar zich dat gedurende
het Bestand niet hadden laten doen door Venus, die toch
evenals zij „oock uyter zee gesproten" was. Nu stond immers
Zeeland achter bij Holland, waar Heinsius, door de Grieken
ontfonkt, van de liefde zong, waar een geestig Hooft „metsyn
herders-klagten" tot minnen opwekte, en Bredero Jockte in
boersche taal". Dat mocht zoo niet blijven, en daarom had
Cats aan de aanmaning van Venus* „dertel wicht" gehoor
gegeven en ook van zijn kant in de poëzie een oflFer aan de
Liefdesgodin gebracht. Tevens gaf hij daarmee aan zijne land-
genooten een goed voorbeeld, zoodat een geheele kring van
Zeeuwen zich in de tweede helft van 1621 opmaakte om onder
zijne aanvoering in de dichtkunst met Holland te wedijveren.
Men kwam overeen, onder den dubbelzinnig nederigen titel
van Zeeusche Nachtegael een dichtbundel in het licht te zenden,
waartoe alle Zeeuwsche dichters het hunne zouden bijdragen,
en die na lange voorbereiding in 1623 verscheen. In drie
deelen was die bundel vedeeld. „Minne-sang" heette het eerste
deel, dat aan de liefde gewijd was, „Seden-sang" het tweede,
en „Hemel-sang" met stichtelijke gedichten het derde deel:
eene ondei^scheiding van de dichtstof in drie soorten overeen-
komstig het drieledig karakter van Cats* Sinnebeelden.
Van Cats zelf werden ook eenige reeds elders gedrukte ge-
dichten opgenomen, grootendeels in de afdeeling „Hemel-sang"
en ter eere van predikanten, maar toch ook enkele ongedrukte.
Zoo vind men er (doch zonder zijn naam) voor het eerst het
bekende zinnebeeld der „twee gepaerde schelpen" (waaronder,
blijkens het prentje, twee halve notendoppen verstaan moeten
worden), die geen van beide hare volkomen passende weder-
gade kunnen vinden, als eene van de twee gebroken is. Dezelfde
gedachte was trouwens reeds in „Maechden-plicht" door hem
uitgesproken, en in de „Emblemata Moralia" werd het gedichtje
later wat uitgebreid opnieuw geplaatst, terwijl het eindelijk
nog eens door hem in zijn „Twee-en-tachtigjaerig leven" werd
aangehaald bij zijn betoog, waarom hij na den dood zijner
vrouw niet weer hertrouwde. „Niet en gaet voor d* eerste trou'*:
daarvan bleef hij ook als weduwnaar overtuigd.
Het aantal der aan Cats gewijde gedichten is in den „Zeeu-
JOHANNA COOMANS EN ANNA VI8SCHRR. 45
achen Nachtegael" niet gering: door verscheidenen werd hij
er in gehuldigd als het hoofd der Zeeuwsche dichters, ofschoon
er onder hen ook eenigen waren, die zich reeds veel vroeger
dan hij als dichter bekend hadden gemaakt. In het gedicht
,Apollo-feest ofte Goden-cunst-offer'* werd hij zelfs voorgesteld
als door ApoUo „uytverkoren om de Zeeuwen voor te singhen"
en als „Vader der Poëten** in den „NachtegaeP' den „boven-
sanck'' aan te heffen. Dat gedicht was eene hulde, hem ge-
bracht door de eenige, al te uitbundig en onverdiend door
hare vrienden geprezen, Zeeuwsche dichteres, die aan den
bundel meewerkte, Johanna Coomans, eigenlijk eene Haagsche,
maar sinds 1611 door haar huwelijk met den rentmeester van
Zeeland, Johan van der Meerschen, eene Zeeuwsche geworden.
Van haar komen ook nog andere gedichten in den bundel
voor, die zelfs geopend wordt met een gedicht van haar,
waarin zij tegenover het „ Wapen-schilt", door Cats voor alle
eerbare maagden uitgedacht, een „Wapen-schild" aan alle
„eerlicke jong-mans^' toeëigende^ namelijk eene tong, op win-
gerdbladen voorgediend: het zinnebeeld van allerlei goeds en
bovendien bestemd om de druiven te proeven, waarbij Cats
de jonkvrouwen vergeleken had. Verder vindt men er van
baar een „Welcoom-gedichf' aan Anna Roemers, die in den
Zomer van 1622 te Middelburg logeerde en wier komst in
Zeeland ook door andere dichters met vreugde werd begroet,
omdat de Faam haar ook d&dr als eene tiende Muze bekend
had gemaakt. Naast deze „welcoom-ghedichten" prijken inden
bundel nog verschillende andere ernstige en schertsende verzen
door de Zeeuwen aan deze tegen de liefde zoo goed gewapende
Amsterdamsche Minerva gewijd, en ook de verstandig-schert-
sende antwoorden, die zij met nog andere gedichtjes (o. a.
eenige berijmde psalmen) voor den „^Nachtegael" afstond.
Verder werden nog zeventien dichters als medewerkers aan
den „Zeeuschen Nachtegael" op de eerste bladzijde van den
bundel vermeld, in alle oorden van Zeeland gevestigd. Brou-
wershaven werd vertegenwoordigd door zijn burgemeester
Jacob HoBius met een niet onaardig „ Visscherspraetie*' tusschen
Steven en Martijntje. Ook Zierikzee toonde hier een dichter-
lijken burgemeester te bezitten in Adrianus Hopperus, heer
van Bommenede, die in 1627 ook rentmeester-generaal van
46 ADRIANUS H0FFBRU8 EN PHILIBBRT VAN BORSELEN.
Zeeland beooster Schelde werd. Hij was lid geweest vao de
Dordsche synode en leverde aan den „Nachtegael" niet minder
dan zestien, alle stichtelijke, gedichten, met eene enkele uit-
zondering ook opgenomen in zijne Nederduytsche Poemato (van
1635), die hem tevens als een Latijnsch dichter doen kennen.
Hij volgde zijn neef Cats door het maken van zinnebeelden
en bezong bovendien verschillende gebeurtenissen zijns tijds
en daaronder krijgsbedrijven, als het ontzet van Bergen-op-Zoom,
de verovering der zilvervloot en de inneming van Wezel en
's-Hertogenbosch. Als oudheidkundige leverde hij ook bouw-
stoffen aan Boxhorn's „Chroniick van Zeelandf', die in zijn
ster^aar, 1644, is uitgegeven en waarin verscheidene Latijnsche
disticha van hem op Zeeuwsche steden voorkomen. Afzonderlijk
gaf hij in 1621 nog „Een gebed voor de vrede der Kercke"
uit, dat door den dreun der zeer korte versregels en ook in
andere opzichten zeer sterk gelijkt op vele van Cats' latere
gedichten. Antoniüs Walaeus, die een lofdicht op zijn
„Rymen" maakte, prees hem, omdat hij zijne eer niet stelde
„in moosjanckery noch deuntjes die onstichten, maer in lof
van de deucht, in goed én wijse leer", en Scriverius, die
terecht „de Godsdienst zijn wit'* noemde, zeide van hem, dat
hij „lichte boertery en Martiaelschen schamp niet acht dan
ydelheyt, dan mist, dan roock en damp." Desniettegenstaande
wist hij, naast Heinsius, Camphuysen en Cats, ook den geestigen
Hooft te waardeeren en noemde hij zich zelf in hun kring
nederig „een schrale Gans in 't midden van de Swanen".
Toch was hij onder de Zeeuwsche poëten nog de minste niet.
Zijn voorganger als rentmeester van Zeeland beooster Schelde
was de burgemeester van Tol en, Philibert van Borselen,
die een „Galmdicht ofte Minnaers Klacht over de Wreedheydt
zyner Beminde" aan den „Nachtegael" afstond en zich reeds
veel vroeger door een paar dichtwerken bekend had gemaakt:
het eerst in 1693 door zijn beschrijvend gedicht in alexandrijnen
„Den Bincbhorst ofte het lof des gelucsalighen ende gerustr
moedighen land-levens", merkwaardig vooral omdat het in
onze letterkunde het eerste, mij bekende, voorbeeld is van de
later zoo overvloedige hofdichten. De dichter droeg het werk
op aan zijn vriend Jonkheer Jacob Snouckaert, den heer van
den Binckhorst, die daar in den goed verzorgden bloemhof,
ANDERE ZBKUWSCHE DICHTERS. 47
in den vrijen vogelenzang of in het stille studeervertrek het
staatsTumoer van Den Haag ontvluchtte. In een uitvoeriger
dichtwerk, van 't jaar 1611, Strande getiteld, gaf hij eene niet
onverdienstelijke, in elk geval weinig alledaagsche en nu en
dan zelfs dichterlijke beschrijving van „de scelpen, kinc-hornen
ende andere wonderlycke zee-scepselen, tot lof van den Scepper
aller dinghen". Uit Vlsscher's „Sinnepoppen** kunnen wij
het weten, dat het verzamelen van schelpen en hoornen ook
in dien tijd reeds eene niet ongewone liefhebberij was.
Adriaen Valbriüs, schepen van Veere, en de geleerde
VUssinger Abraham van der Mijle, die ook enkele bijdragen
aan den „Nachtegael" schonken, zijn ons reeds van vroeger
bekend ; maar onder de Middelburgsche dichters zijn er eenige,
die nader besproken of althans genoemd verdienen te worden.
Groote luister werd ongetwijfeld aan den bundel bijgezet door
de medewerking van de gebroeders Schutte, van welke de
jongste, Jacob, toen burgemeester van Middelburg was en de
oudste, Apollonius, na van 1601 af pensionaris van Middelburg
geweest te zijn, sedert 1609 zitting had in den Hoogen Raad.
Als Latijnsch dichter had deze zich een goeden naam ver-
worven en reeds van zijne jeugd af had hij de Muzen vereerd,
zooals o. a. ook blijkt uit de voorstelling, die hij (in 1595)
met eenige medestudenten gaf van eene Lat^'nsche tragedie
Ajax en van Plautus* „Amphitruo", ons bekend uit een uit-
voerig Latijnsch lofdicht daarop van zijn vriend, den lateren
hoogleeraar Antonius Walaeüs. Een enkel gedichtje leverde
de uit Antwerpen afkomstige schoolmeester Johannes de Swabp,
die reeds vroeger eene berijming der „Claech-liedendesPropheten
Jeremiae" (1618) had uitgegeven en verschillende oorspronke-
lijke of vertaalde godsdienstige prozawerkjes. Zijn broeder
Samuel de Swabf, eveneens dichter en schoolmeester en tevens
plaatsnijder en pennekunstenaar, gaf in 1628 nog eenige
verzen van hem uit in den bundel „Gedichten van verscheyde
(Zeeuwsche) Poëten' , die ook het een en ander van Cats,
Hopperus en Jacob Schutte bevat. Verder treft men in
den „Nachtegael" enkele gedichten aan van Cats* vriend, den
advocaat en notaris Jacob Luyt, van den geneesheer Lenart
Peutbmans, van Johannes Rogiers, die in zijn „Claghende
Vrijster" den invloed van Huyqens verraadt, en van Joan
48 JOAN DE BRUNB.
DE Brunk, die er, behalve een lofdicht op Cats en een zwart-
gallig „Tafereel van de Liefde", ook eenige niet onaardige
rijmraadsels in gaf.
De Brunb, die destijds nog advocaat in Middelburg was,
maar in 1649, na allerlei andere ambten bekleed te hebben,
tot raadpensionaris van Zeeland zou opklimmen, heeft in proza
en rijm door verschillende werken de eêr van zijn gewest op-
gehouden. In zijn Emblemata of Zinne-werck (van 1624) volgde
hij nauwkeurig den trant van Cats, door achtregelige versjes
van . practische levenswijsheid ter verklaring te voegen bij 51
aardige plaatjes van verschillende goede teekenaars en graveurs,
waarop dan uitvoerige prozabespiegelingen volgen, doorvloch-
ten met oorspronkelijke of niet zonder talent vertaalde ge-
dichten. Grootendeels zijn het vertalingen uit het Latijn of
Fransch, en misschien heeft geen onzer dichters zooveel van
Ronsard in het Nederlandsch overgebracht, als hij. Ook de
Italiaansche litteratuur was aan De Brune niet onbekend,
blijkens de vertaling van eenige versregels van Ariosto. Trou-
wens in geleerdheid en belezenheid deed deze raadpensionaris
voor zijn ambtgenoot Cats maar weinig onder.
Zijne prozawerken. Nieuwe wyn in oude leer-zacken (van 1636)
en Bancket'Werck van goede gedachten (van 1658, zijn sterQaar),
waarin honderden lessen van levenswijsheid, menschkundige
opmerkingen en anecdoten in zuiver pittig Nederlandsch zijn
bijeengebracht, zoddat zij als modellen van goed proza mogen
beschouwd worden, doen hem kennen als een man, die met
scherpen blik in de wereld heeft rondgekeken, veel heeft op-
gemerkt, veel heeft gelezen en ernstig heeft nagedacht. Terecht
zeide Cats van het Bancket-werck : „soo ghy in dat Bancket
geen smake vinden kont, soo hebje een dommen geest of
smakelooze mont". Verder gaf hij, behalve andere theologische
werken, in 1644 nog eene vertaling van De CL Davida-Psalmeny
waarvan het opmerkelijkste is, dat hij die, om zoo getrouw
mogelijk aan het oorspronkelijke te blijven, in rijmlooze ver-
zen geschreven heeft ; doch om het publiek voor zulke verzen
te winnen had hij veel keuriger op zijne versmaat moeten
wezen dan hij was, zoodat het moeite kost uit te maken, welke
regels hij daarbij heeft gevolgd: met den klemtoon althans
springt hij er wonderlijk om.
8IM0N VAN BBAUMONT. 49
De meeste en tevens de beste bijdragen ontving de „Zeeusche
NachtegaeP' van Simon van Beaumont, die daar echter geen
ander van zijne gedichten met zijne initialen teekende, dan
een enkel van de schertsende versjes, die Anna Roemers
hem ontlokte. Ook later heeft hij nooit naar letterroem ge-
streefd, want eerst in 1638 heeft zijn zoon hem de vergunning
kunnen afdwingen, de gedichten, die hij in vroegere jaren
gemaakt had, te mogen uitgeven onder den titel Horae Suc-
cisivae. TyUSaipperingeUy in 1640 vermeerderd met een groot
aantal intusschen nog vervaardigde gedichten, Deze bundel
bevat naast de Nederlandsche, gedeeltelijk reeds in den „Zeeu-
schen Nachtegael*' opgenomen, gedichten ook zeer vele La-
tijnsche en eenige Pransche verzen. Uit Bbaümont's jonge
jaren dagteekenen, behalve eene vei-taling van Virgilius' eerste
ecloga („Boerenpraet") o.a. ongeveer twintig sonnetten, onder
den gemeenschappelijken titel „Jonckheyt" in 1596, toen hij
te Leiden rechten studeerde, gedicht voor eene zekere Elisa-
beth, die er echter weinig ooren voor had en wreedelijk met
zijne liefde spotte. Wanneer men niet alleen zijne jeugd in
aanmerking neemt, maar ook bedenkt, dat deze verzen reeds
geschreven zijn vóór Heinsius en Hooft waren opgetreden,
dan zal men moeten erkennen, dat zij van een ingeboren aan-
leg getuigen, dien hij slechts had behoeven te ontwikkelen,
om een voortreffelijk dichter te worden.
Later echter heeft hij, afgezien van enkele middelmatige
stichtelijke gedichten, bijna niet anders gemaakt dan omstreeks
460 korte rijmpjes in goed, vloeiend Nederlandsch. Een hon-
derdtal daarvan is verdienstelijke vertaling of navolging van
Martialis, en daarom werd een gedeelte er van onder den
titel „Grillen'* in den „Zeeuschen Nachtegael" door hem opge-
dragen aan Scriveeiüs, die in 1619 de epigrammen van Martialis
had uitgegeven en er toen ongetwijfeld niet laag op neerzag,
al prees hij het later ook in Hofferus, dat deze „in de wegh
des Heeren sich oeffende" en begreep „hoe ongerijmt de nopen
en malle grillen sijn van ander brabbelingh". De andere
korte gedichtjes van Beaumont zijn voor een deel fabels en
verder zinspreuken, puntdichten en berijmde anecdoten, die
in geestigheid voor die van Roemer Visscher niet behoeven
onder te doen en ze in beschaafdheid van uitdrukking en
4
50 SIMON VAN BBAUMONT BN ADRIABN VAN DB VBNNE.
kieschheid overtreflfen^ misschien omdat de meeste uit de jaren
1638 en 1639 dagteekenen en dus uit een tijd, waarin de
ronde ruwheid van Visscher wat ouderwetsch zal geworden
zijn, vooral in de regeeringskringen, waarin Beaumont eene
eervolle plaats innam, eerst in Zeeland, daarna in Holland.
Een geboren Zeeuw was hij niet : te Dordrecht zag hij,
waarschijnUjk in 1574, het levenslicht, maar reeds in 1601
was hij te Middelburg als advocaat gevestigd. Hij trad er in
1606 naast ApoUonius Schótte als tweede pensionaris op, en
was er van 1611 tot 1634 eerste pensionaris, dus gedurende
twee jaar ambtgenoot van Cats. In 1618 bedankte hij voor
de eer om in den Hoogen Raad zitting te nemen, misschien
omdat hem als remonstrantschgezind toen de loop van zaken
in Holland tegen de borst stuitte; maar in 1634 toonde hij
zich bereid de zoo lang onvervuld gebleven plaats van De
Groot in te nemen en pensionaris van Rotterdam te worden,
wat hij tot 1649, d. i. tot vijf jaar vóór zijn overlijden, bleef.
Ook in andere ambten, bv. gezantschappen, heeft hij met eere
de Republiek gediend.
Zonder plaatjes kon destijds een werk van smaak het licht
niet zien. De „Zeeusche Nachtegael" is dan ook versierd met
acht kopergravures naar teekeningen van Adriaen van de
Vbnne, den broeder van Jan van de Venne, die den bundel
uitgaf en sinds 1619 te Middelburg op den hoek van de
Nieuwe beurs een schilderijenwinkel en drukkerij had, waarvan
hij een irlauwerhof ', een middelpunt van kunstbeoefening, wilde
maken. Zijn broeder Adriaen, in 1589 te Delft uit een
Brabantsch geslacht geboren, had korten tijd te liciden ge-
studeerd, maar zich daarna aan de schilderkunst gewijd, en
had zich in 1619 van 's-6ravenhage naar Middelburg begeven
om daar in zijns broeders kunsthandel zijne schilderijen ten
toon te stellen en de daar gedrukte boeken van platen te
voorzien. Toen zijn broeder in 1625 overleed, keerde hij naar
Den Haag terug, en was daar tot aan zijn dood in 1662 een
bekend schilder en o. a. in 1656 medeoprichter van het ge-
nootschap Pictura.
Niet minder liefde dan voor de schilderkunst had hij voor
de dichtkunst, en hij hield, zooals vele zijner tijdgenooten,
deze zusterkunsten voor onafscheidelijk. „Reden-kunst en
ADRIABN VAM DE VBNNB. 51
Beelden-kunst moeten noodsakelick byeen ende voeghen ende
moeten te samen ghelijck de Ziel by het Lichaem. Gheen Schilder
kan sonder Poëtschen Gheest, noch gheen Poet kan sonder Schil-
derschen Gheest yets teelen, voldragen, baren ende opvoeden".
Zoo drukte hij zich uit in de voorrede voor de verbeterde ver-
tüing van Estienne Perret's emblematisch werk „XXV ivonder'
lieke Sinne-FabaUn der Dieren*\ De prentjes waren echter niet van
hem, maar van Marcus Geeraerts en overgenomen uit Db
Denb's ff Waerachtighe Fabulen der Dieren", waarvan hij zegt,dat
het gemaakt was in een tijd, toen „de Rymkunst noch onghe-
bakert" was en „de borsten ghesoghen hadde van vreemde
ende uytlantsche onrymighe woorden", terwijl in zijn eigen
tijd „de lof- weerde Poösie of Wys-kunst eerst tot haer Duyts
verstant ghekomen" was en „de HoUantsche ende Zeeusche lucht
deselve Weet-kunst wat soeter ende opender en meerder had
verlicht van de vreemde lisperijen en duystere dompen".
Moeielijk zou iemand in meer gezochte en duistere taal op de
„duystere dompen" van zijne voorgangers hebben kunnen
smalen, dan Van de Vkmne hier doet, en inderdaad in
proza en verzen heeft deze dichter zich te allen tijde zóó
uitgesproken, dat het lezen zijner werken eene ware kwelling
is. Het minst ongenietbaar is nog zijn Tafereel van Sinne-malf
dat met een lofdicht op de Zeeuwsche dichters aanvangt en
waarin hij dan o. a. verder met zijn „Minne-mail van Dicke
Leendert'* in een langdradig mengsel van gekunsteldheid en
volksplat eene boerenvrijage tracht weer te geven in den
vergeefs nagebootsten trant der vrijerspraatjes, welke Huygens
kort te voren „in 't voorhoutse schaduw-lommer" had laten
houden en waarvan hij een Zeeuwschen tegenhanger schijnt
te hebben willen leveren, terwijl een ander gedicht uit dien
bundel, „Sinnighe Slypers-liedt" getiteld, bewijst dat hij met
Bredero's boerenliedjes niet onbekend was. Eigenlijk was dat
«Tafereel van Sinne-mal' bestemd voor den „ZeeuschenNach-
tegael", maar het was veel te lang geworden om er plaats in
te kunnen vinden, en daarom werd het er als een afzonderlijk
geheel in denzelfden band aan toegevoegd.
In den „Nachtegael" zelf komen maar een paar gedichten
van Van db Vennb voor: een berijmde psalm en een lang
gedicht: „Zeeusche Mey-clacht ofte Schyn-kycker", dat in
52 ADRIABN VAN DE VENNB BN PBTRU8 HONDIUS.
hoofdzaak een pleidooi is voor de voortreffelijkheid van de
zoo nauw aan elkaar verwante schilder- en dichtkunst, maar,
ondanks de verklarende kantteekeningen, aan duidelijkheid
alles te wenschen overlaat. In zijne latere dichtbundels bleef
Van de Vbnnb zich zelf gelijk. Zijn Sinne-vonck op den
Hollandtscfien Turf, in 1634 tegelijk uitgegeven met zijn „Hol-
landsche Sinne-Droom op het Nieuw Wys-mal van den ouden
Italiaensche Smit", en zijn uitvoerig werk. Tafereel van de
belacchende werelt, van 1635, dat voor een deel bestaat uit
zoutelooze boerengesprekken op de Haagsche kermis en verder
uit eene rommelzoo van proza en verzen, en in den vorm van
kantteekeningen vele honderden rijmspreuken en spreekwoorden
bevat, zijn zulk een dwaas mengelmoes van platheid en gekun-
steldheid, in onuitputtelijken overvloed opgedischt, dat zelfs de
aardige plaatjes, die trouwens reeds vroeger dienst hadden
gedaan, er niet genoeg belangstelling voor kunnen wekken.
Indien de „Zeeusche Nachtegael" een paar jaar vroeger
was uitgegeven, dan zou men daarin waarschijnlijk ook wel
het een - en ander gevonden hebben van een met vele zijner
landgenooten en ook met Cats zeer bevriend Zeeuwsch dichter,
die echter reeds in 1621 op middelbaren leeftijd overleed,
namelijk Petrus Hondiüs of De Hondt. Te Vlissingen ge-
boren, waar hij op de Latijnsche school met Daniël Hbinsius
eene vriendschap voor het leven sloot, studeerde hij sinds 1596
op kosten van zijne geboortestad te Leiden in de letteren en
de theologie, bracht daarna korten tijd te La Roebelle door
en deed in 1604 zijne intrede als predikant te Ter Neuzen.
Ongetrouwd gebleven, woonde hij er in bij den oudburgemeester
Johan Serlippens (door zijn huwelijk met Heinsius vermaag-
schapt), die er de afgedankte Moffenschans tot een lusthof had
laten inrichten. Hondius nu maakte van dien lusthof een
plantentuin, waarin de zeldzaamste planten gekweekt werden,
zoodat hij zelfs met den hortus botanicus der Leidsche hooge-
school, onder het bestuur van Hondius' leermeester Clusius en
diens opvolger Vorstius, wedijveren kon. Zijne grondige kennis
van alle planten stelde Hondius in staat, belangrijke bijdragen
te leveren tot eene nieuwe uitgave (in 1618) van Rembert
Dodoens' beroemd „Cruydt-Boeck", maar evenals Maerlant
in zijn „Naturen Bloeme" de voortbrengselen der natuur hoofd-
HONDIÜS' „MOÜFM-SCHANS". 53
zakelijk beschouwde uit het oogpunt van het nut, dat ze voor
den mensch hebben, zoo zag ook Hondius er in de eerste
plaats genees- en voedingsmiddelen in, waarvan hij in zijn
bof kosteloos de volle keus had.
Dat gaf hem dan ook aanleiding om aan het uitvoerig dicht-
werk, waarin hij zijn plantentuin vereeuwigde, den titel te geven
van Dapes inemptae of de Moufe-schans, waarvan de veel ver-
meerderde tweede, nog door hem zelf voorbereide, druk in
1621, even na zijn dood, uitkwam. In tien „gangen" diende
hij daarin zijn ongekochten maaltijd voor, ter verheerlijking
van de „soeticheydt des buyten-levens, vergheselschapt met de
boucken". Na eene vergelijking van „het ste-leven'* met het
zooveel gelukkiger „buyten-leven" gaf hij er eene beschrijving
van zijn „buyten-hof ' en zijn „bloemhof', van de voortreffelijke,
door hem gekweekte „moes- en genees-cruyden", van den
rijkdom der spijzen, die zijn geliefd Zeeland opleverde, en
verder van de wijze,' waarop hij in natuurbeschouwing, be-
studeering van allerlei vakken van wetenschap en drukke brief-
wisseling met menschen uit alle wereldstreken zijne dagen op
de Moffenschans doorbracht, en daarbij ook van drie voet-
reisjes, door hem in Zeeland en Zeeuwsch- Vlaanderen gemaakt.
Naast de natuurhistorie wekte ook de geschiedenis der
menschen zijne belangstelling, en hij schijnt ook op dat gebied
een — vermoedeüjk nooit gedrukt — werk over den oorsprong
van den tachtigjarigen oorlog onvoltooid te hebben nagelaten ;
maar zijn gedicht, dat veel van eene korte encyclopaedie heeft,
bewijst, dat niets hem onverschillig liet, behalve het roezig
menschenleven in de steden. Wel ging de wetenschap hem
veel meer ter harte dan de dichtkunst, maar dat hij juist den
versvorm koos om zijne kennis te verspreiden, pleit in elk
geval voor zijne belangstelling in de poëzie. Gaarne maakte
hij kennis met hetgeen de dichters aanboden, en onder deze
was ook voor hem Daniël Heinsius de grootste. Toch volgde
hij allesbehalve diens trant. Met groote gemakkelijkheid rijmde
hij de korte vloeiende versregels van zijn „Moufe-Schans",
dat als dichtwerk echter niet hooger staat dan Maerlant's
„Naturen Bloeme", waaraan het in menig opzicht herinnert,
al maakt het door regelmatigheid van versbouw en zuiverheid
van taal ook een meer modernen indruk.
64 DB ZBEUWBN TEOBNOVBB DB RBNAISSANGB.
HoNDius was niet de eenige, die de tradities der middel-
eeuwen in de zeventiende eeuw voortzette. Zondert men Adriaen
VAN DE Vekne uit, dan kan men zeggen, dat alle dichters
uit den Zeeuwschen kring zich van Hooft en zijne Amster-
dammers vooral kenmerkend onderscheiden, doordat de oude
nationale geest in hunne werken krachtig is bUjven voortleven
en zij, zelfs bij hunne groote vertrouwdheid met de classieken
en bij hunne ingenomenheid met emblematische en pastorale
litteratuur, den invloed der Renaissance ter nauwemood hebben
ondergaan, evenmin wat de uitdrukking der gedachten als
wat die gedachten zelf betreft. Daarin heeft men dan ook de
hoofdoorzaak te zoeken van de groote populariteit, die Cats
en zijne richting gekregen heeft bij de kleine burgerij, en te
geUjk ook de oorzaak van de geringschatting, waarmee men
hem in de kringen der letterkundige fijnproevers meestal,
ook reeds tijdens zijn leven en vooral gedurende de achttiende
eeuw heeft bejegend, nog afgezien hiervan, dat in ons land
het oordeel over kunst zich maar uiterst zelden heeft kunnen
losmaken van godsdienstige en staatkundige partijdigheid, en
dat alzoo de meer wereldsche tegenstanders van het streng
dogmatisch geloof, uit den aard der zaak tot de Renaissance-
poëzie overhellend, de Zeeuwsche school alleen reeds om haar
stichteUjk karakter minder konden waardeeren. Vandaar ook
dat in ons kleine land, waar alle menschen van eenige be-
teekenis met elkaar in aanraking komen, Oats en Hooft met
de meeste hunner kunst vrienden elkaar vreemd konden bUjven.
Van eenige vijandige verhouding tusschen beiden mag echter
geene sprake zijn. Wie zulk eene verhouding zou vermoeden,
ofschoon zij wel nergens uit blijkt, vestige zijne aandacht op
het feit, dat Jacob vak dbb Bubgh, toen hij in 1636 van
Hooft die gedichten verzameld uitgaf, welke de Drost zelf
hem ter uitgave aanwees, na, in de opdracht van dien bundel
aan Huygens, de voornaamste Italiaansche, Fransche en Engel-
sche dichters vermeld te hebben, ook de namen van enkele
Nederlandsche dichters noemde om te bewijzen, „dat Holland
in onze dagen van dien slach geenszins is misdeelt ge-
weest", en dat dan naast Hooft en Huygens door hem
niet alleen Spieghel, Heinsius, Coster en Vondel der ver-
melding waardig gekeurd werden, maar ook Jacob Oats, die
CAT8' „houwelyck". 55
dos blijkbaar ook bij Hooft onder de beste dichters meetelde.
Het eigenaardige der dichtkunst van Cats en zijne school
komt bijzonder uit in het groote werk, dat hij twee jaar na
den ^Zeeuschen Nachtegael", dus in 1625, nog te Middelburg
van de pers liet verschijnen, ofschoon hij reeds in 1623, pen-
sionaris van Dordrecht was geworden, en dat wel zijn hoofd-
werk mag genoemd worden, namelijk „Houwelyck dat is de
gansche gelegentheyt des Echten Staets". Omdat het vooral
voor de vrouwen onder zijne landslieden bestemd was, had
hij het, zooals ook „by onse naburen meer en meer werd
gedaen", in de landstaal geschreven, „opdat wy" zegt hij,
^niet en werden beschuldicht, terwylen wy alle de werelt soucken
wel te doen, ondanckbaer te sijn tegen ons eygen Vaderlant".
Zeker ook in verband daarmee stelde hij er prijs op, te ver-
klaren, dat hij „overal gepoocht heeft te gebruycken een effen-
bare, eenvoudige, ronde en gans gemeene maniere van zeggen,
deselve meest overal gelijck makende met onse dagelicksche
maniere van spreken, daerin alle duysterheyt schouwende".
Vandaar dan ook, dat de taal zijner verzen voor ons nog altijd
veel gemakkelijker is te verstaan, dan van de dichters uit de
school van Hooft, daar gekunstelde taal altijd maar een kort
leven heeft en de gewone beschaafde spreektaal zelfs gedurende
een lang tijdsverloop maar weinig verandert.
Zijne bedoeling was, in dit dichtwerk het toonbeeld van
,een rechtschapen huyswijf met alle hare verwen voor oogen
te stellen, soo gelyck wy die onse lantslieden ende een yeder
wel souden wenschen", en aanvankelijk had hij dan ook het
ideaal van „'t Christelick huys-wyf' voorgesteld onder vier ge-
daanten, als „bruyt, vrouwe, moeder en weduwe" of in de
vier jaargetijden van haar leven, lente, zomer, herfst en winter ;
maar bij deze vier in paar aan paar rijmende alexandrijnen
geschreven hoofddeeleü van zijn werk voegde hij kort voor
de uitgave nog twee andere deelen met eene omwerking van
zgn vroeger uitgegeven Kinder-spel tot inleidiug. Het eerste,
waarin hij over de vrouw als „Maeght" handelt, is niet anders
dan zijne reeds vroeger uitgegeven samenspraak „Maeghden-
plicht", maar veel beschaafd, vooral ook vloeiender van vers-
bouw en kiescher van stijl geworden, en ook nog al wat uit-
gebreid, inzonderheid aan het eind. Als tweede deel voegde
56 CATS' „hoüwblyck".
hij onder den titel „Vryster" daar een pendant aan toe: ook
eene in korte rijmregels vervatte samenspraak tusschen eene
jong gehuwde vrouw, Sibille, en eene trouwlustige jonkvrouw,
Rosette, waaraan het reeds vroeger gedrukte „Vryster wapen"
met verklarend gedicht als titelprent voorafgaat. In dit deel
komt de samenspraak der beide jonge vrouwen neer op.de
stelling, dat eene eerbare maagd geene enkele poging moet
aanwenden om een jonkman in het huwelijksnet te lokken,
dat iedere stap tot een huwelijk van den jonkman zelf moet
uitgaan en dat een jong meige veel meer kans heeft op een
gelukkig huweUjk door hare genegenheid te verbergen dao
door, op welke bedekte wijze ook, zich zelf aan te bieden,
omdat de liefde bij de mannen dan alleen standvastig is, wan-
neer zij moeite hebben moeten doen om de hand eener vrijster
te verwerven. „Trouwen toch is geen menschen-werck" : een
jong meisje moet geduldig afwachten tot God haar den haar
beschoren echtvriend schenkt.
Het eigenlijke leerdicht, waarin Cats aan de vrouw hare
pUchten voorhoudt, ofschoon daarbij telkens ook „de manne-
licke tegenplichten" opgevende — evenals ook Houwaert had
gedaan in „Pegasides pleyn", waarmee het werk van Cats
groote overeenkomst vertoont — heeft dezelfde deugden en
gebreken als zijne vroegere werken. Bij „kleyne beusel-saecken**,
die anderen misschien „niet de pijne weert" zouden achten,
stond hij opzettelijk soms lang stil, omdat hij bij ervaring
wist, hoe dikwijls kleinigheden de oorzaak van groote gevolgen
en veel leed en onheil zijn. Vandaar ook hier een rijkdom
van spreukvormig uitgedrukte lessen van practische levens-
wijsheid, van heinde en ver bijeengegaard uit geschiedenis en
verdichting, uit de ondervinding van het dagelij ksch leven en
naar aanleiding van veel wat een opmerkzaam gadeslaan van
de natuur en eene ijverige studie van natuurkundige werken
hem had kunnen leeren, omdat hij van alles partij wist te
trekken. Soms worden die lessen door verhalen afgewisseld,
waaronder de uitvoerige berijmde novelle van Galant en
Rosette de aandacht trekt om den eenvoud, waarmee zij is
verteld, al zou men haar misschien wat beknopter wenschen.
Maar dat iemand hem te breedsprakig zou kunnen vinden,
daaraan dacht Cats slechts eene enkele maal; zeker dacht hij
CAT8* „hoüwelyck". 57
er Diet aan, toen hij door Rosette van Anna liet zeggen, dat
„sy geduerigh al te breet weydde", want daarmee bedoelde
hij, dat [zij te overdreven gestreng was in de eischen, die zij
aan jonge meisjes stelde.
Cats was er ten volle van overtuigd, dat hij gestrengheid
van zeden leerde en ieders dank verdiende voor het nut, dat
hij met zijne dichtwerken stichtte, zoowel wanneer hij aan de
bruid leerde, hoe zij zich bij het aannemen van den verlovings-
ring en later aan den feestelijk en bruiloftsdisch te gedragen
had, als wanneer hij in kleine bijzonderheden de vrouw uit-
legde, hoe zij in haar huis- en keukenbestuur tegenover man
en dienstboden hare huisvrouwelijke plichten vervullen moest.
Bij de behandeling van één zijner onderdeden, de vrouw
als moeder, had hij geaarzeld, of hij daarover wel mocht
schrijven, als hij deed, omdat, zooals hij zegt, „alle schriften
niet van alle menschen met een ende hetselve oogh-merck
en worden gelesen," en sommigen „liever een goede reden
ten quade verdraeyen als een twyflfelachtich ^^oort ten goede
duyden". Het was alsof hij er een voorgevoel van had, dat
in later tijd menigeen, ook onder de beoefenaars onzer letter-
kunde, hem op grond van „twyflfelachtige woorden" in ver-
denking zouden brengen van een innerlijk behagen te schep-
pen in het uitweiden over de zinnelijke zijde van de liefde,
en dat minder reine geesten juist hetgeen hij daarover schreef
uit zijn werk zouden bijeenzoeken. Hij had zich echter ten
slotte boven die vrees weten te verheffen en toch maar be-
sloten om te handelen over wat hij „de by-wooninghe van
gebouwde lieden" noemt, omdat hij het nuttig vond uit de
werken der natuurbeoefenaars onder ieders oogen te brengen
„wat in deze ghelegentheyt ofte aen de vrucht ofte aen de
ouders ofte aen die beyde te samen ten goede soude moghen
strecken". Terecht toch vond hij voor de maatschappij niets
van zoo groot belang, als het voortbrengen van flinke, gezonde
kinderen. Hoe hoog hij ook het scheppend vermogen van den
kunstenaar stelde: „'t is doot wat kunste baert, 't is maer een
ydel beelt", zeide hij, „maer 't is het leven selfs wat echte
minne teelt*'. Daarom ook schreef hij zeer terecht : „lek en
can oock geensins begrijpen, waerom het ghewach van huwe-
licksche saecken ende de voort-teelinghe der menschelicken ge-
58 CAT8* ^HOÜWaaLYCK".
slachten by de menschen soo aenstootelick is gheworden, anders
als om des ontucht en dertelheyts wille, die daerin veeltijts
wert gebruyckt".
Toen Cats en zijne bruid bruiloft vierden, wenschte iemand
hun toe, zooals hij vertelt, „dat sy te samen out en leelick
mochten worden". Niet alleen achtte hij dat een hartelijken
wensch, maar nuttig ook vond hij het, dat men alreeds inde
lente zijns levens werd aangespoord te denken aan den barren
wintertijd, die met de jeugd ook de schoonheid zou rooven,
want alleen zij, die zich daarop reeds lang hadden voorbereid,
zouden zich in hun ouderdom niet ongelukkig gevoelen en
godzalig hun leven kunnen besluiten, er ook van bewust, dat
na den strengen winter den mensch „een beter lente-tijt, een
nieuwe somer wacht". Daarom bood hij dan ook juist aan
jonge lieden zijn vierde deel aan, dat handelde over de „be-
daeghde huysmoeder" en over de „weduwe", wie hij, onder
meer, het aangaan van een tweede huwelijk ernstig ontried.
Dat Cats in zijn gedicht telkens weder op verschillende
manieren den vrouwen de apostolische vermaning op het hart
drukt: „Ghy vrouwen, weest uwen mannen onderdanich",
was geheel in overeenstemming met de algemeen heerschende
theorieën over het huwelijk, al werd er in de practijk dan ook
toen en te allen tijde herhaaldelijk tegen gezondigd; maar
daarom was Oats nog geen tegenstander van de ontwikkeling
der vrouw en allerminst iemand, die vrouwen niet zou hebben
weten te waardeeren en op haar eigen gebied hare meerder-
heid niet zou hebben willen erkennen. Wel meent hij, dat de
man veel meer aanleg heeft voor de beoefening van kunsten
wetenschap en acht hij vrouwen als Anna Visscher en de
destijds achttienjarige Anna Mabia Schuebmans van Rhenen,
die door hare taalkennis en kunstvaardigheid elks bewondering
opwekte, uitzonderingen op den regel — immers' „één bloeme
en maeckt geen roose-krans", — maar toch stelt hij er prijs
op, ook de vrouwen te raadplegen in zaken van gewicht, want,
zegt hij, „men vint, dat vrouwenraet heeft ick en weet niet
wat dat ons te bovengaet". Ook prees hij Johanna Ooomans,
die door hare verzen getoond had, „dat even Pindus selfs
aen vrouwen open staet", en hoopte hij, dat haar voorbeeld
JOHAN VAN BEVERWYOK. 59
navolging zou vinden of dat de vrouwen althans smaak zouden
krijgen in het lezen van goede boeken.
Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, datdegroote
kampvechter der vrouwen in dien tijd, de Dordsche genees-
heer en geschiedschrijver zijner geboortestad Johan van
Bkvekwyck, die in zijn uitvoerig prozawerk Van de Uutaemenir
heyt de8 Vrouiuelicken geslachta (van 1639) alles bijeenbracht wat
er ooit voortreflfeiijks* door vrouwen was gedaan, om te be-
toogen, dat zij in geen enkel opzicht voor de mannen be-
hoefden onder te doen, een vriend van Jacob Oats was en
met eene menigte van diens verzen twee zijner vele en veel-
gelezen medische werken, namelijk Schat der Oesontkeyt (1636)
en Scfhat der Ongesontheyt (1642), opsierde.
De door hem behandelde stof gaf daartoe ook wel aanleiding,
want onder het vele waarin Cats belang stelde, behoorde niet
in de laatste plaats de geneeskunde, waarvan in zijne gedichten
uitvoerige uitweidingen over allerlei kwalen en geneesmiddelen
getuigen. Bedenkt men, dat in het begin der zeventiende eeuw
de wetenschap van den geneesheer, evenals van den „fisicien''
in de middeleeuwen, nog alles omvatte wat nu natuurkunde
en natuurlijke historie heet, dan pleit Cats' belangstelling in
dit vak voor zijne veelzijdigheid, waardoor zijne werken nog
l&ngen tijd konden beschouwd worden als een schatkamer van
wetenswaardigheden, die aan het volk, behalve zijne levens-
vijsheid, ook zijne elementaire natuurkennis verschafte. En
niet alleen het volk wist die omvangrijke kennis van Cats
te waardeeren, deskundigen onder zijne tijdgenooten deden
het evenzeer. Zoo zeide Van Be vbrwyck in een ander medisch
werkje. Lof der Oenees-konste, dat de pensionaris zijner vader-
stad, Jacob Cats, „onlangs in syn treffelick Houwelick aen-
gewesen heeft, ick en weet niet met beter verssen ofte rede-
nen", hoe noodig het is, dat gehuwden weten, hoe zij uiteen
hygiënisch oogpunt hunne huwelij ksplichten vervullen moeten.
Dichterlijk in eigenlijken zin kunnen dergelijke gezondheids-
lessen wel niet genoemd worden, maar zij strekken mede ter
verklaring van den groeten opgang, dien Cats met zijne
werken in zijn eigen tijd heeft gemaakt.
60 HÜYGBNS' JBÜQD.
XXIV.
Constantijn Huygens in zijne ledige uren.
De roem, dien Cats zich in korten tijd met zijne eerste ge-
dichten verworven had, bewoog in 1621 den hoogst begaafden
CoNSTANTijN HuYGBNs ondcF zijnc vleugelen als aankomend
dichter met zijn eerste groote gedicht op te treden. Reeds in
1618, toen hij te Zierikzee bij Anthonis de Hubert gelogeerd
had, was hij met de Zeeuwsche dichters en misschien toen
reeds of spoedig daarop met Cats in aanraking gekomen.
In zijn „noyt volpresen, noyt half uytgepresen Haegh" den
4den Sept. 1596 geboren, was ook hij, zooals zoovele onzer dich-
ters — en de taal zijner gedichten draagt er blijk van —
Brabander van afkomst. Zijne moeder, Susanna Hoefnagel,
toch was eene Antwerpsche, zijn vader Christiaan was geboren
te Ter Heide bij Breda. Daarom stonden dan ook als peters
over zijn doop de stad Breda en de Raad van Brabant, en
bovendien ook de admiraal van Zeeland, Jnstinas van Nassau,
als bewijs hoezeer zijn vader bij het huis van Oranje in de
gunst stond, en zeker niet te onrechte, want aan Willem I
had hij als secretaris belangrijke diensten bewezen, die hij,
tot zijn dood in 1624, voortging aan den lande te bewijzen
als secretaris van den Raad van State, waartoe hij na den
dood des Prinsen was benoemd.
De jonge Hüygens was dus reeds door zijne geboorte be-
stemd om de prinsen van Oranje en daardoor den Staat te
dienen en getrouwer dienaar was er moeielijk te vinden. Ook
niet gemakkelijk een bekwamer. Zijn voortrefiFelijke aanleg
toch was rijk ontwikkeld door de zorgvuldige opvoeding, die
zijn vader hem zelf gaf, en het veelzijdig onderwijs, dat hij
hem door goede leermeesters deed geven. Wij weten dat alles
in kleine bijzonderheden, omdat ons voor de biographie van
geen enkel onzer dichters zoovele betrouwbare bronnen ten
dienste staan, als voor die van Huygens : in de aanteekeningen
zijner ouders, zijn eigen dagboek, het begin eener uitvoerige auto-
biographie, verschillende memoriën, duizenden brieven van
en aan hem, voor een klein deel reeds uitgegeven, voor een
«
HUYQBNS' VBELZIJDIOHBID. 61
grooter ter uitgave bestemd, en eindelijk het bijna volledig
handschrift zijner, meestal nauwkeurig gedateerde, gedichten,
waaronder ook zijne levensbeschrijving in Latijnsche verzen,
De Vita Propria, die hij nóg op het laatst van zijn leven dichtte.
In geen enkel vak van wetenschap was hij vreemdeling. Reeds
in zijne jonge jaren overtrof zijne kennis die van de meesten
uit zijne omgeving, op lateren leeftijd behoefde hij slechts
voor vakgeleerden onder te doen. De muziek, waarin zijn
vader hem het eerste onderricht gaf, was zijne lievelings-
oefening: reeds op zijn vijfde jaar leerde hij cither-, op zijn
zesde vioolspelen ; op zijn zevende jaar begon hij met de luit,
waarop hij een meester werd. Ook gitaar en theorbe, „clavier
op ijser- en op coper-draed, op tinn tot pypen uytgesmeedt"
leerde hij bespelen; en daar 't hem verveelde „copije van
sijns gelyck, aep van ander luyden werck te zijn'*, ging hij
ook aan 't componeeren. „Drijmael drijhondert'* muziekstukken
zegt hij zelf te hebben gemaakt en daaronder 39, die hij in
1617 te Parijs onder den titel „Pathodia Sacra et Profana"
uitgaf.
Uitgebreid was zijne talenkennis. Behalve de beide olassieke
talen kende hij Fransch, Italiaansch, Spaansch, Engelsch en
Hoogduitsch. Uit al die talen vindt men onder zijne gedichten
eene menigte vertalingen; maar hij schreef ze ook gemakkelijk
en maakte er zelfs verzen in. Latijnsche verzen dichtte hij
reeds van zijn elfde jaar af, en wel in groot aantal. Tot het
schrijven van een Nederlandsch gedicht kwam hij echter niet
vóór zijn zeventiende jaar, toen hij ook al Fransche verzen
had gemaakt; en eerst van 1619 dagteekent bij hem de
ernstige beoefening der Nederlandsche poëzie. Toen zond hij
OA. een gedicht j,Aen de Bredaesche camer van Vreuchden-
dal", waarin hij Hsinsius en Anna Visschbb prees, en ook
,den grooten Grotius", maar met de opmerkelijke bijvoeging,
die hem reeds toen als aanhanger der stadhouderlijke partij
en tegenstander der staatspartij doet kennen: „Och! had hij
groot, noyt groots, noyt grootste willen wesen." In godsdienst
en politiek was Huyobns dus ook toen reeds, wat hij later
steeds zou blijven, meer geestverwant van Cats dan van Hooft
en zijne Amsterdamsche vrienden* Toch noemt hij in dit
gedicht Cats nog niet.
62 HUYOBNS' EBBSTB OBDICHTEN BN RBIZBN.
Het eerste wat hij nog in hetzelfde jaar, doch alleen voor
vrienden, liet di'ukken, schoon het later onder de afdeeling
„Bibelstof zijner volledige dichtwerken is opgenomen, was
een kleine bundel stichtelijke verzen: „Christelijckebedenckin-
gen over de twaelf articulen des Christelycken geloofs en over
de thien geboden des Heeren." Andere gedichten uit dien tijd
zijn, in den Delflandschen boerentongval en in schertsenden
toon, gericht tot jonge meisjes van zijne familie, o.a. tot zijn
nichtje Dorothea van Dorp, op wie hij een tijdlang verUefd
en met wie hij zelfs eenigen tijd in 't geheim verloofd schijnt
geweest te zijn.
Dat hij ook al vroeg de kunsten der groote wereld, paard-
rijden, schermen en dansen, leeren moest, sprak van zelf,
want zijn vader kon hem de hofkringen binnen leiden: doch
hij moest niet slechts hoveling, hij moest ook staatsman kun-
nen worden. Daarom kreeg hij eerst in Den Haag van zijn
geleerden oom Jacob Sweers onderwijs in de rechtsgeleerdheid
en vertrok hij daarna, in 1616, te gelijk met zijn eenigen,
anderhalf jaar ouderen broeder Maurits naar Leiden. Reeds
het volgende jaar kon hij er, na eene openbare disputatie,
den doctorstitel verwerven. Hij knoopte er toen ook kennis
aan met Daniël Heinsius, aan wien hij op 't eind van 1622
uit Londen zijn grootendeels strophisch gedicht „De uytlandsche
herder" toezond, waarin hij jammerde over den hernieuwden
krijg, maar zich verheugde over het ontzet van Bergen-op-
Zoom, „de vroomgeberghde stadt".
HüYGBNS was toen niet voor het eerst in Londen. Reeds
vier jaar vroeger had hij er vijf maanden mogen doorbrengen
als gast van onzen gezant Noël de Caron, die hem aan het
Engelsche hof en zelfs aan den Koning had voorgesteld. In
1620 bracht hij drie maanden in Noord-Italië (bij Venetië)
door in het gevolg van onzen gezant Frangois van Aerssen,
die hem tot zijn secretaris aanstelde en ook later groote be-
langstelling voor hem toonde. Het jaar daarop ging hij weder
naar Londen en wel als secretaris en factotum van het gezant-
schap; en vandaar teruggekeerd, schreef hij zijn eerste groote
gedicht: „Batava Tempe. Dat is H Foor Aou< van 's-Gravenhage",
waarmee hij terstond zijn roem als dichter vestigde. Het was
een nieuw geluid, zooals men bij ons nog niet had gehoord,
HUYOBNS' „voorhout". 63
een dichtwerk, eigenaardig van opvatting, versbouw en stijl
vooral, dat hem stempelde tot een dichter met eigen karakter
en meer dan gewone gaven, als „een nieuwen Swaen met
onghemeene pennen" zooals Cats van hem zeide. Overtroffen
heeft hij het, naar het mij voorkomt, later nooit weer, eene
enkele maal misschien geëvenaard, en zeker is het, dat wie
later zijne navolgers kunnen genoemd worden, vooral zijn
„Voorhout" tot voorbeeld namen.
Liefde voor zijne geboorteplaats vormt er den grondtoon
van. Geen oord ter wereld zoo schoon als Den Haag met en
door zijn Voorhout, is zijne meening. Geene stad, hoe beroemd
ook, kan er bij halen, noch Rome „de groote Papen-stadt",
die slechts de „schaduw van ouden glans" heeft overgehouden,
zoodat men er van moet zeggen: „Al uwluysterzijnuwjaeren
en uw schimmel al uw eer", noch Venetië, „het prachtighe
moras ', met zijn „marmer-kaden" en „weeldrigh slijck", noch
„de Fransche Scepter-stadt" met „de trotsche Panneryen" of
Tuilerieën, noch de hoofdstad van „het witte Brittenlandt"
met de geweldige Londonbridge over de Teems, noch de stad
aan de Schelde, noch het „averechte masten-woud" Amster-
dam, dat „veen vol steenen", die „sack vol goud". En waarom
overtreft 's-Gravenhage die alle ? Omdat daarin het Bataafsche
Tempe omsloten ligt, het Voorhout met zijn „tweemael twin-
tigh paeren" van lindeboomen, ,met gestichten omgeplant."
^Yemandt sal mij connen toonen", zegt hij, „öf meer huysen
5f meer houts, maer waer sachmen oyt bewoonen soo veel
stads in soo veel wouds?"
Hoe zich dat Voorhout in elk der jaargetijden voordoet,
wil hij nu verder vertellen: in de lente, wanneer de „lieve
nieuwe blaertjens, schepseltjens van éénen nacht" uit hunne
„bolle botgiens bersten" en wegens hunne „jonge weinigheit",
hunne firischheid en zeldzaamheid nog zoo gewaardeerd wor-
den; en in den zomer, dien hij met de hulp der Muzen zóó
levendig hoopt te kunnen beschrijven, dat „een grijze dutter
met de schenen voor de vlam" in den tijd, dat de lindetakken
„duycken onder 't vlockigh wintermeel" en hij de tanden zet
„in de nieuwe-jaersche weggen", toch onder het lezen tot
's dichters eer zal uitroepen: „Maer, maer hoe ken 't die
Vryer seggenl 'tGaet al offet Seumer waer.'*
64 HUYOENS' -voorhout".
De beschrijving van het Voorhout in den zomer is oneven-
redig uitvoerig in vergeüjking met hetgeen er in de andere
jaargetijden van wordt gezegd, ook omdat Huygbns er drie
kijkjes van genomen heeft: in den morgenstond, op den mid-
dag en aan den avond ; doch waarom dat af te keuren, zooals
wel eens gedaan is? De dichter had nu eenmaal van den
zomer wat meer te zeggen dan van de andere jaargetijden,
en hij heeft dat alleraardigst gedaan. Een gedicht behoeft toch
niet op een regelmatigen veelhoek te gelijken, en wie den
dichter zou willen verwijten, dat hij een hopeloos werk onder-
nam door zijne lezers ook van de heerlijkheden van het Voor-
hout in den winter te gaan overtuigen, bedenke, dat in het
dichtstuk geen ernstig pleidooi voor eene natuurlijk sterk
overdreven stelling mag gezien worden, maar de uitwerking
van eene, uit liefde voor Den Haag ontworpen, korte schets,
waaraan Huygens zich niet altijd gehouden heeft, >omdat bij
hem naar 's dichters natuur het „peerd de toomen" soms
ontliep.
Wie op een mooien zomerochtend tegelijk met Aurora „he,t
bedde ruimt" en de linden opzoekt, kan daar niet alleen het
ontwakend voglenheer zien, de rijzende zon met vroolijk ge-
zang begroetend, maar kan misschien ook nog het buitenkansje
hebben, hier of daar deur of venster te zien opengaan en de
naar buiten glurende jonge, meisjes te mogen bespieden, zich
vertoonend zooals zij in werkelijkheid zijn, wanneer al die
lintjes en strikjes, al die poeders en moesjes, valsche vlechten
en krullen haar nog niet gegeven hebben „wat de hemel no}rt
en schonck'', namelijk het schijnschoon, waaraan deonnoozele
vrijer zoo menigmaal het hof maakt.
Op den middag biedt het lindeblad met zijn „groene koelte
of koele groenigheit" niet alleen beschutting tegen den regen,
maar vooral ook tegen den „feilen straelder van omhoogh'^
voor wien Huygens achtentwintig geestige bijnamen bedacht
heeft, die aaneengeregen twee geheele strophen uitmaken,
als navolging van eene dergelijke namenreeks in Heinsius'
„Lof-sanck van Bacchus'\ en als voorbeeld voor Vondel in
diens „Rynstroom". Toch is „dat felle stralen eener sonne verr'
omhoogh" nog niets, zegt de dichter, bij den brand der liefde
van nabij, waarover hij een armen jonkman hoorde klagen
HUYGKNS' „voorhout". 65
„in syn weelderigh ellend", omdat zijne aangebeden Cloris
koud als marmer voor hem blijft.
De avond echter is de ware tijd voor de liefde. Dan toch
zijn „alle meisjens even moy, alle kaeckjens even bloosigh,
alle ooghjens even gauw, alle lipjens even roosigh, alle mondt-
jens even nauw", en dan kan ook de beschroomde vrijer uit
de duisternis moed putten, zoodat hij het waagt, „meer te
spreken dan het licht hem dencken liet." Menig verliefd paartje
beluistert Huygens 's avonds in 't Voorhout, menig burger-
jongen, die in Haagschen tongval zijn Trijntgie van zijne
dienst- en ofiFer vaardigheid verzekert, zijn Dirckgien haar voor-
keur voor Sander verwijt, zijn Troosgie eeuwige trouw zweert,
of die naar een bedankje vischt, omdat hij den vorigen avond
een regenbui getrotseerd heeft alleen om zijn Agnietje eene
serenade te kunnen brengen. Een ander tracht zijn ïQaertje
te vermurwen door hoog op te geven vian de rijke erfenis,
die hem te wachten staat; en onder die allen zijn er ook wel
„van 't gebroedsel, dat of pen of degen voert", die in de half
Fransche hoftaal afscheid nemen van eene getrouwe of afscheid
geven aan eeiie wufte vrijster. Deze aardige tafreeltjes trokken,
toen het gedicht verscheen, misschien wel bovenal de aandacht,
en voor het nageslacht hebben zij nog niets van hunne aan-
trekkelijkheid verloren. Doch aanzienlijker gezelschap ziet
Huygens onder de linden : vorsten, die wel onder een lauwer-
dak mochten wandelen : de „getrouwe Leeuwen-hoeders", Prins
Maurits en zijn jongeren broeder, het „ onver winnelicke paer",
dat in, 1621 daar den Bhemervorst en zijne echtgenoote, „'t
waerde Brittenlands juweel", vergezelde.
De herfst geeft alleen aanleiding tot de opmerking, dat alle
uiterlijk schoon van korten duur is, voor het Voorhout om
met eene nieuwe lente terug te keeren, voor de meisjes echter
„buyten hoop van wederkeer" ; maar al is in den winter het
groen van het Voorhout in grauw verkeerd, toch blijft het
den dichter lief boven al. In dienst van het Vaderland heeft
hij „de krijtte stranden en de Zuyderlanden" bereisd en hij
zou dat weer doen, als hij er toe geroepen werd; maar toch
gaat er bij hem niets boven zijn vaderland, behalve het eeuwige
vaderland, waarop men reeds hier op aarde het oog moet
gevestigd houden.
66 KARAKTER VAN HUYOKNS' POËZIE.
Eigenaardig is bij dit gedicht de trochaeïsche cadans der
achtregelige strophen met kruisrijm, waarbij alliteratie en
herhaling van woord- en zin vormen niet weinig tot de wel-
luidendheid bijdragen. Eigenaardig zijn ook de stijlwendingen,
zooals, dat dikwijls twee regels tegenstelling of aanvulling
vormen van de beide voorafgaande rijmregels, of dat althans
twee verzen met elkaar eene eenheid uitmaken tegenover de
andere.
Dat HuyGBNs bij voorkeur in tegenstellingen denkt, blijkt
ook uit zijne zucht voor woord- en klankspelingen en verras-
sende opmerkingen, die het vooraf gezegde gedeeltelijk terug-
nemen of zelfs weerleggen. De levendigheid van het gedicht
wordt grootendeels veroorzaakt door de afwisseling van toon:
nu eens wordt de lezer er in toegesproken, dan weer spreekt
de dichter van of zelfs tot zich zelf; pittige opmerkingen van
levenswijsheid en vermaningen wisselen de beschrijvingen en
schilderingen, zoowel van natuur- als van menschenwereld,
af; en bij dat Ijrrisch-didactische treft ons vooral ook het min
of meer dramatische, waardoor het gedicht voor ons eene
beweeglijke schilderij van het Voorhout is geworden.
Aanvankelijk was het „Voorhout" bestemd om opgenomen
te worden in den „Zeeuschen NachtegaeP', en daarom aan
Cats toegezonden, die op zich nam voor den druk te zorgen,
terwijl HüYGBNS zelf op het eind van 1621 naar Londen
vertrok, weder als gezantschapssecretaris van Fran9ois van
Aerssen. Ditmaal bleef hij langer dan een jaar in Enge-
land, waar hij vooral in den kring van Robert Killegrew
kennis maakte met allerlei beroemde en aanzienlijke mannen,
en o. a. met den welsprekenden hofprediker en deken van de
St.-Paulskerk, John Donne, die destijds als een van Engelands
Srootste dichters in eere was. Ook viel hem in October 1622
e onderscheiding te beurt, op voordracht van Van Aerssen
door Jacobus I tot ridder, d. i. in den adelstand, verheven
te worden.
Bij zijn verblijf in Engeland in 1622 heeft Huygbns — daar de
uitgave van het „Voorhout" vertraagd werd — nog een tweede
groot gedicht voltooid, dat hij nu samen met het „Voorhout"
in het licht wilde geven. Het was getiteld Kerkuraia Mastix
(d. i. overtollig sieraad) of Costelick Mal, en hekelde in bijna
HUYGENS' „COSTELICK MAL". 67
vijfhonderd alexandrijnen de overdadige weelde in dekleeder-
dracht. Ook hekeldichten zooals dit, in den trant van Juvenalis,
kende onze letterkunde toen nog niet. Aan den „geleerden
Cats" opgedragen, was het op zich zelf een geleerd gedicht,
waarvan de stof zorgvuldig was bijeengezocht, vooral uit de
„Polyanthea" van Jos. Langius en ook uit andere schrijvers,
en waarvan het plan nauwkeurig was overdacht.
„Een opgesnoeide broeck, een sackende Bragoen, een holle
Harnasch-tip, een doorgekapte Schoen", zóó begint het met
achtereenvolgens allerlei onderdeden van de mannenkleeding
op te sommen en door vergelijkingen, zooals van den „over-
lintten voet" bij de „ruyge pooten van de doflfers", en van
de hooge hakken bij „satyrs spitsche kooten", die kleeder-
drachten belachelijk te maken, evenals, onder de vrouwen-
kleeding, de^schuynsche rimpelkraegh", die aan een„boerenwan",
het „omgehoepte pack", dat aan een „keernenvat" doet denken,
enz. enz. Konden Adam en Eva eens uit hun graf verrijzen,
hoe ontsteld zouden zij staan kijken I En toch. Eva's „ver-
vloeckte snoepery" is van die dwaze en overdadige kleeder-
pracht de grondoorzaak: „die wortel heeft in ons by tacken
voortgebracht Kouw, Schaemte, Kleederen, Begeerlicheit en
Pi-acht".
Of men daar al over jammert, baat niets. Men moet het
verdragen en er om lachen. Is dat ongevoeligheid? Hoe
bedroevend de toestand der krankzinnigen moge zijn, hunne
inbeeldingen zijn soms zóó dwaas, dat men er ook door zijne
tranen heen wel om lachen moet: en zou dan deze „milte-
kitteling" ook niet geoorloofd zijn, als men opmerkt, dat al
die kleederpraal dikwijls alleen dient om een leelijk en vies
lichaam te verbergen? Dat de mensch kleeren draagt, is op
zichzelf natuurlijk niet af te keuren : 't is in ons land te koud
om er naakt te loopen : „bloot Indien den buyck, wie sal het
Holland vergen !" maar waarom kleeden wij ons niet in eigen
gesponnen linnen? Waarom halen wij van overal die „over-
zeesehe prachten" en trachten wij in veelheid van schitterende
kleuren al het geschapene te overtreffen, als apen, die alles
namaken wat zij zien? Zelfs zijn wij niet tevreden met ónze
kleeren te verwen. Hoevele vrouwen beschilderen niet haar
eigen lichaam, hare huid, hare lokken, die mooi blond moeten
68 HÜYGENS' „COSTBLICK MAL"
9
lijken ! En zijn zij, door het maaien van den tijd, „voorhoofd
schier van d' oogen tot den neck toe", dan schenken zij eene
eigenaardige onsterfelijkheid aan de overledenen door zich
uit het haar van deze eene pruik te laten maken.
Is de „pop soo opgetoyt" in al die geleende pracht, dan laat
zij zich door „vier henghsten na de kerck" rijden en zu,cht
zij daar onder haar „sonden-pack" en vernedert zich voor
God. . . . maar kan dat gemeend zijn? Een geheel jaar zou
een arme kunnen leven van het geld, dat zij alleen aan hare
kleeren te koste gelegd heeft, en zij denkt er niet aan,
„pack en ballast uyt te schudden" en schatten te vergaderen,
die niet door mot en roest verteerd worden. Hier verwondert
HuYGENs zich zelf over de hooge vlucht, die zijne gedachten
nemen. „Wasch en wiecken zullen smelten; het kruypen is
my konst", zegt hij, „wat maeck ick in de vlucht?"
Zoo begeeft hij zich dan weer naar omlaag met de opmerking,
dat alles nog zoo erg niet zou zijn, als ieder zich maar
tevreden stelde met de kleederpracht, die hij of zij bezit:
immers wat eens goed en verstandig was, is het altijd. Maar
de mensch is veranderlijk, „lust in de niewigheyt" drijft ons
telkens van mode te veranderen. Eenige aanleiding is er ook
wel voor. Zoodra ik eene mooie kleeding heb gevonden, zegt
de aanzienlijke dame, komt eene burgerjuffer en maakt haar
na. Men ziet mijne dienstbode voor mij aan en dat is niet
te verdragen: ik moet haar. telkens wel eene mode vóór
wezen. En wilde men nu de schuld bij Trijn en Trui zoeken,
die hare meesteres naapen, dan zouden ook zij wel wat weten
in te brengen om zich te verontschuldigen, want tegen vrouwen
valt niet te pleiten: zij moeten ten slotte altijd gelijk hebben.
Men moet dan maar zeggen: ieder heeft schuld en niemand
ongehjk. Wat „eertijds ydle toy en eertijds overdaed" was,
„is nu gedwongen moy": men kan zich aan de macht der
gewoonte niet onttrekken en moet zich aan de mode ook zelf maar
onderwerpen, als men slechts geene waarde hecht aan het
waardelooze en „vreugdeloos het opgedrongen pack draegt",
altijd even bereid „om 't witte kleed te gorden", waarin het
lichaam eens ter aarde zal worden besteld.
Toen in 1622 Costelick Mal en Voorhout met nog een paar
kleinere gedichten en twee prenten, door A. van de Venne
HUYQflNS' OBZOGHTHBID KN DUISTERHEID. 69
geteekendy door de zorg van Cats — niet in den „Zeeuschen
Nachtegael", maar — afzonderlijk het licht hadden gezien, trok-
ken zij onmiddellijk als iets bijzonder voortreflfelijks zoozeer de
aandacht, dat reeds het volgende jaar een tweede druk ter
perse kon gaan. „Hoe gheluckich zijn de Linden, die so
soeten schrijver vinden!" heeft toen zeker menigeen Cats
nagezegd en met hem „Huygens geestich overal" genoemd,
want dien indruk maakt hij ook nu nog.
Toch was de ingenomenheid niet algemeen. Hüygens was
bijzonder vroeg ontwikkeld geweest, en wist men niet, dat hij
nog geen zes en twintig jaar was, toen hij deze gedichten
schreef, en sprak hij er niet in van „de jonge jaeren, die hy
van den hemel hield", dan zou men ze voor het werk van
rijperen leeftijd, zelfs van gemelijken ouderdom kunnen houden.
Er is iets wijsneuzigs in den toon, en dat Huygens zich om-
streeks denzelfden tijd in zijn gedicht „Gedwonghen onschult"
moest verdedigen tegen het verwijt van pedanterie, bedilzucht
en ijdelheid, hem door een man van aanzien gedaan, kan
ons niet bevreemden. Hij meende het wel niet zoo kwaad,
maar maakte dan in elk geval een verkeerden indruk.
Zoo meende hij ook volstrekt niet, gekunsteldheid en duis-
terheid, in zijn schrijven na te jagen. Wel was hij terecht,
evenals later, „onsoenelick gebeten tegen 't lamme laffe lijm
van den dagelicksen rijm" en streefde hij naar beknoptheid
en kernachtigheid, naar geestige nieuwheid van vorm, waarbij
zijne vindingrijkheid om een ongewonen vorm voor gewone
gedachten uit te denken telkens bewondering wekt, maarzelüs
zijn vader waarschuwde hem tegen eene gezochtheid en spits-
vondigheid van geest, die aan zijne eerlijkheid zou kunnen
doen twijfelen, en aan „mooi doen" zou kunnen doen denken ;
en tegen eene duisterheid, die reeds menigeen zijne gedichten
verdrietig uit de hand had doen leggen. Cats, die aan deze
gebreken zelf wel allerminst mank ging, trad echter als zijn
verdediger op. „Roupt yemant onder dies: het schrift is al te
duyster! ick", zegt Cats, „ick roupe wederom: het is sijn
rechte luyster!" Immers „de rijpste druyf schuylt in het dickste
loof' en „in het hoff dient niemant met open schotels". Huy-
gens' gedichten, zeide zijn vriend Westbbbabn wat later,
vereischen „een man, dien 't niet en moet verdrieten, dat hy
70 HUYGKNS' „STEDEK- EN OORPSSTKMMEN".
somwylen weer herkaeuwe dat hy at", want inderdaad: „die
leest en wederleest, sal vinden en genieten yet goeds dat hy
in 't eerst nog niet gemerckt en had". Zijn werk was „spijs
van hooge smaeck gescherpt door aerdigheden en overal ge-
speckt met Kunst en Wetenschap.*' Dit is zeker, bij Huygbns
als dichter zijn de gebreken de overdrijving ^ van deugden,
doch niet van alle deugden, want tegenover Hooft en Vondel,
met hun fijn gevoel, rijke verbeelding, ruime wereldbe-
schouwing en hoog zich verheflfenden geest, is Huygbns, zonder
juist ongevoelig te zijn, de wereldwijze, practische en zeer ge-
leerde verstandsman, en als zoodanig meer een geestverwant
van Cats, met wien hij echter door de bestudeerdheid van
zijn vernuft en de beknoptheid van zijn taalbouw eene scherpe
tegenstelling vormt. Zegt Cats dikwijls te veel, Huygens laat
ons maar al te dikwijls naar de beteekenis zijner beknopte
zinnen en overdrachtelijk gebezigde of onjuist gevormde woorden
raden, maar heeft men zijne bedoeling eens begrepen, dan ge-
voelt men zich maar zelden teleurgesteld: de zoete kern der
noot is het doorbijten van het harde omhulsel meestal waard.
Dezelfde eigenaardigheden, als ons vooral in zijn „Costelick
Mal" treflfen, doen zich minstens even sterk voor ^in de ge-
dichten, die Huygens maakte, toen hij in het begin van 1623
in zijn vaderland was teruggekeerd, waar hij toen verder het
geheele jaar kon blijven. Inzonderheid schijnt hij zich nog
meer op woord- en klankspelingen, op binnen- en lettergreep-
rijm te hebben toegelegd, eerst in zijne Zedeprinten, en ver-
volgens in zijne Steden- en Dorpsstemmen, In den laatsten bun-
del worden de achttien stemmende steden van Holland en
zes Zuidhollandsche dorpen elk in een tienregelig gedichtje
niet onaardig gekenschetst, en onder de dorpen in de eerste
plaats het „dorp der dorpen", 's-Gravenhage, „daer yeder straet
een stadt is." Twintig jaar later heeft Huygens aan bijna elk
van die straten en bovendien aan alle Haagsche gebouwen
van eenige beteekenis een kort Latijnsch gedichtje gewijd,
vereenigd onder den titel „Haga vocalis".
De Characteres of Zedeprinten zouden door hun naam aan
navolging in versmaat van de prozakarakterbeelden van Theo-
phrastus kunnen doen denken, doch gelijken er weinig op,
omdat zij meer op geestige wijze uiterlijkheden dan inner-
HÜYGENS' „ZEDEPRINTKN" ; ZIJNE „LEDIGE ÜREN". 71
lijke eigenschappen aanduiden. Het zijn er negentien van zeer
ongelijke lengte, van welke alleen de print van den Professor
door HuYGENS zelf nooit is uitgegeven. In „een boer'* vindt
men aardig gekeuvel in den ZuidhoUandschen tongval. „Een
onwetend medicyn" is het treffend beeld van een schijnge-
* leerden arts, die met deftigen ernst en hoffelijke vriendelijkheid
de faalbaarheid der geneeskunst handig weet te maskeeren.
Door „een goed predikant" te schetsen hekelt de dichter de
geestdrijvers zijner dagen; In „een waerd" is de politieke tin-
negieterij aan het woord, die den toestand van Europa op het
eind van 1623 met veel eigenwijsheid bespreekt. Voor de korte
print van „een gesant" leverde zijne naaste omgeving hem
de stof, evenals voor die van „een sot" en die van een „wijs
hoveling", welke laatste door de groote uitvoerigheid wel een
klein leerdicht kan genoemd worden en blijkbaar het ideaal
schetste, waarnaar hij zelf toen streefde. Ook dit dichtwerk van
HüYQENs vond waardeering bij zijne tijdgenooten. „Het schil-
dert wonder net, het schildert naer het leven", wordt gezegd
in een lofdicht, waaronder de initialen F. B. staan, d. i. Felius
Brouwershavensis of Cats van Brouwershaven.
Deze „Sicdeprinten" droeg Hüygbns in het begin van 1624
op aan zijn broeder Maurits, kort na bet overUjden van hun
vader, die even vóór zijn dood nog had kunnen bewerken,
dat zijn oudste zoon tot zijn opvolger als secretaris van den
Raad van State werd benoemd. Nu werd het ook voor Con-
stantijn tijd om een vast ambt te bekleeden, en na nog korten
tijd voor de derde maal gezantschapssecretaris, in Engeland,
geweest te zijn, bleef hij nu verder in Den Haag om daarvan
werk te maken. Dezen tijd gebruikte hij bovendien om eene
uitgave te bezorgen van het grootste deel zijner Latijnsche,
Fransche, Italiaansche en Nederlandsche gedichten, die dan
ook in 1625 in het licht verschenen onder den titel Otia of
Ledige uren, want als de vruchten daarvan wilde hij zijne ge-
dichten alleen beschouwd zien. Behalve de door ons besproken
grootere dichtwerken, komt er ook een bundel kleinere ge-
dichten in voor, die hij aan zijne vrienden in Zeeland opdroeg.
Daaronder zal men nog niet vinden de overbekende, van
1625 dagteekenende, „Ecloga nautica," later onder den titel
aScheeps-praet" gedrukt. Iedereen kent de zeven strophen.
72 HÜYGENS' nSCHEBPS-PRAET".
»'
waarin het scheepsvolk in eigen taal den dood bejammert
van „Mouring, die de vrije schepen van de Seven-landsche
buert" zoo lang „voor den wind had leeren varen", en waarin
„moy Heintie, de jonge vaer," de neerslachtigen uit den dut
opwekt en met vaste hand het roer grijpt, zoodat „*t scheepje
weer deur 't zeesopp schuerde, offer Mouring noch an stond".
Toen Potgieter in „Het Rijksmuseum" op aanschouwelijke
wijze den indruk schetste, dien dat liedje kort na Maurits'
dood in het legerkamp op zijne krijgslieden moet gemaakt
hebben, bedacht hij niet, dat het eerst in 1638 gedrukt zou
worden met de uitdrukkelijke bijvoeging, dat het slechts een
fragment was; maar weten kon hij toen nog niet, omdat het
eerst later uit Huygens' eigen handschrift gebleken is, dat
er nog drie onuitgegeven strophen volgen, waarin getreurd
wordt over een tweeden slag, die al spoedig op den eersten
volgde, den dood van „Goeje Jan". Ware het gedicht voltooid,
dan zou waarschijnlijk het laatste het hoofdonderwerp zijn
geworden, met het fragment op Mouring als inleiding. En
wie was die Goeje Jan? Niemand anders dan de tweede secre-
taris van Frederik Hendrik Jan Tuning, weggerukt door de
pest, die hier toen zoo hevig woedde. Vermoedelijk is het
gedicht dus gemaakt óf als aanbevelingsbrief voor de open-
gevallen betrekking, óf als vreugdezang bij het aanvaarden
van het gewenschte staatsambt, want den 18den Juni 1625
trad HuYGENS als opvolger van Jan Tuning bij Frederik
Hendrik in functie.
XXV.
Hooft en Htiygens, Susanna en Leonora.
Reeds een jaar vóór Huygens' Otia het licht zagen, had
Hooft hem met een gedicht tot de uitgave aangespoord en
ook den „zetter van de logge doode letter" toegeroepen:
„Letterzetter, spoeit u yet ende let ons langer niet!" Toen
het werk eindelijk verscheen, vond men daarin niet alleen dit
gedicht van Hooft, maar nog twee andere lofdichten van
hem: een gekunsteld, woordspelend sonnet, geheel in den
HOOPT ALS WEDUWNAAR. 73
trant van Huygbns, en een schertsend gedicht, waarin Hooft
op grond van Huygens* „Steden- en Dorpsstemmen" voorspelt,
dat, evenals zoovele Grieksche steden eens streden om de eer
Homerus te hebben voortgebracht, zoo ook eenmaal al die
zoo goed bezongen steden en dorpen elkaar de eer zouden
betwisten, de geboorteplaats te heeten van „Huygens, grooter
als Homeer."
Dat Hooft weer in staat was zóó te schertsen, bewijst, dat
de sombere stemming bij hem min of meer geweken was,
waarin wij hem bij ons verhaal na den dood van vrouw en
kroost eenzaam achterlieten op het uitgestorven Muiderslot.
jDie noit anders dan spelden en spijkers opzocht om 't geen
hy beminde naghelvast in zyn herte te maeken," had hij
toen aan Tesselschade geschreven, die er met al te onvrouwe-
lijke koelhartigheid op antwoordde, „hoe kon 't hem daer
af gescheurd worden zonder ongeneeslijke reeten te laeten !" —
,Ick en zoek de rouw niet, maer zy weet my te vinden.
Duizendt en duizendt dingen daeghs haelen mjm schaede op
en meeten ze ten breedsten uit." Maar Hooft was wijsgeer
en kon er bijvoegen: „evenwel heb ick het geloof niet, dat
droef heidt deughd is, oft kante my met stijfzinnigheidt tegens
allen troost". Wel hadden zijne rampen hem voor een oogen-
blik zóó „verbluft, dat hem de wereld docht van onder zyne
voeten ontzonken", maar breken konden zij een man als
Hooft niet. Het verleden mocht dan voor hem als een droom
voorbijgegaan zijn, hij rekende nog op eene toekomst, en van
de zware slagen wat bekomen, dacht hij er over, eene nieuwe
drostin het hooge huis van Muiden binnen te leiden.
Door het huwelijk zijner schoonzuster Sara van Erp in 1625
met David van Baerle kwam hij ook in nadere aanraking
met diens bekoorlijke zuster, Susanna Jansdochter van Baerle,
die al spoedig een diepen indruk op hem schijnt gemaakt te
hebben en dat niet alleen door hare schoonheid, maar ook
door hare begaafdheid en kunstvaardigheid in vele van dezelfde
kunsten, die hij ook bij de gezusters Visscher zoo hoog waar-
deerde, in dicht- en zangkunst, pennekunst en bloemschilderen.
Huygbns, Susanna's neef, die tot dien tijd „schootvry" ge-
bleven was voor de „Baerelijke Minne", waarmee Hooft en
zijne Haagsche vrienden hem al een paar jaar vroeger ge-
74 hooft's minnezangen voor susanna van babrle.
plaagd hadden, en die zeker voor dezelfde blauwe scheen
vreesde, welke zijn broeder Maurits toen reeds bij deze preut-
sche schoone geloopen had, Hüygbns was in dezen Hoopt's
vertrouweling, maar kon hem weinig hoop geven, zooals blijkt
uit Hooft's „Harderskouf tusschen „Haeghenaer" en „Bos-
man" over de kansen op hart en hand, die „Gloorroos" aan
hare vrijers bood. Aan Bosman zou geen beter lot beschoren
zijn dan aan anderen, meende Haeghenaer, maar Bosman was
er niet toe te bewegen, haar zijne diensten te onthouden.
Binnen twee maanden richtte Hooft niet minder dan twintig
gedichten, waaronder zeven sonnetten, tot Susanna, die hij er
in aansprak als Gloorroos, Clorinde en Arbele (letterkeer van
Baerle) en die zij soms met gedichtjes schijnt beantwoord te
hebben, maar zonder dat hij een stap verder kwam, al ver-
telde hij haar ook ronduit in een aardig „deuntje", dat „'t
minnegodtje, wondziek geesje", aan Venus geklaagd had over
de onbruikbaarheid van zijne boogpees, die in 's dichters
„traenen was geweekt", en daarop van zijne moeder den raad
ontvangen had, om „twee drie draeden Gloorroos uit hethair
te kabassen", en daaruit eene nieuwe boogpees te maken, met
dit gevolg, dat de dichter „een schootje en 't schichje klem"
gekregen had.
Aan dit schertsdichtje in den trant zijner vroegere minne-
zangen voegde hij allerlei lofdichten op zijne geliefde toe. Nu
eens gold zijn lof de schoone hand zijner aangebedene, dan
haar „mondtjen minnelyk van tael", dat volmaakt zou ge-
weest zijn, als het had kunnen kussen ; dan weder de „ooghjes,
levendighe staeltjes van de schitterenste straeltjes, die de zuivre
zonne schiet"; dan eindelijk het geheele „gespan van schoon-
heden": de „zuiver hebbelijke handtjes", de „lodderlijke lieve
lipjes", de „blixemschutjes, ooiijk' ooghjes, die met glimpen
van hun swart 't gulden geel der starren tart", de „kaekjes
zacht van ijs en gloedt, lelymelk en roosebloedt" en zoovele
andere bekoorlijkheden als er samenspanden om de klippen
te worden, waarop zijn hart schipbreuk moest lijden. Hoopt's
hoffelijke kunst moge als zoodanig aan Gloorroos niet verspild
geweest zijn, het doel, dat hij er mee beschoot, werd door
hem gemist: „'t hailighjen daer hy by swoer" bleef voor hem
eene heilige van marmer.
HUYOENS ALS HOOFT'S MEDEDINGER. 75
Toen Hoopt ten slotte duidelijk had ingezien, dat Susanna,
zoo zij al tot een huwelijk mocht besluiten, toch niet geneigd
zou wezen, dat met een achttien jaar ouder weduwnaar aan
te gaan, al was die weduwnaar ook de beroemdste dichter van
haar land, trok hij zich terug voor een jongeren mededinger,
die nu zijne plaats kwam innemen, voor denzelfden Haeghe-
naer, die hem zoo kort te voren voor hare koelheid gewaar-
schuwd had, zijn vriend Constantijn Hüygens, haar gelijke
in leeftijd. In plaats van met minnedichten diende hij nu de
kunst met psalmberijmingen, die hem ook tot troost zullen
geweest zijn bij het nieuwe leed, dat hem den eersten dag
van 1626 trof door den dood van zijn eerbied waardigen vader.
Aan deelneming ontbrak het hem daarbij echter allerminst,
doch het meeste genoegen zal hem wel het klinkdicht hebben
gedaan, waarmee zijn vriend Vondel zich tot tolk maakte
der geheele Amsterdamsche burgerij, die met innig en alge-
meen rouwbeklag „'t Raedsheerlyck lyck" graf waarts geleidde,
omdat elk van haar in dien Christen-Cato een vriend, een
steun, een beschermer verloren had.
Hüygens, die zich totnogtoe zoo gaarne als huwelij kshater
had voorgedaan, maakte nu ook in Fransche en Nederlandsche
verzen het hof aan de kuische Susanna, ofschoon niet geheel
zonder gewetenswroeging, dat hij zijn ouderen vriend verdrong,
zooals blijkt uit zijne tot Tesselschade gerichte verzen, „'t
Spoock te Muyden", geschreven toen hij in 't midden van
1626 bij den Drost logeerde in het vertrek, dat volgens de
overlevering eenmaal Graaf Floris' gevangenkamer was ge-
weest, 't Was hem toen, alsof er in het schemerduister een
spooksel oprees om hem het woord „verrader" tegemoet te
voeren, al bedacht hij ook, dat immers hij geen verrader
behoefde te heeten, „die het luck by 't hare vat, daer 't een
ander is te glad." Zoo „spoockte 't er in zijn gemoed", maar
Hooft's trouwe vriendschap was bestand tegen dat schijnbaar
verraad.
Aan zijne „Sterre", zooals hij Susanna noemde, wijdde Hüy-
gens nu verscheidene sonnetten en andere verzen, waaruit het
ons blijkt, hoeveel moeite het ook hem kostte, het jawoord te
ontlokken aan haar, die „teghens hem so staegh, soo fieren
wezen" hield „als een comeet, die, verr van tintelen, van
76 HÜYGBNS GEHUWD MET SÜ8ANNA VAN BAEBLB.
wencken niet en weet." Zoo doolde hij dan een tijdlang
„bijster sweghs in 't swartste van 't onseker, in twijflFel-mis-
ticheit", maar terwijl hij er nog aan wanhoopte het „diaman-
ten hert" van Sterre te zullen vermurwen en tusschen hoop
en vrees leefde, „was Sterre al sijn"; en weldra mocht hij
eene ster van diamant, hem door haar gezonden, jubelend als
het onderpand harer trouwbelofte begroeten. Toen zong hij
ook, wat hem maar zelden overkwam, een zangerig lied : „'t
Kan mijn schip niet qualik gaen, *k sie mijn sterr' in 't Oosten
staen, mijn Morgensterre ; Stierman houw vry Oostwaerd aen :
het land en is niet verre."
Den 6den April 1627 werd Huyqens met Susanna van Baerle
in het huwehjk verbonden. Caspar van Baerle schreef een
„Epithalamium", Van der Burgh een „Echtgedicht" en ook
Hooft bleef niet achter. Ter bruiloft van zijn vriend met
haar, die hij een zoo begeerüjk bezit achtte, zong hij een har-
telijken en keurigen trouwzang. „De kroon der maeghden
werd nu gekroont", zeide hij, nu „Susanna des Prinssen rech-
terhandt had aenvaerd", en Constantijn „op eener stondt zoo-
veel had gewonnen als noit Alexander in all zijn tijdt". En
hij voegde er nog een ander lied bij, tot het fiere Amsterdam
gericht, dat zich nu de kroon van het hoofd zag gerukt, nu
de schoonste Cloris IJ en Amstel verliet.
Had Susanna voor Hooft geene echtvriendin kunnen wor-
den, op hare vriendschap mocht de Drost blijven rekenen, en
hunne verhouding is dan ook altijd van hartelijken aard ge-
bleven, al zagen zij elkaar later maar zelden. Toch logeerde
zij met haar man, zijn broeder en zijne zusters reeds in den
zomer van het volgende jaar bij hem te Muiden, bij gelegen-
heid dat zij door Utrecht en Holland eene „speelreise" maakten,
die door Huygens in een aardig gedicht beschreven is. Toen
Van der Burgh in 1636 die gedichten van Hooft uit-
gaf, welke de Drost zelf ter uitgave aanwees en hier en daar
wijzigde en verbeterde, behoefden de minnedichten, eenmaal
door hem voor Susanna gezongen, niet achtergehouden te
worden, ook al werd de bundel aan Huygens opgedragen;
maar Hooft was kiesch genoeg om die minnedichten zóó te
wijzigen, dat Susanna ze niet meer op zich zelf kon toepassen.
Waar er sprake was geweest van Susanna's gitzwarte oogen
HUYQEN8 GEHUWD MBT SUSANNA VAN BABRLB. 77
en donker haar, werd Gloorroos-Clorinde-Arbele nu tot eene
blondine met blauwe oogen gemaakt. Daarmee hielden de
gedichten van zelf op, aan Huygens' vrouw gewijd te zijn.
Vreemd is het, dat deze toch zoo voor de hand liggende ver-
klaring der door Hooft aangebrachte veranderingen nog
niemand schijnt ingevallen te zijn, en even vreemd, dat men
— geheel in strijd met Hoopt's fijngevoeligheid en eerlijk
karakter — heeft kunnen vermoeden, dat hij ze zou hebben
willen doen doorgaan als voor Christina van Erp gemaakt
om alzoo zijne tweede vrouw te bedriegen, of dat hij ze nog
eens aan deze als voor haar zelf gezongen zou hebben aange-
boden, wat reeds weerlegd wordt door het feit, dat die tweede
vrouw even donker van oogen en haar was als Susanna van
Baerle. Wie liefst het ergste denken, loopen gevaar in hunne
ergdenkendheid blind te blijven voor de ware toedracht der
eenvoudigste zaken.
Gedurende tien jaar heeft Huygbns met zijne Susanna een
zeer gelukkig huwelijksleven geleid, zooals wij o.a. kunnen
opmaken uit een klein gedichtje van 1634, waarin hij zijne
teleurstelling te kennen geeft, dat zijne vrouw hem niet was
komen opzoeken te Nijmegen, waar hij haar volgens afspraak
verwachtte. „Hoe is 't beloven van ons vergaren soo haest
verstoven met wind en baren?" zoo zong hij. „Ay eighen
Sterre, die mij van soo verre ziet en niet en siet, ay! Sterre,
waerom en verschijnt ghij niet?" enz. Dat verlangen naar
zijne vrouw moest wel telkens bij hem opkomen, want een
groot deel van het jaar was hij gewoonlijk met den Prins te
velde, getuige van diens schitterend krijgsbeleid, eerst in het
Oosten, later aan de Zuidgrens der Republiek.
Dat HüYQBNs' huwelijk op zijne poëzie geen gunstigen in-
vloed heeft geoefend, is niet zonder grond beweerd. Voorzoo-
ver wij Susanna van Baerle kennen, maakt zij den indruk
van geestverwante geweest te zijn van de Fransche precieuses
uit dien tijd, zoodat zij waarschijnlijk den dichter in zijne zucht
naar duisterheid en gemaniëreerdheid nog gestijfd heeft: al-
thans bijna alles, wat hij in zijne huwelijksjaren schreef, over-
treft zijne vroegere en latere gedichten daarin zoozeer, dat
wij het nauwelijks meer kunnen genieten.
Tot het omvangrijkste, wat Huygens gedurende zijn huwe-
78 HUYGBNS' y£BTALINQ VAN JOHN DONNE'S MINNEDICHTEN.
lijk schreef, behoort zijn bundel vertalingen van' negentien
minnedichten van John Donne, waarvan hij er enkele reeds
in 1630 naar het handschrift overbracht, terwijl hij de andere
in 1633 vertaalde, toen zij, kort na Donne's dood, in het licht
verschenen waren. Hij bood dien bundel met een gedicht aan
Tessklschade aan, die hem zeer bewonderde, evenals Hoopt,
wien, zooals hij zegt, „een vlieghzucht aenkwam, wen hy dien
Engelschen overvliegher zoo sneedigh door het opperste der
lucht heen zag snuiven'*, en die de vertaling roemde als een
werk, dat in niets voor het oorspronkelijke behoefde onder
te doen, niettegenstaande „de o verzetsels altydts eenen rok
uittrekken".
Vondel daarentegen kon er geen behagen in scheppen. In
een hatelijk versje (dat hij nochtans niet uitgaf) stak hij den
draak met deze zinnelijke, gekunstelde en duistere gedichten.
Hij noemde „Donn* een duystre Sonn", die „niet voor ieders
ooghen scheen**, en hield diens verzen voor „lekkemyen" als
„kaviaer en snoftaback", die hij den liefhebbers geenszins
benijdde. Over het algemeen verschillen Huygens en Vondel,
niet slechts wat hunne staatkundige en godsdienstige over-
tuiging en hun geheele karakter betreft, maar ook wat hun
aesthetischen smaak aangaat, zeer sterk van elkaar, want ook
VoNDEL*s gedichten bevielen aan Huygens maar zeer weinig.
„Vondelens geschriften rekene ick onder de dingen daervan
niet wel te oordeelen is", schreef hij in 1628 aan Hooft, die
toen zeer bevriend was met Vondel en tegenover wien hij
zich zeker zoo zacht mogelijk heeft uitgedrukt: „Sy duncken
my oneenparigh ende haer selven hier ende daer beschamende.
Soo valt er in *t gros weinigh van hem te verklaren". Wat
Donne betreft, heeft het nageslacht Vondel tegenover Huygens
en Hooft in het geüjk gesteld, want in later tijd is Donne's
poëzie als te gezocht vernuftig en gekunsteld op den achter-
grond geraakt, en wie er nu nog mee kennis maakt, zal
moeielijk kunnen nalaten er zich over te verwonderen, dat
destijds een hooggeplaatst geestelijke in Engeland zooveel eer
kon inleggen met verzen zóó onkiesch* en fijn zinnelijk als
de meeste van deze minnedichten zijn.
Reeds vroeger, zoodra hij zijn huwelijksleven had aange-
vangen, schijnt Huygens ook het plan te hebben opgevat,
HÜYGENS' „DAGHWERCK". 79
het in een uitvoerig gedicht te beschrijven, en drie jaar lang
schijnt hij aan zulk een gedicht te hebben gewerkt. Hij gaf
het den titel van Daghwerck, omdat hij er al die zaken in
wilde behandelen, waarmee hij zich gewoonlijk lederen dag
van zijn leven, als hij bij zijne vrouw te huis was, bezighield,
das vooral zaken van huiselijk leven, ambtsbediening, weten-
schap en kunst. Toen hij het, vermoedelijk in 1630, onvoltooid
liet liggen, was hij eerst tot de nanoen gekomen, die hij rij-
dende of wandelende doorbracht, en waarop de studieuren in
het boekvertrek volgden met het monsteren van theologische,
juridische, medische en politische boeken, waardoor het gedicht
eene beknopte encyclopaedie van kunst en wetenschap zou
geworden zijn, als ook de overige wetenschappen behandeld
hadden kunnen worden en alle kunsten, niet slechts de muziek,
het schilderen, teekenen en boetseeren, maar ook „gieten,
draeyen ende diergelijcke veel", zooals de door hem opgege-
ven schets beloofde. Daarop zou hij „wat uytge varen hebben"
tegen nuttelooze spelen, waaronder hij echter lichaamsspelen
niet rekende, en ten slotte zou hij nog gesproken hebben
over de huiselijke godsdienstoefeningen en de opvoeding der
kinderen. Als versvorm koos hij voor dit gedicht korte paars-
gewijze rijmende versregels van vier geaccentueerde letter-
grepen, ieder door eene ongeaccentueerde gevolgd, doch zóó,
dat een paar met slepend rijm regelmatig werd afgewisseld
door een paar met staand rijm.
Dat ook dit gedicht vrij wat pittige of vernuftige gedachten
inhoudt, in niet alledaagsche bewoordingen vervat, kan men
van iemand als Huygens verwachten; maar zeker is geen
enkel zijner dichtwerken ook zoo gekunsteld, gewrongen en
duister als dit. Hij schijnt dat zelf wel min of meer begrepen
te hebben of van anderen te hebben gehoord, want hij geeft
er eene kenschetsing in van den duisteren dichter, als wilde
hij zeggen: zoo iemand wensch ik niet te zijn; en toch toe-
kende hij in dezen nauwkeurig zichzelf af, toen hij schreef:
„Dese stelt syn hoo^he layster
In het Bwartste van den duyeter,
Cyfert all dat leesbaer was,
Of men 't in een' doolhof las,
Schnylt sicb in vnyl warre-garen,
Soeckt, en schroomt sich t' openbaren,
80 HÜYGENS* „DAGHWERCK".
»
Deckt syn' kernen met een schell,
Die den hardsten tand ontsteir.
Wie gelust sich 't over-byten,
Wie Boeckt pitten door dat splyten,
Die men duchten magh en moet,
Of sy bitter z\jn of soet?
'k Eisch een smaeckelick vermaken:
En versuft men m\j met kraken?
'k Gae te gast op Tong en Most:
Moet ick sweeten om den kost?"
Duisterheid schijnt hij zelfs in theorie voor het wezen der
poëzie te hebben willen doen doorgaan. Na de verzekering,
dat er tusschen proza en poëzie een wezenlijk onderscheid
bestaat, gaat hij toch aldus voort: „Daer zijn dichters, die
selden dicht baren, meest ondicht in rijm. Haer lof is: sij spreken
klaer en behoeven geen tolck. Maer wie soude haer de duyster-
heid vergeven? haer dicht is ondicht. Soo en ginght met de
Oude niet. Haer dicht was dicht, verre van ondicht, en be-
hoefde wat vertolcks. Wel den ghenen die sich in de moeyte
gesteken hebben. Sonder haer, de soetste wijsheid van eertijds
waer ons onkundige vruchteloos. Maer de tolcken hebben hier
en daer de weldaed vergalt. Sij hebben den dichteren menigh-
mael toegedicht tgene haer noyt in den sinn en quam". Dat
hetzelfde ook aan zijne vertolkers zou kunnen overkomen,
vreesde Huygens — en terecht — en daarom heeft hij in
proza ook zelf den commentaar geschreven bij zijn gedicht,
toen hij het onvoltooid in 1668 uitgaf, nadat hij reeds in 1639
die uitgave had voorbereid, toen Hoopt er een klein lofdicht
op maakte.
Tot het voltooien van het werk had de dichter geene op-
gewektheid meer: immers het was zijne bedoeling geweest,
zijn leven te schetsen aan de zijde zijner „Sterre", en de weinige
gevoelvolle alexandrijnen, die hij voor de uitgave er nog aan
toevoegde, maakten den lezer bekend met zijn leed. „Mijn
Sterre is uytgeschenen ; daer sleept een witte wolck haer dampen
over heen : sy stryckt ten tyden uyt : ick sie het en versteen". . . .
„Hoe sou hy in 't gerecht der strenghe keurlickheit bestaen
en haer ontbeeren, haer, PoUa van zyn pen?" Haar licht
had hij zoo noodig: „Ey, Sterre, noch wat straels", riep hij
haar toe, „oflf voer my daer ghy gaet, of licht mij daer ick
blijv*,'' maar reeds was zij geene Sterre meer, zij trad op
DOOD VAN SUSANNA VAN BAERLE. 81
sterren in den hoogen hemel boven het sten'enrijke uitspan-
sel. Susanna van Baerle was den lO^en Mei 1637 op achten-
dertigjarigen leeftijd overleden.
Vondel zond den bedroefde een troostlied, dat woordspelend
aldus begon: „Is Zuylichem een stercke suyl, hy wanckel
niet", en doelde daarmee op de heerlijkheid Zuilichem (in
de Bommeler waard), waarvan Huygens in 1630 door aankoop
heer was geworden. In 1645 schonk Frederik Hendrik hem
bovendien nog de successie in de heerlijkheid Zeelhem (in
Belgisch Limburg). En Zuilichem toonde zich ook inderdaad
eene sterke zuil, want hij kon het met Vondel eens zijn: „het
treuren baet den doode niet en voed des levenden verdriet*',
en hij bleef ook niet eenzaam achter : hij bezat vijf kinderen,
„d' afsetsels, daer haer siel in leefde, haer geest en sedigheyd
in sweefde", zooals Vondel zeide, want „de mensch, die, na
het oogh, vergaet, herleeft onsterflijck in zyn saed. Al schijnt
de serck *t gesicht te hinderen: men siet de Moeder in haer
kinderen". Behalve eene, kort vóór haar moeders overlijden
geboren, dochter Susanna, had Huygens van zijne Susanna
vier kloeke zoons ontvangen, van welke de oudste, Constantijn,
in veel later tijd zijn vader als secretaris van den Prins van
Oranje zou opvolgen, en de tweede, Christiaan, zijn vader in
beroemdheid nog ver overtreflFend, een der grootste wis- en
natuurkundigen zou worden, dien de wereld ooit heeft opge-
leverd, evenknie, zoo al niet meerdere, van Newton.
Ofschoon Huygens* huwelijk met Susanna van Baerle Hoopt's
eerste poging om aan het Muiderslot eene drostin te herge-
ven had verijdeld, wanhoopte hij niet aan het geluk van een
tweede huwelijk. Nu viel zijn oog op de twee-en-dertigjarige
Leonora Hellemans, in 1595 te Hamburg geboren, maar Ant-
werpsche van afkomst en in 1627, ofschoon zij haar domicilie
te Zevenbergen in Noord-Brabant had, inwonende bij hare
moeder te Amsterdam als weduwe van Jan Baptista Bartolotti,
bij wien zij twee dochters had, de toen veertienjarige Susanna
en de driejarige Constancia.
Hare mooie oogen en zeker niet minder hare vriendelijk-
heid, ingetogenheid en beschaafdheid oefenden zulk een indruk
op HooPT, dat hij in het midden van 1627 haar het hof begon
te maken met bezoeken, geschenken en ook weder met (een
6
82 HOOFT's minnezangen voor LBONORA HBLLBMAN8.
elftal) minnedichten: drie sonnetten, vier kleine gedichtjes en
vier zangen, van welke die zang het meest bekend is, die
aldus aanvangt: „Leonor, mijn lieve licht, voor uw oogh de
zonne swight met haer blonde straelen, die gansch niet, in
mijn gezicht, bij zijn gloory haelen". Dat zij niet dadehjk be-
reid was hem in de armen te vallen, blijkt uit eene volgende
strophe van denzelfden zang: „Woortjes kunt ghij duisent
smêen, die daer sierlijk, aerdigh heen vlien alsMinnegoodtjes;
maer tot troost en komt er geen uit d' yvoore slootjes". Wan-
neer hij haar van zijne liefde sprak, scheen het, zooals hij
zegt, of zij zijne taal niet verstond; en toch meende hij het
hoog ernstig: immers „zengde 't uiterhjke schoon met flonke-
ring van blos op leelywitte wangen hem maer alleen de borst",
zoodat het slechts „vatten en geen vangen" was, zijne „lief-
zieke ziel" gevoelde zich onverbrekelijk door haar geboeid,
omdat het „minnelijk gelaet" hem „borgh was van zoete
zeden", en omdat het „d'eerentfeste deughd" was, die hem
„uit twee schoon* ooghen" toelonkte.
Toch was hij haar spoedig al niet meer onverschillig, maar
er waren bezwaren te overwinnen, vooral in het oog van hare
vrienden: Hooft was niet kerksch genoeg, behoorde zelfs
evenmin, als vroeger zijn vader, tot eenig bepaald kerkge-
nootschap. Wel had hij haar reeds overgehaald, hare instem-
ming te betuigen met zijne stelling, „dat de religie in 't ge-
moedt ende niet in 't uutwendighe geleghen is", maar vrienden
en verwanten bleven haar toch waarschuwen voor den vrij-
denker, die van geene onfeilbare waarheid in geloofszaken
wilde weten en reeds veel vroeger de waarheid had vergeleken
bij een meikever of eene gouden tor, „aen een snoer omendom
vlieghende met haer snorrende vlercken, toonende een ander
sijde, eer men wel d'een can mereken", en die in zijn „Baeto"
Segemond gemaakt had tot tolk van zijne eigene overtuiging,
toen hij deze priesteres had laten zeggen, dat „geen ding bet
gevalt aen 't eeuwigh Wesen als de deftighe gestalt' van een
oprecht gemoedt: en God niet aengenaemers heeft als het
hayligh hol en suivre binnecaemers van vroomer borst", ter-
wijl „dwaesheit algemeen, slaende in den windt de reden,
soeckt God te paeyen met een pracht van staetlijkheden."
Wanneer Hoopt met Leonora zat te praten, was zijne wel-
hooft's tweede huwelijk. 83
sprekendheid wel in staat haar over hare bezwaren heen te
helpen, omdat zij hem ook inderdaad genegen was, en eens
zelfs had zij met een kus afscheid van hem genomen en hem
gezegd, dat hij den volgenden dag haar eindbesluit zou kunnen
komen vernemen, zoodat hij zich reeds zeker waande van de
overwinning, maar den volgenden dag ging het „op een af-
zeggen'' en moest hij zich in een gedichtje droevig beklagen
over zijne „lieve lichte Leonoor" en haar toevoegen : „Op den
eenen avontstondt zeide mij uw schoone mondt : Liefste, lievren
heb ick geen; 'sandren avonds zegt ghij neen". Toch bleef
hij aanhouden, zelfs toen zij, uit vrees van niet langer tegen
zijne aanzoeken bestand te zijn, Amsterdam was ontvlucht en
naar Zevenbergen was gegaan, waar hij haar met brieven en
gedichten bleef vervolgen en zelfs haar oudste dochtertje als
pleitbezorgster voor zich liet optreden. En ook ditmaal was
het de aanhouder die won; en zoo kon hij dan ten slotte
zingen in het laatste zijner eigenlijke minneliederen:
„Leonor, lachend licht, lieve leven,
Die de deughdt draeght in 't aensch^n geschreven,
't Boode koraal van uw minnelyk montjen,
Dauwend' een Ja, is myn morreghestontjen ;
Uwer ooghen bekorende klaerheit
My verlicht van de nacht en de naerheit.
Helder* ooghen, waerinne de schoonheit
All' haer heerl^kste schatten ten toon spreit,
Flonkrende starren, men ziet in uw swinken
Goedigheit, vroedigheit, moedigheit blinken;
En de geen', die den hemel bedooien.
Schouw ick doof b^' uw gloeyende kolen/'
Drie maanden nadat Leonora naar Zevenbergen was ge-
vlucht, den SOsten Nov. 1627, had het huwelijk plaats, en het
was zeker geene geringe concessie, die Hoopt toen aan zijne
Leonora deed, dat hij het huwelijk door Adriaen Smout in
i^ Nieuwe Kerk liet inzegenen. Bruiloftszangen in het Latijn
schreven Huygens en Barlabus, welke laatste kort te voren
met Hooft in kennis was gekomen door Laurens Reael, die
ïelf een Nederlandsch bruiloftslied dichtte, evenals Vondel.
Diens „Bruiloftslied" was eigenlijk een tafelspel, dat ver-
iJioedelijk op het feest zelf door de leden der Duytsche
A^cademie voorgedragen en gezongen is.
84 HOOFT*S TWEEDE HUWELIJK.
Ook dit huwelijk is, evenals dat van Huygens, hoogst ge-
lukkig geweest. Nog een paar gedichtjes getuigen daarvan,
het eene, door Hooft omstreeks 1633 tot zijne Leonora gericht
uit *s-Hertogenbo8ch, het andere ongeveer een jaar later „op
liefs afweezen" geschreven, toen zij zelve voor korten tijd het
Muiderslot verlaten had. In Susanna en Constancia Bartolotti
kreeg Hooft twee lieve pleegdochters, die niet meer van hem
hadden kunnen houden, al ware hij haar eigen vader geweest,
en wie hij de hartelijkste vaderliefde en vaderzorg heeft ge-
wijd; maar bovendien schonk zijn Leonora hem nog twee
kinderen, eene dochter Christina, wier naam de herinnering aan
zijne eerste vrouw levendig hield, en een zoon, Amout Helle-
mans Hooft, die later nog schepen en raad van Amsterdam
zou worden, maar wiens kinderen de laatste afstammelingen
van den dichter zouden zijn.
XXVI.
Verheerlijking van Frederik Hendrik en hekeling der Gomaristen.
Het optreden van Frederik Hendrik als stadhouder in 1625
werd met algemeene vreugde begroet: niet het minst met
vreugde door de onderliggende partij, de Remonstranten, die
reden hadden te verwachten, dat hij hen er weer bovenop
zou helpen. Jan Tuning, zijn secretaris, had hen begunstigd,
en het was in zekeren zin eene teleurstelling voor hen, dat
Huygens hem verving. Nicolaas van Reigersberch gaf enkele
dagen na die benoeming in een brief aan zijn zwager Hugo
de Groot de vrees te kennen, „dat sy aen den successem* niet
souden vinden dat sy aen hem hadden verloren", want
Huygens was „een favorjrt van Aerssens, die hem over dese
tydinge seer verblijde''. Inderdaad, hij zou de gunsteling van
Aerssens niet hebben kunnen worden, als hij ook maar
eenigszins tot de partij der Remonstranten overgeheld had.
Levenslang is hij prinsgezind en contra-remonstrant geweest;
maar hij was geen ijveraar. Verdraagzaam en gematigd, kon
hij vriendschappeUjk blijven omgaan met zijne Amsterdamsche
vrienden, die in de politiek een zoo geheel ander standpunt
VREUGDSZANGEN OVER HET STADHOUDERSCHAP VAN FRED. HENDRIK.
innamen ; maar men begrijpt, dat de verhouding van beide
kanten toch altijd iets van terughouding moet gehad hebben
en voorzichtigheid gewenscht is geweest om verkoeling of zelfs
vriendschapsbreuk te verhoeden. In elk geval konden zij het
eens zijn op dit gewichtige punt: hartelijke ingenomenheid
met het optreden van den nieuwen stadhouder.
Niemand heeft die ingenomenheid luider en beter vertolkt
dan Vondel, allereerst met zijne uitvoerige „Begroetenis van
Frederick Henrick op den intree van zijn stadhouderschap en
landbestiering", waaraan niet alleen verschillende kleine ge-
dichtjes op 's Prinsen beeltenis, op de verschillende deelen van
zijne wapenrusting en op het portret van zijne echtgenoote
Amelia van Solms zijn toegevoegd, maar ook het beroemde
„Princelied", eene toepassing van het oude „Wilhelmus" op
dien „Frederick van Nassouwe, vermaert door de wapenen en
voor Oostenrijck noch Spanjen vervaert". Hij had „van kind-
sche dagen de vryheydt voorgestreen", en van hem kon men
dus verwachten, dat hij „'sLands rechten en vry heden in
zwang sou helpen, in geen vereende steden gewetens felle dwang
of tyrannye lyen", maar de „trouwe borgeryen door liefde
zou vereenigen", terwijl hij „als wachter en schutsheer van
den tuyn" ook tegen den buitenlandschen vijand heldhaftig
het harnas zou aangorden en als overwinnaar terugkeeren,
zooals ook vroeger reeds, toen „by Nieupoort in den slagh
syn vroomheyd gebleken was"
Niet minder welluidend dan dit Princelied klonk in het
volgende jaar het „Oranje Maylied" van Vondel's lier. Zalig
noemde hij het, te schuilen onder den Oranjeboom, het zinne-
beeld van eendracht en vrede, en nu wel vooral nu Mevrouw
Aemilia aan den Vorst een zoon geschonken had, voor welken
Willem van Nassau Vondel de „Geboortklock" luidde met
een zeer uitvoerig, beeldrijk en kunstvol gedicht in vorstelijke
alexandrijnen.
Weer een jaar later, in 1627, vond Vondel om den Prins
te huldigen nieuwe stof in de „Verovering van Grol door
Frederick Henrick". Hij deed het in een gedicht van den-
zelfden omvang en vorm, geschreven met denzelfden gloed en
dezelfde beeldrijkheid, die ook de „Geboortklock" te bewon-
deren gaf, maar, naar het mij voorkomt, met nog grooter kunst-
86 „VEROVERING VAN GROL" KN ,,AMSTELDAM8 WBLLKKOICST".
vaardigheid en zeker met meer eenvoud en afwisseling van
toon. De dichter stelt ons daarin voor, hoe aan den Prins de
geest zijns grooten vaders verschijnt, die hem wijst op de
„eeuwigh bloende wonde", hem door snood verraad toegebracht,
en zoo den zoon opwekt tot onvermoeiden strijd voor de vrij-
heid. Met levendige kleuren schildert hij daarna de oorlogs-
tafereelen bij het beleg; maar naast het schetteren der krijgs-
klaroenen hoort men in het gedicht ook zachter tonen, als
de Prinses van Oranje wordt ingevoerd met haar eenigjongsken
op den schoot spelende om hare bekommering te verdrijven
en, op de tijding dat de stad genomen is, neerknielende en
God dankende voor de zege, die haar echtgenoot aan haar
hergeeft. Blaeu, die dezen heldenzang van Vondel uitgaf,
voegde er nog verschillende kleinere gedichten van anderen
over beleg en verovering van Grol aan toe: van Reabl en
van Brosterhuysen, drie klinkdichten van Hooft, eenige
Latijnsche gedichtjes van Barlaeus en verscheidene, in Latijn,
Fransch en Nederlandsch, van Huygens.
Toen in April 1628 Frederik Hendrik een bezoek bracht
aan Amsterdam, was het weer Vondel, die „Amsteldams
Wellekomst" toeriep aan den Prins, „dien IJ en Amstelstroom
al te selden mochten sien" en die daarom nu dubbel welkom
was in het Prinsenhof, waar de Amsterdamsche burgemeesters,
de schrandere De Vlaming, de oprechte Van de Pol en de
dappere De Graef hem ontvingen met mannen, als de majoor
Nicolaes Hasselaer, „die hun vaders degens droegen, welcke
op 't Spaensche knokebeen syn geschaert voor 't algemeen".
Het kloek optreden van den laatste bij een oproer van
Gomaristen. die eene godsdienstoefening van Remonstranten
verstoorden, had aanleiding gegeven tot het indienen van een
verzoekschrift aan de Regeering om de samenkomsten der
Remonstranten te beletten ; maar Burgemeesteren hadden daarop
geantwoord met het onderteekenen van zulke ophitsende reques-
ten te verbieden. De Kerkeraad had er zich mee bemoeid, en
nu was de Stadhouder uitgenoodigd om den twist bij te leggen.
Van zijne uitspraak hing voor de Remonstranten veel af ; maar
die uitspraak viel hun niet mee, want de Prins, te voorzichtig
om uitdrukkelijk hunne partij te kiezen, besliste, dat de oude
placaten tegen de Remonstranten gehandhaafd moesten worden.
ZANGEN OP DB VEROVBBING VAN 'S-HBRTOGENBOSCH. 87
Dat verhinderde Vondel echter niet, in 1629 opnieuw den
lof van Frederik Hendrik uit te bazuinen. Er was dan ook
wel aanleiding toe. Lang had het beroemde beleg van 's-Her-
togenbosch geduurd en alles was door den vijand gedaan om
de vesting te ontzetten; maar eindelijk had de stad zich toch
aan Frederik Hendrik moeten overgeven ten gevolge van de
verrassing van Wezel, het krijgsmagazijn der Spaansche en
Keizerlijke troepen. Die verrassing had ook een ernstig gevaar
van de Republiek afgewend, het gevaar van een inval in
Holland, van eene belegering van Amsterdam zelfs, die tot
de mogehjkheden behoorde, daar vijandelijke troepen reeds
over De Velu we getrokken waren, het „ellendich Amersfoort
verlaen met volle schuren" bezet en Hilversum in brand ge-
stoken hadden, zoodat nu ook Naarden en Muiden door „ Wael,
Italiaen en Duitsch, Croaet en Castiliaen" werden bedreigd.
Muiden had reeds garnizoen gekregen, kanonnen waren aan-
gevoerd en de Drost bereidde er zich op voor, het Slot tegen
een dagelijks te verwachten overval te verdedigen. Toen de
verrassing van Wezel „den Berger graef" had „gedwongen
zyn roof en Amersfoort te slaken", tot op de grenzen terug
te trekken en 's-Hertogenbosch prijs te geven, was natuurlijk
niemand dankbaarder dan Hooft, die in een schitterenden,
slechts door gezochte toespelingen (ook volgens Barlaeus) wat
overladen lierzang „De HoUandsche Groet aen den Prinsse
van Oraniën" overbracht bij diens zegevierenden terugkeer
uit het leger. „Noit," zoo besloot hij dit gedicht, „noit was
gezegent helt met hoogher eer ontfaen". En zoo was het ook.
Te 's-Gravenhage gaf de kamer „de Jonge Bataviers" den
208ten September „ Verthoningen over de heerlij cke en noyt voor
desen verkregen victorie van 's Hertogen-bosch", zooals de titel
luidt, waaronder Pjeter Nootmans zijne verklarende verzen
van die vertooningen uitgaf. De Middelburgsche rederijker
Hendrik van Kannenburch gaf een „Lof-dicht of danckseg-
ginghe" uit ,over de twee heerlijcke victorijen onlancx corts
naer malcander van Godt de Heere verleent." Zacharias
Heynsz schreef een „Vreugden-gesang". Van Hendrik Moor
verscheen een „Triumphdicht", van den Haarlemschen schrijf-
meester David van Horenbebck een „Trompets-gheklanck,
gesteken op de veroveringe van *s-Hertogen-Bosch", en diens
88 OP DE VBRO VERING VAN 'S HERTOGENBOSCH.
vriend de Haarlemsche predikant Samuel Ampzing schreef
een „Naszousche lauren-kranze", terwijl „Oraniens overwinning
van 's Hertogen-bos" (met een aanhangsel „tot geluk wenschinge
over het wonderbaerlijck overgaen van de gemeynde onwin-
bare stadt Wesel aen den Rijn, in 'tHartogdom van Kleef')
ook bezongen werd door den Haagschen boekverkooper Gillis
Jacobsz. Quintijn, Haarlemmer van geboorte, die reeds in
1627 te Haarlem „Oraeniens Grols-gewin" had uitgegeven en
daarvoor beloond was met 's Prinsen tusschenkomst, waardoor
hij uit eene onrechtmatige gijzeling was verlost.
De Eglentier vierde de overwinning met „Triumphs-Trompet
speelsghewys uytghebeelt" door Nicolaes Fontbyn, de Duitsche
Academip met een spel van Goliath. Het „gelaurierde prince-
beelt", niet lang daarna op het tooneel der Academie geplaatst,
werd door Vondel met een gedicht ingewijd: maar reeds
eenigen tijd te voren zong Vondel zijn „Zegesang ter eere
van Frederick Hendrick, Boschdwinger, Wezel winner*'. „Prins
Welhem heeft den grond geheyt", zoo zong hij, „Sijn nasaet
vrydoms muur geleyt in rood ciment van 't bloed der helden,
niet sonder raedsman, dienmen selden ter weereld als een
Phoenix socht: maer Fredrick heeft het werck vol wrocht en
d'opperoverwinningskroone geset voor Chiïstenrijck ten toone
op 't spits der vryheyd, 't oorlogswit". Aan jubelzangen kwam
schier geen eind. In het Latijn zong de Amsterdamsche con-
rector Lambertus een feestlied, en een geheele bundel Latijn-
sche gedichten werd door Barlaeus in 't licht gegeven en
daaronder ook een „Sendbrief aen Princesse Amelia", dien
ScRiVERius in Nederlandsche verzen overbracht en waarop
Jacob Westerbaen een „Antwoort van den Prince van Oran-
giën" liet volgen.
Hoopt werd door Barlaeus' „heldinnebrief tot wedijver
geprikkeld en zong in het volgende jaar zijne heerlijcke „Klachte
der Princesse van Oranjen over 'toorloogh voor 's Hartogen-
bosch", een lierzang in een dichttrant, die nieuw was voor den
Drost; maar welk gebied van poëzie was er, waarop Hooft's
proefstuk niet tevens een meesterstuk is geweest? Moeielijk
is het, inniger gevoel en teerder bezorgheid uit te spreken in
beeldrijker, hoofscher taal, dan hier in den mond wordt ge-
legd aan Amalia van Solms, de liefhebbende vrouw, die veel
vondel's „strdbkïioon" en ^hollantschb transformatie*'. 89
liever het liefdevuur dan het krijgsvuur ziet flonkeren in het
,8choou Prinssenoogh" ; die hare tranen veel schooner parelen
aan zijne kroon acht, dan die parelen, waarvan hij, duizend
dooden trotseerend, er ééne aan de Spaansche kroon tracht
te ontrukken; die, dagelijks hoorende „van versche dooden,
gevelt in hol of galery'', de pijn van eiken kogel voelt, wanneer
zij denken moet : „op 't hoofdt met witte veeren was dat ge-
munt"; en die, als haar man „een glooryrijke faem'' dan vol-
strekt verkiest boven al wat hem dierbaar is, boven „lief en
lijf en leven", zelfs boven den „zoon van vaders naem", met
hem wil deelen in alle gevaar en hem smeekt: „Gun my dan,
dat ik met u rijde door koudt, door heet, en voer my by 't
rappier op zijde, waer dat ghy treedt"!
Ook in 1632, toen Frederik Hendrik Maastricht en andere
steden veroverd had, bood Vondel hem eene „Stedekroon"
aan, omdat nu ook „Boschloof om de schiltstar van Maestricht
kon gevlochten worden". Ook Barlabus schreef toen in 't
Ijatijn eene uitvoerige en dichterlijke verheerlijking van 's Prin-
sen krijgsdaden onder den titel „Triumphus federati Belgii",
een jaar later gevolgd door zijn „Poemation in ducatum Lim-
burgicum", welk „Gedicht op de Verovering van Limburg
in HoUandts naergevolcht" is door Jacob van der Burgh.
Terwijl Frederik Hendrik en zijne krijgsdaden verheerlijkt
werden, door de Amsterdamsche dichters vooral met de bijbe-
doeling alzoo de tegenstelling tot het minder schitterend
krijgsbedrijf van Maurits in zijne laatste levensjaren te meer
in het oog te doen vallen, traden dezelfde dichters te gelijker-
tijd heftiger tegen de Gomaristen op, in de hoop bij den stad-
houder en bij de wat gewijzigde Amsterdamsche Regeering
steun te zullen vinden. Vondel was het, die op het eind van
1625 den aanval opende met zijn treurspel Palamedes.
Dat Vondel zich reeds vroeger in den strijd der Arminianen
6n Gomaristen zou gemengd hebben met sommige zijner hekel-
dichten, is niet te bewijzen, omdat vele dezer niet gedateerd
zijn. Het komt mij ook niet waarschijnlijk voor, daar hij als
Doopsgezinde buiten den strijd stond. Alleen is het mogelijk,
^t het kleine gedichtje „HoUantsche Transformatie", dat later
herdrukt werd onder den titel „Opde Weeg-schael", reeds van
1618 dagteekent ; maar daarin koos Vondel tusschen Gommer
90 HBKRLDICHTBN VAN KBINIBR TBLLB, ROBBBRT LB CANU, BNZ.
en Armijn geen partij: hij vertelt er alleen in, dat beider
leerstellingen in de weegschaal werden gelegd en dat Gommer
er aanvankelijk slecht afkwam, omdat Armijn zoo slim was,
„den rock van d' Advocaet en de kussens van den Raet" met
de privilegiën der steden in zijne schaal te leggen ; maar Gom-
mer wist raad en legde aan zijne zijde de „stale kling" van
den Prins, die het overwicht gaf; en het slot van de geschie-
denis was, zooals de dichter eenvoudig weg vertelt alsof de
zaak hem niet aanging: „doen aenbad elck Gommers Pop en
Armijn die kreegh de schop."
Hoe geheel anders is hier de toon, dan van de eigenlijke
hekeldichters dier dagen, onder welke de geleerde oudrector
van Zierikzee Rbinibr Tellb, die in 1610 vandaar naar Am-
sterdam verhuisde, vooraan stond met zijne beide „ Vredesangen"
of nieuwejaarsliederen van 1615 en 1617, met zijn „Liedeken
van den HoUantschen Tuyn", zijne „Beschryvinghe van de
Groote Visch van Hollant"(01denbarne velt), zijne „Weeklacht der
HoUantsche Maegt over dese verwerde Tyden" en vooral met zijn
uitvoerig hekeldicht in achtregelige strophen: „Der Contra-
remonstranten Kerf-stock" (in 1618), die alle vinnige tegen-
dichten hebben uitgelokt en hem het recht geven naast Vondel
genoemd te worden onder de hekeldichters, wier geeselslagen
flink raak zijn geweest. Recht daarop heeft ook de ons nog
onbekende dichter, die in 1621 zijn „Calvijnsche Uutroeper"
uitgaf. Overigens kwamen er in 1620 anoniem ook „Truer-
dichten over het jammerlijck om-brengen van Johan van
Oldenbarnevelt", „Jammer-liedekens en riimen" en ook „La-
chrymae lachrymarum, d . i . Traenen der traenen" over dezelfde
wreede terechtstelling uit.
Niet minder bekend dan Telle maakte zich als hekeldichter
de bekwame zeevaartkundige Robbert Robbebtsz. lb Canü,
27 Nov. 1563 te Amersfoort geboren en sedert 1586 te Amster-
dam gevestigd als „schoolmeester der grooter-zeevaert" en
leermeester van bijna al onze groote zeevaarders van het eind
der zestiende eeuw. De Nieuwe Friesche Doopsgezinden, die
hem in 1591 uit hunne gemeente gebannen hadden, maakten
hem het leven zoo zuur, dat hij in 1610 Amsterdam verliet
om zijn onderwijs in de zeevaartkunde ie Hoorn voort te
zetten. Toen had hij reeds verschillende spotliederen uitgegeven
HEKELDICHTEN VAN ROBBERT LB CANU, JOHANNB8 NARSIUS, ENZ. 91
en o.a. ook het gedicht „De Noortsche Rommelpot", gericht
tegen alle sekten, tegen „die Romany drincken en die de Luyt
slaen", en evenzeer tegen „KalfsvleyseieTS en de Doopers'*.
Toen Anninius in 1610 overleden was, had hij daarover een
, Nieuwe Jaars Claach-Liedt" gezongen, en ook in 1617 en
1618 liet hij zich niet onbetuigd, maar schreef hij een scherp
„NieuWe jaers-liedeken" en pamfletten in proza en verzen o.a.
de „Rommeltaert ofte wat oudts ende wat nieus al voor één
Geldt", eindigend met dit puntdichtje: „Ti-ouwe, Eere ende
Recht namen Schalck tot haren knecht; Schalck neeghenhy
booch, tot men hem in den Kercken-raet tooch. Nu heeft Schalck
800 genegen en gheboghen, dat Trouw, Eere en Recht in den
Kercken-raet niet en mogen." Alle theologische muggezifterij
was bij hem uit den booze: „Staet na liefde, rust en vree",
leerde hij : „verdraeght malcander" en „laet de hooghe poincten
varen tot dats' u Godt wil openbaren."
Een zeer bekend hekeldicht tegen Gomarus' leer der eeuwige
verdoemenis was ook „Een Vlomsch gebray peerken jent,
gesonden honsen broedere tot een present", bestaande uit zestig
monorimen op atie. In een handschriftje is het gedateerd van
Parijs 8 Aug. 1623 en zeker is het niet, zooals men wel gezegd
heeft, gemaakt door Reael, maar zonder twijfel door den
gewezen Arminiaanschen predikant van Zaltbommel, Johan-
NES Narsius, die, na zijn ambt te hebben nedergelegd, in
Frankrijk den doctorstitel in de medicijnen behaald had en,
in 1621 hierheen teruggekeerd, „'t landt doorreisde, overal
strooijende en verkoopende de boeken en schriften der Remon-
stranten". In 1622 te Rotterdam gevangen genomen, wist hij
echter te ontsnappen, waarna hij zich buitenslands begaf, „daer
hy etlijke jaeren bleef, meer werk maekende van de Poësy,
dan van de Theologie, die hy t' eenemael liet vaeren."
Wat nu Vondel betreft, zonder zich over de eigenlijke theologi-
sche strijdvragen warm te maken, kan hij nochtans de veroordee-
ling en terechtstelling van den grijzen staatsman, die veertig jaar
achtereen zoo groote diensten aan zijn vaderland had bewezen, met
innig medelijden en ergernis hebben aangezien, en zijne veront-
waardiging zal ongetwijfeld nieuw voedsel gekregen hebben, toen
hij was opgenomen in den kring van Hooft, Coster, Reael en
Baeck, die, ofschoon zij niet alle tot de Remonstranten behoorden,
92 vondel's .palamedbs".
toch anti-Gomaristen en in de staatkunde partijgenooten van
Oldenbarnevelt en zelfs vrienden van De Groot waren. Het
onrecht, dat zijns inziens de Remonstranten geleden hadden,
maakte hem bereid hunne zaak te bevorderen, zoo krachtig
als hij dat met zijn vurigen geest en Zuidnederlandschen harts-
tocht doen kon. Het was dan ook niet voor doove ooren ge-
preekt, toen een der Amsterdamsche schepenen, AlbertKoen-
raedsz. Burgh, hem aanried, de terechtstelling van Oldenbarne-
velt tot het onderwerp van een treurapel te maken en, op
zijne opmerking, dat de tijdsomstandigheden dat verboden, hem
op de gedachte bracht, het in bedekten vorm onder andere
namen te doen.
Onwaarschijnlijk in het ook niet, dat eene oude aanteeke-
ning gelijk heeft, die mededeelt, dat Oldenbarnevelt's schoon-
zoon Cornelis van der Mijle, die tot de vrienden van Frederik
Hendrik behoorde en den Prins ook later het treurspel voorlas,
en dien Vondel te Beverwijk heeft leeren kennen, de hand
in het werk heeft gehad en den geleerden Joannes Meursius
heeft aangezocht om aan Vondel de bouwstoffen voor zijn hekel-
spel te verschaffen. Meursius zelf had in 1619 als hoogleeraar
te Leiden zijn ontslag gekregen en was wel in het volgende
jaar opnieuw aangesteld, maar had zich in het begin van 1625
naar Denemarken begeven, waar hij hoogleeraar aan de hooge-
school van Soroë was geworden. Vóór zijn vertrek of van
Denemarken uit moet hij dan eene schets van den „Palamedes"
aan Vondel ter bewerking hebben gezonden, hetgeen te waar-
schijnlijker is, omdat de voorrede van het stuk van veel meer
bekendheid met de Oudheid getuigt, dan toen van Vondel
verwacht kon worden, omdat uit allerlei treurspelen van Seneca
groote gedeelten in den „Palamedes" vrij vertaald zijn, en
omdat zelfs Grieksche citaten niet ontbreken, terwijl Brandt
ons vertelt, dat Vondel zijne studie van het Grieksch eerst
toen onder leiding van Daniël de Breen begon.
Moge dus misschien inhoud en samenstelling van den PaUi-
medea maar gedeeltelijk Vondel's werk zijn, de verzen waren
dat wel en brachten, volgens Brandt, alle kunstkenners in
verrukking wegens „de zuiverheit der taaie en hooghdravende
vloejentheit tot noch toe van niemant der Nederduitsche dich-
teren zoo wel uitgevonden.'*
vondel's , palamedes". 93
Palamedes-Oldenbarnevelt wordt in het stuk voorgesteld als
de ^vermoorde onnoozelheyd," wiens schim, zooals Vondel in
een voorafgaand klinkdicht zegt, nu na zeven jaar zijne rech-
ters uit hun slaap komt opschrikken om hun in een gruwelijk
beeld voor oogen te stellen, wat zij misdaan hadden.
Het geheele eerste bedrijf van het stuk wordt, behalve door
een beurtzang van Eubeërs (Arminianen) en Ithakoisen (60-
maristen), ingenomen door eene lange alleenspraak van Pala-
raedes, eene welsprekende verdediging en verheerlijking van
Oldenbamevelt's beleid en eene scherpe afkeuiïng van de
„dorperheyd" der „onedele gemeente, het wispelturigh volck,
dat, veel te los van hoofd, ghenooten dienst vergeet en leyder !
't quaed gelooft." Vooral ook de jaloerschheid van Agamemnon
(d.i. Maurits), die „verwoet syn trousten raedmans edel bloet"
had gedronken, en de heerschzucht van Calchas en Eurypylus of
de grootendeels uit Zuid-Nederland overgekomen priesters, die
met hun Calvinisme God voorstellen als lust scheppend „in
't vernielen en 't ommebrengen van soo veel gedoemde sielen,"
worden er fel in gehekeld.
Eerst met het tweede bedrijf begint de eigenlijke handeling.
Megaera „komt dan uut den afgrond klimmen", Sisyphus voor
zich uit drijvend, die, voor een oogenblik uit de hel verrezen,
zijn zoon Ulysses (Pranjois van Aerssen) het listig plan inblaast,
dat Palamedes ten val moet brengen. Ulysses moet namelijk
een schat begraven onder den grond, waarop kort te voren
Palamedes' tent had gestaan, en door Diomedes (in wien men
Graaf Willem Lodewijk meende te herkennen) een nagemaakten
brief van Priamus laten onderscheppen, waaruit, als hij echt ge-
weest was. Palamedes' landverraad zou gebleken zijn. De aanslag
gelukt volkomen: met het opgegraven goud en den valschen
brief wordt de krijgsraad in den waan gebracht, dat Palamedes
zich door den vijand heeft laten omkoopen, en trots het wel-
sprekend pleit van Nestor (den raadsheer Junius) en het heftig
verzet van Ajax wordt hij schuldig verklaard en onder pressie
van Calchas en het „by hem opgestoockte graeu" aan de
krijgslieden overgeleverd, „die hem als eenen openbaeren
verraeder uutleyden en steenighden", welke terechtstelling door
een bode levendig wordt afgeschilderd in het vijfde bedrijf,
dat besloten wordt met het optreden van Palamedes' stam-
94 INDBUE VAN VONDBL'S .PALAMEDBS".
vader Neptunus, om Oates (dien men voor Van der Mijle
hield) te troosten over zijns broeders (schoonvaders) dood, terwijl
Koning Priamus er over juicht. En die troost bestaat in de
voorspelling van de gruwelijke wraak, die door de goden op
de moordenaars van den onschuldigen ouden staatsman voor
hunne euveldaad zal genomen worden.
Het treurspel wemelt van toespelingen op Oldenbamevelt
en Maurits, op Van Aerssen vooral, op den dommen G. B. van
Santen, den heftigsten van Üldenbamevelt's rechters, die hier
als Thersites optreedt, en o.a. ook op Hugo de Groot, dien
men „in een kist voor boecken uutdroegh"; maar hoe kunstig
ook de Grieksche geschiedenis tot in bijzonderheden is toe-
gepast op Oldenbamevelt en zijne tegenstanders met hunne
valsche beschuldiging, dat hij zich door den vijand zou hebben
laten omkoopen om het Bestand te sluiten, onmogeUjk is het,
alles in het stuk als toespeling te willen verklaren: veel er
in behoort alleen in de Grieksche overlevering tehuis en wel,
als het meest in het oog vallende, dat Palamedes hier ondanks
den „veertighjaergen dienst", waarop hij zich beroept, wordt
voorgesteld als een man in de kracht van zijn leven, wiens
vader Nauplius als koning van Euboea den dood zijns zoons
overleeft.
Geweldig was de indruk, dien het treurspel maakte, toen
het in October of November 1625 met Vondel's naam op
den titel het licht had gezien. De Remonstranten groeiden
er in, ofschoon zelfs ook zij er van ontstelden en daarom,
zooals hun predikant Carolus NielUus, er zich over verheugden,
dat het hekelspel niet door een Remonstrant was gemaakt.
Onmiddellijk schreef Reigersberch aan zijn zwager De Groot:
„Hier is uutgecommen een tragedie van Palamedes, daer onder
bedeckte namen het ongelijck aen den Advocaet gedaen wert
verhaelt. Het is wel gemaeckt, wert veel gelesen". Ofschoon
de verspreiding verboden was, volgde de eene druk den
anderen met gi'oote snelheid op; maar ook de tegenpartij
hield zich niet stil. Er kwamen schimpdichten uit, waarin
Vondel woordspelend „Mennoos Armer knecht" werd genoemd,
en sterk werd er bij de Regeering op aangedrongen, dat zij
Vondel zou straffen.
Hij zelf vertrouwde aanvankelijk op de onmogelijkheid om
QEVOLGBN VAN VONDKL'S ^P^LAMEDES". 95
het streng juridisch bewijs te leveren, dat onder deze Grieksche
geschiedenis de moord van Oldenbarnevelt gehekeld was ; maar
spoedig begreep hij, dat het moreel bewijs voor zijne vijanden
voldoende zou zijn, en hij hield zich schuil, eerst bij zijn
zwager Hans de WolflF, en toen deze voor zichzelf beducht
begon te worden, bood Laurens Baeck, die vermoedelijk mede
de hand in 't spel had gehad, hem eene schuilplaats aan.
Had de Amsterdamsche Regeering niet gestaan op haar recht
om zelf hare burgers te vonnissen, dan zou Vondel misschien
naar Den Haag zijn gevoerd en had zijne stoutheid hem het
leven kunnen kosten. Onder de Amsterdamsche regeeringsleden
echter had hij ook nog andere vrienden en geestverwanten
dan Albert Burgh, die hem had aangehitst. Vooral de Schout
Jan ten Grotenhuys was hem genegen, en zoo slaagde de
pensionaris Adriaen Pauw, de zoon van den oudburgemeester
Reinier Pauw, oudvoorzitter van Oldenbarnevelt's rechters, er
niet in, hem zwaarder dan met eene geldboete van driehonderd
galden te doen straffen, omdat hij, zooals het heette, „dingen
hadde gesproken, die hij behoorde te zwygen". Ruim eenjaar
later heeft Vondel aan Pauw zijne vijandschap betaald gezet
met zijn in grappig Amsterdamsch gezongen „Nieu Lietgen
van Reyntjen de Vos".
Wel plaagde een schimpdichter hem met zijne boete, hem
verdacht makend, dat hij zijn stuk alleen had geschreven „op
hoop van grooter winst dan al sen Couse-Craem", maar sinds
de „Palamedes" het land in rep en roer had gebracht, was
Vondel in de geheele Republiek een beroemd man geworden
en genoot hij bescherming en vriendschap van al wie onder
de Amsterdamsche aristocratie tot de vrijzinnige partij be-
hoorden en binnen weinige jaren in Amsterdam weer de
regeering in handen zouden hebben, de Bickers enDeGraefs,
de Vlooswijcks en De Vlaminghs, de Sixen en Huydecopers.
Opgetreden voor de staatsgezinde partij en tegen de Goma-
risten, was Vondel nochtans ver van zich bij de Remonstranten
aan te sluiten. Hij bleef als vroeger tot de Waterlandsche
Doopsgezinden behooren en toonde zelfs reeds in het volgende
jaar zijne bijzondere belangstelling in de twisten, die daar ge-
rezen waren tusschen den van Antwerpen afkomstigen Hans
DK RiES, sinds 1598 Waterlandsch leeraar te Alkmaar, die
96 vondbl's pabtijkibzen in twistbn dbb doopsgezinden.
behal'/e godsdienstige prozaschriften ook een in 1604 herdrukt
stichtelijk „Liedboeck" heeft uitgegeven en die beweerde, dat
men den in het Evangelie uitgesproken geest van Christus
moest onderscheiden van hetgeen de letter der Schrift leerde,
en Nittert Obbesz, die maar één Woord Gods aannam, de
letterlijk op te vatten Heilige Schrift. Opmerkelijk is het, dat
Vondel in dien strijd partij koos voor hetgeen de tegenpartij
letterknechterij noemde, z oals blijkt uit zijn hekeldicht „An-
tidotum tegen het vergift der geestdryvers tot verdedigingh
van 't beschreven Woord Gods". Heftig trekt hij daarin te
velde tegen die „droomers en propheten en sienders, met den
geest der dwalingen beseten", die voor ketterijen de deur
wijd open zetten en den weg banen „tot duysend rasernyen".
Neen, zegt hij, „Gods Woord, door letters uytgedruckt", is
„gelyck een hamer, die rotsen stucken slaet, een schat en staf
op den wegh", zonder welken men „in 't onseker tast en vecht
als in de locht". Opmerkelijk noem ik deze partijkeus, omdat
zij getuigt van Vondel's behoefte aan onwankelbaar gezag in
geloofszcJcen, waardoor hij vijftien jaar later tot de Katholieke
kerk zou worden gedreven.
Toch wilde Vondel allerminst kettermeester zijn, zooalszijn
klinkdicht „Misbruick des kerckelycken bans" bewijst, dat
„een geweldenaer in Christus koninkrijk" noemt wie „Christe-
nen ontzeit den Christelyken beker". Hierdoor toonde hij zich
geestverwant van den vrijzinnigen Lubbert Gerritsz., die eerst
leeraar der Vlaamsche Doopsgezinden te Hoorn was geweest,
van 1603 tot zijn dood in 1612 als zoodanig te Amsterdam bij
de Waterlanders optrad en daar gematigder denkbeelden op
het stuk van ban en mijding kon verkondigen, dan er heersch-
ten bij de Oude Vlamingen en Oude Friezen. Bij het portret
van dezen „nae der Kercken vreede soo vuyrigen'* man maakte
Vondel een bijschrift, zooals hij trouwens ook bij dat van
Hans de Ries heeft gedaan.
Tegen Gomaristische ketterjagerij trad hij eerst in 1627 weer
op met een zijner meest beroemde en geestige hekeldichten.
De Rommelpot in H Hane-kot, gericht tegen de haantjes van den
kerkeraad, predikanten als „'t haentje dickkop van de Mase"
of Adriaen Smout, „'t kalkoensse haentje" of „Jacobus Trig-
land, en „haentje dopper" of Johannes Cloppenburg : jonge hanen.
VONDBl/S „ROMMELPOT IN 't HANEKOT". 97
die al even onverdraagzaam waren als die van„het ouwe hoek*' en,
gesteund door leeken als „OogentroosVof Dr. Karel Lenaertsz.,
„Ti'ompman" of Simon Verdoes, „Corteboef of den stadssecre-
taris Boudewijn Kortenhoef en „'t malle ventje" of den oud-
schepen Jan Willemsz. Bogaert, uit hun „hanekot" een hunner
medebroeders, namelijk „Coppen" of CornelisHanekop, hadden
uitgepikt als een „geveynsden ketter, een Christen songder
giest en letter, een wye deur en ruyme poort, een sielverleyer"
— en waarom? Omdat hij openlijk op den kansel zijne af keu-
ring te kennen gegeven had over het schandaal, dat „grauwe
geusen wonnen 't huys te Monkelbaen" of m.a.w., dat het
door geestdrijvers opgeruide grauw eene godsdienstoefening
der Remonstranten met steenworpen verstoord en hunne
vergaderplaats geplunderd had en nog meer zou misdreven
hebben, als de kloeke majoor Nicolaes Hasselaer het niet ver-
hinderd had.
Vondbl's liedje bleef niet onbeantwoord, zooals Hasselaer
niet onberispt bleef, maar de Stedelijke Regeering strafte enkele
der plunderaars, bleef aan den van zijne bediening ontzetten
Hanekop zijne jaarwedde uitbetalen en toonde zoo, dat zij de
Remonstranten tegen handtastelijkheden en geestelijke opruierij
in bescherming wilde nemen en zelf baas wilde blijven tegen-
over de bemoeizieke predikanten, die zich door God aangesteld
waanden als wachtei*s op den toren.
Op dit zoo uitnemend geslaagde hekeldicht, in vroolijk
spottenden toon, vol grappige zetten en treffende woordspelingen,
en uitnemend geschikt om door een liedjeszanger bij het gemom-
mel van den rommelpot gezongen te worden, liet Vondel in
de eerstvolgende vier jaar nog vele andere volgen, die wel
verdienden uitvoerig besproken te worden, dogh hier toch
maar met enkele woorden vermeld kunnen worden, omdat
eene toelichting, waardoor zij volkomen begrepen en genoten
zouden kunnen worden, tot afdalen in te kleine bijzonderheden
zou verplichten.
Overigens ondervond Vondel bij zijne hekeling ook steun
van anderen, waarschijnlijk zelfs van Coster, die wel achter
de schermen moest blijven, maar toch vermoedelijk de dichter
was van eene in 1628 verschenen en 1 Juni van dat jaarver-
toonde klucht, Kallefs'Val (d. i. Calvinus' val) getiteld, waarin
7
costbr's „kallefs-val", vondel's „boerbn-catbqismus", enz.
„Blinde Yver*' de geestelijke heerschzucht vertegenwoordigt
en o.a. Mienwes en Jaucke de spotvogels zijn, die er den
draak steken met de Amsterdamsche predikanten Roelof Piet-
eers (d. i. Rudolphus Petri), El-ja-zeer (d. i. Eleazar Swalmius),
Dry-aakers of Kalkoen-neus (d. i. Trigland) en Smout, en
waarin met welgevallen aan VondePs Palamedes herinnerd
wordt, die de Staten neep, terwijl dit spel voornamelijk tegen
de Kerk en hare onwaardige dienaars gericht was.
Vondel zelf schreef in hetzelfde jaar 1628 den „Boeren-
Categismus", een gesprek tusschen Poëet en Student, ter be-
schimping van eene onvoorzichtige uitspraak der theologische
faculteit te Leiden, door Cloppenburg uitgelokt, dat Amster-
damsche schutters geen eed behoefden af te leggen aan
officieren, wier gehechtheid aan het gereformeerde geloof be-
twijfeld kon worden. Dat toch werd toen door de Amster-
damsche Regeering, op straffe van ontschuttering, geëischt,
waardoor meer en meer het vertrouwen der onderliggende
pai-tij gewassen was, terwijl de tegenstand van den kerkeraad
meer en meer zijn invloed op de Amsterdamsche Regeering
verzwakte, tegen welke de predikanten dan ook van den
preekstoel heftig uitvoeren. Zóó weinig was de Amsterdamsche
Overheid — in dezen gelijkgezind met de Rotterdamsche —
geneigd, zich door de geestelijke heeren de les te laten lezen,
dat zij den 8sten Sept. 1630 den Remonstranten zelfs oog-
luikend toeliet, hunne kerk op de Keizersgracht in te wijden
met eene preek van den eertijds verbannen hoogleeraar Simon
Episcopius. „Den goeden God sy lof en Amstels wijsen Raed,
dat den verdruckten nu dees tempel open staef', juichte
Vondel in zijn gedicht op de „Inwying van den Christen-
tempel t* Amsterdam", terwijl hij een ander gedichtje maakte
onder een „Afbeeldsel van den Christentempel", waarvan de
Regeering de verspreiding echter verbood, omdat zij met hare
toegeeflijkheid niet gepraald wenschte.
Nu scheen ook voor Hugo de Groot de tijd gekomen om
uit zijne ballingschap terug te keeren. In October 1631 kwam
hij heimelijk in Rotterdam, en terwijl zijne vrienden, waaronder
ook Hooft, moeite deden om zijn banvonnis opgeheven te
krijgen, begaf hij zich in het laatst van dat jaar ook naar
Amsterdam. Vondel, die reeds in 1628 aan „den getrouwen
vondel's „roskam", „harpoen", bnz. 99
Hollander", zooals hij hem noemde, zijne vertaling van Seneca's
Hippolytus had opgedragen, begroette hem met een „Welle-
komst" en sloot toen zeker met hem die innige vriendschap,
waaraan de dood van den grooten balling geen einde kon
maken, want balling moest hij blijven, misschien omdat hij
zelf niet bereid was een deemoedig verzoekschrift in te dienen,
misschien ook omdat de terugkeer van een man als hij, die
de hoofdman zijner partij was geweest, te veel ergernis aan
de Calvinisten zou gegeven hebben. Toen hij in het volgende
jaar zijne vrijheid al te zeer bedreigd zag, verliet hij noode
weer zijn vaderland. In 1635 werd hij tot Zweedsch gezant
bij het Fransche hof benoemd, wat hij bleef tot hij 28 Aug.
1645 te Rostock overleed, door Vondel met een „Uitvaert-
lied" uitgeluid.
In het jaar 1630 had Vondel nog eenige hoog ernstige,
gestrenge en dichterlijk-puntige hekeldichten in alexandrijnen ge-
schreven, zooals in de eerste plaats de aan Hoopt opgedragen Ros-
iom, tegen de heerschappij van onder gehuichelden godsdienst
verborgen baatzucht, geldgierigheid en oneerlijkheid in het alge-
meen gericht, maar niet tegen iemand in het bijzonder : immers,
zegt de dichter, „sprack ick klaerder spraeck, ick sorg, men
sou me dreygen met breuck en boeten of te levren aen den
beul; want waerheyd (dat 's al oud) vind nergens heyl nocht
heul : dies roemt men hem voor wijs, die vinger op den mond
leyd"; en dan laat hij er op volgen, wat zoo teekenend is
voor zijn eerlijk karakter en vurigen geest: „O, kon ick
oock die konst ! maer wat op 's harten grond leyd, dat weltme
na de keel : ick word te stijf geparst, en 't werckt als nieuwe
wijn, die tot de spon uytbarst".
Bij dit gedicht sloot zich de Harpoen aan, waarin onder den
naam Godefried het ideaal van den predikant wordt geschetst
tegenover Wolfaardt, het type van den heerschzuchtigen, op-
roerkraaienden en scheurmakenden geestelijke, en het gedicht
Baec Libertatü ergo op de papieren noodmunt, uitgegeven tijdens
het beleg van Leiden, toen het nog de vrijheid en niet de
heerschappij van Calvijn was, waarvoor men streed. Daarin
worden weer persoonlijke aanvallen gedaan, niet alleen op Smout
en Cloppenburg, maar ook op den al te gestrengen Leidschen
schout Bont en den burgemeester Jacob van Broekhoven,
4 f c> o rj r*'
vondel's „triomftorts'' en gkuichtkn op oldknbarnkvelt.
wien CosTER onmiddellijk nog iets toegaf in zijn klein ge-
dichtje „Drukfaut in 't Papiere Geldt". Even persoonlijk is
Vondbl's niet in alexandrijnen, maar in korte versregels ge-
schreven „Medaellie voor de Gommariste kettermeester en
inquisiteur te Dordrecht", vermoedelijk de predikant Gosewinus
van Buytendijk.
Hoe verbitterd Vondel destijds was op hen, die de gewetens-
vrijheid verkortten, blijkt wel hieruit, dat hij over hen Gods
wraak — geheel te onpas — inriep in eene^ later weer door
hem geschrapte slotstrophe van zijn „Triomf torts'* over de
nederlaag door „'t Gewapent Scheld" in 1631 geleden, toen
het „t* seyl ging" om „den leeu in syn nest te doorschieten".
Maar, genoopt door Hollands admiraal, rees deze op, „geterght
tot wraeck, en sloegh syn klaeu in 't Slaeck", zoodat den
vijand niets overbleef, dan in overijling en met schande het
lijf te bergen. In hetzelfde jaar schreef Vondel nog zijn
„Decretum horribile" tegen Calvijn's leerstuk der eeuwige uit-
verkiezing en verdoemenis, en zijn „Blixem van 't Noord-
hoUandsche Synode", die, te Enkhuizen vergaderd, zich verzet
had tegen het besluit, dat de Amsterdamsche Regeering in
het begin van 1630 genomen had om aan een paar regeerings-
personen zitting in den kerkeraad te geven en een onrust-
stoker als Smout uit de stad te verbannen, nadat Cloppenburg
reeds vrijwillig in ballingschap was gegaan.
In denzelfden tijd zullen wij, meen ik, de ongedateerde ge-
dichten op Oldenbarnevelt hebben te plaatsen: ten eerste het
kleine meesterstukje „Geuse-vesper of siecken-troost voor de
vierentwintich" rechters van den Advocaat, met het aandoenlijk
begin: „Hadt hy Hollandt dan ghedragen onder 't hart, tot
syn afgeleefde dagen, met veel smart, om 't meyneedigh swaert
te laven met syn bloet, en te mesten kray en raven op syn
goet?" en de ernstige slotvermaning : „Spiegelt, spiegelt u dan
echter, wie ghy zijt: Vreest den worm, die desen rechter 't
hart afbijt I Schent uw' handen aen geen Vaders, dol van
haet ; Scheldt gheen vroomen voor verraders van den Staet !"
Scherp is het „Gespreek op het graf van Joan van Olden-
barnevelt", in den vorm van een echolied geschreven naar
aanleiding van een Latijnsch echolied, dat anoniem verscheen,
en roerend de herinnering aan den staatkundigen moord bij
„HBT ST0CK8KE VAN JOAN VAN OLDENBABNEVELT". 101
de verjaring van „'sLands treurspel" of het „Jaergetyde van
Joan van Oldenbarneveld, vader des vaderlands."
Bij deze hekelende klaagliederen sluit zich aan, ofschoon het
blijkbaar veel later (omstreeks 1658) gemaakt is, het beroemde
gedichtje op „Het stockske van Joan van Oldenbarnevelt", dat de
weemoedigste herinneringen bij Vondel opwekte, toen hij het
later (het was toen in het bezit van Wbstbebabn, die er ook een
gedichtje op schreef) onder de-oogen kreeg, zooals wij het tegen-
woordig nog in het Vondelmuseum kunnen zien, het stokje, dat
^vrydoms stut en HoUants vader gestut heeft op het wreet schavot,
toen hy voor 't bloedigh zwaert moest knielen", en dat hem vroe-
ger zoo dikwijls „voor een derden voet in 't gaen streckte by 't
klimmen op de hooge trappen, als hy, belast van ouderdom, papier
en schriften, overleende en onder 't lastigh lantspack steende",
hij, die, „hoe krom gebuckt, noit krom ging". „Nu stut en
3tyft ghy noch myn dichten," zoo besloot Vondel, en onge-
ti^ijfeld had* onze groote dichter geen dankbaarder stof voor
zijne poëzie kunnen vinden ; maar even ontwijfelbaar is het,
dat niet eeuwenlang zoo velen over den dood van den grijzen
staatsman zouden hebben meegetreurd, als Vondel's poëzie
hun niet stille tranen van ergernis en weemoed had ontlokt.
XXVII.
De Academie en de Doorluchtige School.
Door bij den politieken strijd als dichter zoozeer op den
voorgrond te treden moest Vondel onder de leden derDuyt-
sche Academie, die zijne geestverwanten waren, wel beschouwd
vorden als de man, die het meest geschikt was om aan deze
kwijnende instelling nieuw leven te geven, waaraan het haar
sinds het gedwongen aftreden van Coster al te zeer ontbroken
had. Dat hij althans in 1627 en later daar de leiding had,
inag m.i. worden opgemaakt uit het feit, dat hij in Januari
1627 HuYGENS, die bij een bezoek aan Amsterdam de voor-
stelling van Hooft's „Warenar" in de Academie was komen
bijwonen, daar van „'t hooge tooneel" af een dichterlijk
jWelkom, welkom t' Amsterdam!'' toeriep of liet toeroepen.
102 yondel's prijsvraag dbr aüadbmie.
HuYOENs was er blijkbaar niet erg mee gediend, dat hij daarin
op allerlei wijzen als Orpheus werd toegesproken, en verklaarde
aan Vondel, dat, indien hij zich al dien lof had laten aanleunen,
er in de oogen van het publiek in den schouwburg wel twee
ware narren geweest waren: één op het „raduys" en een
tweede onder de toeschouwers.
Op het eind van 1629 of in het begin van 1630 toonde
Vondel zich weder den leider door van het tooneel der kamer
bij monde van haar toenmaligen eersten speler, Thomas de
Keiser (portier van de Regulierspoort van beroep) eene prijs-
vraag in verzen te doen voordragen, die weldra ook in druk
werd aangeboden door ,de Academi aen alle poëten en dichters,
liefhebbers van de goude vryheyt*', maar van dien aard was,
dat de Amsterdamsche Regeering wel genoodzaakt was in
April 1630 een verbod uit te vaardigen tegen het „vercoopen
van seeckere vragen, op name van de Academie binnen deser
stede ingestelt, mit de and woorden daerop gevolght, streckende
tot vermeerderinghe en voedinghe van den haet der ingesetenen
deser landen". Hatelijk toch waren de bewoordingen van dit
gedichtje tegen de opruiende predikanten en zelfs tegen Prins
Maurits, die tweemaal te vergeefs beproefd had, het nu door
Prederik Hendrik veroverde 's-Hertogenbosch te vermeesteren,
zooals er in gezegd werd.
Groot was de opschudding, die deze vraag in de dichtwereld
maakte : omstreeks vijftig antwoorden kwamen er op in,op allerlei
toon en in zeer verschillenden geest, uit verschillende deelen
des lands, vooral ook uit Haarlem (o. a. van Jonas van
Gherwen). In één dezer werden de „Academi-Heeren nu be-,
sitters van de Brabantsche camer" genoemd; in een ander
werd gesproken van de „tweedemael geformde Academy, alias
de Brabantsche camer", waaruit blijkt, dat deze kamer, die
in 1629 nog in wezen was, maar welker leden reeds lang
meerendeels ook tot de Academie hadden behoord, nu voor-
goed met de Duytsche Academie was samengesmolten.
Tegen één van die antwoorden, getiteld „Amsterdamsche
Kakademie ofte Guytschool,'' waarinde „Academieheeren voor
lieff-hebbers van de volle kannen" werden uitgekreten en van
den naam Joost van Vondelens het anagram „Sotje vol van
souden" gemaakt werd, kwam Vondel op met een al te vuil
ANTWOORDEN OP DK PRIJSVRAAQ BN HOOFT's OORDEEL. 103
gedichtje, tegen Jacobus Trigland, die er als Japick Priaep
is aangeduid. Van Geeraardt Brandt, die in dien spotnaam ver-
keerdelijk Jacob Cats zag, is de mythe afkomstig, dat Cats
de ^Amsterdamsche Kakademie" zou gedicht hebben, ofschoon
dat hatelijk versje al zeer weinig strookt met den geest en
den dichttrant van Cats. Eenmaal op den verkeerden weg, kwam
Brandt er ook toe, een ander spotdicht] e op Jaap Priaap, dat
den titel „Text" heeft en waarbij glossen gevoegd zijn op Cats,
als rijk geworden door zijne vrouw, aan Vondel toe te kennen,
ofschoon daarvoor bewijs noch redelijke aanleiding is.
In Vondel's geest antwoordden o. a. Cornelis Plemp (doch
zonder zijn antwoord uit te geven), Willem Dircksz. Hooft
(of diens vader) en Tbsselschade, die haar gedichtje door den
Drost had laten „betuttelen". Deze zelf antwoordde niet en kan
ook moeielijk met het uitschrijven der prijsvraag ingenomen ge-
weest zijn. Hij vergeleek haar bij een „krijgsgranaet, die, zwanger
met doodt en bederf, niet en baert om ter wereld te brengen, maer
om daer uyt te helpen." Toen Vondel hem in hetzelfde jaar
zijn „Roskam" opdroeg, prees hij dat gedicht, evenals de
«Harpoen", omdat de dichter daarin „yder naegeeft dat hem
toekomt en zoo wel voor een goedt betaeler als voor een
scherp maener gaen magh", maar overigens achtte hij „schem-
pen en schieten" onridderlijk en was het hem „tegens de
borst, dat men de luiden leelijk en afschou weiijk in 't oogh
der gemeente maekt, daer zy leer en stichting by te zoeken
en uit te zuighen heeft". Hooft toch, die libertijn was, was
den Remonstranten alleen genegen, omdat zij onrecht geleden
hadden, maar zou zich van hen, als zij den „harden gerefor-
meerden" in heftigheid trachtten te evenaren, evenzeer afkeerig
betoond hebben, als van de roervinken onder de heerschende
predikanten: althans hij schreef na de lezing van Vondel's
«Medaellie" aan zijn' zwager: „lek en kan dien stookebranden
ter wederzijden niet vergeven hunne reukelooze duUigheit, daer
niet dan vererghering onzer quaele uyt koomen kan".
Hij was het dus geheel eens met Prederik Hendrik, die
zijn best deed, „om d' ontstelde gemoederen tot bedaering
ende 't landt in ruste te brengen", en met de vrijzinnige
overheden van Amsterdam, die het er op toelegden, geleidelijk
en als ongemerkt de Remonstranten in hunne rechten ie her-
104 HOUDING DKR VRIJZINNIGE REGBERING.
stellen, maar daarin zeker niet geslaagd zouden zijn, als zij
ook maar eenigszins tartend en met in het oog vallende partij-
digheid tegen de geestelijke heeren waren opgetreden. Wilden
zij de instemming der burgerij behouden, wanneer zij de op-
ruiers en twiststokers onder deze intoomden en desnoods uit
de stad banden, zooals zij deden, dan moesten zij daarbij
niet beraoeielijkt worden door onruststokende twist- en spot-
schriften der Remonstrantsche partij, zooals ook de hoofden
dier partij zelf inzagen , daar b.v. Uytenbogaert aan Episcopius
schreef, toen hij van de boven besproken klucht van „Kal-
lefs-vaP' gehoord had: ,sulcke boecken doen gheen goedt".
Door zoo voorzichtig en staatkundig te werk te gaan als
de Amsterdamsche patriciërs, en Hooft met hen, destijds
deden, hebben zij aan hunne stad en, door hun voorbeeld,
aan het geheele vaderland den roem kunnen verschaffen, dat
onze Republiek, ook buitenslands, mocht worden beschouwd
als het bolwerk der vrijheid, waar alle gezindten — ook
katholieken en zelfs atheïsten — ongemoeid werden gelaten
en zelfs binnen zekere grenzen (men denke echter aan Adriaen
Koerbagh in 1668) op gematigde wijze hunne meening mochten
verkondigen. Dat daarentegen prikkelbare geesten als Vondel
met hun moedig optreden voor de vrijheid door hunne heftig-
heid die vrijheid juist in het uiterste gevaar brachten, zag de
wereldwijze en echt vrijzinnige Drost volkomen goed in.
Terwijl de Regeering van Amsterdam de prijsvraag der
Academie verbood, liet zij haar echter in 1630 toe, zooals zij
ook reeds in 1626 gedaan had, nog eens weer de Iphigenia
van CosTBR te vertoonen, die ditmaal vermeerderd was met
een laatste tooneel, waarin gesproken wordt van de verbanning
der „verlopen papen" Pultarx en Ari-adeps of Cloppenburg
en Adriaen Smout. Den speler, die de rol van Eurypylus
vervulde, had men zóó gegrimeerd, dat hij sprekend op Trig-
land geleek. Het stuk had, als altijd, groeten toeloop, want
zooals Vondel terecht zeide: „Verbiet de lieden het toonneel,
soo loopt *er sevenmael sooveer* ; en ondeugend voegde hij er
aan toe: „Wie dan den yver blusschen wil, sie door de vin-
gei's en swygh stil"; maar dat lag niet in het karakter der
predikanten, want één hunner, Otto Badius, de aanstaande
schoonzoon van den te Haarlem in ballingschap levenden oud-
vondbl's „otter in *t bolwerck". 105
schepen Jan Willemsz. Bogaert, schold van den preekstoel op
de Academie zoo ijverig, dat „het quijl hum uyt sen mongt
liep", volgens Vondel's Otter in H Boltverck, dat tergend begon
met de vraag: „Wel hoe is Otjes hart so groen, dat hy dus
yvert in 't sermoen? O jeemy, o jeemy!*' en daarop ten ant-
woord gaf: „Om Boogers dochter is 't te doen: hy preecktvan
d'Acadeemy.'*
Dat was zeker persoonlijk genoeg, te meer daar Bogaert,
wien men zoo groot genoegen kon doen met op de Academie
te schelden, niet alleen Coster*s neef was, maar bovendien in
1617 Coster's vertegenwoordiger was geweest bij het vaststellen
van het contract met de Regenten van het Weeshuis, waarbij
deze een deel van de winsten ontvingen. Persoonlijk was ook
de herinnering aan de tochtschuit, waarmee Smout had
moeten vertrekken, die, als hij nu nog op den preekstoel
mocht staan, wel zou maken, dat „Jan-i-ap in stee van
Monckelbaen sou plongd'ren d'Acadeemy". Ook dit liedje lokte
natuurlijk tegenliedéren uit, zooals van „Esopus-ezel op 't
tonneel" en van „De droes in t warr-gaern'', waaria het aan
schimpscheuten op het persoonlijk leven van Coster niet
ontbrak en hij met de zijnen naar Loevestein gewenscht werd.
Daarentegen nam de scheepsdokter Quirijn van BREnMBORCH
het voor Coster in een hekeldicht op. In een der tegenschrif-
ten wordt gesproken van „Vond'lens Academie", zooals men
vroeger van Coster's Academie sprak.
In den tijd, waarin de Academie zich onder Vondel's lei-
ding zoo roerde, werden daar ook minder geruchtmakende
stukken gespeeld, zooals in 1627 Pieter Nootmans' treurspel
„Borias oft Wulpsche minstocht", in 1628 Jan Pranssoon's
klucht Griertje Wouters , de dramatiseering van een griezelig
komiek verhaal uit Boccaccio's Decamerone (IX. 1) , en in 1629
H. Roblandt's treurspel Biron. In 1630 werd „voor de weesen
op kerkmis," en dus door de Academie, ook het, eerst vier
jaar later uitgegeven, deels romantisch, deels idylHsch, maar
grootendeels grof boertig tooneelstuk Margrietje vertoond ,
waarin onder meer ook nog eens de grap van den in eene
mand opgeheschen en ten spot van een ieder ten toon ge-
hangen vrijer voorkomt. De dichter Jan van Swol droeg het
stuk op aan Geertruid, Visscher's tweede dochter, in het-
106 „VERLORBM SOON" VAN WILLEM DIRCK8Z. HOOPT.
zelfde jaar, waarin hij ook reeds zijn wonderlijk (eerst in
1637 gedrukt) spel Conatantinus (d.i. zekere „grave Constantyn
van Charlois") in stroeve en gekunstelde verzen aan Anna
Visscher had opgedragen. Nog werden in 1630 op de Acade-
mie gespeeld: de tragi-comedie „Hel en Hemel vaert van Theo-
dore en Constancy" van Hkndbik Moor en het blijspel Heden-
daegsche verloren soon van den glasschrijver Willem Dircksz.
Hoopt.
Alleen dat laatste stuk verdient, dat wij er een oogenblik
bij stilstaan. De inhoud is natuurlijk de bijbelsche parabel,
maar in de IT^e eeuw geplaatst en nciar ons land overgebracht :
eene moderniseering zooals wij er van deze gelijkenis ook
in vroegeren tijd en in verschillende talen vele kennen. Toch
heeft de dichter niet het bijbelverhaal zelf gedramatiseerd,
maar, zij het ook met veel vrijheid, een volksboek nagevolgd,
dat er zich uitstekend toe leende, omdat het zelf naar eene
Fransche moralité van 1535 was bewerkt. Door zijne herberg-
vrienden Bylebier en Schente-keucken wordt Juliaan, de verloren
zoon, kroegen en bordeelen rondgevoerd totdat hij, om geld ver-
legen, met valsche sleutels het kantoor van zijn vader opent en
daar door zijne stiefmoeder Gerrebrich op diefstal woi*dt betrapt.
Bijna terzelfder tijd wordt hem een speelkind te huis bezorgd, dat
zijn vader „in Waterlant ' besteedt". Hij had „steekint" be-
hooren gemaakt te worden, zegt zijne stiefmoeder, of naar de
Oost gezonden moeten worden; maar al moest hij ook door
de ratelwachts op een kruiwagen dronken t'huis gebracht
worden, door berouw te veinzen weet hij zijn vader te belezen,
hem het moederlijk erfdeel uit te keeren, en nu kan hij eerst
recht genieten van de „vrolijcke voogh'lesang". Het duurt
echter niet lang. Hij gaat naar Den Haag, waar hij in de
herberg „De belegeringh van Oostende" in handen valt van
de waardin Susanna en hare meisjes, die hem, als hij dron-
ken is, van alles berooven. Arm en berooid krijgt hij van
een boer niets anders dan varkensdraf om zich mee te voeden,
en zoo overwint hij dan zich zelf en besluit hij terug te kee-
ren naar zijn vader, die hem in zijne armoedige plunje niet
eens herkent, maar hem toch, ten spijt- van zijn oudsten zoon
Abraham, verheugd ontvangt en het gemeste kalf voor don
berouwhebbenden zondaar slacht. Ofschoon dit stuk eene
JACOB 8TRUY8 EN PIETER NOOTMANS. 107
zedelijke strekking heeft, die aan het einde ook duideUjk ge-
noeg wordt uitgesproken, kan men toch begrijpen, dat het
wegens de uitvoerigheid, waarmee de ruwe en aanstootelijke
bordeeltooneeltjes er zijn uitgewerkt, tot die onstichteUjke
stukken zal gerekend zijn, welke de predikanten er toe brachten,
zoo geweldig tegen de Academie uit te varen.
Vóór 1631 — want toen was de dichter reeds overleden —
werden door Jacjob Struys verschillende droefeindende spelen
gedicht, die vermoedelijk ook alle op de Duytsche Academie
vertoond, maar misschien niet vóór» zijn dood gedrukt zijn,
namelijk het aan Ovidius ontleende stuk „Ontschakingh van
Proserpina met de bruyloft van Pluto", de aan Coster opge-
dragen Styrus en Ariame en twee treurspelen, waarvan de
inhoud geput is uit de toen zoo geliefde „Tragische Historiën"
van Bandello-Belleforest. Het eerste, Romeo eii Juliette is merk-
waardig, omdat het dezelfde bron heeft als Shakespeare's
meesterstuk, waarmee men maar niet moet beproeven het stuk
te vergelijken van een dichter, die, blijkens zijne spreuk „lek
wil maer kan niet", althans de deugd der bescheidenheid
bezat. De Italiaansche novelle is er stipt in gevolgd, dikwijls
zelfs zoo nauwkeurig mogelijk in alexandrijnen overgebracht.
Het tweede stuk, Albonus en Romrwnda, dramatiseert het uit
de Longobardische geschiedenis van Paulus Diaconus afkom-
stige gruwelverhaal van Alboin's moord, dat ook Vondel zich
wat later koos voor een treurspel „Rozemont", waarvan echter
nog niet eens het eerste bedrijf door hem voltooid werd. Een
vijfde stuk van Struys, Amsterdamsche Juffer tjen, hebben wij
vroeger reeds genoemd.
In 1632 zouden nog op de Academie een treurspel Violense
en eene klucht, Licht-hartighe Jooye, vertoond worden, gerijmd
door G. Andriesz. Duirkant, van wien ook reeds een blij-
eindend spel Siatiliaen op Palmzondag 1628 door de Brabant-
sche kamer was gespeeld.
Dat toen ook in de Duytsche Academie de classieke rich-
ting niet de alleenheerschende was, blijkt, behalve uit de ge-
noemde stukken, nog uit de woorden, waarmee PjeterNootmans
zijn Borias, in 1635 op de Jonge Bataviersche kamer te 's-Graven-
hage vertoond, toen opdroeg „aenden achtbaren, seerdiscreten
en konst-Uevenden Jan Hendricksz van der Kisten": „my is
108 ACADEMIE KN EGL^ENTIER VEKEENIGD
niet onbekent, dat ick van sommighe Neuswijse Al-bedillers,
segghende dat alle Treur-ende Bly-Eynde-Spelen moeten ende
behooren, na de oude maniere van eenighe Latynsche oft
Griecksche comedi-schryvers, op vier-en-twintigh uyren, hoewel
sy het selve soo nauw niet en hebben onderhouden, uyt te
spelen. Doch aengesien alle gheschiedenissen meestendeel niet
op, maer wel boven den tijdt van vier-en-twintigh uyren ghe-
beurt zijn, kan het selve qualijck onderhouden worden, hetwelck
in dit spel niet moghelijck en is om gedaen te konnen worden".
Dezelfde Haagsche kamfer vertoonde in 1629 van Nootmans
nog een treurspel Ulysaes, terwijl door hem in 1627 nog een
spel Van den blocdigen slach van Pavyen aan den bekenden
Vlaamschen schilder-dichter Adriaen Brouwer was opgedragen.
Uit een eerdicht blijkt, dat hij vooraf nog een spel van
Nehucadncsar had gemaakt.
Den 7<len Juli 1632 kwam door bemiddeling van Burgemees-
teren een verdrag tot stand, waarbij ook Academie en Eglen-
tier, die in den laatsten tijd telkens getracht hadden elkaar
de beste spelers te onttrekken, tot ééne kamer vereenigd wer-
den, welke eenige jaren onder den naam van „de Amsterdam-
sche camer*' bekend bleef en wel het blazoen van de Academie
behield, maar met het gewijzigd devies „Door yver in liefde
bloeyende". Het Weeshuis, dat eigenares van het Academie-
gebouw op de Keizersgracht waö, verkocht na veel gehaspel
in 1635 een derde aandeel daarin aan het Oude-mannenhuis,
dat de voordeden der tooneelvoorstellingen van de Eglentier
had genoten en waaraan bij het verdrag van 1632 ook een
derde deel van de winst der vereenigde kamers was toegekend.
De aanleiding voor deze vereeniging is zoo al niet geheel
dan toch zeker grootendeels hierin te zoeken, dat in 1632 de
Duytsche Academie hare reden van bestaan verloren had.
Wel was zij door tegenwerking van kerk en wetenschap nooit
veel meer geworden dan eene tooneelspelende rederijkerskamer,
maar de bedoeling van den stichter was toch geweest haar ook
te maken tot eene instelling van hooger onderwijs : en nu had de
Amsterdamsche Regeering die taak van haar overgenomen.
Reeds in 1629 was daartoe in beginsel besloten, maar het
verzet der Leidsche hoogeschool, die concurrentie vreesde, had
de uitvoering eenigen tijd tegengehouden, zoodat eerst den
STICHTING VAN DK DOORLUCHTIGK SCHOOL. 109
Ssten Januari 1632 het Atheneum Illustre of de Doorluchtige
School in het kerkje van het voormalig St.-Agnietenklooster
op den Oudezijds-Achterburgwal kon worden ingewijd met
eene Latijnsche redevoering over het nut der geschiedenis door
Gkrardus Joannis Vossius en den volgenden dag door Gaspar
Barlaeüs met eene andere over den „Mercator sapiens*\
Vondel vierde deze heuglijke gebeurtenis met twee gedichten,
het eene ter eere van den grijzen Raad en Oudschepen Her-
man van de Pol, die het meest voor deze stichting geijverd
had, het andere eene vertaling uit het Latijn van Scriverius,
waarin St. Agnes gesteld wordt tegenover St. Barbara, in wier
klooster de Leidsche hoogeschool aanvankelijk gevestigd was
geweest: waarom dan, met zinspeling op de tegenwerking en
den lateren spot der Leidenaars, van haar gezegd wordt:
„Wat lacht ghy, Barber, hoe? Al zyt ghy van vermogen
Zeer groot, dees Agnea kan, indien ze wil, oock yet.
Zy maackt de jeugt oock wy's: en wilt ^hy 't niet gedoogen,
Zy wijckt in 't minste van haar nagebaaren niet.
Sy teelt een waerden oegst van geesten, door haar lezen
Beqaaam en vroet gemaackt om dragen de bonnet.
■ Vrees Agnes niet, als ofse u in den wech zal wesen:
Om niet Barbaers te zyn, is 't eenigh daar ze op let."
Tot HuGO DB Groot, dien men gaarne, als het mogelijk
geweest was, aan het Atheneum verbonden had gezien, richtte
Hoopt een gedicht, waarin hij zich verheugde over de benoe-
ming tot professoren van „twee helden, die der dingen diept'
en steilt' afperken op een prik, van 's hemels kruin in 't hart
van 't slik"; en inderdaad, de tegenstand der kerkdijken tegen
de sticliting en de vreugde van mannen als Vondel en Hooft
is te begrijpen, wanneer men bedenkt, dat de beide eerste
lioogleeraren, die benoemd werden, zoowel Vossius als Bar-
laeüs, wegens hunne Arminiaansche gevoelens als hoogleeraar
te Leiden m 1619, doch Vossius slechts tijdelijk, ontslagen
waren en sinds dien tijd, schoon gematigd, in hunne overtui-
ging waren blijven volharden. Ook in een ander opzicht had
men geene gelukkiger keus kunnen doen om terstond aan de
Doorluchtige School een goeden naam te bezorgen, want beide
mannen hadden zich in de wetenschappelijke wereld door be-
kwaamheid en geleerdheid reeds toen beroemd gemaakt.
In Gaspar van Baerle hebben wij weder een Brabander,
110 GASPAR BARLABUS.
12 Febr. 1584 te Antwerpen geboren, maar reeds in het volgende
jaar met zijn vader mee verhuisd naar Noord-Nederland, waar
hij theologie studeerde, van 1608 tot 1612 predikant te Nieuwe-
Tonge was en vervolgens te Leiden onderregent van het
StatencoUege en sedert 1617 ook hoogleeraar in de logica.
•Na in 1619 afgezet te zijn, studeerde hij medicijnen te
Caen in Frankrijk en woonde verder ambteloos te Leiden,
waar hij slechts met moeite door lesgeven en schrijven in zijn
onderhoud kon voorzien. Aan zijn redenaarstalent en vooral
aan zijne vele Latijnsche verzen dankte hij zijn roem, en of-
schoon hij als kunstenaar van gewaagde hoogdravendheid,
zelfs van gezwollenheid niet is vrij te pleiten, verdient hij
hulde en bewondering wegens de stoute verbeelding en de
vindingrijkheid zijner Muze en vooral wegens de groote ge-
makkelijkheid, waarmee hij de meest moderne onderwerpen
in keurig Latijn, dikwijls geestig, wist in te kleeden, zoodat
diegenen onder zijne tijdgenooten, die Latijnsche poëzie nog
hooger stelden dan Nederlandsche verzen, en bv. ook De Groot
en Hooft, hem eenstemmig den vorst onzer dichters, den aarts-
poëet (archipoeta) noemden; en door ieder werd hij minstens
Vonders evenknie geacht. Vandaar ook wel, dat hij niet
alleen onder zijne geestverwanten, zooals Hooft, De Groot en
Vondel, zijne vrienden telde, maar dat ook mannen van geheel
andere godsdienstige en politieke overtuiging, zooals Cats en
Huygens, op zijne vriendschap hoogen prijs stelden.
Later, toen hij de poëzie van Hooft en Vondel had leeren
waardeeren, heeft hij ook wel enkele Nederlandsche gedichtjes
geschreven, maar aanvankelijk was hij nog een Renaissanceman
van den ouden stempel, die hooghartig neerzag op iedere andere
poëzie dan de Latijnsche en die zelfs in 1625 in een gedicht
Van der Burgh en Brosterhuysen trachtte te bewegen, het
schrijven van Nederlandsche verzen na te laten en alleen de
Latijnsche Muze te dienen. Het Latijnsche gedicht, waarmee
Huygens het toen voor zijne vrienden en voor de moedertaal
opnam, schijnt hem het eerst met Huygens in aanraking ge-
bracht te hebben en mag alzoo beschouwd worden als de
eerste knoop van den hechten vriendschapsband, die Hüyqkns
en Barlaeus steeds vaster aan elkaar verbonden heeft.
'Vondel heeft verscheidene van zijne Latijnsche gedichten in
GBRARDUS JOANNIS VOSSIUS. 111
het Nederlandsch overgebracht en daaronder ook de vele
dichterlijke opschriften op gebouwen, eerebogen en vertoonin-
geu, die Van Baerlb in opdracht van de Regeering maakte
bij de schitterende ontvangst, aan de Koningin- Weduwe van
Frankrijk, Maria de Medicis, bereid, toen zij in September
1638 hare „blyde inkomste*' hield in Amsterdam.
Meer nog dan tot Van Baerle schijnt Vondel zich aange-
trokken gevoeld te hebben tot den ernstigen Vossius. Grondig
kenner van de beide classieke talen, was deze, als baanbreker
op het gebied der Latijnsche grammatica en rhetorica vooral,
in geheel Europa geëerd, en het was dus geene geringe glorie
voor Amsterdam, dat hij zijn Leidsch professoraat wilde ver-
ruilen voor een leerstoel aan de Doorluchtige School, waar
hem in 't bijzonder het onderwijs in de geschiedenis werd op-
gedragen, en terecht, want, zooals Vondel zeide, toen (in
1637) „sestigh winters dat Vossenhooft hadden besneeuwd",
dat grijze brein had „heughenis van meer dan vijftigh eeuwen"
(volgens Vondel, „van een halfhondert eeuwen", volgens Hooft).
Voor hem waren boeken en blè^ren overbodig geworden: „al
wat in boecken steeckt, was in zijn hooft gevaren".
Voor zijne verdere studiën had Vondel veel aan zijne voor-
lichting en ook aan zijne boekerij te danken: geen wonder
dan ook, dat wij zijn naam in Vondkl's poëzie telkens aan-
treffen. Reeds een jaar nadat Vossius zich in Amsterdam
gevestigd had, was Vondel in de gelegenheid hem zijne
vriendschap te toonen met zijne algemeen bekende „Vertroos-
tinge aen Geeraerdt Vossius over zijn zoon Dionys*', den hoogst
begaafden jongen man, die op twintigjarigen leeftijd aan
zijn diep bedroefden vader ontrukt werd, als de eerste van
acht volwassen kinderen, door hem in twaalf jaren tijds ver-
loren. „Wat treurt ghy, hooghgeleerde Vos, en fronst het
voorhooft van verdriet? Beny uw soon den hemel niet. De
hemel treckt, ay, laat hem los!" zong Vondel toen.
Vondel wist, wat het was, zijne kinderen te moeten ver-
liezen. Kort te voren had hij op dezelfde wijze zijne vrouw
zoeken te troosten bij het overlijden van haar Constantijntje,
dat nu als „Cherubijntje van om hoogh" het „waerom schreit
ghy, waerom greit ghy?'* aan zijne moeder scheen toe te
roepen: immers, „boven leef ick, boven zweef ick, Engeltje
112 DOOD VAN VONDKL's KINDEREN EN ECHTGENOOTE.
van hemelrijck", sprak hij, met van vreugde stralende oogen
neerziende op „d' ydelheden hier beneden". Zoo voerde hij de
bedroefde moeder met hare gedachten uit het slijk der onstand-
vastige wereld heen naar het hemelsche paleis, van het tijdelijke
naar het eeuwige. Het jongsken, dat Vondel verloor, had zijn
naam te danken aan een groot heldendicht, waaraan onze
dichter sedert 1632 al zijne krachten wijdde: eene verheer-
lijking van Constantijn den Grooten, die het Christendom tot
den godsdienst van het groote Romeinsche rijk had gemaakt.
In 1634 had hij er al vijf boeken van af en in 1640 was hij
er nog mee bezig, maar het bleef onvoltooid en werd later
zelfs door hem verscheurd, vermoedelijk omdat hij toen had
ingezien, dat Constantijn in de verte die heilige man niet ge-
weest was, waarvoor hij hem eerst had gehouden.
Niet lang na het overlijden van zijn zoontje, in September
1633, werd hij opnieuw zwaar beproefd door den dood van
zijn tien- of elQarig dochtertje Saartje. De „Uitvaert van myn
dochterken'^ toen door hem gezongen, behoort tot het ge-
voeligste en liefelijkste wat wij van den grooten treurspel-
dichter bezitten en bewijst, hoe hij meester was in eiken
dichttrant, omdat het telkens zijn gemoed was, dat hem tot
dichter maakte. Wij zien het lieve meisje vóór ons, „de vreught
van de buurt", zoo vroolijk dartelend met hare kleine speel-
nootjes die nu „met tranen om de baar" stonden en „ter
liefde van heur beste kameraat nog een krans van roosmarijn"
vlochten: „een krancke troost*' voor de ouders, want „wat
baat de groene en goude lover? Die staatsi gaat haast over!"
Zoo klaagde Vondel en het was niet zijne laatste klacht.
In Februari 1635 trof hem nog zwaarder slag: weinige
dagen vóór hij zijn zilveren bruiloftsfeest zou hebben kunnen
vieren werd Maaiken de Wolff, zijne goede vrouw, hem ont-
rukt en wijdde hij eene droeve „lijckklaght aan het Vrouwe-
koor'* in de Oude kerk, waar zij begraven werd. Zij liet hem
alleen achter met hunne beide kinderen : Anna, die tot op
zijn ouden dag zijne trouwe en liefderijke verzorgster was,
maar vier jaar vóór hem overleed, en den onleerzamen en
onbedachtzameu Joost, aan wien hij later zijne winkelzaak
zou overdoen en die hem zou ruïneeren.
DE EGLENTIER VÓÓR HARE VEREENIQING MET DE ACADEMIE. 113
XXVIII.
De muziekkamer van Jan Hermansz. Krul.
•
Vóór de Eglentier in 1632 met de Duytsche Academie was
vereenigd geworden, had deze Amsterdamsche kamer, ofschoon
zij door het vertrek van Rodenburg in 1619 den ondergang
nabij geweest was, zich toch nog tamelijk wel weten te hand-
haven. Toch schijnt zij in dien tijd niet veel nieuws te hebben
geleverd. Er werden verschillende door ons reeds genoemde
stukken van Rodenburg, Hooft, Jan van Arp, Matthijs van
Velden en Abraham van Mildert gespeeld en enkele nieuwe,
zooals (in 1622; de klucht van Jan Sb^^, den onnoozelen jongen
echtgenoot, die in zijne blijdschap, dat hem reeds eene maand
na zijn huwelijk zeer onverwacht een kind geboren wordt,
er dadelijk op uitgaat om twaalf wiegen te koopen, daar hij met
mathematische nauwkeurigheid heeft uitgerekend: „as ie 'smaents
ien kynt krijch, dattet beloopt twaelf in 't jaer". De dichter,
die deze grappige klucht aan de Eglentier leverde, Willem
DiRCKSz. Hoopt, schijnt voor haar ook eene andere, vrij on-
stichteUjke, klucht van Doortrapte Melis de Metselaer (in 1623
gedrukt) te hebben gemaakt. Later zou op de Academie zijn,
reeds door ons besproken. Verloren soon worden gespeeld,
en in 1628 zou zijne ook reeds vroeger door ons genoemde
klucht Andrea de Pierre Peerdekooper worden vertoond op de
Brabantsche kamer, waar ook wel, in dat zelfde jaar, zijne
^jfde, als teekening van het volksleven niet onverdienstelijke ,
klucht van Stijve Piet, die echter allesbehalve stijf van zeden
is, ten tooneele gevoerd zal zijn. Daarentegen werd weer op
de Eglentier (en wel in 1631) vertoond de „Engelsche Trage-
die: Ohemaeckien Qeck'\ door Hendrik Moor aan een Duit-
schen roman ontleend. Het vorige jaar was van dezen ook
feeds een stuk door de Duytsche Academie op de planken
gebracht, en in 1635 zou nog een derde stuk van hem, Olymphia,
ten tooneele verschijnen.
Als leider van de Eglentier in dien tijd mogen wij waar-
^hijnUjk den smid en ijzerhandelaar Jan Hbrmansz. Kbul
beschouwen, die zich tegenwoordig ook in eenige bekendheid
II S
114 krül's herdersspelen „diana".
buitenslands mag verheugen, daar Rembrandt van hem in
1633 het deftige portret schilderde, dat men nu in de König-
liche Galerie te Cassel bewonderen kan.
In het begin van 1623 trad hij, op een-en-twintigjarigen
leeftijd, op met „Dianaes ti'eurbly-eyndig spel op het spreeck-
woord : Gedenckt te sterven". Het is een herdersspel, ofechoon
de herders, die er eene hoofdrol in spelen, van vorstelijke
afkomst zijn en alleen het herderskleed hebben aangenomen.
Diana, naar wie het stuk heet, leeft aan het Atheensche hof
als verbannen koningsdochter. Plorentius verleidt haar, maar
vindt het daarna verstandiger, te dingen naar de hand van
's konings dochter Cecilia. Deze wil echter niets van hem
weten, omdat zij verliefd is geworden op een herder, die eigen-
lijk geen herder is, maar de verdreven koningszoon Floriaen,
en aan wien zij hare liefde mondeling en schriftelijk bekent.
In een herderinnepakje vlucht zij daarop met haar geliefde,
maar, door Plorentius achterhaald, wordt het verliefde paar
voor den koning gebracht, die Floriaen ter dood veroordeelt.
Hij is op het punt van onthoofd te worden, als Diana, die
eerst bij tooverkollen en daarna bij een kluizenaar troost heeft
gezocht, in kluizenaarspij optreedt om aan Florentius zijn^
ontrouw te verwijten. Niet alleen wordt deze geroerd en be-
looft hij haar te trouwen, maar Floriaen herkent bovendien
in Diana zijne zuster en zoo komt ten slotte alles in orde.
Vier vertooningen en eenige liedjes moeten dienen om de
aantrekkeUjkheid te verhoogen van een spel, dat op ons een
kinderachtigen, onbeholpen indruk maakt en door zoutelooze
en gerekte redeneeringen verveelt. Toch schijnt het in zijn tijd
bewonderaars gevonden te hebben en dikwijls vertoond te zijn,
zelfs omstreeks 1634 met een allegorisch voorspel „Liefd-
bloeyende Offerande".
Dit eerste herdersspel van Krul werd door verscheidene
andere gevolgd: het eerst door Amsteldamsche Vryage (van
1628), waarin niet minder dan zeven vrijers aan zeven vrijsters
het hof maken, zoodat Cupido, die hier evenals in andere
stukken van Krul in persoon optreedt, zeer ter snede tot
Venus in een paar lamme verzen kon zeggen : „ Vrou Moeder,
so ick sie, en na ick ken vermeen, so (dunckt my) sal ick
hier veel pijltjes syn van doen". Hij geeft daar ook een raad-
keul's andere herdersspelen en zijne klucht. 115
sel op, waarvan de oplossing „de maeghdom" is, en die is
dan ook schering en inslag in Krül's herdersspelen, welke
in hooge mate zinnelijk zijn en den strijd om de maagdelijke
eer telkens in woorden, ja bijna in daden op het tooneel
brengen. Om de zeven vrijerijen van dit stuk met minder
eentonigheid voor te stellen, dan gedaan wordt, had Krul
meer talent moeten bezitten.
Van talent is ook niet veel te bespeuren in de Hèlena {vs,n
1629), wel is waar een „bly-eyndend treurspel*' genoemd,
maar toch in zoover nauw aan de herdersspelen verwant, dat
de aanvankelijk ongelukkige vrijer Rogier als kluizenaar in
een bosch gaat wonen, dat er verkleedingen in voorkomen,
zooals van de edelvrouw Elizabeth, die een nonnenkleed aan-
trekt en een bekkeneel in de hand houdt om zich zelf te
leeren, „dat wy niet dan stof en aschen bennen", en dat er
ook eene tooverkol in voorkomt, die er hai*e „swarte kunst"
in vertoont.
Wat beter is het Meyspel Cloris en Philida (van 1631), door
een tijdgenoot gekenmerkt als „Philidaetje met haer Cloris,
Cloris met zijn Philida, daer het liefde na en voor is, daer
het min is voor en na'*: een voortdurend „ghelif-laf**, zooals
deze het noemt; maar de verzen, vooral die van de vele
ingevoegde liedjes, zijn in dit stuk beter dan in de vorige,
misschien omdat Krul toen blijkbaar studie had gemaakt
van Hooft*s Granida, die er hier en daar bijna woordelijk in
gevolgd is. Ook is in dit stuk het muzikaal-idyllische van het
herdersspel vrij goed weergegeven ondanks menigen terugval
van het poëtisch lieflijke in het plat alledaagsche. Langdradig
daarentegen is de RosemovAt en Raniclia (van 1632) met menig-
vuldige verkleedingen van Amsterdamsche jonge dochters en
jonge heer en in boeren- en herderspakjes. Met deze herders-
spelen heeft de Eglentier in 1632 den geest gegeven.
Na de samensmelting met de Duytsche Academie werd
door de nieuwe bestuurders blijkbaar meer werk gemaakt
van de klucht, zooals wij die van Willem Dircksz. Hooft
kennen; en om mee te kunnen blijven doen leverde Krul
daarvan dan op het eind van 1632 ook eene proeve in zijne
klucht van Drooghe Qooseny die wel tamelijk grof, maar toch
niet geheel zonder verdienste is. De held van de klucht wordt
116 krul's „treür-klacht van liefd^-bloeyende".
daarin, terwijl hij naar Truytje Teeuwis vrijt, met behulp
van verkleedingen, die tot qui-pro-quo*s aanleiding geven,
door twee berooide studenten beet genomen, dermate zelfs dat
zij hem geheel berooven van zijne mooie kleeren en van de
kosibare geschenken, door hem voor zijn lieQe meegebracht.
Ongetwijfeld heeft Krul met zijn verliefd, zinnelijk-senti-
menteel temperament de richting, die op de hervormde Amster-
damsche kamer heerschte, niet verder kunnen en willen volgen,
evenmin als men daar zelf met hem ingenomen was. Hij
scheidde zich af, doch juist niet in der minne, zooals o. a.
blijkt uit een in 1634 anoniem verschenen gedicht, met eenc
maagd die het schild van de Ëglentier voert als vignet, en
getiteld „Treur-klacht van Liefd-Bloeyende". Wegens stijl en
inhoud mag men het gerust aanKRULzelf toeschrijven. Daarin
wordt gezegd, dat „de Kunst van edel reden-rijck op heden
lijden moet het grootste ongelijck, dat haer geschieden ken'*,
omdat „de oude vryicheyt" heeft moeten wijken voor „onvry-
heyt", voor „redelosen dwangh", die aanhangers vindt door
„kracht van blinden Yver", waarmee blijkbaar gedoeld wordt
op den dwang der Regeering, die de Ëglentier met de Duyt-
sche Academie tot ééne instelling deed samensmelten. Vroeger,
zegt de dichter, waren de „kamer-hoofde wijs en wel geleerde
liede, kenners van de kunst"; toen heerschte er „goe ordei
ende wette, waer dat sich yder most ghevoeghelyck naer
sette". ledere week kwam men toen eenmaal samen, en wie
„yet wat stellen kost in maet van rymery, die broght op dese
tijdt dan al syn rijmpjes by": wie het beste rijm maakte,
kreeg een prijs. „Men sprack malkander aen in rijmen ec
rondeel, men oeffenden om prijs ghesanghen en ghespeel", en
dat alles in eendracht en vriendschap. Nu echter was alles
veranderd. Nu waren het ezels, „ongeleerde loeren", die der
baas speelden, nu heerschten er „onnutte klapperny en Godde-
loos bedrijf, lichtvaerdigheyt, ghevloeck met laster en ghekijf
Wet noch regel werd er in eere gehouden, en gedurende hel
spelen was het er een janboel, want luidkeels werden er Rotter-
dammer bier en koekjes gevent en zag men er matrozen, die
„de plaets vol roock bliezen", zoodat menigeen het er om „de
smoock" niet langer kon uithouden.
STICHTING VAN KRUL's MUZIEKKAMER. 117
Terwijl Krul op deze wijze tegen het bestuur van de Oude
kamer te keer ging, durfde hij het ondernemen eene eigen
kamer te stichten, waarvan hij als hoofd gehuldigd werd en
waarin hij verwachtte, dat het herdersspel, vooral als muziek-
drama, tot zijn recht zou komen. In Mei 1634 wijdde hij zijne
„Musyk-kamer" in met een allegorisch spel, waarin ApoUo
o.a. vertelt, dat „dit kunst-tooneel gesticht is om door kunst
te leeren, hoe dat men kunst behoord met Liefd' en gunst te
eeren: te plegen tot vermaek en eerelijke vreugd Muzijk en
Rethorijk vermengt in alle deugd". Op het laatste, „alle deugd'*,
werd, zooals steeds door Krul, bijzonder nadruk gelegd. Het
algemeene gebrek „onder 't Rethorijken", namelijk „laster,
vuyle reen, ontucht, lichtvaerdigheyd*', wil deze kunstkring
schuwen en alzoo „rechten Yver" toonen en trachten „met
naerstigheyd en rechte Liefd te bloeyen".
Men ziet dus, deze muziekkamer geeft zich uit voor de
echte vereenigde Eglentier en Duytsche Academie en nam als
haar blazoen aan: een „afgekapten stam", waaruit weer nieuwe
spruitjes voortkomen, en als devies het door Rodenburg uit-
gevonden anagram van „In Liefd' bloeyende", nameUjk „Ie
Wyft in eelen doen". Als eerste muziekspel werd daar nog in
hetzelfde jaar het herdersspel Juliana en Claudiaen vertoond,
^et verschillende liedjes, fluit- en vioolspel en „musyk met
volle stemmen", die zich meermalen doet hooren, zoodat wij
®r een soort van opera in te zien hebben, waarvan het jammer
^s, dat wij de muziek niet kennen, omdat wij eerst dan in
^^t zouden zijn, het geheel billijk te beoordeelen.
Van zijn kunsttooneel zeide Krul in denzelfden tijd : „Gy
^y*- Liefd bloeyend en je blyft in eelen doen : uw haters haet
^8 ^nd, uw nijders nijd maer spoken, en vruchteloos zy 't
vuvtr van uw verderven stoken", terwijl zijne kunstbroeders,
^^ eene ode den stichter verheerlijkend, uitroepen : „Krul blijft
ons Dichtershooft wy trotsen Nijt en Spijt: op Krul ken Nijt
^iöt raecken". In een klinkdicht sprak Mr. Jacob Dielefsz.
Blocjk van den „blinden yver" zijner „haters" en van den
doox hem gekluisterden „Midas, die d' oude Maegd verschoof*.
^^ bestaat zelfs een allegorisch spel (geteekend E. F. B., d. i.
vermoedelijk Engelbrecht, Fonteyn, Block) met den titel „ J. H.
^uls Sterre-faem", waarin Krul ten hemel toe verheven wordt
118 krul's vrienden en latere tooneblstükken.
en de Muzen worden opgewekt om zijn „goudgeel hayr, zijn
gekrulde breyn" met lauweren te „omkrullen".
Wie leden van die Muziekkamer zijn geweest, weten wij
niet, maar wij zullen wel niet al te ver van de waarheid zijn,
als wij daarvoor al die dichters houden, die lofdichten op
Krul hebben gemaakt, en dat waren Mr. Jacob Dielbfsz.
Block, Simon Engelbrecht, de tooneeldichters Jan Schipper
en Jan van Arp, die onder vele andere tooneelstukken ook
in 1639 als vervolg op Krul's „Klucht van Drooghe Goosen"
een „Singende klucht van Droncke Qoosen" schreef, drie
zoons van Dr. Johan Ponteyn, namelijk Barend, Nicolaes
en Anthoni Fonteyn, en verder nog Claes Sbep en Cornelis
Vlack, van welks beide laatsten ons eenige versjes uit lied-
boekjes bekend zijn.
Hoe lang Krul's muziekkamer bestaan heeft en wat er
verder ten gehoore gebracht is in die vereeniging tot beoefe-
ning van vocale en dramatische kunst, weten wij niet, maar
het schijnt voor Krul op eene teleurstelling uitgeloopen te
zijn. Zijne vijanden, die hem spottend „Jantje met zijn krullen"
noemden, bleven hem tot aan zijn dood (in 1646) „met een
doodelijke haat" vervolgen, „zeggende dat van hem niets goeds
komen kon", zooals Simon Engelbrecht vermeldt als hij in 1647
zijn nagelaten blij-eindend treurspel Tirannige Liefde uitgeeft, dat
door hem uit het Fransch vertaald was, eerst in proza en later
in verzen.
Toch ging Krul onvermoeid voort met schrijven van
tooneelstukken, hetgeen hem, zooals hij zeide, „tot steun was,
zoo wanneer de ongunst van 't geluk hem 't noodlot op den
hals drong", waarbij wij wel aan verliezen in zijn ijzerhandel
zullen moeten denken. Het waren weder meest herdersspelen,
namelijk „'t Vonnis van Paria en d' ontschaeckinghe van
Helena" (van 1637), Fauatina (van 1639), waarin wij een koning,
zij het ook maar voor korten tijd, van den troon zien aftreden
om herder te worden ter wille van de herderin Faustina, en
drie spelen, waarvan hij de stof ontleende aan het eerste
deel van den destijds zooveel gelezen roman van Honoré d'
Urfé, de „Astree". Het tiende boek leverde hem den inhoud
voor zijn Celion en Bellinde, in 1639 uitgegeven evenals de
Alcip en Amarillis, uit het tweede boek* geput, maar vermeer-
krul's leerdichten; „pampierb wereld". 119
derd met eeu comisch tusschenspel van een Jonker en eene
Juffer, waarin het werkwoord „amare" geconjugeerd wordt.
Het derde spel, waarvan hij den inhoud aan de „Astree" te
danken had, Bcmlion en Roaanierej dagteekent van 1641.
Bovendien maakte Krul nog enkele treurspelen, zooals
Theodorus en Dianira (van 1634) en de Hellevdert van RodoTnond
(van 1645), bewerkt naar de laatste zangen van Ariosto's
„Orlando furioso''.
Wat men ook van Krul moge zeggen, zeker is het, dat het
rijmen hem gemakkelijk afging, want tot het tooneeldicht be-
paalde hij zich niet. Ook in andere dichtvakken heeft hij vrij wat
geleverd, het meest op didactisch gebied. In 1627 gaf hij zijn
leerdicht WereUU-liatende Noodtsaeckelijck uit, vooï welks inhoud
hij in kantteekeningen naar den bijbel en ook naar verschil-
lende kerkvaders verwees, waaruit wij, maar nog meer uit de
opmerking, dat voor onze kleine fouten bij de biecht vergiffe-
nis te verwerven is, kunnen opmaken, dat hij katholiek was,
zooals ook door enkele uitlatingen over het nut van het vasten
in zijne latere werken wordt bevestigd. Dat verhinderde hem
niet, groote bewondering te gevoelen voor Cats, dien hij reeds
hier volgde, maar wiens dichttrant hij zich spoedig zoozeer
eigen maakte, dat zijne volgende leerdichten: „Sellef-strijdt
tusschen Porphyrus en Rozette" en „Korte spoor der billic-
heden", beide in zijne „Vermakelycke Uyren" (van 1628) ge-
drukt, zijn „Minne-Spiegel" en „Weghwyser ter Deughden"
(beide van 1639) en zijne „Christelijcke Offerande" (van 1640)
nauwelijks van de leerdichten van Cats te onderscheiden zijn,
of het moest wezen doordat zij de daarin hinderlijke gebreken
nog in hoogere mate vertoonen en de deugden er van in min-
dere mate bezitten.
In 1644 gaf Krul zijne latere leerdichten nog eens weer
uit in den grooten bundel, die ook negen van zijne tooneel-
stukken bevat en den titel heeft van Pampiere Wereld. Terecht
wordt die bundel „door hem verbetert en met veel nieuwe
Rijmen verrijckt, doorgaens met schoone kopere platen ver-
ciert" genoemd: althans de leerdichten, die daar twee deelen
innemen van de vier, waarin het werk verdeeld is, zijn ver-
meerderd met verscheidene kleinere stukken, zooals bv. eene
berijmde heiligenlegende, „het leven van Theodora, zondersse
120 krul's minnebeelden en minnezangen.
van Alexandrije", en grootere gedichten, namelijk „De Chris-
telyke hoveling" met eene fraaie, vroeger aan Rembrandt toe-
geschreven, ets van Ferdinand Bol, en verscheidene „Historiën'*,
die duidelijk navolging verraden van de kort te voren uitge-
geven liefdesverhalen uit Cats' „Trouringh". Daarbij sluiten
zich ook verscheidene ,. Minnebeelden" aan, die ten deele reeds
in 1628 verschenen waren onder den titel „Het A. B. C. der
Minnen" , een bundel van niet geheel onverdienstelijke emble-
mata, waarbij invloed zoowel van Heinsius als van Cats duide-
lijk te bemerken is. Uitdrukkelijk roemt Krul dan ook „Heyns
geleertheyd", maar nergens vond hij „meer vermaeck", zooals
hij zegt, „als in de wyse boecken, die een geleerde Catshaelt
uji; de Zeeuwsche hoecken." Niet minder dan deze beiden
prijst hij „Vondel's philosopheeren" en „Huygens gheest en
styl van rymerye", ofschoon het hem blijkbaar niet mogelijk
is geweest, deze na te volgen. Wèl heeft hij dat met Hooft
beproefd, ja men heeft Krul om zijne „Minnelycke Sang-
Rympjes en Minnepopjens", die het vierde deel van de „Pam-
piere Wereld" uitmaken, maar gi'ootendeels reeds in 1627 (in
den bundel „Amstelsche Linde ofte 't Hof der Nimphen"), in
1634 en in 1639 waren uitgegeven, met Hooft durven ver-
gelijken. Om beiden in één adem te noemen moet men echter
óf Hooft te laag stellen öf even blind ingenomen met Krul
zijn, als zijne vrienden dat waren. Wel kan men toegeven, dat
Krul in het pastorale minnelied zich zelf overtrof, zoodat hij
— vooral door zijn muzikaal gevoel — in staat was wellui-
dende en inderdaad nog altijd genietbare liedjes te schrijven
voor de vele Amsterdamsche en VoUenhoofsche schoenen, die
zijn hart in vuur en vlam zetten, al schijnt hij ook niet bijzon-
der gelukkig in de liefde geweest te zijn ; wèl heeft hij daarin
dikwijls op gelukkige wijze de schoone natuur dienstbaar weten
te maken om hem beelden of motieven voor zijne liefdesont-
boezemingen te leenen; maar heeft men één-, twee-, driemaal
de leliën en rozen in zijne liedjes zien bloeien en blozen, de
rozenblaadjes zien rondstrooien en de rozegeur geroken, dan
is men ook voldaan en ziet men naar iets anders uit. . . . doch
te vergeefs. En zulk een minnedichter zou te vergelijken zijn
bij Hoopt, bij wien in schier ieder liedje eene nieuwe gedachte
opbloeit !
KRÜl's vrienden rodenburg EIJ^ NICOLAES FONTBYN. 121
Ondanks de groote menigte gedichten , die Krul in een
betrekkelijk kort leven gemaakt heeft en niettegenstaande zijn
geest altijd spelevaart in de sferen der verbeelding , is hij arm
aan vinding en blijft hij, zooals hij zich zelf met, zeker niet
gemeende, nederigheid noemt, „eengering navolger der Poëten,
van Cats in de eerste plaats, maar bovendien ook van den
man, die vóór hem in de Eglentier zulk eene groote rol had
gespeeld , van Rodenburg. Dezen riep hij in een bewonderend
lofdicht toe: „Wat zyn u veersen dicht ghepropt met stijl
van seggen!" Aan dezen „Bataefschen Apollo'* bood hij in
1638 met zijne eerbiedige hulde ook zijne diensten aan: „Kan
ick u dienstigh zijn? ghy hebt maer te gebieden: 't ghebie-
den komt u toe en my 't volbrenghen past". Rodenburg be-
antwoordde die hulde met een vriendelijk gedicht, waarin
hij hem zijn vriend en gildebroeder noemde, en maakte ge-
bruik van zijn aanbod, door hem op te dragen zijne „Geboorte
Christi'* met nog twee andere stichtelijke gedichten uit te geven,
zooals hij in 1639 ook heeft gedaan. Het blazoen van de toen
reeds overleden Eglentier liet Krul er achter plaatsen. Door
zijne onwankelbare liefde bloeide die kamer in zijne ver-
beelding toen nog altijd.
Onder Krül's vrienden noemden wij ook de gebroeders
Nicolaes en Barend Fontbyn, zoons van Dr. Johan Fon-
TEYN, die zich voor afstammeling hield van een bastaardzoon
van Graaf Floris V. Beiden waren geachte geneesheeren ,
evenals hun vader. De eerste, in 1631 te Rheims gepromo-
veerd, te Amsterdam een tijd lang dokter in het Weeshuis en
inspecteur van het Collegium medicum, en later (o.a. in 1644)
lijfarts van den Keulschen aartsbisschop Ferdinand van Beieren,
heeft, behalve een reeds genoemd gelegenheidsstuk, drie tame-
hjk ouderwetsche spelen gemaakt, namelijk „Costa ofte Spieghel
der kuysheyd" in 1637, en „Estlur ofte 't Beeldt der Ghe-
hoorsaamheid", en AristobulvSy dat het vijfde gebod, het „eert
^wen vader en uwe moeder", in dialoogvorm herhaalt, beide
in 1638.
Barend Fonteyn, zijn oudere broeder, die in 1625 te Padua
promoveerde, schreef meer stukken van minder stichtelijk
karakter, 't Was zelfs eene „zingende klucht'*, waarmee hij in
1633 debuteerde, Mr. Sullerruma Soeie Vriage, „wel eer by de
122 BAREND PONTEYN.
Engelsche ghe vonden (in 't Engelsch onder den titel „The
black man'Vi nii op ons loffelijck toneel nagebootst", wat het
eigenlijk niet verdiende, omdat het een meer grove dan
geestige verkleedingsgrap is, maar minder oneerbaar, dan tot 's
dichters groote ergernis „fel-stekende adderstongen" beweerden.
Nog in hetzelfde jaar vertaalde hij (misschien door bemiddeling
van het Engelsch) Niccolo Secchi's blijspel „Gringanni'* onder
den titel Tranquilli de Mont, een „droef-bly-ejmident speP* met
vele vermommingen en verwikkelingen, spelend in eene corti-
sanen wereld, maar eerbaar bekroond door een dubbel huwelijk,
van Tranquilli's zoon Fortunatus met Portia en van zijne dochter
Genura met Portia's broeder Gostanso, de beide kinderen van
een Venetiaansch edelman. Den inhoud van twee stukken
ontleende Barend Pontbyn in 1643 aan het bekende volksboek
Fortunatus Beurs en Wenschhoed, en eindelijk maakte hij in 1644
een herdersspel Romilius en Pelagiay waarin twee Romeinsche
edellieden, Romilius en zijn vriend Arnulphus, zich in een
herderspak steken om den eerste in de gelegenheid te stellen,
het hart der herderin Pelagia te veroveren, wat hem ook gelukt,
terwijl de tweede onder de vrijende en liedjes zingende herders
en herderinnen het zijne aan Galathea verliest. Evenmin als
in de herdersspelen van Krul ontbreekt ook hier een klui-
zenaar en eene tooveres, die den bijbelschen naam Debora
draagt. Barend Fontkyn bracht het verder dan Krul, want
hij werd in 1642 tot schouwburgregent benoemd en bleef dat
tot 1645, d. i, vermoedelijk tot zijn dood, want overleden
was hij reeds in 1649, loen zijn broeder Anthoni een
uitgebreid nagelaten gedicht „'t Lof der Rym-konst" van
hem uitgaf. Ook hij bleef levenslang gelooven aan het voort-
bestaan der Oude kamer „In Liefd' bloeyende", die hij in
den Schouwburg als herleefd zag.
XXIX.
Stichting en inwijding van den Amsterdamschen Schouwburg.
Ondanks de afscheiding van Krul en de zijnen bloeide de
Amsterdamsche kamer onder het bestuur van Willem Dircksz.
Hooft , Mr. Steven Jacobsz. Vennekool, Heereman Dircksz.
COORENKIND, JoHAN MeURS CU MeyNDERT VoSKÜYL. Dat
STICHTING EN INRICHTING VAN DEN SCHOUWBURG. 123
deze toen de hoofden der Kamer waren, blijkt uit de op-
dracht van het tooneelspel ,,Kuyssche Roelandyne" in 1635,
door VosKüYL aan de vier anderen als zijne „confraters*'.
Opmerkelijk is het, dat ook zij nog herhaaldelijk de hulp van
Rodenburg inriepen, die toen te Brussel woonde.
De bloei der Kamer blijkt uit den grooten toeloop, dien
hare voorstellingen vonden, zoodat al zeer spoedig het, ook
reeds eenigszins bouwvallige, houten gebouw , dat Coster inder-
tijd met groote overhaasting als Duytsche Academie had laten
plaatsen, te klein bleek en de behoefte aan een grooter, een
steenen, gebouw zich deed gevoelen. Om daaraan te kunnen
voldoen werd een stuk gronds, aan de Academie belendende,
aangekocht en aan Nicolaes van Campen, die zoowel raads-
heer als regent van het Weeshuis was, opgedragen, het plan
voor een Schouwburg te ontwerpen. Spoedig was hij daarmee
gereed, de oude Academie werd gesloopt en, terwijl nu op
de Schermschool boven de kleine Vleeschhal de voorstellingen
plaats hadden, werd de Amsterdamsche Schouwburg op het
vergroote terrein der Academie aan de Keizersgracht opge-
trokken. Reeds op het eind van 1637 was de bouw voltooid.
Over de inrichting van een zoo beroemd gebouw als de
Amsterdamsche Schouwburg geworden is mogen wij hier niet
zwijgen. Aan de Keizersgracht voerde eene poort met Ionische
pilasters naar een voorplein. Op de architraaf van die poort
las men in gouden letters Vondel's bekend distichon: „De
weereld is een speeltooneel, Elck speelt zijn rol en krijght
zijn deel." Aan het eind van het voorplein was het eigenlijke
schouwburggebouw. De deur er van stond midden in eene
galerij met een paneel, waarop de „waerschouwing" van Von-
del te lezen was: „Geen kint den Schouburgh lastigh zy.
Tobackspijp, bierkan, snbepery, noch geenerlei baldadigheit :
Wie anders doet, wort uitgeleit." Overbodig was deze, waar-
schijnhjk eerst wat later aangebrachte, waarschuwing niet,
want het was, zooals wij reeds zagen, in de Oude kamer soms
ruw toegegaan, en ook in den Schouwburg kostte het moeite,
de toeschouwers fatsoenlijk te houden. Baldadigheden, vooral
bestaande in schreeuwen en werpen met sinaasappelschillen,
notendoppen en soms nog erger, kwamen althans nu en dan
voor; maar aan het verbod van „bierkan en snoepery'' heeft
124 INRICHTING YAN DEN SCHOUWBUKG.
men blijkbaar de hand niet kunnen houden, want in 1696
verboden burgemeesteren wel het verkoopen van chocolade,
confituren en likeuren, maar veroorloofden zij den kastelein
„bier en oranjeappelen te verzorgen, gelijk van ouds gebruy-
kelijk is geweest", zooals zij zelf zeggen.
De schouwburgdeur doorgegaan, kwam men in een ruim
portaal onder de hoofdenkamer, van waaruit de hoofden of
regenten met eene trap naar de kamer der tooneelspelers be-
neden kouden komen. Voor den schoorsteen van die kamer
schreef Vondel: „Hetzy ghy speelt voor stom of spreeckt, let
altijt in wat kleet ghy steeckt", terwijl van hem voor den
schoorsteen in de regentenkamer deze regels prijkten: „Ge-
zegent is dat lant, daar 't kint zijn moer verbrant". Van het
portaal kwam men ter zijde in „het ruim", tegenwoordig
„parterre" geheeten, waar alleen staanplaatsen waren. Daar-
omheen had men tweehoog „huisjes" of loges, eenentwintig
in getal, want de plaats van het twee-en-twintigste werd in-
genomen door de deur, waarmee men in „het ruim" kwam.
Aanvankelijk hadden die loges schuifgordijntjes, waardoor men,
zelf verborgen, kon heengluren ; maar daar er in die „huisjes"
allerlei onstichtelijkheden plaats hadden, werden de gordijntjes
na eenige jaren weer afgeschaft. Boven de loges was eene
galerij met vier oploopende banken. Op de architraaf boven
de loges las men Vondel's naast elkaar geplaatste verzen:
„Tooneelspel quam in 't licht tot leerzaem t^dverdryf.
Het w\jckt geen ander spel noch koningkiycke vonden.
Het bootst de weereld na, het kittelt ziel en l\jf,
£n prickeltze tot vreughd of slaet ons zoete wonden.
Het toont in kleen begrip al 'smenschen ydelheid.
Daer Demokryt om lacht, daer Heraklyt om schreit".
Op de balken aan de zoldering, waarvan eene koperen
kerkkroon met kaarsen afhing, had Vondel geschreven: „De
byen storten hier het eelste dat ze leezen, om d' oude stock
te voen en ouderlooze weezen", en: „Het spel heeft oock zijn
tijd, wanneer *t de tijd gehengt: 't Vermaeckelijck en 't nut
word hier van pas gemengt".
Het tooneel bestond uit twee gedeelten: het voor- en het
achtertooneel, van elkaar gescheiden door een gordijn met de
stadskleuren (rood, wit en zwart;, dat opengeschoven kon
INRICHTING VAN HET TOONEEL. 125
worden en bij het spelen van een treurspel meestal open was,
behalve wanneer er eene ,, vertooning" in gereedheid gebracht
moest worden. Intusschen kon dan het stuk — of een comisch
intermezzo — op het voortooneel verder gespeeld worden.
Kluchten zullen wel altijd alleen dadr, met gesloten gordijn,
gespeeld zijn. Dat weinig diepe voortooneel had aan beide
zijden een steenen muur met gevangenisdeur, daarboven eene
nis met een beeld (zinnebeeld van wees- en oude-mannenhuis)
en d&arboven een tralievenster. Achter de deur links van de
toeschouwers zaten de muzikanten: dus evenzoo voor het
publiek verborgen als de „boekhouder" of souffleur, die achter
de dear rechts van de toeschouwers schijnt gezeten te hebben.
Het souffleursbakje kon dus het publiek niet hinderen.
Het achtertooneel vertoonde op den achtergrond een over-
dekten troon, geflankeerd door de beelden van ApoUo en
Mercurius in nissen. Boven den troon was Paris' oordeel ge-
schilderd en daarnaast zag men in nissen de beelden van
Melpomene en Thalia, de Muzen van treur- en blijspel. Aan
weerszijden van den troon verbond eene op pilaren rustende
galerij den achtergrond met het voortooneel. Wie vandaaraf
sprak, moest men zich voorstellen als van een balcon of een
torentrans af te spreken, al naar gelang het stuk dat ver-
eischte. Ook voor de architraven van die galerijen had
Vondel een distichon gemaakt, namelijk:
„Twee vaten heeft Jup\jn. Hy schenckt nu zuur, nu zoet,
Of matight weelde en vreught met drack en tegenspoet".
Het tooneel was dus gebouwd met vast decoratief, zooals
ook de Eglentier en de Academie gehad hadden. Eene min of
Dieer bedrieglijke nabootsing door het penseel van de omgeving,
waarin de handeling geacht moest worden plaats te hebben,
werd toen nog niet verlangd. Een groot dichter ajs Vondel
wist die omgeving wel zóó levendig met woorden af te schil-
deren, dat men het penseelwerk missen kon, en overigens
deed het er gewoonlijk weinig toe, hoe bosch, tuin, straat of
kamer er uitzagen, als het publiek maar wist, dat de hande-
ling in bosch, tuin, straat of kamer plaats had. Dat kon ge-
Daakkelijk gezegd worden of door het een of ander worden
^geduid. Werkelijke graszoden, boomen of boomtakken
werden al in het eerste jaar na de stichting van den Schouw-
126 decoratie; toonbelspelees.
burg op 't tooneel geplaatst, om bosch of tuin te verbeelden.
Aan machinerieën ontbrak het reeds van den aanvang af
niet geheel; er waren twee zinkluiken om de spoken en
geesten, die zoo dikwijls eene rol speelden, te laten „opdonde-
ren" of verdwijnen, en een „stralend zwerk" voor de apotheose
of het neerdalen van goden. Nu en dan maakte men ook wel
van zijschermen gebruik en aan de ingevoegde „vertooningen"
werd, ook met hulp van schilders, al sinds lang groote zorg
besteed evenals aan de costumes, die soms prachtig waren;
want de Schouwburg bezat „allerley toestel en maecksel van
uytheemsche en hedendaaghsche kleedinghe, waartoe ver-
scheyde kameren waren, daar rondtom dit ghewaat ophing
aan houte pennen of in doozen en kofferen bewaard werd",
zooals Fokkens zegt. Ook waren er twee „persooneerkamers" of
kleedkamers voor mannen en vrouwen afzonderlijk, ofschoon
het nog bijna twintig jaar dm*en moest vóór ook vrouwen aan
den Schouwburg verbonden werden. Aanvankelijk werden de
vrouwenrollen nog door mannen vervuld, evenals op de Eglen-
tier en de Academie. Dat lag in den aard der zaak, altraden
in Italië en Frankrijk en zelfs in ons land bij reizende too-
neelgezelschappen vrouwen ook al lang ten tooneele.
Onze Schouwburg echter was ontstaan uit de rederijkers-
kamers, waarvan altijd alleen mannen Ud waren geweest. Zoo-
lang die kamers godsdienstige instellingen geweest waren,
hadden de leden zelf de rollen op zich genomen, doch na de
vestiging van het Protestantisme was dat anders geworden.
Het spelen van rollen was nu geene godsdienstige handeling
meer, de verplichting om te spelen begon menig lid der
kamers zwaar te drukken en allengs was, reeds in de Eglentier
en op de Academie, plaatsvervanging toegelaten. Men begon
tooneelspelers te huren en ten slotte — ongetwijfeld reeds in
den tijd der stichting van den Schouwburg — werden alle
spelers betaald voor het vervullen van eene rol, en wel niet
meer door de leden persoonlijk, maar uit de algemeene schouw-
burgkas, dus uit de kas van Burgerweeshuis en Oude-mannen-
huis. De Schouwburg was dan ook al niet meer eene vereeni-
ging met leden, maar was eene onderneming van de beide
godshuizen geworden. Aan den vroegeren toestand echter her-
inilerde nog lang de gewoonte om de tooneelspelers, de drie
EERSTE SCHOUWBÜEGEEGENTEN EN VONDEL'S „SOPOMPANEAS'*. 127
of vier zangers, die o. a. de koren in de treurspelen zongen,
en eenige balletdansers per avond (en wel goed) te betalen en
ze niet voor een geheel saizoen aan te nemen. Zij waren ook
meestal niet uitsluitend tooneelspelers van beroep, maar voor-
zagen overdag nog door ambacht of nering verder in hun
onderhoud. Tweemaal per week, Maandags en Donderdags,
werd er gespeeld, en in den herfst, waarin de kermis viel, ook
wel Zaterdags. De voorstellingen begonnen reeds te vier uur.
Tot hoofden van den Schouwburg werden door Burgemees-
teren (meestal op voordracht der regenten van de beide Gods-
huizen) zes regenten benoemd. Drie van de reeds door ons
vermelde hoofden der Oude kamer werden voor hetspeeljaar
Sept. 1637 — Sept. 1638 aangesteld, namelijk Willem Dircksz,
Hoopt, Mr. Steven Jacobsz. Vennekool en Heereman Dircksz.
CooRENKXND, maar ook van Krul's vrienden werden er twee
benoemd, namelijk Mr. Jacob Dielefsz. Block en Simon
Dmgelbrecht, en deze noodigden nu Vondel uit om het
inwijdingsspel te maken.
Sedert twaalf jaar had hij geen tooneelstuk geschreven ; alleen
had hij aan de vertalingen, die hij van twee treurspelen van
Seneca geleverd had, in 1635 nog eene derde vertaling toege-
voegd en wel van Hugo de Groot's „Sofompaneaa of Joseph
in'tHof', onmiddellijk nadat dit Latijnsche treurspel het licht
had gezien. Daniël Most art en Jgan Vechters of Victorun
hadden hem daarbij met hunne taalkennis geholpen. De lof,
inet zijne vertaling ingeoogst van De Groot zelf, die aan Vos-
sius schreef, dat hij aan Vondel „groote dank schuldig was,
omdat deze, die uit zich zelven beeter dingen kon voortbren-
gen, nu in 't vertaaien van de sijne, tot blijk van vriendtschap,
zijnen arbeidt besteed en sijn stuk met zeer gelukkige handt
^ 't HoUandsch kleedt gestoken had", was hem zeker een
spoorslag geweest om nu weer eens te toonen, wat hij als
oorspronkelijk treurspeldichter vermocht. Hij schreef toen het
löeest bekende van al zijne werken, zijn „Qyshreghtvan Aemstel,
d' ondergang van zijn stad en zijn ballingschap", opgedragen
aan Hugo de Groot , „den godvruchtigen en dapperen balling".
Als inwijdingsdatum van den Schouwburg was 26 December
1637 vastgesteld, maar onverwacht voor den dichter kwam er
^n kink in den kabel. Onder de nieuwe regenten was het
128 VERZET TEGEN DE INWIJDING VAN DEN SCHOUWBURG.
stuk niet met onverdeelde ingenomenheid begroet. Simon
Engelbrscht verzette zich tegen de vertooning en was zoo
onverstandig den kerkeraad, die toch reeds met leede oogen
de stichting van den Schouwburg had gezien en van ouds
op Vondel gebeten was, tegen het stuk gaande te maken. De
kerkeraad nu vaardigde Ds. Laurentius en den ouderling
Olaes Jansz. Visscher naar Burgemeesteren af, om er bij hen
op aan te dringen, dat het treurspel niet zou worden gespeeld.
Wat was namelijk het geval? Vondel had met het oog op
den datum der opvoering de handeling geplaatst in den Kerst-
nacht, waarin alle Amsterdammers „ter kercke gaen op 't hooge
feest", en dan te midden van de kerstviering de stad door
den vijand laten overrompelen, zoodat in één slag „de Kers-
nacht in stucken lagh". Op zijne gewone schilderende manier
had hij de Nieuwe kerk in feestgewaad beschreven met al de
heilige voorwerpen, dd&r bewaard, en door twee reien had hij
kerstliederen laten aanheffen; maar — want het stuk speelde
in het begin der veertiende eeuw — die kerk was eene katho-
lieke kerk, „ons hooflkerck, rijck gebouwt ter eere van Katrijn",
met „het Marianum, dat te pronck hing van 't gewelf' en al
den verderen praal, waarop de katholieke eeredienst prijs stelt
en waarover Pontanus en Plemp hem hadden ingelicht; en
een der reien werd aangeheven door Klaerissen, wier klooster
overvallen wordt, nadat Bisschop Gozewijn zich daar den mijter
had laten opzetten en zich in vol ornaat had laten kleeden,
om als bisschop te sterven. Zoo herinnerde, en herinnert nog,
het treurspel aan de godsdienstige spelen der middeleeuwen
en kon het min of meer den indruk maken van een gemo-
derniseerd mysteriespel.
Die verfoeide beeldendienst nu, dien men uit Amsterdam
gebannen had, althans alleen in het verborgene oogluikend
toeliet, zou nu openlijk op het tooneel worden vertoond en
verheerlijkt vanwege Protestantsche godshuizen en onder be-
scherming der Amsterdamsche Regeering! Dat kon Simon
ëngelbrecht, dat kon de kerkeraad niet dulden. Zij klaagden
over „de superstitiën van de paperye als misse ende andere
ceremoniën", die ten tooneele zouden komen, en twijfelden er
aan, of „hetgene soude moge passeeren wel meer soude strecken
tot bespottinge van het pausdom als tot onteeringe van de
DK INWIJDING HEEFT TOCH PLAATS. 129
Christelycke religie", zooals de voorzittende burgemeester Dr.
Gerard Schaep aan de afgevaardigden van den kerkeraad
deed opmerken. Zij meenden integendeel, dat het stuk „teene-
mael daerop liep om het pausdom smakelyck 'te maecken."
Evenmin konden zij de juistheid gevoelen van Vondbl's eigen
verdediging, dat men in een middeleeuwsch stuk toch wel
geene andere dan middeleeuwsche godsdienstplechtigheden kon
vertoonen, want vooreerst zagen de tooneeldichters van dien
tijd niet op tegen de grofste anachronismen, waaraan men
eerst veel later langzamerhand aanstoot is gaan nemen, en
Vondel zelf onthield zich daarvan in dit stuk ook verder niet
geheel; maar bovendien had de ondergang van Amsterdam
ook wel kunnen vertoond worden zonder al die „paperij".
Van hun standpunt hadden de predikanten destijds niet
zoo groot ongelijk, als zij nu zouden hebben, wanneer zij weer
met dezelfde bezwaren voor den dag kwamen ; maar de Amster-
damsche Regeering was nu eenmaal niet geneigd den vinger
te geven aan de geestelijke heeren, die dan zoo gaarne de
geheele hand zouden genomen hebben. Zij liet ook eene tweede
bezending van den kerkeraad vertrekken, haar „cleyne hope
gevende", en al werd de opening van den Schouwburg ook
eenige dagen uitgesteld, om de Protestantsche kerstvreugde
niet te verstoren door de Katholieke kerstviering op het tooneel,
de inwijding van den Schouwburg mocht toch met Vondel's
„Gysbreght" plaats hebben, maar nu den 3en Januari 1638.
SiMON Engelbrecht had zijn pleit verloren en trad als schouw-
burgregent af, althans in het volgende speeljaar was hij geen
regent meer, hoewel hij in later tijd nog een paar maal in
het regentencollege zitting heeft gehad; en nu nog leeft de
herinnering aan zijne poging om de „Gysbreght" van het
tooneel af te houden voort in de volgende woordspelende
schimpregels, door Vondel op hem, den Akenaar van geboorte,
gemaakt: „Wie wroet den Amstels Schouwburg om? een
Akervarken, bot en dom".
Omdat ieder volk gaarne de daden zijner voorouders ziet
vertoonen, koos Vondel voor zijn inwijdingsstuk een onder-
werp uit de geschiedenis van Amsterdam, namelijk de inne-
ming van die stad in 1304. Het feit zelf vond hij weliswaar
slechts met enkele woorden, en dan nog zelfs onjuist, door
II 9
130 DK BRONNEN VAN VONDEL's „GYSBREGHT".
de oude geschiedschrijvers aangestipt, maar voor de vele kleine
historische bijzonderheden, waarmee hij dat hoofdfeit vinding-
rijk aankleedde en tot een historisch-romantisch tafereel vol
werkelijkheid en beweging wist te maken, gebruikte hij met
veel talent van samenstelling als bronnen de door den Dordte-
naar Wouter van Gouthoeven in 1620 omgewerkte „Divisie-
kroniek" en Dousa's uitgave van Stoke's Rijmkroniek. Zooals
hij reeds bij zijn „Palamedes" had gedaan, voegde hij ook
nu geheele stukken uit de Latijnsche poëzie bijeen als bouw-
steenen, waarmee hij gedeeltelijk zijn dichtwerk opbouwde.
Ditmaal deed hij dat zelfs in het groot, want zijn treurspel
kan bijna eene dramatiseering van het tweede boek van Vir-
gilius' Aeneis genoemd worden, zoodat hij in zijn voorspel
met recht kon zeggen, dat in het stuk „'taeloude Troje wert
herboren en te gronde ging in 't gloeiende Amsterdam". In
dat voorspel gaf hij ook duidelijk op, met welke personen
uit Virgilius* heldendicht de personen van zijn treurspel
overeenkwamen. Blijkbaar rekende hij het zich tot eene niet
geringe verdienste, dat hij daarin naar het oordeel zijner tijd-
genooten zoo goed was geslaagd; en ook het nageslacht, al
zou het misschien hooger lof aan eene geheel zelfstandige
behandeling van het onderwerp hebben toegezwaaid, kan niet
nalaten het ongewoon vernuft te bewonderen, waarmee Vondel
de beschrijving van Troje's ondergang met slechts geringe
wijzigingen op de inneming van het middeleeuwsche Amsterdam
heeft weten toe te passen.
De bezwaren, die men bij de tegenwoordige eischen der
dramaturgie zou ontmoeten, indien men nu een episch ver-
haal tot een drama zou willen omwerken — wat trouwens
nog telkens wordt gedaan — behoefden voor Vondel niet te
bestaan, daar hij en zijne tijdgenooten uitvoerig schilderende
verhalen in een tooneelstuk als sieraden beschouwden en
verreweg de meeste tooneelstukken uit dien tijd gedramati-
seerde geschiedverhalen of novellen waren. Wie ze daarom
afkeurt, toont slechts zijne eigen bekrompenheid, die hem
verbiedt een stap te doen buiten het enge gezichtskringetje
van zijn eigen tijd. Door „den schoenen brand van Troje t'
Amsterdam in het gezicht zijner ingezetenen te stichten na
het voorbeeld des goddelijcken Mantuaens" was Vondel wel
INHOUD VAN VONDKL's „GYSBREQHT". 131
gedwongen een anachronisme te begaan en het in 1304 nog
zeer onaanzienlijke Amsterdam te maken tot eene „groote
aeloude stad, vermaert in oorelogen, zoo scheeprijck en voor
wie zich zee en stroomen bogen, den vreemde en nagebuur
en rijcken tot ontzagh". Hij stelde in zijn stuk de stad voor,
zooals Oornelis Anthonisz. haar in 1544 in kaart bracht vóór
de vergrootingen , die Vondel zelf had beleefd , maar met de
ook toen reeds geslechte burcht der heeren van Aemstel,
door hem aan de Oude Zijde, dicht bij Schreihoek, geplaatst.
Bij het begin van het spel treffen wij Gysbreght met zijne
krijgslieden aan buiten de Haarlemmerpoort, om zich te
vergewissen van de juistheid der bijna ongelooflijke tijding,
dat de vijanden , die onder aanvoering van Willem van
Egmond een jaar lang zijne „benaeuwde vesten" belegerd
hadden, op eens „zonder slagh of stoot" waren afgetrokken.
Zoo toonde dan toch de hemel eindelijk zich rechtvaardig
ten opzichte van hem, die altijd onschuldig had moeten
boeten voor het kwaad van anderen, want van allen, die aan
de samenzwering tegen Graaf Floris hadden deelgenomen,
was hij de eenige geweest, die het recht zijn loop had willen
laten door den Graaf voor eene wettige rechtbank te brengen,
en die dus den haat, waarmee men hem vervolgde, allerminst
verdiende, zooals hij in eene lange alleenspraak welsprekend
vertelt. Willebrord, de vader van het even buiten Amsterdam
gelegen Karthuizerklooster, waarin Egmond 's hoofdkwartier
gevestigd was geweest, komt hem nu mededeelen, dat het
loos gerucht van een uitval der stedelingen op het oogenblik,
waarop de vijandelijke aanvoerders hoogloopenden twist hadden,
eene paniek had veroorzaakt: eene mededeeling die bevestigd
wordt door Vosmeer, half weggezonken in den drassigen
grond aangetroffen door Gysbreght's broeder Arent, die den
vluchtenden vijand tot „ontrent een booghscheut weeghs
aen geen zy Slooterdijck" had vervolgd. Vosmeer had behoord
tot de vijandelijke krijgso versten: hij had het plan beraamd
om de stad te overrompelen door de stadsgracht af te dammen
met rijs, waarmee een schip, „'t Zeepaert", vol geladen dicht
bij de poort lag; maar het noodlot, dat hem, het ongelukkig
Öooierskind, altijd had vervolgd, had hem ook nu niet ge-
spaard. In twist geraakt met de aanvoerders, werd hij in de
132 INHOUD VAN VONDEL'S „GYSBREGHT".
boeien gesloten en zou het leven hebben moeten verliezen,
indien te midden van den twist in het hoofdkwartier een
vriend zijne boeien niet geslaakt bad, zoodat hij ontvluchten
kon; maar bij ongeluk kwam hij in de biezen terecht en
„stack in diep moerasch al den verleden nacht". Zóó werd hij
door Arent gevonden, en nu zwoer hij zijn aan Holland duur
gezworen eed af en gaf hij zich aan Gysbreght's genade over.
De heer van Aemstel gelooft al te lichtvaardig zijn verzierd
verhaal en draagt hem zelfs op, het Zeepaert met rijs binnen
de veste te brengen, waarom het hem juis^ te doen was, want
„de schalcke Vossemeer bootste Sinons aerd na in 't stoffeeren" :
het Zeepaert deed denzelfden dienst als „het zwanger paeid
van Troje'* en als het turfschip van Breda, waaraan Vondel
te liever de herinnering wilde verlevendigen, omdat juist in
hetzelfde jaar, waarin de Schouwburg gebouwd werd, Frederik
Hendrik Breda in even weinig weken teruggewonnen had,
als Spinola in 1625 maanden had noodig gehad om die stad
te veroveren. Een rei van Amsterdamsche maagden komt nu
de overwinnaars met een zegelied inhalen, juichend omdat
aan de vreugd van „Gods geboortefeest" zich nu de blijdschap
over de verlossing der stad kan paren.
Het tweede bedrijf voert ons voor het Karthuizerklooster.
De vlucht des vijands is slechts eene krijgslist geweest: op
bevel van Egmond eischt Diedrick van Haerlem daar — en
dat is een bijzonder levendig tooneel — van den eerst hoog-
hai'tigen, maar weldra door bedreiging van brandstichting
gedwee geworden Willebrord een tijdelijk verblijf voor eene
bende krijgsvolk, die de stad moet overrompelen, wanneer
Vosmeer de Haarlemmerpoort voor hen geopend zal hebben.
„Al heimelijck gezwommen door de grachten", komt Vosmeer
nu aan Egmond vertellen, dat het Zeepaert, „zwanger van
gewapenden", zonder argwaan te wekken binnen Amsterdam
is gebracht en dat hij het, zoodra de krijgslieden het verlaten
en de Haarlemmerpoort vermeesterd hebben, in brand zal
steken als sein voor de anderen om in dichte drommen bin-
nen te trekken. Intusschen bereidt in Amsterdam ieder zich
tot de kerstviering voor en zingt een rei van edelingen, die
„bly van geest ter kercke gaen om den eerst geboren Heiland
te groeten", een heerlijk kerstlied.
INHOUD VAN VONDBL's „GYSBREGHT". 133
Badeloch, Gysbreght's vrouw, is uit een benauwden droom
ontwaakt, zoo vangt het derde bedrijf aan. Zij vertelt aan
haar man, hoe zij gedroomd heeft^ dat haar nicht Machteld,
de overleden vrouw van Geraert van Velsen, haar verschenen
wa.s en haar dringend had aangespoord, te vluchten met alles
wat haar lief was. Nauwelijks heeft Gysbreght haar geant-
woord, dat het „louter ydelheid was, die zich het brein ver-
beeldde*', of „Wapen I Wapen !'* luidt de kreet, „de vyandt is
in stad!" Zoo is dan opeens de triomf kreet versmoord, de
hoogste vreugde in bittere ellende verkeerd, en stort Badeloch
haar hart uit in de roerende klacht:
„Hoe veel geluckiger z^n arme en slechte dorpen
En hntten, laegh gebouwt, min stormen onderworpen,
Dan eenigh heeren hals, dat door 't geboomte steeckt
Kn daer het bulderen des winds z^n kracht op breecktl
Weet hiervan eenigh mensch, ick weet er van te spreecken."
Gysbreght heeft inmiddels maatregelen genomen om te
redden, als er nog iets te redden valt; maar in de stad is
verder iedereen nog onbewust gebleven van den naderenden
ondergang der veste. Daar heffen de Klaerissen op de ver-
rukkelijke zangwijze, die men, schoon zonder voldoenden
grond, aan Dirck Sweelinck heeft toegeschreven, den beroem-
den reizang aan: „O Kersnacht, schoener dan de daegen!**
het jammerlied van den moord der onnoozelen, die zich binnen
Weinige oogenblikken in Amsterdam zou herhalen.
Met het vierde bedrijf bevinden wij ons in de kapel van
J*et Klaerissenklooster, waar Gysbreght's oom Gozewijn, de
^it zijn bisdom verdreven grijsaard, de nonnekens aanspoort
^e vluchten : hem zelf „stokoud en traegh, voeght het niet te
olieden" ; maar de nonnen willen vader Gozewijn niet ver-
laten, samen wenschen zij met hem te sterven. In zijn „staetigh-
ste gewaet", met al de teekenen zijner hem wederrechtelijk
ontnomen waardigheid wil de grijze bisschop dan in den
'^^ing der godgewijde maagden den vijand afwachten met den
^^fzang van Simeon op de lippen: „Vergun, o God! op zijne
^^ede, na uw belofte uw' knecht verlof, opdat hy reize, in
^^st en vrede, omhoogh na 't hemelsche vredehof'; en
^ien lofzang hefifen de nonnen dan ook in koor aan. „Is 't
*^ier noch tijd van zingen?" roept Ghysbreght met verbazing
134 INHOUD VAN VONDBL'S „GYSBREGHT".
uit, als h\j op dat oogenblik binnensnelt om den bisschop en
de nonnen te redden; maar vergeefsch is zijn aanbod om
hen in veiligheid te brengen: „zy zijn aleens gezint en wel
getroost te sterven". Weldra is het ook te laat: de vijand is
voor de poort en Gysbreght vUegt heen om te beproeven, of
hij hem kan tegenhouden.
Hier worden wij, midden in het bedrijf, naar Gysbreght 's
burchtzaal verplaatst, waar Arent van Aemstel aan Badeloch
het uitvoerig verhaal doet van de plundering der St.-Katharina-
kerk. Gysbreght, zoo vertelt hij, had nog te vergeefs getracht
den Dam en het Stadhuis te verdedigen, maar waar hij zich
nu bevindt, weet Arent niet te zeggen. „lek reken hem al
dood en zie hem nimmer weeri" roept Badeloch wanhopig
uit, en hare innige huwelijksliefde spiegelt zich af in den
beroemden reizang der burghzaten: „Waer werd oprechter
trouw, dan tusschen man en vrouw, ter weereld oit gevonden ?"
met de slotbede: „O God, verlicht haer kruis, dat zy den
held op 't huis met blijschap magh ontfangen", eene bede,
die terstond verhooring vindt, want „daer roept een aen de
poort. God lof, het is mijn heer!" jubelt zij, „ick heb zijn
stem gehoorti"
De stad is reddeloos verloren, alleen de burcht der Aemstel-
heeren is nog in Gysbreght's macht bij het begin van het
vijfde bedrijf, wanneer Gysbreght aan zijne vrouw alles ver-
haalt, wat hij gedaan en gezien heeft. Hoe het met Gozewijn
en de IQaerissen is afgeloopen, weet hij niet, maar een Bode
komt op om uitvoerig te vertellen, hoe schandelijk de vijand
in het klooster heeft gewoed, de nonnekens verkrachtend en
daarna vermoordend in het bloed van den ouden bisschop.
Als dit gruweUjk, maar buitengewoon schilderachtig verhaal
is gedaan, wordt Arent doodelijk gewond binnengedragen. Hij
heeft nog een uitval beproefd, maar is teruggeslagen en sterft
nu in de armen van zijn broeder. Eene beleefde en eervolle
uitnoodiging, door den heer van Voorne namens Egmond aan
Gysbreght gedaan, om de burcht over te geven, wordt even
beleefd als beslist afgeslagen: Aemstel zal zich tot het uiterste
verdedigen, maar vrouw en kinderen kunnen, daar het kasteel
aan den IJkant nog niet is afgesloten, in veiligheid worden
gebracht. Daarvan echter wil Badeloch niet hooren, en nu
INHOUD EN B£OORDEELINQ VAN VONDEL's GYSBBBGHT". 135
ontstaat eene zeer levendige woordenwisseling tusschen Bade-
loch, die niet wil vertrekken zonder haar man, enGysbreght,
die haar volstrekt scheep wil doen gaan, maar haar daar-
toe alleen kan bewegen door de wanhoop, waarmee hij op
hare weigering een uitval wil gaan doen om zich dood te
vechten.
Toch behoeft het niet tot eene scheiding te komen, want
als broer Peter, Gysbreght's huiskapelaan, op Badeloch's ver-
zoek vóór het afscheid nog tot God de bede opzendt, dat deze
.zijnen engel stuure en haren heer bewaere," daalt inderdaad
Rafaël (met „een paar swaanevluegels") van den hemel neer,
niet zoo zeer als een „deus ex machina", waarvoor men hem
wel te onrechte gehouden heeft, als wel om op indrukwekkende
wijze den lateren schitterenden bloei van de zoo deerlijk onder-
gegane stad te kunnen voorspellen. Indien God het anders
gewild had, zegt hij, „'t en waer met Amsterdam zoo verre
noit gekomen"; Gysbreght moet met zijn gezin zijn wettig
erf verlaten, een nieuw vaderland zoeken en in „'t vette land
van Pruissen een stad Nieuw-Holland bouwen." Amsterdam
zal „met grooter glans uit asch en stof verrijzen", en na drie
eeuwen, wanneer „'t Roomsch autaer met kracht uit alle
kercken geschopt en 't graeflijck hoofd van zijn recht vervallen
verklaert zal zijn," te midden van een „endeloozen krijgh
haer kroon tot aen den hemel toe verheffen"; en als zij dan
„haer Schouwburgh open doet", zullen daar Gysbreght's daden
„op 't hoogh tooneel den burgemeesteren en driemael twalef
raeden te gemoet gevoert worden." Nu buigt Gysbreght zich
voor God en, „hoe bitter oock het scheiden moge vallen" —
immers „de liefde tot zijn land is yeder aengeborenl" — met
een „vaerwel mijn Aemsterland I" gaan Gysbreght en de zijnen
scheep.
Dat Vondel met dit gelegenheidsstuk (want als zoodanig
moet men het in de eerste plaats beschouwen) ook een classiek
treurspel heeft willen geven, blijkt uit zijne eigene opmerking,
dat hij „tegen de tooneelwetten wetende niet misdeed, 't en
waer misschien in de talrijckheid van personagiën", daar immers
de classieke tooneelwetten er niet meer dan zeven toestonden.
Voor Vondel gold dus de wet der eenheid van plaats toen
nog niet, want zelfs midden in eenbedrijf liet hij de handeling
136 BEOORDBBLING VAN VONDKL's „GYSBREGHT".
zich verplaatsen. Ook schijnt hij toen nog niet geweten te
hebben, dat, volgens Aristoteles, de held van een treurspel,
zooals hij twintig jaar later zeide, „nochte heel vroom, noch te
onvroom, maer tusschen beide" moest wezen, wilde een drama
een echt tragischen indruk maken, en hier is Gysbreght,
evenals de „pius Aeneas" bij Virgilius, wèl „heel vroom". De
ondergang van zijne stad en zijne ballingschap wekt dus geen
tragisch medelijden, maar zou veeleer ergernis kunnen wekken,
indien men weigerde met Gysbreght te berusten in Rafaöl's
woorden: „O Gysbreght zet getroost uw schouders onder
't kruis, u opgeleit van God". Is derhalve de „Gysbreght"
geene tragedie in zuiver Grieksch-Aristotelischen trant, het
is daarom niet minder een treurspel in echt Nederlandsch-
Vondeliaanschen geest, en dat zegt wel iets, naar het mij
voorkomt.
Zelfs de aanhangers van een streng classicisme waren er in
Vondbl's eigen tijd vol bewondering over, zooals blijkt uit
hetgeen De Groot aan Vossius schreef: „Vondel heeft my
vriendtschap gedaan, dat hij een treurspel van treflfelijken
inhoudt, voeghelijke schickinge en overvloedige welspreeken-
heit aan my, als eenigen smaak hebbende in zulke dingen,
heeft toege-eigent", en aan Vondel zelf schreef hij, dat hij „Am-
sterdam voor gelukkig hield, indien daar veele waren die
dit werk na zijne waarde konden schatten". Zoo waren er
inderdaad velen in Amsterdam. Dertien maal achtereen werd
het stuk vertoond, en sedert 1641 is het te Amsterdam bijna
jaar op jaar aan het eind van December of in het begin van
Januari gespeeld, tot in onzen tijd toe; en altijd blijft het
publiek trekken en boeit het de groote meerderheid der toe-
schouwers door de levendigheid van een deel der handeling,
door de majesteit der schilderende verzen, door de treffende
beelden, de welluidende taalmuziek en de heerlijke reizangen.
Laat het zijn, dat de indruk, dien het maakt, meer te ver-
gelijken is bij den indruk door eene grootsche opera, dan
door eene dramatische handeling gewekt, aan de kunstwaarde
kan dit alleen te kort doen bij den dogmatischen aestheticus,
die dadeUjk met zijn Procrustusbed klaar staat.
Voor Vondel was de opgang, dien zijn „Gysbreght" maakte,
een prikkel om zich verder bovenal aan het treurspel te wijden.
HOOPT VERWAARLOOST DE POËZIE VOOR HET PROZA. 137
Eerst nu, op zijn vijftigste jaar, bad hij zich in zijne volle
kracht getoond op het terrein, waarop hij meester was en
waarop hij nog veel grootscher werken zou scheppen in een
verbazing wekkenden, schier ongelooflijken overvloed, want
vier vijfden van zijne dichtwerken had men toen nog van
hem te wachten. Op hem zelf is de vergelijking van toepassing,
die wij een paar jaar later in een reizang uit zijn „Josef in
Dothan" aantreffen, de vergelijking bij „een eick, den bosch-
reus, die eerst allengskens groot wort", omdat „langzaemheit
groote zaecken past".
XXX.
Het proza van Hooft.
Met zijn „Gysbreght" was Vondel als dichter den Drost,
totnogtoe het hoofd der poëten, over het hoofd gegroeid. Uit
de tooneelwereld had Hooft zich reeds lang teruggetrokken:
maar om in een nieuw geschapen proza het epos van onzen
Opstand te kunnen schrijven, hing hij ook de lier aan de
wilgen, na zich daarop, met zijne „klaghte der Prinsesse over
t' oorloogh voor 's Hartoghenbosch", nog eenmaal in zijne volle
kracht te hebben doen hooren.
Zonder wangunst, die hem vreemd was, en zonder eenig
hartzeer zelfs zal hij aan • Vondel zijne plaats hebben inge-
ruimd, want hij beschouwde zelf de poëzie als de uitspanning
zijner jongere jaren en oordeelde al te gestreng over de vruch-
ten daarvan , omdat hij de kunst zoo bijzonder hoog stelde
en te zeer geneigd was , zich zelf te onderschatten , zooals zeer
duidelijk blijkt uit een brief van 1630 aan Tesselschade ter
begeleiding van zijn „•Hollandsche Groet", waarin hij schreef:
,Myn verdrooghde rympen is dees daeghen een groenigheit
over- en daervan gekomen 'tgeen UE. hier by ontfangt.
Indien 't het beste maxel niet en is, laet het UE. geen nieuw
geeven, want behalven dat ick noit myn heele werk maeckte
van dichten, gelyk schier dient te doen, die nae de vol-
maecktheit tracht, zoo heb ick 's my nu in zoo lange niet
onderwonden , dat ick haest waende dit deel der werelt gestor-
ven te wesen''.
138 hoopt's „hbnrik db gróte".
Hooft was ook toen reeds, zooals hij een paar jaar later
aan Tesselschade schreef, „zoo verzoopen en verzonken in
't rijmeloos schrijven sijner Historiën, dat hem de wieken te
nat waren en in te diep een kuil staken om vlucht oft veirt
nae de poëetsche lucht te maeken". „'k Weet van dichten noch
van deunen. Niet dan ketelachtigh dreunen is het dat mijn
snaeren baeren'', rijmde hij toen; maar al van 1618 af had hij
zich tot geschiedschrijven in proza gekeerd, en, zooals wij
reeds vermeldden, in 1626 zag zijn Henrik de Qróte het licht
als een doorwrocht voortbrengsel dezer werkzaamheid, waar-
mee hij, volgens Vondbl, „der Vrancken held deed leven
voor altoos".
Hij had daarin de geschiedenis van den Franschen Koning
zoo onpartijdig mogeUjk willen verhalen, en mocht het ver-
haal soms wat te veel op eene lofrede gelijken, dan was de
oorzaak daarvan geweest vde gemeene zucht onzes Vaderlandts
tzyner Majesteit en de danckbaerheydt, die ons verplicht tot
eeuwighe erkentenis". Deze zullen voor hem ook wel aanleiding
geweest zijn om juist een onderwerp te kiezen, dat hij als
geschiedschrijver alleen uit de tweede hand kon leeren kennen,
zoodat hij het uitsluitend zijn doel noemde, 'sKonings leven
en bedrijf, „uyt verschelde schriften opghezocht, in kort Hol-
landtsch te vervaten". In dat „kort HoUandtsch" bestond
dan ook de nieuwheid en oorspronkelijkheid. Geen geschied-
werk was hier ooit geschreven, zóó beknopt van voorstelling
en kernachtig van stijl, zoo zuiver Nederlandsch van taal.
„Harnasduits", noemde Hoopt het zelf, Willem de Groot sprak
van „gezenude (d.i. gespierde) woorden tot verheffinghe van
onse moederlycke tael", maar Huygens gaf later aan de Neder-
landsch e Historiën den lof, dat daarin „de woorden soo krach-
tigh als in Henrick, maer min wreed" waren, en inderdaad
is Hooft's eerste geschiedwerk lastig te verstaan en vermoeiend
te lezen.
Toen in 1638 een herdruk in kleiner formaat van de Henrik
de Gróte het licht zag, schijnt HooFT(of misschien zijne eenigs-
zins hooghartige Leonora) op de gedachte gekomen te zijn
om daarmede van Hendrik 's zoon de ridderorde van St. Michiel
te verwerven. Immers, al is het waar, schrijft Hooft, „dat
weijiigh Pranchoizen onze tael verstaen, hunne boekeryen
HOOPT WORDT RIDDER VAN ST. MICHIRL. 139
worden toch ook door uitheemschen bezightight", zoodat zij
er ook het nut van konden inzien , irdat de eere huns konings
ook door vreemden wert uitgedraeghen". Toch begreep Hooft,
dat een boek in zoo geheel vreemde taal bij den Franschen
koning niet voor zich zelf kon spreken, en hij verzocht dus
aan Hüygbns er een Fransch, aan Barlaeus er een Latijnsch
lofdicht bij te voegen. Zulke lofdichten waren vóór het werk
zelf evenmin gedrukt als voor eenig ander werk van Hooft,
die daarmee een zeldzaam bewijs van kieschheid gaf in een
tijd, waarin bijna alle dichters, zelfs iemand als Huygens, van
alle kanten lofdichten samenbedelden om er hunne werken
mede te versieren ; maar Hooft heeft , naar zijn eigen getui-
genis, „zulk een tentoonstelling van eighen lof, hoewel zy door
de gewoonte verschoont wort, altijds wat wanvoeghlijck gedocht."
Zijn neef Joachim van Wikkevoort, die ook zelf riddergeworden
was, bewees aan Hooft den dienst, met zijn broeder deze zaak
te Parijs in orde te brengen en hem zoo denzelfden titel te
bezorgen, waarop niet alleen menig Nederlandsch staatsman
zich toen kon verheffen, maar ook menig dichter, zooals
RoDENBUBO, die al in 1612 Ridder van den Huize vanBour-
gondië was geworden, Huygens, die behalve zijn Engelschen
riddertitel (van 1622) bovendien nog in 1633 dien van ridder
van St. Michiel verwierf, evenals Westbrbaen in 1629 door
bemiddeling van Hugo de Groot, terwijl Reabl in 1626 (ook
blijkens een klinkdicht daarop van Vondel) en Cats in 1627
door Karel I van Engeland in den ridderstand waren verheven.
Vondel en Barlaeus hebben het, ondanks hunne vele lofdichten
op vorstelijke personen, nooit zoo ver kunnen brengen. Natuurlijk
moesten er door Hooft eenige onkosten gemaakt worden, want
zonder geld kwam men aan het Fransche hof niet tot zijn
doel, maar toch schreef hij, dat hij „zijne eigene ydelheid niet
al te duur wilde betalen", en voor zich zelf schijnt hij dan ook niet
veel waarde aan den titel gehecht te hebben, zooals van hem
te begrijpen is. De brieven van ridderschap moesten, schreef
hij, „uitdrukkelijk inhouden, dat niet alleen de eere van
ridderschap hem, maer ook de waerdigheit van edeldoom hem
ende zijnen naekomelingen vergunt wert*', en zoo is dan in
tet voorjaar van 1639 Hooft op grond van zijns vaders ver-
diensten voor de Republiek en van zijn eigen geschiedwerk.
140 hoopt's brieven; daniël mostart.
zooals het diploma zegt, en bij opvolging later ook zijn zoon
Arnout, in den ridderstand verheven.
Kort vóór dien tijd (in 1636) schreef Hooft nog een ander,
kleiner geschiedwerk, De Eampzaligheedeii der verlieffinge van den
Huize van Medicis^ dat hij echter niet ter uitgave bestemde,
zoodat het eerst na zijn dood (in 1649) het licht zag met een
bijgevoegd gedicht van Vondel „Op dllias van de Medicis",
dat er als het ware eene korte inhoudsopgave van is.
Niet minder verdienstelijk proza dan in deze beide geschied-
werken heeft Hooft ons nagelaten in zijne (omstreeks 870)
brieven, gedeeltelijk in Latijn, Fransch of Italiaansch, maar
grootendeels in het Nederlandsch en met dezelfde zorg ge-
schreven, waarmee Romeinsche schrijvers, zooals Cicero, Seneca
en de jongere Plinius, en later de voornaamste Renaissance-
mannen, hunne brieven opstelden, ofschoon deze evenmin als
Hooft aan eene uitgave van die brieven dachten. Toch ver-
dienden de zijne met piëteit te worden uitgegeven, niet slechts
als bouwstoffen voor de kennis van zijn leven en zijn karakter,
maar ook als proeven van geestigen, beeldrijken en pittigen
briefstijl voorzoover zij aan vrienden en vriendinnen (vooral de
35 ons bewaarde aan Tesselscha) gericht zijn, en als modellen van
ambtsbrie ven, die de bastaardtaai der kanselarij vermeden
voorzoover dat maar eenigszins mogelijk was, en zóó dat zij
zelfs genade zouden hebben kunnen vinden in de oogen van
Daniël Mostart, zoon van den Antwerpschen, naar Amsterdam
uitgeweken, notaris David Mostart, die de geleerdste mannen
zijns tijds tot zijne vrienden had mogen rekenen en zich o.a.
verdienstelijk gemaakt had voor het psalmgezang door eene
uitgave van Datheen^s psalmen, van fouten gezuiverd, te be-
zorgen, en die daarbij in 1598 eene „Koiie onder wysinge van
de Musyk-konste en samenspreekinge over het misbruyk der
wijsen en des singens" had gevoegd.
Zijn zoon Daniël, die sedert 1622 secretaris van Amsterdam
was, gaf in 1634 met zijn „Nederduytse Secretaris oft Zend-
briefschryver'^ eene rijke verzameling voorbeelden van allerlei
soort van ambtsbrieven, ten einde te bewijzen, dat ook zulke
brieven zeer goed in zuiver Nederlandsch gesteld konden
worden. Voor hetzelfde had ook Huygens reeds in 1628 —
maar, naar 't schijnt, vergeefs — gepleit in eene uitvoerige.
hoopt's studie van tacitus. 141
in het Fransch opgestelde, memorie over hervormingen in
»la secrétaire de son excellence Monseigneur Ie Princed'Orange".
Hooft, Vondel, Van der Bürgh en anderen toonden door
lofdichten hunne ingenomenheid met Mostart's streven, dat
voor de kanselarijtaal beproefde, wat Sjmon Stbvin had gedaan
voor de wiskundige wetenschappen, Spieghel voor taal- en
stijlleer en De Groot voor de rechtsgeleerdheid, en wat Hooft
voor de geschiedschrijving bleef doorzetten.
Om zich in het schrijven van zuiver Nederlandsch te oefenen
heeft Hooft, ook tijdens zijne geschiedoefeningen, veel ver-
taald, o a. in 1630 een deel der hekelende „Ragguagli di
Parnaso" van Trajano Boccalini, en omstreeks 1635 alle
werken van Tacitus, die hij niet minder dan twee-en- vijftig-
maal had gelezen om den kemachtigen stijl er van in merg
en been op ' te nemen, beter dan bv. Burgundius had ge-
daan, van wien hij zegt, dat zijn „styl Tacitus nae, maer
nergens nae in treedt", omdat wie bij een schrijver voedsel
voor zijn geest zoekt, niet „inschokken'', maar „kauwen en
.erkauwen" moet. Dat nu heeft Hooft met Tacitus gedaan,
ook bij zijne vertaling, daar hij sommige gedeelten zelfs twee-
maal vertaald heeft, nu eens wat letterlij ker, dan weder wat
vrijer. Hij deed dat overigens niet alleen tot eigen oefening,
maar vooral ook op verzoek van zijn zwager Joost Baeck,
die geen Latijn verstond en toch ook gaarne met den zoo
hoog geroemden Tacitus meer dan oppervlakkig kennis wilde
maken. Ook dit werk werd, ofschoon het geheel voltooid is en
er de grootste zorg aan is besteed, niet door Hooft zelf, maar
eerst in 1684 door Geeraardt Brandt uitgegeven.
Terwijl van de moderne geschiedschrijvers Thuanus voor
Hoopt het groote gezag was, heeft hij bij het schrijven van
zijne Nederlandsche Historiën toch geen schrijver zoozeer trachten
te evenaren als Tacitus en wel, omdat hij zich als prozaschrijver
aan hem zoo na verwant gevoelde. Telkens wordt men dan
ook getroffen door overeenkomst in uitdrukking en voorstel-
ling, zelfs door geheele zinnen, die met meer of minder vrij-
heid uit Tacitus zijn overgenomen en pasklaar gemaakt zijn
voor de beschrijving van andere toestanden. Ook paste de
geschiedenis van den aanvang van den tachtigjarigen oorlog,
wat den omvang betreft, beter bij den vorm van Tacitus'
142 hooft's „nedbrlandschb historiën
>»
Annales, dan b. v. bij dien van Livius' geschiedwerk, terwijl
het tweede deel der Historiën van Hooft's eigen tijd zich als
van zelf bij de Historiae van het door Tacitus beleefde aansloot.
In 1628 legde hij er het eerst de hand aan en tien jaar
later was het eerste deel (twintig boeken) voltooid. Het begon
met den afstand van Karel V in 1555 en eindigde met den
moord van Willem van Oranje in 1584. Het werk werd toen
nog — zooals te voren ook reeds met gedeelten er van ge-
beurd was — aan verschillende vrienden ter lezing en beoor-
deeling gezonden, en door bemiddeling van Huygens ook aan
Frederik Hendrik, aan wien Hooft het met diens toestemming
opdroeg, maar die vooraf verzoend moest worden met den
onge wonen en aan het geheel verfranschte hof zeker weinig
verstaanbaren stijl. Eerst in 1642 kwam dit eerste deel van
de pers, toen Hoopt reeds met het vervolg begonnen was,
dat hij, zooals ook Tacitus met zijne Historiae gedaan had,
veel breeder behandelde, zoodat het bij zijn dood nog niet
verder dan het jaar 1587 gevorderd was. In 1654 gaf zijn
zoon ook dat vervolg uit.
Hooft's „Nederlandsche Historiën" zijn, ofschoon ten volle
beantwoordend aan de strengste eischen, die men in de zeven-
tiende eeuw aan een geschiedwerk kon stellen, in de eerste
plaats te bewonderen als kunstwerk. Zij maken op ons den-
zelfden epischen indruk, als Tacitus' Geschiedenis, wanneer
men ten minste bij een epos niet aan de naieve volkspoëzie
denkt, want daarvan is Hooft's werk zoo ver mogelijk ver-
wijderd. Met Tacitus* Geschiedenis heeft die van Hoopt dit
gemeen, dat zij niets kroniekmatigs heeft, maar dat er eene
groote mate van eenheid heerscht in de voorstelling van het
geschiedverloop. Door minder dan zijne voorgangers uit te
weiden over buitenlandsche of toevallige gebeurtenissen wist
Hooft die eenheid te bevorderen. Steeds plaatste hij het be-
langrijke op den voorgrond en groepeei-de hij daaromheen de
minder belangrijke bijzonderheden; maar het werk zou aan
aanschouwelijkheid nog gewonnen hebben, als de chronolo-
gische volgorde wat minder streng bewaard was geworden.
Toch behooren aanschouwelijkheid en levendigheid van
voorstelling zoozeer tot de hoofdkenmerken van het werk, dat
wie er ergens, waar ook, in begint te lezen, al meer en meer
HKT SCHILDERENDE VAN HOOPT's VERHAALTRANT. 143
door het verhaal wordt geboeid en slechts noode het boek uit
de handen legt. Het zou ons kunnen gaan als Franciscus
Martinius, die aan den rector der Latijnsche school te Kampen
schreef: „Ik heb de geheele Histori des Heeren Pieter Hooft
in zeeven dagen doorleezen met zulk een geweldigen drift,
dat ik niet weete, of ik ooit diergelijken in 't leezen van
eenigh boek gehadt heb." En het zijn niet slechts de gebeur-
tenissen, die wij bij het lezen als opnieuw zien gebeuren, het
zijn ook de personen, die voor ons als levend uit het boek te
voorschijn treden door Hooft's vaardigheid in het boetseeren
van karakterbeelden.
Daartoe bediende hij zich soms van hetzelfde middel als
Tacitus en zoovele andere geschiedschrijvers der Oudheid,
maar dat de latere historiographie als minder betrouwbaar is
gaan versmaden, het samenvatten van de gevoelens en mee-
ningen der hoofdpersonen van het historisch drama in den
vorm van redevoeringen, hun rechtstreeks of zijdelings in den
mond gelegd. Die van Alva en van Fresneda in het vierde
en van Willem van Orange in het vijfde boek zijn van deze
de beroemdste en zullen in haar geheel, wat de gedachten
betreft, ook wel juist zijn, al is iedere zinsnede op zich zelf
ook niet zóó uitgesproken, als Hooft die geeft. Evenmin
worden de oorkonden, die vroegere geschiedschrijvers, enBoR
wel voornamelijk, in haar geheel mededeelen, door Hooft
woordelijk ingelascht. Hij geeft er den hoofdinhoud van op
in zijne eigene kernachtige woorden met vertaling van de
bastaardtaai der kanselarij. Wie een diepen indruk wil ont-
vangen van Hooft's meesterschap als stilist, kan niet beter
doen dan eens een half uurtje in Bor of Van Mbtéren te
lezen en dan voor het daar gelezene Hooft's geschiedwerk
op te slaan, want daardoor kan men eerst recht leeren be-
seffen, hoe groot het onderscheid is tusschen het ruwe marmer
en het beeldwerk, dat er uit gehouwen kan worden, en hoe
lang de weg is, die leidt van natuur tot kunst.
Bovendien is het geheele werk, zooals Brandt zegt, „bezaait
en bezielt met spreuken uit den boezem der wysheit gezoogen"
en ziet men overal „'t gezondt en geoeffent oordeel des grooten
schryvers". De stijl is dichterhjker dan men van proza gewoon
is, rijk aan uitgewerkte beelden of eenvoudige overdracht van
144 hoopt's taal en stijl.
beteekenis. Is de beeldspraak soms aan de taal van het dage-
lij ksch leven ontleend, dan is zij meestal door eene enkele
kleine wijziging geadeld. Bij groote bondigheid is de zinbouw
welluidend, ook door gepaste alliteratie. Fijn vernuft, soms in
woordspelenden vorm, geeft bovendien aan de gespierdheid
en beknoptheid van den stijl een eigenaardig persoonlijk
karakter. De nevenschikkende zinbouw der spreektaal en een-
voudige schrijftaal van het verleden is bij Hoopt meerendeels
vervangen door hypotaxis, waardoor de zinnen, in elkaar ge-
werkt, eene harmonische eenheid van woorden en gedachten
vormen; maar ontkend kan het niet worden, dat deze kunst
soms in gezochtheid ontaardt, dat de beknoptheid tot stroef-
heid, de gedrongenheid tot onduidelijkheid leidt. Onjuiste
samentrekking van zinnen, in strijd met het karakter van onze
taal, voert, bij den waren rijkdom van gedachten, den lezer
menigmaal in een doolhof met verborgen uitgang.
Ook de woorden zelf zijn niet alleen voor ons, maar waren
ook voor HooFT^s tijdgenooten, dikwijls vreemd of, als zij be-
kend waren, in eene ongewone beteekenis gebruikt, die eerst
met moeite uit den samenhang van den zin kan worden
opgemaakt. Dat is gewoonlijk te wijten aan Hooft*s overigens
prijzenswaardig streven naar zuiverheid van taal. Wel schreef
hij, dat „de vieze naeuwheidt van gewisse hem zelven in dezen
eenighsins mishaeghde en dat hy somtyds in beraedt had
gestaen, oft niet beter waer, den schoot te vieren met spreken
van hoofsch Duitsch", maar, voegde hij daar terecht aan toe,
„zoo men die deure open zet, ik en zie niet waer 't eindighen
wil met het verloop der taele". Zoo zocht hij dan voor ieder
vreemd of half vreemd woord een zuiver Nederlandsch of uit
zuiver Nederlandsche bestanddeelen samengesteld woord.
In de eerste plaats putte hij daarvoor uit het Amsterdamsch
zijns tijds en schrikte hij zelfs niet terug voor het gebruiken
van Noordhollandsche dialectwoorden, die andere schrijvers
vermeden; maar hij bepaalde zich niet tot de spreektaal of
gangbare schrijftaal: hij zocht overal, waar hij meende zuiver
Duitsch te vinden: in de oude keuren en geschiedbronnen,
in oude liederen en rijmen. Daardoor heeft zijne taal ook
dikwijls iets ouderwetsch; maar kon hij het vereischte woord
nergens vinden, dan kende hij aan een Nederlandsch woord
hooft's taal; de behandeling zijner bronnen. 145
vaak eene beteekenis toe, die het niet had, doch die het
vreemde woord, waarmee het wel eens te vertalen was, ook
bovendien nog bezat. Zoo kende hij b.v. aan het woord „af-
matten" den zin van „vertragen" toe, omdat het Italiaansche
„stancare" in die beide beteekenissen gebruikt werd. Ook
maakte hij nieuwe woorden, niet zelden door letterlijke ver-
taling van de deelen eener vreemde samenstelling, die in het
Nederlandsch niet in hetzelfde onderlinge verband konden
voorkomen als in de vreemde taal. Geheele reeksen van slecht
vertaalde woorden heeft men dan ook uit Hooft's proza bij-
eengebracht, maar op de veel grootere menigte van goed
geslaagde vertalingen, die er tegenover staan, valt de aandacht,
omdat zij goed zijn en dus niet nieuw schijnen, meestal te
weinig, zoodat wel de „hardigheit der puirduitsche" woorden
misprezen wordt, maar de zachtheid van andere, die men
evenzeer aan Hooft te danken heeft, ons dikwijls ontgaat.
Het onnederlandsch karakter der taal openbaart zich niet
slechts in enkele woorden, maar zelfs in geheele zinnen, daar
Hooft zijn best deed, met het krachtigste merg van andere talen
zijn Nederlandsch te voeden. Die vreemde zinvonning werd
nog bevorderd door eene standvastige eigenaardigheid van
onzen geschiedschrijver bij het samenstellen van zijn werk.
De meeste zinnen toch zijn niet geheel oorspronkelijk, maar
met meer of minder vrijheid vertaald, minder nog uit het
Latijn, dan uit Fransch, Italiaansch of Spaansch, en zoo is
het geschiedwerk te vergelijken bij een mozaïekvloer, kunstig
samengesteld met kleine steentjes uit allerlei andere geschied-
werken losgepeuterd. Het beeld, dat ik hier gebruik, is aan
Hooft zelf ontleend. In een brief aan zijn zwager Baeck schrijft
hij : „lek heb meer als anderhalf hondert steenen geraept uyt
Burgundius ende maghtige moeite om ze in te voeghen t'
eenen werke, dat ick volle vast gemetst ende gevlochten vind
om zonder misstal van bobbel of hoUigheit yet versgevondens
in te ruimen. De konst is kleen, maer de arbeydt ongelooflijk".
üit deze aanhaling ziet men tevens, hoe Hooft nog telkens
weder zijn werk verbeterde en aanvulde door het raadplegen
van nieuwe bronnen, die hij met de grootste zorg bijeen bleef
brengen. Zijn verzoek om gebruik te mogen maken van de
archieven zijner vaderstad werd hem tot zijn groeten spijt
n 10
146 hooft's nauwkeurigheid kn onpartudigheid.
geweigerd; maar allerlei moeite deed hij om van oudere per-
sonen, liefst ooggetuigen, mondelinge berichten in te winnen,
waardoor de „Nederlandsche Historiën" dan ook nu nog voor
menig geschiedfeit als bron kunnen beschouwd worden; maar
het meeste heeft hij natuurlijk uit een groot aantal gedrukte
en ook uit toen nog ongedrukte geschriften geput. Daar hij
vele talen machtig was, heeft hij evengoed de schrijvers van
Spaansche als van Nederlandsche zijde kunnen raadplegen en
zich zóó een onpartijdig oordeel over den gang der zaken
kunnen vormen, dat met zijne persoonUjke waarheidsliefde
strookte.
Natuurlijk had hij ook zijne eigene overtuiging, waarvoor
hij met kracht en gloed uitkwam. Gewetensdwang was hem
een gruwel, dwingelandij kon hij niet verdragen, inmenging
van vreemden in de zaken van zijn eigen, hem zoo dierbaar,
vaderland ergerde hem; maar de vrijheid, die hij boven alles
voorstond, wenschte hij ook aan anderen niet te betwisten,
en zoo koos hij noch partij voor de Katholieken, noch voor
de Protestanten, maar alleen tegen onruststokers en heersch-
zuchtigen van beide zijden, en zelfs aan deze, zelfs aan iemand
als Alva, den man van staal en bloed, meende hij, zooals hij
zegt, den lof te moeten geven, die hem toekwam. Hij was
onpartijdig genoeg om niet in lederen Spanjaard een Vargas,
niet in lederen priester een kettermeester te zien en de wilde
Geuzen niet voor heiligen, geestdrijvers als Modet en Datheen
niet voor beter dan de Katholieke inquisiteurs te houden ; ja,
zelfs den zoozeer door hem vereerden Willem van Oranje spaarde
hij niet, als deze had misgetast. Zelfs schreef hij in een tijd,
toen de meesten nog zoo geheel anders dachten, „gehouden
te zijn geene waarheid van belang, 't en waare zij tot schaade
zyns vaderlands strekte, te verzwyghen" en daarom ook
„bywylen eenighe snootheden, begaan aan onze zyde, doch
reeds gemelt door andren van dezelve op te haaien."
Vandaar dan ook, dat hij tot op onzen tijd toe in eere is
gebleven bij menschen van zeer verschillend geloof, zooals hij
reeds in zijn eigen tijd hoog gewaardeerd werd door Broeder
Gabriël, den Leuvenschen Capucijn, en door den Leuvenschen
hoogleeraar der geschiedenis Erycius Puteanus. Mocht hij
misschien in het tweede deel van zijn werk den Graaf van
T>E BETEEKENIS DER „NEDERLANDSCHE HISTORIËN". 147
Leicester wat te zwart hebben geteekend, dan bedenke men,
dat aan alle onpartijdigheid eene grens is en dat het voor
Hoopt wel uiterst moeielijk moest zijn zonder eenig haatgevoel
te denken aan iemand, van wien hij naar waarheid kon
schrijven: „Op een lyste waaren Leycester veertien van de
vroomste voorstanders der vrijheid en getrouste aanklevers
van 't Huis Nassau geleevert, onder welcke ook de naam myns
zaalighen Vaaders gespelt stond", dien Leycester „meinde
smaadighe dood te doen sterven''.
Hoopt's Historiën zijn wat men gewoon is een „pragmatisch"
geschiedwerk te noemen. In den aanvang zeide hij het Ben-
tivoglio na, „dat veele eeuwen herwaarts geen stoffe geleevert
hebben, die ryker zy in allerley leeringeo van 't beloop der
wereldsche dingen, oft wonderlyker, oft waarneemens waarder
tot onderwys van vorsten en volken'', en op die „leeringen"
laat hij dan ook niet na telkens te wijzen, zoodat Brandt
terecht van het werk kon zeggen : „Men vondt er geen bloot
verhaal van zaaken, maar een school van staat, een leidtstar
van regeeringe, een kompas van beleidt, een wegwyzer ter
oorloghskunde, een leermeester vangrootmoedigheit,bescheiden-
heit en gemaatightheit, een opwek ker tot liefde des vader-
landts en der vryheit."
Dat een zoo omvangrijk, inhoudrijk en stijlzwaar werk niet
in den alledaagschen zin van het woord „populair" kon
worden, spreekt van zelf. Toch is na Hooft geen Nederlandsch
geschiedschrijver van eenige beteekens opgetreden, die zijn
werk niet in menig opzicht tot voorbeeld genomen heeft. Doch
middellijk heeft zijn werk invloed geoefend op de voorstelling
van ieder, die ook maar het geringste van onzen tachtig-
jarigen oorlog weet. De bijzonderheden van die heldenwor-
steling onzer voorvaderen tegen het machtige Spanje zijn,
zooals zij door hem geboekt zijn, overgegaan in de kleinere
lees- en leerboeken, en wat daarin aan hem ontleend is,
staat ons meestal het levendigst voor den geest. Hij heeft
de mannen van den Opstand tot heroën gemaakt, en als zoo-
danig treden zij op in onze litteratuur en vooral op ons tooneel.
Zóó de tragische figuren van Montigny, Egmont en Hoorne,
zóó burgervaders als van der Werflf, vlootvoogden als Boisot
en Jacob Simonsz. de Rijk, die zonder hem misschien onbe-
148 DR BBTBBKENIS DBR „NRDERLANDSCHB HISTORIËN
I)
roemd zou gebleven zijn, manhafte hoplieden als Ripperda en
Kornput, de edele vaandrig Pieter Hasselaar en de Brielsche
veerraan Koppestok. Meer dan vijfenzestig tooneelstukken,
die later onderwerpen behandelden uit het dertigjarig tijdvak,
waarvan Hoopt de geschiedenis beschreef, volgden zijne voor-
stelling en putten ten deele zelfs uitsluitend uit zijn werk. Zoo
ook vond later Onno Zwier van Haren bij Hooft de stof
voor zijn dichterlijk tafreel der heldendaden van Rochus Meeuw-
sen en Sebastiaan de Lange. Zoo wekte zijn verhaal Tollens
op om Herman de Ruiter, de kloeke Kenau en de edelmoedige
geuzenvrouw te Gouda, en, in wedstrijd met Bogaers, ook Jan
Harink te bezingen, en zelfs het „treflijk exempel van broederlijke
liefde'', door den Spanjaard Ferdinando d*A volos voor Haarlem
geleverd. Staat de heldenfiguur van den vrijbuiter 't Hoen en
de onverschrokken sluwheid van Christiaan Huygens ons
levendig voor den geest, aan Hoopt hebben zij dat te danken.
Zoo heeft Hoopt er dan het meest toe bijgedragen om de
epische overlevering te vormen, die aangaande den tachtig-
jarigen oorlog bij ons heerscht, en dat feit alleen reeds is
voldoende om te bewijzen, dat Hoopt^s „Nederlandsche Histo-
riën" een kunstwerk is van de grootste waarde.
XXXI.
De Muiderkring van 1627 tot 1647.
Sedert het Muiderslot in zijne nieuwe drostin ook eene gulle
vriendelijke gastvrouw herkregen had, kon Hooft zijn drostelijk
verblijf weer maken tot het middelpunt van een gezelligen
vriendenkring, die er dikwijls samenkwam om er kunst en
vriendschap te dienen. Daartoe lag het Muiderslot juist dicht
genoeg bij Amsterdam, zoodat het niet moeielijk te bereiken
was, en toch ver genoeg er vandaan, om het bezoek er aan
tot een aangenaam uitstapje te maken, vooral in den zomer.
In den winter woonde Hooft trouwens in Amsterdam aan
de Oostzijde der Keizersgracht tusschen Brouwersgiacht en
Heerenstraat, over de Groenlandsche pakhuizen in een huis
dat ten Noorden belendde aan de „Valckenaer." In den gevel
van dat woonhuis werd in 1881 bij gelegenheid van een schit-
HKT MÜIDKRSLOT. 149
terend eeuwfeest, toen ter eere van Hooft gevierd, met groote
plechtigheid een gedenksteen geplaatst, die nu echter, helaas,
reeds weer verdwenen is, daar het huis geheel verbouwd
werd, toen men het tot eene R . K . Ziekenverpleging inrichtte.
Dat Hooft ook daar zijne vrienden ontving, spreekt van zelf;
hij zal er allicht nog meer menschen gezien hebben, dan te
Muiden; doch juist die Muider bezoeken zijn ons vooral be-
kend uit zijne brieven aan Amsterdamsche en andere vrienden,
en zoo is er dan ook reeds lang van een Muiderkring sprake
als van een der belangrijkste en aantrekkelijkste tafereelen
uit de historische beeldengalerij onzer litteratuurgeschiedenis.
Het dertiendeëeuwsche, later wat verwaarloosde en vervallen,
maar nu weer in eere herstelde slot van Muiden ligt dicht bij den
Vechtmond en was in Hooft's tijd met zijne vier hoektorens van
alle kanten door eene slotgracht omgeven. Door de getorende
hoofdpoort kwam men op het binnenplein en vandaar in de groote
zaal, waar vergadering gehouden, gehoor verleend en feest gevierd
werd. Tot de versieringen er van behoorde eene schilderij, die de
fabel van Hercules, Nessus en Dianira voorstelde, ons bekend
door een gedicht van Jan Vos. Als wachtkamer voor die
groote zaal liet Hooft zelf een voorportaal bouwen, dat met
veel moeite in 1631 gereed kwam, maar nu weer afgebroken
is. De slotgracht was aan alle kanten door een ruimen moes-
tuin en boomgaard omgeven, beroemd door den overvloed van
heerlijke pruimen, die er groeiden, „die rijpe geeltjes met
haeren waes, uitstekend onder de blaeuwe van Damasco als
starren aen haeren hemel", door Hooft zoo dikwijls als lok-
middelen gebruikt om gasten te krijgen en door hem ook zoo
dikwijls gulhartig aan zijne afwezige vrienden toegezonden.
In dien boomgaard bevond zich Hooft's niet minder beroemd
studeervertrek, het „zeskant huiske", zooals Vondel het in
een dichtbrief aan Hooft noemde, of „zijn torentje", zooals
het menigmaal bij den Drost zelf heet en ook in een klein
gedichtje, dat Jan Vos er op maakte. Dddr heeft Hooft met
onvermoeide vlijt zijne geschiedwerken geschreven. In 1672
bestond het nog, nu is het verdwenen.
Ook vandaaruit zal de Drost menigmaal zijnen gasten als
hartelijk gastheer te gemoet zijn getreden, met wat minder
ernstige waardigheid dan waarmee hij ons nu voorstaat, wan-
150 HOOFT ALS GASTHEER.
neer wij in de senaatskamer der Amsterdamsche Universiteit
zijn portret beschouwen, dat hij in 1629 tegeUjk met dat zijner
vrouw door Michiel van Mierevelt liet schilderen, en waarvoor
hij zelf te Delft ging poseeren. Da&r voldoet hij geheel aan
de beschrijving, die Geeraardt Brandt ons van zijn uiterlijk
gaf. Hij vertoont er zich, tot aan de knieën afgebeeld, als
„lang en maagerachtigh van persoon, ook van aangezicht, met
wakkre bruine oogen, daar de schranderheit van zyn geest
in scheen te spoelen"; als „blondtachtig van hair en baardt
of tusschen blondt en bruin, en bloozend van aangezicht". Een
tweede portret (nu in het Rijksmuseum), in 1642 van hem door
Sandrart geschilderd en door menigeen van een dichterlijk
bijschrift voorzien, moet bij het eerste achterstaan, omdat het
hem niet meer in zijne volle kracht te zien geeft.
Dat Hooft op het slot gaarne logé's en gasten had, laat
zich bij zijne gezellige natuur licht begrijpen. Wanneer hij bij
het begin van de lente het woelige Amsterdam verliet, ge-
voelde hij zich aan den Vechtmond niet zelden eenzaam en
verlaten, ver van die groote wereld, waarin hij zooveel belang
stelde en waarin hij zich zoo goed te huis gevoelde. Wèl trachtte
hij zich te troosten met de overweging, dat men te Amsterdam
zijn bestaan somtijds wat te zeer voelde en dat wie daar op
het kussen zaten niet te benijden waren, met name niet in
1629, toen men er andere „passy preekte als die van onzen
Heere", toen men „er requesten dichtte en steenen raepteom
de Heeren nae 't hooft te werpen", zoodat er de trom geroerd
en de wacht moest betrokken worden ; doch blijkbaar hinderde
het hem, dat hem het nieuws van zijne vaderstad daar te
Muiden zoo laat ter oore kwam, dat hij er leefde „als die de
werelt gestorven zijn oft ten minsten leeren sterven op zyn
philosoophs". „D* eene dagh is den anderen zoo gelijk", schreef
hij aan Baeck, „dat ons leven een schip schijnt zonder riemen
in doode stroom ende stilte". Een andermaal klaagt hij : „Wy
leeven hier als ballingen buiten den zichteinder der nieuwmaeren",
of noemt hij het een werk van barmhartigheid zijne eenzaam-
heid te vervroolijken. Zóó dankbaar is hij den gasten voor
hunne komst, dat hij ze liefst beschouwt als zijne gastheeren,
omdat zij hem op geestelijke spijs onthalen, waarnaar hij te
Muiden zoo dikwijls vasten moest. Moesten zij voor zijne vele
DANIËL MOSTART BN LAURBNS RBAEL. 151
aitnoodigingen bedanken of hun bezoek uitstellen, dan was
hem dat steeds eene teleurstelling.
Om groot gezelschap en luidruchtige feestmalen was het hem
niet te doen: zelf was hij matig en spoedig tevreden en zóó
weinig fijnproever, dat hij zijn wijn koos naar den smaak
van anderen, als hij soms welstaanshalve op fijnen wijn moest
onthalen. „De grootste maeltyden baeren my juist de gi*ootste
vreughd niet", schreef hij : „onder 't getal der Gratiën noch
boven dat van de Musen moet, zeidt men, geen zoet gezelschap
loopen". Het liefst was het hem, als zijne gasten ook wat
nieuw gemaakte verzen of andere letterkundige lekkernij mee-
brachten, waarmee het ernstig gesprek of de schertsende tafel-
kout kon worden afgewisseld. En dan zag hij gaarne zijn
vriend, den Amsterdamschen stadssecretaris Daniël Mostart,
bij zich aan tafel, die door hem en zijne vrienden menigmaal
„de saus" van den letterkundigen maaltijd werd genoemd,
omdat hij — zelf slechts een middelmatig dichter — de gave
bezat, de verzen van anderen zóó voor te dragen dat zij den
gunstigsten indruk maakten. „UE. troone, is 't mogelijk, den
heer Mostaert mee", schreef hij eens aan Van Baerle; „alle
spijs zal te beter smaek hebben met die saus'*. Hij had toen
namelijk „wat nieuws van den Heere van Zuilichem ontvangen,
dat hij, „spaeren wilde tot banket".
Dat hij ook met enkele weinige gasten hoogst tevreden
kon zijn, wanneer het tevens goede vrienden en geestrijke
menschen waren en ook zijn zwager Joost Baeck er toe be-
hoorde, blijkt uit hetgeen hij dezen in 1635 schreef: „De
Heer Vossius oft Reael, nevens UE , zyn my alle de wereldt".
Laurens Reael was hem te meer welkom, omdat hij zoo lang
zijn gezelschap had moeten missen. In 1625 tot vice-admiraal
benoemd, ging Reael het volgende jaar naar Engeland om
Karel I bij gelegenheid zijner troonsbestijging uit naam van de
Staten-Generaal geluk te wenschen en nam daarna onder Willem
van Nassau, wiens dood hij in 1627 in een lijkdicht betreurde,
aan een vrij wel mislukten zeetocht tegen Spanje deel. Nog
een jaar later vertrok hij als gezant naar Denemarken,
maar in 1628 vandaar terugkeerend, leed hij schipbreuk op
de kust van Jutland, waar hij in handen kwam van Keizer
Ferdinands troepen, die hem als gevangene naar Praag en
152 reabl; qbdichten op petrarca.
Weenen voerden. „Syn waerde was de swaerste van syne
boeyen", zooals Hooft schreef, die ook het zijne tot 's ridders
verlossing bijdroeg en op het „loos graf* van zijn vriend een
paar versjes maakte, waarbij Vondel, die zich in hetzelfde
jaar ook naar Denemarken had begeven, eene „bede" in son-
netvorm aan den Keizer voegde. Eerst op het eind van het
jaar volgde de verlossing en eerst in het volgend jaar kwam
hij over Hamburg en over zee naar Amsterdam terug, waar
hij toen in het huwelijk trad met Susanna Moor, zooals wij
o.a. weten uit Hooft's keurigen „Echtzang" en Barlabüs'
„Epithalamium". Na zijn huwelijk verliet Reael Amsterdam
niet weer. Als bewindhebber der Oostindische Compagnie en
als voortreffelijk beoefenaar van wiskundige aardrijksbeschrij-
ving en zeevaartkunde, waaraan hij de vriendschap van Galilei
dankte, behoefde hij geen staatsambt om nuttig te kunnen
werken. Toch werd hij te Amsterdam tot lid van de vroed-
schap benoemd en bekleedde hij daar eenige malen het sche-
penambt, maar toen hem zijne beide zoontjes tegelijkertijd door
de pest waren ontrukt, schokte de droefheid daarover zijn
gestel zoozeer, dat hij spoedig daarop, 10 Oct. 1637, ook zelf
overleed. Huygens schonk hem een Latijnsch grafsöhrift.
Dat Huygens onder de leden van den Muiderkring eene
voorname plaats inneemt, zal niemand ontkennen ; toch is hij
in de laatste twintig jaar van Hooft's leven slechts driemaal
op het slot geweest; maar wat aan persoonlijk -samenzijn ont-
brak, werd vergoed door levendige briefwisseling en toezending
van gedichten. In 1630 gold die briefwisseling Petrarca. Een
„versufte monnick" had een troep dronken boeren aangezet
om het graf van Petrarca te schenden en „alle de poësievan
Italiën dreunde er af'. De Venetiaansche kunstbeschermer
Molino wenschte, dat ook van uit Nederland stemmen zouden
opgaan om te weeklagen over dit vandalisme, en Huygens
gaf aan dien wensch gehoor, niet alleen door drie kleine
Italiaansche versjes en een uitvoeriger Latijnsch gedicht daar-
over te schrijven, maar ook door andere dichters op te wekken
hetzelfde te doen. Hooft vertaalde nu het Latijnsche gedicht
van Huygens in het Nederlandsch en voegde er nog een
klinkdicht bij „op het steuren van Petrarchaes graf'. Bar-
LAEUS deed zich in het Latijn hooren. Van dbr Burqh en
MUZIEK BN ZANG IN DEN MUIDERKRINQ. 153
de Ijeeuwarder dichter W. Snabelius zonden een Italiaansch
gedicht en een advocaat van het Hof van Friesland, P. Knijff,
een Fransch versje, zoodat de Nederlanders niet achterbleven,
toen geheel Europa zijne liefde uitsprak voor den hoofdman
der Renaissance, die ook op onze poëzie, vooral in den Mui-
derkring, zoo groeten invloed had geoefend.
In hetzelfde jaar werd Huygens op het Muiderslot verwacht
in het gevolg van Frederik Hendrik, die het Gooi toen wil-
de bezoeken, doch tijdsgebrek was oorzaak, dat Hooft den
Prins alleen officieel mocht begroeten en onthalen te Weesp,
hetgeen eene groote teleurstelling voor hem was, omdat hij
reeds lang te voren allerlei maatregelen had genomen om den
vorst statelijk op het hooge huis te Muiden te ontvangen.
NatuurUjk moest bij iemand als de Drost die feestelijke ont-
vangst ook een artistiek karakter dragen. Hij had daarom
(vermoedelijk door Vóndel's bemiddeling) „de speelende gezel-
len besproken om onder 't schaffen der spijze eenighe kluchten
aen te rechten'* en ook zijn vriend, den voortreffelijken
organist Dirck Sweelinck, weten over te halen, naar Muiden
te komen, terwijl daar Tesselschade en hare vriendin, de
Fransche nachtegaal, Francisca Duarte er den Prins met
haar liefelij ken zang zouden hebben trachten te bekoren.
Meermalen treffen wij later beide met elkaar op hét Mui-
derslot aan, want Hooft hield bijzonder veel van muziek en
zang en Tesselschade bleef voor hem steeds de oude getrouwe
vriendin, die altijd welkom was en altijd de vroolijkheid
meebracht , als zij voor eenige dagen kwam logeeren. Op haar
zang werden ook anderen genood. Wanneer eenmaal (in 1633)
Brostebhuysen, die zelf de clavecimbel bespeelde, en Van
DBR BüRGH, zelf verdienstelijk luitenist, er op getrakteerd
waren geweest, schreef Hooft haar na haar vertrek: „Brosrjen
en Burghjen konden hier niet duiren , toen UE. weg was. Wy
gingen ze 'snaemiddags quijt. *t Zoud' er anders gegaen
hebben, waeren de deuntjens niet uit geweest. Ach, hoe bin-
den die keelbandenl"
Zelf verheerlijkte Tbsselscha de zangkunst in het meest
bekende der 24 gedichtjes, die wij van haar bezitten: „Onder-
scheyt tusschen een wilde en een tamme zanghster", waarin
eerst de lof verkondigd wordt van den nachtegaal, dat
154 MUZIBK EN ZANG IN DBN MUIDBRKRINQ.
„zingend veedertje en gewieckt geluyt", zooals zij hem in
navolging van Marino noemt, dat „oolyk, vrolyk diertje,
dat in zijn klein lijfje „zulk een kracht van luytruchtigheden
herbergt" en „wiens tjilpend schril geluyt gelijck een orgel
fluyt, veel losse toontjes speelt en met één tongh alleen als
duyzend tongen queelt". Maar verre wordt het „ydel galmen"
van den nachtegaal overtroffen door het woordbezielen van
de „tamme zanghster", die, „zoomers en 's winters even rustigh,
na een liever trant doet luystren het verstandt", en die „waer-
diger onthaelt de geesjes van 't gehoor en hipp'len doet de
ziel van 't hertje tot het oor".
Zij schreef dit gedichtje voor de uitnemende zangeres Maria
Pilt, van wie het ons niet bekend is, of zij zich ooit op het
Muiderslot heeft laten hooren. Evenmin weten wij dat van
de Engelsche nachtegaal, Utricia Ogle, het „tooverende vogeltje",
aan wie Huygens enkele gedichtjes en ook zijn muziekbun-
del gewijd heeft; maar onwaarschijnlijk is het toch niet, daar
Hooft haar kende, zooals blijkt uit het kleine gedichtje: „O
Ogle, ooghelijn der jeugdt: de min te vlieden is geen deugdh',
enz., eene vermaning in 1641 tot haar gericht, waarnaar
zij eerst in 1645 luisterde door Sir William Swann, kapitein
in dienst der Staten, te huwen. Wel weten wij zeker, dat
Jan Vos, bhjkens een zijner sneldichtjes, in 1643 te Muiden
Mevrouw Anna Bloys van Treslong de door Hoopt vertaalde
„Klaght van Koning Henrik de Groote over 't afwezen van
Marie de Mommorency" hoorde zingen.
Maria Tesselschade had echter veel meer aantrekkelijk-
heden dan haar zang. Iedereen te Muiden wist zij te boeien.
Hooft's pleegdochter Susanna dweepte met haar, zooals jonge
meisjes dat kunnen, en hij zelf noemde haar met haar
„ouwde even jonge zoetemelxhart wel gesoorteert met sijn
lieve Leonoor, derwelke zy op eenen roemer tot zinspreuk
toegewijdt heeft: „Altijts vroo". Dat was niet de eenige roe-
mer, dien zij graveerde, want Hooft verzocht haar meermalen
aan zijne bokalen met hare diamanten stift de waarde te
geven van diamant: eene kunst, die zij evengoed verstond
als hare zuster Anna. Zij daarentegen vereerde in hem het
hoofd der poëten en den grooten historieschrijver, bhjkens
haar bijschrift bij zijn portret:
T£S8KL8CHADE EN BARLABUS. 155
„Siet hier u heerlück hooft I dat is de schets in 't kleen
Van al n groote leen.
Geen daistre prophecy en heeft h\j voorgenomen
In 't licht te laten komen;
Maer doet a meenich eeuw de Son terugge gaen
Door zQn Histori-blaen.
Dit is u Hooftman, siet, dit is hy, die bedreven
Op blinde klippen is, om andre licht te geven,
d' Onsterflijcke Poeët, door watert in de vloet
Van steyle tweelingstop , die dayzent Echoos voet*'.
E^enige jaren achtereen was Tësselschade, wanneer zij te
Muiden kwam, vergezeld van haar man, bij wien zij twee
dochtertjes had, Teetje (Taddaea) en Maria; maar in Mei 1634
verloor zij haar oudste dochtertje, en de vader, die zich al
te sterk aan dat negenjarig meisje schijnt gehecht te hebben,
ontving daardoor zulk eene hartewond , dat hij den volgenden
dag, zooals Huygens in een klinkdicht zeide, „daeraen doodt
bloedde". Het wijsgeerig heroïsme, waarmee Tesselschadk
dezen dubbelen slag vei-droeg, noopte Hooft de woorden
zijner hartelijke deelneming grootendeels in de pen te houden.
Dat Tesselschade sedert dien tijd in den Muiderkring als
schoone weduwe verscheen, voerde er een toon in, die er te
voren nog niet werd gehoord, ook omdat in 1632 daar voor
't eerst twee bezoekers onthaald waren, die al spoedig tot
Hooft's beste vrienden zouden behooren: Gbrabd Vossius en
Caspab van Baerle. De eerste, een buitengewoon geleerd en
ernstig man, paste misschien beter bij Hooft persoonlijk, dan
in den geheelen kring; maar met zijn collega Van Baerle
was het anders. Deze was alleen op de katheder professor en
overigens het type van een Renaissanceman : beweeglijk en
spoedig bewogen, soms diep zwaarmoedig, maar dikwijls ook
luidruchtig vroolijk en onuitputtelijk van vernuft. Vijand van
azijnzure gezichten en lichtschuwe kerkuilen, noemde hij zich
zelf, al bezong hij ook Christelijke onderwerpen, een half-
heidensch dichter („semipaganus poeta"), wien het jolige leven
der Ouden veel meer aantrok, dan het eenigszins ascetisch
gekleurde Christendom, en die door de levendigheid van zijn
geest en de slagvaardigheid van zijn goedmoedig vernuft
spoedig de ziel was van elk gezelschap, dat hij bezocht.
Toen nu in het midden van 1635 zijne Barbara hem ont-
156 TBSSBLSCHADB EN BARLAEU8.
vallen was, betreurde hij zijne huisvrouw wel in rhetorisch
Latijnsch proza, maar blijkbaar meer als bedgenoot dan als
persoon, zoodat hij, zelfs als vader van zeven kinderen van
zeven tot twee-en-twintig jaar oud, zich nog jeugdig genoeg
gevoelde om soms met onstuimigen hartstocht naar eene
tweede echtgenoote te verlangen; en het getuigt in elk geval
voor zijn goeden smaak, dat hij die meende gevonden te
hebben, toen hij in het begin van 1636 te Amsterdam
voor het eerst met Tesselschade kennis maakte. Hooft
die hem wel „een bescheiden plaetsvulster van zyne waerde
saelighe Barbara toewenschte*', moedigde Van Baerle terstond
aan en beproefde hem met Tesselschade op het Muiderslot
nader in aanraking te brengen, terwijl Huygkns hem in het-
zelfde jaar en na een gezellig samenzijn van vele goede
vrienden aan Hooft's gastvrijen disch in eene reeks van schert-
sende Latijnsche puntdichtjes, die hij — eigenlijk tegen zijn
zin — vernuftig wist te beantwoorden, vermakelijk, maar wat
te plomp, plaagde, zoowel met zijne watervrees, die voor hem
de Zuiderzee onbetrouwbaar maakte, als met zijne hefde voor
het mooie weeuwtje, dat hij plan had, te Alkmaar te gaan
opzoeken. Ook Tesselscha werd geplaagd met haar Belusar
(d . i . Schoon gebruik), zooals Hooft Barlaeus' naam omspelde,
en met den dichtstrijd, dien zij had uitgelokt; en zij vond het,
zooals zij schreef, „geene kleene troost een ballon te zijn, daer
de armen der geleerde luyden mee kaetsen*', maar in een
tweede huwelijk had zij geen zin. Zelfs bepleitte zij in theorie
het coelibaat tegenover Van Baerle, die het huwelijksleven
voorstond.
Een paar jaar later wist Hooft zijn vriend nog naar Muiden
te lokken met de aankondiging, dat daar „de Meereminnen"
(Tesselschade en Francisca Duarte) te verwachten waren, op
welk „paer klaere keelen" hij ook andere „gezuiverde ooren
te gaste" noodde, zoodat het toen weer feest was te Muiden.
Langzamerhand werd Van Baerle Tesselschade's „vryer om
welstaens wil", zooals Hooft het uitdrukte, en Tesselschade liet
zich die dichterlijke vrijerij welgevallen, die welhaast niet
anders was dan vriendschap iii pikanten vorm.
Vooral moest deze, aanvankeUjk zeker wel ernstig gemeende,
liefde bij Barlaeus haar ernstig karakter gaan verhezen, toen
HÜYGKNS ALS MKDKVRIJKR VAN BARLAEÜ8. 157
HuYGENs na den dood zijner Sterre ook deed alsof hij het
geestige weeuwtje tot vrouw begeerde en dus als zijn mede-
dinger optrad, zonder dat hunne vriendschappelijke verhou-
ding er ook maar in het minst onder leed. Duidelijk blijkt
dat uit de vele, meest Latijnsche, gedichtjes, waarin zij elkaar
wederzijds plaagden met hunne gemeenschappelijke hofmakerij
van dezelfde toovenares, die „het oude jonck, de steenen
groen maeckte."
Deze woorden komen voor in het bekendste der weinige
gedichtjes, die Van Baerle voor Tesselscha, omdat zij geen
Latijn verstond, in het Nederlandsch schreef, namelijk in zijn
dankdicht „aen de aerdige Tesselschade voor het festoen, (in
1639) opgehangen te Muyden" in de „Geluckige Sale daer 't
weeuwtjen in spoockte": eene versiering, waarmee zij aan de
drostelijke hooge zaal zulk een feestelijk aanzien wist te geven.
Van haar smaakvol vlechtwerk van bloem- en vruchtfestoenen
zeide hij in een ander gedichtje, navolging van een zijner
Latijnsche verzen, „dat het alleen geen enckle zoen, maer
meer kusjes waerdig" was, dan er bladeren aan te tellen
waren, „die de handt gevlochten heeft van de zoetste die
daer leeft". Tesselschade's andere begaafdheden zijn door
Barlaeus in keurige Latijnsche gedichten geprezen, waar-
van er sommige door Bilderdijk voortreiBFelijk zijn vertaald,
o.a. het inhoudrijke gedicht op „Belvedère", Tesselschade's
woning in den Alkmaarder Hout, een zetel der kunsten, een
tempel der wijsheid, grootendeels gemeubeld met kunststukken
van Tesseltjes eigen hand, die al wat er maar schoons en
bekoorlijks te bedenken viel te voorschijn wist te tooveren.
Dat HuyoENS een ernstig mededinger naar de hand zijner
oude vriendin zal geweest zijn, kan betwijfeld worden. Hij
hield er nu eenmaal van, vriendschapsbetrekkingen te onder-
houden met begaafde vrouwen, die hij gaarne in verzen hul-
digde, zooals bv. ook reeds vroeger, maar later nog telkens
weder, Anna Maria Schuermans; maar toch deed die geleerde
jonkvrouw, die zelfs de studie van het Aethiopisch ondernam,
in zijn oog verre onder voor Tesseltje, en niet minder in dat
van Barlaeus en Van der Burgh, die het er over eens waren,
dat „haer werk nae schoolmeesterye" riekte, terwijl Tesseltjes
„verheven vernuft zwanger ging met buitenwereldsche invallen'*.
158 HUYGENS' POGINGEN OM TBSSBLSCHA TB BEEBBRBN.
In elk geval kon er bij 's Prinsen secretaris, al waren zijne
„tong en penn en hand in vrijheid noyt verkocht, alleen
verknocht aan 't vorstelick bevel dat onse Vrijheid plantte",
geen denken zijn aan een huwelijk met Tbsselschade, zoolang
zij vast bleef houden aan haar katholiek geloof, waarop zij
zelfs bij het toenemen van haar leeftijd meer en meer prijs
begon te stellen, zooals ook de wijsheid van Anna Maria
Schuermans later meer en meer in theologische haarklooverij
en eindelijk, ten spijt van Huygens, in piëtistische dweperij
met Jean de Labadie verliep.
Wie zou willen staande houden, dat Huygens ernstig gehoopt
heeftop Tesselschade's hand, zou daarvoor als bewijsgrond kun-
nen aanvoeren, dat een man als hij, die nooit als ijveraar voor
eenig geloof was opgetreden, toch zooveel moeite heeft gedaan
om haar tot het protestantisme te bekeeren, en dat wel op
half meesterachtigen, half hekelenden toon, dien hij met zijne
genegenheid voor haar trachtte te verontschuldigen door te
zeggen: „lek spaer de roede niet, ick heb het kind te lief',
want dat antwoordde hij in 1642 aan Barlaeus, toen deze
zijne „rouwe bestraffing over Tesselschade miss-geloove" had
afgekeurd.
Vier jaar lang sloeg Huygens bij tusschenpoozen op het
zelfde aanbeeld. Hij herinnerde haar aan haars vaders vrij-
zinnigheid, beweerde, dat „een stall-licht haer missleydde",
dat haar geloof schipbreuk zou lijden en dat dit dan de ware
„Tessels-schade" zou wezen. In het begin van 1645 gaf Van
Baerle negen stichtelijke gedichtjes van Huygens uit onder
den titel Heilige Daghen, met eene dichterlijke opdracht aan
Leonora Hellemans. Eén van die gedichtjes was aan „'sHeeren
Avondmael" gewijd, en dat gaf aan Huygens aanleiding om,
toen hij een exemplaar van het bundeltje aan de „beroemde
maer eilaes! beRoomde Tesselscha'* zond, daar een lang ge-
dicht bij te voegen, dat fel en hatelijk de mis bestreed en dat
begon en ook besloot met de opwekking: „Kom, Tessel, uyt
de Miss en uyt het misverstand!" Tesselscha schijnt aan
Huygens zijne aanvallen niet kwalijk genomen te hebben,
want kort daarop logeerde zij eenige dagen bij hem in Den
Haag Blijkbaar hield zij wel van disputeeren en werd er niet
door in tweestrijd met zich zelf gebracht. „Vergeefs gepreeckt".
HBT PRBCIEUSB IN DEN MUIDBRKRING. 159
achtte zij het, daar „door Godts genaed de keur niet aeu haer
stond''; zij voelde zich veilig op „Sinte Pieters schip**, en, als
zij de mis hoorde, hoorde zij „de waerheyt", terwijl Huyqbns
„altijt mis hoorde", zooals zij in een puntdicht zeide.
Men ziet, ook bij dezen emstigen geloofsstrijd ontbrak het
niet aan woordspelingen : die kon men in den Muiderkring blijk-
baar niet missen , en vooral Huygens was er ver in. Ook was
de ingenomenheid er mee destijds internationaal, al wordt er
ook minder geest dan oefening voor vereischt, evenals voor
het oplossen van raadsels en rebussen en het te pas brengen
van anecdoten. Zoo ergens, dan is vooral hier maat houden
noodzakelijk, en ongelukkig kan niet worden beweerd, dat
de leden van den Muiderkring in dezen gewoonlijk binnen
de perken van den goeden smaak bleven. Alleen Barlaeus,
die over zooveel oorspronkelijk vernuft beschikte, schaamde er
zich wel een beetje over, als hij aan die mode moest mee-
doen, zooals o. a. blijkt uit een brief van hem aan Hooft,
waarin hij naar aanleiding van een vernuftswedstrijd met
epigrammen, die Huygens met hem had aangegaan, schreef:
,Ik heb geantwoord, zooals ik kon, niet zooals ik mlde. Dit
schrijf ik, opdat ge niet meenen moogt, dat ik alle woord-
spelingen veracht". Hij wilde zeggen: eene woordspeling kan
op zijn tijd wel aardig zijn, maar Huygens gaat er zich aan
te buiten. Ook Hoopt zag Huygens liever „werken in de
gloory des Prinsen", dan in gezochte puntdichtjes alles op-
offeren aan den lust om eene aardigheid te zeggen.
Evenmin was Van Baerle ingenomen met Huygens' duister
Latijn. „Het is den goden eigen zich in wolken te hullen",
schreef hij aan Hooft, „ik voor mij word gaarne van alle
kanten bekeken, en in het schrijven streef ik bovenal naar
duidelijkheid. De bevalligheden worden zonder omhulsel afge-
beeld. Deze zijn het, die ik in u vereer'*. Met deze beleefdheid
aan het adres van Hooft besloot hij zijne fijngeestige critiek
in den hoffelijksten vorm. Ook het Latijn zelf van Huygens
kon Barlaeus, die zijn roem buitenslands vooral aan de
elegantie en keurigheid zijner woordenkeus en zinswending
te danken had, niet hoog stellen, daar de veelschrijvende en
l)ovendien door bezigheden overstelpte staatsman geen tijd
lad om met de keurigste schrijvers der Oudheid te wedijveren,
160 DE VROOLIJKHKID IN DEN MÜIDKHKRING.
maar het Latijn schreef, zooals het toen onder mannen van
studie in den dagelijkschen omgang meest gesproken werd,
met dooreenmenging van woorden en zegswijzen uit allerlei
perioden der Latiniteit. Toch heeft Barlaeus aan Huygens
den dienst bewezen, in 1644 diens gezamenlijke Latijnsche
gedichten onder den titel Momenta desultoria uit te geven in
negen boeken, waarvan er acht alleen puntdichten bevatten.
De eigenaardige verhouding, waarin Tesselschade, Huygens
en Van Baerle tot elkaar waren komen te staan, deed niets
aan hunne vriendschap te kort en werd zelfs de kruiderij van
hun gezellig verkeer. Meesterlijk verstond men in den Muider-
kring de kunst, elkaar jong van hart te houden ook bij het
klimmen der jaren, en de wat oudere Hooft verlustigde er
zich blijkbaar in, zulk een vroolijken kring te kunnen bijeen-
brengen. Kenmerkend voor den prettigen toon, die er heerschte,
is een brief van 30 Aug. 1644, geschreven aan Huygens, die
in dienst van den Prins aan de belegering van Sas van Gent
deelnam en dus niet van de partij kon zijn. Deze draagt de
onderteekening van Hooft en zijne vrouw, van Tesselschade,
Barlaeus en Dirck Graswinkel, en luidt aldus: „Terwyl
UE. Gestr. daar dondert en blixemt tegens 't Sas, met groove
stukken van metaal, dondren en blixemen wy hier, met fjme
stukken van kristaal, teegens UE. Gestr. achteloosheit in
't stuk van woordthouding aan dit huis, dien d' eere van
een bezoek belooft was by handtteeken en zeegel. D' een
vermeet zich te bewijzen, met den beeker in de handt, dien
hy aanneemt daarop uit te veeghen, dat de windt slechts
anderhalf aas meer weeght dan UE. Gestr.; d' ander wil
staande houden met hetzelfste geweer, dat ÜE. Gestr. wel
drie aazen lichter is. De derde drijft, tot naadeel van UE.
Gestr., dat het noch veel meer scheelt, en voeght er by, noit
tot noch toe gelooft te hebben, dat er ydel in de natuur was:
dat hij nu, oovertuight door ondervinding, het teeghendeel
bekennen moet, houdende UE. Gestr. voor 't ydel! Elk wat
verzacht door 't drinken van den nectar, ons geschonken in
haare laatst uitgekome Gedichten, bidt daarentussen voor
UE. Gestr. bekeering, en maakt beurtelinx daarop, gelijk t'
effens op haare behoudenis en den ondergang van 't Sas,
een versch vat van drie mutskens leedigh". Hoe men ook
OBLSBRDEN BN 8TAATSLIBDBN OP HBT MUIDBRSLOT. 161
over den Muiderkring oordeele, zwaar op de hand als het
gros der Nederlanders waren Hooft's vrienden in elk geval niet.
Doch ook deftiger gasten waren Hoopt welkom: mannen
van aanzien in den staat of beroemd in de wetenschap. Zoo
kon men op het Muiderslot behalve Vossius ook 'sgastheers
neef Pieter Jansz. Hooft aantreffen, die, rechtsgeleerde van
beroep, ook als bekwaam natuur- en scheikundige in eere
geweest was aan het hof van Keizer Rudolf II, tot hij naar
Amsterdam terugkeerde, waar hij tot aan zijn dood in 1636
eene plaats in de schepenbank innam; en verder Hooft's aan-
gehuwden neef Joachim van Wikke voort, den Majoor-generaal
Jacob Wytz, Dr. Nicolaas Tulp, Hooft's huisarts, den Alk-
maarder doctor Pauw, Hadrianus Junius, den rector der
Latijnsche School, den geleerden Dirck Graswinkel, fiskaal
van 't Hof van Holland, en vele anderen. Dat ook Descartes
m
het Muiderslot zou bezocht hebben, valt van dien eenzelvigen
wijsgeer te betwijfelen, maar bekend is het, dat ook Hoopt,
evenals Huygens, met hem bevriend was en bij zijn tegen-
stander Voetius als Cartesiaan te boek stond. Uit het feit, dat
zijn vriend, de Utrechtsche hoogleeraar Henricus Reinerus,
hem uit Descartes' naam een exemplaar van diens „Discours
de Ia methode" aanbood „pour Ie grand estime", zooals deze
er bij schreef, „qu'il fait de vostre mérite", blijkt tevens, hoe
hoog HooFT ook onder de wijsgeeren als vrijzinnig denker
stond aangeschreven.
Van zijne oude vrienden zag Hooft te Muiden zoo nu en
dan ook Dr. Samubl Coster, o. a. in 1631 en ook nog in
1646, en jaren lang was ook Vondel er een gewenschte gast, die
telkens uitnoodigingen ontving, van wien telkens in brieven
sprake is, die aan Hoopt in 1628 uit Denemarken, waar hij
zich toen voor handelszaken bevond, twee dichtbrieven toe-
zond en ook later vele andere gedichten, terwijl hij hem (in
1634) in de gelegenheid stelde, op het slot een „poëtischen
maeltijdt" te houden, daar hij toen het vijfde boek zijner
Constantinade aan Hooft's gasten kwam voordragen. Zoo bleef
Vondel minstens tot 1640 toe een welkom lid van den Muider-
kring, al valt het te betwijfelen, of hij daar wel veel tot het
vroolijk samenzijn bijdroeg, want in gezelschap was hij op-
merkelijk weinig spraakzaam, en hij wist dat zelf ook, daar
II 11
162 VERWIJDERING TÜSSCHEN HOOPT EN VONDEL.
hij als bewijs daarvan eens aan Geeraardt Brandt vertelde, „dat
hy, op een tijdt ten haize van den Heere Joost Brasser in 't
gezelschap van Hugo de Groot, Vossius en Barlaeus termaal-
tydt genoodigt, onder 't eeten niet een enkel woord sprak,
't welck den bysitteren vreemdt voorquam".
Sedert 1643 was het op eens met de vriendschappelijke ver-
houding onzer beide grootste dichters gedaan. Ongetwijfeld was
Vondel daarvan de schuld. Hij was kort te voren tot de
Katholieke kerk overgegaan en toen met den overdreven,
schoon begrijpeUjken, ijver van ieder bekeerling bezield ge-
raakt. Onder suggestie van anderen (naar w^' althans
mogen hopen), had hij zich niet ontzien, den edeldenkenden
Drost gruwehjk te beleedigen, misschien echter zonder
zelf al het grievende dier beleediging te beseflTen. Hooft
was namelijk voor het Hof van Brussel in proces over
goederen zijner vrouw, en nu maakte Vondel daarvan
misbruik om hem nog meer vrijheden voor de pausgezinden
in het Gooi te willen afdwingen, dan zij reeds genoten,
zeggende, zooals wij door Brandt weten, ,dat hy hun te wil be-
hoorde te zyn, of dat het hem anders te Brussel moght schaaden",
waarop Hooft terecht zeer ontevreden antwoordde, „dat hy zich
dfitarmede niet hadt te bemoeyen en dat hy die taal voor een
dreigement nam". Vondel schijnt niet gevoeld te hebben, dat
zulk eene bedreiging geUjk stond met poging tot omkooping
van een ambtenaar in zijn beroep, door zijn eed verplicht de
verordeningen op het houden van Roomsche conventikelen te
handhaven.
Tevens toonde Vondel daarmee, dat hij, ondanks zijn veel-
jarig, uiterhjk zoo vriendschappeUjk, verkeer met den Drost,
nooit eenig begrip had gekregen van diens ware karakter,
althans niet van diens vrijzinnigheid en onbaatzuchtigheid.
Hooft had al jaren lang, alleen uit afkeer van allen gewe-
tensdwang, aan de Gooische katholieken oogluikend zooveel
vrijheid verleend, als hij maar eenigszins in zijn ambt mocht
en kon doen, en terwijl die 7an Regeeringswege binnen zekere
grenzen veroorloofde oogluiking elders aan den baljuw of
schout een niet onaardig sommetje opbracht, waarvoor de
Katholieken haar kochten, stelde Hooft er zijne eer in, „nooit
voor die ooghluiking, by uitkoop of gift, den gantschen tydt
YERWIJDBRINQ TÜS8CHBN HOOFT EN VONDEL. 163
zyner bediening eenen penning te willen genieten", evenmin
als hij eenig aandeel verlangde aan de opbrengst der verbeurd
verklaarde goederen van misdadigers, waarop hij toch aan-
spraak had. Trouwens onbaatzuchtigheid was een der edelste
trekken van zijn karakter en van zijne jeugd af had hij op
geldbezit weinig prijs gesteld, over geldverlies zich gemakkelijk
weten te troosten. Vondel's veronderstelling, dat bedreiging
met financiëele schade bij hem noodig was, om hem tot
vrijzinnige toepassing der verordeningen te bewegen, of doel-
treffend zou hebben kunnen zijn, om hem tot plichtverzuim
over te halen, moest den Drost dus wel ten diepste grieven en
hem tot de ontdekking brengen, dat Vondel's vriendschap
voor hem nooit op ware hartelijke sympathie had berust. Wat
er dientengevolge van zijne eigene vriendschap voor Vondel
overbleef, was, bij alle waardeering van zijne kunstbegaafd-
heid, niet veel meer dan deernis, wanneer daartoe aanleiding was.
Vondel nochtans schijnt niet spoedig begrepen te hebben,
wat hem Hooft's genegenheid had ontroofd. Zijne geloofs-
verandering had hem vele vijanden bezorgd, en hoever Hooft
boven deze stond, zag hij niet in, evenmin als Geeraardt Brandt,
die, omdat hij zelf Vondel's bekeering zoo sterk afkeurde,
daarin de eerste oorzaak der verwijdering tusschen Hooft en
Vondel zocht. Hij deelde ons het volgende briefje van Vondel
aan Hooft mede: „Ik wensch Kornelis Tacitus een gezouten
zaaUg nieu jaar, en dewyl hy my zijn geusetaafel verbiedt om
een onnoozel Ave Maria, zoo zal ik somtydts noch een Ave
Maria voor hem lezen, opdat hy sterve zoo devoot Catholyk
als hy zich toont devoot Polityk." Over de naïveteit der laatste
woorden moge Hooft hebben kunnen glimlachen, Vondel's
veronderstelling, dat hij er een geuzentafel op nahield, waarvan
hij alle KathoUeken weerde, heeft hem als eene andere be-
leediging moeten voorkomen, hem door zijn ouden vriend aan-
gedaan tegen beter weten in.
Immers Vondel wist, hoe welkom Tesselschade en ook hare
zuster Anna steeds aan Hooft'S tafel bleven, al nam ook beider
katholieke devotie met de jaren toe. Hij wist, hoe bevriend
Hooft levenslang geweest was met een overtuigd en ijverig
katholiek als Cobnelis Gijsbertsz. Plemp, den geleerden
mnziekbeoefenaar, geneeskundige, advocaat en taaikenner (ook
164 hoopt's katholiekb vrienden.
van onze moedertaal), den keurigen dichter van vele Latijnsche
„Poematia", waaronder de beide boeken „De Patria" of »Am-
sterodaraum Monogrammen", en van enkele Nederlandsche,
waaronder „Der Herdooperen Anslach op Amsterdam" (naar
't Latijn van Jan van Nieuwveen), maar die toch boven en
in alles katholiek was, zoodat Vondel hem bij zijn overlijden
in December 1638 deze woorden in den mond kon leggen:
„boven poëzy en snaar omhelsde ick y vrigh 't Roomsch altaar".
Het was Vondel evenmin onbekend dat Hooft met de Leu-
vensche geleerden in vriendschapsbetrekking en briefwisseling
stond, en zeker evenmin, dat juist in denzelfden tijd, waarin
hij als katholiek zich de zoogenaamde geuzentafel van den
Drost ontzegd rekende, daaraan een welkom gast was de
priester en rector van het Haarlemsch begijnhof Joan Albert
Ban, die in 1637 in eene merkwaardige Latijnsche verhande-
ling eene (gedeelteUjk nieuwe) theorie der muziek uiteenzette
en in 1642 onder den titel Zangh-Bloemzel aan zijn vriend
HuYGENS een bundel van meerstemmige composities opdroeg,
waarin, behalve een enkel gedichtje van Huygens en van
Tesselschade („Wilde en tamme zanghster"), zes liedjes van
Hooft op muziek gebracht zijn en ook een paar lofdichtjes
van Ban zelf op Huygens en op Hooft, het laatste met den
slotregel: „Dies eeren wy u, Hooft, o roem van 't vaderlandt."
Nog een ander katholiek had men in dien zelfden tijd aan
Hooft's disch kunnen zien aanzitten, namelijk den ververen
glazenmaker Jan Vos, die, sedert hij in 1641 met zijn treur-
spel „Aran en Titus" aller aandacht getrokken had, door den
Drost „eens voor al op 't slot te Muiden'* genoodigd werd,
zooals hij zelf met zekeren trots vermeldde. Dat hij er gaarne
verscheen, valt niet te betwijfelen, want „wie dichtkunst mint
is gi*aag by 't Hooft der Zanggodessen", zeide hq, en aan het
vernuftsspel der andere gasten nam hij er naar vermogen deel,
zooals blijkt uit de sneldichten, die hij te Muiden voor de vuist
maakte.
Drie jaar nadat de verwijdering tusschen Hooft en Vondel
ontstaan was, heeft de laatste nog eens beproefd, den ver-
scheurden vriendschapsband weer aan te knoopen. Hij had
toen (1646) juist zijne prozavertaling van „Publius Virgilius
Maroos Wercken" uitgegeven met eene opdracht aan Huygens,
hoopt's dood. 165
die er, evenals Barlaeus, te onrechte zeer ongunstig over
oordeelde, en zond daarvan een exemplaar aan Hooft met een
vriendelijk briefje, waarin hij voor dien „Parnasheiligh'* toe-
gang verzocht en oude herinneringen ophaalde, terwijl hij er
op wees, hoe vele hunner gemeenschappelijke vrienden reeds
overleden waren. „Reael leit in de Westerkerck", schreef hij,
„Plemp, [Jacob] Baeck, Blaeuw, Victoryn en Mostert leggen
in de Nieuwe kerck onder de zercken gekropen: een teken,
dat wy volgen zullen : Godt geve ter zalige ure*'. Hooft echter
schreef beleefd en vriendelijk terug, maar zonder een enkel
woord, waaruit kan worden opgemaakt, dat Vondel's uiting
van hartelijkheid weerklank bij hem had gevonden.
Weldra ook zou herstel van de vriendschapsbreuk niet
meer mogelijk zijn. Hooft had er zich op voorbereid, dat hij
spoedig zijne overleden vi'ienden volgen zou. In de laatste
jaren had hij veel geleden aan jicht en graveel, al trachtte hij
zich ook goed en blijmoedig te houden ; maar dat hij zijn groot
geschiedwerk niet zou kunnen voltooien, begreep hij reeds lang.
Had hij op H eind van 1646 ook geschreven, dat hem nu, nadat
hij veel had moeten lijden, „'t leeven weeder begon toe te lachen",
in Maart van het volgende jaar gaf hij aan Broeder Gabriël
te Leuven zijne vrees te kennen, dat het hem „niet gelukken
zou het werk wijder te brengen by mangel van gezontheit oft
leeven, want", voegde hij er bij, „d'eene wort dikwijls be-
streeden en 't ander luistert my, die staa om op den 16tien
deezer maant in myn 67© jaar te treeden, in 't oor: Tempus
abire mihi^\
En zoo was het ook. Zijn verjaardag mocht hij nog beleven,
doch toen hij twee maanden later naar Den Haag was ge-
gaan, om er de begrafenis bij te wonen van Frederik Hen-
drik, op wien hij, als zijn laatste dichtwerk, nog drie graf-
dichtjes maakte, werd hij daar ongesteld en stierf er 24 Mei
1647 ten huize van zijne stiefdochter Constancia, die er ge-
trouwd was met den oudburgemeester van Rotterdam en lid
der gecommitteerde Raden van Holland, Johan van der Meyde.
Zijn lijk werd naar Amsterdam overgebracht en daar in het
koor van de Nieuwe kerk bij dat zijns vaders bijgezet.
Zijne trouwe vrienden, geheel de Nederlandsche Parnas was
in rouw en aan lijkzangen ontbrak het niet: die van Rbyer
166 HOOPT GEHULDIGD.
Anslo vooral werd geroemd; maar de Schouwburg wilde aan
den vader van het Nederlandsch treurspel eene openbare
hulde brengen. Op den dag na zijne begrafenis wilden de
Regenten hem eeren met eene vertooning van zijn ^Geeraert
van Velsen/' voorafgegaan door eene lijkrede, die in der
haast moest worden opgesteld. De jonge Gbbbaabdt Brandt,
zoon van den schouwburgregent Gerrit Brandt, kreeg, omdat
de tijd kort was, de opdracht, de beroemde hjkrede, in 1586
door Du Perron op Ronsard gehouden, in het Nederlandsch
te vertalen en waar dat noodig was door wijziging en aanvul-
ling op Hooft toepasselijk te maken. Niet onverdienstelijk
heeft de jonge man zich van die taak gekweten, en de eerste
tooneelspeler van dien tijd, Adam Kabel van Zjermbs, heeft
door het uitspreken er van dezen Ujkdienst tot eene indruk-
wekkende plechtigheid gemaakt. De beschuldiging van plagiaat,
die Brandt al spoedig in een schimpdicht naar het hoofd
geworpen is, was ongetmjfeld onverdiend, daar hij juist zijn
best had gedaan om door zoo nauwkeurig mogeUjk te vertalen
ieder deskundige in staat te stellen het origineel te herkennen,
en JoAN Six VAN ühandelibr heeft hem dan ook in een
scherp gedicht afdoende „teegen 't lasterschrift" verdedigd.
Even onverdiend was een later verwijt, dat Vondel in de
lijkrede opzettelijk doodgezwegen zou zijn, terwijl Huygens en
Van Baerle er in waren toegesproken, want deze zaten daar
als Hooft's beste vrienden, die hem de laatste eer waren
komen bewijzen, en iedere verheerlijking van Vondel zou
hier misplaatst geweest zijn, waar het er alleen om te doen
was, den Drost te huldigen, als „den grootsten dichter dien
HoUandt ooit zagh". Of wel iemand in 1647 de waarheid
van die uitspraak in twijfel zal getrokken hebben P Ik geloof
het niet. Vondel zelf althans dacht er evenzoo over, als men
gelooven mag, wat Reyer Anslo ons vertelt van diens opge-
togenheid na het hooren van deze lijkrede. En zeker was met
Hooft zoo al niet de talentvolste, dan toch in elk geval de
beroemdste, de invloedrijkste, de meest zijn tijd kenmerkende
dichter van de eerste helft der zeventiende eeuw heengegaan.
De tweede helft dier eeuw behoorde aan Vondel.
In de geschiedenis onzer letteren neemt Hooft's Muider-
kring eene éénige, schitterende plaats in, en gaarne zeggen
vondbl's „maeqhdbn". 167
wij JoHANNEs VoLLENHOVB na, wat hij in 1671 aan Arnout
Hooft bij het uitgeven van zijns vaders werken toezong: „Te
Muiden was de ware Helikoon, en Hooft Apol, op 't hoge
Slot gezeten: daar paste hem der dichtren lauwerkroon: Dien
galden tydt moet HoUant nooit vergeten!"
XXXII.
Vondel als de dichter van het Catholicisme.
De verwijdering van Hoopt en Vondel, de beide heroën
onzer litteratuur, werpt eene sombere schaduw op de schoonste,
de zonnigste bladzijden der geschiedenis onzer letterkunde. En
toch gaat ook uit die schaduw voor ons een poëtisch licht op
over het leven onzer vaderen in dien gulden tijd. Vondel's
overgang tot de Katholieke Kerk was daarin een veelbeteeke-
nend feit.
Menigeen had dien overgang al enkele jaren te voren zien
aankomen, want waar Vondbl's hart heen trok was voor de
bestrijders van zijn „Gysbreght van Aemstel" reeds in 1637
niet twijfelachtig geweest, al werden eerst in de uitgaaf van
1659 vier versregels aan den engel Rafaël in den mond ge-
legd om aan te sporen tot volharding „by 't out geloof'. Ook
kon Vondel in 1639, toen hij zijn treurspel Maeghden uitgaf,
wel niemand diets maken, dat uitsluitend „groote zucht tot
zyn geboorteplaats Agrippine" hem den marteldood van St.
Ursula met hare elf duizend maagden, van haar bruidegom
Aethereus en van Paus Cyriacus had doen kiezen tot onder-
werp van een treurspel, maar begreep iedereen, dat bovendien
ook ingenomenheid met de door Protestanten verfoeide heili-
gen- en reliquievereering zijne keus had bepaald. Immers, als
op het eirid van het stuk de geesten der door Hunnenpijlen
doorboorde Ursula en Aethereus koning Attila en zijn maar-
schalk Juliaen op de vlucht hebben gedreven en Ursula's
geest opnieuw aan Keulen's burgemeester en aan den aarts-
bisschop Aquilijn verschijnt om hun mee te deelen, dat door
Attila's vlucht het beleg der bedreigde stad is opgeheven, wordt
tevens voorspeld, dat weldra ook de overblijfsels der Drie-
168 yONDBL*S BBKBBBINO DOOR DB JB8UIBTBN.
koningen naar het „heiligh Agrippijn" zullen gevoerd worden
om daar in een „Driekoningskoffer*' den trots van de prach-
tige Domkerk uit te maken en er toe bij te dragen, dat de
stad in het geloof zou blijven volharden „als een echte oprechte
Roomsche dochter", terwijl de aartsbisschop met zienersblik
reeds de door Clematius gestichte „Maeghdekerck" voor zich
ziet, waar „Sinte Ursul noch feest noch ommegang" zou ont-
beren.
FeiteUjk echter had Vondel's overgang eerst plaats in 1641,
zooals gebleken is uit de „Litterae Annuae^' der Jesuieten, aan
wie ook Vondel zelf in een door hem medeonderteekend
schrijven aan Paus Clemens X (van 1670) de eer zijner be-
keering gaf. Deze waren dan ook, ofschoon bij placaat van
1612 uit de Vereenigde Gewesten verbannen, door de ooglui-
kende vrijzinnigheid der Regeering overal als missionarissen
ijverig werkzaam om bekeerlingen te maken, en slaagden
daarin zóó goed, dat in al te angstvaUige kringen zelfs voor
verraad van het land aan den vijand kon gevreesd worden
en de heftige Calvinisten geneigd konden zijn, ieder niet-
strengrechtzinnige van papisterij te verdenken.
Welke missionaris het bepaaldelijk geweest is, die Vondel
tot de Kerk bracht, is nog niet bekend. Men heeft aan Pater
Petrus Laurentius gedacht, die in 1642 eene der drie toen-
malige statiën te Amsterdam, namelijk die van den Krijtberg,
stichtte, maar dan zou men althans wel een enkel gedicht van
Vondel op dezen priester bezitten, zooals men een lijkdicht
van hem heeft op Pater Augustinus van Tellingen (f 1669),
die „tot zijn hooge daegen het lastigh kruis geduldigh heeft
gedraegen" als pastoor der statie de Papegaai, wat hij reeds
van 1620 af geweest was.
Nog acht andere gedichten maakte Vondel op den stichter
of op leden der Jesuietenorde, terwijl hij ook in 1657 met een
viervoudigen lierzang zijne vreugde uitte over het herstel der
Jesuietenorde te Venetië door de bemoeiingen van Paus
Alexander VII, wiens inwijding en uitvaart hij eveneens met
een lierdicht begeleidde. Zijn gedicht„Ophet eeuwgetijde van
den H. vader Ignatius de Loiola", in 1656 gevierd, bewijst,
hoeveel bewondering hij had voor dien „soudenier" van Jezus,
die „Christus zegenrijken standert" verhief tegenover de „slag-
OORZAKEN VAN VONDEL's BEKBRBING. 169
ordens van den Vorst der helle" en aan zijne volgelingen het
voorbeeld gaf om „godvruchtigheid en tucht en letterwijsheid
in de steden" te voeren en „in Oost en West by d' Indianen
nieuw gebouwde kerken te doen rijzen", zooals bv. Franciscus
Xaverius had gedaan, wiens „pater noster" hij als eene kost-
bare nalatenschap reeds in het eerste jaar na zijne bekeering
bezong en op wiens eeuwgetijde hij in 1652 een lofzang aan-
hief.
Was Vondel dus levenslang de Jesuietenorde dankbaar voor
zijne bekeering, hoe kwam hij zelf aan de neiging om bekeerd
te willen worden? Op die vraag heeft reeds menigeen een
antwoord trachten te geven, en daar het voor eene les van
wereldwijsheid gehouden wordt, bij alle raadselachtige hande-
lingen te zoeken, of het soms ook „de vrouw" is, die de hand
in H spel had, heeft men dat ook hier gedaan. Men heeft
VoNDEi/s bekeering toegeschreven aan zijne liefde voor eene
schoone weduwe (eene „weigegoede", voegden zijne vijanden
er bij) en later zelfs wat nader die weduwe als Tssselschade
aangeduid. Men vergat dan echter, dat zij er eenmaal niet
tegen had opgezien, den protestantschen Crombalch te trouwen,
en dat zij na diens dood zich ernstig had voorgenomen verder
ongehuwd te blijven, terwijl in geen enkel geschrift of gedicht,
door Vondel tot haar gericht, eenige andere toon dan die der
vriendschap wordt gehoord, ook niet in het gedicht, waarmee
bij aan haar onder den naam Eusebia in 1641 zijn „Peteren
Pauwels" opdroeg.
Toch zou men wel den naam eener vrouw kimnen noemen,
die bij Vondbl's bekeering betrokken was, namelijk dien
zijner dochter Anna, die iets vóór haar vader tot de Katho-
lieke kerk was overgegaan en zelfs als begijntje of klopje de
tijdelijke kuischheidsgelofte had afgelegd. Daaruit is ook Von-
i>*x*s vriendschap te verklaren voor Leonardus Marius, pastoor
Van de Oude Zijde niet alleen, maar ook overste van het
Begijnhof, wiens „lykstaetsi" Vondel in 1652 met een hartelijk
klaaglied volgde, waarin hem o. a. de eer gegeven wordt, dat
zijn „hant yder, die op een driesprong ysde", den weg wees.
TJit die woorden is niet zonder waarschijnlijkheid afgeleid, dat
ook hij zijn aandeel zal gehad hebben aan Vondel's bekee-
ling ; maar dan volgt er tevens uit, dat Vondel zelf eenigen
\
170 OORZAKEN VAN VONDBL^S BBKBERINQ.
tijd op den driesprong gestaan heeft, vol angst, omdat hij niet
wist, welken weg hij moest inslaan, „totdat hem door een
klaerder blijck van 't Weereltlijck en Kerckelijck ontdeckt wiert
in een schooner dagh de Perle, die verborghen lagh, waervoor
men 't al met winst verliest."
Vóór men hem geholpen had die „Perle'* te ontdekken,
„bondt sijn jonkheit door errefleer zich aen één secte en geene
meer", zooals hij in 1650 in zijn „Toets-steen" zeide ter weer-
legging van de beschuldiging, als zou hij telkens van gods-
dienst veranderd z\jn, eerst van Doopsgezind Remonstrant en
daarna weder van Remonstrant Kathohek zijn geworden. De
Arminianen hadden in hem alleen een politieken bondgenoot
gehad, en alleen waar zij negatief tegen de gestrenge praedesti-
natieleer der Gomaristen optraden, was hij hun medestander
geweest. Van de Calvinisten had hij slechts afkeer gevoeld,
maar die afkeer behoefde hem nog niet in de armen van
Rome te drijven. Wie zijn overgang wil verklaren, behoort
alleen het oog te vestigen op de Mennonieten zijns tijds en
zich dan af te vragen, wat hem in hun geloof onbevredigd
liet, zoodat hij besloot de gemeente zijner ouders, waarvan ook
hij eenmaal een ijverig lid was geweest, vaarwel te zeggen.
Vèr nu behoeven wij naar dat antwoord wel niet te zoeken.
Wat toch wa& de onvervalschte leer der Doopsgezinden? Hij
had gemeend het te weten, maar wist het niet meer. Er waren
immers zoovele verschillende soorten van Doopsgezinden, die
ieder hun eigen weg gingen, hunne eigen meening hadden,
in overeenstemming met het individualistisch karakter van
den Noordnederlander, dat te weinig strookte met zijne Bra-
bantsche natuur. Er waren er velen, die in hun eigen geweten
de stem Gods meenden te hooren; doch die stem sprak niet
bij ieder dezelfde woorden. Er waren er nog meer, die de
Schriften onderzochten en daaruit Gods wil meenden te kun-
nen opmaken; maar welk eene bron van strijd was dat ge-
worden! Eenigen tijd had hij gemeend het veiligst te gaan
door zich aan de letter der H. Schrift te houden; maar ook
dat was hem gebleken nog geene zekerheid te kunnen geven.
Woorden immers zijn wat zij gelden.
Had God zich inderdaad aan het menschdom geopenbaard —
en Vondel schrok voor den twijfel daaraan met ontzetting
vondel's „peter en paüwbls". 171
terug — dan moest er ook een hooger dan persoonlijk gezag
zijn, dat Gods woorden vertolkte, en dat hooger gezag nu
leerde Vondel kennen in de van geslacht tot geslacht over-
geleverde verklaring en aanvulling der bijbelboeken, die zuiver
bewaard was gebleven in de Kerk van Rome met hare door
den H. Geest bezielde kerkvergaderingen en hare onafgebroken
reeks van plaatsvervangers van Christus op aarde, die door
Gods genade in staat waren geweest de ware bedoeling van
Christus aan elkaar en zóó aan het verre nageslacht over te
brengen. Eerst toen hij geleerd had, den hoogmoed der per-
soonlijke overtuiging af te leggen en zich nederig te buigen
voor het machtige kerkgezag, toen hij „door ootmoed was
herboren'', gevoelde hij zich als een „van het hemelsche ge-
slacht", zalig in zijne verzekerdheid, gerust te midden van
de telkens wisselende en elkaar bestrijdende meeningen zijner
kettersche landgenooten.
Het eerste grootere dichtwerk, dat Vondel na zijne bekee-
ring, nog in hetzelfde jaar, schreef, was zijn treurspel Peter
en Pauwels, de verheerUjking van den eersten bisschop van
Rome en van den grooten apostel der heidenen, in wier marteling
Christus als het ware een tweeden kruisdood onderging.
Christus echter was, zelf zondeloos, gestorven voor de zonden
der menschheid, bij Peter en Pauwels werd juist de geestdrift
voor het ondergaan vanden marteldood uit schuldbesef geboren.
Beiden toch hadden eene oude schuld uit te wisschen, die
hun zwaar op het hart lag: de een zijne verloochening van
Jezus, de ander zijne vervolging van de eerste Christenen.
Deze maakte hun dood tot eene zedelijke noodzakelijkheid,
en alzoo het treurspel tot eene ware tragedie, ook in Aris-
totelischen geest; maar juist omdat zij vrijwillig den dood
zochten na eerst wonderdadig uit hunne gevangenschap ver-
lost te zijn, omdat zij, uit diep berouw over het bedreven
kwaad, door opoffering van hun leven getuigenis wilden af-
leggen van de waarheid hunner geloofsovertuiging, konden
zij tevens werktuigen worden in Gods hand om in het god-
delooze Rome der keizers die heilige kerk der pausen te
grondvesten, wier rij, met Peter geopend, door Linus werd
voortgezet.
Wèl is de „Peter en Pauwels", evenals de „Maeghden", de
172 „PETER EN pauwels" EN „BRIEVEN DER H. MABGHDBN".
dramatiseering eener inartelaarsgeschiedenis, maar tegelijk ook
de voorstelling eener indrukwekkende wereldgebeurtenis: de
overwinning van de Oude wereld door de Nieuwe. In de gees-
ten van „Simon den toveraer'' en Elymas, bij den aanvang
van het stuk (evenals de geesten bij Seneca) uit den afgrond
der hel opgerezen om, in bondgenootschap met Cornelia, de
opperpriesteres van Vesta, den bloedgierigen en wellustigen
Nero aan te zetten tot vervolging der Christenen, is de oude,
toen zoo diep vervallen, godsdienst van koning Numa verper-
soonlijkt: het Heidendom, dat in Nero's verstandsverbijstering
ondergaat. In Peter en Pauwels, de standvastige geloofshelden,
die „triomfeeren" konden, omdat zij „strijden, sterven, lijden"
hadden geleerd, openbaart zich de onweerstaanbare kracht en
meesleepende gloed van den jongen godsdienst des Gekruisten,
de wereldveroverende macht van het opbloeiende Christendom.
Toch heeft Vondel nooit de betrekkelijke waarde van het
heidendom miskend, en allerminst de kunst der heidensche
dichters, die ook na zijn overgang tot de Oude kerk zijne
leermeesters in de poëzie gebleven zijn. Dat toonde hij reeds
een jaar later, toen hij zich de moeite gaf de Heroides van
Ovidius in proza te vertalen, niet om die vertaling uit te
geven (zooals bij zijn leven ook niet is geschied), maar uit-
sluitend om zich te oefenen in den antieken briefstijl, dien
hij zich wilde eigen maken voor een werk, dat hij terstond
daarop aanving: zijne twaalf Brieven der Heilige Maeghden,
martelaressen, of de „maeghdepalmen" door hem toegewijd aan
de „Hemelkoningin", de „martelstari'egordel" door hem ge-
offerd aan de „Zeestar", die voor hem het licht was geworden
„in *sweerelts nacht*.
Overgelukkig, dat hij zijne gemoedsrust in den schoot der
oude moederkerk teruggevonden had, deed Vondel nu zijn
uiterste best om ook anderen hetzelfde heil deelachtig te maken,
waarvan hij zelf genoot. Zoo werd hij al spoedig ijveraar
voor het katholieke geloof en schijnt hij ook meer anderen
tot den Ouden godsdienst te hebben teruggebracht. In elk geval
liet hij niet na, zooveel mogelijk in proza en dicht getuigenis
af te leggen van zijne liefde voor de Katholieke kerk, en hare
voortreffelijkheid ook voor anderen in het licht te stellen,
zoodat hij daarmee voor alle tijden de dichter van het Catho-
„GROTIÜS tbstambnt". 173
licisme in ons land is geworden. Inderdaad, trotsch mag het
Katholieke nageslacht er op zijn, dat bij ons geen kerkgeloof
in schitterender gedichten verheerlijkt is dan het hunne, nadat
onze grootste dichter voor dat geloof was gewonnen.
Natuurlijk, dat in zijn eigen tijd zijn rustelooze ijver voor
dat geloof ook aan velen ergernis gaf en dat zijne geschriften
op velen den indruk maakten van lasterschriften tegen de
heilige zaak, waarvoor hunne voorouders goed en bloed had-
den veil gehad; dat hij in de eerste plaats werd beschouwd
als de man, die, ware het mogelijk geweest, weer alle gruwelen
der inquisitie in het land zou hebben hernieuwd. Het aller-
meest waren het zijne oude vrienden, de Remonstranten, die
hem zijn afval niet konden vergeven, maar die misschien nog
niet zoo heftig tegen hem zouden zijn opgetreden, als het niet
bekend geworden was, dat hij het was geweest, die onder de
initialen R.C. (d. i. Roomsch Catholiek) den overmoed had ge-
had, hun groeten aanvoerder, tegen wien zij met eerbied en
bewondering opzagen, Hugo de Groot, onmiddellijk na zijn
dood voor te stellen als in zijn hart een voorstander van de
Roomsche Kerk en misschien als geheim bekeerling gestorven.
Dat toch deed hij in 1645 door de uitgave van het proza-
schrift Orotius Testament, waarin hij alles wat dienen kon tot
verdediging of aanprijzing van de voornaamste leerstukken
en instellingen der R. K. Kerk bijeenbracht uit De Groot's
laatste geschriften, vooral uit diens, kort voor zijn dood anoniem
uitgegeven, „Rivetiani apologetici discussie", als vervolg op
zijne „ Animadversiones" en zijn „Votum pro pace ecclesiastica",
in 1642 gericht tegen Andrée Rivet, Leidsch hoogleeraar en
later leermeester van Prins Willem II. Door „Grotius Testa-
ment" gaf Vondel nieuw voedsel aan de verdenking van
papisterij, waaronder de Remonstranten toch reeds bij velen
stonden, en wakkerde hij veeleer den haat der Calvinisten
tegen hen aan, dan dat hij hen zelf bewoog, het gewaande
voorbeeld van Grotius te volgen, daar zij — en waarschijnlijk
met recht — beweerden, dat iemand als Grotius, wiens hoogste
ideaal een Christendom boven geloofsverdeeldheid was, zeer
goed de overtuiging van anderen,* en dus ook die van de
Katholieken, waartoe ook zijne eigene moeder behoord had,
kon waardeeren en er eene betrekkelijke waarheid in kon
174 vondel's „altaer-qkhkimenisskn" bn „beüwgety".
erkennen, zonder nog voor zijn eigen persoon diezelfde over-
tuiging voor te staan.
Nog in hetzelfde jaar, waarin „Grotius Testament" verscheen,
gaf Vondel, behalve eene „Klaghte" over den brand van de
Nieuwe of St.-Katharinakerk, ter verheerlijking van zijn geloof
nog een doorwrocht dichtwerk van drie jaren arbeids (schijn-
baar te Keulen) uit, met zijne initialen op den titel, namelijk
de „Altaer-GehdTnenisseny ontvouwen in drie boecken". Ook
dit werk is in de eerste plaats een strijdschrift: het wil door
bestrijding der ketterij bekeeren tot de heerlijkheid van het
altaar en is daarom een werk van „Godtvruchtigheit en Godt-
geleertheit t'zamen'*, waarbij historie, typologie en philosophie
om strijd hare diensten moeten bewijzen ; en toch is het geen
droog leerdicht, maar fi'issche, stralende poëzie van het begin
tot het eind, waarin stoute en lieflijke beelden en vergelijkingen
elkaar als verdringen op den welluidenden maatslag van den
iambischen vijfvoet. In drie boeken is de rijke stof verdeeld:
in het eerste zingt Vondel „van d'Offerspijs der heilige Of-
ferdisschen*' of de Communie, waarbij hem, als geestverwant
van Oalderon en zoon der middeleeuwen, eerst de schaduw-
beelden van het Oude Testament eene flauwe voorstelling
geven van dit altaarmysterie en vervolgens de apostel Johan-
nes hem het geheim ten volle ontvouwt. Bij het tweede boek,
waarin „Van Ofiereere" of Aanbidding gehandeld wordt, is
het een ander jongeling, die den dichter komt voorlichten,
namelijk „Godtvruchtigheit d'Aertsengel" ; en in het derde
boek wordt de „eeuwige Offerhant" of de H. Mis verklaard
door „Sint Pauwels die van boven neder quam, eene rol
met brieven" in de hand houdende als den grondslag van
zijn betoog.
Dat hier de groote kerkleeraar Thomas van Aquino ook
VoNDEL*s leermeester was geweest, blijkt voldoende; maar
ook onder de levenden had Vondel wijze mannen gevonden,
wier invloed op hem zich ook bij het schrijven van dit dicht-
werk deed gelden, en wel bepaaldelijk Leonardus Marius, die
in 1639 te Antwerpen „Amstelredams eer ende opcomen, door
de denckwaerdige miraklen aldaer geschied aen ende door het
H. Sacrament des Altaers" had uitgegeven om daarmee in
herinnering te brengen, dat het derde eeuwfeest van 't Mirakel
„DBR POËTEN VKGTSCHOOL". 175
der Heilige Stede in 1645 stond gevierd te worden. Nog
meer onder den invloed van dat geschrift staat het gedicht,
dat Vondel voor 't eerst achter de uitgaaf zijner „Altaer-ge-
heimenissen" liet drukken, namelijk het „Eeuwgety der Heilige
Stede t* Amsterdam", toegewijd „aen d'oude burgerij", en nog
gevolgd door een kort gedicht, „Kenteken des afvals*', dat
aan het eind het „stuiten van Kristus eeuwigh offer" of het
verbieden van de misbedieuing gelijkstelt met het „blusschen
van de son des Godtsdiensts".
Een storm van verontwaardiging ging daarover op, en zelfs
Hooft kon zijn leedwezen niet ontveinzen. Reeds vroeger,
toen Vondel met vinnige hekeldichten gestreden had voor
eene partij, die ook Hooft op zijne wijze voorstond, had de
Drost bedenkelijk het hoofd geschud over den vechtlust, waar-
uit wel nooit de zoo gewenschte vrede kon geboren worden ;
en ook nu kon hij nauwelijks begrijpen, hoe iemand op bijna
zestigjarigen leeftijd, waarop men toch eindelijk naar rust
begint te verlangen, er nog lust in had, zoo tartend op te
treden en zoovelen tegen zich in 't harnas te jagen. „Vondel
heeft een veirs gemaakt op 't wonder, waaraf de Heilige Stee
haaren naam draagt", schreef hij aan Van Baerle, „en laat
het openbaarlijk voor de boekwinkels ten toon hangen, gelyk
de voorvechters de messen in de luifen steeken om de oogen
van de verbygangers te tergen als met zeggen: wie 't hart
heeft pluike. My deert des mans, die geenes dings eerder
moede schijnt te worden dan de ruste". Misschien had hij toen
reeds »Der Poéten Vegtschool" gezien: een bundel, waarin
Vondel's „paepsche rijmen" met de heftige antwoorden er op
bijeenverzameld waren. Hij vreesde, dat het Vondel wel weer
eene nieuwe boete zou kunnen kosten, zooals bij het schrijven
van zijn „Palamedes", of, nog erger, dat „d' een oft d' ander
heetharsen, by ontyde, de handen aan hem moghte schenden,
denkende dat er niet een haan naa kraayen zoude".
Dreigend genoeg toch waren de schimpdichten, waarmee
Vondel's verheerlijking van „het verdichte wonder" en van
de „paapsche misse, die vervloekte afgoderye" (zooals het in
den Heidelbergschen Catechismus heet) was begroet; en toen
er een verdediger voor hem was opgetreden, die zijne „na-
krabbelaers" bespotte, had een dezer, die zich „prudenter"
176 wbstbrbaen's „kracht des oeloofs".
teekende, hem „ouwe geck, overgeven leugen-dichter'* geschol-
den en het volk toegeroepen: „Schuymt dit schuymsel in het
rijse, delght in tijdts den Paepsen Hont".
Van beter gehalte was de „Kracht des Geloofs", een uitvoerig
gedicht van Jacob Westbrbaen, waarin met ernstig en waar-
dig betoog en zelfs met gepaste vereering voor Vondel als
dichter de grondslag, waarop de geheele leer der „Altaer-ge-
heiménissen" steunt, werd weggeredeneerd, nadat eerst op
hatelijke wijze al Vondel's vroegere hekeldichten bij name in
de herinnering teruggeroepen waren en betreurd was, dat zulk
een man „de kerck, die hy had helpen bouwen", nu weer
verlaten had en „smaek vond in grollen en legenden, in
Roomsche keucken gebrouwen", en dat hij „den Ouwel nam met
sulcke luy, die eens de mutsaert voor de ketters" ontstaken. Hij
mocht wel, zoo besluit het gedicht, aan den Tibergod vereerd
worden om, als weerhaan op de Englenburcht geplaatst, te
„drayen daer voor Innocent den Tiende", aan wien Vondel
ook reeds in 1644 een lierzang als „Olyftack" had aangeboden,
waarop destijds evenmin eèn antwoord was uitgebleven. Achter
Wksterbaen's gedicht vindt men nog een met P geteekend, „Toe-
gift", waarin, met toespeling op Vondel's spreuk „ Justus fide
vivit", spottend gezegd werd: „Soo een rechtveerdig mensch
door het Geloove leeft, hoe seecker gaet gy dan, Heer
Vondel, boven and'renl Gy hebt strax weer een nieuw, als
u het out begeeft: de beesten dijen best, die veel van wey
verand'ren."
Misschien is Wbsterbaen's gedicht eerst in 1647 verschenen,
want het schijnt in verband te staan met het toen (schijnbaar
te Schiedam, maar inderdaad te Rotterdam) uitgegeven tweede
deel van „J. V. Vondels Poesy*'. Het verschijnen van dien
bimdel was Vondel onaangenamer dan alle schimpdichten, die
er op hem uitgegeven werden. Hij zelf had in 1644 toegelaten,
dat onder den titel „Verschelde gedichten" voor het eerst eene
verzamelde uitgave van zijne kleinere gedichten in 't licht
werd gezonden, in 1650 onder den titel „Poesy" nog eens
vermeerderd herdrukt; en in eene narede „aen zynen af wezen-
den vrient" had hij, uitgezonderd eenige met name genoemde
grootere dichtwerken, alles wat die bundel niet bevatte, maar
wat vroeger door hem was uitgegeven, „den nacht der ver-
EBRSTB EN TWEICDB D^BL VAN VONDEL's „POBSY." 177
getenisse tóegedoemt" en streng- verboden die „op zijnen naam
buiten zign kennis en bestemminge te drucken".
Dit nu werd toch gedaan in dat tweede deel, waarin vooral
zijne oude hekeldichten bijeenverzameld waren en ook wel
dergelijke gedichten, die men alleen aan hem toeschreef zonder
voldoende zekerheid te hebben, dat hij ze ooit gemaakt had.
,yMen mengt der andren rijm, ook leuren, in mijn schriften",
zeide hij later, maar troostte zich met de bijvoeging: „doch
wie mijn stijl verstaet, kan 't een van 't ander schiften" ; iets
wat evenwel zelfs nu nog niet gemakkelijk valt. Tot die onechte
gedichten behoorden ook zestien versregels, waarin op de
Katholieke kerk de meer gebruikelijke scheldnaam „Babylon-
sche hoer'* wordt toegepast en gezegd wordt, dat zij „in de
wereldt saeyt het heyloos zaet waervan men sulcke vruchten
maeyt", als bv. de moord op Hendrik den Groeten geweest
was. In het uitvaartgedicht op dien vorst, lang te voren door
Vondel in 't licht gezonden, heetten die versregels voor te
komen, ofschoon zij niet worden aangetroffen in de oudste
uitgave, die wij van dat gedicht kennen en die van 1622
dagteekent. Ongetwijfeld was dat gedicht echter reeds in 1610
afzonderlijk gedrukt, maar ongelukkig is van die eerste uit^
gaaf geen enkel exemplaar bewaard gebleven, zoodat wij nu
niet met zekerheid weten, in hoever men te goeder trouw is
geweest met deze versregels aan Vondel toe te schrijven. Mij
komt het niet onwaarschijnlijk voor, dat zij inderdaad achter
{en niet, zooals het heet, in) Vondel's gedicht waren afgedrukt
en daarom ook Vondel's werk konden schijnen, maar daaraan
door een ander (bv. den vermoedelij ken uitgever Pebs) waren
toegevoegd.
Niet alleen nu zijn deze zelfde verzen ook achter Westeb-
baen's „Kracht des Geloofs'' afgedrukt, maar bovendien ook
komt de prozavoorrede voor dit zoogenaamde tweede deel van
„Vondels Poesy" naar den inhoud grootendeels, en zelfs hier
en daar in woorden en uitdrukkingen, overeen met een ge-
deelte van Westebbaen's gedicht. Slechts in één opzicht is
er verschil. In „Kracht des Geloofs" worden uitvoerig de
„ Altaer-Geheimenissen*' bestreden, maar wordt met geen woord
gerept van „Grotius Testament", terwyl daarvan in de voor-
rede als van eene „onbescbaamtheit" wordt gesproken en ver-
n 12
178 BRANDT BN VONDBL.
der wordt aangewezen, „door wat valscheidt Vondel de Hol-
landers getracht had in te scherpen dat den Heere De Groot
zoo Papist was, als Hy is". Van „Grotius Testament" heeft
dit tweede deel van „Vondels Poesy" dan ook blijkbaar zoo-
veel mogelijk een tegenhanger willen zijn, om voor de valsche
voorstelling, door Vondel van De Groot's geloofisovertaiging
gegeven, hem als met geUjke munt te betalen. Was Grotius,
de Remonstrant, door Vondel als Katholiek voorgesteld, hier
werd twijfel voorgewend, of de liefde van den eertijds zoo
Remonstrantsgezinden Vondel voor het Catholicisme wel op-
recht gemeend was; ook hier werd echt met onecht ver-
mengd; ook hier werden schijnbewijzen uit VondePs eigen
gedichten aangehaald om den indruk te geven, dat hij tot
een kerkgenootschap had behoord, waartoe hij feitelijk nooit
was toegetreden ; en ook hier was het adres van den drukker
niet het ware, terwijl tegenover Vondel's onderteekening der
narede R. O. hier de voorrede met P. (d.i. natuurlijk „Protestant")
onderteekend was.
Wie nu heeft Vondel deze poets gebakken? Bij mij lijdt
het geen twijfel, of Westbrbaen heeft er den stoot toe gegeven
en de jonge Geeraardt Brandt heeft het werk uitgevoerd.
Het laatste is trouwens reeds vroeger op verschillende gronden
hoogstwaarschijnlijk gemaakt en schijnt zelfs door Brandt
op lateren leeftijd en onder bedekte termen erkend te zijn,
toen hij er berouw van had, Vondel terzelfder tijd, waarin
hij hem vriendschappelijk bezocht, anoniem zoo bitter te heb-
ben gegriefd. Wij willen echter aan Brandt zijne dubbelzinnige
houding vergeven, niet alleen om zijn later berouw, maar
vooral ook, omdat hij zooveel mogehjk wat hij aan Vondel
had misdaan heeft trachten goed te maken, voomameUjk door
samen met Vollenhove in 1682 eene eerste werkelijk volledige
uitgave van Vondel's kleinere dichtwerken in het licht te
zenden en daarbij dat voortreffelijk „Leven van Joost van den
Vondel" te schrijven, dat voorgoed Vondel gemaakt heeft tot
het middelpunt onzer litteratuurgeschiedenis der 17de eeuw.
Intusschen had Vondel reeds een jaar te voren, in 1646,
opnieuw getuigenis van zijn katholieken ijver gegeven in zijn
treurspel „Maria Stuart of gemartelde Majesteit", waarin hij
haar laatsten levensdag dramatiseerde en haar marteldood deed
VONDBL's SN0BL8GHB HBKSLDICHTEN EN „MARIA STUABT." 170
verhalen en betreuren. Aan haar achterkleinzoon, den Palts-
graaf Eduard, die evenals hij tot de Katholieke kerk was over-
gegaan, droeg hij bet stuk op. De jongste gebeurtenissen in
Engeland waren voorzeker voor hem de aanleiding geweest
om dit onderwerp te kiezen. Reeds in 1641 had hij zijne
ergernis getoond over de terechtstelling van den lerschen
onderkoning, den Graaf van Strafford, en in 1644, toen de
Puriteinen in Engeland meester waren en Koning Karel I
als balling in zijn eigen land rondzwierf, had hij reeds eene
„Klaghte" aangeheven „over de weerspannelingen in Groot
Britanje", de nazaten der moordenaars van haar, „die 't aertsche
Rijck versmade om 't Kristaltaer", en had bij, behalve nog
een paar andere hekeldichten, ook een „Morgenwecker" ge-
schreven voor de „Sabbatisten", wier „scepter stormen" hen
tot volgelingen gemaakt had „van Lucifer, die naer zijn
Scheppers scepter stont".
Evenals eenmaal in Maria Stuart de majesteit van het
koningschap bij Gods genade was aangerand en de Katholieke
koningin was gestorven als martelares voor haar geloof, zoo
vergrepen de Presbyterianen zich ook nu, meende Vondel,
in Karel Stuart aan de vorstelijke majesteit en de Kiatholieke
kerk, voor welke Karels heimelijke sympathie geen geheim
meer gebleven was. Vandaar dan ook, dat hij in het derde
bedrijf van zijn ti*eurspel aan Burgon, Maria's lijfarts, deze
profetie in den mond legde:
„lek Bie Britaige noch in 't niterste gevaer;
De stale vuist dee Schots verwart in 't Engelsch hair;
De rechtb^'l scherp gewet op 's Konings Stedehouders
En 's Kantelbergers hals; het graenw op e^ne schouders
Des Ouderlings gezagh verheffen op de straet
En Londen hoofdeloos verscheuren z^'n gewaet."
Overal in dit lyrische drama, maar vooral in de reizangen
der Staetjofferen, klinkt de stem van het heden door het ver-
leden heen, hoe diep Vondbl ook overigens al het aandoenUjke
van dat verleden moge gevoeld hebben. Dat Vondel in dit
stuk, als historiespel, ten aanzien van de vroegere en latere
gebeurtenissen in Maria's leven en ook ten aanzien van hare
onschuldi volkomen in overeenstemming was met een pro-
testantsch geschiedschrijver, William Gamden, wiens „Rerum
180 VONDBL^S , MARIA STUABT" AANGBVALLBK.
Anglicarum et Hibernicarum Annales, regnante Elisabetha"
(van 1625) hij nauwkeurig, meermalen zelfs woordelijk, heeft
gevolgd, vrijwaarde hem niet tegen de verontwaardiging der
Calvinistische partijdigheid, voor wie het gewoonte geworden
was, zonder nauwkeurige onderscheiding, het ontzettend gevaar,
dat eenmaal van de Armada gedreigd had, op rekening te
stellen van Maria Stuart, en in het doodvonnis, geveld door
eene zoo getrouwe bondgenoote als Elisabeth, eene rechtvaar-
dige straf te zien.
Het regende weder schimpdichten op Vondel, „den onbe-
schaemden paepschen leughen-dichter", zooals hij genoemd
werd in een „Vasten-a vontsgift", die op eene Schots che „Distel-
roe" volgde. Zelfs de „Geest van de Coningin Elisabeth", door
Vondel eene bloeddorstige Herodias genoemd, werd „uyt den
grave op-gheweckt" om haar lasteraar te lijf te gaan, en zekere
juffrouw Gondina van Weert verwierf van verschillende
kanten lof- en dankdichten voor het „Vagevier", dat zij in
heftige alexandrijnen voor Vondel stookte. Tegenover zijne
„Maria Stuart als gemartelde majesteit" gaf de Haarlemsche
schilder Steven Teunisz. van der Lust in een ander treur-
spel eene veel minder historische, maar zijns inziens „Onghe-
blanckette Maria Stuart" te zien, terwijl Joachim Oudaen als
tegenstelling eene protestantsche „Johanna Grey", het slacht-
offer der katholieke Maria Tudor, tot de heldin maakte van
een treurspel, waarvoor hij, zooals hij zeide, de stof uitsluitend
uit „Roomsch-gesinde schrijvers", zooals Thuanus en André
du Chesne geput had ; doch als dichters traden beiden Vondel
slechts met looden schoenen na.
Vondel had zijne „Maria Stuart" anoniem uitgegeven „te
Keulen in d' oude druckerye", zooals het heette. Toch werd
eene boete van honderd tachtig gulden hem opgelegd en door
zijn uitgever Abraham de Wees betaald. Blijkbaar zag de
Regeering den ondergang van Karel I te gemoet en wenschte
zij moeielijkheden met het Engelsche parlement te voorkomen.
Toen in 1649 Karel gedeeld had in het bloedig lot zijner
grootmoeder, schreef Vondel bij dien „vader-moort" zes vin-
nige versregels op Cromwell, den „vermomden Lucifer", dien
hij vijf jaar later aan de kaak stelde als „Protector Weer-
wolf* of „Milord Isegrim", onder wiens schijnheilige dwinge-
yondbl's ,lbküwbndalebs." 181
landij de „arme Gentelmans" toen gebukt gingen, terwijl hij
in 1650 eene „Graf-naeldt" oprichtte voor den Graaf van
Montrose, gesneuveld bij eene poging om Karel II in Schot-
land tot koning te doen uitroepen.
Na de hevige aanvallen, die Vondkl's optreden als katholiek
dichter tengevolge had, zou men er zich misschien over kun-
nen verbazen, dat hem reeds een jaar later werd opgedragen,
het feeststuk te maken, waarmee de Munstersche vrede op den
Schouwburg, min of meer officieel zelfs, zou worden gevierd.
Men moet dan echter bedenken, dat verreweg de meerderheid
der bevolking van ons land vredelievend en verdraagzaam
was, eu dat deze meerderheid toen, al sprak zij zich in het
openbaar uit den aard der zaak minder uit, toch ten slotte
den meesten invloed oefende op den loop der zaken, terwijl
de heftigheid der uiterste partijen ten gevolge van den plom-
peren toon en de ruwere zeden dier dagen aan ons nu nog
grooter toeschijnt dan zij inderdaad was. Het leven had er
wat meer kleur door, maar de haat was daarom nog niet feller.
Natuurlijk begreep Vondbl zeer goed, dat hij van het tooneel
voor geheel Amsterdam met hare Regeering niet als voorstan-
der van de goddelijke macht der koningen en van de heerlijk-
heid der Katholieke kerk mocht optreden, en wel allerminst
bij gelegenheid, dat de zegepraal van volks- en godsdienst-
vrijheid op staats- en kerkdwang gevierd werd als een door
alle Europeesche vorsten en prelaten erkend feit. Evenzeer
begreep hij, dat bij de feestvreugde zijn gewone treurspeltoon
niet paste. Hij koos zich daarom den vorm van het herdersspel
en gaf in zijn Leeuwendalers zijn eerste (en laatste) „landspel",
zooals hij het noemde, reeds in 1 647 gedicht en zelfs gedrukt,
maar eerst den Tden Mei 1648 vertoond, toen de Vrede van
Munster wel reeds ge teekend. maar nog niet plechtig afgekon-
digd was.
Daar hij den tachtigjarigen oorlog niet meer was blijven
beschouwen als een opstand tegen vorstelijke dwinglandij en
kerkelijke heerschzucht, stelde hij zich dien nu het liefst voor,
zooals hij zich in de laatste dertig jaar ook het meest had
kunnen voordoen, als een ouderlingen strijd namelijk der
beide helften van Nederland-Leeuwendaal, de Zuidelijke onder
Lantskroon, de verpersoonlijking der Aartshertogen, van welke
182 vondel's 9LBBUWBNDALBB8."
hij de „godtvruchtige Isabella" in een lijkdicht bij hare uitgestelde
begi'afenis als „vredemoeder" verheerlijkte, en de Noordelgke
onder Vrerick, den door hem zoo vaak bezongen en nu, kort vóór
het sluiten van den vrede, overleden Frederik Hendrik. Als
stam- en godsdienstverwant van het Zuiden, maar voedsterzoon
en staatsburger van het Noorden, had hij de vijandelijke ver-
houding der gescheiden deelen van dat geliefde Leeuwendaal
reeds lang betreurd, en vurig uitgezien naar den dag, waarop
aan dien strijd, die telkenjare bloedige offers vorderde, door
den wil der Godheid een einde zou komen. En nu had dan
de Godheid gesproken: nu mochten in Adelaert en Hageroos,
de edelste jeugd van beide landstreken, zich „Zuidt- en Noortzy
paren'': „de tweedraght was vervaren, het was al boter tot
den boom, men zong al Pais en Vre". 2iOO was voor Vondbl
het feest van den Munsterschen vrede in de eerste plaats het
verbroederingsfeest van Zuid en Noord, die, al zou ook „voortaen
de Noortzy een Vryheit op zich zelf bUjven", toch in het
vervolg weer één zouden kunnen zijn door de liefde hunner
zonen en dochteren. Deze geest spreekt duidelijk uit het ge-
heele landspel, en wie verder nog (ik zeg het Vondel na)
j,neuswiJ8 in alle personaedjen, vaerzen en woorden, geheime-
nissen zoeckt, zal ze *r niet visschen".
Dat wij in een gelauwerden herder, door Hendrick Pot ge-
schilderd en nu in het Rijksmuseum te zien, eene afbeelding
van Vondbl bezitten in het kostuum van Adelaert, is hoogst
waarschijnlijk. Waarom ook zou Vondbl, zelf schepper eener
pastorale, in dezen niet de mode der Amsterdamsche aristocratie
gevolgd hebben, die zich gaarne in herdersgewaad liet afbeel-
den, zich daarbij inbeeldende, dat zij de echt-pastorale stem-
ming meegevoelen kon?
Had zijn landspel Vondel eenigermate uit de theologische
sfeer gerukt, waarin hij voor en na zijne bekeering zoo lang
had geleefd, ook in 't vervolg namen theologische studiën een
groot deel van zijn tijd in beslag Ongetwijfeld heeft hij jaren
lang besteed aan een groot leerdicht, dat hij in 1662 uitgaf
onder den titel Bespiegelingen van Oodt en godtsdienst. Drie jaar
te voren had hij als proeve reeds ongeveer vierhonderd verzen
uit het vijfde boek er van (vs. 875 — 1252) afzonderlek in het
licht gezonden onder den titel j,Onderwys van het geloofs-
j^BESPIBOSUNaBN VAN GODT EN G0DTSDISN8T." 183
hooftpunt der H. Dryeenigheit", hoofdzakelijk gericht tegen
Faustiis Socinus en zijne aanhangers, als „de godtloose Ostorot
en Frans te Zevenbergh" (door Van Lennep, grappig genoeg,
voor „Ostrogothen en Franschen" gehouden). Slechts twee
versregels, die niet in de „Bespiegelingen" voorkomen, heeft
hij aan dit fragment toegevoegd, namelijk: „Zoo ziet men 't
louter woort van 't schuim der ongodisten in assche en enckel
roock en smoock veralchimisten", als bewijs dat in zijn geest
Faustus Socinus zich vereenzelvigd had met doctor Faust, den
duivelskunstenaar uit het volksboek.
Ook dit dichtwerk bleef niet onaangevochten. Anoniem nam
OüDABN het voor de Socinianen op met een nog wat uitvoeriger
gedicht: „Naerder onderrechtingh, vereyscht op het onderwijs
der dry-eenigheydt", waarin o. a. aan Vondel verweten wordt,
dat hij ook de hulp van Talmud en Heidensche schrijvers als
Plato had ingeroepen om de overoude heiligheid van het getal
drie te bewijzen. Oudaen zag daarin terecht een ijdel spel, dat
hem nog te meer mishaagde, omdat hij vermenging van
Christelijk en Heidensch niet kon dulden, terwijl Vondel met
zijne liefde voor symboliek ook de mythologie niet versmaadde,
als zij hem maar goede zinnebeelden verschafte voor zijne
Christelijke denkbeelden.
Het groote leerdicht „Bespiegelingen van Godt en godts-
dienst" behoefde, ook buiten katholieke kringen, geen aanstoot
te geven, daar het gericht was tegen „d'ongodisten, verloche-
naers der Godtheit of goddelycke Voorzienigheid', wier aantal
nu juist destijds zoo bijzonder gering wel niet was, maar die
het niet zoo licht waagden, openUjk voor hunne meening uit
te komen. De aanvallen werden dan ook meest tegen heiden-
sche schrijvers en wel bepaaldelijk tegen Lucretius gericht, en
vervolgens ook tegen de Socinianen. Terwijl het gedicht ook
blijken geeft van bekendheid met natuurphilosophische wer-
ken en stelsels, en zich ook op sterrekundig gebied beweegt,
bestrijdt het de leer der eeuwige zelfbeweging in de natuur
en gaat het, tegenover de theorie van Copemicus, nog uit
van de juistheid der Ptolemaeische voorstelling van de aarde
als het onbeweeglijke middelpunt des heelals. Om de poëtische
waarheid van Vondbl's wereldbeschouwing volkomen te ge-
voelen, moet men beginnen met zich terug te verplaatsen op
184 „bespiegblinqbn" en „hberltckheit der eebckr."
zijn, in de 17^© eeuw nog door velen ingenomen, Ptolemaeisch
standpunt.
In vijf boeken is het werk verdeeld. In het eerste geeft
Vondel zijne bewijzen voor het bestaan van God, in het tweede
onderzoekt hij de eigenschappen, die God noodwendig bezitten
moet; het derde boek bespreekt Gods werken; het vierde
betoogt de onmisbaarheid en de beteekenis van den godsdienst,
waarna in het vijfde gronden worden aangevoerd, waarom
alleen in een bovennatuurlijk geopenbaarden godsdienst, zoo-
als de Katholiek-Christelijke, de ware godsdiei^ mag worden
gezien. Als stelselmatig betoog is dit gedicht te vergelijken
bij De Groot's „Bewys van den waren godsdienst", dat Vondel
natuurlijk door en door kende; maar wie het vergelijkt, zal
tevens kunnen zien, hoeveel dichterlijker VondePs opvatting
van den godsdienst was, zoodat hij door zijn onvermoeid beel-
dend vernuft zelfs in staat was, nu en dan het dorre geraamte
der abstracte redeneering tot een bloeiend lichaam te maken,
dat althans bekoort, wanneer de redeneering ook al niet over-
tuigt.
Hooger echter staat het leerdicht, dat hij in 1663 liet volgen
en dat veeleer een Ijrrisch epos zou kunnen genoemd worden :
De heerlyckheit der Kercke. In drie boeken verhaalt hij daar,
in den lyrischen toon der verheerlijking, „ingang, opgang en
voortgang" van de Kerk, of m. a. w. haar zinnebeeldig voor-
bestaan in de geschiedenis der menschheid vóór Christus'
komst, zooals Augustinus hem dat had leeren zien, vervolgens
hare stichting door Christus, zijne apostelen en martelaren tot
op hare zegepraal door Constantijn den Grooten, en eindelijk
hare verdere ontwikkeling en uitbreiding door het beteuge-
len der ketters en het herwinnen van het, helaas! weer ver-
loren. Heilige land. „Dus verre was zyn zangh de Heerlyck-
heit der Kercke op 't spoor van 't heilzaem licht gevolght",
toen de stemmen der afvalligen om hem heen hem beletten
zijn tafreel te voltooien, zoodat hij slechts kon eindigen met
eene bede : „Verlicht ze, o Heer, die 't licht der vaderen ver-
laeten, verzamel uw verstroide uit Oost en West byeen, opdat
ze, in ééne koy vergadert, zich gewennen één herder, en zijn
stem te hooren en te kennen". Aan Paus Alexander II droeg
hij het gedicht op; of het dezen ook bereikt heeft, is onbekend.
tondbl's ^johannbs de boetgezant." 185
Tusschen deze beide groote dichtwerken in, ook nog in het
jaar 1662, gaf Vondel zijn Johannes de Boetgezant uit, zijn eenig
episch gedicht, want zijne Constantinade werd vóór de vol-
tooiing weer verscheurd en van zijn plan om „naer 'sMan-
tuaners wetten den krijghshelt Bato met opklinckende trom-
petten in top te voeren naer den eisch van 't vrye lant,
door twalef boecken heen*', waarvan hij in zijn „Parnasloof
of opdracht zijner vertaling van Virgilius' werken in verzen
aan Comelis de Graef in 1660 sprak, schijnt later niets meer
gekomen te zijn.
Men zou „Johannes de Boetgezant" eene dichterlijke
levensbeschrijving kunnen noemen, rijk aan levendige, met
gloed en kunst geschilderde tafreelen, waaronder dat van den
dans van Herodias' dochter uitmunt; maar wie het liever be-
schouwen wil als een heldendicht in zes zangen, kan daarvoor
wel het een en ander aanvoeren. Een episch karakter toch
heeft reeds het begin van het dichtstuk, waarin „de vader
der genade" zijn engel Gabriël afvaardigt om Johannes op te
dragen als boetprediker de komst des Verlossers aan te kon-
digen. Daar Vondel hier het begin van Tasso's epos bijna
op den voet heeft gevolgd, en ook Milton in zijn „Paradise
lost" daarvan gebruik heeft gemaakt, is overeenstemming van
Vondel met Milton hier zeer verklaarbaar. Episch ook is in
den vierden zang het (weder aan Tasso en Milton herinnerend)
optreden van Lucifer in zijn helraad en zijn afvaardigen van
ApoUion, die hoogepriester en koning tegen Johannes moet
opzetten en zoo den Dooper in het verderf moet storten. Episch
is eindelijk het slot, waar Johannes, na zijne onthoofding
naar het voorportaal der hel afgedaald, door aartsvaders en
profeten begroet wordt als wegbereider ook dd&r van den
Terlosser, die gereed staat de macht der hel te breken en
zijne getrouwen met zich ten hemel te voeren.
Eindelijk schreef Vondel nog in 1667 ter eere van de
missie der Jesuieten in China zijn, over het algemeen als
tooneelstuk niet bijzonder geslaagd, in elk geval weinig aan-
grijpend treurspel Zangchin, dat wel den ondergang van den
Chineeschen dwingeland Tsoeng-tsjing in 1644 en den val
der Ming-dynastie na de overrompeling van Peking door de
opstandelingen onder Lykungzus ten tooneele voert, maar
186 vondbl's .zungghin*' bn klbinsbb qbdiohtbn.
n
misschien nog meei den Keulenaar Adam Schal, ^overste
der priesteren van de Sociëteit", die tot zijn dood in 1666
grooten invloed in China heeft gehad en daar veel heeft ge-
daan tot verbreiding van het Christendom. Ook wordt het
stuk besloten met het verschijnen van den geest van Fran-
ciscus Xaverius, die den ondergang van Zungchin's bestrijder
voorspelt en tevens den bloei van het Christendom in China
onder de regeering van Sjoen-tsji, den grooten khan der
Tartaren. De in 1655 gedrukte „De bello Tartarico historia"
van Martino Martini heeft aan Vondel grootendeels de stof
voor zijn treurspel verschaft, en daarnaast waarschijnlijk ook
het in 1667 uitgegeven groote werk over China van den bq
Vondel bekenden en zelfs in een gedicht door hem geprezen
geleerden Jesuiet Athanasius Kircher.
Behalve deze grootere dichtwerken en zijne „ Eruisklacht",
eene fraaie vertaling van het „Stabat mater", zouden wij nog
talrijke kleinere gedichten kunnen noemen, die bewijzen, dat
geene gebeurtenis van eenige beteekenis voor de Katholieke
kerk, vooral in onze gewesten, maar toch ook daarbuiten,
ongemerkt aan Vondel voorbijging. Zoo ontlokte in 1654 de
troonsafstand, later de bekeering en „blijde inkomste in
Rome" van de Zweedsche Koningin Christina, die trouwens ook
reeds vroeger door hem bezongen was, hem dank- en jubel-
liederen. Zoo volgde hij met gezangen de gebeurtenissen in
het Duitsche rijk, voortdurend door de Turken bedreigd, zoo-
als hij reeds was begonnen in 1634 met zijn gedicht „Op de
tweedraght der Christe Princen", die „vast malkanderen in
't hair saten, terwijl d'erfvyant, de felle Turck, in sijn vuist
lachte", en zooals hij nog bleef doen in 1670, toen hij een
dichterlijken lauwerkrans vlocht voor den Graaf van Konings-
mark, die nog eene laatste, zij het ook vergeefsche, poging
had gedaan om te verhinderen, dat Kandia in handen van
den Sultan viel.
Groot ook is het aantal liederen, door hem aan pausen,
bisschoppen (zooals Philippus Rovenius, aartsbisschop van
Utrecht in partibus) en vooral aan hem bevriende priesters
toegezongen bij hunne inwijding of uitvaart of bij andere
gelegenheden. Ook was de Jesuietenorde niet de eenige kloos-
terorde, waarin hij belang stelde. Verscheidene andere klooa-
YONDBL's KLOOSTKRDICHTIEN ; dood van BARLABU8. 187
terdichten schreef hij, zooals op Bruno van Keulen, den stichter
der Karthuizerorde, op den oudprior der Antwerpsche Car-
melieten, Karel Gouvrechef, en op een drietal Minderbroeders.
Voor „Sinte Clare" hief hij zelf een lofzang aan, aan „de
geestelqke maeghden", die „van drie staeten den besten, den
staet van 't maeghdeleven", hadden gekozen, legde hij er een
in den mond. Aan twee van die maagden, aan zijne nicht
Anna Bruining en aan Margarita KruUs, reikte hij met diep
gevoelde poëzie, die van groote ingenomenheid met het gees-
telijk leven getuigt, den „Maeghdepalm" toe, toen zij hare
professie deden in de orde der Clarissen, en toen Dina Noor-
dijck en later Joanna en Helena Blezen als begijn of als klopje
hare gelolTen van zuiverheid en gehoorzaamheid aflegden, ver-
eeuwigde bq hare „staetsie" met zijne zangen.
Zoo mag dan met recht Vondel bij ons de dichter van het
Catholicisme worden genoemd en is het ook geen wonder, dat
al wat katholiek is hier te lande hem met devote liefde, bijna
als een heilige, vereert, en hem beschouwt als den dichter,
die het hoogst bereikbare bereikt heeft: het verhevenste te
bezingen in den voortre£felijksten vorm en op de veelz^jdigste
wijze, naar inhoud en vorm tegelijk. En inderdaad, in zijn
lateren levenstijd waren voor Vondel godsdienst en poëzie
samengesmolten tot ééne hoogere eenheid van het verhevene
en het schoone: zijne poëzie was godsdienst geworden, zooals
zijn godsdienst poëzie. Als zoodanig moge ook de niet-katholiek
de grootsche schepping van dezen dichtervorst bewonderen.
XXXIII.
De latere dichtwerken van Huygens.
Onder Hooft's vrienden was er niemand, die zich zijn dood
zoozeer aantrok als Gaspar van Baerlb. De opgewektheid
ontbrak hem zelfs om een Ujkdicht op den Drost te schrijven.
Slechts voor een oogenblik week de zware melancholie, waarin
hig verzonken was, maar den 14(len Januari 1648 overleed hij,
nadat hij den vorigen dag nog college gegeven had, plotseling
aan eene hartverlamming. Gorvinus, lector aan de Doorluchtige
Schooli hield in 't Latijn eene Ujkrede op hem, en groot was
188 DOOD VAN TflSSBLSCH ADK ; HUYGBNS* „OOGHBN-TBOOST."
het aantal lijkdichten van zijne vrienden, ca. van Jacob Wbs-
TERBAEN. Ook VoNDEL schreef er een, besloten met de karak*
teristieke versregels voor zijn graf in de Nieuwe kerk, dicht
bij dat van den Drost: „Hier sluimert Baerle neflfens Hooft:
Geen zerk hun glans noch vriendschap dooft." Ruim eenjaar
later zou Vondel weder een lijkzang aanhefifen, en wel op
Gerard Vossius, die 17 Maart 1649 overleed.
Snel volgden de vrienden elkaar op. Tesselschadk had in
1647 ook hare jongste dochter, Maria, verloren; zij beproefde
ook nu zonder tranen haar leed te dragen, maar dat kostte
haar blijkbaar te groote inspanning: den 24Bten Juni 1649
bezweek zij, zooals Huygens zeide, omdat zij haar verdriet
niet had willen uitschreien, „en die zy 't leven gaf was die
haer 't leven nam*'. Een uitvoerig lijkdicht op haar te schrij-
ven scheen Huygens onmogelijk: „Laet niemand zich ver-
meten, haer onwaerdeerlickheit in woorden uyt te meten: All
wat men van de sonn' derft seggen gaet haer af', en die zon,
die eens een geheelen vriendenkring met haar vroolijk licht
had bestraald, was nu voorgoed ondergegaan.
Huygens wist zijn leed zóó te dragen, dat hij het verdragen
kon, en overleefde zijne vrienden nog dertig jaar. Ook aan
de poëzie kwam dat ten goede. Nog even vóór den dood zijner
vrienden, in de eerste dagen van 1647, voltooide hij in ge-
spierde alexandrijnen een zijner grootere gedichten, dat tot
het beste gerekend wordt uit zijn rijken dichtschat, namelijk
Euphrasia. Ooghen-troost Hij droeg het op aan Parthenine of
Lucretia van Trello, eene oude vriendin, die hij „van der
jeugd met ydel vrolickheid, met jock voor jock bericht" had,
maar die hij nu met ernstige verzen wilde troosten, nu zij,
aan één oog blind geworden, vreesde het gezicht geheel te
zullen verliezen. Hij kon zich volkomen in haar toestand
verplaatsen, want als jong man had ook hij door eene oog-
ziekte het licht van zijn eene oog bijna geheel verloren en
nu al jaren lang voor het verlies van het andere gevreesd.
Moclit die ramp hem treffen, dan zou hij zich in Gods wil
weten te schikken, zooals hij ook van haar verwachtte. Immers,
wat is oogenblindheid bij blindheid van den geest I en hoevelen
met gezonde oogen dwalen als blinden door de wereld ! Menschen,
die altijd gezond zijn, zijn blind voor de gevaren, die hunne ge-
HÜYGBNS' ,O0GHEK-TE0O8T." 189
zondheid bedreigen, en de zieken zien nog minder. Blind zijn de
geruste lieden en de onrustige, de gierigen en de verkwisters, de
vroolijke en de treurende menschen, de bezigen en de ledig-
gangers, de moedigen en de bloodaards. Babbelaars en zwijgers
zijn het ook en verliefden en jaloerschen niet minder. Jeugd
verblindt en ouderdom evenzeer. Blind is het heele hof. Zelfs
de kunstenaars, schilders en dichters zijn niet uit te zonderen ;
en „daer sijn noch meer bUnden", waarvan hij nu niet eens
wil spreken: kortom, op deze wereld is „blind en onblind" één.'*
Berooft onze Schepper ons van één onzer oogen, wenscht Hij
zelfs onze beide oogen te sluiten, 't is om ons te leer en „een
schooner licht te zien", een geluk, dat ons beloofd is met een heilig
woord, het woord van Christus: „de vromen sullen God sien".
Wij hebben hier te doen met een leerdicht, want Huvgens
is, als hij ernstig wil zijn, altijd bovenal de wijze man, die
niet alleen een schat van kennis bezit, maar ook een schat
van levenswijsheid heeft opgegaard, en deze nu is in dit ge-
dicht in den rijksten overvloed opeengehoopt, maar in
beknopten, pittigen vorm gebracht. Vereischt zijne manier van
zeggen ook altijd eenig nadenken, hier behoeft de lezer zich
althans niet blind te staren op den zin, en het soms ook hier
wat vèr gezochte is meestal goed gevonden. Toen Huygbns
zich als dichter even blind noemde als zijne medeblinden,
omdat zijne zotheid zich inbeeldde, dat Parthenine die ge-
gedachten „voor heel wat fraeys sou aensien", die hem eigenlijk
alleen door de toevallige rijmklanken ontlokt waren, wees hij
wel met veel zelfkennis op een zwak van menig dichter, maar
misschien heeft hij juist daarom bij het schrijven van dit
gedicht het ernstiger bestreden dan gewoonlijk.
Met den dood van Frederik Hendrik kreeg Huygens een
nieuwen jneester in den jeugdigen stadhouder Willem H. Na
diens outijdigen dood in 1650 bleef hij het Huis van Oranje
dienen en wel met name Amalia van Solms, ook in haar
twist over de voogdij met Maria van Engeland, de jonge prinses-
weduwe, moeder van den lateren stadhouder Willem Hl, wiens
secretaris hij in 1672 worden zoU. Vóór dien tijd was hij wat
wij misschien het best kunnen noemen „toegevoegd lid tot
den Baad van het Huis van Oranje". Dat hij niet meer dan
«toegevoegd lid' werd, had hij te wijten aan de onvriendelijke
190 HUYQBNS' ,HOPWUCK."
gezindheid van Prinses Maria tot hem, bij ondankbare onver-
schilligheid van Amalia. Toch is hij het Huis van Oranje
trouw blijven dienen; maar zijne tegenwoordigheid was nu
niet meer zóó noodig als vroeger, en daarom kon hij in 1651
met recht schrijven: ,,De groote webb' is af en 't Hof genoegh
beschreven: Eens moet het Hofwijck zijn."
Met deze woorden begint het uitvoerigste van Hutoens'
gedichten: Vitaulium. Hofwijck (uitgegeven in 1653), waarmee
hij het voortbestaan, althans op papier, wilde verzekeren aan
het deftige, in 1642 ingewijde, buitenhuis, dat hij naar zijn
eigen ontwerp en met behulp der architecten Jacob van Campen
en Pieter Post aan de Vliet onder Voorburg had laten bouwen,
midden in een grooten vijver, „als een flesch in 't koel vat",
en waarachter hij in den toenmaligen Lenótre*stijl eene uitge-
strekte buitenplaats had laten aanleggen met boomgaard en
kruidhof, abeel- en eikendreven, eikenkreupelhout, berken-,
elzen- en mastbosch, vier zomerhuisjes en, in het achterste ge-
deelte, een berg, waarop zich eerst eene naald of obelisk en,
toen die door „'t felste weer dat sonn oyt sach of maen ter
aerd geslagen" was, eene belvedère verhief.
Van dat Hofwijck nu, waar Huygbns, het Haagsche hof
ontweken, rust en eenzaamheid kwam zoeken, zijn in dit ge-
dicht huis en hof beschreven, zooals hij ze zich voorstelde,
wanneer alle boomen volgroeid zouden zijn; maar bij eene
eenvoudige stelselmatige beschrijving liet de dichter het niet:
telkens week hij — met voorbedachte kunst — op zijpaden
af om toepasselijke opmerkingen en bespiegelingen van zede-
kundigen aard in te vlechten, uit te weiden over zijne lieve-
lingsdenkbeelden en bezigheden, en zelfs eene enkele maal om
een tafreeltje te schilderen of in zijn Delflandschen tongval
Kees het hof aan zijne Trijn te laten maken.
Niet al te lang mogen wij ons bij elk van Huyqbns' ge*
dichten ophouden, te minder omdat de opmerkingen, naar aan-
leiding van zijne vroegere dichtwerken reeds gemaakt, ook op
de latere van toepassing zijn: alleen behooren wij nog van
„Hofwijck" te getuigen, dat 's dichters gebreken er niet
hinderlijk in uitkomen en in elk geval hier door zijne vele
deugden in de schaduw gesteld worden. Meer dan eene eeuw
lang heeft het tot nooit geëvenaard model gediend voor de
HUYGENS' jpTBUNTJB 0OBNELI8." 191
talrijke kortere en langere hofdichten, die onze letterkunde in
vervelenden overvloed zou opleveren, maar die geene enkele
heerenho&tede zoo beroemd hebben kunnen maken als
HuYQENS het met dit gedicht z\jn Hofwijck wist te doen.
In 1653 zette Huyoens zich aan een geheel ander werk,
misschien wel het meest om daarmee te kimnen botvieren
aan zijne, reeds meer dan eens gebleken, liefhebberij om het
volk in eigen tongval te doen spreken, en wel aan het
schrijven van wat hij zelf eene „klucht" noemde, maar wat
met zijne vijf bedrijven naar den omvang wel een blijjspel
mag heeten. De titel is Trijn^e Comelia, zooals ook de hoofd-
persoon heet, eene Zaansche schippers vrouw, die met haar
man een reisge naar Antwerpen meemaakt, zoo on voor-
achtig is, daar alleen te gaan rondwandelen, en dan
wordt aangesproken door een licht vrouwmensch, dat
zich als hare nicht weet voor te doen en haar medetroont
naar hare woning in de beruchte Lepelstraat, waar zij dan
dronken gemaakt wordt en, in slaap gevallen, van al hare
kostbaarheden beroofd en in oude manskleeren gestoken,
's nachts op straat neergelegd wordt. Als zij 's morgens wakker
wordt, acht zij zich eerst betooverd en weet zich in hare ge-
slachtsverandering wonderwel te schikken, maar als zq tot
bet besef gekomen is, dat zq — wat er dan ook met haar
gebeurd moge zijn — alevenwel Trijntje Cornelis gebleven is,
weet zij, door den klepperman naar haar schip terugbracht,
bet gebeurde voor haar man te verbergen met behulp van
Kees, den schippersknecht, die haar ook handtastelqk helpt
om de Antwerpsche snol met Francisco, haar pol, duchtig voor
diefetal en mishandeling te doen boeten.
Dat HuYGENS in dat spel met evenveel talent als Bredero
voorheen het eigenaardige van het Antwerpsch dialect heeft
weten weer te geven en ook Trijntje zelf echt natuurlijk in
haar Zaansch heeft kunnen laten babbelen, maakt er de hoofd-
verdienste van uit, maar ook overigens is het stuk niet onver-
makel^ k. De anecdote, die aan Huygens de stof voor dit spel
leverde, kan door hem gevonden zijn in „'t Leven en Bedrijf
van Clément Marot", door Jan Zoet uitgegeven (naar 't heet
vertaald uit het Fransch), of in het kluchtboek „De gaven
van de Milde St. Marten", waarvan echter geen oudere druk
192 ,TRIJNTJ£ C0RN£U8" BN ^'T NIBÜWSQIBBIG ABGJB."
dan van 1654 bekend is. Daar heet het verbaal het „kluchtigh
Avontuurtje van 't Nieuwsgierigh Aeghje van Enkhuysen'*,
en daaruit schijnt het zóó bekend geworden te zijn, dat nog
altijd „nieuwsgierig Aagje" eene spreekwoordelijke uitdrukking
gebleven is. Tot die bekendheid zal zeker ook hebben meege-
werkt, dat hetzelfde verhaal nog eens weer in 1662 door Abra-
ham BoRMBBSTER tot oono klucht is bewerkt, doch in veel
beknopter vorm dan door Huygbns, daar Bormebstkr zich
zeer getrouw aan de woorden van het kluchtboek gehouden
en de namen onveranderd gelaten heeft, tot zelfs den titel toe :
H Nieuwsgierig Aegje. Onder denzelfden titel heeft in 1679
Anthonie van Bogaert de klucht van Bormeester nog eens
nagemaakt of omgewerkt en in 1664 is zij ook op den Amster-
damschen Schouwburg vertoond, hetgeen met die van Huygbns
niet gebeurde, daar hij hoopte, dat „deze vodderye" als een
„camerspel onder de vrienden ende in hare cameren blyven"
zou, zooals hij schreef, toen hij door „menighvuldige aenpor-
ringen van al te goede vrienden'* het stuk in 1657 in het
licht zond.
Ook gaf hij er eene plaats aan in de uitgave van het
grootste deel zijner Nederlandsche gedichten, die hij in 1658
verzameld van de pers deed komen, en waarin al het vroeger
door hem uitgegevene, met veel ander dichtwerk vermeerderd,
door hem werd opgenomen. Hij gaf er den karakteristieken
titel Korenbloemen aan, omdat hij zijn staatkimdigen arbeid
beschouwde als het koren, door hem verbouwd, en zijne gedich-
ten als de korenbloemen, tusschen dat koren opgeschoten. „De
bloem is noodeloos in 't koren, en nochtans, daer 's geen weer-
seggen aen, zij geeft de Tarw* een glans", zeide hij van zijne
poëzie, zooals ook met recht van de korenbloem kon gezegd
worden.
Nauwelijks echter had het werk het licht gezien,of het werd met
een strafdicht begroet, dat hoofdzakelijk de ongetwijfeld wat al
te onkiesche klucht van Trijntje Cornelis gold. Deze pijl kwam
uit den koker van Joachim Oudaen, die anoniem, om den schijn
niet te hebben, dat hij eigen eer zocht met aan Huygbns' naam
te knagen, „maar niet uit schaamt' of schroom of om vermomt te
gaan," den dichter van „Trijntje Cornelis", dien hij altijd zoo
hoog had geacht om zijne groote dichtgaven,zijn godsdienstzin
oudabn's aanval op hüygens klucht bn sneldichten. 193
en zijn zedelijk karakter, ernstig en met nadruk verweet, dat hij
,met besneeuwde haren d' onkuisheid op d'altaren hief en
schaamteloos een heidensch offerhand bracht". Zijn gezag-
hebbend voorbeeld zou, volgens Oudabn, de jeugd tot navol-
ging wekken en haar schaamtelooze wulpschheid leeren.
Deze oprecht gemeende bestraffing bewoog Hüygens tot het
schrijven van een „Noodweer", waarin hij den aanval lasterlijk
noemde; maar dat antwoord heeft hij, naar het schijnt, eerst
laten drukken in de tweede, weer met vele nieuwe ge-
dichten vermeerderde, uitgave van de Korenbloemen, die in
1672 het licht zag. Oudaen beantwoordde het met een „Afkeer
der noodweer", maar heeft later nog getoond, dat hij Hüygens
als dichter hoog waardeerde, door hem zoowel op zijn acht-
en-tachtigsten als op zijn negen-en-tachtigsten verjaardag in
een verjaardicht te huldigen.
Oudaen*s aanval was ten deele ook gericht geweest tegen
Hüygens' Sneldichten, die ongeveer de helft van zijne „Koren-
bloemen" uitmaken : voor het meerendeel puntdichten, berijmde
kwinkslagen en anecdoten of spreuken, en ten deele uit het
Spaansch, Engels^h of Hoogduitsch vertaald. Eene vrij omvang-
rijke bloemlezing van grappige, aardige, soms zelfs geestige,
versjes, pittig van inhoud en puntig van vorm, zou er uit
bijeengebracht kunnen worden, maar te ontkennen is het niet,
dat Hüygens bij het plukken van deze korenbloemen ook
veel onkruid mee in zijne ruikers heeft samengebonden. Aan
gezochte woordspelingen, flauwe uien en plompe of zelfs vuile
onkieschheden ontbreekt het er niet in. Zij pleiten evenmin
voor Hüygens' goeden smaak, als voor den beschaafden toon,
die er destijds heerschte onder de stafofficieren en in de hof-
kringen, waar deze aardigheden blijkbaar toejuiching hebben
gevonden. Als vruchten van verloren oogenblikken waren
deze sneldichten „te velde, te schepe, te waghen, te paerde meest
geboren", zooals Hüygens ook wel van andere gedichten zeide ;
maar daarmee is de uitgaaf er van nog niet verontschuldigd, en
zeker zouden zij dan ook het licht niet gezien hebben, als
Hüygens zelf niet van nature een groot vermaak in dergelijke
berijmde kwinkslagen gehad had.
Hij wist ze evengoed in het Fransch en Latijn te maken
als in het Nederlandsch en heeft er dan ook blijkbaar eenige
II 13
194 HDYGBNS IN FRANERIJS:; ZIJNE „ZBBSTRABT".
eer mee ingelegd, toen hij in 1661 te Parijs gekomen was om
daar te onderhandelen over de teruggaaf van het prinsdom
Oranje, dat Lodewijk XIV door Pransche troepen had laten
bezetten, aan het hoofd van zijn stamhuis, den lateren stad-
houder Willem III. Tijdens zijn verblijf in Frankrijk maakte
hij een paar maal een uitstapje naar Engeland en in 1665
bracht hij, alvorens op het eind van dat jaar naar Den Haag
terug te keeren, ook nog een bezoek aan het prinsdom Oranje
zelf, waar, ten bewijze dat zijne lange onderhandelingen met
goed gevolg bekroond waren, door de bevolking plechtig de
eed van trouw aan hem als vertegenwoordiger van den Prins
werd afgelegd.
Na een vierjarig verblijf buitenslands vond hij in Den Haag
reeds bijna geheel het door hem al in 1653 ontworpen plan
uitgevoerd, om door de duinen van Den Haag naar Scheveningen
een „steenweg'* aan te leggen, die nog altijd als de Zeestraat
bekend is. In zijne vreugde daarover wijdde hij aan De Zee-
straet in 1667 een uitvoerig gedicht in alexandrijnen, want
de liefde tot zijne „geboort-stadt groeyde, hoe sijn verloopen
dagh meer na den avond spoeyde", en even^ dankbaar als hij
was, dat hij na een arbeid van vier jaar het kindskind van den
eersten „man te roer", dien hij diende, weer in het bezit van
zijn rechtmatig eigendom had kunnen stellen, even gelukkig
rekende hij zich, dat hij door zijn mondeling en schriftelijk
pleit alle bezwaren tegen het aanleggen van de Zeestraat
eindelijk had kunnen overwinnen.
Tot in kleine, misschien te kleine, bijzonderheden vertelt hij
in dit gedicht de voorgeschiedenis van den aanleg op zijne
gewone, eigenaardig-aantrekkelijke manier en met eenige, hier
zeker niet ongepaste, zelfvoldaanheid, die slechts even getem-
perd wordt door het onverdiend verwijt der Scheveningers,
dat die steenweg hun meer aan schoenen kostte, dan de duin-
weg vroeger aan zweet: immers allermeest uit medelijden met
de door het duin zwoegende visschersvrouwen had hij zijn
plan ontworpen. Toch beoogde hij er ook het nut en vermaak
zijner stadgenooten mee, die nu gaarne het tolgeld, waarmee
aanleg en onderhoud van den weg bekostigd konden worden,
zouden betalen om gemakkelijk van de zee en hare wonderen
te kunnen genieten, en aan het strand allerlei nieuwe ver-
HtJYOBNS' „ZBE8TRABT" KN «ClUYSWERCK". 196
maken te vinden ter afwisseling van het eeuwig „lanterfanten"
in 't Voorhout. Eene frissche wandeling aan 't strand ook
was, vooral voor jonge vrijers en vrijsters, vrij wat beter dan
„van noen te middernacht sijn geld, sijn dieren tijt" aan
kaartenblaadjes te verspillen; en een goed maal van versche
zeevisch was ook niet te versmaden. Zoo weidde hij breed uit
in de voordeelen van den nieuwen weg, als naar gewoonte
telkens afdwalende in de richting van mensch- en zedekundige
bespiegeling, om eenigszins mat te eindigen, zooals bij zijne
meeste grootere gedichten: ditmaal met eene toespraak tot de
Hoogmogeude Heeren Staten van Holland en tot de „trouwe
momberen van 's-Graven schoonen Haghe", aan welke hij
zijn gedicht opdroeg met de „goe vertroosting", als het hun
,te laf of te lang'' mocht vallen, dat het zijn „swanesang"
zou zijn.
HuYQENs' zwanezang evenwel is het niet geweest. Behalve
een groot aantal kleinere gedichten voltooide hij nog twee
uitvoerige dichtwerken, die echter niet meer door hem zijn
uitgegeven: in het Latijn zijn De Vila Propria van 1678, in
het Nederlandsch zijn Cluymjoerck van 1683. In het eerste gaf
hij een regelmatig overzicht van zijne levensgeschiedenis, in
het tweede beschreef hij, hoe hij, na het vertrek van „kindren
en kindskind" alleen achtergebleven in het voor hem door
Jacob van Campen en Pieter Post gebouwde en in 1637 door
hem betrokken huis op den hoek van het Plein en de Lange
Poten, daar als „een cluysenaer, een Zeewsche stelle-man"
leefde, maar in het volle genot zijner vrijheid en zonder dat
hij zich in zijne eenzaamheid ook maar een oogenblik behoefde
te vervelen met zijne boeken, zijne muziekbeoefening en het
bezoek van goede vrienden.
Dit gedicht van een zes-en-tachtigjarige, die nog altijd, nu
door zijn oudsten zoon bijgestaan, als Secretaris en Raad
van Willem III zijne diensten aan den Staat bleef bewijzen,
moge ook, evenals ook reeds „De Zeestraet", sporen van den
ouderdom vertoonen, toch zal niemand er de verdienste aan
ontzeggen, dat het zich, zelfs nu nog, in zijn geheel aangenaam
laat lezen en verschillende zeer goed geslaagde gedeelten
bevat, die getuigen van de levenslustige natuur en den
wakkeren geest, door Huygens tot het einde toe behouden.
196 HUYQBNs' dood; jacob westerbabn.
Tot het einde toe bleef hij ook zich zelf gelijk in zijne lief-
hebberij om sneldichten te maken. De laatste in het Neder-
landsch (van 1686) zijn een woordspelend grafschrift, en een
lofdichtje op het „weispreken" van den predikant Johankks
VoLLENHOVB, van wien hij betwijfelde „of oyt op Stoel de
weergae sou verschijnen". Met eene woordspeling besloot hij
ook zijne loopbaan als dichter, toen hij in Maart 1687 in een
vierregelig Engelsch versje aan Willem's gade Maria Staart
als erfgename van Koningin Elzabet eene kroon toewenschte,
waarmee zij zich „Elza-better" zou toonen. Kort daarop, den
26Bten Maart 1687, overleed hij op Hof wij ck.
XXXIV
Jacob Westerbaen, navolger van Huygens.
Aan navolgers en bewonderaars heeft het Huygens niet
ontbroken. Onder die, welke zich het meest naar hem richtten,
neemt zijn stadgenoot Jacob Westerbaen als eerste en ver-
dienstelijkste van allen de eereplaats in. „Van kleynen af-
gesproten", zooals hij zelf met eenigen trots zegt, was hij 7
September 1599 te 's-Gravenhage geboren. In het StatencoUege
te Leiden werd hij voor predikant opgeleid, maar als over-
tuigd en vurig aanhanger van de Arminiaansche partij, zooals
hij levenslang gebleven is, zag hij zich den toegang tot den
preekstoel afgesloten, zoodat hij na het sluiten van de Dordsche
Synode, waarop hij aan de Remonstranten als hun secretaris
goede diensten bewees, naar Caen ging, om er in de medicijnen
te studeeren. In 1622 vandaar als doctor teruggekeerd, ves-
tigde hij zich als geneesheer in zijne geboortestad.
Spoedig daarna trad hij op als dichter met zijn in 1624
uitgegeven bundel Minnedichten, waarin, behalve eenige wel-
luidende minnezangen en bruiloftsdichten, verschillende grootere
dichtwerken voorkomen: vooreerst het verhalend gedicht in
alexandrijnen, „Verhuysinge van Cupido". Daarin vertelt hij,
hoe op een godenmaal Eris onder de Olympiërs twist deed
ontstaan over de vele minnarijen, waaraan goden en godinnen
zich hadden schuldig gemaakt, hetgeen ten gevolge had, dat
Cupido van den Olympus verdreven werd en „sijn vlugge
wbstbrbabn's „nood-sabokklice mal". 197
veeren roerende van boven recht op het Haegje neerkwam",
dat van dien tijd af „sijn hemel sijn sou", waar hij bij Lucella
zijn intrek nam en, omdat hij het er zoo goed had, niet weer
„YBLU verhuisen wilde hooren". Blijkbaar is dit gedicht ge-
schreven onder invloed van Heinsius en van Cats beide, al
komt dat er ook niet zóó sterk in uit als Huygens' invloed
bij zijn volgend gedicht: „'t Nood-saeckelick Mal".
Onder een naam, dien Huygens met zijn ^Costelick-Mal"
hem aan de hand deed, worden er de onvermijdelijke dwaas-
heden, waartoe de liefde de jonge menschen brengt, en vooral
de blindheid der vrijers voor de gebreken der fraai uitgedoste
juffertjes schilderend gehekeld, zooals Huygens dat in zijn
„Voorhout" deed. Hier echter is dat alles meer uitgewerkt.
Ook wordt er, evenals door Huygens, een vrijer sprekende in-
gevoerd, die allerlei Fransche woorden mengt in zijne hoofsche
taal; maar daartoe bepaalt zich de navolging niet, want
terwijl Wbstebbabn denzelfden strophenvorm van het „Voor-
hout" gebruikte, bootste hij tot in kleinigheden toe allerlei
eigenaardigheden van Huygens' stijl na, zijne tegenstellingen
en herhalingen, nu en dan zelfs woordelijk; en ofschoon hij
hier en daar zijn meester in geestigheid bijna wist te evenaren,
over het algemeen is hij minder verrassend en vernuftig,
vooral minder pittig dan deze.
In eene volgende uitgave laschte hq nog twaalf nieuwe
strophen in zijn gedicht in en daaronder ééne, waarin hij
iemand aan zijne vrijster laat vragen, of niet „de Delvenaers
haer boxens meugen komen leggen by de hoofse Hagenaers",
daar immers de Delftsche schutters, die „kal verschieters",
bij deze vergeleken maar „boeren" zijn en „aen haer roeren
passen als een esel aen de luyt". Die, zeker stereotype,
schimpscheut van een Hagenaar op de naburige Delftenaars
bleef niet onopgemerkt. £en ons onbekende zond „tot Noot-
sakelijcke Verantwoordinge der Schutteren van Delft" een lang
gedicht in de wereld, waarop Westerbabn weer antwoordde
met een ander onder de spreuk „leege tonnen rasen meest",
dat, in denzelfden trant geschreven als het „Nood-saeckelick
Mal", zeker daarvoor niet onderdoet.
Wel moet dat laatste gezegd worden van een ander groot
gedicht, weder in denzelfden trant, dat ook in de „Minne-
198 JONCTIJS' MINNflDICHTBN KN HEKELDICHT.
dichten" voorkomt en onder den titel „'t Vrouwen-lof' een
pleit is voor het vrouwelijk geslacht. Verder komt in den
bundel nog eeno goede vertaling voor van twaalf (later vijftien)
„kusjes", naar de „Basia" van Janus Secundus, die kort te
voren (in 1619) opnieuw door Scriverius waren uitgegeven. De
Haarlemscbe musicus Cornelis Padbruë heeft deze „kusjes"
later op muziek gezet.
Als tegenhanger van de „Basia" had Janus Lemutius van
Brugge in 1579 een bundel „Ocelli" uitgegeven, waarvan er
dertig vertaald werden door den in 1609 of 1610 te Dordrecht
geboren geneesheer Daniël Ewoütsz. Jonctjjs, die ze met
een dertigtal andere gedichtjes (o.a. eene vertaling van het
derde der „Basia") opnam in zijn, in 1639 uitgegeven, bundel-
tje Roselims oochiea ontleedt, dat ook nu nog tot de bevalligste
en welluidendste minnepoëzie der zeventiende eeuw wordt
gerekend en in elk geval verdienstelijk is om de vernuftige
verscheidenheid, waarmee hetzelfde onderwerp, de oogjes der
geliefde, er telkens weder in behandeld wordt, schoon het
van eenige gezochtheid en gekunsteldheid niet is vrij te pleiten.
Een uitvoerig hekeldicht, Hedens-daegse Venus en Minerva,
dat JoKCTiJS in 1641 uitgaf, behoort tot de beste hekeldichten
van dien tijd. Het herinnert soms aan het „Costelick-Mal",
ofschoon het breeder van uitdrukking en eenvoudiger van
taal is en de vernuftige opmerkingen en grappige stempel-
woorden er niet zoo opeengedrongen zijn, wat van den anderen
kant weer aan de onmiddellijke verstaanbaarheid ten goede
komt. Het is een pleit van Venus als godin van het zingenot
en Minerva als godin der wetenschap voor den godenraad, die
door Jupiter wordt gepresideerd. Het oordeel van Paris had
de oneenigheid dezer beide godinnen veroorzaakt. Venus begint
met te wijzen op de levenskracht, die van haar uitgaat, en
het genot, dat zij den stervelingen biedt, tegenover Minerva,
die met hare wetenschap de jeugd deftig en zwaarmoedig
maakt en alle blijdschap bij haar onderdrukt. Ook oogst de
beoefenaar der wetenschap voor al zijne lichaamverslijtende
en gezondheidknakkende studie dikwijls niet anders in dan mis-
kenning en nijd. Minerva daarentegen laat er zich op voor-
staan, dat zij waardig is, alleen door de voortreffelijksten
gediend te worden; haar behoort de bloem dei menschheid,
jonctub' „hbdbns-dabqsb vbnus kn minbrva". 199
die baiten haar niemand anders noodig heeft, terwijl Venus
toch altijd nog de hulp van Bacchus en Ceres behoeft om hare
volgelingen te boeien, en ook dan nog te strijden heeft met den
wedijver der Muntgodin, die zelfs Cupido bewogen heeft, boog en
p\jlkoker weg te werpen, en hem in plaats daarvan het goud-
schaaltje in de hand heeft geduwd. Aan Venus mogen de
menschen het leven te danken hebben, aan Minerva danken
zij de onsterfeUjkheid door hun roem bij het nageslacht. En
hoe vluchtig is het mingenot! hoe wordt het getemperd door
jaloezie en teleurstelling! Hoe spoedig valt de liefdesbril, die
Cupido uit zijn goocheltasch te voorschijn bracht om den
minnaar alles mooier te doen schijnen dan het is, den onge-
lukkige weer van den neus, en hoe droevig vindt hij zich
bedrogen, als wat hij voor echte kleur hield „waterverf'
blijkt! Welk een waar genot, hoeveel roem en eer daarentegen
verschaft de beoefening der wetenschap ! Zij voert den mensch
ten hemel, terwijl de wellust, door Venus aangeboden, meestal
in tranen eindigt. Nu komt Venus weer aan het woord, om
in een lang pleidooi niet zoozeer zich zelf te verdedigen, als
wel, in nauwe aansluiting aan het bekende wijsgeerig ge-
schrift „De incertitudine et vanitate scientiarum" (1527) van
Agrippa van Nettesheim, geestig in het licht te stellen, hoe
onvruchtbaar, nutteloos en nadeelig zelfs alle wetenschappen
zijn, geene enkele uitgezonderd. Alle moeten achtereenvolgens
de spitsroede doorloopen: God- en rechtsgeleerdheid, genees-
en heelkunde, wijsbegeerte en letterkunde, oudheid- en ge-
schiedkunde; en wanneer zij er duchtig van langs gekregen
hebben, dan moge Minerva uitroepen, dat kracht, deugd en
waarde der wetenschappen door Venus niet behoorlijk onder-
scheiden zijn van het misbruik, dat soms van de wetenschap
is gemaakt, en het bedrog, dat dikwijls met schijnwetenschap
is gepleegd, de goden wenschen hare repliek niet verder aan
te hooren en sluiten het debat; en daar nu gelijk pleegt te
krijgen, wie het laatst aan het woord bleef, maakte Jonctijs
den indruk, alsof hij inderdaad alle wetenschap voor ijdel
hield en in ernst alleen zingenot aanbeval.
'De meeste beoefenaars der wetenschap lachten er om of
haalden er hoogstens de schouders over op; maar godge-
leerden aan het lachen te brengen over hunne eigene gebreken
200 JOAN DB BRUN£, DR JONOB; WBSTBKBABN'S HUWBLUK.
is niet zoo gemakkelijk: zij werden er boos over, zóó boos
zelfs, dat zij den Dordschen kerkeraad bewogen, den hekel-
dichter met den kerkelijken ban te treffen. Zelfs konden zij
niet tot andere gedachten gebracht worden door zijne „Apologie
of gedrongen onschuld, roerende zyn misduide hedendaegse
Venus en Minerva" (van 1642), zoodat hij naar Rotterdam,
de geboorteplaats zijner vrouw, verhuisde, waar hij, ofschoon
het hem eerst in 1649 gelukte het banvonnis opgeheven te
krijgen, reeds een jaar te voren tot schepen verkozen werd,
als bewijs hoezeer hij daar in aanzien was, ook wegens een
paar voortreffelijke prozawerkjes, waarop wij later nog wel
terugkomen. In 1654 is hij te Rotterdam overleden.
Wegens zijn verdienstelijk proza zullen wij later ook nog
hebben te spreken over Joan db Brune, den jongen, die om-
streeks 1616 te Middelburg geboren werd en er in 1649
overleed ; doch reeds nu hebben wij aanleiding om zijn bundel
Veirges van 1639 te vermelden: eene verzameling van een
groot aantal kleine minnedichtjes, die er den schijn van
hebben, dat zij den dichter telkens door het een of ander
voorval, eene ontmoeting of opmerking, ontlokt zijn. Een
negental „Kusjes" is er bij, en dertig rijmpjes hebben den
afzonderlijken titel „De Honich-bye". Een zeer klein gedeelte
dezer versjes is in anderen, ook wel stichteUjken, toon ge-
schreven, maar verreweg het meeste in de taal der hoffelijke
liefde Onder de voorafgaande lofdichten is er een in het
Fransch van Pieter db Groot, die ook een der academie-
vrienden was van Westerbaen, tot wien wij nu, na deze
uitweiding, terugkeeren.
In 1625 trad Westerbaen, zeer tegen den zin der hoog-
hartige familie zijner bruid, in het huwelijk met Anna Weyt-
sen, de weduwe van Reinier van Groeneveld, die hem tot
een rijk en aanzienlijk man en heer van Brand wijk (in de
Alblasserwaard) maakte. Zijn huweüjk veroorloofde hem, de
geneeskundige praktijk neer te leggen en zich aan andere
bezigheden te wijden, aan studie en poëzie wel het eerst,
zou men verwachten, doch zelf schreef hij in 1657, dat hij,
„op het land koomende te woonen'*, namelijk op het huis
West-Escamp, „het woud der nachtegaelen" ten Oosten van
Loosduinen, ook zelf wel gedacht had, zich. daarmee onledig
westerbabn's vkrtalinobn. 201
te zullen houden, maar dat hij „daer soo veel wercks of tyd-
kortinge vond in planten, pooten, hovenieren, ryden, jaeghen ,
visschen en vogelvangen ende diergelijcke land-genuchten ,
dat hy noch aen ApoUo, noch aen yemanden der negen
Zang-godinnen een goedt woordt wilde of behoefde te gheven".
Slechts nu en dan maakte hij , bij bepaalde gelegenheden ,
een gedicht; maar toen hij in 1648 „het goed geselschap
van syne echtgenoote door haer overlijden verlooren had
ende zich daerdoor in meerder eensaemheydt op het lant
vond, heeft hy wat meer heuls aen de Rijmpen gesocht, om
daermede altemet de smerte van syn verlies en een stuck
van de quaede dagen en lange avonden te vergeten ende
zich de eensaemheydt te min verdrietich te maecken".
In groot aantal volgden zijne dichtwerken nu elkaar op,
te spoediger naarmate hij ouder werd. Grootendeels waren
het vertalingen uit het Latijn. Had hij reeds in 1647 in zijn
„Uytvaert van Frederick Hendrick" de vertaling gegeven
van een Latijnsch gedicht van zijn vriend Barlaeus, van
wien hij nog meer in het Nederlandsch overbracht, in de
verzamelde uitgaaf zijner „Gedichten" van 1657 vindt men
gedeeltelijke vertalingen van twee hekeldichten van Juvenalis en
eene verduitsching van eenige der Heroides van Ovidius. In 1658
gaf hij „Senecaes Troas" in Nederlandsche verzen uit, waarop
in 1659 de „Lof der Sotheyd", eene berijmde vertaling van
Ërasmus' „Encomium Moriae", volgde. Zelfs verscheen van
hem in 1662 eene vertaling der geheele Aeneis van Virgilius
en in 1663 van „De ses comediën van P. Terentius", van
welke „Terentii Eunuchus of de Kamerlingh" reeds twee
jaar vroeger afzonderlijk was uitgegeven, toen ook zijne ver-
taling van de „Andria" op den Amsterdamschen Schouwburg
vertoond was. Eindelijk gaf hij in vrije bewerking „op onse
tijden en zeden gepast" in 1665 eene vertolking van Ovidius'
«Ars amatoria" als „Avond-school voor vryers en vrysters"
en in 1666 van Ovidius' „Remedia amoris" als „Nieuwe
Avond-school".
In 1655 werden door hem ook nog „Davids Psalmen in
Nederduytsche Rijmen gestelt", die eene polemiek in verzen
uitlokten , daar zij werden aangevallen in een anoniem schimp-
dicht, getiteld „J. van Vendelen Voorlooper", dat Mr. Pibtbr
202 wbsterbakn's hekeldichten.
VAN Geldbren tot maker had en waarop Wbsterbabn geestig
antwoordde met een gedicht „Bod en Brood voor den Man,
die sich noemt J. van Vendelen Voorlooper". Daarbij bleef
het niet, doch wij kunnen hier evenmin over deze als over
andere polemische gedichten van Wbsterbabn uitweiden, of-
schoon hij daarbij vooral in zijne kracht was.
Alleen moeten wij met een paar woorden melding maken
van zijn „Krancken-troost voor Israël in Holland" van 1663,
en zijn „Kostverlooren" van 1668. Het eerste werd geschreven
naar aanleiding van de afkeuring, door sommigen geuit over
het besluit der Staten- van Holland ,. waarbij aan de predikan-
ten gelast was, bij de godsdienstoefening officieel te bidden
voor de Staten als voor den souverein des lands. Wbsterbabn
hield hier natuurlijk de zijde der Staten, kwam krachtig
tegen de heerschzucht der predikanten op , bracht 's lands
treurspel van 1619 in herinnering en besloot zijn gedicht
met den wensch uit te spreken, dat men „op 't Hof, recht
voor de groote Sael, een beeld, een heerlijck beeld van raar-
mer of metaal" voor den vermoorden landsadvocaat zou
oprichten met dit opschrift: „Dits Oldenbarne velt , die trouwe
patriot, die hier zijn leven liet voor 't land op een schavot".
In het tweede gedicht overwoog Westbrbaen, „of de predikan-
ten van de Publijcke Kercke de gage, die zy van het gemeene
Land genieten , oock al verdienen", waarbij hij tot de slotsom
kwam, dat het uitbetalen van dat geld „kost-verlooren" was.
Natuurlijk lokten deze gedichten ook tegenschriften uit,
waarbij Wbsterbabn dan niet naliet meermalen van repliek
te dienen. Zoo wisselde hij b.v. verscheidene strijddichten met
den Harderwijker professor in de theologie, Guilielmus van
Ingen (naar 't mij voorkomt dezelfde als Wilhelmus Wilhel-
mius, later hoogleeraar te Leiden), die in een welgemeend,
maar slecht uitgevallen, gedicht „Thersites", en met den boek-
binder-tooneeldichter J. Toledo, die in een gedicht „Papier-
verloren", zijn „Kost-verlooren" hadden bestreden.
Deze strijddichten vindt men o. a. achter de rubriek „Men-
gel-rym" der volledige uitgave zijner werken van 1672,
waarin ook verschillende zoogenaamde „heldendichten", die
op staats- en krijgsbedrijven betrekking hebben, voorkomen,
benevens eene verzameling Latijnsche verzen en een vrij
westerbabn's „ookenbürgh". 203
groot aantal puntdichten, die weer aan Huygens doen den-
ken, met wien hij al meer en meer bevriend werd, zooals
tal van onderling door hen gewisselde gedichten getuigen, al
verschilde hij van Huygens dan ook door zijn Arminiaan-
schen geest, zijn lust in polemiek en zijne geduldige lief-
hebberij in het vertalen van uitvoerige classieke dichtwerken.
Geheel en al als navolger van Huygens treffen wij hem
weer aan in 1654 met zijn groot oorspronkelijk dichtwerk
Arctoa Tempe.Ockenburgh, waarin hij, wat Huygens voor „Hof-
wijck" had gedaan, hem onmiddellijk wilde nadoen voor zijn
eigen landgoed Ockenburgh , dat hij met zorg en moeite in
de klingen Westelijk van Loosduinen had aangelegd en waar
hij in 1652, toen het bewoonbaar geworden was, het ruime,
maar eenvoudige landhuis betrok. In zijne „Opdraght van het
papieren Ockenburgh" aan Huygens zeide hij : „uw voor-
beeld wees my 't spoor, waer lanx ick had te rennen",
ofschoon hij wel begreep, dat zijn „rennen" maar „stappen"
zou moeten blijven. In allerlei opzichten heeft bij dan ook
hier Huygens gevolgd, niet alleen diens „Hofwijck", maar
ook diens „Zedeprinten", met name de print van „de rijcke
vrijster"; doch in één opzicht was het volgen hem moeielijk.
De aanleg van zijn landgoed toch was nog lang zoo ver niet
gevorderd als die van Huygens' buitenverblijf, en zoo kon
hij dan dikwijls van niets anders spreken dan van „dingen
die naulijx zijn versonnen", van boomenrijen b.v. , die nog
maar alleen in zijn hoofd bestonden.
Vandaar dat er in het gedicht van alles meer dan van
Ockenburgh zelf sprake is, 't allereerst van Hofwijck, waar-
van hij den lof zong, dan van het Westland met eene lange
uitweiding over de sage der Gravin van Hennenberch, die
eens tegelijk evenveel kinderen zou ter wereld gebracht heb-
beu, als er dagen in 't jaar waren, en verder van den
Toglenzang en het jachtvermaak , de „vangst van hayr en
veeren", in de duinen, waaraan hij hier ook zoo dikwijls de
Oranjes en andere vorsten zag deelnemen. Doch ook uit-
weidingen van anderen aard veroorloofde hij zich, zooals over
de voorwaarden voor een gelukkigen echt en over een tweede
huwelijk, over den waren adel, die met aanzienlijke geboorte
niets te maken heeft, enz. enz. De schilderijen, die zijn huis
204 wkstbrbabn'b „ogkbnburoh".
versierden, gaven hem aanleiding om over staatkundige ge-
beurtenissen, b.v. de terechtstellingen van Oldenbamevelt en
van Karel I van Engeland, te spreken, en eene uitvoerige
behandeling der boomkweekerij gaf hem ook allerlei verge-
üjkiugen met kinderopvoeding in de pen. In het laatste ge-
deelte van liet gedicht sprak hij zeer uitvoerig over de genoegens
van de jacht, waarmee hij zich vooral des morgens kon ver-
meien, en over zijne uitspanningen des avonds : studie en lectuur.
Zeer breedsprakig is hij daarbij over de verschillende natuur-
wetenschappen, die hem zooveel belang inboezemden, en ook
over de leering van „hooger school, daer philosophen swygen".
Ten slotte komt de dichtkunst aan de beurt, zoowel die der
Olassieken, der Italianen en Franschen, als die van zijne eigene
landgenooten, van Huygens, Hooft en Cats in de eerste plaats,
maar ook van den te zelden dichtenden Van der Burgh, van
Heemskerck, Bredero, Vos, Anslo, Brandt, Camphuysen en De
Decker, en vooral van Vondel, dien hij hoog vereerde, maar
toch ook hier wegens zijn overgang tot de Katholieke kerk
weder even krachtig bestreed, als hij dat verscheidene jaren
vroeger reeds had gedaan.
„Ockenburgh" is ongetwijfeld het beste van Westerbaen's
grootere gedichten en laat zich ook nu nog met genoegen en
belangstelling lezen, maar hoe gaarne wij den dichter ook
eeren als een man van karakter, onafhankelijk van geest,
eerlijk van gemoed, rijk in kennis en niet zonder vernuft, wij
moeten erkennen dat zijn dichtwerk hem geen recht geeft op
eene andere dan eene tweedenrangs plaats onder onze dichters.
Ook „Ockenburgh" is, vergeleken bij het gevolgde voorbeeld,
niet meer dan wat een latere flauwe afdruk is in vergelijking
met den scherpen en fijnen eersten staat van eene goede ets.
Hij zelf trouwens had geen hooger dunk van zijne poëzie.
Voor één gebrek van Huygens echter heeft hij zich weten te
hoeden : voor gezochte duisterheid, die hij zeker meer is gaan
afkeuren naarmate hij meer de „gladde rijmpen" van Cats
had leeren waardeeren, waardoor deze „by duysenden bemint"
was geworden, zooals hij zeide, als de vader van „rijm en
reen, die yeder kan begrijpen", van „ryck en vloeyend werk ',
waarin geene moeielijk op te lossen „raedselen" voorkwamen.
Op zijn geliefd Ockenburgh, waarbij zich koning, d.i. zijn eigen
SLIAS HBRCKMANS. 205
heer en meester, voelde, waar hij altijd van alles wat hij be-
geerde «genoeg", d.i. „meer dan veel", en ten slotte ook het
voorrecht van een frisschen, opge wekten ouderdom had gehad,
overleed hij 31 Maart 1670.
XXXV.
Andere vrienden en navolgers van Huygens.
In Wbstkrbabn hebben wij wel den voornaamsten dichter
uit HuYOËNS* school leeren kennen, maar lang niet den eenigen.
Reeds vroeger troffen wij als zoodanig ook hun stadgenoot
Adriaen van DB Vbnnb aan, die echter meer van zijne ge-
breken, dan van zijne deugden overnam, maar ook in Amster-
dam vond HuYGBNS wat later navolging, o.a. bij den zeeman
Elias Hbrckmans, te Amsterdam, vermoedelijk in 1596, geboren,
die reeds vele tochten om de Noord, naar Archangel, gedaan
had, toen hij als dichter optrad. Het duidelijkst verraadt hij
den invloed van Huygens, en wel bepaaldelijk van diens
„Costelick-Mal", in zijn gedicht „Encomium Calvitii ofte Lof
der Koel-koppen'^ dat hij in 1635 ook aan Huygens opdroeg
en waarin o.a. evenzoo met de pruiken, de geroofde lokken,
gespot wordt, als wij dat in het „Costelick-Mal" zien doen.
Overigens had Hbrckmans ook reeds, voor hij persoonlijk
met Huygens in aanraking gekomen was, diens wat gezocht
schilderenden, geestig beeldrijken stijl, maar in het oog van
sommigen met te groote hardheid en stroefheid, nagebootst
in zijne beide historische tooneelstukken Slach in Vlaenderen
(d.i. bij Nieuwpoort), in 1624 gedrukt, en „Tyn« Belegeringhe
en Ondergang door de laeste veroveringhe van Alexander de
Groote", in 1627 geschreven, en vooral in zijn groot dichtwerk
Der Zee-vaert Lof, dat in 1634 het licht zag, versierd met
verschillende etsen, waaronder ook eene ets van Rembrandt,
die inderdaad de reis van Paulus naar Rome voorstelt, maar
meest bekend is onder den onjuisten naam van „het scheepje
van Fortuin".
Hbbckmans, die het werk opdroeg „Aen de Machtighe in
Zeevaart bloeyende koop-stad Amsterdam", toonde daarin eene
206 SLIAS HBRCKMANS EN MATTHKUS TBNQNAQBL.
omvangrijke en voor een zeeman zeker ongewone historieken-
nis, ten deele ook onmiddellijk uit de classieke schrijvers ge-
put. In vijf boeken, waarin de alexandrijnsche versvorm ge-
bruikt is, wordt een belangwekkend overzicht gegeven van
de geheele geschiedenis der zeevaart, van Noachs ark af tot
op 's dichters eigen tijd toe, zoodat men er niet alleen de zee-
tochten der Aegyptenaars en Phoeniciërs, der Carthagers en
Grieken in beschreven vindt, maar ook die der kruisvaarders,
der Spanjaarden en Portugeezen en, in het vijfde boek, de
ontdekkingsreizen der Nederlanders. Een zesde boek, in korter
rijmregels, schildert levendig en nauwkeurig het leven aan
boord van een koopvaarder. Een loflied op den „waerd ge-
geroemden zee-held Cornelis Jansen de Haen*', die in 1633
tegen de Duinkerkers sneuvelde, is er aan toegevoegd
Een jaar nadat Hebckmans met dit gedicht den lof van
mannen als Huygens, Bablaeus en verscheidene anderen had
ingeoogst, en in hetzelfde jaar, waarin hij in Huygens' trant
den lof der kaalkoppen zong, trad hij in dienst der Westindische
Compagnie, die hem onder Joan Maurits van Nassau naar
Brazilië zond, waar hij 8 Januari 1644 overleed, minder ge-
waardeerd dan hij om zijne daden had verdiend.
Denken wij ons de Hollanders der zeventiende eeuw bij
voorkeur als die werkzame, bekwame en stoere mannen,
waarvan Herckmans een type is, dat er toen ook zwakke-
lingen zonder zelfbeheersching en werklust gevonden werden,
spreekt wel van zelf. Met zoo een maken wij kennis in een
ander navolger van Huygens, nameUjk Mattheus Gansneb
Tengnagel, in 1613 te Amsterdam geboren als zoon van den
schilder Jan Tengnagel, van wiens „penceelen" hij later zeide,
dat hij „de schaften tot schrijfpennen versneden" had. Korten
tijd was hij student te Leiden, maar sjeesde spoedig, daar hij
zóó wild van leven was, dat hij bij zijne meerderjarigheid door
zijne aanzienlijke familie onder voogdij werd gesteld.
In het eerste boekje, dat hij (in 1640) met zijn naam uitgaf,
Amaterdamsche Lindebladen, heeft hij versvorm en stijl van het
„Voorhout" inderdaad niet onverdienstelijk nagemaakt. Hij
noemde daarin zelf den „wakkren Huygens, die somwijlen
ledig naer dichten schoot, de star, waemaer hy zeylde", en
wenschte met zijn gedicht voor de linden zijner geboorteplaats
tbnonagel's „amsterdamsche lindebladen''. 207
evenveel roem te verwerven, als Huygens het voor die van
het Voorhout had gedaan. Gaarne laat hij aan Huygens de
I, voorzit in de vierschaar**, die oordeelen zal, of de Amster-
damsche linden die van het Haagje niet ver overtreffen, want
hij is er van overtuigd, dat de „andere ziel van Welhems
zoon 't recht zoo recht zal spreken, als 't den rechten rechter
past". Vooral als heerlijk bladerdak om er onder te vrijen
vergelijkt hij zijne linden bij die van Huygens, en al is zijne
taal wat platter en al zijn er onder de tooneeltjes, die hij
schildert, een paar, waarbij de kieschheid niet genoeg in acht
genomen is, over het algemeen mag men zeggen, dat misschien
niemand in den eigenaardigen trant van het „Voorhout"
Huygens zoo dicht op zijde is gekomen en de afgeluisterde
vrijerspraatjes zoo geheel in Huygens* geest, wat uitvoeriger,
maar soms niet minder geestig, in achtregelige strophen heeft
weten weer te geven, als hij, trouwens niet zonder nu en dan
woorden en gedachten van Huygens bijna letterlijk over te
nemen. Aardig vooral is de beschrijving van hetgeen er op
eene Amsterdamsche kermis te smullen valt, aardig ook de
hofmakerij van een Amsterdamschen schutter, die half bluft
op, half spot met zijne mooie uitrusting, stuk voor stuk door
hem zóó beschreven, dat wij dien zeventiendeëeuwer „met sijn
schutters tuigjen aen" vóór ons zien. Dat in zeven strophen
van dit gedicht achtereenvolgens meer dan honderd vijftig
namen van dichters uit dien tijd worden opgesomd, heeft als
letterkundige curiositeit reeds meermalen de aandacht getrokken.
Aan dit gedicht is nog, onder den titel Afgeslagen bloemsely
een klein bundeltje losse gedichtjes door den dichter toege-
voegd, meest aan zijne vrienden gewijd, soms in ernstigen
trant, soms als welluidend minnelied te prijzen.
Jammer, dat Tengnagel's andere gedichten, in denzelfden
trant reeds in 1639 uitgegeven, even ongebonden van toon
zijn, als hij zelf van leven was^ zoodat hij het daAook niet
waagde, zijn naam op den titel te plaatsen en zelfs het auteur-
schap er van verloochende. Zij heeten: Amsterdarmche Mane-
sehiint Amsterdamsche Sonne-schiin en Qrove Roffel ^of te quartier
des Amsterdamsche Maneschyn, waarop in 1640 nog als „laetste
quartier" het boekje St, Nicolaes milde gaver, volgde. Hierin
ging hij met het vertellen van liefdesgevallen zoozeer alle
208 tengnaqbl's klucht bn hbrdersspal.
perken van kieschheid te buiten, dat Huygens, die zelf toch
ook wel iets durfde neerschrijven, zich moet geschaamd hebben,
toen hij daarin een vrijer, „die voor 't venster stond bedropen
in het regenachtigh weer, daer syn beekje lagh gekropen in
de lodderlijcke veer", vermeld vond als denzelfden „klapper-
tand, daer ons Huygens so af schrijft". Deze boekjes zijn niet
alleen vies en grof, maar bovendien ook echte blauwboekjes,
waarin onder bedekte of ook maar half bedekte namen allerlei
Amsterdammers worden ontmaskerd of belasterd, zoodat de
dichter zich eene menigte vijanden maakte.
Bijzonder kiesch kan men ook zijne klucht Frick in H VewT'
huya niet noemen, in 1642 uitgegeven en, naar 't schijnt, ook
op den Schouwburg gespeeld ; maar er zijn er wel platter
vertoond en ook wel die minder geestig het Amsterdamsche
leven van dien tijd schilderen. Handeling is er weinig in. De
held er van is een losbol, die, wanneer hij op het punt is
bruigom te worden, door twee meisjes wordt vervolgd, omdat
zij reeds vroeger met trouwbelofte ook een kind van hem
ontvangen hadden. Met de „verdagvaerding" van Frick „voor
Commissarissen in d' Ouwe kerk" is deze geschiedenis ten eind.
Misschien heeft Tbngnagel zich spoedig gebeterd onder
den machtigen indruk, dien hij van den dood zijner moeder
ondervond, althans in 1643 gaf hij een werkje uit, zóó beschaafd
van taal en streng zedelijk van inhoud, dat men er denzelfden
man niet in zou herkennen, namelijk het door hem met verlof
der Amsterdamsche Overheid aan zijns vaders vriend Daniël
MosTART opgedragen „Leven van Konstance" (in proza), waer
af volgt (in verzen) het tooneelspel De Spaensch^ heldin", met
vier goede etsen van Pieter Nolpe en muziek van G. Bolhamer.
Het spel is de dramatiseering van hetzelfde aan Cervantes
ontleende verhaal van Preciosa, dat Cats in zijn „Trou-ringh"
had opgenomen en dat reeds vóór Tengnaqel, zooals hij zelf
in de opdracht mededeelt, tot een, eerst in 1644 gedrukt,
blijspel Spaensche heydin bewerkt was door Katarina Verwbbs
DUSART.
Na dien tijd vernemen wij van Tbngnagel niet veel meer.
In den zevenden druk van een bekend liedboekje, „'t Amstel-
dams Minne-beeckie", komen nog drie, waarschijnlijk reeds
vroeger gedrukte, minneliedjes van hem voor. Op het eind
MATTHRUS TBNQNAGBL EN JAN ZOET. 209
van 1651 schreef hij. nog een gedichtje in het album amicorum
van Jacob Hbiblocq, sedert 1670 rector aan de Latijnsche
school der Nieuwe Zijde en van 1678 tot zijn ontslag in 1685
van de vereenigde Latijnsche scholen te Amsterdam, en bekend
door een „ParragoLatino-Belgicaof Mengelmoes van Latijnsche
en Duitsche gedichten", door hem in 1662 uitgegeven.
Dat Tenonaqel tot zijn vroeger losbandig leven teruggekeerd
is, schijnt men te mogen opmaken uit een „grafb-dicht" op
hem van den schilder Willem Schellincks, waarin gezegd
wordt, dat hij „in des werelds spinneweb moet willens bleef
hangen tot dat de Doot hem met één slagh uit mede-ly smeet
uit dat rack", tot groote vreugde van iedereen, die van dezen
Satyr en Momus binnens- en buitenslands te lijden had gehad.
„Dankt Godt", zoo eindigt het graft-dicht, „dat die hier onder
leit U noit en kon of zo wel kenden, dat hy u niet vermocht te
schenden". Vermoedeljjjk stierf hij in 1652, daar toen „De geest
van Mattheus Gansneb Tengnagel in d' andere werelt by de ver-
storvene poëten" anoniem uitkwam : een merkwaardig gedicht,
geheel in Tengnagel's (d. i. in Huygens') dichtvorm en misschien
daarom gewoonlijk, doch zeker te onrecht, aan hem zelf toege-
schreven. Later komen wij op deze scherpe hekeling van
de meeste vóór 1652 overleden tooneeldichters nog wel
terug.
Tot de vrienden van Tengnagel behoorde o.a. de Amster-
damsche herbergier van „De soete inval", Jan Zoet, die ook
als dichter van schendblaadjes en politieke hekeldichten en
puntdichten (o.a. tegen Jan de Wit) bekend is. In 1636 ver-
scheen van hem een dergelijk gedicht als de blauwboekjes
van Tengnagel, maar misschien wat minder persoonlijk. Onder
den titel Hedendcuxghsche Mantel-eer trekt het te velde tegen de
macht van het geld, dat alle kwaad weet goed te maken en
dat daarom ook door ieder met alle middelen wordt bejaagd.
,l8 't oneerlijk, broeds of mal, Moye Mantels dekken 't al",
is er de tekst, waarop gepreekt wordt; maar die preek is
allesbehalve stichtelijk, en van hetgeen er te Amsterdam,
vooral op het gebied van de minnarij, omgaat, wordt een
leelijk boekje opengedaan door „twee laudaten, zusters van
de Schuimgodin, die de eer op 't hoogste haten, hebben in
de Munt-god zin", en aan wie het geheele gedicht in den
II 14
210 JAN ZOBT BN ZUNB DICHTBBNT.
mond wordt gelegd. De inleiding herinnert door den versvorm,
en het verdere gedicht, in paarsgewijze rijmende korte vers-
regels, door enkele niet onaardig geteekende tafreeltjes aan
Huygens' „Voorhout", maar door de breedsprakigheid nog
meer aan Cats.
Vijf tooneelstukken liet Jan Zoet op dit gedicht volgen,
maar na zijne „geestelijke wedergeboorte" verviel hij meer in
den stichtelijken trant, ofschoon hij ook daarin hatelijk ge-
noeg kon wezen, zooals in zijn gedicht «Het groote Vischnet",
dat bijna alle godsdienstige sekten geeselde en in het bijzonder
de verschillende soorten van Mennonieten. Zelfs de „Heilige
Dagen" van Hüygens konden toen geene genade in zijne
oogen vinden ; hij viel ze (vermoedelijk op het eind van
1646) aan in zijne „Geestelikke Door-zichten op Constantyn
Huygens' Hailige Dagen, Beneeven een Kars-dagh aan den-
zelfden", wat HuYGENS terecht deed zeggen, dat er in zijn
naam eene e te veel was.
Het meest bekend heeft hij zich gemaakt als lofdichter van
het huis van Oranje, o. a. met zijn gedicht op de Oranjezaal,
die Amalia van Solms onder toezicht van Huygens deed
bouwen en die later, toen het Haagsche bosch had opgehouden
eene wildernis te zijn, het Huis-ten-Bosch genoemd werd; en
door het uitvoerig gedicht op den zesden verjaardag van
Willem van Oranje, dat hij in 1656 zelf aan het hof mocht
komen voorlezen en waarin hij den Prins aan het slot „de
erfenis van kroon en troon" toewenschte, die hem later
inderdaad ten deel zou vallen. In deze en andere gedichten
bootste Zoet soms den stijl van Vondel na, natuurlijk zonder
hem ook maar in de verte te evenaren.
Ofschoon als dichter hoogst middelmatig, als mensch ruste-
loos en vechtlustig, wist hij zich toch door eene geheele
dichtbent als „hooftpoëet" te doen erkennen. De erbarmelijke
vruchten van den dichtarbeid der negentien leden, waaruit
die kring in 1663 bestond, zagen in dat jaar het licht onder
den titel „Pamassus aan 't IJ of Konstschoole ter deugd ten
huyse en onder 't beleyd van Jan Zoet". Den Uden Januari
1674 is Jan Zoet overleden, zeker tot zijne eigene verbazing
en teleurstelling, want hij had geleefd in de vaste overtuiging,
dat hij niet zou sterven, maar de komst van Christus en het
8T£ENDAM, BRUNO BN ANDBRB BBNTOBNOOTEN VAN JAN ZOBT.
duizendjarig rijk zou beleven, wat menig spotdichtje, vooral
na zijn dood, heeft uitgelokt.
Van zijne bentgenooten noem ik alleen den door hem zelf
gelauwerden Tewis Dircksz. Blok, Claes Seep, den reeds
vroeger vermelden vriend van Krul, den Haarlemschen
procureur Pieter Rixtel, die in 1669 „Mengelrymen*' uitgaf,
den schilder Pieter Verhoek en den in 1666 als zieken-
trooster naar Batavia vertrokken en aldaar overleden Jacob
Steendam, wiens minnedichten en stichtelijke gezangen in
twee deelen onder den titel „De Distelvink" in 1650 uit-
kwamen, even vóór hij naar Nieuw-Amsterdam vertrok, van
waar hij weliswaar vóór 1662 terugkeerde, maar waar hij
toch lang genoeg woonde om nu nog door de patriciërs der
Vereenigde Staten als de oudste dichter van hunne republiek
te worden beschouwd.
Tot de dichtbent van Jan Zoet behoorde ook nog Henrick
Bruno, de zoon van een Alkmaarschen predikant, die ons
weer tot Hüygens terugvoert, daar hij eenigen tijd goevemeur
van diens kinderen was, maar zonder daarvoor geschikt te
zijn, evenmin als voor het conrectoraat te Hoorn, waaruit hij,
vermoedelijk om zijn weinig stichtelijk levensgedrag, ont-
slagen werd; maar in Rochus Hofferus te Zierikzee vond hij
een machtig beschermer, aan wien dan ook een zeer groot
aantal Nederlandsche en Latijnsche gedichten gewijd is in
zijn „Mengelmoes van verscheyde Gedichten'*, dat in 1666
uitkwam, twee jaar nadat hij op zevenenveertigjarigen
leeftijd overleed.
Behalve in eenige puntdichten en bruiloftszangen is er in
dat geheele weinig genietbare mengelmoes niets bijzonder on-
stichtelijk, en ook overigens heeft hij in zijn schrijven tegen de
goede zeden niet gezondigd, want niet alleen vertaalde hij
veel uit de classieken, maar ook berijmde hij vele bijbel-
boeken, o. a. in 1656 ook de Psalmen. Voor Cats schijnt hij
als dichter meer gevoeld te hebben dan voor Huygens, met
wien hij nochtans, ook blijkens wederzijdsche lofdichten, in
vriendschapsbetrekking bleef, toen hij reeds te Hoorn woonde.
Ook wisselde Huygens (in 1646) schertsende gedichtjes met
zijne zuster Alida Bruno, eene van de vele kunstlievende, soms
ook inderdaad kunstvaardige, en halfgeleerde jonge en oudere
212 DIGHTIJEYBNDB JüFFflBS.
juffers, die zich destijds beijverden de beroemde „Visscherskin-
deren" te evenaren, maar ze alleen in het klein hebben kunnen
navolgen, en die het vermoeden bij ons wekken, dat, ware er
bij ons slechts een Molière opgetreden, ook in onze repubUek
van „précieuses ridicules" en „femmes savantes" sprake zou
geweest zijn. Nu de Molière ontbrak, moesten al die kunste-
naresjes ons wel verschijnen in het gunstige licht, waarin de
hoffelijkheid harer tijdgenooten haar voor ons heeft geplaatst,
en daaraan heeft Huygens meegedaan, zoo vaak hij kon.
Zóó vinden wij hem in 1648, toen hij in het gevolg van
Willem II naar Groningen gegaan was, in aanraking met
SiBYLLE VAN Griethuysen, die toen een Latijnsch versje van
hem vertaalde en daarvoor door hem werd beloond met een
gedichtje en den lof van „wijze vrouw" en echte „Sibylla".
Zij was te Buren in Gelderland geboren, maar vond te Kollum
in den apotheker Wytzema een echtgenoot, met wien z^
eerst naar Appingedam en daarna naar Groningen verhuisde,
waar zij als stichtelijke dichteres en goed onderwezen vrouw
te meer heeft kunnen schitteren, omdat zij er in de zeven-
tiende eeuw zoo goed als alleen de eer der Nederlandsche
dichtkunst ophield met haar vriend Johan van Nijenboboh,
dichter o.a. van het „Tooneel der ambachten" (1659), en met
de Friezin Tjtia Brongersma, die wat later (in 1686) te
Groningen „De Bronswaan of Mengeldichten" uitgaf en bij-
zonder belang stelde in het door haar ook bezongen hunne-
bed te Borger.
In 1659 en wat later vinden wij Huygens gedichtjes wisselen
met Adriana le Thor van Amsterdam en een dankrijm toe-
zenden aan haar nichtje Cornelia Kalf, die ook door Van
der Burgh en Antonides bezongen werd als dichteres,
muziekbeoefenaarster, glasgraveerster en vooral als penne-
kunstenares, omdat zij als zoodanig zelfs iemand als den
beroemden Lieven van Coppenol in kracht en onge-
dwongen sierlijkheid evenaarde, ja, volgens hare bewonderaars,
zelfs in sommige opzichten overtrof.
Meer bekend dan deze beiden maakten zich echter Katharina
QuBSTiBRS, voor wier album Huygens een versje dichtte, en
hare vriendin Cornelia van der Veer: een paar echte
ijdeltuiten, die samen in 1665 een dichtbundel Lauwer^tryi
OOBNBLIA VAN DER VflBR EN KATHARINA QÜE8TIBRS. 213
ttitgaven, waarin zij beweerden met elkaar te wedijveren in
het dingen naar den lauwerkrans, maar eigenlijk in ieder ge-
dichtje elkaar dien krans toereikten, en waarin zij ook alle
gedichtjes opnamen, die verscheidene dichters tot haar lof in
haar album schreven. Cornelia van der Veer, die altijd
„veerdor tragtte", heeft na den dood haror vriendin geen
nieuwen bundel uitgegeven, ofschoon er vrij wat latere ge-
dichten in handschrift van haar bestaan, waarvan ik toevallig
de bezitter ben; maar evenmin als ik vroeger ooit lust heb
gehad, van dat rijm werk iets mee te deelen, heb ik nu lust,
er langer bij stil te staan.
Katharina Questiers, dochter van den tooneeldichter en
pompenmaker Salomon Davidsz. Questiers, zuster van David
Questiers, die ook verzen gemaakt heeft, en echtgenoote van
Joannes de Hoest, met wien zij gehuwd was van 1664 tot
1669, toen zij op eenendertigjarigen leeftijd overleed, heeft
op wat meer belangstelling aanspraak, al was het alleen om
het grafschrift, dat Vondel voor haar maakte met deze slot-
regels : „In aerde en hemel rees om haer een groot krakkeel ;
elk trok : de hemel won de ziel, het schoonste deel", Ook had
zij zich reeds door verschillende tooneelstukken, die hier ver-
der nog wel ter sprake zullen komen, bekend gemaakt, vóór
zq den „Lauwer-stryt" uitgaf.
Ongelooflijk is het , welke hoogdravende eeretitels zij in dien
bundel van hare bewonderaars — meest jonge dichters —
ontvangt Noemt J. le Blon haar nog maar alleen „Een
voetster van de Konst", en Mr. Andries Pels eene „minnares
van konst en wetenschappen, eene Saffo", bij den tooneel-
dichter JoHANNES Smidt heet zij eene „lichtende colombe der
poëzy", bij Pilips van Zbbsen „meestresse van Apolloos
schatten", en door den te Rotterdam geboren, maar te
Utrecht gevestigden lier- en kluchtspeldichter Mr. Pieter
Elzevier wordt zij „de glans van 'tNederlants Parnas" ge-
noemd. Henrick Bruno sprak haar toe als „Amstels Pallas"
en Henrick Waterloos legde er nog wat op door haar „de
Pallas onzer eeuw" te noemen, terwijl Mr. Jonas Cabeuau
haar verheerlijkte als „geleerde maecht en thiende van den
Rey der susters van de Sou, een Saffo in het rijm, een
Sibylle in 't spreken". J. Ketelhobd meende, dat, nu Eras-
214 KATHABINA QUBSTIBRS EN AMDSRB DICHTBRESSBN.
mus in koper praalde, het beeld van Katharina wel van
goud mocht zijn, en Philxppus Theodoor Tol (die in 1669
Blanche de Bourbon tot de heldin van een treurspel maakte)
beschreef in brommende verzen hare rijk voorziene ,,konst-
kamer** in de Warmoesstraat te Amsterdam, vol van hare
eigene kunstwerken; doch zeker vereert niets haar zoozeer
als het gedichtje, dat Vondel in 1654 maakte „Op de kunstige
teekeningen en bootzeersels" van deze. „tweede Saffo ii^ haer
dichten", zooals hij het jonge meisje daar noemde.
Dat zij niet alleen dichteres was, maar in allerlei kunsten
bedreven, zoodat, volgens een der lofdichten, fc haar Tessel-
schade herleefd scheen, dat zij veler bewondering wekte door
hare pennekunst, haar graveeren op glas, in koper en hout,
haar teekenen met houtskool en krijt, haar schilderen en haar
aquarelteekenen van bloemstukjes, hare boetseer- draai- en
papiersnijkunst, haar kunstig borduren en hare kunst om van
papier welriekende bloemen verrassend na te maken, kunnen
wij vermeld vinden in een der vele dichtstukjes, die de Leid-
sche, maar toen te Amsterdam gevestigde, advocaat Joan
Blasiüs haar wijdde, en waaruit wij allerlei kleine bijzonder-
heden omtrent haar vernemen.
Deze gedichtjes komen voor in de Mengeldichten^ door Blasius
in 1661 „de voornaamste Joffers toegepast" : een bundel, die
wel geene poözie van veel kunstwaarde bevat, maar belangrijk
is, omdat die rijmende liefdes- en hoffelijkheidsuitingen ons
een blik doen slaan op den omgang van de beschaafde, kunst-
lievende jonge dames en jonge heeren in de tweede helft der
zeventiende eeuw. Wij kunnen er b.v. ook kennis door leeren
maken met verschillende kunstbeoefenende jonge meiqes, die
nu en dan versjes schreven en in bloemlezingen lieten drukken,
zooals Adriana Schrevelia, dochter van Cornelius Schrevelius,
den rector der Latijnsche school te Leiden, eene „geleerde
nymf en puyk der Leydse Joffren'', die haar tijd doorbracht
met dichten en ook met „fluyt, viool, penceelen, pennen, pot-
loot, verw en doek" ; zooals ook Margareta le Goüche, later
gehuwd met Nicolaas Klopper, de „roemruchtbre nymf, waarop
den Amstel bralde", volgens Blasiüs, die haar als vertaalster van
Guarini's „Pastor fido" doet kennen ; en zooals verder Maria de
Karpentier, dochter van den Amsterdamschen predikant Caspa-
JOAN BLASIU8. 215
rus de Karpentier, en Pbtronella van Zul, echtgenoote vanden
Gelderschen staatsman Adam van Kaldenbach, die door Blasius
geroemd wordt als uitmuntend in glasgra veeren, papiersnijden,
borduren, cymbelspelen en dichten, waarbij zij,naar het heet,„hoog
in Sophokleesche laarsen trad", maar die verstandig genoeg was
om overdreven lof eer een gevaar, dan iets aangenaams te vinden.
Andere meisges, waaraan Blasius zijne gedichten wijdde,
hadden dat nog meer aan zijne vriendschap of verliefdheid te
danken, en die verliefdheid ging bij hem in ernstige liefde
over, toen hij Maria Wiebouts had ontmoet. Haar zong hij
de groote meerderheid der vele gedichten van Fidamanta kusjed,
Minnewijaen en Byrijmen toe : een bundel door hem uitgegeven
in 1663, een jaar nadat hij in het huwelijk verbonden was
met haar, die daarin als zijne Oelestyne werd verheerlijkt en
die ook zelve een klein versje voegde bij de vele lofdichten,
waarmee deze bundel prijkt en waaronder er ook voorkomen
van GORNELIA VAN DER VeER CU SlBYLLB VAN GrIETHÜYSBN.
Als tooneeldichter zullen wij Blasius later nog aantreffen
en zelfs eene rol van eenige beteekenis in de schouwburg-
wereld zien spelen: nu moet ik nog even vermelden, dat hij
in 1666 ook een stichtelijken bundel heeft uitgegeven, getiteld
„Heilige gedachten over het Allerheiligste avond-maal onzes
Heeren'*, ten deele uit het Latijn van den Amsterdamschen
hoogleeraar Robert Keuchenius vertaald, en gevolgd door
enkele gedichten van zijn vriend, den Haarlemschen schilder
en „gelaurierden poëet" Franco Snbllinx, want die bundel
voert ons tot Huygens terug, omdat wij daarin onder den
titel „Uit de Gods-dienst van den Ed. Heer Konstantyn Huygens"
niet minder dan negen gedichten van Huygens „over des
Heeren Avondmael" opgenomen vinden. Dat Blasius met
Huyoens in betrekking stond, blijkt ook uit een lang gedicht,
aan Huygens reeds vroeger toegezonden en onder de bijrijmen
van „Fidamants kusjes*' gedrukt. Ook bleef Huygens' stijl niet
zonder invloed op hem : gezochte zinswendingen en woordspe-
lingen vond hij mooi, maar voor Hooft had hij blijkbaar nog
grooter bewondering. In zijn qit Plautus' „Menaechmi" ver-
taald blijspel Dubbel en Enkkel van 1670 voegde hij zestien
regels in uit Huygens' Zedeprint van „een onwetend medicyn."
Aan Huygens' Zedeprinten (bv. aan de print van den alchi-
216 JAN VAN DER YEEN's „ADAMS APPEL".
mist) herinneren ook de Zinne-beelden oft Adam» Appel, die de
apotheker Jan van der Veen in 1642 opdroeg aan de Regeering
zijner vaderstad Deventer. Minstens tienmaal is dat werk her-
drukt, en inderdaad was de opgang, dien het maakte, niet
onverdiend: onder de vele emblematabundels, die hier ver-
schenen, is het zeker een van de beste. De vijftig zinnebeelden
(door S. Savry gegraveerd), ieder met een tweeregelig Neder-
landsch en Fransch opschrift en verklaard in twaalf goede
alexandrijnen, worden telkens door een liedje en een klink-
dicht gevolgd. Naar den aard dezer dichtsoort zijn ook deze
zinnebeelden leerrijk van strekking. Ook toont de dichter
zich goed te huis in den Bijbel, zooals van iemand te ver-
wachten is, wiens vader in den tijd der „Egiptische slavernye
ende Babelsche banden het Spaansche jock ontweeck" en
van Deventer naar Haarlem vluchtte, waar de dichter zelf
het levenslicht zag. Toch is hij allesbehalve een femelaar,
al is hij een voorstander van strenge zeden. Verder toont hij
zich een aanhankelijk burger van Deventer, waarheen hij
reeds in zijne jeugd zal teruggekeerd zijn , en een goed vader-
lander, vooral in de achter den bundel herdrukte Zegezan-
gen, waarin hij de verschillende veroveringen van Frederik
Hendrik verheerlijkt.
Dat de verzen van Huygbns meer indruk op hem hebben
gemaakt dan die van eenig ander dichter, schijnt uit zijne
manier van dichten te mogen worden afgeleid; ook noemt
hij eenmaal met name het „Costelick Mal", maar over het
algemeen is Van der Veen geen slaafsch navolger. Zijne
verzen hebben een eigen karakter: iets wat vooral gezegd
mag worden van zijne vele, ook achter de zinnebeelden her-
drukte, bruiloftszangen, waarvan de eerste al van 1622 dag-
teekent. Zij vervallen meest in een vroolijken, zelfs min of
meer geestigen toon , terzelfder tijd dat zij den indruk maken
van geschreven te zijn door een ernstig man. Zijne scherts
is dan ook nooit plat of onbehoorlijk , zoodat men moeite zal
hebben in onze letterkunde bruiloftsdichten in vrooUjken
trant aan te treffen, die be^ter van taal, gedachten en vin-
ding zijn dan deze. Onder de eigenlijke bruiloftsliedjes zijn
er ook , die op den lof van welluidendheid aanspraak kunnen
JAN VAN DER VEEN EN JACOB VAN DER DOES. 217
maken. Het komt mij ook voor, dat latere dichters zich wel
eens wat van Van der Veen hebben toegeëigend.
In 1653 droeg Van der Veen nog een tweeden dichtbun-
del aan de Regeering van Deventer op, namelijk 162 Raedt-
selen met hunne oplossingen in rijm. Hij hield er zich van
verzekerd, dat dit „zyn leste werk sou syn, te meer alsoo
ayn keersse in de pijp brandde", zooals hij zegt, en in 1659
is hij dan ook overleden. Hij liet ze na lang aarzelen druk-
ken, omdat hij er eenig nut van verwachtte ter vervanging
van de vele vieze en onkiesche raadselen, die er in omloop
waren, maar beeldde zich niet in, dat zij hem op den naam
van dichter aanspraak gaven. Wel was de poëzie van zijne
jeugd af z\jn speelpopje geweest, maar hij wist zelf te goed,
dat hij, op het schrijven van poëzie doelende, „'t rechte wit
niet getroffen had, vermits Pegasi-Bron hem geweygert
was". Op deze woorden van den verstandigen man wil ik,
ten aanzien van zijne raadselen, niet afdingen, maar over
het algemeen was hij toch meer dichter geweest dan menig
ander, die hooger dunk van eigen gaven had. Aan dezen
bundel voegde hij ook nog een wat verward hekeldicht „Gul-
den ende ijzeren eeuwe" toe, en een „Nikkerspraatie" over
den eersten Engelschen oorlog.
Eindelijk moeten wij als navolger van Huygens nog Jacob
VAN DER Does vermelden, die, ofschoon hij zijne rechtsstudiën
niet ten einde bracht, aan zijne prinsgezindheid zijne benoe-
ming in 1672 tot thesaurier van Den Haag had te danken.
Als zoodanig overleed hij reeds in 1680 op negenendertig
jarigen leeftijd. Met eene Tragedie van Dido debuteerde hij in
1661; twee jaar later volgde nog een ander tooneelstuk, „Het
houwelyck tusschen Aeneas ende Lavinia", beide naar de „ Aeneis"
bewerkt en door „de Compagnie van Jan Baptista van For-
nenburg" te 's-Gravenhage vertoond. Verder gaf hij in 1663
onder den titel Geestelyck e?i Werelilyck Tyt-verdryJ een bun-
del stichtelijke gedichten (o. a. berijmingen van Salomo's
spreuken) uit, waarbij ook eenige „Mengeldichten", meest
minnezangen en bruiloftsdichten , gevoegd zijn, en waarin
ook een klein versje van Huygens is opgenomen, „hem
toegesonden".
Wat hem hier eenig recht op vermelding geeft, is zijn
218 JACOB VAN DER DOBS; CATS TE DORDRECHT.
groot beschrijvend gedicht in alexandrijnen, 's-Oraven-Haghe^
in 1668 gedrukt met twee lofdichtjes, die aan Huygkns min
of meer afgedwongen waren. Van der Does geeft daarin eene uit-
voerige, tot in kleine bijzonderheden afdalende, maar weinig dich-
terlijke beschrijving van zijne geboorteplaats in den vorm van
eene wandeling door de stad en hare omstreken (Scheveningenen
Rijswijk) met zijne lezers, die daarbij menigmaal een lid van
het door hem zoo geliefde Nassausche vorstenhuis ontmoeten,
zooals men dat ook in Huygens' „Voorhout" doet. Daaraan
herinnert het gedicht dan ook sterk, schoon in anderen vers-
vorm, vooral bij de beschrijving van het Voorhout zelf, dat
niemand zich sedert Huygens meer kon denken zonder vrije-
^ïJ^J^S; galante hofmakerijtjes en uitstalling van kleederpracht
en geleende schoonheid. Deze ontbreken ook bij Van der Does
niet, die daarbij misschien nog wat onbescheidener dan Huygens
menigen sluier oplichtte. De waarde van zijn gedicht bestaat
hoofdzakelijk hierin, dat het ons van het uiterlijke leven in
Den Haag een vrij duidelijk beeld geeft, ook des winters, daar
het ijsvermaak der Haagsche groote wereld er niet onverdien-
stelijk in beschreven is.
XXXVI.
Werk en invloed van Cats na 1626.
Nadat Jacob Cats zijn „Houwelick" had uitgegeven, wijdde
hij zich als pensionaris van Dordrecht aanvankelijk vooral
aan staatszaken, waardoor hem in 1627 het voorrecht te beurt
viel, als buitengewoon gezant naar Londen te worden afge-
vaardigd, hetgeen hem de ridderketen van St. -Joris bezorgde.
In 1630 verloor hij zijne vrouw aan eene slepende ziekte.
Slechts twee dochters, Anna en Elisabeth, liet zij hem na,
van welke de eerste met Jonkheer Cornelis van Aerasen, drost
van Breda, en de tweede eerst met den later zoo beruchten
griffier Cornelis Musch en vervolgens met Dirck Pauw in het
huwelijk trad. Beredeneerende, dat een weduwnaar van over
de vijftig jaar onverstandig deed met een nieuw huwelijk aan
te gaan, bleef Cats nu verder ongetrouwd, en in zijne een-
CATS' „spibgel" bn „trou-ringh". 219
zaamheid zocht hij zijn troost weder in de dichtkunst. Dikwijls
was hij er zoo mee vervuld, dat hij, als „in barensnood'* ver-
keerende, 's nachts opstond, licht aanstak en opschreef wat
hem in den zin was gekomen, zooals hij vertelt in eene uit-
voerige en tot in kleine bijzonderheden volgehouden vergelijking
van het ter wereld brengen zijner papieren kinderen met het-
geen er in eene kraamkamer pleegt voor te vallen.
In 1632 was het een groote bundel van niet minder dan
122 zinnebeelden, dien hij uitgaf onder den titel Spiegel van
den Ouden en Nieuwen Tijdt, en die later wat gewijzigd en ook
iets vermeerderd is. In drie deelen is het werk verdeeld, en
elk van deze wordt met een spreukenbundel in verschillende
talen besloten. Het eerste deel bevat zinnebeelden over kinder-
opvoeding, vrijerij en liefdesverhoudingen, het tweede over
huiselijke zaken en burgerlijk leven, het derde over ambts-
bediening en staatszaken en wordt met Christelijke bedenkingen
besloten. Van eene spreuk als opschrift voorzien, worden de
aardige prentjes verklaard in gedichtjes, gedeelteUjk in alexan-
drijnen, gedeeltelijk in korteren versvorm, en besloten met een
schat van zinrijke aanhalingen uit allerlei schrijvers. Van
alles wat Cats schreef hebben de versjes van dezen bundel
misschien de meeste bekendheid verworven: hoort men soms
nog iets van hem aanhalen als gevleugeld woord, dan zal het
licht uit dezen bundel zijn.
Van minder omvang en beteekenis is zijn daarop in 1633
gevolgd dichtwerk Klagende Maeghden, en nauweUjks had hij
het voltooid, of hij zette een veel grooter werk op touw, het
omvangrijkste dat wij van hem bezitten en dat, in 1635 voor
de pers gereed, twee jaar later het licht zag onder den titel
«'sWerelts begin, midden, eynde, besloten in den Trovrringh,
met den Proef-steen van denselven". Wat het voor een werk
is, kunnen wij misschien het best aanduiden door het een
novellenbundel in verzen te noemen, waarin vijftien groote
verhalen zijn opgenomen, die zelf soms nog — bij uitweiding
'— één of meer kleinere vertelsels bevatten. Den inhoud dezer
verhalen heeft Cats, zooals hij zegt, „niet erdicht ofte in syn
eygen breyn gesmeet, gelijck het gebruyck van de Poëten
veel plagh te wesen", maar hij heeft „beter gevonden de ge-
schiedenissen van goede schrijvers te ontleenen", en welke
220 CATS' „TJftOU-RINGH".
schrijvers dat waren heeft Dr. Worp voor ons onderzocht, die
tevens heeft doen zien, hoe vrij hij soms met zijne stof om-
springt door het tusschenvoegen van eigen opmerkingen of
het uitspinnen van allerlei bijzonderheden.
In vier afdeelingen heeft hij den bundel verdeeld. De eerste
bevat vijf ^Trou-gevallen", aan den Bijbel ontleend, o.a. het
„Gront-Houwelick" van Adam en Eva in het Paradijs, en,
als een van de levendigste verhalen, de „Maegden-roof van de
Benjamyten te Silo". Van de vier verhalen der tweede afdee-
ling vermeld ik alleen de „Spoock-liefde, besloten met het
houwelick van Cyrus en Aspasia", naar de „Varia Historia"
van Aelianus, waaruit ook onder de zes verhalen van de derde
af deeling het uitvoerigste van alle, de „Opkoomste van Rhodopis,
een borgelicke dochter, tot de koninghlicke kroone", is ge-
nomen. In deze afdeeling vindt men ook het bekende „Trou-
geval tusschen een Spaensch edelman ende een heydinne
(Preciosa)", dat hij, evenals weer anderen na hem, middellijk
ontleende aan „La Gitanilla de Madrid" ^1613) van Cervantes,
terwijl de „Monita et ezempla politica" van Lipsius hem de stof
leverden voor zijne „Mandraghende maeght", d. i. de verdichte
liefdesgeschiedenis van Emma, de dochter, en Eginhard, den
secretaris van Karel den Grooten. De andere verhalen zijn
geput uit Herodotus, Plutarchus, Diogenes Laërtius, Athenaeus
en Achilles Tatius, uit Ovidius, Livius, Plinius en de Gesta
Romanorum, en verder nog uit Boccaccio's Decamerone (V9,
X 4) uit „Il Pecorone" (1558) van Ser. Giovanni en uit een
werk van den rechtsgeleerde Jean Papon. De vierde afdeeling
eindelijk wordt geheel ingenomen door twee onder den invloed
van het Hooglied geschreven lange bijeenbehoorende gedichten :
„Lofsang" en „Bruylofts- gedicht op het Geestelick Houwelick",
door den dichter aan zijne beide, toen gehuwde, dochters toegewijd.
Meer in bijzonderheden den „Trou-ringh" te bespreken is
hier ondoenlijk, maar dit kan er toch wel van gezegd worden,
dat de verhalen zich zeker niet minder aangenaam zullen
hebben laten lezen dan de vele prozanovellen, die destijds tot
de gewone lectuur behoorden, en dat alleen het snoeimes
noodig zou zijn om er ook in onzen tijd dankbare lezers aan
te bezorgen. Dat het in Cats' eigen tijd aan lezers niet ont-
brak, blijkt wel uit de mededeeling van den uitgever, dat
CAT$' „toou-ringh". 221
van geen der werken van vader Cats zoovele exemplaren in
twintig jaar zijn verkocht; en dat zegt nog al iets voor een
zoo kostbaar werk, als men weet, dat er vóór 1655 van den
«Spiegel" omstreeks vijf en twintig duizend en van het
„Houwelick'* omstreeks vijftig duizend exemplaren gedrukt
zijn. Niet weinig ook heeft het bijgedragen tot den roem van
Anna Mabia Schubrmans, „'t wonder-stuck van onsen tijt*',
wier portret met eerbrief, lofdichtje en een geheelen cata-
logus van hare verdiensten en begaafdheden tot het voorwerk
van het boek behoort.
Cats zelf meende met zijn „Trou-ringh" aan Holland iets
geschonken te hebben, „waerdoor men overlangh noch sijner
sou gedencken", en was er zóó mee ingenomen, dat hij het
tegelijk ook in Latijnsche vertaling wilde doen verschijnen;
en daarvoor heeft hij Barlaeus, maar niet terstond en slechts
gedeeltelijk, weten te winnen; en toen deze geen lust had het
werk verder voort te zetten, heeft de Haagsche rechtsgeleerde
CornÊlis Boby, Zeeuw van geboorte als Cats en door eene
psalmberijming en andere middelmatige Nederlandsche en
Latijnsche gedichten bekend, er nog de vertaling van sommige
verhalen aan toegevoegd, terwijl Cats zelf de geschiedenis
van Jacob, Lea en Rachel in Latijnsche verzen als „Patriarcha
bigamos" heeft overgebracht. Onder den titel „Faces Augustae"
verscheen in 1643 dit werk, dat echter slechts van ongeveer
de helft der verhalen eene zeer vrije en zeer bekortende ver-
taling leverde.
Kort vóór de „Trou-ringh" het licht zag, namelijk in 1636,
was aan Cats de eer te beurt gevallen, met algemeene stem-
men benoemd te worden tot Raadpensionaris van Holland en
West-Friesland in plaats van Adriaen Pauw, met wien hij reeds
in 1630 op de voordracht had gestaan, maar die toen boven
hem verkozen was,, omdat men Uever niet aan een Zeeuw dat
hooge ambt in Holland gunde. Nu echter bleek zijne afkomst
geen beletsel meer. Ook had men hem reeds te voren opge-
dragen het ambt tijdelijk waar te nemen, terwijl Pauw als
gezant in Frankrijk verwijlde. In 1645 werd hij bovendien
nog tot Groot-zegelbewaarder en Stadhouder van de leenen
benoemd. Van het raadpensionarisschap zeide hij zelf later, in
overeenstemming met zijne plechtige verklaring vóór de be-
222 CATS ALS RAADPENSIONARIS.
noeming, „ick had het niet gesogt en 't is my evenwel in
stilheyt toegebrogt".
„Godt geeve, dat het hem ende den lande zaeligh zy",
schreef Hoopt, toen hij het vernam, zeker niet zonder
daaraan eenigszins te twijfelen. Aan Cats zelf is dan ook het
bekleeden van dat aanzienlijk ambt, het gewichtigste in de
Republiek naast dat van de Stadhouders, altijd zwaar gevallen
naar zijn eigen getuigenis; maar zijne volgzaamheid bij vol-
doende kennis en bekwaamheid maakte hem er juist zoo
geschikt voor in een tijd, waarin Frederik Hendrik zeker
geen zelfstandig man in dat ambt naast zich zou geduld
hebben en ook de Staten van Holland inzagen, dat niets zoo
noodig was als het vermijden van binnenlandsche twisten.
Wel is Cats in zijn ambt meermalen als officieel redenaar
opgetreden, zooals een paar maal bij de ontvangst van vorste-
lijke personen en bij de inhuldiging van Willem II als stad-
houder, maar overigens is er door hem zoo weinig zelfstandigs
verricht als bekleeder van eene waardigheid, die zoo grooten
invloed verschaft had aan Oldenbarnevelt en verschaffen zou
aan Jan de Wit, dat Willem II hem in 1650 de gevangen-
neming der invloedrijkste leden van de HoUandsche Staten en
den reeds ondernomen aanslag op Amsterdam eenvoudig kon
mededeelen, zonder dat hij iets anders van hem behoefde te
verwachten dan verbazing, ontsteltenis en onderworpenheid.
De onverwachte dood van den jongen Prins drong hem echter
naar voren. Het houden van de Groote Vergadering in 1651
moest hij voorbereiden, en hij opende en sloot die dan ook
namens de Staten van Holland met lange, schoon door de
Staten zelf vooraf nog zeer bekorte, redevoeringen, die in
hare breedsprakigheid beter geschikt waren om gelezen, dan
om aangehoord te worden. Na afloop der vergadering vroeg
hij echter zoo dringend om ontslag, dat hij het op het eind
van 1651 verkreeg; en zijne dankbaarheid daarvoor uitte hij
in een dankgebed tot God, dat hij in de Statenvergadering zelf
knielend uitsprak. Eene beoordeeling van deze openbare vroom-
heidsuiting komt alleen hem toe, die zich in staat acht alles
mee te voelen, wat er toen in het hart van Cats is omgegaan.
Toch was de vierenzeventigjarige grijsaard daarmee nog niet
aan het eind van zijne staatsmansloopbaan. Op het eind van
CATS ALS GEZANT £N OP SORGHVLIBT. 223
het jaar werd hem de hopelooze opdracht gegeven, met Dr.
Gerard Schaep en Paulus van der Perre als gezant naar Londen
te gaan om te beproeven, of hij het uitbreken van den
dreigenden oorlog met Engeland nog kon verhinderen. In het
Ëngelsche parlement hield hij eene Latijnsche redevoering
en in den Staatsraad twee andere, maar aangenaam was zijn
leven in Engeland niet, te minder omdat tijdens zijn ver-
blijf feitelijk, zij het ook niet officieel, door Tromp's voort-
varendheid de oorlog reeds was uitgebroken. ^Ons dienaers
syn beschimpt en dickmael oock gesmeten*', zegt hij, „en
menig schamper lied en menig slim gedicht wiert voor ons
huys geplackt, oock in het helder licht". Bij volksoploopen
werd zelfs zijn leven bedreigd, zoodat hij blijde was, toen hij
in het midden van 1652 de terugreis mocht aanvaarden.
Sinds dien tijd leefde hij als Groot-zegelbewaarder, maar
overigens ambteloos (want eene poging om zich in 1655 tot
Raadsheer in het hof van Holland te doen benoemen mis-
lukte) op zijn landgoed Sorgh vliet, dat hij in 1642 in het
duin tusschen Den Haag en Scheveningen was begonnen aan
te leggen en waarop hij in 1652 onder toezicht van zijn
schoonzoon Pauw een huis liet bouwen. D4&r genoot bij
weder van het buitenleven, dat hem altijd zoozeer had aan-
getrokken; dd&r ontving hij zijne vrienden, liefst predikanten,
van welke er zelfs twee geregeld bij hem kwamen preeken;
Aé&r kortte hij zich verder den tijd en zelfs zijne slapelooze
nachten met het maken van verzen in grooten overvloed.
Toen in 1655 de eerste uitgaaf verscheen van „Alle de
Wercken van Jacob Cats" vond men daarin, behalve al de
vroeger verschenene, nog bovendien: Ouderdom, buytenleven
en hofgedachien op Sorghvliet; Invallende gedachten op voorval-
Jende gelegentheden ; Afbeeldinge van het huwelick onder de ge-
daente van een Fuyck; Doot-kiste voor de Levendige (of Sinne-
beelden uyt Godes Woordt, aenwijsende de kortwijligheyt ,
ydelheyt en onzekerheyt van 't menschelijck bedrijfj, waarop
een „Tsamen-sprake tusschen de Dood en een Oud man" en
eene andere „tusschen ziel en lichaam" volgen, en eindelijk
ook een soort van herdersspel, dat zelfe in 1655 op den
Amsterdamschen schouwburg vertoond is, Koningklyke her-
derin Aspada getiteld : eene slechts zeer middelmatige dramati-
CATS' LATERE DICHTWERKEN; ZIJNE VERHOUDING TOT HUYGBNS.
seering van hetzelfde aan Aelianus ontleende verhaal, dat hij
ook reeds in den „Trou-ringh" had verteld. Een ander verhaal
uit den „Trou-ringh" werd in 1658 onder den titel „Zariades
en Odatis ofte geluckige Droom-liefde" gedramatiseerd door
Jacobus Havius, den oudsten zoon van Mejuffrouw Cornelia
Havius, bij Oats sedert den dood zijner vrouw „gouvernante
van de huyshoudinge*' en hoog door hem gewaardeerd.
HuYOBNS kon in de latere dichtwerken van Cats weinig
smaak vinden. „Het heele Boeck van Cats is ick en weet
niet wat", schreef hij in een onuitgegeven puntdichtje, en
inderdaad van deze uitdrukking heeft Cats, evenals van
andere zinledige versvulsels, schromelijk misbruik gemaakt,
wat wij hem hier trouwens lang niet voor het eerst verwijten.
Toch bood HuYGBNS aan „aller dichtren bestevaer", zooals
hij hem noemde, op den eersten dag van 1668 een nieuwe-
jaarswensch in rijm aan als tegengeschenk voor het lofdichtje,
dat hij aan Huygens voor zijne „Korenbloemen" had doen
toekomen. Zoo hadden dan de beide dichters op hun ouden
dag, nadat Cats stadgenoot van Huygens geworden was, de
oude vriendschapsbetrekking weer hersteld, die omstreeks
1684 voor korten tijd verstoord was geweest tengevolge van
een misverstand over geldverlies, door Huygens geleden bij
eene mislukte finauciëele onderneming (indijking in Engeland),
waarin Oats zich te roekeloos had gewaagd. Ofschoon Oats
niet zóó uitsluitend poëet was, dat voordeelige geldbelegging,
vooral in den vorm van landwinning, hem onverschillig liet,
mag men hem toch allerminst verwijten, meer op geldver-
garen bedacht te zijn geweest, dan een voorzichtig huisvader
behoort te zijn, te minder omdat hij er zelf ten volle van over-
tuigd was, dat het voor den rijke een zwaarwichtig (en daarom
dan ook te meer prijselijk) werk was, godvruchtig te blijven
of, zooals hij zelf in een dikwijls misverstaan distichon zeide:
„Het is een deftig werck en waert te sijn gepresen, Godt-
zalig en met een ook rijck te mogen wezen".
In 1658 gaf Oats nog een soort van berijmde gezondheids-
leer uit onder den titel Tachtig-jarige bedeneldngen , en tevens
eene schildering van zijn Tachtig-jarig leven en huya-houdinge
op Sorghvliet, geschreven op verzoek van zijn neef Antonius
Thysius, hoogleeraar in de rechten te Leiden; maar met deze
LAATSTE OKDICHTBN AAN EN UJKDICHTEN OP CATS. 225
langdradige en stichtelijke gedichten heeft Cats, evenmin als
met zijne andere op Sorgh vliet vervaardigde dichtwerken,
zijn roem bij het nageslacht kunnen vermeerderen: veeleer
heeft hij er daarmee afbreuk aan gedaan. Tegenover de laatste
werken van Huygens, die nog altijd met genoegen te lezen
zijn, kunnen wij van de zijne niet anders zeggen, dan dat
zij in toenemende mate lijden aan de kwalen van den ouder-
dom. Zichtbaar namen de krachten van Cats dan ook af*
Toen HüYGENS in 1660 vernam, dat Cats bezig was zijn
reeds door ons genoemd en wegens den inhoud belangrijk
Twee-^n-Uichtig-jaerig leven te beschrijven , gaf hij zijne vrees te
kennen, dat 's dichters „leven uyt sou syn eer dat syn leven
uyt was", doch die vrees was ijdel, want reeds in 1657 was
het werk voltooid en in de beide volgende jaren werd er
nog slechts een klein stukje bijgevoegd. Cats heeft het dus
tijdens zijn leven niet willen laten drukken, en eerst in 1700
is het uitgegeven, dus veertig jaar na zijn dood, want den
12den September 1660 is Jacob Cats op SorghvUet overleden,
met het gebed op de lippen, dat hij voor zijne laatste ure in
rijmvorm geschreven had. In handschrift liet hij nog één
dichtwerk na, OhedachUn op slapeloose nachten j dat „tot een
ghedachtenisse ghesonden werd aen d'Heer Jan Lambrechts
binnen Brugghe" en in 1689 te Brugge van de pers kwam.
Aan lijkdichten en grafschriften ontbrak het hem niet.
HuTOENS maakte er niet minder dan vijf voor den man,
die, volgens hem> „soo menigh blad had naegelaten, daer
all de naer-eeuw een geschall van lof en eer af maken sal" :
eene voorspelUng, die niet is uitgekomen. Henrick Bruno
noemde hem in een gedicht op zijn dood het „grootste Par-
nassi licht, niet genoegh te roemen", Westbrbabn, die hem,
evenals anderen, op zijne laatste verjaardagen met gedichtjes
geluk wenschte, maakte ook een grafschrift op hem, waaruit
wij reeds enkele uitdrukkingen aanhaalden, en wees, toen in
1661 de Amsterdamsche tooneeldicht^r en uitgever Jan Jacobsz.
Schipper een tweeden druk van „Alle de Wercken" van
Cats ter perse legde, in een lofdicht op zijne buitengewone
populariteit, ook onder het welgestelde pubUek. Immers zes
jaar te voren had Schipper het gewaagd „so kostel^jck een
werck" met „pracht van so veel Prenten" in 750 exemplaren
II 15
226 CATS' AANZIEN BU ZIJNE TUDGENOOTBN.
te doen drukken, zoodat men vreezen moest, dat „de goede
Schipper Jan aan den grond zou zitten" vóór hij ze aan den
man gebracht had, maar wel integendeel was de geheele
oplaag binnen weinige jaren uitverkocht en bleef de vraag
zóó groot, dat het omvangrijke werk opnieuw ter perse moest
gaan.
Voor den eersten druk had ook reeds Jebemias de Deckeb,
die overigens geen navolger van Oats kan heeten, een lofdicht
gemaakt, waarin de bekende uitspraak gevonden wordt, „dat
Cats alleen door zijn gedicht meer blinde sielen brogt tot
Ucht, meer dertele tot schamen als all' ons dichters t' samen".
Vooral ook wekte het bewondering bij De Deckeb, dat Cats,
„die altyd is beslet geweest met soo veel sware dingen en
staets-bekommeringen, meer dichts gedaen heeft als de geen',
die nauwelijcx iet anders deen, en in syn besig leven soo veel
en wel geschreven".
Als bewijs van het hooge aanzien, waarin Oats stond, kan
men ook hierop wijzen, dat verschillende dicht- en prozawerken
aan hem werden opgedragen, nadat Huygens met zijne op-
dracht van het „Costelick Mal" daartoe het voorbeeld had
gegeven. Zoo droeg Pers hem den tweeden druk van zijn
„Bellerophon" op, Gillis Jacobsz. Quintijn in 1629 zijn
hekelend dichtwerk „De HoUandsche Liis met de Brabantsche
Bely", JoAN DE Bbüne de Jonge in 1644 zijn „Wetsteen der
Vernuften", Gerard Wuten van Soetermeer in 1650 zijn te
Leiden uitgegeven gedicht „Het Houwelick van de herderinne
Roseliine ende den herder Thiter", Mr. Jonas Cabeljau in
1657 zijne „Treurbrieven der blakende vorstinnen en minne-
brieven der vorsten en vorstinnen van P. Ovidius Naso en
Aulus Sabinus, op gelijk getal vaerzen in Nederduitsche wijzen
overgezet", en zong Cobnelis Hendeicksz. Udkmaks van
Veere hem in 1658, bij het nederleggen der laatste doorhem
bekleede staatsambten, een afzonderlijk uitgegeven gedicht toe,
getiteld „Het grove Pack-Kleedt af-getrocken van het lastigh'
pack des Werelts".
Een bewonderaar van Huygens, op wiens „Daghwerc^ hij
een lofdicht schreef, en dien hij in een paar kortregelige vers-
jes navolgde, namelijk de Leidsche dichter FRAN901S le Bleu,
wijdde aan Cats en aan Huygens samen in 1642 zijn in 1669
FRAN901S LB BLEU; DORDSCHB DICHTSCHOOL. 227
herdrukten dichtbundel Minnevlam, waarin de tweeëntwintig-
jarige jongeling grootendeels als Thyrsis zijne liefde tot en zijn
rouw over den vroegen dood van zijne Amaril uitzong en ook
in enkele andere verzen 'zijne nieuw ontwaakte liefde voor
Cassandra uitte. Men zou dien bundel bijna een dagboek zijner
reine en innige liefde kunnen noemen in vloeiend gerijmde,
uit het hart gekomen verzen, waarvan het pastorale waas al
zeer doorzichtig is en waarin de smart al even natuurlijk,
naief zelfs, en eenvoudig is uitgestort als de verrukking der
jonge liefde. Bijgevoegde mengeldichten bevatten o.a. een ge-
dicht op de verloving van Prins Willem en Maria van Engeland
en een „Minnaers- wapen", dat tot tegenhanger van Cats'
»Maegden-wapen" moet strekken.
Dat de dichttrant van Cats ook op vele, vooral stichtelijke,
dichters grooten invloed heeft gehad, spreekt van zelf; maar
juist dat, waarin zijne geheel eigenaardige aantrekkelijkheid
bestaat, heeft men niet kunnen navolgen, en alleen zijn vloeien-
den, vaak dreunenden en al te regelmatigen versvorm, zijne
breedsprakigheid, ook waar het platte en alledaagsche zaken
geldt, en de koppeling van godsdienstbespiegeling en wellust-
beschouwing in één gareel heeft men ongelukkig wèl kunnen
nabootsen en nog overdreven.
Is zijn invloed op zijne meeste Zeeuwsche vrienden ook
nog niet o verh eerschend, meer komt die uit bij zijne Dordsche
vrienden, die zoo groot in aantal waren, dat zij aanleiding
hebben kunnen geven om van eene door Cats gestichte
Dordsche dichtschool te spreken. Bij elk van die hoogst mid-
delmatige dichters kunnen wij hier natuurlijk moeielijk afzon-
derlijk stilstaan. Wij moeten ons voor de meeste bepalen tot
verwijzing naar de „Beschrijving der stad Dordrecht", het
prachtwerk in 1677 door Matthys Jansz. Balen uitgegeven
ter verheerlijking van de eerste der stemmende steden van
Holland en vooral van de Dordsche patriciërs, die er in de
zeventiende eeuw eene eer in stelden, kunstbeschermers en
min of meer ook kunstbeoefenaars te zijn.
Onder deze namen gemakkelijk de eerste plaats in de heeren
van het huis Develstein in de Zwijndrechtsche waard, die daar
gaarne geleerden en kunstenaars cmt vingen en een kring vorm-
den, waarin niet minder kunstliefde, maar wel veel minder
228 DE DOBDSCHE DICHTSCHOOL.
begaafdheid gevonden werd dan in den Muiderkring. Eerst
zetelde daar tot aan zijn dood in 1631 de burgemeester Willem
VAN Bbveren, die het in den Geuzentijd verwoeste slot weer
liet opbouwen, daarna zijn zoon Cornelis, ridder van St. Michiel,
die in 1663 overleed, en ten slotte diens zoon Willem, ge-
storven in 1672. Al deze Van Bbverens hebben ook Neder-
landsche verzen gemaakt, maar Cornelis het meest.
In dien kring ontbrak het evenmin als te Muiden aan be-
gaafde en dichtlievende vrouwen, zooals Cornelia Blanckenburg,
Anna van Blocklandt, wier huweUjk met Cornelis Boey door
NicoLAEs RüYSCH een huwelijk van Minerva met Apollo werd
genoemd, Maria de Wit, Catharina en Wilhelmina Oems,
Anna van Beverwijk en Maria van Akerlaecken; maar ver
werden deze overtroffen door Margareta van Godewyck,
die in geleerdheid en kunstvaardigheid zelfs Anna Maria
Schuermans naar de kroon trachtte te steken, daar zij behalve
de meeste moderne ook de classieke talen en zelfs het
Hebreen wsch beoefende, terwijl zij niet alleen in het Neder-
landsch, maar ook in het Latijn en Fransch verzen maakte,
die niet gedrukt werden, maar nog in handschrift worden
bewaard.
Haar vader, de Dordsche praeceptor Pibter van Godewyck
gaf vele, nu vergeten, gedichten in Catsiaanschen trant uit,
zooals in 1646 „Der Vrouwe-lof', en gezangen op den Mun-
sterschen vrede, maar is in herinnering gebleven door zijn
didactisch blijeindend spel „Witte-Broods kinderen of bedorven
Jongelingen" (van 1641), eene bewerking van het schooldrama
„Dyscoli" (1603) van Comelius Schonaeus, maar merkwaardig
omdat de bewerker daarin de Dordsche volkstaal ten tooneele
bracht.
Van de andere Dordsche dichters, die Cats tot voorbeeld
namen, vermeld ik alleen den Dordschen predikant Jacobus
Lydius, vooral bekend door zijn prozageschrift „Belgiumglorio-
sum", dat hij ook vertaalde als „'t Verheerlikte of verhoogde
Nederland", en Matthijs van de Mbrwede (eigenlijk Van
Muylwijk), heer van Clootwijk, die een deel van Europa
doorreisde en van zijn losbandig leven in Rome onbeschaamd
getuigenis aflegde in zijn dichtwerk „üytheemsen oorlog ofte
Roomse Min-triomfen voorgevallen en beschreven in 't jaar
JOHAN VAN SOMSRBN BN JACOB MBYYOGEL. 229
1647 — 1650", en uitgegeven na zijne terugkomst in 1651: een
zoo wulpsch werkje in Ovidiaanschen trant, dat het door
beulshanden verbrand werd, maar juist daarom menigen her-
druk beleefde. Daarna gehuwd en bekeerd, versneed hij zijne
pen en dichtte hij in Catsiaansche verzen den bundel „Geeste-
licke minnevlammen*' (1653), waarin o.a. eene berijming
van het Hooglied naast andere stichtelijke gedichten voorkomt.
De beste der Dordsche dichters was Mr Johan Cornelisz.
VAN SoMBRBN, die in 1655 Dordrecht, waar hij in 1622 ge-
boren was, verliet om pensionaris van Nijmegen te worden.
In 1676 overleed hij echter in Dordrecht, na in 1666 griffier
van de Chambre-mi-partie geworden te zijn. Hij verwerkte
onderwerpen uit de Oudheid tot vier treurspelen, beoefende
ook vaderlandsche oudheidkunde en toonde zich Catsiaan en
inderdaad niet onverdienstelijk dichter met een in 1666 uit-
gegeven bundel: „Uytspanning der vernuften, bestaende in
Geestelycke en Wereltlycke Poëzye", waarin ook verscheidene
gedichten zijn opgenomen van zijne toen reeds overleden
vrouw Elisabbth Vervoorn, met wie hij van 1648 tot 1657
getrouwd was. Ook verscheidene andere leden der familie
Van Someren maakten Catsiaansche verzen.
Buiten Zeeland en Dordrecht treffen wij nergens den invloed
van Cats zoo sterk aan als bij de leerdichten van Krul, die
wij reeds bespraken, en ook bij den Hoornschen rijmelaar
Jacob Coenraedsz. Meyvogel, bepaaldelijk bij diens bundel
„Vermakelycke Bruilofts-kroon", in vier deelen, gewqd „Aen
de Jonge Jeught, de Onder-getrouwde, de Getrouwde en de
Aendachtige, vergeleken by de Morgen-stont, de Voormiddagh,
de Namiddagh en de Avont-stont", waarin Catsiaansche zinne-
beelden voorkomen en o.a. ook eene „Avontuerlycke Vryagie
van Goridon en Silvia" en eene „Minne-klacht of t' Samen-
spraeck tusschen Philis en Philida", die sterk aan Cats'
dialogische gedichten en aan zijn „Trou-ringh" herinneren.
Bij de groote menigte liederen, die er ook in voorkomen,
had de schrijver een ander voorbeeld, maar geheel onder
Cats' invloed staat weder een door hem in 1646 uitgegeven
langdradig en plat rijm werk: „Gulden-Spiegel ofte Opwekkinge
tot ChristeUjke Deugden". Vele jaren vroeger, namelijk in
1634, had Meyvogel ook reeds een drieledigen bundel uitge-
230 INYLOBD VAN GATS HIER EN IN DUIT3CHLAND.
geven onder den titel „Schatkist der Liefde", waarvan het
eerste deel twee jaar vroeger" was » voortgebracht in tijdt van
vrolijckheyt", het tweede een „Rouw-klacht in tijdt vandroef-
heyt" inhoudt en het derde handelt over de „broosheyt des
menscheUjcken levens". De godsdienst kon wel geen schameler
kleed aantrekken dan zij in deze bundels heeft gedaan, en
zoo zal men ook moeielijk ergens plomper en onkuischer be-
handeling van eene bijbelstof kunnen vinden dan in zijn
treurspel met onjuisten titel: „Thamars ontschakingh of de
verdoolde liefde van Ammon", waarin, in het midden van
de zeventiende eeuw, ook nog de allegorische personen
Deugt en Valsche Schyn optreden.
Al deze werken van Mey vogel zouden hier geene vermel-
ding verdienen, als zij niet herhaaldelijk, nog tot op het eind
van de achttiende eeuw, herdrukt waren en dus gretig gelezen
moeten zijn door een pubUek, dat letterlijk alles stichtelijk
kon vinden, als er ook maar bijbelstof en preekstoelwoorden
in gemengd waren. Wij leeren er uit, hoe veredelend in gods-
dienstig en aesthetisch opzicht de lezing der gedichten van
Vader Oats heeft moeten en kunnen werken in een tijd,
waai'in nog voor duizenden zielen de draf van Meyvooel
dagelij ksch brood kon wezen, maar ook, hoe zij plompe geesten
in een verkeerd spoor konden leiden, wat zich weer wreekte
in het veroordeelend vonnis, dat later over het dichtwerk van
Oats zelf zou worden geveld.
Was de invloed van Oats op vele onzer dichters der zeven-
tiende eeuw niet gering, ook buiten onze Republiek deed die
invloed zich krachtig gelden, met name in Duitschland, waar
de vele vertalingen zijner werken er niet weinig toe bijdroegen.
In 1636 verscheen de eerste vrije bewerking van een dicht-
werk van Cats, namelijk van zijne „Galathea ofte Harders-
Clachte" in de „Ai-tige deutsche Gedichte" van Zacharias
Lund, wiens oorspronkelijke werken in dien bundel ook duideUjk
bewijzen, dat Oats zijn zeer bewonderd voorbeeld was. Ook
over andere vertalingen zijn wij door de onderzoekingen van
Johannes Bolte en Sophie Schroeter ingelicht. Zij vermelden
zelfs twee vertalingen van den „Self-stryt", de éérste van 1647
door Ernst Ohristoph Homburg, die reeds in 1642 in zijn
bundel „SchimpfF-und Ernsthafifte Olio" dichttrant en gedachten
BEBOBMDHEID VAN OATS IN DUITSCHLAND. 231
mn Cats bij verscheidene zijner eigene gedichten had over-
genomen, en de tweede veel minder verdienstelijke van 1648
door Johann Burger.
De „Kinderspelen" werden in 1657 met eenige vrijheid ver-
dienstelijk in het Hoogduitsch overgebracht door Johann
Heinrich Ammon, terwijl Georg Greflinger enkele gedichten
uit de „Klagende Maechden" vertaalde; maar boven alles was
het de „Trou-ringh", die de aandacht trok. Niet minder dan
negentien maal is daaruit tusschen 1644 en 1659 een verhaal
vertaald door acht verschillende dichters, en wel, daar sommige
verhalen meer dan eens vertaald werden, drie verhalen uit
de eerste en drie grootere en zes kleinere uit de tweede
afdeeling. Het eerst werd van het laatste kortere verhaal,
^Grafhouwelick", in 1644 eene goede vertaling gegeven door
Johann Peter Titz, die ook in eigene gedichten Cats navolgde.
Daarna gaf (in 1651) Georg Neumark de vertaling van vier
verhalen uit, die deels letterlijk, deels vrij zijn overgebracht,
maar door het invoegen van schilderingen en moralisaties
nog breedsprakiger geworden zijn, dan zij in het oorspronke-
lijke reeds waren. Daarentegen heeft Albino von Weissenfels
in 1652 het „Trougeval van koning ülderich en Phryne Bocena"
overgebracht in bekortend gemaniëreerden stijl, maar toch
ook met eigen invoegsels. Georg Greflinger gaf (1652 — 53) de
vertaling van vier verhalen en C. Chr. Dedekind bracht er
in 1654 drie woordelijk over, maar door misverstaan van het
Nederlandsch dikwijls geheel verkeerd en zelfs onzinnig. Even
letterlijk, maar veel beter, ofschoon blijkbaar met veel moeite,
vertaalde Timotheus Ritzsch er drie (1655 — 57). Van twee ver-
halen dankte men in 1659 eene goede vrij letterlijke vertaling
aan Jacobus Schwieger, en van één verhaal in hetzelfde jaar
ontving men eene onbeholpen, door eene menigte hollandismen
ontsierde, vertaling van Johann Tonjola. Onder deze zijn er
wel drie van de „Vrystermarf', dat dus blijkbaar bijzonder
beviel, en wel van Greflinger in 1652, van Ritzsch in 1655 en
van Schwieger in 1659.
Driemaal is ook Cats' herdersspel van de „Koningklyke
herderin Aspasia" vertaald, het laatst in 1744 door A. G.
IMich als „Schaferspiel Elisie". Dat schijnt tevens de laatste
vertaling geweest te zijn, die er in Duitschland van eenig
232 BBKENDHSID VAN DE NBDBBL AND8CHE POËZIB IN DUIT8CHLAND.
werk van Gats is gemaakt, maar in het begin der achttiende
eeuw was Cats in Duitschland blijkbaar nog zeer in trek,
want niet alleen gaf Cosmus Conrad Cuno in 1707 eene stijve,
pruikerige vertaling van de „Maeghden-Plicht", maar zelfs
verscheen van 1710 tot 1717 te Hamburg in acht deelen
eene volledige vertaling van alle werken onder den titel:
„Des unvergleichlichen hoUandischen Poëten Jacob Cats sinn-
reiche Wercke und Gedichte". Drie dichters hadden daaraan
hun arbeid besteed: Ernst Christoph Homburg, A. E. von
Baeszfeldt, die zich het beste van zijne taak kweet, en Bart-
hold Feind, die verreweg het grootste aandeel aan het werk
had en die er ook eene aesthetische reactie mee bedoelde
tegen de gemaniëreerdheid en bombastische hoogdravendheid
der tweede Silezische school, waarvan ook hij in zijne jeugd
een aanhanger was geweest, maar waarvan hij een afkeer
gekregen had, zoodat hij door zijne vertaling der gedichten
van Cats zijn landgenooten heeft willen leeren, weer natuur-
lijk en eenvoudig in de poëzie te zijn. Hij noemde het bij
Cats „eine grosse Kunst und ein unfehlbares Kennzeichen
seiner geschickten Feder und Fahigkeit des Verstandes, dass
er die Sachen so natürlich und dabey rein und wohlfliessend
beschrieben".
Dat Opitz groote Nederlaudsche gedichten van Heinsius en
De Groot vertaalde, hebben wij reeds gezien; Gryphius en
anderen brachten sommige stukken van Vondel in het Hoog-
duitsch over; van Jan Vos is de „Medea" vertaald en, door
Hieronymus Thomae, ook de „ Aran en Titus" ; van Camphuysbn
en LoDBNSTBYN zijn verscheidene gedichten in het Duitsch nage-
volgd en vertolkt, en Barthold Feind bracht, behalve gedichten
van Cats, ook (in 1702) den „Lof der Geldzucht" van Jbremi as
de Decker in Duitsche verzen over. Cats was dus niet de
eenige Nederlaudsche dichter, waarmee de Duitschers in ver-
taling kennis konden maken; maar van geen ander dichter
is zooveel en zoo bij herhaling vertaald als van hem. Van
alle Nederlaudsche dichters is alleen Cats in Duitschland
waarlijk populair geweest en een tijd lang niet minder dan
Heinsius bewonderd.
Wanneer wij echter geneigd zouden zijn, ons daarin te ver-
heugen, dan moeten wij wel bedenken, dat daardoor bij de
BBKENDHBID VAN CAT8 IN DUITSCHLAND BN BBLQIË. 233
omwenteling, die er in 't midden van de achttiende eeuw in
de Duitsche poëzie plaats had, en waarop al spoedig de glans-
periode der Duitsche letterkunde volgde, Jacob Oats voor
het type van den Nederlandschen dichter gold, en dat men
nog meer dan eene eeuw lang in Duitschland de waarde der
Nederlandsche poëzie, zelfs uit haar bloeitijd in de zeventiende
eeuw, is blijven afmeten naar de gebrekkige vertalingen van
Cats' gedichten, die zich daarin nog platter en breedsprakiger
voordoen, dan zij werkelijk zijn, en al het naïef-vernuftige en
eenvoudig-natuurlijke verloren hebben, dat zelfs de best ge-
slaagde vertaling niet voldoende heeft kunnen weergeven.
Zoo is daar de, ook wel door Nederlanders nageprate, fabel
in de wereld gekomen, dat ons volk een weinig dichterUjk
volk zou zijn, in elk geval in dichterlijken aanleg verre voor
onze Oostelijke naburen zou moeten onderdoen, voor dezelfde
naburen, die onzen Oats als den grooten poëet bewonderden
en navolgden in een tijd, waarin Hooft en Vondel en ook
nog wel anderen hier te lande veel meer in eere waren dan
hij. Had men deze toen in Duitschland meer kunnen waar-
deeren dan Cats, dan zouden ongetwijfeld de Duitschei's eene
betere herinnering hebben bewaard aan den tijd, waarin de
Nederlandsche dichters hunne leermeesters en voorbeelden
waren.
XXXVII
Catalanen en andere geestelijke dichters in Zuid-Nederland.
Nergens was Jacob Cats meer in eere en werd hij in de
zeventiende eeuw meer nagevolgd dan in de Zuidelijke Ne-
derlanden. Wordt wel eens beweerd, dat in ons land in ieder
gezin naast den bijbel ook de werken van Cats konden worden
aangetroffen, in de Zuidelijke Nederlanden namen die werken
inderdaad de plaats van huisbijbel in. En zoo was het ook
nog veel later. In het begin der negentiende eeuw ontbraken
zij maar „in weynige huysgezinnen'', volgens Willems, die
ons ook vertelt, hoeveel verzen van Cats men toen nog van
buiten kende: sommigen te Antwerpen waren toen nog in
234 OORZAKEN VAN CATS' VERMAARDHEID IN ZUID-NEDERLAND.
staat, „meer dan vyf duyzend verzen van hem voor de vuyst
op te zeggen".
Kenmerkend is dan ook de anecdote, die verteld wordt van
den Mechelschen aartsbisschop Jacob Boonen, aan wien Vondel
zijne „Altaer-geheimenissen" had aangeboden en van wien
hij als tegengeschenk een zeer middelmatig schilderstuk ont-
ving; deze prelaat nu zou bij het lezen van Vondel's dicht-
werk gezegd hebben, dat de dichter heel aardig rijmde en
zoo voortgaande nog wel kans had, eenmaal Cats te evenaren.
En toch was Cats protestant ; maar zóó weinig treedt bij hem
het leerstellig geloof op den voorgi-ond, dat men alleen d&n
in hem den Calvinist zal kunnen zien, als men weet, dat hij
tot die sekte behoorde, en dat geen katholiek ooit aan eenig
gedicht van hem aanstoot heeft behoeven te nemen.
Cats' populariteit in België berustte natuurlijk in de eerste
plaats op zijne wezenlijke verdiensten, maar bovendien ook
op eigenschappen, die andere Noordnederlanders niet of slechts
in minderen graad bezaten. Het stichtelijk en zedelijk karakter
van zijne dichtwerken moest dé.4r meer op prijs gesteld worden
dan in Noord-Nederland, omdat daar toen op letterkundig ge-
bied de geestelijkheid den toon aangaf en de dichters daar
ook zelf meerendeels priesters waren. DaarUj kwam, dat ook
toen reeds de meest beschaafden, de adel en de verdere
aristocratie, die eene hoofsche poëzie hadden kunnen waar-
deeren, voor het meerendeel Nederlandsche verzen versmaad-
den en, zelf Pransch sprekende, ook Fransche (of Spaansche)
boeken of in 't geheel niets lazen: Bijna alleen aan de bur-
gerij kwamen daar Nederlandsche verzen in handen en deze
verstond van alle Noordnederlanders Cats het best, zoowel
wegens de eenvoudigheid en ongekunsteldheid van zijne poëzie,
als wegens zijne, niet zoover van de Zeeuwsche spreektaal
afwijkende, schrijftaal, waaraan het Vlaamsch nauwer verwant
was, dan aan het HoUandsch, vooral dan aan dat nieuwere
HoUandsch, zooals bv. Hooft en Vondel dat schreven. De
Zuidelijke Nederlanders waren nog met den eenen voet in de
Middeleeuwen blijven staan en hadden daarom te veel moeite
om zich vertrouwd te maken met de moderne taaischeppingen
van het Noorden, waarop Cats zich veel minder toelegde dan
andere dichters van beteekenis onder zijne land- en tijdgenooten.
WILLEM V. D. ELST, JACQUKS YMMKLOOT EN JÜSTÜS DE HARDUYN. 235
Aanvankelijk vinden wij naast Cats ook nog Heinsius, als
iemand van Europeesche vermaardheid, tot voorbeeld gesteld,
zooals bv. in de Qeestelycke dichten van Willem van der Elst,
pastoor van Bouchoute en Waterdij k, die verklaart, dat wie
„de rechte wet van dichten soeckt te leeren, tot Heinsium en
Cats profytlyck hem sal keeren*'; immers, zegt hij, „deestwee,
nu lang vermaert voor mannen van verstant, doen daer van
schoon vertoogh aen heel het Nederlant". Deze man had er
nog aardigheid in, dat het jaar 1622, waarin hij zijn dicht-
bundel uitgaf, op den titel ook kon aangeduid worden met
de talletters in zijn naam, op deze wijze: „WILheM Van
Der eLst, priester, paste Vr". Dat Heinsius' poëzie eenigen
invloed op hem gehad heeft, blijkt uit niets; van Cats heeft
hij misschien zijn redelijk vloeienden versbouw geleerd, maar
meer dan verstandig berijmd proza in zuivere taal is zijn
dichtwerk toch niet.
Onder de Vlaamsche dichters zette hij bovenaan Jonkheer
Jacques Ymmeloot, heer van Steenbrugge, 27 October 1574
te Yperen geboren en vertegenwoordiger der Belgische twee-
taligheid, daar hij evengoed vloeiende verzen in het Pransch
als in het Nederlandsch wist te maken, terwijl hij bovendien
nog Latijnsche verzen schreef. Zijn gezag had hij vooral te
danken aan een in 1626 uitgegeven werkje „La France et la
Flandre reformées, ou traite enseignant la vray e methode d'une
nouvelle poësie franjoise et thioise, harmonieuse et délectable",
waarin hij dezelfde metrische regels leerde, die al lang in de
Noordelijke Nederlanden door iedereen in practijk werden ge-
bracht, namelijk de regelmatige afwisseling van lettergrepen
met en zonder klemtoon, waardoor de moderne poëzie zich van
het oude rederij kersrijm onderscheidt.
Tot zijne vrienden, en tegelijk ook tot de eerste dichters,
die zijne metrische lessen ter harte namen, behoorde de ge-
leerde pastoor van Audeghem bij Dendermonde, Justus de
Hardüyn, geboren 11 April 1582 te Gent en op negenen-
vijftigjarigen leeftijd in zijne parochie overleden. Ook zijn vader
Fbanciscus had zoowel Latijnsche als Nederlandsche gedich-
ten, o. a. vertalingen van Anacreon, gemaakt, doch ze niet
uitgegeven. De zoon trad in 1620 op met een bundel „Godde-
Ucke lofsanghen*', waarmee hij hoopte „alle windvol ende siel-
236 JUSTUS DB HARDUYN KN QKRARDUS ZÖBS.
quetsende Venusghejancksel te verschuyven". Hij verkeerde
in den waan, dat „Gods lof te singhen een oirsaecke sou
wesen, dat men niet meer en sou singhen dien verblinden
God Cupido, maer wel de alsiende Goddelicke Dryeenigheydt",
doch bediende zich, om dat doel te bereiken, ook van het
Hooglied, waarvan eene reeds vroeger door hem gedichte na-
volging (ten deele als beurtzang) in dezen bundel is opgenomen
naast eene vertaling van het „Stabat mater", berijmde psalmen
en andere inderdaad niet ondichterlijke Uederen.
Goede psalmberijmingen komen ook voor in een aanhangsel
tot dezen bundel: „Den Val ende Op-stand van den Coninck
ende Prophete David", uit het Latijn van Pater Beza vertaald ;
maar meer opgang maakte hij met eene andere vertaling,
waarbij hij in versbouw en woordgebruik het meest op Cats
gelijkt, namelijk met zijn emblematisch werk „Goddelycke
wenschen" (van 1629). Het oorspronkelijke de „Pia desideria"
van den geleerden Jezuïet Herman Hugo, Spinola's aalmoeze-
nier, was in 1623 te Antwerpen verschenen, reeds in 1628 in
het Fransch vertaald, en beleefde wel twintig uitgaven, zoodat
het zeker wel eene Nederlandsche vertaling verdiende. De
vijf en veertig zinnebeelden, die men er aantreft, zijn in drie
boeken verdeeld en onderscheiden als „versuchtinghen der
leet-betuygende siele, wenschen der godtvruchtighe siele en
versuchtinghen der Godtminnende siele". Een bijbeltekst is
het opschrift, een jong meisje is er meestal het zinnebeeld der
ziel, een gevleugelde knaap dat van den geliefde. Aanhalingen
uit kerkvaders zijn ten slotte toegevoegd aan de vrij uitvoerige,
soms zeker al te breedsprakige gedichten in verschillend soort
van strophenvorm.
Een andere bundel bevat de zeventien zinnebeelden van A.
Wierix, die de pater Jezuïet Stephanus Luzvic onder den titel
„Oor Jesu Amantis Sacrum" door zesregelige Latijnsche versjes
had verklaard, welke een ander priester der sociëteit van Jezus,
Gerardus Zoks, in evenveel Nederlandsche versregels over-
bracht en in 1627 uitgaf onder den titel „Het Godtvruchtich
Herte, Den Koninghlycken Throon van Jesus, den vreedsa-
mighen Salomon". Van ieder prentje is een reuzenhart, door
kleinere aardig geteekende figuurtjes omgeven, het middelpunt.
De reeks van zinnebeelden vormt één geheel, dat ons doet
ANDERS BMBLEMATADICHTBR8. 237
zien, hoe het kind Jezus het hart aan de wereldsche machten
ontrukt, achtereenvolgens aankloppende en binnengelaten, het
reinigend, verlichtend, versierend, tot ^qjlfe woning makend
en met palmen tooiend. De versjes zijn wel beknopt, maar
daarom nog niet keurig.
Een derden emblematabundel vertaalde Petrus Gheschier,
de „pastor van 't Princelijck begyn-hof, geseydt Den Wijn-
gaerdt, in Brugge", uit het Latijn van zijn stadgenoot, den
Brugschen aartsdiaken Antonius a Burgundia, vier jaar nadat
het oorspronkeUjke te Antwerpen gedrukt was, namelijk in
1643 en onder den titel „Des Wereldts Proefsteen ofte De
Ydelheydt door de Waerheyd beschuldight ende overtuyght
van Valscheydt". Lange, zeer middelmatige verzen verklaren
de vijftig zinnebeelden, die de bundel bevat.
Een ander Bruggeling, die in 1673 een berijmd leven van
den patriarch Bruno uitgaf, namelijk de Karthuizerbroeder
Petrus Mallants, wilde voor zijn stadgenoot niet onderdoen
en vertaalde in 1667 gedeeltelijk een Latijnschen bundel zinne-
beelden van Benedictus Haeftenus van Afflighem, onder den
titel „De Heyr-Baene des Cruys". Zoowel in de verzen van
dien bundel, als in de alexandrijnen van zijn heiligenleven
verraadt deze kloosterbroeder duidelijk studie van Oats.
Men ziet, de emblematische dichttrant was — zeker ook
almede door den invloed 7an Oats — in Zuid-Nederland toen
zeer in trek, want het bleef niet bij vertalen. Ook met oor-
spronkelijke gedichten kwamen er verscheidene bundels zinne-
beelden uit, zooals de „Kjoone der vier Hooft-Deughden, toe-
ghe-eyghent, aen de H. Maghet ende Moeder Godts Maria"
(1644) van Ernbst van Veen, zoon van den bekenden schilder
en ontwerper van emblemata Otto van. Veen, en zelf advocaat
en waardijn der munt te Brussel.
Een provoost van de Brabantsche munt, Gberaerdt van
WoLSCHATEN, maakte in zijn werkje „De Doodt vermaskert
met des Weerelts Ydelheyt" (1654) bij achttien houtsneden
naar een doodendans vanHolbein vrij lange kortregelige versjes
met zuiver Catsiaanschen dreun, door overdenkingen en bij-
voegsels gevolgd In gemakkelijkheid van versbouw doet hij
vooT Cats niet onder en daarom zijn vooral de „vier vreught-
rijcke lustpriëelen, nieu bloeselkens van minne-liedekens, roos-
238 ADBIAEN POIBTEBS.
kens van herders-sanghen, wyngaert-rancxkens van drinck-
liedekens en coddige deuntjens", die er voorkomen in zijn
„Antwerps lusthofken" van 1661 te prijzen. Zelfs kunnen wij
ze, als wij geen al te hoogen maatstaf aanleggen, lieflijk en
dichterlijk noemen: eene ware verademing te midden van al
die stichtelijke rijmen, waartoe ook de „neepdichten" of epi-
grammen en „De on-ghemaskerde Liefde des Hemels" (1686)
van den Antwerpschen minderbroeder Joannbs a Gastro
behooren, die met laatstgenoemden emblematischen bundel
een tegenhanger bedoelde te geven van het meest bekende
en ook meest gelezen Zuidnederlandsche dichtwerk der zeven-
tiende eeuw : „Het Masker van de Wereldt afgetrocken", het eerst
in 1645 in beknopten vorm uitgegeven onder den titel „Ydel-
heyt des Werelts", maar later veel vermeerderd onder den
nieuwen titel minstens vijf en dertig maal gedrukt.
De schrijver van dat werk was Adriaen Poirters, 2 Nov.
1605 in het Noordbrabantsche Oosterwijk geboren , eerst te
's-Hertogenbosch , daarna te Douay onderwezen en in 1625
in het professiehuis der Jezuïeten te Mechelen opgenomen,
waarna hij in 1637 tot priester gewijd werd en in 1641 de
kloostergeloften als geestelijke der sociëteit van Jezus aflegde.
Vele jaren was hij te Mechelen en Maastricht leeraar in de
oude talen; den 4den Juli 1674 overleed hij te Mechelen.
Toen zijn boek den zevenden druk beleefde, droeg hij het
op „aen de waerachtige Philothea, dat is de Godt-min-
nende Ziele", die hij ons als eene geestelijke jonkvrouw voor-
stelt, geheel in overeenstemming met den geest van zijn
geschrift, dat er op uit is, minachting in te boezemen voor
de onder bedrieglijk schoonen schijn zoo leeÜjke of althans
zoo onbelangwekkende wereld, en alle Godminnende zielen
op te wekken om die wereld te ontvluchten achter de veilige,
alleen rust en geluk waarborgende, kloostermuren. Terwijl in
het werkje alle uitingen van zinneUjkheid worden afgekeurd,
predikt het zelfs de voortreffelijkheid der huweUjksonthouding,
zonder te betreuren, dat de algemeene toepassing van deze
leer den ondergang van het menscheUjk geslacht ten gevolge
zou hebben, en zonder te bedenken, dat het feit van 'smen-
schen bestaan daarmee zelf reeds veroordeeld wordt als gevolg
van eene afkeurenswaardige of in elk geval minderwaardige daad.
ADRIAEN POIRTBRS. 289
Aan deze strekking zou het boek dan ook zeker niet die
populariteit te danken hebben gehad, die er ook onder meer
wereldsgezinden aan ten deel viel, indien het niet bovendien
eene lange reeks van anecdoten en verhalen bevatte ter ken-
schetsing van het ijdele leven der wereldlingen in allerlei
kringen der maatschappij , dat Poibters blijkbaar tot in de
kleinste kleinigheden nauwkeurig had waargenomen, en waar-
van de gebreken en zwakheden voor zijn scherpziend oog ook
onder aantrekkelijke vermomming niet verborgen hadden
kunnen bUjven.
Dat deze priester een zeer doeltreiBEenden vorm heeft weten
te vinden om aan zijne zedenpreeken ingang te verschaffen,
kan niet worden ontkend, en dat kan tot op zekere hoogte
eene kunst genoemd worden. Ook als woordkunstenaar ver-
dient hij den lof van te beschikken over en handig gebruik
te maken van die woord- en zin vormen, welke een grooter
publiek kunnen pakken, al zal het kleinere publiek van
fijner beschaafden misschien meermalen aan de platheid der
taal aanstoot genomen hebben en er zeker zijne aesthetische
behoeften niet in bevredigd hebben gezien.
Ncuu* den vorm behoort „Het Masker" tot de rubriek der
emblematabundels. Eene zinnebeeldige prent met kort op-
schrift en spreuk vormig onderschrift gaat vooraf; dan volgt
een, dikwijls vrij uitvoerig, gedicht in viervoetige versregels,
die de rijmwoorden eer van zelf schijnen te vinden dan te
zoeken, en daarop gaat de dichter tot proza over, dat ge-
woonlijk weer door gedichten, zelfs van langen adem, wordt
afgewisseld. Bladzijden achtereen worden die „aenspraecken"
in proza voortgezet, niet zelden door „toemaetjens" en irbij-
worpjens" gevolgd; en daaruit zou gemakkeUjk eene aardige
bloemlezing van verhaaltjes bijeengebracht kunnen worden,
waarvan die, welke in rijmvorm vervat zijn, veel gelijkenis
hebben met de verhalen uit Cats' „Trou-ringh", al zijn zij
ook veelal in andere versmaat geschreven.
Nu en dan is Poibtbrs snedig, ja zelfs vinnig in zijne
hekeling, maar meermalen ook is zijne gemoedelij k-boertende
voorstellingswijze in staat, een glimlach te wekken, ofschoon
telkens het rif van den knekelman om den hoek gluurt, om
er aan te herinneren, dat het den schrijver niet hoofdzakelijk
240 ADRIAEN P0IBT£R8.
te doen is, om de ijdele wereld te bespotten, ma^r bovenal
om den mensch te wijzen op den ernst van bet aardsche
leven als voorbereiding tot het hiernamaals, het wezenlijke
leven. Aan belezenheid ontbreekt het den Jezuietenleerling
niet, en dikwijls geeft hij aanhalingen uit Latijnsche schrij-
vers, Classieken en Kerkvaders, ten beste, en ook uit de
Spaansche litteratuur, waarmee hij zeer vertrouwd schijnt
geweest te zijn. Van Neder landsche dichters spreekt hij ner-
gens, dus ook niet van Cats, al is deze ook ongetwijfeld in
menig opzicht zijn voorbeeld geweest, zoodat dan ook zijne
bewondërafiu*s hem den naam van „Brabantschen Cats" heb-
ben gegeven.
Ofechoon PoiETBES aan „Het Masker van de Wereldt afge-
trocken" zijne beroemdheid te danken had, was het alles-
behalve zijn eenig werk: zelfs schreef hij zooveel, dat wij
hier slechts een deel van zijne geschriften kunnen vermelden,
die in zuiver stichtelijke beschouwingen en in hekelingen van
wereldsche dingen te onderscheiden zijn. Naar den vorm zijn
zij bijna alle een mengsel van dicht en ondicht, meerendeels
met zinnebeeldige of andere prentjes versierd.
Zijn eerste, in 1646 uit het Latijn vertaald, werk waseene
geschiedenis der Jezuietenorde , verdeeld in zes boeken, die
alle met een vrij groot aantal zinnebeelden (samen 104) be-
sloten worden. De titel luidt: ,Afbeeldinghe van d'eerste
eeuwe der societeyt Jesu voor ooghen ghestelt door de duyts-
nederlantsche provincie (provincia Plandro-Belgica) der selver
societeyt." Ter wille van zijne orde schreef Poirters nog in
1666 „Ghebede boecxken oft korte ghetyden ter eeren van
den H. Franciscus Xaverius", en in 1671 „Het leven van
den H. Franciscus de Borgia".
Een werk van godvruchtige bespiegeling is „Het duyfken in
de steen-rotse, dat is eene medelydende siele op de bittere
passie Jesu Christi mediterende" (1657). Een emblematisch
karakter dragen „Het Heyligh Herte vereert aen alle Godt^
vrughtighe Herten voor eenen Nieu-jaer" (1659) en het onvol-
tooid door hem nagelaten en eerst in 1696 uitgegeven „Heyligh
Hof van den Keyser Theodosius". Hoeveel waarde door hem aan
bedevaarten werd gehecht, blijkt uit twee werkjes, door hem in
1657 uitgegeven: „Den Pelgrim van Halle ofte historie van
JAN VAN MIJB9 PBTUU8 CROON RN JAN LAMBRBCHT. 241
Onse Lieve Vrouwe van Halle", waarin hij vertelt van den oor-r
sprong van het daar vereerde Mariabeeld, de mirakelen, die
er door verricht, en de giften, die er aan geschonken zijn,
en ,Het pelgrimken van Kevelaer", een liedboekje, dat „litaniën,
hymni, liedekens, herdersdicht] ens en reysgebeden voor de
processie van Kevelaer" bevat. Het leven der H. Rosalia
beschreef hij in 1658 uit dankbaarheid, dat hij genezen was
van de pest, waardoor hij in 1657 te Antwerpen aangetast werd.
Andere navolgers van Oats waren nog Jan van Mijb,
die, behalve een paar andere stichtelijke boekjes, waarin hij
,'t catholyck-roomsch gheloof dicht wys verclaerde", ook in
1647 te Antwerpen geestelijke „Eclogae ofte Herders-Sanghen"
in vloeienden dichtvorm uitgaf. Petrus Croon, een in 1634
te Mechelen geboren pater Jezuiet, die in 1682 te Leuven
overleed als „canonik regulier en religieus (prior) van S. Mar-
tens"(klooster) aldaar, na verschillende emblematische wer-
ken te hebben uitgegeven, die van vernuft en gemakkelijk-
heid in het rijmen, maar, reeds blijkens de onderwerpen zelf,
van weinig dichterlijke verheffing getuigen, o. a. de „Cocus
bonus ofte Geestelycke Sinnebeelden ende Godtvruchtighe
uyt-leggingen op alle de gereetschappen van den Koek"
(Brugge 1663), en de Brugsche rechtsgeleerde Jan Lambrecht
(geb. 1 April 1626), van wien wij reeds gezien hebben, dat
hij met Qats persoonlijk bevriend was. Waarschijnlijk heeft
hij hem in 1648 leeren kennen, toen hij met eene diploma-
tieke zending in Den Haag belast was.
Cats schreef (evenals ook Wbsterbabn) een lofdicht voor
zijn bundel „Vlaemsche vrede-vreucht", te 's Gi-avenhage in
1659 gedrukt, waarin ook een allegorisch vredespel, getiteld
„De Vlaemsche Maecht", voorkomt. In hetzelfde jaar werd
van hem ook eene bijbelsche pastorale, „Rachel of het thoon-
neel van oprechte liefde", te Brugge vertoond in tegenwoordig-
heid van den Brugschen bisschop Carolus van den Bosch, die
een jaar later tot bisschop van Gent benoemd werd, wat Lam-
BftECHT een gedicht: „Deuchdenlof, als „wellecomwenschinge"
in zijn nieuw bisdom deed schrijven. Toen dezelfde Carolus
van den Bosch in 1651 tot bisschop van Brugge was gewijd,
tegel^'k met Andreas Oreuvenius tot bisschop van Roermond,
bevond Vondel zich te Brugge en maakte hij eene ode op
U 16
/■
242 JAN LAMBBECHT BN PBKTEB VLOBBS.
de „Bisschoppelycke staetsi" dezer beide bisschoppen. Van Lam-
bbbcht's andere dichtwerken vermeld ik verder alleen zijn
„Onstervelicke Lof van de Redenrijcke Dicht-conste" (van 1661),
die van vurige liefde voor de kunst getuigt en , evenals andere
zijner werken, hem doet kennen als een ijverig voorstander
van het „in Vlaanderen Vlaamsch" en heftig tegenstander van
hen, die ook toen reeds „haer moedertael sich schaemden" en
spraken, ja baden in het Fransch , alsof zij door God voor
Walen wilden aangezien worden.
Opmerkelijk is het zeker, dat de overgroote meerderheid
van Gats' navolgers in de ZuideUjke Nederlanden tot den
geestelijken stand behoorde; maar ook onder die dichters of
rijmelaars, bij wie invloed van Gats niet onmiddellijk valt
aan te wijzen, treden de geestelijken door hun aantal op den
voorgrond, misschien omdat zij meer dan de beschaafde leeken
voeling hielden met het volk en daarom meer hart bleven
houden voor de Vlaamsche of Brabantsche taal en voor Neder-
landsche verzen, dan de ontwikkelden onder de heel of half
verfranschte leeken, terwijl het eigenUjke volk zoozeer in
domheid en stompheid begon te verzinken, dat daaronder het
optreden van een dichter of ook maar van een rijmelaar eene
zeldzaamheid moest worden. Natuurlijk kwam daar nog bij,
dat de geestelijken beter dan de leeken wisten, hoe zij moesten
schrijven, om voor het streng gericht der geestelijke censoren
te kunnen bestaan.
Zoo gaf dan de Antwerpsche Dominicanermonnik Pbsteb
Vlobbs in 1659 de beide deelen uit van „De wonder baere mirake-
len van den H. Roosen-Grans", eene verzameling van berijmde
wonderverhalen, die dienen moeten als bewijs van de „son-
derlinghe gratiën ende weldaeden bewesen van Godt-almachtigh
den ghenen die devoot syn tot den heylighen Roosen-Grans
synder alder-heylighste Moeder ende altijdt Maghet Maria".
Deze bundel heeft vooral de aandacht getrokken , omdat onder
de een en twintig wonderverhalen van het tweede deel ook
het verhaal voorkomt, getiteld „Religieuse, uyt haer Glooster
gheloopen, keert onsienelijck wederom", dat denzelfden inhoud
heeft als de bekende middeleeuwsche sproke van Beatrijs.
De schrijver zelf noemt dit verhaal „het fraeyst' van allen'',
naaar vergelijkt men het met de middeleeuwsche sproke,
VERSCHILLENDE SnCHTBLUKB DICHTSBS. 243
dan blijkt het, hoe hortend en stootend de alexandrijnen van
Vloebs zijn tegenover de bevallige metriek der sproke, en
hoe smakeloos en plat dit lieflijk verhaal der middeleeuwen
onder zijne handen is geworden. Op deze bundels berijmde
Mariamirakelen liet hij in 1661 en 1662 nog twee andere
volgen , namelijk de beide deelen van zijn „Geestelickeii
Roosen-tuyl".
Andere stichteUjke dichters warende pastoor van Nieuwe-
kerke (bij Yperen; Pbbtis van Roüvboy met «Tobias-lever
voor de onkuyssche weerelt" (1639) en „Tobias-galle voor de
blinde weerelt" (1640), de Antwerpsche monnik Peetee de
Beer met ^Geestlijcke Rymkonste*' (1657), de Ypersche Car-
meliet Oliveriüs a St. Anastasio of De Crock met ver^
schillende niet geheel onverdienstelijke dichtwerken, o. a.
»Den Geestelyken Lusthof der Carmelielen" (1659—61), de
Brosselsche Jezuiet Willem van Wissenkercke , die in 1664
het vijftigjarig jubilee eener kloosterzuster met verzen vierde,
de Antwerpsche priester Gaspar Scholten met ,Den oprech-
ten Weghwyser naer het eeuwigh leven" (1664), Hibronimüs
DE MoELDER, rellgious der Orde van de Minimen te Antwerpen,
die een niet onverdiensteUjk , maar wat eentonig leerdicht
in vloeiende alexandrijnen schreef, getiteld: »Den lydenden
Christus ofte de Passie ons Heere Jesu Christi, met de klachte
van de Maghet Maria" (I6661, de Brusselsche Augustijner
monnik Jan de Leenheer, die in zijn „Tooneel der Sotten"
(1669) het ^kluchtighe" met het ,gestichtighe" in .sinnen-
spreuken" zocht te vereenigen, maar in beide laag bij den
grond bleef, en de priester Mathias Poürmenois, die met
veel gemakkelijkheid „Den Gheestelyken Valhoet" berijmde
(1670).
Van de oudere, gedeelteUjk zelfs middeleeuwsche, geestelijke
liederen waren er nog vele in den volksmond blijven leven.
Verscheidene er van werden ook wel opnieuw gedrukt, maar
soms — en dat gewoonlijk niet tot hun voordeel — om-
gewerkt of gemoderniseerd. Dat was b. v. het geval met „veel
schoone Leysenen ende Gheestelycke Liedekens van diveer-
sche devote materiën", die in 1620 te Antwerpen gedrukt
werden in „Het Prieel der Gheestelicker Melodiie", In de
, voorsprake" wordt daar gezegd, dat het „meestendeels al
244 OUDB BN XISÜWB QBBSTBLUKB LIBDBBBK.
oade Liedekens waren, die noch somtij ts hebben ghedruckt
gheweest, maer", wordt er bijgevoegd, „gelijc sy seer incorrect
waren, soo hebben wy die met groote moeyte, arbeyt ende
neersticheyt moeten corrigeeren." Als reden daarvoor werd
vooreerst opgegeven, dat „veel liedekens seer kinderachtich
waren ende schenen van een simpel vrouken gedicteert te
wesen, andere gheenen sin en hadden, soodat men die lesende
bycans niet geraeyen en conde wat dat sy wilden seggen,
andere liedekens somtijds ondiscretelijc waren , ja ooc onge-
stichtelijc hier en daar sprekende, daer de Gheusen ende de
quade Gatholijcken waren mede spottende." Vervolgens wer*
den zij ook veranderd, «omdat de oude liedekens op seer veel
plaetsen qualijc waren rijmende", zoodat men „daer andere
goede ende bequame rijmen voor in hare plaetse had moeten
stellen", en eindelijk „wasser eene groote foute in alle de
Vlaemsche liedekens, dat de veerssen hier ende daer een
twee oft dry syllaben te luttel oft te veel waren hebbende;
ooc warender corte syllaben voor lange, lange voor corte
geset, het welc in 't singen een groote onbequamicheyt by
brocht." Daarom hebben de uitgevers van den bundel „hare
Rhetorijcke ghebrocht op den Fransoyschen ende Italiaen-
schen voet, te weten op sulcke, datter niet een syllabe min
oft meer en sy dan den sanck is vereysschende."
Behalve deze gemoderniseerde oude liederen werden er ook
vele nieuwe gedrukt, zooals van den Brusselaar Willbm van
Spoblbbrqh, die in 1618 Bonaventura's „Psalter der H. Maghet
Maria" vertaalde, en van den pastoor van Ter Alphen (bij
Aalst) Pbbter db Vleeschoudbrb, die in 1660 vr^ goede
vertalingen en paraphrasen van psalmen en kerkelijke lof-
zangen uitgaf.
Behalve verscheidene andere stichtelijke werkjes, hebben
wij een geestelijk liedboek, getiteld „Den Berch der gheeste-
licker vreughden, vol hemelsche loven ende melodieuse lof-
sangen", in 1617 te Antwerpen uitgegeven door den pater
Jezuiet Lodbwijk Makbblijdb, 27 Jan. 1564 te Poperinge
geboren en sedert 1611 missionaris in Holland, waar hij als
overste der zending 17 Aug. 1630 te Delft overleed. Een ander
pater Jezuiet, Johannbs van Sambbbck, gaf in 1662 een lied-
boek uit met kinderachtig-gekunstelde liedjes, getiteld „Het
GÉBSt^LIJKB LISDBREN. 245
geestelyck Jubilee". In 1639 liet de Dominicaan Joannbs de
LixBONAy later prior der Predikheeren te Antwerpen, het eerste
deeltje approbeeren van „Het Hemels Nachtegaelken oft
Gheestelijcke Liedekens", waarop later nog twee andere deeltjes
volgden.
De licentiaat in de theologie Guiltelbcus Pauwelsz. Boloq-
NiNO, van Italiaansche afkomst, maar zelf 15 Maart 1590 te
Antwerpen geboren en te Leuven onderwezen, gaf in 1645,
toen hij, na pastoor van St. Joris te Antwerpen geweest te zijn,
sinds drie jaar bevorderd was tot kanunnik gradueel der
cathedraal aldaar, „Den gheestelycken Leeuwercker, vol godt-
vruchtighe liedekens en leyssenen" uit. Deze bundel is in drie
afdeelingen verdeeld: de eerste zingt „van de verborghent-
heden Christi ende de H. Maghet Maria", de tweede „van de
Heylighen", de derde „van 't Geloof, Hope ende Liefde ende
eenighe andere deughden". Verder schreef deze, als dichter
zeker zeer middelmatige, godgeleerde nog een spellingboekje,
waarin hij eene „nieuwe noodelijcke orthographie" voorstelde,
en eenige verhandelingen, Avaarin hij het Calvinisme en
andere ketterijen bestreed, als voorbereiding tot het ambt van
censor, dat hij in zijn ouderdom bekleedde. Den 24Bten October
1669 is hij te Antwerpen krankzinnig overleden.
De reguliere kanunnik van Eindhoven en directeur van
een nonnenklooster te Weert, Gaudentiüs van Loemel, ver-
tegenwoordigde de Noordbrabantsche poëzie, o. a. met „Den
geestelycken Orpheus" van 1660. Uit de abdij van Afflighem
kwam „Het gheestelijck Blom-hofken van Bethleem" voort
van den Benedictijner geestelijke Godefridus Büssé, dat in
den tweeden druk van 1664 negen en dertig liedjes bevat „op
musieck met twee stemmen ghekomponeert" door den dichter
zelf. Eenvoudige kerstliederen maken bijna de helft van dien
bundel uit, die verder o. a. ook liederen bevat tot Maria en
sommige heiligen gericht. De Dominicaan Jordanus van den
Bempdb, geboren te Doornik en 11 Maart 1671 te Brugge
overleden, beweende in twaalf ween-dichten „Den bloedigen
Goeden Vrijdagh" (1670). Van Herman Harts, die m 1685
als koordeken van zijne geboortestad Aarschot overleed, zag
o. a. in 1674 de liedbundel „Het gheestel^cke Bieken" het
licht, die gerust onuitgegeven had kunnen blijven.
246 QBBSTBLIJKB LIBDBBBN; SCHOOLDRAMA DBR JBZUIBTBN.
Terecht meer geliefd werden de beide bandels van DaniAx.
Bbllbmans, reguliere kanunnik te Grimbergen en pieifitoor te
Horsen, waar hij 21 Februari 1674 overleed, nauwelijks drie
en dertig jaar oud. In zijne bundels: „Het Oyterken van
Jesus , spelende sestigh nieuwe Liedekens op het groot Jubilé
van het H. Sacrament tot Brussel" (1670) en „Den lieffelyc-
ken Paradys-vogeP' (1670) met honderd zangen, komen inder-
daad vele liefeUjke, gevoelvolle en welluidende liederen voor,
die talrijke malen herdrukt zijn en hem den lof van Adriaen
Poirters en ook van Paquot deden verdienen.
Naast deze breede schare van priesters en monniken, wier
rijmwerken zoo weinig verscheidenheid opleveren, dat wij
ons tot eene vrij dorre opsomming moesten bepalen, die wij
echter niet achterwege wilden laten , om te doen zien , dat er
in de zeventiende eeuw toch nog vrij wat in de Nederlandsche
taal is gedicht in de half verfranschte Zuidelijke Nederlanden,
traden daar ook wel leeken als dichters op, maar hun aan-
tal blijkt, althans buiten den kring der rederijkers, al zeer
gering, terwijl zij bovendien nog dikwijls met de geestelijken
in stichtelijkheid wedijverden.
XXXVIII
Het geestelijk tooneel In Zuld-Nederiand.
Zooals de geestelijken in de zeventiende eeuw de voor-
naamste leer- en lierdichters der Spaansche Nederlanden
waren, zoo voerden zij daar toen ook heerschappij op het
tooneel, met name de paters Jezuïeten, en naast hen de
Augustijnen. Verschillende Zuidnederlandsche Jezuïeten ken-
nen wij als dichters van Latijnsche schooldrama's, zooals
Carolus Malapertius („Sedecias'' 1616), Nicolaus Susius („Pen-
dularia" 1620) en Jacobus Libenus (Joseph" 1634). Zg hadden
— in tegenstelling tot de Calvinistische predikanten — inge-
zien, welk eene opvoedkundige kracht er gelegen is in het ver-
toonen en aanschouwen van tooneelstukken, indien deze ten
minste een godsdienstig of althans zedeUjk karakter hebben,
en een hunner, de bekende geschiedschrijver Famianus Strada,
de bewonderaar van Parma, had in zijne „Eloquentia bipar-
YBBTOONINGBN DBB JEZUÏETEN TB GENT EN ELDERS. 247
tita'* (1617) gepleit voor de tooneelspeelkunst, wanneer slechts
onderwerpen uit de gewijde geschiedenis, en niet uit heidensche
historie of fabelleer, tot leering en stichting ten tooneele ge-
bracht werden. Zélf namen nu de Jezuïeten in de tien colleges,
die zij allengs in België stichtten, de zorg op zich voor de
dramatische opvoeding hunner leerlingen , die zij bij plechtige
gelegenheden, vooral bij prijsuitdeelingen , bijbelsche tooneel-
spelen in Latijn of Ylaamsch lieten vertoonen.
Zoo vindt men in de stadsrekeningen van Gent vermeld,
dat hun in 1602 eene geldeUjke bijdrage werd verstrekt voor
y't maecken ende rechten van een theater voor haerlieder
schole, omme daerop te vertooghen en te exhiberen seker
commedie ofte tragedie", en voor „het rechten van een stel-
lagie, daerop huerlieder studenten vertoocht ende ghespeelt
hebben seker commedie". Ook in 1606 is daar sprake van „de
Patres van de societeyt Jhesu in *t cloostre spelende eene comedie
ende ander historiën ende vertooghen". In 1615 vinden wij hun
eene tegemoetkoming gegeven in het drukken van de pro-
gramma's voor hunne tooneelvoorstelling of „voor 't prenten
van de acten van 't cort begrip van de comedie alsdoen by
haerlieder jonckheydt" gespeeld. In 1640 verzoeken zij zelfs
van het stadsbestuur van Gent eenige huisjes, om die te
sloopen en op het terrein een schouwburg te bouwen ten
einde „de jonckheyt der stede te exerceeren ende eenighe
commedien, tragedien ende acten te representeren". Negen
jaar later was aan hun wensch voldaan en de eerste schouw-
burg te Gent gesticht.
Te Kortrijk werd in 1600 bij de blijde inkomst der Aarts-
hertogen door de leerlingen der Jezuïeten de geschiedenis
van Jason vertoond. Toen zij in 1616 zich te Oudenaarde
gevestigd hadden, lieten zij ook d&&r door hunne leerlingen
tooneelstukken vertoonen, en zij hadden er weldra zulk een
goed ingericht theater, dat zij daarmee de rederijkerskamer
„Het Kersouwken" overtroffen, zoodat deze gewoonlijk het
theater van hen huurde voor eigen vertooningen. Te Yperen
is in 1628 sprake van tooneel voorstellingen der Jezuïeten,
waar echter door sommige toeschouwers zooveel wanorde werd
gesticht, dat de stadspolitie te hulp moest geroepen worden.
(Jok in Brabant werd het tooneelspel door de Jezuïeten be-
248 WILLBM ZBBBOTS EN QUILLIAM BA8BLBB.
vorderd. Te 's-Hertogenbosch werd in 1597 van wege de
fratres op de markt comedie gespeeld; ook in 1605 deden
hunne studenten dat, en in 1611 vertoonden de Jezuieten
er eene stichtelijke comedie tijdens de kermis. In 1618 werd
er door de paters Jezuieten de marteldood van den H. Theo-
dorus in hunne school gespeeld, in 1622 de comedie van de
H. Ignatius en Xaverius, en zoo verder tot 1629, toen de
stad door Frederik Hendrik veroverd werd. Toen in 1665
ühristina van Zweden aan Brussel een bezoek bracht, werd
zij daar op een spel van de jonge Jezuieten vergast.
Aan geestelijke tooneelstukken ontbrak het onder de leiding
der Jezuieten en Augustijnen in de zeventiende eeuw dan
ook niet in de Zuidelijke Nederlanden, hetzij ze door hunne
leerlingen werden vertoond, hetzij het aan vrije liefhebbers
of aan de rederijkerskamers veroorloofd werd, ze te spelen.
Twee bundels van zulke geestelijke tooneelstukken bezitten
wij van den Leuvenschen Premonstratenser Willem Zeebots,
sedert 1667 pastoor van Wakkerzeele en 8 Juli 1690 op
vijfenzestigjarigen leeftijd in de Parkabdij te Leuven over-
leden. Zijn eerste bundel van 1661 bevat een kerstspel, een
spel van ,jden zuyveren Patriarch Joseph", een spel van
„het leven ende martyrie van den H. Adrianus" en een spel
van Hendrik VIII van Engeland „ofte scheuringe van Enge-
lant ende 't afwijken van 't Catholieck geloof', vertaling van
„Henricus octavus seu schisma Anglicanum" (1624), een der
vele Latijnsche tooneelstukken van den Leuvenschen hoog-
leeraar Nicolaus Vernulaeus. Een tweede bundel, dien Zeebots
in 1687 uitgaf, bevat een zeer uitvoerig Passiespel en spelen
van Tobias en van St. Hubertus: alles gedeeltelijk in mid-
deleen wschen geest, gedeeltelijk in den trant van het school-
drama.
In GuiLLiAM Baseleb ontmoeten wij den dichter van een
mirakelspel in drie bedrijven, getiteld „Zegenprael der onwin-
bare Kercke", enz., dat hij in 1674 voor de Augustijnen te
Leuven maakte, om daarmee het derde eeuwgetij te vieren
van „'t H. Sacrament van mirakel", toen in htm convent
berustend en nu in de St.-Jacobskerk te Leuven bewaard.
Opmerkelijk is het , dat in dit stuk ook hervormers — natuur-
lijk niet tot hun voordeel — optreden en dat er door alle-
SACRAMttKTSSPBLBM VAN LfiUYBN BN BRUSSEL. 249
gorische personen, als Godsdienst, Kercke en Maeght van
Loven, in gejammerd wordt over den twist, die er destijds in
de theologische kringen opnieuw ontstaan was naar aanleiding
van de bij Aagustinus aansluitende leeringen, verkondigd
door den vroegeren Leuvenschen hoogleeraar en Yperschen
bisschop Comelis Jansenius, en nog lang na zijn dood (1638)
en zijne veroordeeling in 1643 en 1653 door Paus ürbanus
VIII en Paus Innocentius X door tal van godgeleerden, ook
aan de Leuvensche hoogeschool, verdedigd en zelfs oorzaak
der schorsing van den Jansenistischen Jacob Boonen als aarts-
bisschop van Mechelen en van zijne vervanging als aarts-
bisschop door Andreas Oreuvenius, bisschop van Roermond.
Niet alleen Leuven kon zich (evenals vroeger ook Breda en
Amsterdam) beroemen op het bezit van een miraculeus Sacra-
ment: de St.-Goedelekerk te Brussel bezat er eveneens een,
waarvoor een jaarlijksche plechtige ommegang was ingesteld
door Wenceslaus en Johanna van Brabant: en ter viering van
het derde eeuwfeest daarvan gaf nu Daniël Danoot, „bor-
gher van Brussel", in 1670 een spel uit, getiteld „Aller won-
derheden wonderenschat oft Mirakel der Mirakelen". Daarin
wordt de wonderdadige geschiedenis vertoond van dat Sacra-
ment, of liever ciborie met drie hostiën, in handen gekomen
van een Jood Abraham , die zich met andere Joden niet
ontzien had, de Sacramenten te bespuwen en met dolken te
doorboren, maar opeens handen en dolken met bloed bevlekt
zag, tot een bewijs van het ware karakter der hostiën als
Christus' lichaam. De vrouw van den Jood bekeerde zich op
het zien van dat wonder en stelde er verschillende parochie-
priesters mede in kennis , de Joden werden vóór de St.-Catha-
rinakerk verbrand, en voor het Sacrament in de St.-Qoedele-
kerk werd links van het koor eene kapel gesticht , vervolgens
versierd met glasschilderwerk, daaraan in het midden der
zestiende eeuw door verschillende vorsteUjke personen ge-
schonken. Nog altijd wordt daar dit Sacrament van mirakel
bewaard en vereerd.
Ook andere mirakelspelen werden in de zeventiende eeuw
vertoond, vooral ter eere van heiligen. Reeds noemden wij
de spelen van St.-Adriaen en St.-Hubertu8 door Zbbbots. Te
Brussel speelde men in 1610 eene heilige tragi-comedie van
260 9 SPEL VAN 8T. GOMMABR" VAN CORNBUS DB BIB.
„Den Salighen Ignatios de Loyola of Antiluther". Te Thielt
werd o. a. in 1614 een spel van St. Jan Baptist vertoond,
in 1615 een van St. Sebastiaen, in 1617 een van St. Joris
en in 1618 een van St. Stephanus. Een spel van St. Gom-
maer werd in 1614 en verder geregeld te Lier gespeeld.
Een nieuw spel van St. Gommaer dankte men daar in 1669
aan Cornelis db Bib. In drie bedrijven is het verdeeld. Het
eerste bedrijf (of „handel") doet ons zien, hoe de groote sou-
daen het Frankenrijk bedreigt en koning Pepijn daarom
Gommaer, heer van het land van Rijen, aan het hoofd plaatst
van zijn leger en hem tevens zijne nicht Guimaria ten huwelijk
geeft. In het tweede bedrijf keert Gommaer op het bericht van
den dood zijner ouders, van welke hij in het vorige bedrijf af-
scheid genomen had , terug en laat zijne vrouw achter, als hij
vervolgens tegen de Saracenen optrekt en hen verslaat. In-
middels heeft zijne vrouw hare onderdanen mishandeld, en
nadat hij daaraan een einde heeft gemaakt , wil hij ten gevolge
van eene vroeger afgelegde belofte naar Rome vertrekken,
maar met zijn gevolg te Emblehem gekomen en daar op het
open veld overnachtend, krijgt hij het te kwaad met den
landeigenaar, omdat zijne dienaars een van diens boomen
hebben geveld. Het derde bedrijf begint met het eerste mirakel.
Met behulp van een engel richt Gommaer den boom weer op
en heelt de breuk met een gordel , zoodat er zich weer frissche
bladeren aan vertoonen. Zoo werd „het dor groeyende**. Op
de plaats zelf van het mirakel wordt nu door Gommaer eene
kapel gebouwd. Daarop doet de heilige een tweede wonder:
hij laat eene bron ontspringen om zijne van dorst versmach-
tende en bovendien door zijne vrouw gekwelde onderdanen
te laven, en als hij vernomen heeft, dat ook zijne vrouw
van dorst verkwijnt, geneest hij ook haar met het water van
zijne wonderbron. Daarop sterft hij , diep betreurd door
dienaars en onderdanen.
Zooals men ziet is dit mirakelspel, evenals al zijne middel-
eeuwsche voorgangers, niet veel meer dan eene aaneenscha-
keling van tafreelen uit de legende van den heilige, alleen
met dialogen in wat moderner verzen. Gomische tusschen-
spelen, waarop de middeleeuwers zooveel prijs stelden, ont-
braken ook hier niet. Vooreerst treden in Baetsoeckigh-
s
1
MIRAKBLSPBI^SN VAN DE BIE EN ANDEREN. 251
Bedrijf en Hertneckigh-Gemoet een paar iets gemoderniseerde
sinnekens eenige malen op; maar verder is er ook eene,
later wat omgewerkt afzonderlijk uitgegeven, klucht van
yJan Goedthals en Qriet syn wyf', in opgenomen, die met
een twist tusschen het echtpaar begint. Griet echter wil
uitgaan en draagt nu Jan de zorg voor het huis en het huis-
werk op, maar h^' heeft honger en vraagt haar vooraf een
sneetje ham. Liever dan er hem iets van te geven, zegt de
feeks, zou zij de hammen, die in den schoorsteen hangen,
door de duivels zien wegpakken, en daarop gaat zij heen.
Nu komen er twee soldaten binnen, die eten vragen, en
Jan zegt, dat hij hun niets kan aanbieden: maar er hangen
nog ongerookte hammen in de schouw, en dadelijk klimmen
de soldaten naar boven. Op dat oogenblik komt Griet razend
en tierend terug , en nu maakt Jan van de gunstige gelegen-
heid gebruik. „Och", roept hij den soldaten in de schouw
toe, ,och, duvels, compt uyt de schou, helpt my van mijn
wijf, ick sal u allen mijn hespen (hammen) geven en 't wijf
oock daerbij". Roetzwart komen nu de soldaten met de ham-
men uit de schouw te voorschijn, en Griet, die ze voor dui-
vels aanziet, is doodsbenauwd. Zij valt voor hen op de knieën ,
krijgt bevel zich met haar man te verzoenen en acht zich
DOg gelukkig, dat de gewaande duivels weer vertrekken, al
nemen zij ook de hammen mee.
In 1671 gaf De Bib nog, onder den titel van treurspel,
een tweede mirakelspel uit: „De Heylighe Gecilia oft den
Spieghel van de eerbaerheydt", eveneens met een comisch
tusschenspel ; en later maakte hij nog een paar andere heili-
genspelen. In 1631 is er te Borch-Loon in Limburg sprake
van een daar door de rederijkers vertoond spel van St. Geer-
trui. Te Brussel werd in 1641 een spel van de H. Dorothea
(door Geebaerd van den Brande) vertoond. Aan Veurne
leverde Glaudb Ogieb in 1644 een spel van St. Agnes en
in 1662 een nog in handschrift bewaard spel (met duvelry)
van St. Barbara, wier geschiedenis in 1646 ook te Oudenaarde
was gespeeld. Een „Bly-eyndende-treurspel van het leven
ende wondere daeden van den H. Rombout'*, gedicht door
den kapelaan en organist van de St.-Romboutskerk te Meche-
len, Philippüs Glaüdïüs Basubl, werd in Juli 1680 vier-
\
262 BUÉteliSGHB 8PBLBN.
maal door de kamer „De Peoene" vertoond ter viering van
het negenhonderdjarig jubelfeest van den heilige , den patroon
van Mechelen. Moderner van vorm dan al deze stukken en
niet onverdienstelijk van taal en versbouw was „De H. Genoveva
ofte herkende onnooselheit", door Antonio Francisco Wou-
THEBs in 1664 te Antwerpen uitgegeven.
Aan bijbelsche spelen ontbrak het evenmin. Te Thielt
werd in 1616 de geschiedenis van Pharao vertoond , te Veume
in 1618 die van David en in 1623 die van Jephta. Het laatste
onderwerp werd ook in 1637 gedramatiseerd door den Lier-
schen notaris Jobis Bbbckmans, die ook de geschiedenis
van Absalon en, evenals Zeebots, die van Jozef in tooneelvorm
bracht, en verder nog spelen maakte van „Ammon en Tha-
mar" en van „Esther" , zooals er in de zeventiende eeuw ook
in het Limburgsche Hasselt vertoond werden. D&&r werd ook
een „Jozua" en ^De Belegering van Samaria" gespeeld. Joan
YzERMANS schreef voor de „Olyftack" te Antwerpen een „Achab",
Claubb db Qriek gaf in Brussel een „Samson" uit en Jan
Bbllet van Yperen een „David en Bersabee'*.
Hen allen overtrof de Antwerpsche schilder Güiliam van
NiEUWELANDT met zijjne bijbelsche treurspelen in classieken trant,
die met de HoUandsche van zijn tijd kouden wedijveren, name-
lijk zijn „Saul" van 1617, zijn „Salomon" van 1628 en zijn
„Jerusalems Verwoestingh door Nabuchodonosar*' van 1635,
die alle zeer sterk den invloed van Seneca of zijne Fransche
navolgers verraden. Zijn „Jerusalems Verwoestingh" bevat
zelfs vele, soms tamelijk uitvoerige, stukken, die vrij nauw-
keurig vertaald zijn uit Gamier's „Juifves" (van 1585). Op-
merkelijk is het, dat de Profeet bij Gamier door Nibuwb-
LANDT in eene allegorische figuur, „Gramschap Godts", is
veranderd. Zijn „Salomon" bewijst bovendien, dat de dichter
Hooft's „Geeraert van Velsen" kende en bewonderde.
Uit de apocriefe boeken werd de geschiedenis van Susanna
in 1625 te Yperen gekozen. Die werd ook te Hasselt ver-
toond, evenals Judith's heldendaad. Daar speelde men ook
een gelijkenisspel , namelijk „Van den ontrouwen rentmeester",
terwijl CoBNELis de Bie in 1678 te Lier een spel van „Den
verloren sone Osias" liet spelen, dat blijkbaar geschreven is
onder den invloed van Lope de Vega*s „El hij o prodigo" en,
MY8TE|U8BPKI<BN. . 258
evenals het Spaansche stuk, opk allegorische personen bevat,
namelijk Sorgheloose Wellusticheyt , Onghebonde Vrijheydten
Voorsichticheyt. Dat de bordeelscène in het stuk allesbehalve
stichtelijk is, schijnt aan de censoren geen aanstoot gegeven
te hebben. Opmerkelijk is het, dat aan het slot ook de onte-
vreden broeder (Amadis) zijn nijd overwint en hartelijk
deelt in de algemeene blijdschap.
Het mysteriespel eindelijk bleef in de zeventiende eeuw in
de Zuidelijke Nederlanden — en niet eens veel veranderd
van vorm — in eere. Tot 1626 toe werd de Passie her-
haaldelijk te Veurne gespeeld. Te Haile vertoonde men
baar o. a. in 1665, Te Brussel werd in 1651 een spel van
,Den lydenden en stervenden Christus" door den toen
nog jongen rechtsgeleerde Johaknes de Oondé uitgegeven.
Van Zeebots noemden wij reeds een passiespel en ook Gob-
NELis DK BiE deed te Lier in 1680 „leven ende doodt van
^en oodtmoedighen en verduldighen Christus tragedie-wijs in
dry besondere deelen af beelden" onder den titel „Qoddelyck
Bansoen der Zielen Salicheyt". Van denzelfden dichter heb-
ben wij ook een kerstspel van 1700, getiteld „De verlichte
Waerheyt van Godts Vleesch gheworden Woordt". Overigens
werd er in de eerste helft der zeventiende eeuw te Yeume
meermalen een spel van Bethlehem vertoond en schreef ook
Jak Lambrbcht van Brugge er een in 1685, nadat ook
Willem Zeebots in 1661 „Den blyden Kersnacht ofte de
Geboorte Christi onses Zaligmakers" had gemaakt.
Veel. beter dan deze rijmwerken is een eigenaardig soort
van mysteriespel van 1686, dat in de zeventiende eeuw door
de kamer „De Veltbloemen" van het Limburgsche Bilsen
vertoond werd, namelijk „De mensch-wordingh van het
Eeuwigh Woort in den Schoot van de Heylighe en Onbe-
vleckte Maget Maria, volbracht onder de boodschap van den
Aerts-Engel Gabriël". Het stuk begint met eene „inleydingh"
of voorspel, waarin de schim van Adam optreedt om te klagen
over de ellende, die hij door zijne ongehoorzaamheid berok-
kend heeft aan zijn nageslacht, dat nog altijd gedoemd is „in
het voorgeborght" der hel met vurig verlangen uit te zien
naar de komst van den Messias, den beloofden verlosser;
maar het niet bij klachten latende , is Adam's schim nu op
254 „DB MBNSCH-WOBDINGH VAN HET EBUWIQH WOOBT".
aarde verschenen, om de H. Maagd in hare slaapkamer te
wekken, ten emde hare voorspraak Toor de ongelukkigen
in te roepen.
Met het begin van het eerste bedrijf, dat, evenals de beide
volgende, in den hemel speelt, treden Gabriël en Ra£aël ten
tooneele, zich verheugend in de kalme rust, die er in den
hemel, en den algemeenen vrede, die er op aarde heerscht.
Zij hebben er een voorgevoel van, dat nu de volheid der tijden
gekomen is, waarop de verlossing van het menschdom zal
plaats hebben, en besluiten hunne samenspraak met een beurt-
zang, waarin alle oudtestamentische voorspellingen in herin-
nering worden gebracht in den vorm van een gebed met het
refrein: „Daegh Messia! daegh, o Oosten! Oom die droeve
stam vertroosten". Wanneer daarop Uriël verschijnt om Ga-
briël op te roepen voor den troon van God, vervult bUjde
hoop hun hart.
Uriël, die met den englenrei in het tweede bedrijf de terug-
komst van Gabriël afwacht, maakt zich nu in een nieuwen
bedezang tot tolk van de om verlossing en erbarming smeekende
menschheid, totdat Gabriël met Michaël optreedt om uit Gods
naam de blijmare te verkondigen: „Genade houdt het velt,
Gerechtigheyt stemt toe: de Godtheyt sal sigh heden met de
menschheyt laeten paeren I" Nu is het juichenstijd : „Roept
Hosanna I doet met psalmen, blyde schaeren, 't hof weergal-
men!" zoo wekt Michaël den englenrei op, en zelf geeft hij
het voorbeeld met welluidende lofliederen, besloten door het
in koor aangeheven refrein: „God sy lof, prijs, heerlij ckheyt.
Nu en in al eeuwigheyt !" Met een kort overzicht der geschiedenis
van Lucifer's opstand tegen God te geven besluit Michaël dit
bedrijf in schilderende verzen, die, zij het ook van verre, aan
Vondel en wel bepaaldelijk aan diens „Lucifer*' doen denken,
zoodat het wel nauwelijks te betwijfelen is, of de dichter heeft
dat treurspel gekend. In elk geval is het geen geringe lof, dat
wij moeten erkennen, hier en elders in zijn stuk Vondel's
toon te hooren. Het derde bedrijf, eene samenspraak tusschen
Rafaël, Michaël en Uriël, is het minste gedeelte van het ge-
heele dichtwerk : daar wordt de vleesch wording van de God-
heid al te spitsvondig bespiegeld en daalt de dichterlijke ver-
heffing merkbaar.
I»
DB MRN8CH-W0RDINQH VAN HST EEUWIGH W00BT'\ 255
Met het vierde bedrijf worden wij uit den hemel naar Naza-
reth verplaatst, om een gesprek van Maria met Joseph's
broeder Alpheus en diens vrouw Maria Gleophae te hooren,
waarin li^aria vertelt van Gods wonderdadig bestier, dat haar
tot Joseph's bruid heeft gemaakt zonder dat zij daarmee „haer
eer en maegde-bloem" behoefde te offeren. Een beurtzang
van engelen opent het laatste bedrijf: het is een echt dichter-
lijke huwelijkszang, schitterend van aan het Hooglied ont-
leende beelden, eene viering van „d'aenstaende versamelingh
van de Gode- en Mensch-lyckheyt". Nadat het , hymen, hymen,
hymeneyl" heeft uitgeklonken, schuiven de gordijnen achter
op het tooneel open en zien wij Maria in haar slaapvertrek
biddend om de verlossing der menschen, onbewust dat zij
zelve is uitverkoren om den Verlosser ter wereld te brengen.
Dat wordt haar nu door Gabriël met de bekende schriftwoorden
aangekondigd, en met den englenzang : het Eere zij God, Vrede
op aarde, eindigt de handeling, ofschoon daarop nog een
„sluytreden" van Gabriël volgt, waarin nog eens beknopt de
beteekenis der Menschwording uiteen wordt gezet, besloten
met een jubelend danklied: „Segen, Segen overall Boven en
op 't aerdsche dall" en met de jubelkreet: „Ëeuwigh lof,
triomph en eer sy den Alderhoogsten HeerI"
Naar het mij voorkomt, spant dit in waarlijk nieuwen vorm
herboren oud mysteriespel als dichtwerk de kroon van alles
wat de Zuidelijke Nederlanden in de zeventiende eeuw hebben
voortgebracht.
XXXIX.
De rederijkerskamers in Vlaanderen.
Ofschoon de Jezuieten en Augustijnen in de zeventiende
eeuw in België op het tooneel heer en meester waren, weerden
zq daarom nog niet alle anderen van de planken. Zelfs bevor-
derden zij ook den lust om vertooningen te geven bij anderen
en maakten zij ook het optreden van vreemde tooneelspelers
mogelqk door aan deze tijdelijk hun eigen tooneel af te staan.
In de zeventiende eeuw treffen wij dan ook meermalen buiten-
256 TOONEELSPRLBN TR QBNT ; PARMA TBOBNOYKB DR ^BDBRIJKBRS.
landsohe acteurs aan. Zoo traden er b.y. reeds in en omstreeks
1603 te Gent Fransche, Italiaansche en Engelsche tooneelisteo
op en in Juni 1620 „Spaensche commedianten" onder directie
van Baltasar de Yarlios.
Toen in 1664 het schuttersgilde van St. Sebastiaan op den
Kouter te Gent een schouwburg had doen inrichten, waren
het meest Fransche troepen, die daar optraden. Slechts eene
enkele maal werden er Ylaamsche stukken gespeeld, b.y. in
1665, vermoedel^'k door de rederijkers van St. Agneta of de
Mandisten, van wie voor het eerst weder in 1662 eene ver-
tooning vermeld wordt, terwijl »de liefhebbers van den bloeyen-
den Lauw'rier" te Gent in 1686 ,alle kunstminnende geesten
op hun Overwonnen Breda door de Wapenen van Leopold I"
noodden. De oude Gentsche hoofdkamer „De Fonteine" heeft
echter de geheele zeventiende eeuw door geslapen, en eerst bij
het begin van de achttiende , herleefde zy als de fenix uit
zyn asch, ten trots en spyt van al, die meer uit vrees dan
haet betrachtten haren val", zooals het heet in een gedicht,
in 1706 door Jacob Hyb op het herstel der kamer gemaakt
Inderdaad was vrees, dat de kamers zich wat al te onafhan-
kelijk zouden toonen, wel de hoofdoorzaak, waarom men ze
aan zóó gestreng toezicht onderwierp, dat zij zich klein moesten
houden, al werd haar in het begin der zeventiende eeuw ook
weer zooveel vrijheid gegund, dat zij eenige levensteekenen
konden geven, maar tevens ook zoo Weinig vrijheid, dat er
van eenigen bloei nauwelijks meer sprake kon zijn. Toch
was ^ zelfs dat een vooruitgang. Onder Al va immers was het
openbaar optreden van de rederijkers zoo goed als onmoge-
lijk geweest, en ook na zijn vertrek had gedurende de eerste
jaren van den Opstand de ellende van den burgeroorlog de
belangstelling in hunne vertooningen . uitgedoofd.
Toen daarop in 1585 Parma alle Zuidelijke Nederlanden
weer onder de macht van den Spaanschen koning had terug-
gebracht, hadden de onrustige tijdsomstandigheden wel geen
volstrekt beletsel meer voor de herleving der rederijkerskamers
behoeven te zijn, maar een jaar te voren had Parma reeds
een edict uitgevaardigd, waarbij de kamers als gevaarlijk voor
de zuiverheid van de kerkleer waren afgeschaft en hare goe-
deren verbeurd verklaard waren. Na zijn dood was er van
DE KAMERS DOOR DE 8PAANSCHB RBGEERING VERBODEN. 257
verschillende kanten moeite gedaan om voor de kamers de
oude voorrechten te herwinnen en voor haar verlof te ver-
werven om weer geregeld openbare vertooningen te geven,
maar Philips II dacht er anders over en had geantwoord
met een schrijven van 24 Juli 1593 aan den Raad van
Vlaanderen en dien van Brabant, om hun te gelasten, het
opnieuw optreden der rederijkers te beletten. Vandaar in
Augustus van hetzelfde jaar een omzendbrief van den Raad
van Vlaanderen aan de Vlaamsche gemeenten, waarbij bevolen
werd „vergaderinghen ofte exercicien van der rhetoricque niet
meer te ghedogen". Uit dien brief blijkt tevens, dat toen „eenighe,
doende professie van de rhetoricque, stellende carmen ende bala-
den in rij me, francois ofte vlaemsch, groote instantie hadden
gedaen omme anderwaerf up te stellen de cameren, vergade-
ringhen ende exercicien van dezelve Rhetoricque, jeghens de
placcaeten van zijne Majesteit hier up gheëxpedieert, zonder
eenich achterdincken ende zonder tansiene de groote abuusen,
desordren, inconvenienten ende schandalen, die hier voormaels
daerduere zijn gheschiet.".
In 1597 en 1601 was verder het placaat van 1559 tegen
het verspreiden van boeken en geschriften en het geven van
vertooningen opnieuw uitgevaardigd; doch door de Aartsher-
togen waren daarmee niet alle vertooningen volstrekt verboden :
er mochten „spelen ende battementen tot eerlijcke ghenuechte
van den volcke" vertoond worden „op conditie van behoerlicke
visitatie en approbatie*' en „in onverletten tqd ende buyten
den Goddelicken dienst.'' Natuurlijk volgde daaruit niet, dat
de Rederijkers weer mochten optreden: alleen de Jezuieten,
Augustijnen en vreemde tooneelgezelschappen konden, na
approbatie hunner stukken, verlof krijgen ze ten tooneele te
voeren.
Vergeleken bij deze gestrenge maatregelen tegen de Rede-
rijkers was het dus een groote vooruitgang, dat, na het sluiten
van het Bestand in 1609, aan verschillende Rederijkerskamers,
die waren blijven voortbestaan en zelfs hier en daar, zij het
ook misschieir in den vorm van geestelijke broederschappen,
in beperkten kring hadden kunnen blijven voortgaan met het
beoefenen der kunst, weer verlof werd gegeven vergadering
te houden, indien zij dat van de Regeering verzochten, en
II 17
258 DE KAMERS DOOR DE AARTSHERTOGEN HERSTELD.
zelfs in het openbaar te spelen^ indien de stukken slechts
vooraf waren goedgekeurd.
Van dat verlof maakten verscheidene kamers gebruik, en
van dien tijd af breekt er dan ook een nieuw tijdvak van
rederijkerij in de Zuidelijke Nederlanden aan, maar een dat
weinig of niets voor de kunst heeft kunnen opleveren, omdat
de geschiedenis er van eene ware lijdensgeschiedenis is van
wanhopige pogingen door de Rederijkers aangewend om, bij
geringen steun van Regeering en volk en onder streng toe-
zicht of zelfs tegenwerking van de Geestelijkheid en de met
hunne tooneelvertooningen concurreerende Jezuïeten, het hoofd
boven water te houden.
Op stichtelijkheid en zedelijkheid der stukken werd door
de geestelijke censoren bovenal gelet, zelfs dan, wanneer ook
wereldsche spelen werden toegelaten. Vandaar dat men dik-
wijls zijne toevlucht nam tot het weer opnieuw vertoonen van
oude, reeds lang te voren goedgekeurde stukken, of deze iets
moderniseerde en namaakte, waarbij dan nog de zucht kwam
om het schitterend verleden der kamers, waarvan de geschiedenis
gewaagde, zoo mogelijk te doen herleven. Geen wonder dus,
dat de Rederijkers het in de ZuideUjke Nederlanden in de
17<iö eeuw niet verder hebben kunnen brengen dan eene
flauwe schaduw te worden van hetgeen zij daar eene eeuw te
voren waren geweest. Met lederen stap vooruit toch brachten
zij het voortbestaan hunner kamers in gevaar.
In Oost- Vlaanderen was het niet Gent, maar Oudenaarde,
waar de rederijkerij het meest van zich deed hooren. In 1609
traden de beide oude kamers, die van „De H. Geest" en van
„Het Kersouwken", opnieuw met vertooningen en een ebate-
mentspel op, maar in 1620 wordt van de eerste voor het
laatst melding gemaakt, terwijl „Het Kersouwken'*, blijkbaar
boven haar begunstigd, omdat haar de oude zaal boven de
Steenpoort door de Stedelijke Regeering teruggegeven werd
en de Paxvobianen in eene gehuurde kamer moesten ver-
gaderen, nog jaren lang een betrekkelijken bloei genoot.
In 1610, toen het „Kersouwken" een nieuw reglement kreeg,
telde die kamer reeds veertig leden, met den heer van Pamele
als beschermheer. Het volgende jaar benoemde zij bij loting
haar eersten koning en vierde zij haar eerste, jaarlijks op 8
BR KAMERS VAN OUDBNAABDR, ST. NICOLAAS RN WETTBRBN. 259
Januari herhaald, Koningsfeest. In 1613 treffen wij haar op
het landjuweel te Haarlem aan. Jaren lang speelde zij nu
verder gedurende de kermis op den Sacramentsdag, gewoonlijk
op de lakenhal of in de groote zaal van het stadhuis. In 1628
waren het de schepenen der stad zelf, die haar het stuk over-
handigden, dat zij op Sacramentsdag te spelen had, nameUjk
eene korte vertooning van Adam en Eva in het Paradijs,
waarin ook het Serpent en God de Vader optraden. Op een
wedstrijd te Kortrijk in 1645 behaalde zij een tweeden prijs
en het volgende jaar vierde zij de benoeming van een nieuwen
hoogbaljuw der stad en casteleinij van Oudenaarde met een
spel jran St. Barbara, de patrones van het te Oudenaarde
nog bloeiende tapissiersgilde . Door in 1662 op het Brugsche
landjuweel een eersten prijs te behalen verhoogde zij haar
aanzien bij de burgerij harer stad, zoodat zij in de tweede
helft der eeuw, ondanks den oorlog, waarvan Vlaanderen toen
veel te lijden had, zich heeft weten te handhaven.
In het land van Waas hield „De Goudbloem" te St. Nicolaas
van 1611 af gedurende de geheele 17de eeuw weer geregeld
hare vergaderingen en gaf zij vertooningen, zooals sedert 1650
een optocht met een figuurUjken wagen, de „Maegdenberg"
geheeten, waarop negen maagden gezeten waren, die de negen
rederijkerskamers van het land van Waas verpersoonlijkten,
en twee andere, die Pallas en Rhetorica met het blazoen der
kanier voorstelden. Niet alleen hier zien wij vrouwen en
meisjes aan de vertooningen der rederijkers deelnemen, maar
in de 17de eeuw riep men ook elders hare hulp in: zelfs
behoorden in sommige kamers niet alleen gildebroeders, maar
ook gildezusters tot de leden. Enkele van de spelen, die „De
Goudbloem" sedert 1645 vertoonde, kennen wij, maar geen
van alle schijnt door den facteur der kamer zelfgedicht te zijn.
Van het naburige Wetteren weten wij, dat daar in 1661
„een schoon spel van sinne" werd vertoond, en dat de over-
heid daar den rederijkers geldelij ken steun verleenden, zooals
b.v. in 1682, toen „Pieter Blancquaert, Jan Burchgrave en
ander liefhebbers van de retorycko" zich met goed gevolg tot
Burgemeester en Schepenen wendden om eene tegemoetkoming
te ontvangen in de onkosten bij de vertooning van „De comedij
van duc de Bieron".
260 DB KAMBR8 VAN BRUGGE BN TPBRBN.
Van de Westvlaamsche kamers treden de „H. Geest*' en
de „Drie Santinnen" van Brugge op den voorgrond, daar zij
beide in 1613 aan het refereinfeest te Leiden deelnamen^ en
de eerste toen ook aan het landjuweel te Haarlem en in 1620
aan het refereinfeest te Mechelen. De kamer der »Drie San-
tinnen" beriep tegen 6 Mei 1628 een landjuweel. Na het
„Vlaemsche vrede-feeste, ghehouden door die van Brugge ende
't GoUegie 'sLandts van den Vrye" of „de triomphelicke
vieringhe van den langhverwachten pays tusschen beyde de
katholijcke kroonen van Spaignen en Vranckrijck" (1659),
waarvoor Gblbin Sohbpprbs gedichten, liederen en ook eene
vertooning schreef (in 1660 uitgegeven), beriep ook de Brugsche
kamer „De H. Geest" een landjuweel en wel tegen 7 Aug.
1662; doch vermoedelijk hebben de rederijkers zich daar wat
al te groote vrijheid veroorloofd inde oogen der geestelijkheid,
althans in het volgende jaar werden er maatregelen genomen
om de vroegere placaten op de censuur strenger te handhaven.
Te Yperen waren met het Bestand ook de beide kamers,
die van St. Anna of de Rosieren en die van Onze Lieve
Vrouwe van Alsemberge of de Korenbloem, herrezen. De laat-
ste koos in 1618 den toen drieëndertigjarigen bierkruier
Claudb ds Glbrck, die pas een jaar lid der kamer was, maar
zich daar reeds spoedig had onderscheiden, tot haar bezoldig-
den factor en stond hem in 1623 eene wedde van tien pond
grooten toe, op voorwaarde dat hij jaarlijks aan de kamer een
treurspel en een esbatement zou leveren, wat hij ook jaren
achtereen schijnt gedaan te hebben, misschien tot zijn dood
(13 Oct. 1645) toe. Een handschrift zijner dichtwerken, in 1 620
door de kamer begonnen, is slechts voor een klein deel be-
waard gebleven en bevat de onuitgegeven tooneelstukken
„Belgica en Spinola", „'t Guesengejanck" en „Sedechias".
Ofschoon hij niet alleen „veel gebladert had in Cats suyver
bladt", maar ook „in Vondels wercken", bracht hij het niet
verder dan tot vloeiend rijmer in beschaafde taal. Hij zal het
ook wel geweest zijn, die de spelen leverde, waarmee jaarUjks
tot 1643 (en ook later weer sedert 1656) de bekende „tuindag"
te Yperen gevierd werd.
Het eene jaar speelde dan „De Korenbloem", het andere
de kamer der Rosieren een spel; eene enkele maal traden
DE KAMBBS VAN YPBREN, VEURNB, ENZ. 261
beide kamers op. Factor van de Rosieren was sedert 1620 de
boekdrukker Jan Bellet, die o. a. op 17 Oct. 1622 ter eere
van Gislenus Baelde, den eersten prins der kamer sedert hare
herinrichting, eene klucht deed vertoonen op de vraag: „wat
pyn moet eenen minnaer draegen, eer hy zyn liefste kan be-
haegen?" Zijn opvolger als factor der Rosieren was N. Ver-
poort, dichter van vele „nieuwe tuindagspelen*', minstens tot
1680 toe. De oude beroemde kamer „Alpha en Omega" werd
eerst weer in 1660 opnieuw ingericht.
De beide Veumsche kamers, „De Sorgeloosen'' en die van
St. Barbara, waren al in 1530 tot ééne kamer vereenigd met
de verbonden spreuken „Aerm in de beurse en van sinnen
jonc*', en ook deze herrees in 1609, toen haar plechtig eene
nieuwe banier werd overhandigd, doch eerst in 1613 kreeg zij
verlof „in 't openbaer als andersints op huerlieder gewoonlicke
feestdaghen te spelen". Het schijnt haar goed gegaan te zijn,
want in 1621 kon zij met steun van de Stedelijke Regeering
in de Duinkerkstraat een eigen gildehuis laten bouwen, bekend
onder den naam van „Parnassusberg", dat zij echter in 1653
weer moest verkoopen om het van den nieuwen eigenaar te
huren. Zij had, behalve een bode of knaap, voor wien in 1627
eene bijzondere instructie werd opgemaakt, ook nog een be-
zoldigden kapelaan of proost, sot en alferis of vaandrager, en
vierde als van ouds weer vijf feestdagen, namelijk St.-Bar-
beldach (4 December), Derthiendach, wanneer men „coninck
trock", den derden Meydach, wanneer de H.-Kruisommegang
plaats had, de Coninckfeeste (in Juni) en den H.-Sacrament-
dach. Van 1624 tot 1639 treflFen wij er Jan Heyndricx aan
als facteur en vervaardiger o.a. van een spel van zinnen „Den
rycken Baron" (vertoond 21 April 1627) en „een zinnespel op
den treves ofte pays" van 1631. Zijn opvolger als facteur of
„componist" was (van 1640 tot 1653) Claude Ogier, die een
jaargeld van 40 pond genoot. In 1665 leverde haar latere prins
NoRBERT Cardinael, schepcn der stad en castelnij van Veume,
haar nog een spel van „Den heylyghen Ludowycus", maar
toen schijnt er toch reeds voor haar een tijdvak van verval
te hebben geheerscht, waarvan zij zich eerst op het eind van
de 17<io eeuw wat herstelde.
De kamer „De H. Geest" te Dixmuide nam in 1613 aan
262 D£ KAMERS VAN KORTRIJK, WBRVIK STRAZBLB, DUINKBEIKB.
het landjuweel te Haarlem deel, maar liet daarna niets meer
van zich hooren. Te Kortrijk vinden wij in 1616 zoowel de
Fonteinisten als de Kruisbroeders weer aan den arbeid. De
eersten vertoonden in 1634 een treurspel „Mariamne" van den
geneesheer Jan de Valckqravb, terwijl de Kruisbroeders zich
schaarden onder hun prins, den smid Joos Mattelaer, op
wien zij tot zijn dood (28 Aug. 1687) prat waren, daar hij in
zijne refereinen en balladen, waarvan er nog zestien in hand-
schrift bewaard zijn, „niemant beschaemt, niemand ontsticht
heeft", zooals zijn grafschrift getuigt, terwijl hij in 1645 te
Kortrijk een wedstrijd liet houden en zelf in 1652 den eersten
prijs behaalde op het refereinfeest, dat toen was uitgeschreven
in het tegenwoordig geheel verfranschte Comene.
Het naburige Wervik zag ook in 1609 hare kamer van St.
Michiel of de Droogaers hersteld, nadat hare leden, zooals ook
elders gebeurde, plechtig hadden moeten zweren, „nyet te
maeken eeneghe spoelen, refereynen, liedekens oft yedt dat
Retorica aengaet, dat eenichsins zoude moghen smaken naer
eeneghe herisie". Zoo ijverig weerde zij zich, dat zij tusschen
1638 en 1641 eene verzameling van 65 tooneelstukken bijeen-
bracht, die nu wel verloren is, maar waarvan de catalogus
nog bewaard is, ten bewijze van de liefde, die er toen nog
heerschte voor de Vlaamsche dichtkunst in een klein plaatsje
op de grens van het Nederlandsch taalgebied. Hetzelfde blijkt
uit de „confirmatie" door de Ypersche hoofdkamer in 1663
van „de gilde van Rethorycque binnen de prochie van Strazele
in Casselambacht (dus in tegenwoordig Fransch- Vlaanderen),
voerende als haeren schilt ofte blasoen 't beelt van Onse
Vrauwe van Halsenberge, metten titele van Cleendaedigh
Bescheet". Te Duinkerke was van de vijf rederijkerskamers,
die er eertijds bestaan hadden, die van St. Michiel of „Het
Kersouwken" herleefd onder begunstiging der Stedelijke Regee-
ring, die in 1621 haar eene aanzienlijke toelage schonk om
hare lokaalhuur te betalen.
Te Roesselare werd o.a. van 1661 tot 1663 gespeeld door
de kamer van St. Barbara of „De zeegbare herten". Te
Thielt eindelijk werden van 1610 af, toen de oude kamer
„De wilde roos" weer herleefde, telkens vertooningen gegeven,
meestal „ter eeren van den hoochweerdighen Sacramente iu
DB KAlkfBB VAN THIELT 263
den ommeghanck" en van St. Jan Baptist, den patroon der
kamer, terwijl er ook het rhetoricaal verkeer met andere
kamers, zooals bv. van Kortrijk en Roesselare, werd onder-
houden. Nadat de kamer in 1662 met de geestelijkheid geschil
had gehad over de censuur, weigerde zij te spelen, maar al
spoedig legde zij het hoofd in den schoot, want twee jaar later
wendde zij zich tot de Landsregeering met verzoek „dat zy
sullen moghen exerceren hun spel van Rethorijck ende spelen
hunne oude spelen ende verthooninghe van Rhetorijcke, ge-
Hjck sy van te vooren gedaen hebben". Het werd den sup-
plianten op advies van Burgemeester en Schepenen goedgun-
stiglijk „geoctroyeerdt ende gheaccordeerdt", maar daarbij werd
niet nagelaten hun nog eens opzettelijk op het hart te druk-
ken, dat zij niets mochten vertoonen zonder vooraf »copije van
henlieden verthoogh aen den Pastor ofte Deken der stede van
Thielt mitsgaders aen Bailliu, Burgemeester ende Schepenen''
overgeleverd te hebben om gevisiteerd te worden.
Aan die voorwaarde werd overal streng de hand gehouden,
en daaruit is het ongetwijfeld grootendeels te verklaren, dat
bij zooveel goeden wil om dichtkunst en vooral tooneelkunst
te beoefenen, als wij in bijna alle gedeelten van Vlaanderen
konden opmerken, toch zoo bitter weinig goede poëzie is ge-
schreven en zoo weinig is vertoond, wat ook maar eenigszins
kon wedijveren met hetgeen de Vereenigde Gewesten in den-
zelfden tijd hebben opgeleverd.
Overigens mag niet vergeten worden, dat in het Noorden
door den bloei van handel en nijverheid in dien tijd groote
welvaart heerschte, terwijl in het Zuiden zelfs kleine onkosten
voor rederijkersvertooningen ter nauwernood konden bestreden
worden, omdat daar overal handel en nijverheid kwijnden en
de oorlog gedurende de geheele ITd® eeuw, met slechts korte
tusschenpoozen van vrede, de Zuidelijke Nederlanden, en wel
in het bijzonder Vlaanderen, tot één groot slagveld maakte,
waar geheele streken, dorpen en kleine steden soms tijdelijk
ontvolkt en in handen van den plunderenden vijand waren.
Neemt men ook dat in aanmerking, dan is het nog te ver-
wonderen, dat de rederijkers in dien tijd zooveel ijver bleven
betoonen en telkens weer beproefden, nieuw leven in hunne
kamers te wekken.
264 DB KAMEB8 TB BRUSSBL.
XL.
De rederijkerskamers in Brabant.
Met de Brabantsche rederijkerskamers was het eenigszins
anders gesteld, dan met de Vlaamsehe, omdat in Brabant
armoede en verval minder groot waren en de groote steden,
als Brussel en Antwerpen, wat meer toegankelijk bleven voor
den invloed van buitenlandsche beschaving. Daar konden
middeleen wsche toestanden niet zoo ongeschonden blijven
heerschen als in Vlaanderen en moest zelfs de geestelijkheid
hu en dan wat water in haar wijn doen. Zij deed dat echter
altijd hoogst ongaarne en schoorvoetend, en vandaar dat,
alles samengenomen, ook in Brabant de litteratuur niet zoo-
veel hooger stond, dan in Vlaanderen , en de invloed van het
Fmnsch-Spaansche hof zich daar zelfs nog wat krachtiger deed
gevoelen, en er toe meewerkte, om de pogingen, die ook daar,
vooral onder de rederijkers, in het werk werden gesteld ter be-
vordering eener nationale letterkunde, schipbreuk te doen lijden.
Zien wij eens, hoe het in de hofstad Brussel gesteld was.
Daar waren de drie van ouds bekende kamers in en om-
streeks 1620 weer ijverig aan 't werk, vooral het „Marien-
cransken", dat onder leiding stond van den advocaat Willem
VAN DER BoRCHi die „tot behoef van d'arme vondelkinderen"
te Brussel stichtte, wat hij hoopte dat een „eeuwigh schou-
burgh" zou zijn, maar wat door tegenwerking slechts kort
mocht bestaan. Hij deelde dat mee in de voorrede van zijn
treurspel Rosimunda, in 1650 „ghespeelt tot een afscheydt van
de Lief-hebbers der Rijmerkonste binnen Brussel op het stadt-
huys", nadat de antwoorden gelezen en bekroond waren, die
door verschillende kamers waren gegeven op de door het
„Mariencransken" uitgeschreven vraag: „Wat of beter is, Peys
of Oorlog?" Of zijn in 1651 te Brussel gedrukt treurspel
„Rosimunda" eene vertaling is van het gelijknamige Latijnsche
treurspel van Van Zbvecote, weet ik niet: wèl is het bekend,
dat dit stuk vertaald werd door Guilliam Caudron, die, althans
in 1671, toen hij het „Leven der groote Catharina van Alexan-
driën" bezong, factor was van de kamer der Catharinisten te
Aalst.
DB KAMBBS TB BBUSSBL. 265
Brusselsch rederijker was ook Fbans Godin, een ijverig
voorstander van het Nedeilandsch als landstaal, in wiens dicht-
werk men voor het eerst het later zoo veel gebruikte woord
„franskiljon" aantreft om den verfranschten Brabander aan te
duiden. Hij schreef, behalve een paar uitvoerige stichtelijke
dichtwerken, twee allegorische tooneelstukken als uiting zijner
vreugde over het mislukken der pogingen van Lodewijk XIV
om den Beierschen keurvorst Ferdinand tot keizer van
Duitschland te doen benoemen in plaats van Leopold I, die
na den dood zijns vaders in 1657 daarop de meeste aanspra-
ken had. In het eene stuk, „De Krooningh des Keysers", liet
de dichter aan „een bancket, toe-ghericht door den Godt
Apollo", dichters van verschillende natiën, een Franschman,
een Engelschman, een Zweed, een Beier, een Spanjaard en
een Hongaar, optreden om hunne meening over de keizers-
keus te zeggen.
De inhoud van het tweede spel is volledig vervat in den
langen titel: „Nieuw Treur-spel ende vertoogh, hoe dat Luci-
fers ghesanten door verscheyde middelen van practijck ende
kracht de Verkiesinghe des nieuwen Keysers hebben willen
beletten, in 't faveur van hun creaturen, doch te vergheefs.
Met een tusschen-klachte van de teghenwoordighe lijdende
Kercke over den onchristelijcken bloedighen Oorloghe der
Fransoysen, die de ongheloovighe verkeerde Engelen in *t gant-
sche Christendom soecken te planten. Dienende tot een af-
keeringhe des Gheloofs van Jooden, Turcken, Heydenen ende
van alle de nieuwe bijghelooven". Terloops zij hier even opge-
merkt, dat ook VoNDBL, wiens treurspel „Lucifer'^ door Godin
blijkbaar gekend is, en die een vreugdezang aanhief „Op het
kroonen van Leopoldus", evenals Godin van die keizerskeus
den voor de Zuidelijke Nederlanden zoo hartelijk gewenschten
vrede tusschen Spanje en Frankrijk (in 1659 ook werkelijk
gesloten), en bovendien een krachtiger optreden tegen de het
Christenrijk bedreigende Turken verwachtte.
Op de puinhoopen van de oude Brusselsche kamer „Het
Boeck" werd in 1657 eene nieuwe kamer, „De Wijngaerd", ge-
sticht, die in 1857 haar tweede eeuwfeest mocht vieren.
Meer dan de Brusselsche kamers trok de Mechelsche kamer
„De Peoene" de aandacht. Op het eind van de IQ^e eeuw was zij
266 KAMER EN REFEREINFEEST TE MECHELEN.
deerlijk in verval geraakt; in 1591 had zij een eigen huis,
dat zij aan de Groote Markt bezat, moeten verkoopen, zooals
de kamer van Neckerspoel te Mechelen, „Het boonbloemken",
reeds in 1586 had moeten doen; maar terwijl deze zich niet
weer herstelde, kwam „De Peoene" weer voor korten tijd tot
betrekkelijken bloei.
Na in 1612 van een paar Antwerpsche gildebroeders een
nieuw blazoen ontvangen te hebben, wist zij, evenals vóór
haar „Het Kersouwken" te Leuven (dat o. a. in 1627 op de
kermis vertooningen gaf) en de Brusselsche en Antwerpsche
kamers, in 1617, onder haar overhoofdman Ridder Joost van
der Hoeve, oudburgemeester van Mechelen, verlof te krijgen
„d'ériger de nouveau la dite confrérie et de faire les exercices
que de toute ancienneté et devant ces troubles Ton est
accoutumé de faire", wel te verstaan natuurlijk op voorwaarde,
dat zij niets zou uitgeven of vertoonen, wat niet vooraf door
den censor was goedgekeurd.
In 1620 bekrachtigden Schepenen en Raad van Mechelen
hare „ordonnantie", en nog in hetzelfde jaar beriep zij een
refereinfeest, het eenige in de Zuidelijke Nederlanden, dat in de
17de eeuw de aandacht trok, ook in het Noorden, want van
daaruit namen niet minder dan zes kamers aan den wedstrijd
deel: vooreerst de Brabantsche kamer „De Oraengie-lely" van
Leiden en de Brabantsche kamer „De witte Angieren" van
Haarlem, maar van diezelfde plaats ook „De Wyngaert-
rancken", van Gouda „De Goudsbloem", van Goes „De Nar-
dusbloem" en van Haastrecht „De Balsembloem". Uit het
toen nog grootendeels Spaansche Noord-Brabant verschenen
verder twee kainers uit 's Hertogenbosch, „De Jonge Vreuchden-
bloem" van Bergen-op-Zoom en „De Vlasbloem" van Hel-
mont. Drie kamers kwamen op uit Brussel en drie uit Ant-
werpen en verder waren ook Halle, Assche, Vilvorden, Aar-
schot, Diest, Lier, Geel, Mol, Arensdonck, Turnhout en uit
Vlaanderen Brugge ieder met eene kamer vertegenwoordigd.
Behalve andere prijzen werden er ook uitgeloofd voor het
beste blazoendicht, het referein, „den cloecsten reghel" en „'t
beste liedeken". Voor ouden of nieuwen dichttrant toonde
men geene voorkeur: ieder mocht naar believen „oude moeders-
tael en Fransche maet" volgen of „naer d'oude stijlen doen",
KAMER BN RBFBRBINFBBST TB MBCHKLBN. 267
zeide de facteur Hbndrice Fayd'herbe in zijne kaart. Deze
maakte ook een „Esbatement van vier personagiën'' om er
het feest mee te besluiten, terwijl „De Peoene** bovendien nog
een ander spel speelde, namelijk het treurspel „Porphyre en
Cyprine'', door den deken der kamer, Jan Thibullibr, gemaakt.
Het Mechelsche refereinfeest is het eenige in de Zuidelijke
Nederlanden, waarvan de vruchten ook in druk verschenen,
en wel onder den titel „De Schadt-kiste der philoiophen en-
de poëten", een vrij kostbaar werk met afbeeldingen van
blazoenen, dat natuurlijk vooraf door den censor nauwkeurig
was nagezien, met dit gevolg, dat deze geraden vond bij som-
mige gedichten „de auteuren (in margine geciteert) uut den
druck te laeten ende oock eenighe woorden in de binnewerc-
ken te veranderen, sonder de regelen van silaben te vercor-
ten ofte verlenghen". Vooral hinderde het hem, dat zoo „veele
in henne wercken de Philosophen boven de Christene leeraers
verkosen", terwijl toch die heidensche schrijvers, zooals de
Peoenisten het den censor wel moesten nazeggen, alleen mochten
worden aangehaald in zooverre zij niet „contrarie syn ons waer-
achtigh Catholyck ende Rooms geloove", daar „de reste van
henne dolinghen onprofijtelyck" en dus van geener waarde moest
geacht worden. Men ziet, de censor van het Mechelsche aarts-
bisdom staat met zijne schapen tegenover de classieke wereld
zelfs nog in de IT^e eeuw op het zuiver middeleeuwsch stand-
punt, alsof er nooit eene Renaissance geweest was.
Onder het herderUjk toezicht van den aartsbisschop zette de
Mechelsche Peoene nog vele jaren hare rhetoricale werkzaam-
heid voort, al valt er ook weinig van te vermelden. Na Fayd'
HERBE, sedert 1634, treffen wij er Pebter Willemans als
facteur aan, die 11 Sept. 1675 overleed en misschien de dich-
ter was van een „Spel van Sofonisba", dat in 1635 bij gelegen-
heid van de kermis vertoond werd. In elk geval mocht de
kamer zich onder zijn bestuur in de gunst der Regeering ver-
heugen, want terwijl zij eerst in het Moriaenshoofd eene ver-
gaderzaal had moeten huren, die bij een bezoek van rederijkers
uit Diest in 1637 veel te klein bleek, werd haar in 1639 door
de Stedelijke Regeering vergund, eene „camer op het oud
Palleys (of Schepenhuis) te gebruycken metten soldere ende
andere plaetsen, sonder daervore aen de stadt eenighe huer
268 „DB olyftack" tb antwbrpbn.
te moeten betaelen"; en feestelijk werd toen ook de groote
benedenzaal van dat gebouw als nieuwe kamer met eene too-
neelvoorstelling ingewijd.
Ook te Antwerpen waren sedert het Bestand de rederijkers-
kamers weer hersteld, en wel ten getale van vier. „'tLelyken
van Calvarien'' gaf in 1610 teeken van nieuw leven door het
uitschrijven van eene prijsvraag, en „De Olyftack" in 1613
door mede op te trekken naar de wedstrijden te Amsterdam
en te Haarlem en door in 1616 aan //Den groeyenden boom" te
Lier de kaart van een maandelij ksch refereinfeest toe te zenden.
De schilder Guiliam van Nieuwelandt, die in 1615ouder-
man van de kamer was geworden, deed door haar in 1617
zijne treurspelen „Livia'* en „SauP' vertoonen, en in 1618
zijne tragedie „Claudius Domitius Nero". Voor die laatste ver-
tooning verzocht de Olyftack aan de Stedelijke Regeering,
weder gebruik te mogen maken van de „groote camer ofte
statencamer op den stadtshuyse gelyck sy tanderen tyde die
hebben gebruyckt", en zij verzocht er bij, dat daar „tot deser
stadts coste een tooneel ofte stellagie" gemaakt en met tapijten,
enz. behangen zou worden.
In 1618 stelde zij ook een nieuw reglement op, en in 1620
nam zij onder haar factor, den kleerenmaker Joan Yzermans,
aan het refereinfeest te Mechelen deel, waar ook Guiliam
VAN Nieuwelandt en Joannes van den Bosch als hare leden
hunne gedichten ten beste gaven; maar reeds in 1624 had
zij te klagen dat zij door andere gilden werd tegengewerkt,
„zoodaniglijck dat er vele eenen grouwel van Rhetorica
krijgen ende de kamer verlaten sonder hunne doodschuld te
betalen.'* Mogelijk hangt daarmee samen, dat Yzermans, die
vooral de kamer van verschillende spelen voorzien had en
reeds in 1618 door haar daarvoor met eene gouden medaille
met ketting vereerd was, er ook, nog vóór 1628, een spel
„Brabantia over den desolaten staet van Antwerpen" deed
vertoonen. Op Pinksteren van het jaar 1629 daarentegen had
hij weder lust „Den Lof van Poësis" op het tooneel der kamer
speelwijs uit te beelden, en in 1631 liet hij er ifReinaert de
Vos of der Dieren oordeel" speelwijs vertoonen;
In hetzelfde jaar werd door de „brave Retrosijns" van Ant-
werpen een batement gespeeld tot beschimping van Frederik
„DE OLYPTACK" tb ANTWERPEN. 269
Hendrik, die in de lente van 1631 een aanval op Duinkerke
had beraamd, maar, toen de Spaansolie veldheer, de markies
De Santa Croce, op zijne hoede bleek te zijn, zijne troepen
weer had doen terugtrekken. Nu werd „f Antwerpen op 't
tonneel 's Prinsen beelt gedragen, gelijk een dode man verwon-
nen of verslagen"; een dokter kwam op om het lijk te ont-
leden: overal werd naar het hart gezocht, maar te vergeefs:
't was nergens te vinden, totdat men eindelijk ook het onderste
gedeelte van het lichaam onderzocht, en zoo waar, daar werd
het hart „recht achter in de hier* gevonden : het was den Prins
in de schoenen gezakt
Evenmin als andere schimpdichten op den Prins bleef
ook dit spel in de Noordelijke Nederlanden onopgemerkt,
en toen kort daarop de vloot van Graaf Jan van Nassau
op het Slaak eene schandelijke nederlaag had geleden,
moesten de Antwerpenaars met hun „Jan de Mossel-vanger",
zooals Graaf Jan spottend genoemd werd, op hunne beurt
den spot verdragen, hun tegenklinkend uit het „Verkeer-
speP', een vermakelijk gedicht van den reeds door ons
besproken Deventer dichter Jan van der Veen, die daarin
het Brabantsch vol bastaardwoorden aardig wist te paro-
diëeren. De Antwerpenaars deden er echter het zwijgen niet
toe: Geerabrdt van den Brande, Fran^ois Bruynincx,
Verstocken en nog iwee anderen, die verscholen zijn achter
de spreuken „Ik leef door de Doot" en „E vero salus",
kaatsten telkens weer, tot in 1632 toe, den bal terug, en zoo
ontstond er een waar „Kaats-speP', zooals Van der Veen
het noemde, en een „Weder-botten", zooals het heet op den
titel van een dichtbundeltje zijner vijf Antwerpsche tegen-
standers. Als welgeslaagde proeve eener rijmschermutseling
der Zuid- en Noordzij van Leeuwendaal verdienen deze, ook
achter Van der Vbbn's „Zinne-beelden oft Adams appel" af-
gedrukte, schimpdichtjes hier in herinnering gebracht te worden.
In 1639 stelden de dichters Joan Jansens (waarschijnlijk
dezelfde als Joan Yzermans), die, zooals het heet, ook op hoo-
gen leeftijd „in de conste niet en verkoude, maer noch het
hooft daervan was", en Van den Bosch, de prins der kamer,
door hun invloed den jongen Güilliam Ogibr, die pas lid
van de kamer was, in de gelegenheid, daar zijn eerste too-
270 „DE OLYPTACK" en „de VIOLIERE" tb ANTWERPEN.
neelstuk, „De Gulsigheydt", te doen vertoonen, dat aanvanke-
lijk door de leden verworpen was, omdat het in knippel verzen
geschreven was en dus „gheene maet hadde naer den retho-
rycken RegheF'.
In 1641 werden er van Geeraebdt van den Brande, den
levensbeschrijver van Joannes van den Bosch, enkele stuk-
ken vertoond, maar in 1643 werd haar „het jaerlycx pen-
sioen" door de stad niet meer uitbetaald, en een jaar later
wordt gezegd, „hoe dat niettegenstaende alle debvoiren, die
geschiedt zijn tot restauratie derselve camer, deselve geheel
ende al vergaen soude, soo er geene andere middelen ge-
bruyckt en worden tot desselfs onderhoudinghe." Die andere
middelen schijnen hierin bestaan te hebben, dat zij in 1660
met „De Violiere" vereenigd werd, ofschoon zij blijkbaar ook
daarna onder haar eigen naam en als zelfstandige tooneelaf-
deeling van „De Violiere*' of het St. Lucasgild verschillende
vertooningen heeft gegeven.
„De Violiere" zelf beleefde trouwens ook maar een korten
tijd van opbloei. In het begin der 17de eeuw was de bekende
schilder Sebastiaen Vrancx, die in 1612 als deken van het
St. Lucasgild voorkomt, haar factor en blijkbaar een zeer
ijverig factor, daar er verscheidene tragicomedies, pastorales
en comedies of kluchten in handschrift van hem bewaard
zijn. Had men in zijn geest kunnen voortwerken, dan zou
Antwerpen misschien op den duur met Amsterdam in de
poëzie hebben kunnen wedijveren; nu dat niet gebeurde,
moest Antwerpen in de kunst zich al evenzeer door Amster-
dam laten overvleugelen, als in den handel. Toch deden de
Violieren aanvankelijk hun best, ook door in 1613 naar Am-
sterdam op te trekken en daar aan den wedstrijd van* 't Wit
Lavendel deel te nemen. In 1619 had de kamer; ook bUjkens
de ordonnantie van dat jaar, het zoover gebracht, dat al
hare oude privilegiën opnieuw bevestigd werden, waarvan
zij nog in hetzelfde jaar gebruik maakte om een refereinfeest
te beroepen.
Het volgende jaar behaalde zij op het refereinfeest te
Mechelen verscheidene prijzen. Dichters onder hare leden
waren toen Ghelbynsen van Schelle, de schilder Alexander
VAN Fornenberch, die zich deed kennen als een groot be-
»
DB VIOLIERk" tb ANTWERPEN. 271
wonderaar van Quinten Matsijs, den „Antwerpschen Protheus
of Gyclopschen Apelles", zooals hij hem noemde, en die ook
in verzen het 200-jarig jubilé der Antwerpsche aalmoezeniers
in 1658 bezong, en, als derde, de Gentenaar Johannbs
GoossBNS, die een dichtwerk, „Triumphe van den H. Joseph,
bruideghom van Maria, voesterheer van Jesus*', ter eere
van de broederschap van St. Jozef, verbonden aan de St.-
Kerstkerk te Antwerpen, uitgaf. Iets later leverde Guiliam
VAN NiEUWBLANDT a£^n „De Violiere" zijne stukken, o.a. in
1628 zijne tragedie „Salomon" en reeds vroeger, in 1624,
zijne „Aegyptica ofte Aegyptische tragoedie van M. Anthonius
en Cleopatra", die ook in 1635 ter eere van den Hertog van
Croy door de Violieren werd vertoond.
In hetzelfde jaar werd te Antwerpen met buitengewone
praal, waaraan bij de tachtig duizend gulden te koste gelegd
was, de bUjde inkomst van den Prins-Cardinaal Ferdinand van
Oostenrijk als Spaansch landvoogd gevierd. Aan niemand
minder dan Rubens was het opgedragen, de stad te versieren
met eerepoorten, beeldengalerijen en tafereelen, en ook met
vier theaters, waarop toen werd gespeeld, het een al prachti-
ger en kunstvoller dan het andere. De Violieren* gaven toen
's morgens op een der door Rubens ontworpen speelhuizen
eene vertooning op de Groote Markt, en voerden 's avonds in
de abdij van St. Michiel ten aanschouwen van den nieuwen
landvoogd en zijn geheele hof de „Tragedie van Pei-seus en
Andromeda" ten tooneele, die misschien eene vertaling was
van Galderon's „Fortunas de Andromeda y Perseo". Van de
kunstwerken, door twintig schilders en zes beeldhouwers
onder Rubens' leiding naar zijne ontwerpen voor deze ge-
legenheid gemaakt, is ons slechts een klein gedeelte bewaard
gebleven, maar van de grootschheid er van kunnen wij toch
een algemeenen indruk krijgen door de veertig kopergravu-
res van Rubens' leerling Theodóor van Thulden in 1641 — 42
met uitvoerigen tekst van Gevaerts in het licht gezonden.
Destijds (nameUjk van 1635 tot 1638) schreef ook Jonkheer
Frederico Cornelio de Conincq voor de kamer verscheidene
stukken. In 1636 bracht zij op haar jaarlijkschen feestdag (18
üctober) de „Timon Misanthropos", door den priester en schilder
Pebtbb Mbulewels vertaald, ten tooneele, en in 1645 van
272 „DR VIOLIERE" te ANTWERPEN.
denzelfden bet vaderlandsch tooneelstuk „De Reuze Dragon
ende Brabon ofte Oudtbeyt van Antwerpen". In dien tijd was
het voor de kamer eene groote aanwinst, dat de gevierde
blijspeldicbter Guiliam Ogier de „Olyftack" in den steek liet
en van 1644 tot 1647 voor „de Violiere*' vier nieuwe spelen
maakte, waarop, na lang stilzwijgen, van bem tusscben 1677
en 1680 nog drie andere volgden, op den jaarlijkscben feest-
dag der kamer gespeeld.
Tocb werd reeds in 1643 beweerd, dat „De Violiere" ofbet
schildersgilde eigenlijk geene echte rederijkerskamer meer was,
maar „mits de menigte van ambagten ende natiën, die daer
onder scbuylden, meer voor een ambacbt was te reputeren als
voor eene camer van rhetorica". Vandaar misschien dat in
1660 „De Olyftack" met haar vereenigd werd, om in baarde
dichtkunst te vertegenwoordigen, terwijl zij zelve zich door
Koning Philips IV tot eene schildersacademie als die van Rome
en Parijs wist te doen verheffen. Dat gebeurde 6 Juli 1663
vooral door toedoen van haar deken, den invloedrijken hof-
schilder David Teniers. Ook verliet zij toen hare vroegere
vergaderplf^ftts op de Groote Markt, na van de Stedelijke
Regeering verlof te hebben verkregen om boven de Beurs te
vergaderen, waar spoedig de groote Schilderskamer, zooals
hare vergaderzaal genoemd werd, met zolderschilderingen van
Jacob Jordaens en Theodoor Boeyermans werd versierd ter
eere van „Ars Picturae" en van „ Antverpia pictorum nutrix'^
(nu in het Antwerpsch museum\ terwijl Artus Quellinus er
een borstbeeld van den toenmaligen landvoogd, den markies
De Caracena, aan schonk.
Het verlof om boven de Beurs te vergaderen kon haar te
eer verleend worden, omdat reeds in 1637 geklaagd was, dat
„de koophandel niet ging ende den pant boven de borse
ledig stond", en sinds dien tijd was het er met den handel
niet beter op geworden. De stad Antwerpen, die in 1568 meer
dan honderdduizend inwoners had, telde er in 1648 nog maar
vijfenzeventig duizend, en niet alleen omdat in 1585 zoovele
Protestanten uit hare muren getrokken waren, maar ook
omdat er nog zoovelen voortdurend dat voorbeeld bleven
volgen. In 1616 toch verklaarde de bisschop van Antwer-
pen, dat in den laatsten tijd ongeveer tweehonderd ge-
DE VIOLIKRE" en ,DE GOUDBLOEM'* te ANTWERPEN. 273
„M^MM « XN^UA«.UB> MM^^ J,
zinnen Antwerpen metterwoon hadden verlaten, waartoe
weliswaar ook ketters behoorden, maar die toch voor het
meerendeel goede katholieken waren, alleen uit winstbe-
jag naar de Vereenigde Gewesten verhuisd, omdat in het
Zuiden niets meer te verdienen viel. Een tijd lang was de
schilderkunst nog het eenige, wat in Antwerpen bloeide, en
de nu tot Academie verheven „ Violiere'* hield haar voornamelijk
in eere, ofschoon niet ontveinsd kan worden, dat de meeste
harer leden voor en na groote liefhebbers van kannen en
schotels waren en hare jaarboeken, en vooral hare kasboeken,
allermeest van vi'oolijke en overdadige braspartijen gewagen.
Hoe slecht het met Antwerpens welvaart destijds ook ge-
schapen mocht staan, d&drvoor schijnt altijd nog wel geld
beschikbaar geweest te zijn.
Toch werden er ook nog wel vertooningen gegeven, bepaal-
deUjk op 18 October, zooals in 1677 eene allegorie „Ontwaeckte
Poësie" en in 1678 een blijspel „Osmin en Darasia'' van den
toenmaligen deken Jozef Lamoblet, die niet lang daarna
overleden schijnt te zijn, zoodat in 1680 en 1682 de gebroe-
ders Balthasab en Cornelis Wils, boekbinders van beroep,
zijne plaats als tooneel dichters innamen.
Reeds veel vroeger had een vermoedelijk bloedverwant van
hen, Adriaen Wils, zich te Antwerpen naam gemaakt als
dichter. Hij was factor der kamer „De Goudbloem^' en schijnt
de acht tafelspeelkens en battementspelen, die er in handschrift
van hem bestaan, op omstreeks dertigjarigen leeftijd in 1599
en 1600 geschreven te hebben, toen de kamer dus op non-
actief gesteld was. Verder hebben wij ook nog vrij wat andere
gedichten van hem over, o.a. eenige amoureuse liedekens en
een groot aantal, meest stichtelijke, refereinen. Toen „De
Goudbloem" in 1620 op het Mechelsche refereinfeest verschei-
dene prijzen won, was hij blijkbaar haar factor niet meer,
want hij verscheen daar als „particulier van Antwerpen" met
een referein en een liedeken.
Van 1680 dagteekent een nieuw reglement der kamer, die
toen, en verscheidene jaren later, gewoon was, „na den feest-
dag van .0. L. V. Geboorte in September eene vertooning te
geven". Aan de reeds vermelde schitterende feestvertooningen
van 1635 nam zij ook een werkzaam aandeel, wat haar wel
II 18
274 „DB QOüDBLOEM" te ANTWERPEN.
op 500 gulden te staan kwam. In 1636 was een der Antwerp-
sche burgemeesters hoofdman der kamer, blijkens de opdracht
van het langdradige en bombastische „Treurspel der deughde-
lijcke Carite en onger egelden Trasillus" door den dichter Jan
Strijpen den Jongen.
Toch schijnt zij bij de Stedelijke Regeering niet in de gunst
te hebben gestaan. Immers toen zij in 1643 beweerde te Ant-
werpen de eenige kamer te wezen, „waerdeaenghenameconste
van rhetorica ende poësie onderhouden en geëxcerceert werd,
houdende te dien eynde eenen seer experten facteur ofte poëte,
met gagie van 40 gulden sjaers", op welken grond zij van de
Stedelijke Regeering vrijdom van accijnsen voor eene zekere
hoeveelheid bier en wijn en eene verhooging van pensioen tot
36 gulden 's jaars vroeg, v^erkreeg zij niet meer dan dien vrij-
dom en 24 gulden toelage gedurende acht jaar.
Gekbabrdt van den Brandb, die vroeger lid van „De
Olyftack" geweest was, was toen haar facteur. In 1649 werd
van hem „La Gitanilla, ghenaemt het' Spaens heidinneken"
vertoond, waarin de aantrekkelijke stof van Cervantes' bekende
novelle gedramatiseerd was, maar niet lang daarna (althans
vóór 1653) moet hij overleden zijn. In 1654 voegde de kamer
nog een tweede deel bij het reeds vroeger door haar uitgegeven
nieuw Antwerpsch liedboekje, genaamd „Den Lusthof der
Jonckheydt'*. Onder de dichters, die daaraan liedjes leverden
en dus waarschijnlijk ook wel leden der kamer waren, trefifen
wij J. Spierincx en Jacqubs Clouwens aan, maar uit later
tijd is mij van de kamer niets meer bekend.
Te Lier trad in 1614 de kamer „De groeyende boom" weer
als van ouds op met een spel ter eere van haar patroon St.
Gommaer en ook met een „Spel van Ferdinandus", en enkele
jaren later wedijverde zij in het referein met de Antwei-psche
kamers, maar daarna vernemen wij eerst weer in 1659 iets
van haar, als de Liersche notaris Gornelis de Bib door haar
zijne tragicomedie „Alphonsus en Thebasile" en zijne klucht
„Van den verdraeyden advocaet" laat vertoonen. Van dien
tijd af tot in het begin van de 18de eeuw toe heeft De Bib
talrijke tooneelstukken voor deze kamer geschreven, terwijl
enkele van hem ook vertoond werden door „eenige vrije lief-
hebbers^' en door „de Ongheleerden" of de leden der kamer
DK KAMBBS TE LIER, HALLE, THIENEN EN DIEST. 275
„Het Jenettebloemken", die wij in 1620 op het Mechelsche
refereinfeest aantreffen.
Als prins van die kamer kennen wij in 1611 den toen reeds
hoogbejaarden Bartelmeus Boecx, die in den geuzentijd mede
tot de vervolgden om het geloof schijnt behoord te hebben,
blijkens een handschrift met gevoelvolle en welluidende liederen,
dat wij van hem bezitten, maar die er het leven afbracht en
later vermoedelijk weer in den schoot der Kerk is terugge-
keerd, omdat hij andera wel niet den titel van Prins van de
kamer „De Ongheleerden" had mogen voeren in een klaaglied
over de zonden der menschen, die om het door hen bedreven
kwaad, zooals hij meende, in 1611 met hevige vorst en bitteren
hongersnood werden gestraft.
Wat later had ook deze kamer tot haar hoofddichter of
„hooftprince" een notaris, die reeds in 1636 de geschiedenis
van „Dido ende Hyarba" voor haar tot een treurspel bewerkte,
het volgende jaar die van „Jephte ende sijn dochter" en zoo
nog vele andere classieke en bijbelsche onderwerpen voor haar
dramatiseerde, het laatst in 1688, nameUjk Joris Frans Xaveer
Berckmans, heere van den Laethove van der Borcht, eerst
rentmeester en overdeken der lakenhal, later raad, en in 1669
ook schepen, van Lier, waar hij 7 Juni 1694 overleed.
Te Halle waren Anthoen Huaert, Mbrtbn van Wichelen
en Van der Zee leden der kamer „De Ongeachten", toen deze
in 1620 aan het refereinfeest te Mechelen deelnam. Drie jaar
later stond het stadsbestuur haar eene kleine tegemoetkoming
toe voor het schilderwerk bij hare vertooningen; in 1630
vinden wij haar vriendschappelijk samenwerkend met de leer-
lingen der Jezuïeten, en zoo worden er nog enkele andere
voorstellingen van haar vermeld, o. a. in 1665 eene Passie-
vertooning, die luisterrijker dan gewoonlijk was, maar na 1675
wordt niets meer van haar vernomen.
Te Thienen was de kamer „De Fonteyne" herrezen en telde
in 1648 zelfs 141 leden. Te Diest werd de kamer „De Lelie"
in 1602 voor een oogenblik wakker geschud, toen bij de in-
huldiging van Philips Willem van Oranje als heer van Diest
vertooningen moesten gegeven worden, die vervaardigd werden
door LoDEWiJK VAN DEN Berghe. Met dien dichter trad de
kamer op het eind van 1614 voor drie jaar „opnieu liefflyck
276 DB KAMERS TB D1B8T, HASSELT EN TONGEREN.
ende vriendelyck in accoort om te aenvaerden het factoors
ambt", wat hem de verplichting oplegde , de componisten ofte
liefhebbers der camer hunne refereynen, ageringhen of eenige
andere dichten te oversien, jaerlix een spel van sinne, cluchte
oft present oft andere ageringhe" te leveren en verder alle
stukken, „'t sy die gespeelt souden worden op strate, stathujs
oft elders, naer gelegenheyt te besorghen en te roleren". Daar-
voor kreeg hij twaalf Rijnsche goudguldens 'sjaars en «alle
maeltyen, colfdagen en wanneer hij compareert sijn vry gelach".
Zijne kunst heeft hij reeds terstond het volgende jaar kunnen
toonen, toen „De Lelie'' door de Catharinisten te s-Hertogen-
bosch tot een wedstrijd werd uitgenoodigd. Nog tot minstens
1660 vertoonde „De Lelie" hare stukken in de kermisweek
vóór het stadhuis, evenals ook de kamer „De Christus oogen",
waarvan wij verder weten, dat zij in 1620 aan het referein-
feest te Mechelen deelnam.
Te Hasselt in Limburg was „De roode Roos" in 1611 her-
leefd, en minstens tot 1670 vertoonde zij, meestal op kermi»-
maandag, hare stukken, waarvan wij er tien in handschrift
overhebben, alle waarschijnlijk in Limburg zelf vóór 1615
gedicht, geheel in den ouden rederijkerstrant, met comische
tusschenspelen te midden van den vervelendsten en langdra-
digsten ernst. Het zijn twee sinnespelen, een gelijkenisspel en
zeven oudtestamentische stukken. Later schijnt men er ook
nieuwerwetscher stukken te hebben leeren kennen : ten minste,
wij zullen wel het bekende treurspel van Jan Vos mogen zien
in den „litus en Aran", waar de kamer in 1685 mee beloofd
had te Loos om den prijs te zullen dingen met de kamer „De
witte Lelie" van Tongeren. Die wedstrijd echter liep op on-
eenigheid uit, want de Hasseltsche kamer bleef op den bepaal-
den dag weg en „De witte Lelie" alleen vertoonde toen dat
stuk op de markt van het dorpje.
XLL
De wereldlijke dichters In Zuid-Nederland.
In de rederijkerskamers was het, dat de wat meer wereldsche
poëzie in Zuid-Nederland beoefening vond, al bleef ze daar
KLUCHT VAN HBNDRICK FAYD'hBRBB. 277
•
ook al zeer laag bij den grond. Toch zijn er eenige van hare
beoefenaars, over welke wij wat meer in bijzonderheden
moeten treden.
Van het wereldlijk tooneeldicht was de klucht van ouds het
meest geliefd, en aan zulke spelen ontbreekt het dan ook niet,
al is er maar weinig bij, wat zelfs met de middelmatige
kluchten van de Amsterdamsche poëten kan wedijveren. Dat
de Antwerpsche schilder Sebastxabn Vbancx er in het begin
van de 17<iö eeuw verscheidene maakte, hebben wij reeds ge-
zien. Ook noemden wij reeds het „Esbatement van vier personen",
dat de facteur der Mechelsche kamer, de beeldhouwer Hen-
DRicK Payd'hbrbb (geb. 1574 f 1629), maakte om er in 1620
het door zijne kamer uitgeschreven refereinfeest mee te be-
sluiten. In kreupele alexandrijnen geeft daarin Droncken Claes
EJjn spijt te kennen, dat hij zich door zijn compeer Heyn tot
spelen heeft laten verlokken en niet alleen al zijn geld, maar
ook zijn vrouws mantel aan hem verspeeld heeft. Als hij bij
felle Griet, zijne vrouw, te huis komt, wordt hij natuurlijk
niet vriendelijk ontvangen, en wanneer hij dan bovendien
nog „den sot met haer scheert", roept zij woedend uit, dat
zij liever, dan nog verder met hem te leven, zich van kant
wil maken of zich „met levende lijf den duyvel overgeven".
Kort daarop komt Heyn haar het gewonnen geld en den
mantel terugbrengen om hare liefde te winnen, en wanneer
hij haar nog bovendien twintig kronen belooft, toont zij zich
bereid hem ter wille te zijn, indien zij er slechts in kunnen
slagen, Droncken Claes te bedriegen; en dat is zeer goed
mogelijk, want ze heeft gezegd, dat zij zich aan den duivel
wil overgeven, en als Heyn zich nu maar als duivel verkleedt
Bn haar zóó van haars mans zijde komt weghalen, is de zaak
gezond. Dat listige plan wordt ook uitgevoerd, maar wanneer
»riet met den gewaanden duivel verdwenen is, krijgt Claes
toch argwaan, en hij begeeft zich naar Mr. Steven, „een
Brvaren man, die alle toovery en zwarte consten can", om diens
hulp in te roepen. Deze wendt nu al zijne bezweringskunsten
&an, waarbij Claes hem de onmogelijkste woorden moet na-
seggen, en, alsof Heyn niet een gewaande, maar een echte
iuivel ware, komt hij inderdaad te voorschijn en wordt dan
ontmaskerd en naar verdienste afgeranseld.
278 JAN BBLLET EN GUILIAM OOIBR.
Onder de vele stukken, die Jan Bellet als facteur van de
Ypersche kamer der Rosieren tussclien 1620 en 1640 liet ver-
toonen, waren ook verscheidene kluchten, zooals die van
„Francasso en Florette" en van „Monsieur Lappe en Joflfrouw
Warmoes". Deze Ypersche boekdrukker, die waarschijnlijk te
St. Omaars geboren was vóór zijn vader vandaar naar Yperen
verhuisde, zong in 1625 ook „den lof der stede Belle ende
haerder casselrye" en toonde zich daarbij een ijverig voor-
stander van zijne moedertaal, die, zooals hij zegt, „ontleende
schuym niet hoeft", omdat zij „soo overvloedlij ck in haer
schatten beluyckt al wat de reden kan bevatten in de nature*'.
„Redent in gheen vremde talen!" is zijne vermaning.
Deze leer is misschien wel het best in practijk gebracht
door GuiLLAM Ogier, bij wiens tooneelstukken, gemaakt, zoo-
als wij reeds zagen, voor de Antwerpsche kamers, wij wat
langer moeten stilstaan, omdat zij tot het beste behooren wat
de Zuidnederlandsche tooneellitteratuur in de 17de eeuw
opleverde. Ook in de Noordelijke Nederlanden kwamen zij in
eere, daar men er den geest van Bredero in herkende, wiens
kluchten en blijspelen ongetwijfeld ook door Ogieb bestudeerd
en hier en daar nagevolgd zijn. Het duidelijkst komt dat uit
bij zijne tweede klucht, „De Hooveerdigheydt" van 1644,
waarin de „vermeynde joncker Francisco" veel gelijkenis ver-
toont met Bredero's Jerolimo, en diens knecht Joos met
Bredero's Robbeknol. Zelfs de taal, die in het stuk gesproken
wordt, is, ofschoon allesbehalve boekentaal, geen zuiver Ant-
werpsch, maar sterk verhoUandscht. Overigens verschilt de
inhoud van het spel te eenemale van hetgeen wij in den
„Spaanschen Brabander" te- zien krijgen. De berooide Francisco,
bij al zijn bluffen een bespottelijke bloodaard, snoeft er op,
dat hij door een rijk huwelijk wel spoedig weer in goeden
doen zal geraken, maar eindigt met Beyken, de zwagerin van
den baas der beerstekers, te trouwen, die een kind bij hem
heeft, dat, te vondeling gelegd en door een verdienstelijk ge-
teekenden goedhartigen boer gevonden, tot een paar komieke
tooneeltjes aanleiding geeft, maar ten slotte door de moeder
teruggenomen en door den vader erkend wordt.
Eenige jaren vroeger had Ooieb zijn eerste, op zeventien-
jarigen leeftijd door hem geschreven, stuk „De Gulsigheydt"
QUILIAM OGIBR. 279
aan de Antwerpsche kamer „De Olyftack" aangeboden en in
1639, vier jaar nadat het gemaakt was, met moeite vertoond
gekregen. Het is de klucht van eene oude vrouw, Jakemyn,
getrouwd met Droncken Heyn, een jong man, die al haar
goed verkwist, maar die beterschap belooft, als zij weer in
levenden lijve tastbaar vóór hem staat, nadat hij korten tijd
in den waan geweest was, dat hij haar plotselingen dood had
veroorzaakt, en beiden (zijne vrouw zelve evengoed als hij)
zich verbeeld hadden, dat zij na dien ge waanden dood als een
geest rondspookte.
Wie de dronkemanspraat in deze klucht niet al te aanstootelijk
vond, zal haar zeker niet zonder lachen hebben kunnen zien.
Van talent voor het comische getuigt het stuk in elk geval
wel. Het is, evenals de andere stukken van den dichter, vol
leven en treffend van werkeUjkheid en maakte dan ook
grooten opgang. Ooieb sprak daarover nog op zijn ouden dag
met welgevallen: hij vertelde zelf, dat „onse stadt noyt ver-
saedt scheen in het sien en in het hooren" er van, zoodat
het stuk meer dan honderd maal vertoond was geworden en
meer dan veertig jaar in trek was gebleven. Dat anderen het
evenwel eene „vuile klucht" hebben genoemd, is even be-
grijpelijk, want niet alleen Wijntje is de heldin van het stuk,
maar ook Trijntje, die er ook eene hoofdrol in speelt in de
gedaante van een bedrogen meisje, dat haar best doet, hare
schande door een huwelijk, onverschillig met wien, te bedek-
ken. Om OoiEB*s spelen billijk te beoordeelen, moet men beden-
ken, dat zijne iets oudere tijdgenooten, zoowel de joligeAdriaen
Brouwer als de deftige hofschilder David Teniers, niet minder
ruwe tooneeltjes op paneel brachten, dan hij op de planken.
Zijn derde stuk, in 1645 vertoond, „De Gramschap", ook
wel „De moetwillige bootsgezel" genoemd, reken ik, trots de
ruwe schipperstaal die er in gesproken wordt, tot het beste
wat Ogier heeft geschreven, al komt ook daarin, evenals in
zijne andere stukken, een qui-pro-quo voor, dat gezocht van
vinding en gebrekkig van uitwerking is.
In 1646 volgde „De Onkuysheydt", zóó realistisch voorgesteld,
in al hare leelijkheid en jammerlijke gevolgen, dat Ogier er
met recht van mocht zeggen: „Gheen droever thoon als dit
heeft treur-spel oyt gehadt". Het eindigt er dan ook mee, dat
280 OUILIAM OGIBR.
een oude lichtmis zijne eigene even gemeene bastaarddochter
„den hals afsteekt" en dan bij zijne op die misdaad gevolgde
vlucht in een „bornput" valt en verdrinkt, terwijl Petronel,
eene andere jonge vrouw van even lichte zeden, in de kraam
sterft, nadat zij te voren in een niet onverdienstelijk uitgevoerd
tooneeltje door eene voorgewende poging om zich van het
leven te berooven er in geslaagd was haar moeders toom te
bezweren. In dit stuk heeft Ogier ons het vuilste en gemeenste
noch gespaard, noch zelfs omsluierd: hij wilde een walg van
de onkuischheid geven, en daar hij in zijn stuk „het ongesontste,
gevarelyckste ende ten hooghsten het onsaligste, ende dit alles
niet ten halven ghenoegh" heeft willen vertoonen, is hem dat
ook volkomen gelukt. Hij wist, dat „de poëeten met de pen-
nen vryer mogen leven" dan de zedeleeraars „op predicanten
stoel", met wie hij overigens ééne lijn wilde trekken, en had
de voldoening, dat zijn stuk „de kenners, soo Gheestelyck als
Weirelyck, wel beviel".
Ook zijn vijfde, ongetwijfeld veel aantrekkelijker, stuk „Den
Haet en Nydt" (van 1647 1, waarin als bij uitzondering ook
sympathieke personen, zooals bv. Lucas, de vlijtige, rijkge-
worden schoenlapper, optreden, zou een blij-treur-eindend spel
kunnen genoemd worden, al zal ook niemand licht een traan laten
om den dood van nijdigen Teeuwen, waarmede het spel besluit.
Daarop volgden dertig jaar, waarin de dichter het tooneel
geheel verwaarloosde en, behalve dat hij zich aan zijn beroep,
het onderwijs, wijdde, „meer verheven saecken", zooals hij zegt,
„in rymery stelde op een vaste maet". Van hetgeen hij „meer
verheven" noemt, schijnt ons echter niets overgeleverd te zijn;
doch eindelijk wisten zijne vrienden de oude liefde weer bij
hem op te wekken en voltooide hij de reeks der zeven hoofd-
zonden door in 1677 ook nog „De Gierigheydt" en „De
Traegheydt" speelsgewijze te behandelen. Deze beide stukken
onderscheiden zich van de vorige, die met hunne maatlooze
verzen de spreektaal van de heffe des volks voortreffelijk
weergeven, door eene eenigszins gekuischter taal, in den vers-
vorm van den alexandrijn gewrongen. De lezer mocht nu
oordeelen, zeide hij, of het werk zijner oude jaren beter was
dan dat van zijne jeugd, of dat het vuur zijner jonge jaren
te veel was afgekoeld.
GUILIAM BN BARBARA OGIER. 281
Toen Ogibr zijn zevental had voltooid, wijdde hij het toe
aan een zijner medeleden van de toen vereenigde Violiere
en Olyftack, tweemaal deken van die kamer, den schilder
Gonzales Coques of Cocx, die hetzelfde had gedaan met het
penseel als hij met de pen, namelijk de zeven hoofdzonden
af te 'beelden, en verklaarde hij in een kort gedichtje, dat
/sconstenaei-s schilderkonste zijn dichten" had overtroffen.
Eerst 22 Febr. 1689 is Ogibr te Antwerpen overleden,
doch in zijne laatste twaalf levensjaren heeft hij nog maar
ééne klucht geschreven, namelijk in 1680 „Belachelyck mis-
verstant ofte Boere Geck". Een onnoozele dorpsdrost, die ieder
jaar op kermis aan de boeren een vet varken moet schenken,
— zoo is de korte inhoud — wenscht een jaar over te slaan en laat
zich door Hans, een „Boere Geck", die hem beet wil hebben,
raden te zeggen, dat het voor de boeren bestemde varken hem
ontstolen is. Als hem nu inderdaad zijn varken, en wel door
Hans zelf, ontstolen blijkt te zijn, is hij in de grootste ver-
legenheid, daar de boeren hem niet gelooven en volstrekt een
varken willen hebben om er maaltijd van te houden. Hans,
die geen dief wil zijn, brengt ten slotte het varken terug, dat
in levenden lijve ten tooneele verschijnt, maar met zwarte
plekken beschilderd om ook bij de boeren de zaak voor een
grap te kunnen doen doorgaan. Hij is tevreden, dat hij den
drost voor zijne gierigheid wat geplaagd en aan de boeren
toch het varken, waarop zij recht hadden, bezorgd heeft. Dat
een van de boeren zijne vrouw een „varken" noemt, veroor-
zaakt overigens in het stuk meer dan één grof koddig mis-
verstand van de soort, waarvan Ogier blijkbaar veel hield.
GuiLiAM Ogier had eene begaafde dochter, Barbara, 17
Februari 1648 geboren en in 1680 met den bekenden Ant-
werpschen beeldhouwer Willem Kerricx gehuwd. Ook zij heeft
verschillende tooneelstukken geschreven, zooals b.v. het treur-
spel „De Getrouwe Panthera" van 1677, maar daar zij eerst
18 Maart 1720 overleed, behooren hare meeste werken nog
niet tot het tijdvak, dat wij nu behandelen. Daartoe behoort
dan ook niet haar blijspel „Don Ferdinand oft Spaenschen
Sterrekijker", vertaling van „Le feint Astrologue" van Thomas
Comeille, dat zelf eene bewerking is van Calderon's „El
Astrologo fingido". Ik maak er hier even melding van, omdat
282 ANDERE BLU- EN KLUCHTSPELDICHTER8.
het stuk, ofschoon eerst in 1714 te Antwerpen vertoond, wel
eens aan haar vader is toegeschreven.
Naast Ogibr verdienen nog enkele andere blijspeldichters
eenige vermelding, zooals de Antwerpsche advocaat Antonio
Francisco Woüthers, van wien in November 1674 op den
Antwerpschen schouwburg vertoond werd het blijspel „De
twee gelycke Schippers" of de sprekend op elkaar gelijkende
broeders Sander van Bal: een getrouwde Antwerpsche en een
ongetrouwde Amsterdamsche : dubbelgangers der „Menaechmi"
van Plautus, wiens comedie hier zeer vrij en tot drie bedrijven
ingekort is nagevolgd. De meretrix Erotium treedt er als
»Catryn, de waerdin" op en de parasiet Peniculus als
„Steven, de tafel-gast". Verder spelen Griet, de vrouw van
den eenen, en Joris (= Messenio), de knecht van den anderen
Sander, er eene rol in. In vrij goede alexandrijnen is het
stuk geschreven.
Voor eene klucht van Balthasar Wils, door Olyfkack en
Violier e te Antwerpen gespeeld, en getiteld „Den verliefden
Periander ofte de veranderlijke liefde", maakte *s dichters
broeder Cornelis een tweede deel, getiteld „Bonjan en San-
derijn", en deze laatste verwerkte voor dezelfde kamer eenige
tooneelen uit Cervantes' meesterwerk tot het blijspel „Den
grooten en onverwinnelijcken Don Quichot de la Mancha, oft
den ingebeelden ridder met zijn schildknaap Sance Panche",
in 1682 gedrukt te Amsterdam, waar een jaar t^ voren andere
tooneelen uit denzelfden roman tot blijspelen waren bewerkt,
zoowel door J. Soolmans, als door Simon van der Gruyssbn.
Niet gering is het aantal kluchten, die de notaris Cornelis
DE BiE voor de Liersche kamer „Den groeyenden boom"
maakte. Het waren er minstens achttien, waarvan de opsom-
ming en bespreking ons te lang zou ophouden. Alleen ver-
dient het opmerking, dat sommige van die kluchten door
De Bie uit het Spaansch zijn vertaald. Van de klucht „Van
den jaloursen Dief' (in 1674 gedrukt) en van een paar andere
kan ik dat slechts vermoeden, doch in „Het lichtveerdigh
Pleuntjen en Gys Snuffelaer, oft d'occasie maeckt den dief',
waarin de beide hoofdpersonen zich door hunne onbeholpen-
heid op ongeoorloofden minnehandel laten betrappen, mag
men waarschijnlijk eeue bewerking zien van Agustin Moreto's
KLUCHTBN BN TRAOICOMBDIBS UIT EBT SPAANSCH. 283
„La ocasion hace el ladron", terwijl de klucht van „Roelandt
den Clapper, geseyt Hablador Roelando" (in 1673 gedrukt)
zeer zeker vertaling is van j,Los dos habladores'*, een der
negen „entremeses" van Cervantes, maar te onrechte onder de
werken van Lope de Vega opgenomen en ook door De Bis
voor diens werk gehouden. Als één der beide pochers, de
edelman Sarmiento, zich door den anderen, Roelandt, heeft
moeten laten doodpraten, wil hij zich wreken door ook zijne
woordenrijke vrouw Beatrix met Roelandt in aanraking te
brengen, maar zelfs zij kan tegen den on vermoeiden „clapper"
niet op, wordt woedend en wreekt zich ten slotte met behulp
van hare dienstmaagd Agneet door den armen Roelandt onder
stokslagen te doen ineenkrimpen.
Behalve kluchten heeft De Bie uit het Spaansch ook tragi-
comedies vertaald. Zijn stuk „Armoede van den graeve Florellus,
oft lyden sonder wraeck" (van 1671) is de vertaling van „La
pobreza de Reynaldos", waarvan de stof (de strijd van Reinoud
van Montalbaan tegen de Mooren gedurende de regeering van
Earel den Groeten) door Lope de Vega ontleend is aan een
in 1625 verschenen roman van L. Dominguez. Het blij-eindig
treurspel „Den groeten hertoghe van Moskoviën oft gheweldighe
heerschappije", dat de Bib in 1672 te Lier deed vertoonen,
is eene vertaling van Lope de Vega's „El Gran Duque de
Moscovia", dat ook vertaald schijnt te zijn door Aittonio
Fbancisco Wouthebs onderden titel „DenMoscoitschenKnets,
dat is den groeten hertog van Moscoviën*'. In elk geval heeft
WouTHBBs „El castigo sin venganza'' van Lope de Vega in
1665 vertaald als „De verliefde stiefmoeder of de gestrafte
bloedschande".
Het beroemde stuk van Pedro Calderon de la Bar ca, „La
vida es sueflo", werd in vertaling van Schouwbnbbbgh onder
den titel „Het leven is maer droom" vertoond door „de vrye
lief-hebbers der rymer-konste binnen Brussel" en in 1647 daar
gedrukt, samen „met een bevallige kluchte van de Gilde-
broeders van Koeckelbergh, daerop passende". Een ander
Brusselsch dichter, de boekdrukker Glaude de Gbibck, die
veel uit het Fransch vertaalde, bracht ook, hetzij onmiddellijk
uit het Spaansch, hetzij door het Fransch heen, in 1668
Calderon's „El mayor encanto Amor" over onder den titel
284 INVLOED VAN HET SPAANSCH TOONEBL.
„Ulysses in 't eylandt van Circe oft geen grooter tooverg als
liefde", en ook de comedie en de tragicomedie, die de reis-
lustige, in Duitschland in 1606 geboren en te Sevilla in 1649
overleden, Jonkheer Fredbrico Cornelio de Oonincq in 1635
en het volgende jaar door de Violieren te Antwerpen deed
vertoonen, schijnen naar Spaansche stukken bewerkt te wezen,
daar zij in drie deelen of „jornadas" verdeeld en vol verwik-
keling zijn, terwijl de personen er van ook Spaansche namen
dragen en de geschiedenis in Spanje voorvalt. Op het voor-
beeld van de Spaansche tooneeldichters deed ook De Conincq
de aanzienlijke personen in andere versmaat (en wel in zeer
goede alexandrijnen) spreken dan de minder beschaafden, wier
verzen onregelmatig zijn en meer met de spreektaal, zelfs de
platte spreektaal van Antwerpen, overeenstemmen.
Dat er destijds in de Zuidelijke Nederlanden zooveel uit het
Spaansch werd vertaald, behoeft ons niet te verwonderen.
Reeds in de 16de eeuw was, vooral onder de regeering van
Philips II en zijne Spaansche landvoogden, het Spaansch er
eene bekende taal geworden; en daar Antwerpen toen eene
der grootste boekenmarkten van Europa was, werden daar
toen ook verscheidene Spaansche boeken — soms zelfs voor
het eerst — ter perse gelegd. Ook in de 17d© eeuw zijn er
nog vrg wat Spaansche werken te Brussel en Antwerpen ge-
drukt. Aan het hof werd ook veel Spaansch gesproken, en
onder adel en geestelijkheid, vooral onder de paters der
Jezuïetenorde, had menigeen eenigen tijd in Spanje doorge-
bracht, zooals ook vele aanzienlijke en letterkundig beschaafde
Spanjaarden in de Spaansche legers, bepaaldelijk onder
Spinola, zelf aanvankelijk een vrijwilliger, vrijwillig en op
eigen kosten hadden gediend ; en onder deze niemand minder
dan Galderon zelf, die in zijne comedie „El sitio de Breda" de
geschiedenis dramatiseerde van het beleg, waaraan hij in 1626
in persoon had deelgenomen. Dat het Spaansch tooneel het
voorbeeld moest worden voor die tooneeldichters, die aan het
ouderwetsche rederijkersspel ontgroeid waren, spreekt dus
eigenlijk wel van zelf, te meer daar men bij het overbrengen
van Spaansche stukken voor het snoeimes der censoren wel
niet behoefde te vreezen, want immers de Spaansche koning
Philips IV zelf was een hartstochtelijk liefhebber van het too-
HBRDBRSSPKLBN. 285
neel en groot bewonderaar van tooneeldichters als Lope de
Vega en Galderon, die zeer b\j hem in de gunst stonden.
Ook andere stukken dan de reeds genoemde waren, al zijn
zij misschien oorspronkelijk, op Spaansche leest geschoeid,
zooals het treurspel „Rosalinde, hertoginne van Savoyen"
(1641) van Gbsbabbdt van dbn Brandb, met een, ook als
afzonderhjke klucht verschenen, tusschenspel van „Gielen
Leepoogh en Truy Schoffels" ; het in 1656 door „de Ongheleer-
den" te Lier vertoonde blij eindig spel „Philantus" van Nicolaes
Gbbraerdts; het tooneelstuk „De manmoedige Olimpia ofte
verlost Romen" van Balthasab Wils, dat door de Violieren
gespeeld werd; en het ook door deze vertoonde historiespel
,Den Konink van Napels ofte in wanhoop hoop" van Roeland
VAN Enqelbn, die in 1662 ook eene vertaling in dichtmaat
van de „Aeneis" uitgaf en Guarini's „Pastor fido" vertaalde.
Overigens heeft het herdersspel in de Zuidelijke Nederlanden
weinig beoefening gevonden. Het treurspel „Porphyre en
Cyprine", dat de zilversmid Jan Thieullibb, deken van „De
Peoene" te Mechelen, ten tooneele bracht, toen deze kamer
in 1620 haar reeds besproken refereinfeest hield, is eigenUjk
een in Thraciö spelend herdersspel, dat echter door den dich-
ter een treurspel genoemd wordt, omdat Porphyre, een arme
herder, die de liefde van Cyprine, eene rijke boerendochter,
heeft gewonnen en haar tegen een beer beschermd heeft,
zich doorsteekt met hetzelfde wapen, waarmee hij den beer
had gedood, wanneer hij Cyprine door dwang harer ouders
met een koopmanszoon getrouwd vindt. Dat treft de ontrouwe
geliefde zoozeer, dat ook zij zich doodt met hetzelfde zwaard,
en het stuk besloten wordt met „een verthooninghe van de
dooden". Ook andere vertooningen en een paar liedjes zijn
ter versiering van het spel ingevoegd.
AUeen uit eenige in 1628 gedrukte liedjes, die in zijne
pastorales voorkwamen, weet men, dat Jgan Yzkbmans, facteur
der kamer „D'Olyftack" te Antwerpen, de herdersspelen
vEurestes", „Grisella" en „Pan en Syringa" heeft gedicht.
Zoo worden ook van een der hoofdmannen van de Ant-
werpsche Violiere, Sbbastiaen Vbancx, als schilder „seer
aerdigh in Lantschap, Peerdekens en beeldekens", zooals Van
Mander zegt, eene tragicomedie „Aminta en Silvia" en eene
286 HBRDBBSSPELBN ; INYLOBD DKR CLAS8IBKBN.
comedie pastorael „Satirs Vergelding" vermeld, die beide on-
gedrukt zijn, en waarvan ook de tijd der vervaardiging onbe-
kend is, maar die in elk geval van vóór 19 Mei 1647 dag-
teekenen, daar Vrancx toen op zeventigjarigen leeftijd overleed.
Van Jonkheer Fbedkrico (üornblio de Oonincjq werd in
1638 door „De Violiere" te Antwerpen nog een stuk „Herder-
sche Ongestadigheid", op den zin „Gheen liefde sonder strijdt",
gespeeld, van Oeeraerdt van dbn Brande in 1649 door
„De Goudbloem" te Antwerpen „La Gitanilla, ghenaemt het
Spaens heidinneken", en van Jan Lambrecht in 1659 te Brugge
het reeds vroeger door ons vermelde bijbelsche herdersspel
„Rachel", maar daarmee zullen wij dan ook wel bijna alles
genoemd hebben, wat er in pastoralen trant in de 17<le eeuw
op het Brabantsch-Vlaamsch tooneel werd vertoond.
De invloed der classieken op het tooneel was in de Zuide-
lijke Nederlanden in de verte zoo groot niet als in de Noorde-
lijke, ofschoon er wel studie van de oude schrijvers werd ge-
maakt en er ook wel vertalingen van uitkwamen, zooals de
reeds genoemde van de „Aeneis" door Van Engelen, eene
weinig bekende, in 1650 te Antwerpen uitgegevene, van Ovidius'
„Metamorphosis ofte Herscheppinge" door Seger van Dort
met een portret van den vertaler, door Quellinus geteekend
en door P. de Jode gegraveerd, en eene zeer middelmatige
van Ovidius' „Heroides" (in 1659) door den Brusselschen
edelman en rechtsgeleerde Lüdovicus Broomans (f 1667), die
daar ook nog andere gedichten, o.a. drie vertaalde idyllen
van Theocritus, bijvoegde en zich vooraf reeds als Latijnsch
dichter had doen kennen.
Min of meer onder Seneca*s invloed staat de „Mariamne",
een treurspel in vgf bedrijven met koren, van den Kortrijk-
schen geneesheer Jan db Valckgravb, in 1634 te Kortrijk
vertoond en het volgende jaar daar gedrukt; maar het op-
treden van allegorische personen, als Liefde, Onrust, Quaet
Vermoeden, Nydigheyt en Wraekghierigheyt , die moeten
voorstellen wat er omgaat in het gemoed van Herodes, den
eigenlijken hoofdpersoon van het stuk, wanneer deze nog aar-
zelt zijne echtgenoote Mariamne te doen vermoorden, maakt
in dit stuk een weinig classieken indruk, evenals ook het
handelend optreden van eene ontastbare figuur als Echo.
OUILIAM VAN NIBUWELANDT. 287
Het meest onder classieken invloed staat de beste der Zuid-
nederlandsche tooneeldichters uit de 17<iö eeuw, de schilder
GüiLiAM VAN NiBUWELANDT, die echter half Amsterdammer
was, al was hij dan ook in 1584 te Antwerpen geboren.
Zijne jeugd bracht hij in Amsterdam, zijne jongelingsjaren te
Bome door en eerst in 1606 keerde hij naar Antwerpen terug,
waar hij toen werd opgenomen in het St.-Lucasgild en ook
lid werd van de kamer „De Olyftack". Voor deze schreef hij
in 1614 het treurspel „Livia", dat eerst in 1617 vertoond werd
evenals zijn „Saul", waarop in 1618 zijn „Claudius Domitius
Nero" volgde. Voor ,De Violiere" dichtte hij in 1624 „ Aegyp-
tica ofte Aegyptische Tragoedie van M. Anthonius en Cleopatra",
en in 1628 „Salomon", waarmee hij afscheid nam van z\jne
geboortestad, want nog in hetzelfde jaar begaf hij zich weder
naar Amsteidam, waar in zijn sterQaar 1635 nog twee treur-
spelen van hem uitkwamen: „Sophonisba Aphricana" en
yJerusalems verwoestingh door Nabuchodonosor".
Van zijne drie bijbelsche treurspelen hébben wij reeds ge-
sproken; van die, welke onderwerpen aan de ongewijde ge-
schiedenis ontleenden, stemt de „Livia" nog het minst met de
classieke tragedie overeen, ofschoon de bedrijven er reeds door
reizangen besloten worden. Het is een waar gruwelstuk, waarin
de eene moord volgt op den anderen. De persoon, die de titel-
rol vervult, wordt reeds vermoord in het allereerste gedeelte
van het stuk, en van de zeven personen, die er in optreden,
zijn er bij het dichtschuiven van de gordijn nog maar twee
in leven. Evenals in Seneca's treurspelen verschijnt ook in dit
stuk een geest, namelijk de wraakroepende geest der geheel
onschuldig door haar zoon vermoorde Livia, op wier verschij-
ning de moordenaar zich zelf in wanhoop van het leven berooft.
De „Claudius Domitius Nero" vangt zelfs met eene geest-
verschijning aan, uit den Acheron oprijzende, waarna wij er
nog eene tweede in te zien krijgen, namelijk van Agrippina's
geest, evenals Livia wraakroepende over moedermoord. Seneca's
invloed op Van Nieüwblandt blijkt wel het meest overtuigend
hieruit, dat een droomverhaal, door Poppaea aan Nero gedaan,
de vrij getrouwe vertaling is van een soortgelijk droomverhaal
uit Seneca's „Octavia". Trouwens ook andere gedeelten uit dat
treurspel zijn door Van Nibuwblandt in het zijne vertaald,
288 QUILIAM VAN NIEUWELANDT.
terwijl er verder, evenals in de nSophonisba'', ook nog de aan
Seneca ontleende voedster in optreedt.
De „Sophonisba", die zelfs, behalve in een gezang aan het
eind van het vierde bedrijf, geene reizangen heeft (evenmin
als „Salomon")> vertoont daarentegen een wat meer romantisch
karakter, vooral in het laatste bedrijf, waarin verschillende
allegorische personen, terwijl Sophonisba er den giftbeker ledigt,
een wilden fakkeldans uitvoeren. Door den versvorm wijkt dit
stuk eveneens van de strenge vormeenheid der classieken af,
daar bv. Masinissa en Sophonisba er hunne liefde in lyrische
strophen tegenover elkaar uitspreken; maar dat de eenheids-
wetten van plaats en tyd er niet bij in acht genomen z^'n,
onderscheidt het stuk niet van Van Nieuwelandt's andere
treurspelen.
Dat de „Aegyptica", die veel ontleend heeft aan Garnier's
„Mare Antoine" (van 1578), bij gelijkheid van stof ook eenige
gelijkenis vertoont met Shakespeare's „Antony andCleopatra",
behoeft ons niet te verbazen, en evenmin, dat er ook een
comisch tooneel in voorkomt, al druischte dat lijnrecht in
tegen de leer der aanhangers van de classieke school, waarvan
Van Nibuwelandt dus wel een dankbaar leerling, maar geen
onvoorwaardelijk voorstander kan geweest zijn. Als schilder
behoorde onze dichter tot de epigonen der Italiaansche school
en koos hij bij voorkeur Romeinsche bouwvallen en triomf-
bogen tot onderwerpen zijner kunst.
Behalve tooneelstukken kennen wij ook nog andere dicht-
werken van hem, zooals eene „Elegie op den dood van Albertus
van Oostenrijk" in 1621 en, van hetzelfde jaar, een uitvoerig
leerdicht „Poema van den mensch, inhoudende d'ijdelheydt
des Werelts, d'ellende des levens ende rust des doodts", in
zeer goede alexandrijnen geschreven, die zelfs meermalen van
echt dichterlijken geest getuigen. Trouwens ook in zijne treu^
spelen komen zulke gedeelten voor, en wanneer hij zich op
het voorbeeld der Ouden van de stychometrie in zijne stukken
bedient, geeft hij verdienstelijke voorbeelden van kernachtig-
heid en slagvaardigheid in de woordenwisseling zijner helden.
Ook zijne dochter Constantia, gehuwd met den bekenden
schilder van stillevens, Adriaen van Utrecht, werd door hare
H. F. VAN DEN BRANT RN GLAUDB DB ORIBCK. 289
tijdgenooten geprezen als dichteres, doch schijnt geene verzen
te hebben uitgegeven.
De hartstochtelijke Antwerpsche rechtsgeleerde Jonkheer
Hermannus Pranciscus van den Brant, die in 1685 het
eeuwfeest van „De Herstellinge van de Roomsche Religie
binnen de stadt Antwerpen" met een „blij eindigend treur-
triumphspel" deed vieren, nadat hg ook reeds in 1679 „Bly-
eindige Belgica, tot verheffinge van 't Heilig Sacrament des
Autaers ende tot vernietiging der ketteren" had uitgegeven,
behoort als treurspeldichter ook tot de classieke richting,
ofschoon hij niet zoozeer onder den invloed der Ouden als wel
der Fransche tooneeldichters stond. Dat bewijst zijn gruwelijk
treurspel „Bela, Prins van Hongaryen", in 1678 te Antwerpen
vertoond, maar zoo stroef van versbouw, dat de toeschouwers
het ongenietelijk vonden. Dat het stuk viel, weet hij zelf echter
aan het opzettelijk slechte spel der tooneelspelers, naar hij
meende tegen hem opgeruid door Adriabn Peys, die destijds
en later te Antwerpen verschillende vertalingen van Fransche
blijspelen liet vertoonen, welke eigenhjk eerst tot de volgende
periode behooren en meerendeels ook of zelfs wel uitsluitend
te Amsterdam vertoond en gedrukt zijn. Van den Brant
wreekte zich echter op Peys door een hekelspel : „Het verweirde
Sothuys van Antwerpen'' te schrijven, dat in 1678 te Amster-
dam werd gedrukt, en later nog door eenige bUj spelen gevolgd
werd.
De ware vertegenwoordiger van het Fransch classicisme in
de Zuidelijke Nederlanden was echter in de tweede helft der
17de eeuw de Brusselsche boekdrukker Claude de Grieck,
die o.a. in zijn „Heraklius" (1650) een treurspel van Pierre
Corneille overbracht, in zijn „Don Japhet van Armeniën'*
(1657^ een aan het Spaansch ontleend stuk van Scarron ver-
taalde, in „Den grooten Belisarius" (1658) een treurspel van
Rotrou ten tooneele bracht en in zijne „Zenobia" (1667)
de „Zenobie, reine d' Armenië", door Montauban naar het
Spaansch bewerkt, in het Nederlandsch berijmde ; doch deze
stukken zijn voorloopers van de letterkunde, die in het
volgende tijdvak zou overheerschen.
Wij nemen er afscheid mee van de Zuidnederlandsche
tooneelpoëzie, om nu nog iets over het Zuidnederlandsche
II 19
290 OUILLIAM VAN DBR BOBGHT BN ANDSHB LIERDICHTBB8.
wereldsche lierdicht mee te deelen, want geheel verwaarloosd
werd dat in elk geval niet, al kon ook dat met het Noordneder-
landsche van dien tijd niet wedijveren. Tot de verdienstelijkste
liedboekjes behoort de „Triumphus Cupidinis", in 1628 uitgegeven
door JoAN YzERMANS, Waarin men «stichtige en seer ver-
maeckelijcke liedekens" vindt, en ook „sommige epitalamiën,
bruyloft-liedekens en andere poëmata".
In 1641 gaf Guilliam van der Burcht, van wien wij reeds
gezien hebben, dat hij als tooneeldichter zijn uiterste best,
schoon te vergeefs, deed om te Brussel een schouwburg als
de Amsterdamsche te stichten, op negentienjarigen leeftijd —
blijkens zijn door Alexander van Fornenberch geteekend
en aan den liedbundel toegevoegd portret — eene verzameling
liederen uit onder den titel „Brusselsche blom-hof van Gupido".
Zij is in drie deelen verdeeld: in het eerste deel vindt men
„minneklaghten", in het tweede «herders-ghesangen", in het
derde „boertighe lietjens". Uit de lofdichten blijkt, dat Van
DER BoRCHT iu Vriendschapsbetrekking stond tot verschillende
Antwerpsche dichters, die niet zonder recht zijn lof verkon-
digden. Zijn broeder Jan van der Borcht of Joannes a Gastro
versierde het liedboek met 12 kopergravures. Zinnebeelden,
aan de dierenwereld ontleend, gaf Van der Borcht een jaar
later in z\jne „Sedighe Sinnebeelden op den aerdt der ge-
pluymde, vier-voetighe, waterighe, ghekorven oft bloedeloose
dieren", en in 1643 volgde van hem nog een, o.a. door zijn
Brusselschen vriend Glaude de Grieck terecht geprezen, uit-
voerig werk „Spieghel der eyghen kennisse", waarin verschil-
lende verhalen, elegieën en hekeldichten, ten deele in goede
alexandrijnen, ten deele in korteren versvorm, voorkomen,
met ondicht afgewisseld.
Het land van Waas leverde in den kapitein Albertus
Iqnatius d'Hanins een dichter op, die evengoed in Latijn,
Spaansch en. Fransch als in 't Nederlandsch verzen wist te
maken, meest alle ter eere van de Spaansche Overheid en de
Katholieke kerk met hare heiligen, nadat hij, vóór 1666, zijn
ontslag uit den krijgsdienst genomen en zich te Gent gevestigd
had. Vóór dien tijd, in 1653, had hij reeds te Brussel
een liedbundel uitgegeven onder den titel „Het bevel van
Gupido, bestaende in dry deelen : minnelietjens, herdersgedichten
NIC0LAU8 OMAZUR EN ANDERS UEBDICHTERS. 291
en kluchten". Tot zijne eer moet gezegd worden, dat hij, die
in staat was gemakkelijk in vreemde talen te dichten, het
toch eene schande zou gerekend hebben voor „onse edel Gentsche
maegt*', indien zij bij de huldiging van den Spaanschen Koning
Karel II als graaf van Vlaanderen niet te voorschijn gekomen
ware ,met eenigh Vlaems ghedicht tot eer van haren vorst en
quytingh van haer plicht, schoon datter in het hof geen
Vlaemsch meer wordt gesproken'', zooals hij zegt, ^en dat ons
vorst sinds lang 't ghebruyck heeft afgebroken der Neder-
lantsche tael".
De Antwerpsche koopman Nicolaüs Omazur, een vriend
van Alexander van Pornenberch, Guiliam Ogier, Geeraerdt
van Wolschaten, Adriaen Peys en Comelis de Bie, kwam er
eerst in 1663 toe, dus op gevorderden leeftijd (want hij was
23 September 1603 te Antwerpen geboren), aan de „eerbare,
geest-rij cke en sangh-minnende Joufi&ouwen der stadt Ant-
werpen" een liedboek te wijden, waarvan de titel reeds voldoende
den inhoud doet kennen: „Labyrinthus Cupidinis, dat is Den
doolhof der Liefde, waer in eertijts Daphne (van ApoUo ver-
volght sijnde) verkeerde in eenen Lauwrier-boom, Verciert
met Roose-Tuynen van Rijmen, ghestelt op de nieuwste Dans-
wijsen ende Stemmen van desen tijt, bestaende in Minne-
Liedekens, Herders-Sanghen, Veldtdeuntjens, etc." Wij kunnen
er, ofschoon het niet zonder verdienste is, evenmin bij stilstaan
als bij „Den eerelycken Pluck- vogel ghepluckt in diverache
pluymkens van Minne-Liedekens ende andere Vrolijckheden ;
uyt-ghebroeyt door Joncker Livinüs van der Minnen" en
het eerst in 1669 te Brussel gedrukt.
Dat het in de Zuidelijke Nederlanden aan minneliederen,
ook in den Renaissancestijl, te eenemale ontbrak, mag dus
niet worden beweerd, maar hun aantal is toch zeer gering in
verhouding tot de vele geestelijke liederen, die daar in de
17de eeuw uitkwamen ; en zoo is het ook met andere gedichten
van wereldsche dichters, die te midden van de vele priester-
dichters slechts een klein groepje vormen. Toch büjven er
nog enkele ter vermelding over, zooals Everabrt Sicbram,
die in 1615 te Antwerpen eene vertaling uitgaf der 23 eerste
cantos van „U divino Ariosto oft Orlando Furioso". Opmerkelijk
is het, dat de vertaler meende het een en ander uit het ge-
292 SICBRAM, NUMAN, VEB8TBGEN, VRBDIÜ8.
dicht, dat hem voor zijne Vlaamsche lezers minder belang-
wekkend voorkwam, te mogen weglaten, en dat hij in de
plaats daarvan in verschillende zangen vrij wat nieuws heeft
ingelascht, met name de moordgeschiedenis, die Thomas Eyd
in „The Spanish Tragedy" behandelde, en die hij aan diens
treurspel zelf, maar ook aan de bron daarvan, ontleend sch^'nt
te hebben. Evenals het oorspronkelijk gedicht van Ariosto
bestaat ook de vertaling er van uit achtregelige strophen
(rijmschema ababahcc), maar de versmaat onderscheidt zich
in niets van de onregelmatige metriek der rederijkersballade.
Tot de oudere dichters, die nog in het laatste kwart der
16de eeuw hunne werken schreven, behoort Philips Nüman,
griffier der stad Brussel, waar hij in 1617 overleed. Na in
1583 onder den vergriekschten naam Hippophilus Nean-
der een dichtwerk, „Den Spieghel der Menschen*', te hebben
uitgegeven, droeg hij in 1590 zijn zeer uitvoerig leerdicht
„Den strijt des gemoets in den wech der deuchden" aan de
Regeerders zijner stad op. In den ouderwetschen referein vorm
geeft hij daarin verstandige lessen van levenswijsheid, vervat
in eene beschaafde taal, die nochtans niet geheel vrijgehouden
is van bastaardwoorden, en dat wel opzettelijk, zooals blijkt
uit eene „voorsprake", waarin hij het gebruik van vreemde
woorden verdedigt. In Latijnsche verzen begroette hij in 1599
de Aartshertogen. Gedurende zijne latere levensjaren heeft
NuMAN zich vooral bezig gehouden met het beschrijven en
verheerlijken van de mirakelen onzer Lieve Vrouwe van
Scherpenheuvel bij Sichen in Brabant.
Jonkheer Richard Verstegen, in Engeland uit Antwerpsche
ouders geboren en in 1640 te Antwerpen overleden, wisselde
zijne oudheidkundige studiën af met het schrijven van epi-
grammen, waarvan hij den eersten bundel in 1617 uitgaf, en
waarin. hij den draak stak met Fransche modes en HoUandsche
theologische haarklooverijen. Een ander oudheidkenner, de
bekende rechtsgeleerde en zegelbeschrijver Olivibr db Wrbe
of Vrbdius, te Brugge in 1596 geboren en daar in 1652
overleden, diende als dichter kerk en godsdienst door in
1624 „den oorspronck ende voortganck der Oarmeliten" in
rijm te stellen, en dat deed eveneens zijn beschermeling de
advocaat Lambbrt db Vos van Brugge, onder wiens vele
SRYCIU8 PUTEANUS BN ANDBRBN. 293
godsdienstige dichtwerken slechts één enkele bundel yoof-
komty waarin een darteler toon heerscht, Bacchus en Venus
het onderwerp zijn en de invloed van Daniël Heinsius te be-
speuren is.
Door Heinsius werd ongetwijfeld ook nog vrijwat invloed
geoefend op den geleerden Leuvenschen hoogleeraar Erycixjs
PuTEANus, te Venloo 4 Nov. 1574 geboren, die in 1606 den
leerstoel van Lipsius innam en tot zijn dood (17 Sept. 1646)
bleef bekleeden. Zijne talrijke Latijnsche geschriffcen . in proza
en poëzie kunnen hier natuurlijk niet ter sprake komen, of-
schoon zij tot het beste behooren, wat de Zuidelijke Neder-
landen in de 17de eeuw leverden; maar wel moeten wij even
vermelden, dat hij onder den naam Honorius van den Born
ook Nederlandsche gedichten uitgaf, namelijk „Ledigh leven,
daghelycks broodt, met korte jaerlanghe dichtstichtighe spreuck-
beelden tot deughden voedsel uitghedeylt", zooals de titel van
den in 1639 uitgekomen tweeden druk luidt, waarbij hij in
1641 nog eene „Toemaete** voegde. Natuurlijk kan van een
werk van Pütbanus niet gezegd worden, dat het onbeteekenend
is, maar dat het als poëzie hoogen lof verdient, zal wel nie-
mand beweren. Even weinig dichterlijk zijn de „Poëmata in
nederduytsche taele'^ in 1641 in 't licht gezonden door den
Brusselschen advocaat G. Theodosius Walhorn of Dbckher,
en de „fraeye kortbondige spreuken, geschiedenis en dichtjens'^
waarmee de bekwame Antwerpsche geneesheer Michiel Boü-
DEWiJNS in 1664 „tot lichter onthouden en vermaeck" zijne,
zooveel mogelijk „in eyghene, suyvere Nederlandsche tael"
geschreven, genees- en gezondsheidsleer op het voorbeeld
van Van Beverwyck doorvlocht.
Ten slotte moeten wij nog eens terugkeeren tot Cgrnelis
DE Bib van Lier, die zich, behalve door zijne vele tooneel-
stukken, ook heeft doen kennen door gedichten in anderen
trant, maar meest van zedelijken of stichtelijken aard. Onder
deze treedt zijn „Faems Weer-galm der Neder-duytsche Poësie"
van 1670 als het meest bekende op den voorgrond. Aan den
abt der Premonstratenser abdij van Tongerloo toegewijd, tracht
het door „zedige moraliteyten en sinne-beelden", waarbij dicht
en ondicht afwisselen, in het licht te stellen wat er al onder
„'s werelts Sots-cap" schuilt. Het is een zonderling mengelmoes
294 CORNELIS DE BIE.
van geleerdheid en naïveteit, zonder begrijpeUjke reden in
vijf hoofdstukken afgedeeld en telkens van het een op het
ander overspringend. Opmerking verdient het, dat De Bib in
zijne „Aenleydinghe" of voorrede spreekt van „den Hollantschen
styl en manier" van schrijven, en dat hij, zonder ook maar
even van Vondel (d4dr althans, want elders noemt hij zijn
naam wel) te reppen, alles, nu en dan zelfs woordelijk, over-
neemt wat Vondel in zijne „Aenleidinge ter Nederduitsche
Dichtkunste" geschreven had. Ook van Zacharias Heynsz
maakt hij melding, zoodat hij blikbaar ook wel bekend was
met hetgeen er in Noord-Nederland was uitgekomen. Toch
zijn zijne Noordelijke stamgenooten over het algemeen zijne
vrienden niet, want bij zijn betoog „dat de kettery den oor-
spronck is der Nederlandtsche allende" en ook elders in zijne
dichtwerken toont I^j duidelijk genoeg zijn afkeer van het
„gebroedtsel der Calvinisten'' en wijt hij den treurigen toestand
van zijn land aan den voorspoed der gehate opstandelingen.
Van meer beteekenis is een der eerste werken van De Bib,
dat reeds in 1661 voltooid was, maar waarvan de uitgave door
het overlijden van zijne eerste echtgenoote, Elisabeth Smits,
in 1662 eenjaar vertraagd schijnt te zijn, namelijk „Het Gul-
den Cabinet van de Edel Vry Schilder Gonst".
Het opschrift van zijn daarbij gevoegd portret, door Jan
Meyssens naar de schilderij van £rasmus Quellinus gegraveerd,
leert ons, dat Cornblis dk Bib den lO^en Februari 1627 te
Lier werd geboren. Dat zijn vader Adriaen de Bie zelf een
verdienstelijk schilder was, verklaart voldoende de liefde, die
zijn zoon levenslang voor de schilderkunst heeft gehad en die
hem ook dit werk in de pen gaf. Toch had Cornblis zelf in
1648 te Leuven philosophie gestudeerd, en vermoedelijk ook
rechten, daar hij bij het uitgeven van zijn eerste werk notaris,
procureur en griffier bij de militaire rechtbank te Lier was.
Later was hij ook meermalen lid der Regeering van zijne
geboortestad en onderman en deken van de lakenhal. Dat hij
bovendien ook langen tijd de dichter der kamer „Den groeyenden
boom" is geweest, hebben wij reeds gezien, en tot in zijn
hoogen ouderdom is de dichtkunst zijne liefste bezigheid ge-
weest. Hij legde de pen zelfs nog niet neer, nadat hij in 1706,
toen de dood zijner tweede vrouw, Isabella Caelheyt, henm
CORNSUS DB BIB. 295
blijkbaar ook aan zijne eigene sterfelijkheid herinnerd had,
„voor sjmen vriendelycken Adieu aen de Werelt" nog een
uitvoerig werk, „Echos Weder-klanck*' had uitgegeven, waarin
tal van stichtelijke gedichten voorkomen en ook tooneelstuk-
ken, o.a. eene als realistische schets van het volksleven wel-
geslaagde „klucht van den Nieuw-gesinden Doctoor, Meester
Quinten-Quack, en Cortisaan, synen bly-geestigen Knecht". Op
het fraai gebeeldhouwde grafmonument, dat hij in de St,-
Gommaarskerk te Lier voor zijne beide echtgenooten en zich
zelf liet oprichten, is zijn eigen sterfjaar niet ingevuld en ons
ook nu nog onbekend, schoon wij weten, dat hij in 1711 nog
leefde, dus vijftig jaar nadat hij door „Het Gulden Cabinet"
de aandacht op zich gevestigd had.
Dat werk geeft in dicht en ondicht, in Latijn en Neder-
landsch, historische aanteekeningen over, kenschetsende mede-
deelingen aangaande en hooggestemde lofspraken op bijna
driehonderd schilders, plaatsnijders, beeldhouwers en bouw-
meesters, meerendeels Nederlandsche, die van het midden der
16de eeuw af geleefd hadden of voor een groot deel nog in
leven waren, toen het werk uitkwam. Het is een waar pracht-
werk, want van allé kunstenaars vindt men er het portret;
doch niet al die portretten waren opzetteUjk voor Db Bnc's
werk vervaardigd: vele er van waren reeds in 1649 zonder
tekst in een bundel uitgegeven.
„Wie dat de Kunst beschryft, zal leeven door zyn blaaren",
riep Jan Vos uit in een lofdicht, dat hij voor De Bib's
,Cabinet" maakte en dat opnieuw, Db Bie's vriendschapsbe-
trekking met HoUandsche dichters en zijne belangstelling ook
in de HoUandsche kunst bewijst. Zoo zeide hij ook (in 1706)
in de voorrede voor zijn treurspel „Wraek van de verkrachte
kuysheydt bewesen in 't ramp-salig leven van de princerse
Theocrina, onteert van den ontuchtigen en bloetgierigen
Amurath", een gruwelspel, waarin niet minder dan zeven
dooden vallen, dat daarin „den loon van de deught, naer den
Brabantschen stiel, soetvloeyigh en zedigh voorgestelt, ende
de straf van het quaet, volgens de maniere der hollantsche
hooghdraventheydt (wat wel de hoogdravendheid van Vos'
„Aran en Titus" zijn zal) rym-geestigh bewesen*' werd, „om
daerdoor den mondt te stoppen van alle belgh-suchtige be-
296 DE DICHTKUNST IN DIBN8T VAN DEN GODSDIENST.
nijders, hun latende voorstaan, jae geloovende, dat eenen Bra*
bantschen rijmer met die van HoUant niet en sou connen
over een comen'*.
XLII
De Psalmen en Godsdienstige liederen in Noord-Nederland.
Onderscheidt de Zuidnederlandsche letterkunde zich in de
17de eeuw van de Noordnederlandsche ook hierdoor in 't oog
vallend, dat het geestelijk of kerkelijk karakter er van zoo
duidelijk op den voorgrond treedt, en dat onder de Zuid-
nederlandsche dichters de geestelijken eene zoo sterke meerder-
heid vormen, toch ontbrak het ook in de Zeven Vereenigde
Gewesten aan stichtelijke poëzie in dien tijd geenszins en
hebben ook daar de geesteUjke voorgangers, de predikanten,
de dichtkunst gaarne in dienst gesteld van den godsdienst,
terwijl ook leeken daaraan ijverig hebben meegedaan.
Dat eene dienende kunst uit den aard der zaak eene beperkte
kunst is, te beperkter naarmate de godsdienstige overtuiging
stelliger en dus minder rekbaar is, geeft ons nog de vrijheid
niet, die dienende kunst als minderwaardig in een hoekje te
dringen. Wil de kunst niet ontaarden in een ijdel spelen met
woorden, klanken, kleuren of lijnen, maar wil zij inhoudvol
en daardoor belangwekkend blijven, dan mag de poëzie, die
haar inhoud vindt zoowel in gedachten als in gevoelsstemmin-
gen, niet willekeurig godsdienstige gedachten of stemmingen
van een godvruchtig gemoed als inhoud harer kunstvormen
wraken, alleen omdat de vrome dichter haar dienstbaar maakte
aan hetgeen in zijn oog van meer gewicht is. Zij mag er zich
zelfs op beroemen, dat zij ook in den staat van dienstbaarheid
hare waarde behouden kan, al heeft zij als onafhankeUjke
kunst ook gelegenheid, de wieken breeder uit te slaan en hooger
vlucht te nemen.
Allerminst mag de geschiedschrijver der letterkunde min-
achtend de voortbrengselen eener op stichting gerichte kunst
voorbijgaan, daar hij immers het karakter zijner wetenschap
zou miskennen door als dogmatisch kunstleeraar op te treden.
Alleen zal h^ beknoptheid bij de behandeUng der godsdienstige
60DSDIBNSTIGB poëzib; jacobus rbvius. 297
poëzie hiermee kunnen verontschuldigen, dat deze poëzie zich
dechts op een beperkt gebied van menschelijk denken en
jevoelen beweegt, en daardoor zoo weinig verscheidenheid van
inhoud en toon oplevert, of m. a. w., dat de verzen van den
Benen stichtelijken dichter dikwijls zoo sprekend gelijken op
lie van den anderen. Ook zal hij kunnen opmerken, dat het
bewustzijn van tot nut en stichting zijner medemenschen bij
te dragen menig stichtelijk dichter heeft verleid, in de eigenlijke
kunst niet naar het hoogste te streven, maar zich met het
middelmatige tevreden te stellen; en het middelmatige, dat
vanzelf allicht ook het algemeene is, verdient alleen in zijne
ilgemeenheid en niet ook individueel te worden besproken.
Toch is er in de godsdienstige poëzie der 17de eeuw nog
^el verschil in toon en kleur waar te nemen, bepaaldelijk in
de NoordeUjke gewesten, waar op godsdienstig gebied zoo weinig
eenstemmigheid heerschte en zoovele van elkaar zeer verschil-
lende sekten gevonden werden. Voorzoover de verschilpunten
hoofdzakelijk van leerstelligen aard zijn, raken zij het wezen
der poëzie niet; maar zeer dikwijls ook gaan zij samen met
meerdere of mindere gestrengheid van levensopvatting, dieper
of oppervlakkiger gemoedsleven, fijner of minder fijn gevoel,
blijmoediger of somberder wereldbeschouwing. Deze brengen
zelfs eenige verscheidenheid in de gedichten van den in dien
tijd op godsdienstig gebied toongevenden kring der Gerefor-
meerden, waarin wij ons nu door dichtvaardige predikanten
zullen laten binnenleiden.
Aan de spits van deze staat, als de oudste en geenszins de
minste, Jacobus Rbvius, die, in 1586 te Deventer geboren,
te Amsterdam werd opgevoed en te Harderwijk studeerde,
waarna hij eerst predikant werd te Zeddam, vervolgens te
Winterswijk en in 1614 te Deventer, In 1641 werd hij als
opvolger van Festus Hommius benoemd tot regent van het
Statencollege te Leiden, waar hij zich een vurig Calvinist
toonde en bij zijne heftige bestrijding van Cartesius door
Curatoren zelfs -tot bezadigdheid moest vermaand worden. Den
15den November 1658 is hij daar overleden.
Ter eere van zijne geboortestad schreef hij in 't Latijn een
nog zeer gewaardeerd werk, „Daventria illustrata", en als
Nederlandsch dichter maakte h\j zich in 1630 vooral bekend
298 VEBZBT TEGEN DATHEBN's PSALMBERIJMING.
door zijne OverysseUche Sangen en Dichten, waarop later nog
enkele andere gedichten volgden, b.v. op de overwinningen
van Gustaaf Adolf van Zweden en op de nederlaag der
Spanjaarden op het Slaak. Al zijne verzen getuigen van een
krachtigen geest, die zich in eigen woorden scherp, soms
hekelend, wist te uiten en de taal daartoe volkomen tot zijne
beschikking had. Zijne streng Calvinistische richting komt ook
in zijne verzen duidelijk uit: hij is er niet zachtzinnig in zijn
oordeel over anderen, maar tevens gestreng voor zich zelf.
Rbvius, die als „reviseur'' eenig aandeel had gehad aan de
Statenvertaling des Bijbels, was het eens, zooals hij zeide, met
„het eendrachtig gevoelen van alle verstandige, dat de nieuwe
oversettinge des Nederduytschen Bybels met een goede ver-
beteringe der Psalmen behoorde gevolgt te werden". De in
de kerken gebruikelijke psalmberijming van Datheen, waaraan
de meerderheid der ongeletterde gemeenteleden bijzonder ge-
hecht was, behoefde daarom nog niet afgeschaft te worden,
maar eischte toch dringend verbetering, en toen Revius eenigen
tijd te vergeefs gewacht had, of ook anderen dat verbeterings-
werk zouden ter hand nemen, gaf hij in 1640 daarvan zelf eene
proeve in 't Ucht onder den titel: „De CL Psalmen Davids,
eerst in Ned. dicht gebracht door P. Dathenum ende nu
gebetert door J. Revium."
Anderen, van meening dat Datheen te willen verbeteren
verloren moeite was, gaven eigen vertalingen in rijm uit, en
ook in rijmlooze verzen, zooals in 1644 Jgan de Brune, die
in zijne voorrede wees op „de gebreklickheid" van Datheen's
berijming, onder de vrienden van poëzie reeds berucht om
„de onduitse taaie, 't slecht gedicht, de onnutte stopwoorden,
als fijn, bloot, eenpaer, koene, gaar, klaar, rein. Baan, dit termijn,
enz. en vele onwoorden als pof kansen en diergelijke, die onder
deese heilige gesangen gemengt zijn", zooals hij zeide.
Even ongunstig oordeelde Huygens over Datheen's werk in
het korte lofdichtje, door hem in 1656 gemaakt op de nieuwe
psalmberijming die Henrick Bruno toen in 't licht zond.
„Dat een van Datheen*', zeide hij, „daer is de wereld sot nae",
en waarom? alleen omdat het „'t oudste kind" was; maar de
vromen mochten er dan alle mee tevreden wezen, „'t was all
te vreen op God na", vreesde hij. Dat Huygens in het kerk-
HUYGENS' PLEIT VOOR HBT OBGBLGEBRUIK. 299
gezang bijzonder belangstelde, is bekend : niet alleen de woor-
den, maar ook de muziek ging hem zeer ter harte, en onder
zijne eigene composities waren dan ook verscheidene nieuwe
psalmwijzen. Vooral ook ergerde hij zich aan de oorverscheu-
rende manier, waarop zoo vaak in de kerken werd gezongen:
een euvel, dat, naar zijne meening, alleen te verhelpen was
door den zang, meer dan gewoonlijk plaats vond, met orgel-
spel te begeleiden, want .zelfs in de groote stadskerken ontbrak
het orgel toen nog dikwijls of werd het niet gebruikt. Zoo
kreeg bv. de Westerkerk te Amsterdam eerstin 1687 een orgel.
Zooveel belang stelde Huygbns hierin, dat hij zelfs in 1641
een prozageschrift in 't licht zond, getiteld: „Ghebruyck en
onghebruyck van 't Orgel in de Kercken der Vereenigde Neder-
landen", waarin hij welsprekend pleitte voor het orgel als
middel om de stichtelijkheid der godsdienstoefeningen te ver-
hoogen of liever om het onstichtelijke er van te verminderen,
maar waarin hij tevens uitdrukkelijk te kennen gaf, dat hij
het orgel niet misbruikt wenschte om er de zinnen mee te
streelen, zooals in de Roomsche kerken zoo dikwijls geschiedde.
Dat hij ook tegen zulk een misbruik te velde trok, was noodig,
omdat men hem anders, vreesde hij, van papisterij zou ver-
dacht hebben, daar de strenge Calvinisten immers alle kunst
bij de godsvereering uit den booze achtten en als paapsche
afgoderij veroordeelden.
Toch heeft hij daarmee niet kunnen verhinderen, dat zekere
Jan Jansz. Galckman een zeer heftig en lasterlijk libel als « An-
tidotum" uitgaf tegen de werking van het paapsche venijn,
dat Huygens, zooals het heette, met een schijnheilig gezicht
in de Kerk trachtte te verspreiden. Huygens vond dit ge-
schrift zóó beleedigend en gevaarlijk, dat hij meende zich te
moeten verdedigen door een bundel „Responsa prudentium"
uit te geven, waarin hij gunstige beoordeelingen van gezag-
hebbende mannen over zijn geschrift had bijeengebracht, terwijl
hij bovendien nog bewerkte, dat de Haagsche kerkeraad het
«Antidotum" als een lasterschrift veroordeelde en den schrijver
dwong, «christelyke satisfactie" te geven. Van overhelling tot
het pausdom verdacht te worden, was, voor wie gaarne protes-
tant wilde blijven, destijds zóó gevaarUjk, dat, naar het mij
toeschijnt, Huygens' spoedig hierop gevolgde aanval op Tessel-
300 NIEUWE PROEVKN VAN PSALMBERIJMING.
schade's „misgeloof ', zooal niet uitsluitend, dan toch grooten-
deels, heeft moeten dienen om den verkeerden indruk uit te
wisschen, dien hij op menigeen door zijn pleiten voor het
kerkorgel had gemaakt.
Zelfs de afkeuring van Datheen*s psalmberijming was bij de
fijnen verdacht, en daarom was het niet zonder beteekenis,
dat zelfs Cats in 1659 in een lofdicht voor den tweeden druk
der, het eerst in 1648 uitgegeven, psalmberijming van Mr.
CoRNELis BoEY durfdc schrijven, dat Davids harpgezang „na
langen tijd gebroght in onse spraeck, by menigh mensch bynaest
was sonder smaeck", zoodat Boey allen lof verdiende, die „op
Davids harp als op vemieude snaren speelde". De groote massa
gereformeerden toch vereenzelvigde Datheen's berijming zoo-
zeer met de gewijde liederen van David zelf, dat iedere andere be-
rijming hun, daarbij vergeleken, als menschenwerk en niet meer
als Gods woord in de ooren klonk. Men wilde nu eenmaal in de
kerken niet het werk zingen van dezen of dien bekenden dichter.
Toen de predikant van Ridderkerk, Hermes Gelosse, in
1665 weder eene nieuwe psalmberijming uitgaf, begreep hij
dan ook wel, dat er geene kans was, die in de kerken inge-
voerd te krijgen en gaf hij in zijne voorrede den volgenden
raad: „Ik meene, dat indien ooit een ander rijm van David
in de Neederlandse Kerken in plaatse van Datheni rijm mochte
komen ingevoert te worden, hetselve allerbest en alderbequaamst
aldus soude konnen geschieden, te weeten: indien uit alle
degeene, die de Psalmen Davids ooit in rijm gestelt ende in
't licht gegeven hebben, wierde uitgekipt hetgeene allerbest
met den text overeenquam, het beste duits ende de beste rijm
was, ende dat daaruit dan een psalmboek wierde ge-
maakt, om zo alle d' ijdle eere, nijd en wangunst uit Ghristi
kerke te weeren, dat seekerlijk te wachten stonde, zo wanneer
iemants rijm in 't particulier die eere wierde aangedaan".
Dit „concept" beviel „bysonderlik wel" aan den Amster-
damschen goudsmid en voorzanger der Amstelkerk Hendrie
Ghysrn, en hij ondernam met oordeel en geduld het door
Celosse aanbevolen werk. Hij verschafte zich een groot aantal
psalmberijmingen, niet minder dan zeventien, en heeft „deese
alle ingesien, vers tegen vers, ja reegel tegen reegel, en die
met malkander vergeleeken, beneffens de Textwoorden van
DB DOOR GHY8BN GBHBRUIKTE PSALMBBRIJMINGBN. 301
de nieuwe Oversettinge en dan, zoveel de rijm, op malkander
slaande, konde lyden, datghene uitgekipt, dat, na sijn oordeel,
het naaste aan de woorden of zin van den text qaam, en de
vloeienste rijm was". Verder veranderde hij zelf hier en daar
een woord. Dezen arbeid noemde hij „het plukken van bloemen
en saamenbinden tot een bouquet", en dezen bundel gaf hij
in 1686 met eenige lofdichten (ook van Huygens, Vollbnhovb
en Balthazar Bbekbr) in 't licht onder den titel van „Hoonigraat
der Paahndichten ofte Davids psalmen met d'andere lofsangen".
De dichters, die hij voor zijn werk heeft geplunderd, wier
verzen hij netjes in stukjes heeft geknipt om ze dan als eene
legkaart, soms inderdaad niet onverdienstelijk, weer tot een
geheel te maken, noemt hij zelf op, en wij zullen zijn voor-
beeld volgen, om te doen zien, hoevelen zich vóór dien tijd
al met het berijmen der psalmen hadden bezig gehouden.
Gedeeltelijk hebben wij ze trouwens al vroeger besproken of
althans genoemd. In chronologische volgorde zijn het:
Petrus Dathbbn (1566), Philips van Marnix (1580), Antho-
Nis DB HuBERT (1624), DiDBRicüs Rapelsz. Camphüysen (1680),
Jacobus Rbvius (1640), de Amsterdamsche predikant Henri-
cus Gbldorpiüs (1644), Mr. Cornelis Boey (1648), de Leidsche
spraak- en wiskunstenaar Christiaen van Heule (1649), Jacob
Westerbabn (1655), Henrick Bruno (1656), de Amsterdam-
sche predikant Jacobus Clbrquius (1664), Hermes Gelossb
(1665), DiRCK Adriabnsz. Disselburg (1666), die gedeeltelijk
in rijm, gedeeltelijk rijmloos had vertaald, de Amsterdamsche
drogist JoANNES Six van Chandelier (1674), die in 1657 reeds
een bundel niet onverdienstelijke „Poesy" van verschillenden
aard had uitgegeven, Mr. Samuel van Huls (1682), eerst klerk
ter griffie van de Generaliteit en later secretaris van Prins
Willem III, JoACHiM Oudaek (1684) en Johannes Roldanus
(1685), predikant te Enkhuizen.
Van enkele andere psalmvertalingen had Ghysen geen ge-
bruik kunnen maken, zooals bv. van die van Joan de Brune,
als in rijmlooze verzen geschreven, en „ De versnaarde konings-
harp", door den Hagenaar Christoffel Pibrson in 1679 te
Gouda, waar hij toen woonde, uitgegeven, omdat daarin „de
psalmen Davids na den text of naasten zin verkort'' waren.
Evenmin kon Ghysen gebruik maken van „ De Psalmen Davids
302 ABRKOUT VAN OVBBBBKS.
in Nederduytsche Rijmen gestelt" door Mr. Abrnout van
OvBRBBKB, omdat zij gedicht waren „op deselve wijsen en
getal van sang-versen, als die in de Gemeenten in Nederlandt,
de onveranderde confessie van Augsburg toegedaen, werden
gesongen". Zij waren in 1663 opgedragen aan de predikanten
en ouderlingen der Luthersche gemeente te Amsterdam, waartoe
Abenout van Ovbrbbkb toen behoorde, ofschoon hij te Leiden
(in 1632) geboren en daar ook in de rechten gepromoveerd
was. Ook hij was Zuidnederlander van afkomst, daar zijn
vader, als zoon van een uitgeweken Antwerpenaar, te Frank-
fort aan den Main het levenslicht zag. Te vergeefs hoopte hij,
dat zijne psalmberijming in de Luthersche kerken zou worden
ingevoerd ter vervanging van de wel wat verouderde van
Van Habcht, die daar nog altijd in gebruik was, tot zij wat
later vervangen werd door de in 1680 gedrukte berijming van
Jan van Duisberg, die al evenmin voor Ghysbn's doel ge-
schikt was.
Van Overbeke, die op eigen kosten zijne psalmberijming
had uitgegeven, heeft er slechte zaken mee gemaakt, en daar
hij door losbandig leven totaal op zwart zaad geraakt was,
nam hij, zooals in dien tijd zoovele berooide pretmakers deden,
zijne toevlucht tot de Indien. In 1668 ging hij als Raad van
Justicie naar Batavia, maar reeds na vier jaar keerde hij als
bevelhebber van eene retourvloot terug. In 1674 overleed hij
te Amsterdam, en zeker heeft men hem geen goeden dienst
bewezen door vier jaar later „De Geestige werken" van hem
verzameld uit te geven. Toch zijn zij later nog dikwijls her-
drukt, omdat de platte geestigheid dezer meerendeels zoutelooze
verzen en de reeds in 1668 van hem verschenen „Geestige en
Vermaeckelicke Reys-beschryvinge naer Oost-Indiën", die ook
in den bundel is opgenomen, bijzonder in den smaak vielen
bij de talrijke liefhebbers van onstichtelijke aardigheden. Eenige
vaderlandsche gedichten, die Van Ovbrbbkb ook reeds vroeger
had uitgegeven, namen zij daarbij mee in den koop. In de
tweede helft der zeventiende eeuw waren er meer lichtmissen
als Van Overbeke, die zich onder de stichtelijke dichters eene
plaats zochten te verwerven, als hoopten zij door ernstige ver-
zen het gebrek aan levensemst te kunnen vergoeden.
Ten slotte hebben wij nog ééne psalmberijming te vermelden,
vondbl's psalmybrtaung ; conradus goddabus. 303
die Ghysbn voor zijne bloemlezing moeielijk kon gebruiken,
al was het ook de voortreffelijkste, die er in dien tijd (in 1657)
verschenen was, namelijk „Koning Davids harpzangen, den
Nederduitschen toegezongen" door Joost van Vondel en door
hem met een gedicht opgedragen aan Ghristina van Zweden.
Zelfs al ware zij niet berijmd naar de Vulgaat, dan nog zou
zij voor Ghysen's doel minder bruikbaar geweest zijn, omdat
de strophenbouw niet toeliet haar te zingen op de gebruikelijke
melodieën, die ieder wenschte te behouden.
Hoe hoog VoNDBL overigens de psalmen stelde, blijkt wel
het duidelijkst uit zijne reeds veel vroeger aan Gornelis van
Campbn gerichte ode: „Wie üavid pooght te steecken naer
zijn kroon, die terght, als Lucifer, den hooghsten troon, en
word geschopt uit dat oneindigh schoon des Groeten Vaders".
Een eigenaardigen tegenhanger van deze dichterlijke ode gaf
Vondel in eene andere, in den zelfden welluidenden strophen-
vorm aan Daniël Mostart gewijd onder den titel: „De
Roomsche lier", met den aanvang: „Wie Flakkus pooght te
steecken naer syn kroon, die tart, als Pan, ApoUoos hoogen
toon, en krijght in 't end den welverdienden loon van Midas
ooren". Toch zag Vondel in David den „onnavolgelijcken
Harpenaer, die 't lierspel dooft van Flakkus en Pindaer".
In plaats van de tegenstelling vindt men juist de samen-
stemming van David en Horatius afgebeeld op het titelblad
van de „Nieuwe Gedichten, Sonder rym, naa de Griexe en
Latynse Dicht-maten, op allerhande soorten van Verssen,
ingestelt" door Conradüs Goddaeüs, sedert 1634 opvolger van
zijn vader als predikant van Vaassen op De Veluwe. Deze
bundel, die in 1656 te Harderwijk het licht zag, bewijst dat
er ook in de zeventiende eeuw letterkundigen waren, die iets
durfden en die er hunne eer in stelden de wereld te verbazen
met iets wat „noit voor desen in Neder-duits gesien nochge-
bruiklik" was, zooals min of meer pralerig te lezen staat op
het titelblad, dat zijn beeldwerk dankt aan de vier en twintig
psalmen Davids, op verschillende Horatiaansche versmaten
vertaald in den bundel te vinden.
Goddaeüs verkeerde zelf in den waan, dat hij met zijne
verzen eene geheele omwenteling zou brengen in de Neder-
landsche dichtkunst. Tot het maken van rijmlooze verzen had
304 CLA88IEKE VERSMAAT DOOR G0DDABU8 VOORGESTAAN.
Geeraaxdt Brandt, zooals wij beneden zullen zien, toen reeds
door pleit en proeve aangespoord, maar Goddaküs ging veel
verder: niet alleen het rijm wenschte hij te verbannen, maar
ook de Nederlandsche versmaat. In eene zeer uitvoerige voor-
rede, waarin alles, wat er van dien aard reeds vroeger zoo nu
en dan buitens- en binnenslands was beproefd, zorgvuldig
bijeengebracht was, trachtte hij te betoogen, dat in het vervolg
ook door den modernen dichter de versbouw der classieken
nauwkeurig moest en kon worden nagemaakt. Dat deze vers-
bouw ook de eenige echte versbouw was, nam hij stilzwijgend
aan, maar men meene daarom niet, hier te doen te hebben
met een overdreven bewonderaar van de alleen zaligmakende
classieken : integendeel, Goddaeus is een dweper met de voor-
treflijkheid van het Nederlandsch en zou zich voor „seer
ondankbaer tegen onse algemeine vaderland en gewoonlike
geboort-spraak" gehouden hebben, indien hij niet had trachten
aan te toonen, hoever zijne moedertaal in „bequaemheed tot
de oprechte en suivre Poësy" de classieke talen overtrof.
In zijn bundel nu heeft hij aan de groote verscheidenheid
van Horatiaansche versmaten Nederlandsche woorden onder-
geschoven, want iets anders kan zijn knutselwerk eigenlijk
niet genoemd worden. Klemtoon rekent bij zijne metriek niet
mee: ook in onze taal onderscheidt hij alleen korte en lange
lettergrepen, en wel naar de daarvoor in de classieke talen
heerschende regels. Kort zijn voor hem alleen de met één
letterteeken geschreven en door één medeklinker gevolgde
klinkers: alle andere zijn lang, zelfs de geheel toonlooze klin-
kers, indien er twee of meer medeklinkers op volgen. Op die
geschreven letters heeft hij letterlijk alleen gelet bij het maken
van deze verzen, waarvan de taal zich dan ook van het dorste
proza door niets anders onderscheidt, dan door tal van latinis-
men, en toch komt hem nog niet eens de naam van rijmelaar toe.
Uit één der twee grootere gedichten van den bundel: een
„Swane-sang", door hem in langdurige ziekte geschreven, en
een gedicht „Helle-brand", of een briefdoor den rijken man der
gelijkenis van uit de hel aan zijne broeders op aarde gezon-
den, zal ik enkele regels als proeve meedeelen, namelijk den
aanvang van het laatste gedicht, in wat hij hexameters oi
heroïsche verzen noemt:
OODDABUS' CLASSIEKE VERSMAAT; WILLEM SLUYTER 305
,,Soo uit I d'Helle wel | oit een | brief op 'er | aerde ge | raekt is,
Wenscht' ik | , dat dees* | ook dan | vailig | wierde be | handigt
Aen myn | vyf Broe | ders, 't leven | alsnoch | zynde ge | nietend' ;
Soo s' hun I niet scha | men my | voor haer | seste te | houden".
Verder vindt men in den bundel 144 kleine gedichtjes op
177 personen uit den bijbel, van Adam af tot Christus toe,
onder den titel „Tooneel der Oude Wereld". Het laatste ge-
dichtje zegt van Jezus in Sapphischen strophenvorm :
,,DeBe I den Leeu | is van het | edle | Juda
Tmaagde | lik zaad | , Immanu | el, met | ons God :
Zynde | daerdoor | hier op'er | aerd ge | zegent
Alle ge I slachten | .
Duirig I hem toe I komt lof en | eere | , beide
Hier en | hier nae | maels hy is | onsen | Heiland,
Ende | der woor | den Godes | het Be | ginsel,
Middel en | Einde*'.
Blijkbaar heeft men in letterkundige kringen bij het lezen
van deze verzen de schouders opgehaald. Navolging hebben
zij, meen ik, bij niemand gevonden.
Grooter tegenstelling is er moeielijker te denken, dan van
GoDDAEUs' pijnlijke maatknutselingen en van de onopgesmukte,
gemakkelijk vloeiende rijmsels van zijn wat jongeren ambtge-
noot WHiLBM Sluytbr, den Gelderschen Oats, zooals men hem
wel genoemd heeft wegens even eenvoudigen, vloeienden en
stichtelijken dichttrant en even groote populariteit, zij het
dan ook slechts in den achterhoek van het land, waar zelfs
in de negentiende eeuw zijne gezangen nog in den huiselijken
kring werden gezongen.
In 1627 te Neede geboren, studeerde hij onder Voetius te
Utrecht en werd hij in 1652 predikant te Eibergen in de heer-
lijkheid Borkulo, aan welker heer. Graaf Otto van Limburg
(-Stirum) en Bronkhorst, hij een zijner dichtwerken opdroeg,
evenals andere aan diens echtgenoote Elisabeth Charlotte en
aan hunne dochter „Gravinne en Vrouwelijn Amelia Louisa
Wilhelmina", die ook zelf dichteres was en, zooals hij zegt,
„hem en sijns gelijk met dichten bijwijle overwon en zelfs
voor gelauwerde geesten niet behoefde te zwichten".
Het lied trok hem bovenal aan en langzamerhand had hij
n 20
306 WILLEM 8LÜYTER.
zoovele „Psalmen, lofsangen ende geestelyke liedekens" ge-
dicht, dat hij ze in 1659 tot een bundel vereenigde, die mis-
schien echter eerst in 1661 het licht zag en in hetzelfde jaar
gevolgd werd door een nog veel omvangrijker bundel „Gesan-
gen van Heylige en Godvruchtige stoffe". Deze bevat in
vloeiend, zangerig rijm vele dagelijksche en bijzondere bede-
zangen, avondmaalsliederen en boetzangen, lofzangen op Jezus,
waarschuwingen tegen de zonde, lessen van deugd en god-
vruchtigheid, liederen bij leed en in benauwde tijden en be-
rijmingen van gedeelten uit den bijbel. In negen boeken zijn
zij onderscheiden en bij den inhoud van het laatste boek
sloten zich zijne reeds genoemde Psalmen en, wat later, nog
eene bewerking van „Het Hooge-lied Salomons" aan. Hij gaf
ze uit als tegengift tegen „soo vele ydele, lichtveerdige, on-
kuysche liedekens", als „er dagelijks gedrukt en herdrukt"
werden in „een groote menigte van soodanige sangboekjens,
die men noemt Minne-beekjens, Lust-hoven, Zang-priëeltjes,
Nachtegaeltjes, etc", want „in der Boekverkoopers winkels*'
zou men, zegt hij, „tegen twee geestelyke wel tien wereldsche
(opdat ik niet en segge beestelyke) lied-boeken vinden, waerin
dikwijls niet een eenig woord van den waren God of van
Christo onsen middelaer en saligmaker gevonden werd, maer
wel seer vele van de Heydensche afgoden, tegen het uytge-
drukte verbod Gods".
In 1662 trad hij in het huwelijk met Margareta Sibylle
Hoornaerts, hem in dwepende vroomheid evenarend, ja, nog
overtreffend, al bij haar leven vervuld van de hemelsche
zaligheid, waarnaar zij zoozeer verlangde, en reeds op aarde
„met haer Hemelse Bruyd'gom als ondertrouwt". Zij vond dan
ook „haer eertroon ras by 't salig Lam", zooals Sluyter (met
verzet der letters van haar naam) zeide, want twee jaar na
hun huwelijk overleed zij op vierentwintigjarigen leeftgd,
kort na de geboorte van hun tweede dochtertje. Met groote
aanschouwelijkheid, veel gevoel en Christelijke berusting heeft
Sluyter haar sterfbed beschreven in zijn gedicht „Doods-echt-
scheydinge", het voornaamste dichtwerk uit zijne „Christelyke
Doods-betrachting", in 1667 uitgegeven door zijn vriend, den
Alkmaarschen predikant Abnoldus Bobnius, die zelf ook zoo
nu en dan stichtelijke gedichten maakte.
WILLEM SLUYTER. 307
Inmiddels was Slüyter door den inval der Munsterschen
uit zijne pastorie verdreven. Na zijne boeken en verdere be-
zittingen te Zutfen in veiligheid te hebben gebracht, was hij
zelf in 1665 naar 's-Gravenhage gegaan, waar hij zich mocht
verheugen in den omgang met zijn ouden vriend Johannes
VoLLKNHOVE, die er toen juist uit Zwolle was beroepen; maar
het stadsleven beviel hem niets, want „wat men ojrt in 's-Gra-
venhaeg op 't haeglijks sag, was maer een plaeg" in zijn oog
„by de Borkeloosche vryheid"; en toen de vrede van 1666
den Achterhoek van vijandelijke troepen had verlost, keerde
hij dan ook zoo spoedig mogelijk naar Eibergen terug. De
vreugde daarover gaf hem zijn meest bekende gedicht „Buy-
ten-leven" in de pen, in 1668 nog eens samen uitgegeven
met een vervolg: „Eensaem huys- en winter-leven", waar-
achter weder verschillende gezangen op het landleven zijn
opgenomen.
Het „Buytenleven" is in hoofdzaak eene verdediging van
Slüyter's eenzaam leveij, dat door velen werd afgekeurd.
Buiten is het, naar zijne overtuiging, veel beter dan in de stad
met al hare drukte en haar gewoel, waar men slechts de
wereldsche ijdelheid najaagt en zijne lusten bot viert. Het
stille buitenleven daarentegen geeft ruime gelegenheid tot
kalme overpeinzing van het hoogere, en voor wie dat verlang^,
is de verdere omgeving onverschillig. Wel mist men buiten
de praal der steden met hare grootsche gebouwen, en vuil
en slijkerig is het er soms ook, maar het slijk, dat de
schoenen besmet, is beter af te boenen, dan het vuil der
zeden, waarmee in de steden de ziel bevlekt wordt. Overigens
vindt men daar buiten de schoonheid der natuur, die de ste-
deling niet zoo te zien krijgt, vooral op een zomerochtend als
de zon heerlijk verrijst, de bedauwde Jonge teere spruyten
haer hoofd uytsteken in de locht" en het voglenheer „op de
twijgen singt en springt van blijdschap, omdat het weer een
nieuwe dag met nieuwe vreugt aenschouwen mag." Zelfs in
den winter gevoelt hij zich veel behaaglijker, „wanneer hy
in een warme kamer in stille vryheyd" stichtelijk en tegelijk
vermakelijk werk heeft mogen verrichten, dan wanneer „een
narreslee met bellen door al de straten van de stad hem op
en neer getrokken had.". Van deze en andere stadsvermaken
308 WILLEM SLÜYTBR.
■
heeft hij een afkeer, omdat ze zoo gevaariijk zijn. Buiten
komt men niet in de verleiding. „De lusten, die de siel be-
kooren, zijn lichter te eenemael te smooren, dan soo te
maeVgen, dat het hert niet eenigzins verstrikt en wert", en
zoo gaat hij voort met het buitenleven te prijzen, het stads-
leven te hekelen, om dan te eindigen met de verklaring:
„Een mensch, die stil en geern' alleen is, met God, sijn
hoogste lot, gemeen is en niet met 's werelds sorg beswaert,
heeft als een hemel hier op d'aerd."
Het „Eensaem huys- en winter-leven," dat volgt, geeft eene
beschrijving van zijn eigen eenzaam leven, want zijne beide
dochtertjes worden elders opgevoed. Slecht één vertrek heeft
hij in gebruik, studeerkamer en keuken te geUjk. Dienstboden
heeft hij niet noodig: zelf stookt hij zijn vuur, kookt hij zijn
eten, opent hij de deur. Alleen voor het ruwste werk heeft
hij een half uur per dag eene dienstmaagd. Dat schijnt
armoedig, maar „wat heeft de mensch een gelukkig lot, die
dag by dag niet van veel goud, mapr van zijn leven reek'ning
houdt" en, overdaad van drank en spijs schuwende, matig
weet te leven en na den soberen maaltijd zich mag verlus-
tigen met psalmzingen. „Met boeken en goed schrijf-gerak"
verlustigt hij zich. Zijne eenige gasten zijn dorpelingen, die hem
dikwijls van het noodige voorzien, dat hij zich ook niet ont-
houden wil; maar hij heeft weinig noodig. Alleen om zijne familie-
leden en kinderen te zien en om het oog te laten gaan over
het drukken zijner gedichten begeeft hij zich soms naar de
stad, maar het liefst is hij in zijn kluisje. „Dat lykt het Mon-
nikleven well" voegt men hem soms toe, maar hij antwoordt:
zijn leven strekt tot bewijs, dat men nog niet behoeft te be-
hooren tot de „geschoren kloosterlien" om „'s werelds y del-
heen te kunnen ontvlieden."
Zou men SLUYTflB hier met zijn gematigd ascetisme een
protestantschen kluizenaar of monnik kunnen noemen, een
protestantsch Mariavereerder toonde hij zich met zijn „Loüsang
der Heylige Maegd Maria," dien hij in 1669 uitgaf, tegeUjk
met zijn, ook reeds vroeger verschenen, gedicht „Triumphee-
rende Christus.'* De approbatie der Zutfensche classis, die zijn
gedicht „conform Gods Woord bevond," vrijwaarde hem
tegen de beschuldiging van toenadering tot het Catholicisme;
(
WILLEM SLUYTER. 309
doch dat hij een nieuwen bundel , Vreugd- en Liefde-sangen"
besloot met een woordspelend gedicht „Op de mis-geloovige
misse," wekt het vermoeden, dat hij, die wel steeds de booze
wereld, maar nooit eenigen vorm van kerkgeloof aanviel,
daarmee de verdenking van niet goed protestant te zijn heeft
trachten te weerleggen.
Zijne eigene gemeenteleden en die van de omliggende
dorpen droegen hem echter als op de handen, en, wat hem
nog meer genoegen zal gedaan hebben, zongen met opgewekt-
heid zijne liederen, waarvan hij mildelijk uitdeeling hield.
„Rondom in onse kerspel van Eybergen," schreef hij, „hadden
se een bysonder Sang-lust gewekt en alle lichtvaerdige on-
tuchtige liedekens byna t'eenemael, door Gods genade, uytge-
dreven;" en uit vreugde daarover droeg hij in 1670 aan zijne
eigene gemeente nog een nieuwen omvangrijken liedbundel op,
getiteld „Eybergsche Sang-lust." Hij was er vast van overtuigd,
dat hij voor zijne dorpelingen niet nuttiger had kunnen zijn,
dan met zijne „eenvoudige Sang-dichten, die ook de minste
van haer konden verstaen, van bujrten leerden en alsoo al
haer leven lang onthielden, behalven datter ook vele door de
bekoorlijkheyd der Sang-tonen tot het lesen en andere goede
plichten aengelokt en opgewekt werden ; ja ook haere kleyne
kinderen selfs hierom te liever ter scholen gingen en te grager
en vrymoediger werden tot 't lesen, wanneer se hoorden, dat
de woorden soo op malkander rymden en op allerley aenge-
name wijsen konden gesongen en uytgegalmt worden." Wie
dat leest en weet, dat het geene grootspraak, maar beproefde
waarheid is, mag niet zonder waardeering van Willem
Slüyter spreken en moet zijne gezangen wel voor goedge-
slaagde voorbeelden van volksliederen houden, wil hij althans
den schijn niet op zich laden van alleen volkspoëzie te noe-
men, wat door onbeholpenheid en naïveteit den overbeschaafde
soms voor een oogenblik kan bekoren.
Dat Sluyter in 1672 nog eens door de Munsterschen ver-
dreven was en toen op het huis te Schagen Justina van
Nassau had aangetroffen, in de lezing van Jeremia's klaag-
liederen troost zoekend voor de rampen, waardoor het vader-
land toen getroffen werd, gaf hem aanleiding om ook „Jereraia's
Klaeg-liederen op dicht- en sang-mate" te stellen en haar
310 WILLEM SLUYTER KN JODOCUS VAN LOiJBNSTBYN.
nog in hetzelfde jaar dien bundel op te dragen. Het was zijn
Jaatste werk. Het beroep naar Rouveen, dat hij in 1673 aan-
nam, kon hij niet meer aanvaarden: in December 1673
overleed hij te Zwolle, nog slechts in rijm eene „lykreden**
op zich zelf aan zijne Eibergsche gemeente nalatende, die
met een berijmd „graf-schrift van hem selfs" na zijn dood
werd uitgegeven.
Aan vriendschap en waardeering ontbrak het hem niet,
en evenmin aan lofdichten. Wy vinden er vóór zijne -vele
dichtbundels verscheidene, zooals van eenige zijner Geldersche
ambtgenooten, Magnus Umbqrovius, predikant te Borkulo,
EvBRHARDüs Beckinck, predikant te Neede, Andreas TjOderus,
predikant te Doesburg, en Gualthbrüs Herckmans, predikant
te Oosterbeek; maar ook van meer bekende collega's uit
andere streken van het land, zooals Volkbrus van Ooster-
WIJCK, JOHANNES VoLLENHOVE en JODOCÜS VAN LODBNSTBYN,
die in vele opzichten een geestverwant van Sluyter was en
evenals deze het stichtelijk gezang voor een krachtig middel
hield om godvruchtige gezindheid en vroom geloof te onder-
houden of te wekken.
Uit een patricisch geslacht werd Jodocüs van Lodensteyn
den 6den Februari 1620 te Delft geboren. Te Utrecht studeerde
hij onder Gysbertus Voetius, wiens getrouwe leerling hij
levenslang gebleven is en bij wiens dood in 1676 hij een ge-
dicht „ter gedachtenisse" schreef. Een tweejarig verblijf te
Praneker ten huize van Coccejus na zijn ütrechtschen studie-
tijd heeft hem wel tot een vriend, maar allerminst tot een
aanhanger van Coccejus gemaakt. In 1644 aanvaardde hij het
predikambt te Zoetermeer en Jfegwaard en in 1650 vertrok
hij vandaar naar Sluis.
In hetzelfde jaar werden ook zijne eerste verzen gedrukt,
namelijk „Memoriale versen over History-boucken des Ouden
testaments", later nog vermeerderd met dergelijke over de
„vijf Histori-boeken des Nieuwen testaments", die het best in
eene geschiedenis der mnemotechniek op hunne plaats zijn,
evenals de eerst na zijn dood uitgegeven berijming van het
Lukasevangelie. Zijne liederen dagteekenen met enkele uit-
zonderingen eerst van na 1653, toen hij beroepen werd tot
JODOCÜS VAN LODKNSTKYN. 311
predikant te Utrecht, wat hij tot zijn dood (6 Aug. 1677) ge-
bleven is.
Deze liederen geven hem recht op eene eigen plaats in de
geschiedenis onzer letterkunde als de voornaamste dichtuitingen
eener godsdienstige richting, die zooveel aanhang heeft ge-
vonden, dat zij onder den titel „Uyt-spanningen" in vier
boeken niet minder dan zestien uitgaven (de laatste van 1780)
hebben beleefd, terwijl na 's dichters dood eenige, vroeger af-
zonderUjk uitgegeven, gedichten nog in een tweede deel zijn
verzameld.' Wanneer de eerste druk het licht zag, is niet be-
kend, maar daar de liederen bijna alle gedateerd zijn, weten
wij, dat verreweg de meeste gedicht zijn van 1659 tot 1665,
toen eene zware ziekte hem trof. Misschien zijn zij kort daarop
voor 't eerst gedrukt, maar in latere uitgaven draagt de voor-
rede als dagteekening 7 Julii 1676.
Het lag evenmin in Lodenstbyn's karakter als eertqds in
dat van Camphuysen, om met zijne liederen eenigen kunst-
roem te willen behalen; maar Camphuysen deed dat zijns on-
danks, LoDBNSTEYN heeft dat mijns inziens noch door den
vorm, noch door den inhoud zijner liederen kunnen doen.
Welluidend zijn zij slechts eene enkele maal; de dichterlijke
beeldspraak is er niet nieuw of, indien wel, niet zelden wan-
smakelijk. Meent men er nu en dan den toon van Hooft of
Vondel in te hooren, dan is het alleen omdat Lodbnsteyn
enkele van hunne liederen in eigen woorden heeft nagebootst,
zooals Vondel's rei van Klaerissen en Hooft's lied „het vinnig
stralen van de son'*, dat in zijne omwerking een minnelied tot
den geestelijken herder geworden is.
Soms hebben de liederen betrekking op bepaalde gebeurte-
nissen, ook in 's dichters familie- of vriendenkring, zooals bv.
het lijkdicht op zijn Utrechtschen ambtgenoot en boezemvriend
Justus van den Bogaert, die in 1663 overleed en dien hij ook
in een uitvoerig prozawerk herdacht. De vervolgingen der
Waldensen in 165o en nog eens in 1661 — 63 gaven hem (zooals
ook De Decker en Oudaen) een „Treur-gesang over d'elende
der Piedmontoysen" in de pen, en andere gedichten hebben
betrekking op geruchtmakende twisten in zijn tijd.
Daartoe behooren vier treurliederen over de kerkelijke voor-
vallen van 1660, waarin hij ten nauwste betrokken was. De Re-
312 JODOCÜS VAN LODEN8TEYN.
geering der stad Utrecht eischte toen, evenals die van Amster-
dam in 1630, voor twee afgevaardigden uit haar midden toe-
lating tot de kerkeraadsvergaderingen, en de beide predikanten,
Abraham van de Velde en Johannes Teelinck, dié daarover
op den preekstoel tegen [de Overheid losgedonderd hadden,
werden uit hunne bediening ontslagen*, waarmee Lodensteyn
de autonomie der Kerk aangetast achtte, zooals hij ook zelf
van den preekstoel scherp genoeg te kennen gaf. Ook later is
hij nog dikwijls in zijne preeken, waarvan er verscheidene ge-
drukt zijn en waarmee hij grooten opgang maakte, tegen de
Overheid uitgevaren, wanneer die in de kerkelijke zaken wilde
ingrijpen. „Wat geestelickheyt is er in de Overheden! veele
zyn Atheïsten!" durfde hij eens van den kansel zeggen.
Zoo koos hij ook partij voor zijn vriend Jacobus Koelman,
die ook als dichter van „Geestlyke gezangen" bekend is, toen
deze in 1674 door de Staten van Zeeland, tegen den wensch
zijner gemeenfte in, was afgezet als predikant te Sluis, omdat
hij zich niet aan Overheid en kerkordening wilde onderwerpen
op het stuk van strenge onderhouding der kerkelijke feestdagen
en woordelijk uitspreken der formulieren. Koelman verzette
zich daarmee — en Lodensteyn was het geheel met hem
eens — tegen al te vormelijken godsdienst. Volgens beiden
was de Gereformeerde kerk verslapt en ontaard. Er moest
nieuw leven in de doode kerkgebruiken gebracht worden.
Strenger dan gewoonlijk gebeurde moest de Sabbatsrust worden
onderhouden. Krachtiger moest tegen het veldwinnend Cartesia-
nisme, zooals dat aan de Leidsche hoogeschool verkondigd
werd, worden opgetreden.
Met dat alles hield Lodensteyn nog niet op, rechtzinnig
Calvinist te zijn, en het is dan ook aan zijne vijanden niet ge-
lukt, hem wegens ketterij te doen veroordeelen ; maar toch ge-
voelden de strenggereformeerden wel, dat, mocht hij dan ook
op leerstellig gebied al geen ketter zijn, het toch juist niet
de echt Calvinistische geest was, die hem bezielde. In de
Gereformeerde kerk vertegenwoordigt hij in dien tijd de
mystiek-piëtistische richting, en het zijn vooral zijne liederen,
die daarvan getuigden. Zij dienden om tot onderlinge stich-
ting der wedergeborenen gezongen te worden in de oefenings-
bijeenkomsten der vromen, die ten huize van Voetius gehouden
J0D0CÜ8 VAN- LODENSTEYN. 313
werden, of ook wel ten huize van de geleerde dweepster Anna
Maria Schuebmans, althans tot 1666, toen zij verhuisde naar
Middelburg, waar op aanbeveling van zijne Utrechtsche geestver-
wanten toen Jean de Labadie uit Genève tot Waalsch predi-
kant beroepen was. Met hunne vriendschap voor dezen dweper
hebben de Voetianen zich min of meer gecompromitteerd,
vooral nadat hij in 1668 als predikant weer was afgezet en
eerst te Amsterdam, later buitenslands, leeringen verkondigd
en bijeenkomsten gehouden had, die terecht groote ergernis
wekten, maar door Lodensteyn werden verontschuldigd.
Met Sluyter had Lodensteyn eene zekere voorliefde voor
het monniken-ascetisme gemeen. Zelf altijd ongetrouwd ge-
bleven, verdedigde hij het kloosterwezen, als te onrechte door
de Hervorming afgeschaft, en prees hij het coelibaat, omdat
strengheid van zeden daardoor het best kon bevorderd
worden, want al wat wereldsch was, was zonde in zijn oog, en
niet te gestreng kon het veroordeeld worden. De onvolmaakt-
heid der menschelijke natuur mocht er niet als verontschuldiging
voor worden aangevoerd : die natuur toch kon verbeterd worden
door bekeering en wedergeboorte. Daarin nu kon men zich stelsel-
matig oefenen op de wijze van Tauler en Thomas a Kempis,
wier geschriften hij hoog stelde. In onderlinge oefeningen kon
die wedergeboorte worden bevorderd onder gebed en gezang,
maar ook in de heilige eenzaamheid, wanneer men zich in
gemeenschap voelde met God. „Al myn tragten, myn ver-
wag^en is na U, myn God, alleen", zong hij, en met minachting
van alle bekoringen der wereld riep hij uit: „Hoog, omhoog,
myn ziel, na boven ! Hier beneden is het niet : 't rechte leven,
lieven, loven is maar daar men Jesum siet!'*
De liederen op den „lieven soeten Jesus", wiens heilig leven
ieder tot voorbeeld moest strekken, herinneren in vele opzichten
aan de middeleeuwsche liederen der minnende ziel, zooals bv.
een „lied der minne tusschen Emanuel en Sulamith op de
maniere van harders-sang". Wie in Jezus gelukkig is, blijft
onverschillig voor aardsche rampen, meende hij, en hij toonde
ook, dat hij dat waarlijk meende, toen hij in November 1673
met dertien andere aanzienlijke Utrechtsche burgers door de
Franschen, die voor hun aftocht Utrecht gebrandschat hadden,
als gijzelaar meegevoerd werd naar het fort Rees, waar hij
814 JODOCUS VAN LODBNSTfiVN ES JBRBMIAS DB DBGKBR.
gevangen bleef tot de schatting betaald was, d. i. tot Februari
1674. Zelfs „gevangen", wilde hij toen niet ophouden „'s Hemels
Heerscher vry en bly met gesangen te loven" ; immers „'s Hemels
Geest en kent geen band", zeide hij in zijn lied „Hert-sterckte
in Jehova", het eerste der vier liederen, die hij in zijne ge-
vangenschap dichtte en die onder den titel „Meditatiën over
eenige van 'sHeeren Gods Eygenschappen" gedrukt z\jn,vóór
zij in de „Uyt-spanningen" werden opgenomen.
Zijn Slüytee's liederen meest onder zijne Geldersche dorpe-
lingen gebleven, die van Lodensteyn hebben overal in dorpen
en steden, waar piëtistische oefeningen gehouden werden, vorm
gegeven aan de uitingen der vrome gemoederen, en niet alleen
hier te lande, maar ook in Duitschland, waar Lodensteyn
nog lang daarna onder de piëtisten hoog stond aangeschreven,
zoodat men ook d&dr meermalen zijne liederen heeft vertaald
of nagevolgd.
XLin.
Stichtelijke poëzie van Contra-remonstranten en Remonstranten.
Niet alleen godsdienstige liederen, maar ook stichtelijke
leerdichten en bijbelbespiegelingen zijn er in de tweede helft
der zeventiende eeuw bij ons in groot aantal gemaakt, en die
van den beminnelijken Jeremias Abrahamsz. de Deckbr
treden daaronder op den voorgrond. Ook diens vader was
weder een Brabander, van Antwerpen geboortig. Na tot de
verdedigers van Oostende behoord te hebben, had hij zich
eerst te Dordrecht neergezet, waar zijn zoon Jeremias in 1609
geboren werd, en vandaar vertrok hij weinige jaren later naar
Amsterdam. Daar was hij eerst specerij handelaar en vervolgens
makelaar, een beroep waarin zijn zoon hem ijverig behulp-
zaam was. „Om kleenen makel-loon" moesten zij zich moe
loopen „van 's morgens vroeg tot 's avonds laet"; maar „de
daelders en dukatons en kloncken noch en rammelden hun
niet zeer in buidel of kasse", te minder omdat vader en zoon
beiden hun vrijen tijd verder aan studie wijdden. Geschied-
boeken en reisverhalen waren 's vaders lievelingslectuur en
ook de geestesspijs, waarmee de zoon van jongs af werd
JKREMIAS DE D£CKi£R. 315
opgevoed. De vader kende de Oudheid alleen uit de tweede
hand en gaf uit het Fransch vertalingen van Florus en
Eutropius, door den zoon in 1664 ter perse gelegd; maar hij
zorgde er voor, dat zijn zoon tot de geleerde kooplieden van
zijn tijd zou behooren en ten minste Latijn leerde.
Diens oudste gedichten zijn dan ook goede vertaliugen naar
Latijnsche dichters, als Horatius en Prudentius, waarbij later
nog vertalingen kwamen van Juvenalis' veertiende en Persius'
vierde hekeldicht, van heldinnenbrieven van Ovidius en van
SaHnazarius' „Galathea", als voorlooper der achttiendeëeuwsche
navolgingen van diens visscherszangen. Omvangrijker vertaling
was die van Buchanan's treurspel Baptisies (of Dooper), door
De Decker in 1652 uitgegeven, een jaar nadat hij voor 't
eerst als dichter de aandacht op zich gevestigd had door het
omvangrijkste zijner oorspronkelijke stichteUjke gedichten, de
„Qoede Vrydag ofte Het Lijden onses Heeren Jesu Christi".
De roem van dit gedicht klonk nog na tot ver in de 19de
eeuw en de „cierlyke netheid", die Vondel in De Decker
prees, mag er dan ook zeker eene verdienste van genoemd
worden, zooals van alles wat geschreven werd door dezen
dichter, die zich zelf niet spoedig voldeed en langen tijd aar-
zelde, vóór hij iets ter perse durfde zenden. Met moeite kon
men hem in 1656 bewegen, zijn „Goede Vrydag" met zijn
„Dooper" nog eens uit te geven, samen met eene bloemlezing
uit zijne kleinere gedichten, en aan een nieuwen druk, dien
een ander uitgever in 1659 van zijne „Rym-oefiFeningen*'
{ zooals zij toen heetten) tegen zijn uitdrukkeUjken wensch in
de wereld zond, voegde hij sleq^ts schoorvoetend eenige nieuw-
gemaakte gedichten toe en ook eenige eerstelingen, die toen
ongetwijfeld door hem verbeterd zijn, namelijk berijmingen
van verschillende psalmen en van de „Klaegliederen Jeremiae,
op psalmwijzen gestelt", waarvan hij zeide, dat zij „onrijpe
fruyten van syne noch seer jonge en byna kinderlijcke jaren"
waren.
De „Goede Vrydag" bestaat uit tien tafreelen van ongelijken
omvang en verschillend van dichtmaat, ofschoon bij alle de
alexandrijn regelmatig door korte versregels wordt afgewisseld.
Hooge dichterlijke vlucht neemt het gedicht niet ; zelfs maken
zeer prozaïsche opmerkingen in alledaagsche woorden niet
316 JBREMIAS DE DECKER.
zelden een indruk van smakelooze banaliteit, die zoovele stichte-
lijke gedichten kenmerkt; maar daartegenover staan roerende
ontboezemingen van innig gevoel, die zeker menig vroom lezer
tot tranen toe zullen bewogen hebben; daartegenover treft ons
ook de groote aanschouwelijkheid, waarmee bv. Christus' gee-
seling wordt geschilderd en zijne kruisiging, zóó dat wij „de
spijkeren met ysselijcke slagen door hout en handen hooren
jagen". Dat de dichter de tafreelen van Jezus' lijden besloot
met een tafreel der verrijzenis, was eene gelukkige gedachte
van hem: geen „duyster graf' immers kon „den Vorsf die
eeuwig leeft" gevangen houden. Dood en hel had hij door zgn
kruisdood overwonnen.
Ofschoon in geen enkel opzicht afwijkend van het recht-
zinnig gereformeerd geloof, dat hij aanhing, doet De Decker
zich noch in dit dichtwerk, noch in eenig ander voor
als een ijverig Contra-remonstrant. Daartoe was hij veel
te vredelievend en zachtzinnig van karakter. Evenmin
echter heeft hij er aan gedacht, in een puntdichtje („Op
Pansa"; de praedestinatieleer aan te vallen, zooals Wbster-
BAEN meende, die, een bondgenoot in hem ziende, daar-
over in 1658 eene, twee jaar voortgezette en ook uitge-
geven, briefwisseling met hem begon, waaruit wij zijn vrij-
zinnigen geest kunnen leeren kennen. Grondige studie heeft
hij, zooals hij daar zegt, van de twistpunten der Remonstranten
en Contra-remonstranten niet gemaakt, daar hij ze altijd heeft
„gehouden voor speculatiën, die de gronden der saeligheyd
heel weynig betreffen;" en hij zou wenschen, dat men nu
maar ophield met daarover t^ strijden. „Dat Lutersche en
Menisten sich afscheyden van de publycke Kercke, heeft
eenigen schijn van reden," zegt hij, maar waarom zouden
Remonstranten en Contra-remonstranten zich niet weer ver-
eenigen? 't Was „een seer bot, grof, ja godloos misverstant
geweest, dat men in den beginne om sulcke dingen Staet en
Kercke so schendig heeft beroert en overhoop gesmeten en
den anderen so lelijck verkettert, en dat ten wedersijden meer
uyt haet en bitterheyd als uyt liefde tot de waerheyt." Nu
echter kon men wel wijzer geworden zijn en moesten de Re-
monstranten weer tot de publieke kerk terugkeeren. Men zou
ze daarin gaarne opnemen, zonder veel naar hunne gevoelens
JKRBMIAS DB DBCKBR. 317
te vragen, en had dat in Amsterdam ook reeds met verscheidene
Oudremonstranten gedaan, die daarom nog niet tot de strenge
praedestinatieleer bekeerd waren. De oude Gereformeerden,
„die in 't gevecht geweest en noch heet waeren in hun
harnasch," waren nu overleden of „hebben water in hun wijn
loeren doen" en zullen om zoo klein verschil de terugkee-
renden niet willen uitsluiten, terwijl van het groote publiek
nu niet één op de duizend weet, „wat d'oorsaecke sij der
aparte vergaderingen" en „elck syne partije volgt niet u}i;
verstand, maer slechts uyt gewoonte en op voorgang van
ouderen." Hartelijk wenscht hij daarom „dat die sotte
scheuringe en uyt blinde passiën onstaene breucke eenmael
mochte werden geheelt en genesen". Men mag het er gerust
voor houden, dat in de Gereformeerde kerk, althans in Holland,
de groote meerderheid er evenzoo over dacht en dat men in
de officiëele kerk van het geharrewar over spitsvondigheden
genoeg begon te krijgen. Alleen onder de Doopsgezinden bleef
het nog lang heftiger toegaan, al gold het daar gewoonlijk
meer het leven dan de leer.
Dezelfde goedmoedige geest, die uit De Deckeb's brief-
wisseling spreekt, blijkt ook uit zijne kleine gedichten, als
zijn „Lentelied", zijn „Aendacht op den Kersdagh des jaers
1659, zijn uiterst bevallig gedichtje „Te vroeg opluikende
bloeme", zijn „Morgen-stond" en verder uit zijne verzameling
van meer dan zevenhonderd vertaalde of oorspronkelijke
puntdichten, die daarom dezen naam dan ook niet met volle
recht dragen, want puntig zijn zij zelden, scherp z^n zij nooit.
Zelf wist hij ook zeer goed dat zijne puntdichten „soo pun-
tigh en aerdigh alom niet en sloten als den aerd eens Punt-
dichts is vereyschende", en zelf bekende hij : „heel goed jocks
en ben ik niet en hebbe veel liever dat Ghy leert als lacht".
De meeste kleine gedichtjes uit den bundel zouden dan ook
eer zedespreuken mogen genoemd worden, gewoonlijk in
keurig-beknopten vorm en verstandig van zin, nooit persoonlijk,
maar in 't algemeen vooral ontucht en zedeloosheid bestraffend
en zelf nooit aan den gewaagden kant, want „van Martiaelsche
vuyligheden was hy doodvyand."
Door tijdgenoot en nageslacht gewaardeerd en ook met
verschillende dichters zijns tijds bevriend, bleef De Decker
318 JBRBMIAS DK DEOKER.
zich toch steeds in beperkten kring bewegen, meer uit liefde
dan uit eerzucht de poëzie beoefenend, en zeker niet uit
geldzucht. „De Poëzy doet selden schoorsteen roocken," schreef
hij op het laatst van zijn leven uit ondervinding: alleen met
vertaalwerk verdiende hij soms een paar „blanken," en
daarin is dan misschien ook de reden te zien, waarom hij
levenslang ongehuwd is gebleven, ofschoon hij zich geen
huwelij kshater toont. Toch kan het ook wel zijn, dat de vrouw,
met wie hij eenmaal gelukkig hoopte te wezen, hem te vroeg
door den dood is ontrukt. Er bestaat namelijk een klinkdicht
van hem „Op de dood van Iemand," waarop, meen ik, nog
nooit bijzonder de aandacht is gevallen. „Stort nu een beek
van tranen, o mijn' oogen," zoo begint het, „nu ghy die
oogen siet soo jammerlijck met duisternis betogen, die bovenal
met ongeveynst medoogen en waeren druck oyt sagen mijn
verdriet; die uyt mijn heil, dat luttel was of niet, oprechte
vreugde en waer genoegen sogen." Hare deugd, zoo eindigde
hij, leefde voort in zijne gedachten. Onwankelbare trouw aan
eene gestorven geliefde zou dan ook wel niet zoo vreemd zijn
in een zoo teergevoelig man als De Dbckeb blijkbaar ge-
weest is.
Zonder eigen gezin, hechtte hij zich te inniger aan zijne
ouders, zijne broeders en zusters en hunne kinderen. Aan-
doenlijke liefde spreekt uit het lijkdichtje op den dood van het
zoontje zijner zuster Catharina, wier huwelijk met den wiskunste-
naar en schrijfmeester Willem Verjannen hem ook een brui-
lofbsdicht had doen schrijven ; maar van dankbare genegenheid
getuigt vooral het gedicht op de gouden bruiloft zijner ouders
in 1657. Van zulke gelegenheidsdichten vloeit onze letterkunde
over en de geschiedschrijver, „die schricklijkst daervan zwijgt
heeft allerbest gedaen," maar met die van De Decker behoort
hij eene uitzondering te maken; deze toch gebruikte ze alleen
om eens de gelegenheid te hebben, zijn gevoelig hart uit te
spreken in eenvoudigen trant zonder eenige jacht op dich-
terlijk sieraad; maar daar zij alleen kwamen uit de volheid
van zijn hart, zijn zij in hun eenvoud welsprekender dan
menige lierzang, die hooger vlucht neemt.
Sommige schijnen geschreven voor de eeuwigheid, omdat
er eene oprechte liefde en eene innige droefheid in klinkt,
JBBKMIAS DB DEOKBR. 319
die eeuwig weerklank zal blijven vinden, zoolang de heilige
band, die ouders en kinderen verbindt, zal gevoeld worden.
Geene gedichten van Db Decker zijn dan ook zoo bekend ge-
worden, als de „Suchten en Tranen over 't lyck myns Vaders,
overleden den 16 Mey 1658", een bundel van vijf rouwdichten
over den dood van den man, die hem „by sijn leven was
als een God geweest." Geen vader heeft misschien ooit van
zijn zoon zooveel lof en dank ontvangen, en weinigen zullen
die misschien ook zoozeer hebben verdiend ; en toch is er
niemand, die bij het lezen dezer rouwzangen aan overdrijving
zal denken, of, doei hij het, dan heeft hij den dichter om die
overdrijving te liever.
De dood, „die bittre en ongetrouwe", had hem en de zijnen
„van rouw in rouwe gerukt", want de grijze vader bezweek,
toen de zijnen nog nauwelijks waren uitgetreurd over den
dood van hun broeder David, te Batavia overleden, wien De
Decker bij zijne heenreis naar de 'Indien een hartelijk af-
scheidslied had toegezongen. En dezen overleden broeder prijst
hij nu gelukkig, als hij uitroept: „O saligh ghy, die ons ver-
driet, ons bitt'ren huys-rou niet en siet, en niet en hoort ons
lijck-gebaren, maer sacht en vreedsaem uytgestreckt in 't
uyterst end der Oesterbaren ligt van 't Javaensche sand ge-
decktl" Het was Db Decker*s laatste rouwzang niet: in 1664
perste hem de pest, die toen bij ons zoo hevig woedde, weer
„Tranen op 't graf van synen broeder Abraham" uitdeoogen;
maar nog één broeder bleef hem over, om over hem rouw
te dragen, toen hij zelf in December 1666 onverwacht onder
een hevigen koortsaanval bezweek, en om een jaar later het
omvangrijke gedicht uit te geven, dat Jeremias de Decker
gemaakt en reeds (zelfs met de voorrede) voor de pers in ge-
reedheid gebracht had, zijn Lof der Geldzucht
Erasmus' „Lof der Zotheid", door zijn vriend Westerbaen
in verzen overgebracht, heeft De Decker, zooals hij zelf zegt,
opgewekt om een dergelijk uitvoerig hekeldicht te schrijven.
Ongelukkig ontbrak hem Erasmus' bijtend vernuft en gaat de
hekeling bij hem telkens in bespiegeling over. Zelfs zijn er
gedeelten, waarin de toon der satire zoo weinig gehoord wordt,
dat wij den lof, aan de geldzucht toegezwaaid, bijna voor
ernstig gemeend zouden houden. De dichter toch was veel te
320 JEREMIAS DB DECKER EN VOLKERÜS VAN OOSTBRWIJCK.
waarheidlievend en bezadigd van oordeel, om te willen over-
drijven en het nut te willen miskennen, dat het geld te allen
tijde gesticht heeft en bij goed gebruik moet blijven stichten.
De echte dichtvervoering neemt het gewoonlijk met de waar-
heid zoo nauw niet. Dat behoeft ons echter niet te verhinderen
in den „Lof der Geldzucht" ook menige goedgeslaagde be-
schrijving, menige treffende zedenschildering op te merken,
vervat in eene keurige taal en vloeiende versmaat. Daarin,
zooals over het algemeen met zijne verzen, toont De Decker
zich een voorlooper van de dichters der achttiende eeuw;
maar terwijl deze, zooals men wel eens heeft opgemerkt, taal
en maat en rijm hunner verzen zoolang likten tot alle dich-
terlijk gevoel er uitgelikt was, heeft De Decker de kunst
verstaan, een zuiver en innig gevoel zóó er in te doen
leven, dat ook nu nog bij het lezen van zijne verzen in ons
hart de teerste aandoeningen van zachten weemoed worden
gewekt.
Bij andere stichtelijke dichters behoeven wij niet zoo lang
stil te staan, bv. bij Volkerus van Oosterwijck, in 1603 te
Delft geboren, waar hij van 1640 tot 1670 predikant was en
op den laatsten dag van het jaar 1675 overleed. Verschillende
gedeelten van den bijbel gaf hij „in sangrijm" uit, zelfs (in
1660) den „Heydelbergschen Catechismus." Evenals zijn vriend
HuYGENS, die in 1649 aan het proza van Archibald Arm-
strong's „Banquet of Jests" (1630) ruim honderd sneldichtjes
ontleend had, berijmde Van Oosterwijck in 1657 onder
den titel „De Christelycke Seneca" „driehondert Gulde
Spreucken'* uit het proza werkje „Occasional Meditations" van
Joseph Hall, bisschop van Norwich. In 1659 gaf hij nog
eens driehonderd rijmpjes uit onder den titel „Hof-bloemen,"
en op beide bundels maakten zoowel Hüygens als De Dec-
ker lofdichten. De laatste had ook reeds, naar aanleiding van
Van Oostkrwijck's in 1655 uitgegeven „Rymen en zangen
over 't Hooglied", aan de „schaemteloose Venus-wichten, die
Parnas tot een bordeel maeckten," toegeroepen: „leert uw
minnedichten voortaen wysselyken richten naer dien kuisschen
minnetoon."
Voor menigen vrome, die gaarne minnedichten schreef
zonder daarom als wereldling te boek te willen staan, was
SIMON ABBBS GABBBMA BN FRANCI8CU8 MARTINI US. 821
het Hooglied eene ware toevlucht, en het is dan ook niet
vreemd, dat zoovelen altijd maar weer aan de berijming van
datzelfde bijbelboek hunne krachten beproefden, zooals o. a.
in 1654 de geleerde, maar weinig ijverige vriend van Gys-
BERT Japicz, namelijk Simon Abbes Gabbema, in 1628 te
Leeuwarden geboren, daar in 1659 geschiedschrijver van
Friesland geworden en in 1688 overleden.
Een ander stichtelijk dichter, wiens verzen bij De Decker 's
„Goede Vrydag" te vergelijken zijn, wasFRANCiscusMARTiNius,
in 1653 op eenenveertigjarigen leeftijd gestorven als predi-
kant te Epe, ringbroeder en vriend van Goddabus, die hem
een grafschrift en twee andere metrische gedichten wijdde.
Het oudste, wat wij van Martinius kennen, was „Camper-
Lof, door hem in 1641 gedicht ter eere van zijne geboortestad,
waar hij ook drie jaar als conrector aan de Latijnsche school
verbonden is geweest. Toen in 1648 de Veluwsche kwartier-
school te Harderwijk tot Geldei-sche hoogeschool werd ver-
heven, vierde hij die voor zijn gewest zoo heuglijke ge-
beurtenis met een feestdicht, dat bijzonder de aandacht op
hem deed vestigen, en ook reeds drie jaar vroeger had hij
niet geringen lof van Hooft ingeoogst, bij wien hij op het
Muiderslot eens met Barlaeus ten eten was geweest en op
wien hij toen wel geen bij zonderen indruk had gemaakt, maar
wien hij kort daarop een gedicht toezond, waarover de Drost
aan Barlaeus schreef, dat hij er „veele aardige slaagen en
schranderheeden in speurde, die hem deden gelooven, dat hij
voor geenen van onze Duitsche Rijmers (uitgezonderd Huygens)
zouw behoeven te wijken, wen het hem lustte zijnen geest
aan de Poëzy te koste te leggen".
Dat laatste nu heeft hij niet gedaan, want bij zijn betrek-
kelijk vroegtijdigen dood liet hij slechts een paar gedichten
van eenigen omvang na: het door Hooft geprezen „Treur-
gedicht tot Verklaringe over 't Lyden en Sterven van onsen
Heere Jesus Christus", o.a. in 1649 afzonderlijk verschenen,
en de onvoltooide „Triumphe der Opstandinge van onsen
Heilant Jesus Christus", in 1654 gedrukt: beide met verschil-
lende kleinere vroeger hier en daar verspreide verzen ook te
vinden in den bundel zijner in 1729 verzameld uitgegeven
«Gedichten". Brandt verheerlijkte Martinius in een graf-
21
322 HEIMAN DULLABRT.
schrift, als iemand die „van godtlijk vier geraekt en heil'ge
lust gedreven, sijn Heylandts lijden zong en 't bloedt dat hy
vergoot", en voegde er bij, dat hij stierf, toen hij op het punt
was, ook in verzen Christus' hemelvaart te beschrijven.
Niet veel ouder dan Martinius stierf een ander, in het oog
zijner vrienden even verdienstelijk en even veel belovend,
stichtelijk dichter, namelijk Heiman Dullaert, die in 1636
te Rotterdam geboren werd en door zijn zwak gestel slechts
met moeite den leeftijd van achtenveertig jaar bereikte. Door
zijn ouderen vriend Oudaen in een hartelijken lijkzang be-
treurd, leefde hij nog lang daarna als een edelaardig, vriende-
lijk en zachtmoedig man in de herinnering zijner vrienden voort,
dermate zelfs, dat David van Hoogstraten er nog in 1719 toe
kwam, zijne hier en daar verspreide, maar meerendeels onge-
drukte gedichten, in een bundeltje bijeenverzameld, uit te
geven. Deze meende ook, dat Dullaert „onder de beste
dichters eene aenzienlyke plaets verdiende", doch het nage-
slacht heeft dat oordeel niet kunnen bevestigen, daar zijne
gedichten, die meest van gemoedelijk-stichtelijken aard zijn
en gedeeltelijk bijbelwoorden of bijbelsche voorstellingen tot
onderwerp hebben, zoo weinig een eigen karakter bezitten,
dat het ons onmogelijk is, ze anders dan met algemeene
termen te kenmerken. Bij zijne zwakke gezondheid was het
een geluk voor hem, dat zijne middelen hem veroorloofden
zonder ambt of beroep te leven, al nam hij ook, als diaken
van de Waalsche gemeente, aan het kerkelijk leven deel, en
al legde hij zich ook als liefhebber ijverig toe op muziek en
schilderkunst. Ter beoefening van de laatste kunst begaf hij
zich zelfs voor geruimen tijd naar Amsterdam, om zich daar
te stellen onder leiding van Rembrandt, van wiens schilderijen
hij goede copieën leerde maken.
Veel meer naam dan deze stichtelijke dichter maakte de,
ook als kanselredenaar gevierde, Johannbs Vollenhove, in
1631 geboren te Vollenhove, waar zijn vader burgemeester
was, en, na een jaar predikant te Vledder geweest te zijn, in
1655 te Zwolle beroepen en vandaar tien jaar later naar Den
Haag gegaan, waar hij 14 Maart 1708 overleed. De Universi-
teit van Oxford verleende hem het eeredoctoraat in de theologie,
toen hij in het laatst van 1674 eenigen tijd te Londen dienst
JOHANNES VOLLENHOYB. 823
deed als predikant bij het buitengewoon gezantschap, dat daar-
heen was gegaan om er een zeevaartverdrag te sluiten.
Onder zijne gedichten treft men eenige rijmbrieven aan, uit
Engeland overgezonden, waarin o.a. de verrukkelijke omgeving
van Londen, het lieflijke Theemslandschap met Windsor en
Richmond wordt verheerlijkt en verbazing wordt uitgesproken
over al de pracht, die Londen nog ten toon kon spreiden na
den hevigen brand, die er in 1666 had gewoed en waardoor
VoLLBNHOVB zclf toou gezougou had, dat Londen, «te deerlyk
van het vier verslonden, nu dezelve stadt, nu geen Londen
meer was, maar een woeste puinhoop". Bij hem en ook bij
VoNDBL, Wbsterbaen, De Dbckbr en anderen, die dien brand
bezongen evenals Samubl van Hoogstraten, die tijdens den
brand in Londen woonde, heette dat toen eene gerechte straf
voor den brand, kort te voren op Terschelling gesticht door
de Engelschen, wier hoofdstad, als zij zich niet haastten het
oorlogsvuur te blusschen, voor Vollbnhove, een roofnest
zonder eer zou blijven, al „stichtte men daar ook schoner
beurs en straten, al zag men een nieuw Londen weer, gebout
met enen glans en luister, daar 't oude doof by stont en
duister".
Dit vers van Vollbnhove is steeds tot zijne beste gedichten
gerekend, evenals ook de „Lykklagt op Graaf Nicolaas Serini",
die, strijdend voor den Keizer tegen de Turken, in 1665 ge-
sneuveld was. Van die lijkklacht toch schreef Vondel, dat het
„een lierzang was, dien heldt waardig en uit een volle ader
van de hengstebron uitgeborsten". Ook reeds veel vroeger
had Vondel, ondanks zijn afkeer van predikanten, Vollenhove
geprezen en hem zelfs een der beide zonen genoemd, die hij
in de dichtkunst zou nalaten, naar aanleiding van Vollen-
hove's proefstuk als dichter, dat tegelijk zijn meesterstuk was,
namelijk de Kruütriomf. Hij had het „al een wyl tyts gedicht
voor syn beroep" in 1655 naar Zwolle en droeg het in 1656
aan de Regeering van Zwolle als een dankofier op. Duidelijk
kunnen wij er uit zien, dat Vondel vooral zijn voorbeeld was
geweest, en vijfentwintig jaar later riep hij nog den dichters
en ook zich zelf toe : „Leert Vondei's taal, Parnastaal, spreken".
Die taal klinkt ons dan ook inderdaad wel tegen uit den
„Kruistriomf. Er is kracht en gloed in; maar een echte zoon
324 JOHANNB8 VOLLBNHOVB.
van Vondel was Vollenhove toch niet, en in zijne latere
gedichten nauwelijks een kleinzoon.
Een groot gedeelte van die latere gedichten gaf Vollenhove,
met den „Kruistriomf ' samen, onder den titel „Poëzy" in 1686
uit, en de godsdienstige gezangen, die in dezen vrij omvang-
rijken bundel voorkomen, zijn in 1750, dus lang na 's dichters
dood, nog eens herdrukt en toen vermeerderd met een groot
aantal andere gezangen in denzelfden toon, door Vollenhove
na 1686 en voor het meerendeel in 1693 gedicht. Zij wor-
den in dien bundel onderscheiden in kruisgezangen, feest-,
boet-, troost-, lof-, wek- en mengelzangen. Wat niet van zuiver
stichtelijken aard was, is in dezen tweeden bundel niet weder
opgenomen.
Men vindt er daarom ook niet de „kerkdichten" van den
eersten bundel in, en dus ook niet de bekende „Klagte over
den kerktwist" van 1678, waaruit wij Vollenhove als vrijzinnig
en vredelievend geestverwant van Jeremias de Decker leeren
kennen, afkeerig van „twistgeschreew", waarmee „de Fari-
seew valschelijk zyne eerzucht weet te vergulden". „Leert
hier u zelfe verzaken: leert nedrigheit van Christus kruis, en
vrê met waarheit planten : Dat past Godts vrêgezanten", roept
hij er zijnen „broeders" in toe; maar als predikant had hg
die medebroeders en de kerkbesturen te ontzien, en aanvanke-
lijk schroomde hij daarom het gedicht, ook zelfs anoniem, in
het licht te geven, „duchtende, dat syn stijl al te kenbaar
was en de waarheit by wrevelige menschen niet zou willen
gezegt zyn". Zoo schreef hij aan zijn vriend Brandt, dien
hij juist om zijne vredelievendheid zoo hoog schatte, en wiens
sterk gekleurd remonstrantisme hij volstrekt niet hinderlijk
vond, te minder nog omdat zij zich in de eerste plaats als
dichtvrienden beschouwden en „Parnassus zich geen verschil
in kerkleer aanti'ok".
Behalve deze „kerkdiohten" bevat Vollenhove's eerste bun-
del nog een groot aantal gelegenheidsdichten, bij verjaarfeest,
bruiloft of overlijden van vrienden, helden en grootwaardig-
heidsbekleeders gezongen. Daaronder trekken de aandacht het
hartelijk gedicht van 1663 „Op het jaargetyde*' van zijne eerste
vrouw, Gezina Hake, en de „Gedachtenis*' bij haar dood in
1681. Toch, hoe innig hij ook haar heengaan betreurde, twe^
JOHANNBS VOLLBNHOVB. 325
jaar later konden zijne vrienden (in de eerste plaats Brandt,
en verder o. a. ook Huygbns) hem in verzen gelukwenschen
met den nieuwen huwelijksband, toen door hem geknoopt met
Kathaiina Roozeboom, eene kleindochter van SimonStevin.
Leefde de geest van dien grooten grootvader in zijne klein-
dochter voort, dan zal dat voor Vollenhove in haar eene
aantrekkelijkheid te meer geweest zijn, want evenals Stevin
was ook hij een voorstander van de zuiverheid zijner moeder-
taal, en een zijner merkwaardigste gedichten is dan ook zijn
gedicht van 1678 „Aan de Nederduitsche schrijvers". Hij be-
strijdt daarin het gebruik van bastaardwoorden en van eigen-
namen met Latijnsche buigingsuitgangen, en spaart ook
„den preekstoel" niet, die „Pransch, Latyn, Hebreewsch met
Duitsche woorden spreeckt". Maar zijn gedicht is niet alleen
een pleit voor taalzuivering: het stelt ook allerlei andere meer
en meer ingeslopen taalgebreken aan de kaak, en is zelfs
grootendeels eene spraakkunst in i-ijm, waarin bv. bij lidwoor-
den en voornaamwoorden gewezen wordt op de juiste buigings-
uitgangen voor de verschillende taalkundige geslachten.
Met dit gedicht staat Vollenhove op den drempel van een
nieuw tijdvak in onze letterkunde, waarbij hij trouwens ook
voor de laatste vijfentwintig jaar van zijn leven behoort. Hij
is hier in theorie, wat hij eigenUjk in al zijne gedichten in
de practijk was: iemand voor wien de poëzie in de allereerste
plaats bestond in het gebruik van eene zuivere, oordeelkundig
beschaafde, grammatisch juiste taal. Toen Brandt's tweede
zoon, Gekraardt, in 1683 op zevenentwintigjarigen leeftijd
als Rotterdamsch predikant overleden was, en hij dien jongen
man in een lijkdicht ook als dichter prees, noemde hij hem
„in bruiloftzang en lyk- en zededichten al even schoon en
zuiver door zyn vyl". Hoe menigmaal zou hier later de vijl nog
dienst moeten doen om poëzie tot proza af te gladden of aan
proza den schijnglans van poëzie te verleenenl
Van de Gereformeerde stichtelijke dichters zijn wij door den
jongen Gebraardt Brandt te vermelden reeds onwillekeurig
tot de Remonstrantsche overgegaan: een overgang trouwens,
die ons door Vollenhove's vriendschap voor sommigen onder
hen niet moeieUjk is.
Vermelding verdienen onder hen, althans met een enkel
326 REMON8TRANT8CHB DICHTERS; PIBTBR DE GROOT.
woord, de Leidsche glasschrijver Willem van Heemskerk, op
wien wij later nog terugkomen, de Rotterdamsche boekver-
kooper Johannes Nabranus of Jan van der Neer, wiens
geschriften echter veeleer stekelig dan stichtelijk te noemen
zijn, NicoLAAS BoRREMANs, tot 1652 predikant te Nieuwkoop,
daarna te Maasland, behalve door veel proza ook door enkele
kleinere gedichten bekend, en Pietkr de Groot, Hugo's zoon,
over wiens veelbewogen leven en veelzijdig bedrijf als staats-
man wij hier natuurlijk moeten zwijgen, maar die als dichter
in drie talen (Latijn, Fransch en Nederlandsch) hier niet on-
vermeld mag blijven, al behandelde hij de poëzie slechts als
eene bijjzaak, zoodat hij dan ook nooit een gedichtenbundel
heeft uitgegeven, maar alleen zoo nu en dan zijne verzen aan
vrienden afstond om ze in eene der verschillende destijds
verschijnende bloemlezingen te plaatsen, b.v. in „Verscheyde
Nederduytsche Gedichten" (van 1651) en „ApoUo's Harp"
(van 1658). In den laatsten bundel vindt men van hem o.a.
een uitvoerig stichtelijk gedicht: „üp de geboorte onzes Heeren
Jesu Christi". Zijn voornaamste dichtwerk, „Uitbreiding der
Psalmen", werd eerst in 1724 uitgegeven, dus lang na zijn
dood, daar hij in 1678 op drieënzestigjarigen leeftijd overleed,
na zich „trou voor staat en vryheit" gekweten, maar levens-
lang in het lot zijns vaders gedeeld te hebben: „gevlucht, ge-
keert, beticht, maar loflyk vry gesproken*', en als „over winner
van zyn ongelyk en leedt" gestorven, zooals het heet in het
grafschrift, voor hem gemaakt door Gberaardt Brandt,
die, naast Wbstbrbaen, de eigenlijke dichter der Remonstranten
mag genoemd worden.
Van Antwerpsche afkomst, werd Brandt 25 Juli 1626 te
Amsterdam geboren, waar zijn vader Gerrit, ook reeds een
geboren Amsterdammer, wegens zijne liefde voor de dichtkunst
eenigen tijd schouwburgregent is geweest en overigens een
bestaan vond als horlogemaker en werktuigkundige, waarvoor
aanvankelijk ook zijn zoon werd opgeleid.
Deze toonde reeds jong zijn aanleg voor de poëzie en waagde
er zich nog vóór zijn achttiende jaar aan, een oorspronkelijk
treurspel te schrijven, Veinzende Torquatus, dat, ofschoon zonder
reizangen, zoowel de „Aran en Titus" van Jan Vos navolgt, als
de treurspelen van Seneca, waaruit verschillende versregels meer
GEERAARDT BRANDT's „VEINZENDE TORQÜATÜS". 327
of minder vrij vertaald zijn overgenomen en waarvan de al
te hoogdravende taal nog vèr overtroffen wordt, terwijl gru-
welen plegen en bespreken schering en inslag is van het stuk
Het merkwaardige van dit treurspel is, dat de jonge dichter
het eerste ontwerp er van ontleend heeft aan eene novelle uit
het zesde deeltje der „Tragische Historiën" van Bandello-
Belleforest, waarin verhaald wordt „met wat een listicheyt
Amleth, namaels Coningh van Denemarcken, gewroken heeft
de doodt van zyn vader Horwendill, omgebracht by syn eygen
broeder Fengo, ende meer andere zyne geschiedenissen", en
dat er dus dezelfde stof in verwerkt is, als in Shakespeare's
„Hamlet". Brandt heeft echter de gebeurtenissen naar Rome
overgebracht en aan zijne personen Latijnsche namen gegeven.
Hamlet zelf heet hier Torquatus, zijn vermoorde vader Manlius,
zijne moeder Plancina, zijn oom, die ook hier zijn eigen
broeder vermoordde en diens weduwe trouwde, heeft er den
naam Noron ontvangen en is er Romeinsch keizer. De Horatio
van Shakespeare treedt ook hier op, maar onder den naam
Junius. Laërtes is er Pizo en zijne zuster Ophelia draagt er
den naam van Juliane. Ook bij Brandt verschijnt de geest
van Manlius aan zijn zoon om hem tot wraak aan te sporen,
ook bij hem veinst de prins, die van Athene, waar hij studeerde,
naar Rome overkwam, zich krankzinnig, en tracht Noron te
onderzoeken, of die krankzinnigheid echt of voorgewend is,
door hem met zijne gehefde Juliane in een bosch buiten de
stad samen te brengen en hem daar bij hun onderhoud te
beluisteren. Evenmin als Hamlet loopt hier Torquatus in de
val: hij blijft zich ook daarbij als krankzinnig voordoen en
doet zelfs aan het „to be or not to be" denken door zijn
„daar ik ben, ben ik niet, en daar ik niet en ben, daar is nu
mijn gemoedt". Verder vinden wij hier Hamlet's tooneel met
zijne moeder gedeeltelijk terug. Ook dat was door den tiran
voorbereid, om zijn neef te doorgronden, en evenals Polonius
bij Shakespeare, boet ook hier de „onder de tappijt" verborgen
Lentulus zijn spioneeren met den dood. Pizo keert hier (doch
als zegevierend veldheer) terug evenals Laërtes, en ook hier
emdigt Juliane met zelfmoord, doch eerst op het eind van het
stuk; als Noron door een geschenk van haar, een vergiftigd
kleed, gedood is, zooals ook eenmaal Seneca's Hercules gedood
328 bbandt's bbbste gbdichticn.
was. Zij doorsteekt zich dan, als eene andere Lucretia, omdat
zij de schande niet wil overleven van door Noron verkracht
te zijn, zooals de dichter zich niet ontzien had, op het tooneel
zelf te vertoonen na haar onderhoud met Torquatus. Bij
Noron vergeleken is Shakespeare's Claudins nog maar een
kind in de boosheid, want Noron stapelt in het treurspel het
eene gruwelstuk op het andere, met dit gevolg, dat bij het
dichtschuiven van bet gordijn Torquatus nagenoeg de eenige
is, die nog het leven heeft kunnen behouden.
Vergelijken van „Hamlet" en „Veinzende Torquatus" zou
vergelijken van dag en nacht zijn ; maar toch verraadt Brandt's
bombastisch gruwelstuk zekeren aanleg, die Caspab Bablaeus
zelfs in verbazing bracht, zoodat hij, vol verwondering in het
stuk den geest van Seneca herkennende, in een lofdicht uitriep:
„'t was eertijds mannen werk, nu komt de têere jeugt en davert
op 't tooneel en tart de gryse hairen". Vooral verwonderde hij
er zich over, dat een jonge man zoo goed de kunst van vein-
zen verstond: een lof echter, dien Bbandt liever maar niet
had moeten verdienen. Toen het stuk in 1645 op den Am-
sterdamschen Schouwburg werd vertoond, kon de jonge dichter
zich gelukkig rekenen, ook Tesselschade onder de belangstel-
lende toeschouwers te zien. Hij had er zijn naam voorgoed
mee gevestigd.
In 1649 gaven Nicolaas Borremans en Johannes Naeranus
alle „Gedichten" verzameld uit, die Bbandt tot dien tijd toe
had gemaakt. Onder de kleinere verzen treft men daar enkele
minnedichten aan en ook een welgemeend lijkdicht op Bablaeus
en een ander „Op d'uitvaart van zyn Hoogheidt" Frederik
Hendrik; maar het belangwekkendste in den bundel is een
zeer uitvoerig gedicht „Op het sluiten der eeuwige vrede", in
rijmlooze verzen. Zulke verzen te schrijven was toen een waagstuk.
Slechts zelden was dat bij ons beproefd, en daarom meende
Bbandt dan ook er zich in eene „voorreede" over te moeten
verantwoorden, als over „een nieuwigheit", ofschoon toch de
Ouden nooit hadden gerijmd, maar alleen de maat hadden in
acht genomen. De oudere Nederlanders echter hadden de
maat verwaarloosd, zeide hijj, en konden daarom het rijm
niet missen; nu echter, sinds Spieghel, Hooft en Vondel* van
„onze poëzy, die te voor en niet als rijm was, maatgedicht"
BRANDT's BIJMLOOZB y&BZBN EN HUWBLIJK. 829
hadden gemaakt, „konden wy het rijm zoo wel ontbeeren als
andere taaien", daar immers het rijm „den geest in een eng
en slaafs perk bepaalt". Ook waren Italië en Spanje ons in
het schrijven van rijmlooze verzen reeds voorgegaan, en zelfs
onder de Franschen, die meest allen aan het rijm hechtten,
waren er geweest, zooals Du Bellay, Montaigne en Mesnadière,
die voor rijmlooze verzen hadden gepleit. „De dichters", had
Huygens gezegd, „zyn dichtblindt: zij zien maer door het
Rijm", en ook daarop meende hij zich te mogen beroepen:
niet in het rijm behoorde de poëzie te bestaan, maar „aardige
vonden en rijke beschrijvingen moesten de Poëzij een ziel
instorten".
In theorie kan men Brandt zeker geen ongelijk geven, en
Franciscus Martiniüs, wiens oordeel hij had ingeroepen,
schonk hem bijval, doch zeker is die bijval weinig algemeen
geweest, daar Brandt, behalve in het om dienzelfden tijd ge-
schreven gedicht „De traanen van den Apostel Peter", nooit
meer met rijmlooze verzen voor den dag is gekomen, zeker
omdat hij gevoelde, dat hij aan de hoogere eischen, die het
rijmloos gedicht stelt, niet kon voldoen. Alleen reeds metrisch
zijn zijne verzen in zooverre gebrekkig, dat zij telkens enjam-
beeren, wat zelfs bij rijmende verzen uitzondering moet zijn,
maar rijmlooze verzen tot een bastaardsoort van rhythmisch
proza maakt, ongunstig afstekend bij een proza met vrijen
rhythmus, op zin en welluidendheid gegrond, zooals de proza-
kunstenaar dat weet te schrijven.
Nadat deze gedichtenbundel was uitgegeven, heeft Brandt
bijna niets anders dan stichtelijke gedichten in 't licht ge-
zonden. Immers spoedig » maakte van een tooneelpoëet de
liefde een predikant", zooals Jan Vos dichtte, en als een ge-
volg daarvan weer „raakte Zuzann', hoe kuisch en koud van
hart, aan Brandt". De wederzijdsche genegenheid toch van
Brandt en Van Baeble hing ten nauwste samen met Brandt's
liefde voor Van Baerlb's schoone en geestrijke dochter
SosANNA, vier jaar ouder dan hij, in wetenschappelijken kring
grootgebracht, zelf ook muziekbeoefenaarster en dichteres, en
alleen geneigd den jongen dichter hare hand te schenken,
als hij het beroep van horlogemaker liet varen en zich aan
de studie wijdde. Zoo begon Brandt dan op tweeëntwintig-
330 bkandt's „stichtelyke gedichten
tt
jarigen leeftijd de studie der theologie en wel, daar hij even-
als de Van Baerles tot de Remonstranten behoorde, aan het
Remonstrantsch seminarie te Amsterdam. In drie jaar had
hij de studie ten einde gebracht en in 1652 werd hij tot
predikant te Nieuwkoop beroepen, vanwaar hij in 1660 naar
Hoorn ging, om zeven jaar later predikant te Amsterdam te
worden en dat tot zijn dood (12 Oct. 1685) te blijven. Even
vóór hij het predikambt aanvaardde, trad hij met zijne
SusANNA in den echt. Zij schonk hem drie zoons, Caspak,
Gekb AARDT en JoHANNES, die als dichters of geschiedschrijvers
in huns vaders voetspoor traden. Hunne moeder overleed in
1674 en een jaar later ging Brandt een tweede huweUjk aan
met Catharina van Zorgen.
Als predikant van kleine gemeenten hield Brandt tijd ge-
noeg over om zich aan de studie te kunnen wijden, en het
was vooral de geschiedbeoefening, die hem aantrok. Als ge-
schiedschrijver heeft hg, vooral door zijn voortreffelijken
prozastijl, veel naam gemaakt en zijn roem tot in onzen tijd
kunnen handhaven. Daarop komen wij later terug. Maar de
poëzie was toch zijne eerste liefde geweest en ook haar wenschte
hij niet ontrouw te worden, al meende hij ook, dat zijn ambt
hem verbood, andere dan godsdienstige poëzie te schrijven.
Nadat hij eenige jaren aan zijne „Historie der Reformatie"
gewerkt had, bekroop hem de lust om, ter verpoozing van dat
werk, stichtelijke gedichten te maken, en hij gaf daaraan toe,
al vroeg zijn vriend Dirck Geesteranus hem ook in 1663, of
„er niet veele zouden zijn, die meerder verlangen hebben
naar het vervolg van de historie, als naar poëzij", omdat
„liefhebbers van de harteroerende rijmen in die kunst wel
meerder stichtelyke stoffe vinden". Die opmerking was juist:
stichtelijke verzen waren er genoeg, en onze letterkunde zou
er niet veel bij verloren hebben, als zij verstoken was ge-
bleven van de „Stichtelyke Gedichten, vervaetende verscheide
gebeden, plichten en opwekkingen ter godtsaeligheit", die
Brandt in 1665 met eene opdracht aan Pieter de Groot uitgaf.
Zonder juist de verdiensten van dezen bundel te willen ver-
kleinen, meen ik mij van verdere bespreking te mogen ont-
houden, en alleen te moeten opmerken, dat als aanhangsel
daarbij gevoegd is een vrij uitvoerig gedicht De Vreedsaeme
BRANDT'S VBBDRAAOZAAMHBID. 831
Chrisieny met nog uitvoeriger proza-aanteekeningen. In den
geest van Hugo de Groot en Franciscus Junius bepleitte hij
daarin de van ware Christenen gevorderde vredelievendheid
en verdraagzaamheid, en bejammerde hij het, dat verschil op
leerstellig gebied zoo vaak tot verkettering leidde, alsof de
zaligheid niet langs verschillende wegen te vinden was. Zoo
had hij ook reeds in 1646 geschreven bij het portret van een
godgeleerde: „Het nieuw Jerusalem wel twalef poorten heeft;
gaan wy door d'eene deur, laat hun dan gaan door d'andren".
Door deze verdraagzaamheid won hij de vriendschap van
velen, ook onder de Gereformeerde predikanten, zooals Mar-,
TiNius en VoLLBNHOVB. Zclfs Sluytbr trad daarom met hem
in briefwisseling, en daaraan danken wij van hem een berijmd
antwoord (van 1667) aan den Eibergschen kluizenaar, waarin
hij hem zijne oprechte vriendschap aanbiedt, om „eens met
hem de vredekerk te bouwen", en waarin hij het alleen be-
treurt, dat Sluytbr wel vriendschappelijk met hem den dage-
lijkschen maaltijd zou willen gebruiken, maar den Remon-
strant toch niet zou wenschen toe te late^i aan den disch des
Heeren. Aan de eerlijkheid van Brandt's overtuiging behoeft
men nog niet te twijfelen, als men het waagt te vermoeden,
dat deze opvatting van het Christendom bij hem meer uit
het hoofd, dan uit het hart voortkwam, daar hij zich in zijn
leven en in zijne geschiedwerken niet altijd zoo zachtmoedig
toonde, als hij beweert, dat de Christen moet zijn. Daarom
konden dan ook zijne vijanden geloof vinden, als zij ver-
klaarden, dat het „stichten van Brandt' in hun oog dikwijls
„brandstichten" was.
Wat van Brandt's latere gedichten nog hier en daar ge-
drukt werd of bij zijn leven ongedrukt bleef, is met zijne
beide reeds genoemde dichtbundels samen in 1725 in drie
deelen als „G. Brandts Poëzy" keurig uitgegeven, en daarin
vindt men ook die kleine gedichtjes, waarin vooral zijne ver-
diensten als dichter uitkomen: bijschriften bij portretten en
grafschriften. In dat vak was hij een meester. Een zoo groot
aantal puntige, kernachtige epigrammen bezitten wij van
geen onzer dichters. Terecht noemde Vondel hem „een goed
epigrammatist". Wij komen er later nog op terug.
832 WBRBLDLINQEN RN VBOMBN, KBRKBLIJKBN BN POLITIBKBN.
XLIV.
Gedichten van Doopsgezinden en Collegianten.
Buiten den kring der Contra-remonstranten en Remonstranten
staat in de zeventiende eeuw nog een groot aantal dichters,
die tot andere kerkelijke gemeenten behoorden, grootendeels
tot de verschillende, nu eens meer gescheiden, dan weder
opnieuw vereenigde, gemeenten der Doopsgezinden. Ook van
hen is menige stichtelijke dichtbundel uitgegaan. Ofschoon
door de strengrechtzinnigen nauwelijks als broeders erkend,
dikwijls verketterd, soms niet eens meer als Christenen be-
schouwd, maken zij op den geschiedschrijver van den gods-
dienst zoowel als vaa de dichtkunst den indruk van niet
minder vroom en stichtelijk, ja gewoonlijk zelfs van vromer
en stichtelijker te zijn, dan de rechtgeloovige leden der Gerefor-
meerde kerken.
Onderscheidt men de menschen van dien tijd, zooals men
ook die van onzen tijd nog zou kunnen doen, in twee typen :
vromen en wereldschen, dan mag men deze onrechtzinnigen
meestal tot de vromen rekenen, zelfs al neemt men niet aan,
dat ieder wereldling uit den aard der zaak ernst of godsvrucht
mist. Menig rechtzinnig lid der Gereformeerde kerken daaren-
tegen was in zijn leven man van de wereld, behagen schep-
pend in aardsche lusten, strevend naar wereldsche eer en
maatschappelijke welvaart, terwijl menig onrechtzinnige vrome
daarvan afkeerig was, in zijn denken steeds van het eeuwige
vervuld. Vroomheid en wereldsgezindheid zijn dan ook, onaf-
hankelijk van iedere kerkelijke instelling, persoonlijke ge-
moedstoestanden, als uitvloeisel van aard en opvoeding.
Behalve in deze beide typen kon men, en kan men nog,
de menschen in twee andere typen onderscheiden, wier ver-
schil hoofdzakelijk berust op maatschappelijke positie of op
verstandelijke overtuiging aangaande de plaats, die de Kerk
behoort in te nemen in Staat en Maatschappij. De vertegenwoor-
digers van deze beide typen werden destijds de kerkelijken
en de politieken genoemd „So van outs als in onse tijden in
meest alle landen", zeide Huoo de Groot, „heeft men gemerct
een groot verschil tusschen de Politijcquen ende tusschen de
WERBLDLIJKB EN KBRKBLIJEB PAOANISTBN. 333
Eerckelijcke persoonen over de theologische questiën: alsoo
de Theologanten alle saacken van religie hoogh ghewoon zijn
te weghen, als waarin haar wetenschap ende uytnementheydt
boven andere personen bestaat. De Overheden ter andere zijde,
lettende op de rust van de republijcque, meenen, dat in vele
van die saken sonder verbreekingh van Godes wet eenighe
redelijcke accommodatie kan vallen: waaruyt dan dickmaal
ghebeurt, dat de Theologanten de Regierders uytkrijten als
luyden dien de Goddelijcke waarheydt niet ghenoegh ter herte
en gaat; de Regierders ter contrarie de Kerckelijcken als
onghevoechelijcke personen".
De Groot nu, die in zijn tijd als het hoofd der politieken
kon beschouwd worden, was ongetwijfeld van nature een
vroom man. Dat waren ook bv. Camphuysbn, Brandt en
OüDAEN, die alle aan de zijde der politieken stonden. Daaren-
tegen was Daniël Heinsius, ofschoon strengrechtzinnig Cal-
vinist, een wereldsch man en als dichter, door zijn inleven in
den heidenschen tijd en zijn gebruik maken van mytho-
logie, waarvoor h\j zelfs eene lans brak, iemand, die ten
volle den indruk kon maken van wat men een „paganist" zou
kunnen noemen. Alle renaissancemannen waren dat min of
meer; maar onder deze waren er toch ook verscheidenen, die
innig vroom konden genoemd worden. Men denke aan Van
M ANDER en Vondel, terwijl daarnaast de werken van Hoopt,
die niet alleen politiek, maar ook wereldsch was, eene veel
meer vaderlandsche, veel minder mythologische kleur hebben.
Vermelding verdient het, dat de bekende, reeds vroeger door
ons genoemde rector der Latijnsche scholen te Amsterdam,
Jacob Barendsz. Heiblocq, die tevens candidaat in de theo-
logie was, met het gebruik van mythologische namen niet
was ingenomen, en uitdrukkelijk zeide, dat hij „met voor-
dacht Cupidoos, Mercuuren en Jupijnen en andre Goden en
Godinnen heeft gemijt".
Zelfs heeft het paganisme juist de meeste bestrijding gevonden
bij onkerkelijken, bij vrome politieken, zooals Camphuysbn,
van wien wij dat reeds hebben gezien, en vooral bij Joachim
>Fransz. Oudaen, die meermalen tegen het, zijns inziens
onchristelijk, gebruik van mythologie te velde trok. Toen
hij in 1662 deelnam aan de bruiloft van Mr. Joan Blasius,
834 JOACHIM OUDAEN TBOBN HET HEIDENDOM.
die een jaar te voren een handboekje voor mythologie onder
den titel „Geslachtboom van Goden en Godinnen" had uitge-
geven, maakte hij van die gelegenheid gebruik om in een
bruiloftsdicht zijn wensch uit te spreken, dat al die mytholo-
gische wanschepsels, „ofschoon ze uitzinnig met den naam van
goden blinken", weer mochten verzinken in den duisteren
afgrond, waaruit ze opgerezen waren. Wilde men er zich mee
verontschuldigen, zooals velen deden, dat die godennamen niets
anders waren dan „namen om cieraat te geven", dan nam h^'
de vrijheid ze „ellendig toeverlaat" voor dichters zonder eigen
vinding, „arm bedelaars-gesmuk" te noemen. Even onbewim-
peld, als OuDAEN hier zijn vriend Blasius verweet wat hij in
hem afkeurde, deed hij het negen jaar later ook zijn vriend
Antonides, want als deze zich in de „voorreden" voor zijn
„Ystroom" verontschuldigt tegenover diegenen, die „zich aen
de naemen van goden en godinnen stooten, omdat ze naer der
heidenen gewoonte zweemen", doelt hij daarmee op Oudaen,
die, hoe bijzonder ook met den „Ystroom" ingenomen, hem
dat duidelijk te kennen had gegeven.
Het sterkst sprak hij zich dienaangaande uit in een gedicht
vóór zijne prozavertaling van „Amobius tegen de Heidenen",
van 1677. Daarin noemde hij het gebruiken van godennamen
„den Alderhoogsten tergen" en „met God en Godsdienst schim-
pen". Moet men ze slechts als ijdele namen en niets meer
beschouwen, wat heeft men dan, zegt hij, aan „die Griekse
en Roomsche poppen", die „vunssige scherminkelbeenen, galgen-
azen, dor geraamte, doo krengen van voorhenen?" Maar hij
vreest, dat zij voor de meesten meer zijn dan namen, dat hij,
die er zich van bedient, „zich van d'eigen geest laat mennen,
doch zyn dwaasheid niet wil weten met hen onvermomt te
erkennen". Immers het leven van dezulken was dikwijls even
„wellustig, wulps en welig", als dat der overspelige goden. Ook
in zijn lijkdicht op Vondel heet het spijtig van den modernen
dichter: „'t Zyn goden wat hy denkt, 't zyn goden wat hy
droomt, 't zyn goden voor en naar, van onderen tot boven", en
in 1688 vermeide hij er zich in, onder den titel „Godenpleit",
in Nederlandsche verzen de Latijnsche gedichten te vertalen,
waarmee Izak de Schepper en Willem Siccama elkaar naar
aanleiding van het gebruik der mythologie hadden bestreden.
JOACHIM FRAN8Z. OUDAEN. 335
Dat zich hier eene ernstige overtuiging uitspreekt, en niet
de geheime jaloezie van. den ongeleerde, die zich zoo menig-
maal in soortgelijke aanvallen op den geleerdere verraadt, blijkt
wel hieruit, dat Joachim Oudabn gerust tot den kring der
geleerden mocht gerekend worden, want, ofschoon hij te Rijns-
burg, waar hij 7 Oct. 1628 geboren was, zijn vader in de
bakkerij moest helpen, bezocht hij toch geregeld de Latijnsche
school te Leiden ; en ook later, toen hij secretaris van Scrive-
Bius geworden was, wiens Latijnsche bijschriften op de graven
van Holland hij in 1651 in Nederlandsche verzen vertolkte,
legde hij zich zóó ijverig op de Glassieken toe, dat hij in staat
was in 1664 een geleerd en doorwrocht werk als „Roomsche
Mogentheid" uit te geven, dat nog lang met vrucht door
archaeologen en beoefenaars van Romeinsche penningkunde
is geraadpleegd. Toen echter had hij al sinds vele jaren den
kring der Leidsche geleerden verlaten, want in 1656 was hij
in het huwelijk getreden met Eeuwitje, de dochter van den
Rotterdamschen steenbakker Stout, en medebestuurder van
diens steenbakkerij geworden, zooals hij tot zijn dood (26 April
1692) bleef.
In Rotterdam was hij langen tijd de hoofd vertegenwoor-
diger der poëzie, maar zijne Rijnsburgsche afkomst ver-
loochende hij niet. Ofschoon uit Remonstrantsche ouders ge-
sproten, en steeds in de politiek medestander der Remonstran-
ten, gevoelde hij zich toch meer geestverwant van de door zijn
moeders familie gestichte sekte der Rijnsburgsche CoUegianten,
wier geschiedenis hij in 1 672 met groote ingenomenheid schreef.
Hig behoorde dan ook levenslang tot die vrome libertijnen,
van welke wij reeds een type hebben leeren kennen in
Camphuysbn, met wien Oudabn bijzonder ingenomen was,
zoodat hij zelfs van diens werken eene stüandaarduitgave be-
zorgde. Daar de Rijnsburgsche CoUegianten, die ook bui-
ten Rijnsburg hunne bijeenkomsten hielden (in Amsterdam
sedert 1646), geen eigenlijk kerkgenootschap wilden vormen,
konden zij ook tot de hunnen rekenen, wie bij andere ge-
meenten aangesloten wenscbten te blijven, en zoo behoorde
OüDAEN dan te Rotterdam tot de Waterlandsche Doopsge-
zinden, bij wie hij ook het ambt van diaken vervulde.
Voor deze gemeente heeft hij zelfs in 1684 zijne, vier jaar
336 JOACHrM FRAN8Z. OUDABN.
te voren uitgegeven, vrije en gedeeltelijk op nieuwe zang-
wijzen gestelde psalmberijming zoodanig omgewerkt, dat z^'
in de gemeente gezongen kon worden op de toen overal ge-
bruikte en algemeen bekende wijzen der Fransche vertaling
van Marot en Beza. Dat was eene concessie van hem, want
hij had dat aanvankelijk juist niet willen doen, om geen
gevaar te loopen door het gebruiken van denzelfden vers- en
strophenvorm, waarvan alle andere vertalers zich hadden be-
diend, hunne uitdrukkingen onwillekeurig over te nemen.
Ook als dichter toch bezat Oudaen een oorspronkelijken
geest, afkeerig van navolging, en zijne gedichten vertoonen
dan ook inderdaad een eigen karakter. Zij zijn krachtig van
uitdrukking, wanneer het de hartstocht — meestal veront-
waardiging — is, die hem tot dichten drijft; maar geeft het
onderwerp daartoe minder aanleiding, dan zijn zij te weinig
beeldrijk, te hard en stroef en ook daardoor kenneüjk onder-
scheiden van Camphuysen's zoetvloeiende liederen, die toch
zoo groote aantrekkelijkheid voor hem hadden, en van Von-
del's hooge vlucht, die hem toch inderdaad in verrukking
bracht. Wanneer hij echter „dien adelaar" nu en dan poogde
„te achterhalen, door volglust aangenoopt", bereikte hij niet
veel meer, dan duister te worden door ongewone en gezochte
woorden te mengen in de wat platte omgangstaal, waarboven
hij zich in het algemeen bij zijn schrijven moeieUjk wist te
verheffen.
Nochtans neemt hij onder de tweedenrangsdichters van dien
tijd eene eervolle plaats in, zoowel door zijne „Voorschaduwing
van het zegepralende riik onzes Heeren en Zaligmakers Jesu
Christi en deszelfs Heerlykheid op Aarde" (van 1666), waarin
hij, als geestver wajit van zijn vromen en nauwgezetten vriend
Mr. Johan Hartighvelt, zijn geloof aan de spoedige vestiging
van het duizendjarig rijk uitsprak, en door zijne „Uytbreyding
over het boek Jobs, in verscheyde dichtmaat" (van 1672), als
door kleinere godsdienstige gedichten, o.a. de vertaling van een
„Hymnus van Coelius Sedulius", en door een bijbelsch treur-
spel, „Het verworpen huis van Eli" (van 1671).
Dat stuk is geheel geschreven in den classieken trant van
Vondel's treurspelen, waarvan Oüdakn echter de dichterlijke
verheffing in de verte niet heeft weten te evenaren, allerminst
JOACHIM OUDAEN BN WILLEM VAN HEEMSKERK. 337
in de reizangen, waarmee de bedrijven besloten worden. De
tooneel wetten zijn er streng bij in acht genomen, zoodat de
handeling zich dan ook in weinig meer dan vierentwintig uur
afspeelt. Met dit stuk keerde Oudaen terug tot de liefde zijner
jeugd, want reeds in 1648 had hij tegenover Vonders „Maria
Stuart" een treurspel „ Johanna Grey of gemartelde onnozelheyd"
geschreven, een jaar later gevolgd door „Koning Konradyn
en Hertog Frederyk", twee stukken, die wat meer lyrisch van toon
en wat minder streng gebouwd zijn dan zijn laatste treurspel.
Willem Jacobsz. van Heemskerk, in 1613 te Leiden geboren
en door Oudaen , oudste zyner vrinden" genoemd, had bij
hem met zijn treurspel „Hebreeusche heldinne" (d. i. Judith)
in 1647 den lust opgewekt om ook in het treurspel iets te
beproeven en hem daarbij met een prijzend gedicht aange-
moedigd. Levenslang, tot hun beider dood in 1692, zijn zij
vrienden gebleven, zooals ook uit verschillende onderling
gewisselde gedichten blijkt. Van beroep lakenbereider en in
1674 ook een der staalmeesters van de Leidsche lakenhal,
heeft Heemskerk zich toch meer bekend gemaakt als ijverig
en bekwaam glasgraveur, van wien nog een bijzonder groot
aantal kunstwerken bewaard is gebleven.
Daar Oudaen het met Vondel gemeen had, dat hij de
kunst niet verstond, „vinger op' den mond*' te leggen, en het
ook bij hem werkte als nieuwe most, die door de spon heen-
barstte, kon er maar weinig belangrijks gebeuren, wat hem
geen lof- of strafdicht ontlokte. Voor zoover dat staatsgebeur-
tenissen waren, komen wij er later op terug; inaar het waren
dikwijls ook voorvallen op kerkelijk gebied of uitgaven van
opzienbarende dicht- of prozawerken. Zoo viel hij als krachtig
voorstander van gewetensvrijheid in 1662 en 1665 den
Utrechtschen predikant Cornelis Gentman, die ketterjacht had
verdedigd, met twee gedichten aan, nadat hij ook reeds met
een gedicht tegen de „vierige yver der kettermeesters in
Holland" was opgetreden. De geloofsvervolging der Waldensen
m 1655 gaf hem aanleiding om in een gedicht „Wreed ! wreder !
alder wreedst I" op den verderflijken invloed te wijzen van
Lipsius' vroegere verdediging van het ketterdooden en, in het
vijfde (en eenige) bedrijf van een treurspel, „Servetus" te ver-
heerlijken tegenover de hardvochtige wreedheid van Calvijn.
n 22
338 JOACHIM OUDABN BN DB SOCINIANBN.
HüYGENs noch Vondel liet hij, zooals wij reeds zagen, onge-
moeid, toen 'zij geschreven hadden wat hij afkeurde, en dat
hij afkeer van het Catholicisme van zijn voorgeslacht geërfd
en door redeneering nog versterkt had, blijkt herhaaldeüjk
uit bitse uitvallen in zijne werken.
Daarentegen ging hij ter verdediging van den jong ge-
storven Rotterdamschen predikant Geebaardt Brandt den
jongen in 1683 een dichtstrijd aan, en verheerlijkte hg
Erasmus bij gelegenheid dat in 1677 diens, door Hendrick de
Keyser vervaardigd en te Rotterdam in 1622 opgericht, stand-
beeld op een nieuw voetstuk werd gesteld, waarop ook nu
nog een achtregelig bijschrift van Oudaen te lezen is , ter
eere van dat „licht der talen, zout der zeden, heerlyk wonder,
waar, met de liefde, en vrede en godgeleerdheid praalt".
Bij rechtzinnigen stond Oüdaen als Sociniaan te boek, en
ongetwijfeld ook te recht; maar sedert 1653 was het zeer
gevaarlijk daarvoor uit te komen, want toen hadden de Staten
van Holland er zich over verontrust, „dat de Sociniaensche
secte dagelij cks meer ende meer was toenemende ende dat de
Aenhangers derselver tot verbreydinge van hare dwalinghen
albereyts hadden begonnen op verscheyde plaetsen te houden
haer t' samen-rottingen ende bijeenkomsten.... maer ook
hadden onderwonden door den druck gemeen te maken vele
van hare Sociniaensche Schriften ende Boecken, alle vol van
lasteringhe tegens de fondamentale gronden ende Hoofk-poinc-
ten van de ware ChristeUjcke Religie"; en dientengevolge
hadden zij bij placaat met straffen van zware boeten, correctie
en verbanning allen bedreigd, die zulke samenkomsten hielden
of zulke geschriften uitgaven. Van dien tijd af vond Oüdaen
het geraden, alleen anoniem voor de leer van Socinus op te
komen, en dan nog wel meer als verdediger dan als profeet.
Toch moet men daaruit niet opmaken, dat hij een vrijden-
ker was in den tegenwoordigen zin des woords. Hij achtte
zich integendeel juist den waren voorstander van den Christe-
lijken godsdienst. „Gods eer te vord'ren was steeds zyn opperste
oogemerck", en daarvoor „wachtte hy eer by God en prijs by
alle vromen". Stichtelijk dichter is Oüdaen dan ook in de
eerste plaats, en wijsgeeren als Hobbes en Spinoza waren hem
een gruwel. „Laat vry Spinozen en Des-Karten verzinken in
OUDABN EN ZIJNE VRIENDEN TEGENOVER HET ONGELOOF. 339
hun dweepery!" zeide hij (in 1688) in een lied „Ophethuwe-
lyk van Adriaan Verwer'', die reeds in 1683 een merkwaardig
lofdicht van hem ontvangen had voor zijn werk: „'t Mom-
aensieht der Atheïstery afgerukt, of Wederlegging van de
geheele Sedekonst van Benedictus de Spinoza". Dat hierdoor
Verwer de atheïstery „ontdekt en in haar sluiphol agterhaalt"
werd, was voor Oüdaen eene rede tot vreugde en dankbaar-
heid, al had ook eenmaal deze „vermomde atheïst" .te Rijns-
burg onder zijne vrienden een toevluchtsoord gevonden.
Sterker bewijs nog van zijne vrees voor afdwaling van den
openbaringsgodsdienst levert zijne vertaling (1687) van het
Latijnsche geschrift, waarmee Georgius Mebius het beroemde
boek van Antonie van Dalen over de orakels deit Ouden be-
streed, en vooral het gedicht, dat hij er aan deed voorafgaan
en waarin hij niet onduidelijk te kennen gaf, dat, wanneer
men eenmaal begonnen is in den godsdienst der Heidenen
niet anders te zien dan priesterbedrog in plaats van er de
geheimzinnige macht van den Booze in te verafschuwen, men
gevaar loopt, ook andere geheimenissen te willen verklaren
als bedrieglijk menschenwerk, en waar zou dan misschien het
einde zijn! Men ziet, Oudaen kon, hoe vrijzinnig ook tegen-
over bindende leerstellingen, den duivel nog niet verbannen uit
zijne godsdienstige wereldbeschouwing, zooals spoedig daarop de
Amsterdamsche predikant Balthazar Bekker zou durven wagen.
Onder de bijzondere vrienden van Oüdaen treflFen wij ver-
schillende vrome Libertijnen aan, meerendeels ook tot de
Rijnsburgsche CoUegianten behoorende : vooreerst zijn broeder
Frans en zijne beide zwagers, Joan Dionysz. Verburg en
Joannes Bredenburg, die tot op zekere hoogte geestverwant,
maar toch ook bestrijder van Spinoza was; en verder den
geleerden Daniël de Breen, den bekenden Amsterdamschen
staatsman Mr. Koenraad van Beuningen en den chirurgijn
Jacob Ostens (f 1678), die te Rotterdam leeraar der Doops-
gezinden was geworden en in 1651 ook een stichtelijken dicht-
bundel heeft uitgegeven, getiteld „Liefde Son, omstralende de
hoedanigheyt der tegenwoordige genaamde Christenheyt".
Andere vrienden van Oüdaen waren de liefhebber-schilder
Heiman Düllaert, van wien wij reeds spraken, en diens
medeleerling bij Rembrandt, de Dordsche schilder Samuel
340 DB GEBROEDERS VAN HOOGSTRATEN; „LUST- HOF DER ZIELEN."
VAN Hoogstraten, die zich in de kunstgeschiedenis door
werk en leer bij zijne tijdgenooten vrij wat aanzien verworven
heeft en ook als dichter (o.a. met twee treurspelen .Dieryk
en Dorothe of de Verlossing van Dordrecht" in 1666 en „De
Roomsche Paulina of bedrogen kuischheid" in 1668) is opge-
treden, en diens jongere broeder, de Rotterdamsche boekver-
kooper Frans van Hoogstraten, die veel in proza en verzen
uit het Latijn heeft vertaald en als dichter stichtelijke zangen
en zinnebeelden schreef, o,a. in 1668 „Het Voorhof der Ziele"
bij zestig prentjes van Romeyn de Hooghe, wiens etsnaald
zich ook leende om Oüdaen's „Uytbreyding van het boek
Jobs" te versieren.
Wenscht men kennis te maken met een groot aantal stich-
telijke dichters uit de zeventiende eeuw, dan heeft men
slechts den „Lust-hof der Zielen" op te slaan, in 1681 uitge-
geven en later meermalen herdrukt. Daar vindt men van een
zestigtal stichtelijke dichters liederen, „waarvan eenige noit
in druk geweest en de overige uit veele gedrukte Lied-boeken
gezocht, byeen vergaaderd en in ordre gesteld zijn door Claas
Stapel", die er zelf met twaalf liederen toe bijdroeg en in
zijne „Voorreede" schreef, dat hij „geen onderscheid gemaakt
had in de Autheuren van wat naam, gezindheid of volk
dezelve mochten zijn, als ze anders maar de naam van rechte
Christenen konden draagen, God'-lijk en Hemels gezind waaren,
en onder dat volk sorteerden, die het Lam volgen waar het
ook heenen gaat, doordien hy voor vast en zeker hield, dat
geen bloote opinie of nette waarheidsbevattinge van duistere
verschillen, inzonderheid die de mensch beeter noch erger
maaken, iets, maar het nieuwe schepsel, de onderhoudinge
van Gods gebooden en het leevendige geloof, daadig door de
liefde, alleen zal gelden ten daage, als wanneer den Rechter
van leevenden en dooden den gantze ring des aardboodems
rechten en aan de belijders zijnes naams niet zoozeer het ver-
stand, als goede werken beloonen zal.''
Men vindt in dien bundel dan ook, naast liederen van Ge-
reformeerden en Remonstranten, vooral een groot aantal van
Doopsgezinden, o. a. van den Dordschen leeraar Tibleman
Jansz. van Bracht, bekend door zijn prozawerk „Bloedigh
tooneel der Doopsgezinde en wereloose Christenen" (van 1660).
COLLEGIANTBN KN LIBBRTIJNKN. 341
Ook aan gedichten van Rijnsburgsche CoUegianten ontbreekt
het er niet, zooals van Jan Eveetsz. Gbesteranus, van
JoANNBS Bredenburg, van den Rotterdamschen figuurschilder
Joost van Geel (geb. 1631, f 1698), wiens „Gedichten" ver-
zameld eerst in 1724 werden uitgegeven, en zelfs van Adam
Boreel, heer van Duynbeke (in 1603 te Middelburg geboren i
en van diens jongeren vriend Galenüs Abrahamsz. de Haan,
8 Nov, 1622 geboren te Zierikzee, te Leiden in de medicijnen
gepromoveerd en sedert 1648 leeraar bij de Vlaamsche Doops-
gezinden van het Lam.
Deze man, die, volgens een lofdicht van Jan Zoet, „geen
mensch aan zyn verstand wou binden, en graag zyne onvol-
maakthaid beleed", die als een „wakkre haan, daar 't onver-
stand op beet, het al overkraaide in 't straffen van de zonden",
maar die allengs meer en meer Sociniaan bleek te zijn, werd
in 1662 fel bestreden door Samuel Apostool en twee andere
ambtgenooten van hem, waardoor er twee jaar later nieuwe
scheuring in de Vlaamsche gemeente kwam en zijne tegen-
standers, die voor hem het veld hadden moeten ruimen, in
de Zon kerk gingen houden, terwijl Galenus zich in het Lam
handhaafde en zelfs in 1692 benoemd werd tot een soort van
Doopsgezind hoogleeraar, wat hij tot zijn dood in 1706 ge-
bleven is.
Onder de pamfletten, die naar aanleiding van dezen gerucht-
raakenden strijd werden uitgegeven, waren er ook verscheidene
in dichtmaat, zooals bv. Bredenburg's „Scherm voor de
stekende Zon der Amsterdamsche Mennisten, of Verdediging
der Verdraagzaamheid" (1665); doch ons bestek laat niet toe,
daarover broeder uit te weiden, evenmin als over de schimp-
en hekeldichten tegen de Kwakers van William Ames en
William Caton (van 1657 tot 1662, en 1670), tegen de Laba-
disten (van 1666 tot 1671) en van de elkaar fel bestrijdende
Cartesianen (onder Joannes Coccejus en Abraham Heidanus)
ên Voetianen of aanhangers van Gysbertus Voetius. Eene
bloemlezing er van vindt men in de „Nederduitse en Latynse
Keurdigten", in het begin der achttiende eeuw door Pieter
van der Goes (d.i. Pieter van der Veer) te Rotterdam uitgegeven.
Niemand bedroefde zich destijds over de verdeeldheid der
Christenen meer dan een vriend van Oudabn, de Haarlemsche
342 PETRUS LANGEDULT.
geneesheer Petrus Langedült, lid der Vlaamsch-Doopsgezinde
gemeente en tevens ijverig CoUegiant, zooals ook duidelijk uit
zijne vrome dichtwerken blijkt, o. a. uit een treurspel, dat hij
in 1684, drie jaar vóór zijn dood, uitgaf, getiteld „Christus-
lydende en verheerlykt". Ter vertooning was het evenmin
bestemd als een ander — voorzoover ik weet onuitgegeven —
treurspel van hem, dat ik in handschrift bezit en dat, onder
den titel „De Babylonise Toren der hedensdaagse Christenen",
de jammerlijke verbrokkeling der Christenheid in allerlei
elkaar verketterende sekten met veel theologische kennis dui-
delijk in 't licht stelt en met veel vrijzinnige vroomheid be-
treurt. Dat laatste gebeurt vooral op het eind der bedrijven
in reien van „Vrede-lievende Christenen'* en van „Soekers"
of „Wachters'', de aanhangers der van 1656 tot 1662 te
Amsterdam door William Ames vertegenwoordigde Engelsche
sekte, die geene zichtbare kerk op aarde wilden erkennen,
vóór Jezus zelf teruggekeerd zou zijn om zijn rijk op aarde
te stichten. „Set al dat breyn-geschift, dat doom-gesplits ter
zijden", laat hij ten slotte door Gabriël verkondigen, „keert
terug tot de oude leer", de leer van „liefde, vrede, trou, ge-
loof en nedrigheyt", staakt den ijdelen arbeid om kerken te
willen reformeeren, „leeft stil, dient malkaar in deugden" en
voegt u het liefst bij hen, „die minst regeren, minst aan
kerk-gewoontens binden en niet na breyn-geloof, maar slechts
na werken vragen".
Dat die eindelooze scheurmakerij en twist over nietigheden,
waarover Hugo de Groot zich zoo had bedroefd, eindelijk de
vrome gemoederen begon te verdrieten, is niet vreemd, en dat
er vooral in de rijen der Doopsgezinden mannen en vrouwen
waren, die smachtten naar een algemeen Christendom boven
geloofsverdeeldheid, kan men volkomen begrijpen, als men
door Langedült niet minder dan veertien verschillende sekten
van Doopsgezinden, die er geweest of toen nog waren, in zijn
treurspel hoort opnoemen. Al die zoo hoogmoedige bemoei-
ingen met leer en leven van anderen — want daaruit kwam
de scheuring meest voort — bracht menig twijfelmoedige,
zegt Langedült, tot wanhoop, ja tot waanzin en zelfmoord.
Anderen, dat bannen en mijden, dat bestraffen en kwellen,
dat twisten en redekavelen moede, zochten den vrede voor
GEVOLGEN DER PARTIJTWISTEN; RETBR ANSLO. 343
huil gemoed bij het eeuwenheugend gezag der oude kerk van
Rome, tot welke zij ten slotte terugkeerden. De Calvinisten, die
bij al hunne dogmatische gestrengheid niet altijd de vroomsten
waren, kwamen er licht toe, de leden der kleinere sekten van
papisterij te verdenken, en in zooverre niet zonder grond, als
in de zeventiende eeuw, en vooral in het tweede kwart er van,
menigeen uit den kring der Remonstranten (zooals bv. de
geleerde theoloog Bertius) en nog meer uit dien der Doops-
gezinden (zooals bv. Vondel) tot de Katholieke kerk is over-
gegaan.
Dat deed ook Rbyer Anslo, die in zijn tijd onder de beste
dichters meetelde, al maken zijne, in 1713 verzamelde, ge-
dichten juist geen bijzonder grooten bundel uit. Zijn naam,
gelijk aan den vroegeren naam van de stad Christiania, her-
innert aan zijne Noordsche afkomst, maar in 1626 was hij
uit Doopsgezinde ouders te Amsterdam geboren en zelf werd
hij daar op twintigjarigen leeftijd bij de, sinds 1644 vereenigde,
Hoogduitsche, Friesche en Waterlandsche gemeenten van den
Toren gedoopt.
Van 1644 dagteekent ook zijn eerste gedicht : een door gema-
niëreerdheid ongenietbare bruiloftszang. Twee jaar later schreef
hij het eerste zijher grootere gedichten: „De martelkroon van
Steven'', dat hij aan Hadrianus Junius, den rector van de
Latijnsche school der Nieuwe Zijde opdroeg „uit dankbaarheit
voor zijn geleerde lessen". Niet onverdienstelijk volgde hij
daarin den stijl van Vondel, ofschoon hij overigens meer be-
wondering toonde voor Hoopt, aan wien hij ook zijn „Zege-
tempel" opdroeg, het uitvoerigste der vele gedichten, waarin
hij Frederik Hendrik verheerlijkte.
Toch gold zijn lof nog meer de ijdele koningin van Zweden,
Christina, Gustaaf Adolf s dochter, die het type was van de
kunstlievende en geleerde, maar daarom nog niet verstandige
vrouw, en die zoowel daarmee als met het tentoonspreiden
van vorstelijke praal en mildheid ook anderen dan den jongen
Anslo wist te verblinden. Toen zij haar eenentwintigsten
verjaardag beleefde, wijdde hij haar een verjaardicht, en wat
later eene ode, waarin hij haar verheerlijkte als „de Zweedsche
Pallas", zooals zij zich ook had laten af beelden als hoofd-
figuur van een groot tafreel, dat de door haar gestichte biblio-
344 RBYBR ANSLO EN MAQDALBNA BAECK.
theek versierde. Onze agent aan het Zweedsche hof, Miehiel
Ie Blon, wist hem van haar als belooning eene gouden keten
te bezorgen, eene eer, die hem met den ook zóó door haar
beloonden Vondel op êéne lijn stelde ; maar in zijn dankdicht
(getiteld „Papier voor gout") noemde hij dat zelf „gelyken
loon aan ongelyke pennen" en besloot hij met deze woorden:
„zoo veel als myn nederig gedicht voor 't heerlyk rym des
grooten Vondels zwicht, zooveel te meer heb ik u dank te
weten". Een jaar later, in 1650, bezong hij haar nog eens, en
toen zij in 1654, om openlijk tot de Katholieke kerk te kunnen
overgaan, afstand had gedaan van hare kroon en Zweden
verlaten had, om, op hare reis ook Holland bezoekend, te Rome
haar verder leven door te brengen, prees Anslo haar in eene
ode nog eens, omdat zij de „evangelische parel, hetKatholyk
geloof, het Roomsche Godtskleinoot" gekocht had voor de
vorstelijke macht, ofschoon zij met „ryk en kroon hare majes-
teit niet afgeleit" had, die men nu „te Rome in nedrigheit
nog hooger pralen zag".
Onder Anslo's kleinere gedichten vinden wij, behalve brui-
lofts- en lijkzangen, verscheidene, waarin gejuicht wordt over
het sluiten van den Munsterschen vrede en over de grond-
legging van het Amsterdamsch stadhuis in het vredejaar,
welk laatste gedicht zoozeer door Burgemeesteren gewaardeerd
werd, dat zij er Anslo eene zilveren schaal voor vereei-den.
Aan zijne moeder droeg hij met een hartelijk en vroom ge-
dicht eengeheelen bundel van 233 korte „Bybelsche Byschriften"
op, blijkbaar bestemd tot onderschriften voor bijbelsche prenten.
Een ander groot dichtwerk was zijn eenig trem-spel „De
Parysche bruiloft", in 1649 uitgegeven met eene opdracht
aan Miehiel Ie Blon, maar zeker reeds wat vroeger door hem
gemaakt en alleen, zooals hij zegt, uitgegeven „ter gunste van
een, die hem zoo lief was als het licht"; en wie die ééne was,
valt niet moeieUjk te gissen, daar wij onder zijne gedichten
er ook een vinden, waarin hij zich „voor eeuwig en altoos
verplicht" rekende aan Magdalena Baeck, de oudste dochter
van Hooft's zwager Joost Baeck, indien zij zich wilde verwaar-
digen zijn treurspel te lezen.
Ongetwijfeld is dit dichtwerk een geweigerd liefdesoflfer ge-
weest, doch daar dit in classieken stijl (ook met reizangen
*RBYEB ANSLO EN LAURBNS BAEB. 346
aan het eind der bedrijven) geschreven stuk den Bartholomeus-
moord afkeurenswaardig genoeg voorstelt om de goedkeuring
van Frederik Hendrik, den kleinzoon van den Admiraal De
Coligny, te kunnen wegdragen, is het zeer onwaarschijnlijk,
dat Anslo met dit offer tegelijk aan Magdalena Baeck nog
een veel grooter offer zou hebben gebracht, namelijk het
oflFer van zijn vaderlijk geloof, zooals wel eens is beweerd.
Wie meende, dat Anslo hoofdzakelijk ter wille van haar
katholiek zou geworden zijn — en hij werd dat, schoon nog
niet ofl5ciëel in den loop van 1649 — nam dan natuurlijk
tevens aan, dat zij zelve reeds vóór dien tijd van geloof zou
veranderd zijn, en dat valt m. i. niet alleen niet te bewijzen,
maar is ook hoogst onwaarschijnlijk. Immers wat ten gunste
van die meening wordt aangevoerd, is uitermate zwak. Hare
moeder, Magdalena van Erp, zou katholiek geweest zijn, doch
alleen omdat Vondel aan haar zijn, volstrekt niet kenmer-
kend katholiek, gedicht „De Kruysbergh" opdroeg, dat boven-
dien door hem nog vóór zijne bekeering is gedicht en in
1641 achter zijn „Peter en Pauwels" alleen herdrukt is. Ook
hare zuster, Debora Baeck, zou katholiek geweest zijn; doch
dat volgt immers nog geenszins uit hét feit, dat zij in 1664,
dus veel later, trouwde met Joannes Wuytiers, heer van Assum-
berg en Heemskerk, misschien één van de vele bekeerlingen
van zijn oom, Joan Banning Wuytiers, die, eerst zelf tot het
katholiek geloof overgegaan en in 1619 ook tot priester gewijd,
volgens Vondel's lijkdicht op hem, ook allengs „al 'tmaeghschap,
dat verstroit geduurigh verder van de waerhoit dwaelde en
nergens weide vondt, te koy braght als een oprecht herder.
Van CathoUsme blijkt niet veel uit het Latijnsche lofdicht,
dat Magdalena's latere zwager nog veel later gemaakt heeft
op de Bybelse Gezangen, die in 1675 in het licht gegeven
werden door haar eigen, echt Protestantschen, broeder Mr.
Laubens Baeck of, zooals hij zich noemde, Bake, heer van
Wulvenhorst, welke heerlijkheid hij geërfd had van zijn vader
Joost, die haar in 1671 had gekocht. Die „Bybelse Gezangen"
behoorden in hun tijd tot de meest gewaardeerde stichtelijk-
protestantsche gedichten. Het zijn berijmingen en uitbreidingen
van groote stukken uit den Bijbel, vooral uit de profetieën
van Jeremia, Habakuk en Jesaia, maar ook van Salomo's
346 LAUBENS BAKE EN BEYBB ANSLo/
Hooglied en van verschillende Oudtestamentische lofzangen.
Uitvoerige prozaverhandelingen gaan er aan vooraf, en als
inleiding ook eene meer algemeene, zeer lezenswaardige ver-
handeling „over de heilige en bybelpoëzy'*. Dat hij deze
eindigt met uitdrukkelijk zijn geloof aan de Drieëenheid uit
te spreken, bewijst, hoe weinig lust hij had, om voor Soci-
niaan gehouden te worden, ofschoon de opdracht van zijxi
bundel aan Koenraad van Beuningen zou kunnen doen ver-
moeden, dat hij met de Rijnsburgers in betrekking stonö-
Evenals deze, maar volgens Oudabn nog te weinig en ni ^
consequent genoeg, komt hij op tegen het misbruik van c3Le
z. i. reeds lang afgezaagde mythologie, en vooral tegen \m^ et
„mengen van heilige met onheilige zaaken". Daar hij in 16^B1
benoemd werd tot kerkmeester van de Amstelkerk, behoor^aade
hij ongetwijfeld tot de Gereformeerde gemeente.
Daar nu de familie Baeck veel meer blijk geeft van vrooi
protestantsche dan van katholieke gezindheid, houd ik
voor meer waarschijnlijk, dat Magdalena Baeck Anslo ju
om zijne bekeering heeft afgewezen. Wat hem tot die
keering heeft gebracht, is moeielijk met eenige zekerheid
zeggen, maar vermoedelijk heeft zij plaats gehad onder d
invloed van Vondel of althans van het door Vondel gegev
voorbeeld Eveneens mag vermoed worden, dat de teleurst-
ling, die hij op het gebied der liefde ondervond, er evenv<
toe heeft bijgedragen om hem bijna onmiddellijk na het
geven van zijn treurspel, nog in Sept. 1649, zijn vaderland te
doen verlaten, als de ontevredenheid zijner familie over zij ^e
bekeering.
Hij nam dan afscheid van geboortestad en vaderland, m a^ip r,
blijkens een bij 't Bingerloch geschreven gedicht, niet zonc^er
weemoed. Nog nauwelijks buiten de grenzen van „'t U^^ve
vaderlant, zoo waardt als 't leven", werd hem „'t hart flaa»-'»^,
als 't dacht' om al zyn bloet, om vrient en vreemt, in si.^n
zoo teer gemoet zoo diep gekropen". Hij ging naar Ronie
„om voor des Tybei-s Myterkroon Latyn te spreken" en. er
de feesten van het Jubeljaar 1650 mee te vieren. Nooit is
hij naar zijn vaderland teruggekeerd. Te Rome ging hij, vol-
gens de „Litterae Annuae" der Jezuïeten, 7 December 1651
oflBciëel tot de Katholieke kerk over. Hij kwam er in dienst
BEYBB ANSLO 347
bij den Kardinaal Luigi Capponi en bereidde zich tot den
geestelijken stand voor; doch eerst in 1666 werd hij tot sub-
diaken gewijd en verder schijnt hij het niet gebracht te heb-
ben. Te Perugia is hij 16 Mei 1669 overleden
Te Rome heeft hij nog maar enkele kleinere gedichten gemaakt
en één uitvoerig dichtwerk, waartoe „De Pest tot Napels" hem
in 1656 stof gaf. Alle ellende, waarvan hij daar getuige was,
wordt den lezer treffend voor oogen gesteld door eene reeks
verhalen van, naar 't schijnt, in dien vreeselijken pesttijd te
Napels ook werkelijk voorgevallen afschuwelij kheden ; endaar
bij groote volksrampen gewoonlijk de schandelijkste ondeug-
den, die zich anders zorgvuldig trachten te verbergen, onbe-
schaamd voor den dag treden en ook deze door den dichter
breed worden uitgemeten, maakt het gedicht in de eerste
plaats een gruwelijken indruk: het wekt veeleer afkeer dan
ontroering. Dat het inderdaad indruk maken kan, heeft het
aan de goed gekozen woorden te danken, doch eigenUjk dich-
terlijk is de taal maar zelden. Anslo, die te voren er wel
eens in geslaagd was, door den toon zijner verzen aan Vondel
te herinneren, doet ons bij den aanvang van het gedicht,
wanneer hij een algemeenen indruk van de pestwoede geeft,
ook nog van verre aan hem denken, maar als hij spoedig
daarop tot den verhaaltrant overgaat, daalt zijn stijl, zoodat
wij allengs niet meer Vondel, maar Cats meenen te hooren;
en zelfs het gebed tot God om de nog overgeblevenen te
3paren, waarmee het gedicht eindigt, is zuiver Catsiaansch
van gedachte en taal.
-XLV.
Verhouding van dicht- en schllderlcunat.
Den 208ten October 1653 werd er op de St.-Jorisdoelen te
Amsterdam een merkwaardige maaltijd gehouden door „schil-
ders, poëten en liefhebbers der zelfder konsten", ter viering
van „de vereenigingh van Apelles en ApoUo". In eene zaal,
die door Comelis Brizé, schilder van stillevens en sohijnbe-
driegers en kastelein van den Schouwburg, met festoenen ver-
sierd was, werd daar toen Joost van Vondbl begroet door
348 VONDEL DOOR DB SCHILDERS GEHULDIGD.
ApoUo, die hem als zijn groeten zoon den lauwerkrans op de
slapen drukte, en toen de grijze dichter daar „de wellekomst-
fluyt in drie teugen" had uitgedronken, werd daarmee het
huwelijk van dicht- en schilderkunst beschouwd als voorgoed
gesloten te zijn. De karmozijnverver Thomas Asselijn, die
later zulk eene rol van beteekenis als tooneeldichter zou
spelen, maar nu eerst in zijne opkomst was, had de berijmde
toespraken gemaakt, die daar werden uitgesproken met een
gezang en een sonnet ter eere van Vondel en gedichtjes op
de vier daar opgehangen festoenen.
In dien schilderkring paste Vondel volkomen, want toen
hij in de volgende maand „aen de kunstgenooten van Sint '
Lukas t' Amsterdam'* als tegenbeleefdheid zijne prozavertaling
van Horatius' Lierzangen en Dichtkunst opdroeg, die hij reeds
„eenige jaren geleden voor tydverdryf en oefeninge" met
hulp van Mostart en Victoryn had gemaakt, sprak hij het
nog eens duidelijk uit, hoe nauw hij zich als dichter aan de
schilders verwant gevoelde. „Van Plutarchus'\ zeide hij, en
eigenlijk had hij „van Simonides" moeten zeggen, „heeft elck
nu in den mont, dat schildery stomme Poëzy, de Poëzy
spreeckende schildery is: want de Schilder beelt zijne gedach-
ten met streken en verwen, de Dichter zijne bespiegelingen
met woorden uit, en hare muzijk zweeft, met hooge, middel-
bare en lage, droeve en blijde, statige en dertele klanckenop
de pennen des Dichters, en volght scherp met hare galmen
zijnen geest en vernuftige vonden, de ziel der zangkunste'*.
Als tooneeldichter vooral was hij zich zijne nauwe betrek-
king tot de schilders bewust, niet alleen omdat hunne hulp
hem, en anderen tooneeldichters met hem, zoozeer te stade
kwam bij het invoegen van levende, maar ook dikwijls ge-
schilderde, vertooningen in hunne stukken, maar ook omdat
hij er steeds op uit was met woorden te schilderen, wat zij
met kleuren op het paneel tooverden. Van een tooneel uit
zijn treurspel „Gebroeders" stelde hij zich voor, hoe het zich
zou voordoen, als het door Rubens op doek gebracht was, en
zoo schreef hij dan in de opdracht van dat stuk: „hier word
ick belust, om door Rubens, de glori der penseelen onzer
eeuwe, een heerlij ck en koningklijck tafereel als een treurtoo-
neel te stoffeeren. Hij valt aen het teeckenen, ordineeren en
VERWANTSCHAP VAN VONDEL*S POËZIE MET DE SCHILDERKUNST. 349
schilderen, nocht zijn wackere geest rust eer het werkstuck
voltoit zy. David zit 'er zwaermoedigh op den hoogen troon.
Men ziet 'er, door een poort in 't verschiet, de drooge, dorre
en dorstige landouw quijnen. Boven in 't gewelf van 't
prachtige marmeren en cederen hof zwieren zommige Engel-
kens, die, naer de gewoone zinrijckheid des aller ver nuf tighsten
Schilders, elck om strijd bezigh zijn, om net uit te beelden,
'tgeen ter zaecke dient, 't Een schijnt het vonnis der Ge-
broederen uit een half ingerolt blad te vellen. Een ander
geeft met een geslote waterspuit te kennen dat de hemel ge-
sloten zy", en zoo gaat hij voort met allerlei andere zinne-
beeldige engeltjes te teekenen, om dan aldus te vervolgen:
„Sauls verweze nakomelingen staen voor den rechterstoel en
zien zeer deerlijck. . . terwijl de Gabaoners met wraeckgierige
en gloeiende aengezichten, aen d'eene zijde, op hun recht
dringen, en aen d'andre zijde hem benaeuwen het misbaer
en de traenen der allerbedruckste Michol ; waarnevens de stock-
oude weduwe, al bevende met de rechte hand op haer stoxken
en met de slincke op de rechte schouder van hare kamenier
leunende, met een lachende aenschijn meld, dat ze, van rouwe
aen 't mijmeren geslaegen, niet weet wat ze zeit". Om zoo
nauwkeurig een denkbeeldig schilderstuk van Rubens met
woorden te kunnen afmalen, moet Vondel wel goed in het
karakter van Rubens' kunst zijn doorgedrongen.
Meer dan eens ook heeft het zien van eene schilderij
Vondel, naar zijne eigene verklaring, tot het dichten van
een treurspel opgewekt. In de opdracht van den „Joseph in
Dothan" zeide hij : „ Josephs verkoopinge schoot ons in den
zin door het tafereel van Jan Pinas, hangende, neffens meer
kunstige stucken van Peter Lastman, ten huise van den
hooghgeleerden en ervaren Dokter Robbert Verhoeven, daer
de bloedige rock den vader vertoont wordt, gelijck wy in t
sluiten van dit werck ten naesten by met woorden des
schilders verwen, teeckeningen en hartstoghten pooghden na
te volgen"; en „toen hy den opstant tegens de Romainen en
de doorluchtige daeden der Batavieren in de kunstige printen
van [A.] Tempeest (door Otto Vaenius gegraveerd, 1611 — 12)
bespiegelde en onder andere afbeeldingen den Romainschen
stadthouder op den stoel zagh zitten, daer Julius Paulus in
350 SCHILDBBSCOLLKGES.
zyn bloet geverft lagh, en Nicolaes Burgerhart geketent naer
Rome gevoert wiert, ontvonckte hem een yver om levendigh
te ververschen den treurhandel der [Batavische] Gebroeders",
zooals hij dan ook in 1663 deed.
Reeds een jaar nadat de schilders hem op hun St.-Lucas-
feest hadden bekranst, had hij gelegenheid, hun een kort
lied toe te zingen ter „Inwydingo der Schilderkunste'*, de
„tiende Zang-godin", die hij „met d'andre negen Pamas-
godinnen" te gemoet trad, om op zijne beurt haar de kroon
toe te reiken, want toen werd er door de schilders opnieuw
feest gevierd.
In verschillende groote steden van ons land waren de schil-
ders in een St.-Lucasgild vereenigd, waar zij, naar hunne
gezellige natuur, eene bent vormden en school maakten, zoo-
dat men bv. bij ons van eene Haarlemsche, eene Leidsche,
eene Delftsch-Rotterdamsche, eene Dordsche school kan spreken.
Te Utrecht werd reeds in 1611 een afzonderUjk schilderscol-
lege gesticht; maar bij de ouderwetsche inrichting der gilden
werd de schilderkunst elders nog lang als een ambacht be-
schouwd: de kunstschilder werd er niet onderscheiden van den
huisschilder en niet alleen met den beeldhouwer, maar ook
met den glazenmaker (die oudtijds trouwens ook glasschilde-
rijen vervaardigde) en den blauwverver, en niet zelden ook met
den boekbinder en boekdrukker (zooals te Amsterdam nog tot
1662 toe) onder het patronaat van St. Lukas in één gildever-
band gebracht. Dat nu begon den schilders, voor wie de kunst
wat hoogers dan ambacht was, te verdrieten en zij wenschten
zich overal omstreeks het midden der zeventiende eeuw tot
afzonderlijke broederschappen te vereenigen, waartoe zij ook
wel aansluiting bij de beoefenaars van andere kunsten zochten.
Zoo was in 1642 te Dordrecht eene broederschap van schilders
gesticht en zou in 1656 te 's-Gravenhage het genootschap
Pictura, in 1668 te Antwerpen de Kunstacademie verrijzen.
Iets dergelijks nu beproefden, onder bescherming van den
burgemeester Joan Huydecoper van Maarseveen, ook te Amster-
dam een viertal kunstvrienden en schilders, Marten Kretser,
B. van der Eist (Helst?), Nicolaes van Helt Stocade en J.
Meurs. Zij stichtten eene „broederschap der Schilderkunst" en
vierden die stichting 21 October 1654 met eene allegorische
kbbtsbr's broederschap der schilderkunst. , 351
voorstelling van Pallas, ApoUo en Merkurius, weder door
Thomas Assblijn gedicht. Niet onverdienstelijk wordt in deze
samenspraak de schitterende bloei van Amsterdam beschreven,
waar alles getuigt van weelde en welvaart, en waar „de Konst-
godin, die door haar verwen geen van alle konsten wyckt,
aan haar wydt-beroemde penceel de bouw- en beeld-k onst
paart en ook de heiige Poëzy", zoodat men nu wèl reden
heeft om voor deze zusterkunsten „een vaste bandt van eeuw'ge
maagschappy" te maken en Jaarelyks haar jaargety" te vieren.
De ziel dezer broederschap was blijkbaar de kunstbescher-
mer Marten Kretser, die ook drie jaar lang schouwburgregent
is geweest. Hij had, als „Minnaer van de konst, Mecenas van
doorluchte geesten", een schilderijenkabinet bijeengebracht,
waarin de beste HoUandsche en Vlaamsche, en ook Italiaan-
sche, meesters vertegenwoordigd waren en dat wij vrij goed
kunnen leeren kennen uit een uitvoerig gedicht, waarin Lam-
BEBT VAN den Bos in 1650 dit „Konstkabinet van Marten
Kretzer" beschreef. Tot zijne kunstschatten behoorde o.a. ook
eene „Ste Marie Magdalene door Titiaen geschildert", waarop
Vondel een gedicht maakte. Dat inderdaad Kretser tot het
oprichten van deze broederschap den stoot had gegeven en
dat daarmee ook een verbond van dicht- en schilderkunst
bedoeld werd, bUjkt duidelijk uit een uitvoerig dichtwerk van
Jan Vos, getiteld „Strydt tusschen de Doodt en Natuur of
Zeege der Schilderkunst", waarin op het eind deze merkwaar-
dige verzen voorkomen, bij wijze van eene voorspelling in
het verleden: zoodra Amsterdam
„De gaffel zwaaien zal van alle zeen,
Zal 't grimmelen van Schilders en Poêeten:
Deez' zullen in dit hooft der watersteen
£en broederschapi door Kretsers raadt, oprechten
Om u op 't jaargety ten dienst te staan.
Briezé zal, tot sieraadt, festonnen vlechten
Van speel- en bon- en wapentnigh, en blaan
Van lanwren offeren op uw altaaren.
Zoo wordt nw Faam behoedt voor ondergang.
Apollo zal hier met Apelles paaren,
De Dichtkunst met haar dochter Maatgezang.
Hier ziet men Rem brandt, Flink, de Wit, Stokade,
Daar Van der Helst, de Koningen, Quillien,
Van Lpo, Verhulst, Savooy, Van Z{jl, wiens daade'
352 DICHTBR-SCHILDERS.
In 't kleen zoo groot z^n, dat de Doodt moet vlien,
Men ziet 'er Bronkhorst, Kalf en Bol uitmunten,
En Graat en Blom, en die penseel en plet
Veel waarder schatten dan de heldre punten
Van dierbaar diamant in goudt gezet."
Men ziet hier mefteen, wie destijds in Amsterdam voor de
eerste schilders doorgingen of, zooals Quellinus en Verhulst,
toen gevierde beeldhouwers waren; en men vindt hier Rem-
brandt in de allereerste plaats genoemd. Vos heeft, als verver
en glazenmaker van beroep, zeker op den naam van schilder
geene aanspraak gemaakt en was dus niet schilder en dichter
te gelijk, zooals er vroeger zoovelen geweest waren. In dezen
tijd neemt hun aantal wel af, maar toch kennen wij als zoo-
danig nog Hbinrick Bloem aert, Samuel van Hoogstraten,
Joost van Geel, Gerbrandt van den Eeckhoüt, Willem
ScHELLiNCKS, PiETER Verhoek, dcu „gccstrycken Poëet en
Schilder" Pieter des Ruelles, op wiens „ontydigen Doodt"
(1658) een lang gedicht werd gemaakt door Frederik Vbrloo,
den Kamper burgemeester Bernhard Vollenhovb (broeder
van den predikant Johannes), die tevens schilder was en als
dichter o.a. in 1661 een treurspel „De broedermoord te Tranziane"
(dramatiseering van een Indisch verhaal) dichtte, en eindelijk
HiERONYMüs Sweerts, die zich meer als Jeroen Jeroensen
heeft bekend gemaakt door zijne „Koddige en ernstige op-
schriften op luyflFens, wagens, enz."
Ook zij versterkten den band, die dichters en schilders aan
elkaar verbond, en Kretser's broederschap zou ook een hope-
loos ondernemen geweest zijn, indien niet reeds sinds lang
schilders en dichters met elkaar in vriendschapsbetrekking
hadden gestaan. Doch niet alleen bij de dichters, ook over
het algemeen in de zeventiende eeuw, vonden onze schilders
groote waardeering. Hunne tijdgenooten zagen het evengoed
in, als wij, dat ook zij hun tijd tot eene gouden eeuw hebben
gemaakt. Ook bij onze beste dichters vloeit het daarom over
van lof op hunne werken, al maakte persoonlijke bekendheid
eene bijna goddelijke vereering, als sommige schilders bij het
nageslacht gevonden hebben, natuurlijk onmogelijk, terwijl het
van den anderen kant dikwijls meer vriendschap dan veree-
ring was, die hun een lofdicht deed schrijven.
Zoo bv. toonde Geeraardt Brandt voor het keurig portret
SCHILDBRVRIBNDBN VAN GBBRAARDT BRANDT. 253
van Susanna van Baerle, waarop ook Vondel een dichterlijk bij-
schrift schreef, zijn dank aan den schilder Geeraerdt Pietersz.
van Syl door hem in 1651 de door hem bijeengebrachte
„ Verscheyde Nederduytsche Gedichten" op te dragen, met een
brief ter inleiding, waarin hij o.a. schreef: „De Poösy, die
solck een groote gemeenschap met Uw schilderkunst heeft, dat
d' eene dikwils met woorden schildert en d' ander met verwen
spreekt, geeft my nu gelegenthejrt om uw E. gedichten voor
schildery en woorden voor verwen aen te bieden".
Een gedicht van Brandt „Op d' afbeelding van Rozemond
door» den beroemden schilder G. Flink*' verheerlijkte een tweede
portret zijner Susanna. „Hier ging", schreef de dichter van
Govert Flinck, „hier ging zyn kunst zo ver die reiken kon, en
geen Apel noch groote Titiaan heeft grooter kracht met zyn
penseel gedaan." Het portret van Brandt zelf werd eerst
geteekend door Jan Ijievens: een portret waarop hij het
bekende bijschrift maakte: „Wiens schaduw viel hier neer,
wat meent gy, dat ge ziet? Ay, vraag het Brandt niet,
want hy kent zich zelf nog niet". Daarna, toen hij predikant
te Amsterdam was geworden en „aan 't Y te lichten poogde,"
werd het door Michiel van Musscher geschilderd. Eene koper-
gravure van Pieter van Gunst [naar dat portret versiert het
derde deel zijner „Historie der Reformatie" (1704) en ook
de volledige uitgave zijner „Poëzy" van 1725.
Een vijfde met Brandt bevriende schilder was Adriaen
Backer, voor wien hij een bruiloftsdicht maakte, toen hij in
1669 met Eliza Colyn in het huwelijk trad. Hij prees hem
daarin om „het voeglyk t' zamen voegen van beelden, zodat
het l^eurigste oog genoegen moest scheppen uit de schikking
van zyn geest", en vooral legde hij er nadruk op, dat de
schilder dat geleerd had „te Rome, 't school der grootste kun-
stenaren, daer zich de kunst vertoont op doek en muur, metaal
en steen", en waar men, zich vermeiende „in eenen beemt
van Rafelsche taaffreelen, de kunstige natuur" leerde volgen.
Brandt's vriendschap tot Adriaen Backer gaf hem in 't zelfde
jaar ook nog twee korte lofdichten in de pen: op een portret,
dat hij van den predikant der Remonstranten Barth. Praevostius
had geschilderd, en op een historiestuk van hem, voorstellende
„'t Gerecht van Hertog Karel van Borgonje". Ook bij Jan Vos
II 23
354 POBTBBTTBN VAN DB GROOT, CAT8 EN HUYGBNS.
treffen wij eenige gedichten op schilderwerken van Backer
aan, zooals op twee portretten van een echtpaar, dat zich (zon-
derling genoeg I) als Jason en Medea had laten afbeelden, op
een „Sint Jan den Dooper" en op „Een slaepende Harderin,
die yan Chimon gezien wordt", in bezit yan Abraham van
Bassen en zóó mooi, dat zij „niet door 't groot penseel, maar
door Natuur geschaapen" scheen om, zelfs slapende, den aan-
schouwer in liefde te doen ontgloeien.
De rijken en aanzienlijken onder onze dichters konden tegelijk
ook als Maecenas optreden. Zoo bv. Jacob Wbstbbbabn, van
wien w^ reeds opgemerkt hebben, dat hij op Ockenburg. eene
geheele portrettengalerij bezat: „een opperlyst van menschen
sonder handen en sonder onderlyf', zooals hij zegt: „kunst
van Miereveld en Ravesteyn den Ouwen". Dat Michiel van
Miereveld in zijn tijd, d.i. tot zijn sterfjaar 1641, de meest
gevierde portretschilder was, is bekend. Reeds vermeldden wij,
dat hij in 1629 het eerste en beste portret van Hooft schil-
derde; van HüGD DB Groot maakte hij in 1631 een portret
en van Cats twee portretten (beide nu in het Rijksmuseum),
het eerste (ook door Willem Delff in koper gesneden) in 1634,
het tweede in 1639. Het portret, dat ons Oats in 1655 voor-
stelt en de uitgaaf zijner werken van dat jaar versiert, is naar
Adriaen van de Venne door M. Mosyn gegraveerd. Nog werd
er van Cats een portret geschilderd door Jan Antonisz. van
Ravesteyn, dien wij zoo even naast Miereveld als vermaard
portretschilder van dien tijd vermeld zagen, en die als zoodanig
ook genoemd wordt door Huygbns, als deze van eene kladschil-
derij zegt, dat het „van Mierevelds pinceel niet, noch van
Ravesteins palett" is.
Toch maakte Huygbns tusschen beiden wel onderscheid en
stelde hij van beiden Miereveld verreweg het hoogst. Deze
had dan ook in 1624 zijn portrei geschilderd, dat, door Willem
DelflF in koper gesneden, zijne „Ledige Uren" versiert. Weinige
jaren later schilderde Jan Lievens hem, en in 1632 Anthonie
van Dyck. In 1657 toekende zijn zoon Christiaan z^n portret,
dat, gegraveerd door Cornelis de Visscher, met zijne » Koren-
bloemen" uitkwam, terwijl eene gravure van Abraham Bloote-
ling gedaan werd naar een portret, dat zijn vriend Caspar
Netscher in 1672 van hem schilderde en dat nu in het Rijks-
SCHILDBRYRIENDBN VAN HÜYGSNS, VLAMINQBN. 355
museum te zien is. Vandaar misschien ook, dat Hüygens op
Netscher in 1684 niet minder dan acht Latijnsche en Neder-
landsche grafschriften gemaakt heeft.
Bijzonder was Huygbns ook ingenomen met den „uytnemen-
den bloemschilder Daniël Seghers", die zelfs met een portret
van Willem III (nu in het Mauritshuis), naar zijne gewoonte
in een festoen van rozen en oranjebloesem, zijn schoordteen
versierde. Hij heeft dan ook meer dan één Latijnsch ofNeder-
landsch gedicht tot hem gericht, zooals ook Jan Vos deed,
en Vondel, die hem een bij noemde, „honiglekkerny en geur
uit allerhande bloemen zuighend", maar bovendien in hem
gewaardeerd zal hebben, dat ook hij tot de bekeerlingen der
Katholieke kerk behoorde.
HüYGENS zelf ook was in de kunst niet geheel onervaren,
zooals het oudste portret bewijst dat wij van hem bezitten,
in 1622 door hem zelf geteekend. In 1611 had hij ge-
durende drie maanden teekenles gekregen van Hendrick Hon-
dius, terwijl zijn bloedverwant Jacob Hoefnagel hem met
waterverf leerde schilderen en zijn vriend Brostbrhuysbn
hem bij het etsen behulpzaam was. Vreemd is het daarom
ook niet, dat Frederik Hendrik, toen hij zijne jachthuizen te
Honselaarsdijk en Rijswijk met schilderwerk (meest familie-
portretten) versieren liet, en later Amalia van Solms, toen zij
de Oranjezaal of het Huis-ten-Bosch door Jacob van Campen
liet bouwen en tot een kunsttempel en mausoleum voor haar
overleden echtgenoot maakte, daarbij aan Hüygens opdroegen,
met de schilders in briefwisseling te treden. Zoo bezitten wij
dan ook nog bv. zijne coiTCspondentie met Rembrandt en
Geeraerdt van Honthorst, en ook met Vlaamsche schilders,
zooals Rubens, Jordaens, Gonzales Goques en Adriaen van
Utrecht.
Vlamingen hebben daarom ook vooral een groot aandeel
gehad aan de versiering van de Oranjezaal, en wel Jacob
Jordaens in 't bijzonder, wiens kolossale allegorie van Frederik
Hendrik's roemrijke daden er het veelbewonderd meesterstuk
is. Ook elders in ons land stond Jordaens (trouwens naast
Rubens, Van Dyck en Theodoor van Thulden) in hoog aan-
zien om het forsche realisme, dat al zijne werken, zelfs zijne
allegorieën, voor den zeventiendeëeuwer zoo aantrekkelijk
356 JACOB JOBDABNS BN PIBTBR LASTMAN IN BBRB.
maakte, en misschien ten deele ook, omdat hij aan zijn kunst-
roem het voorrecht dankte, als protestant te Antwerpen te
mogen blijven wonen en werken. Ook voor het Amsterdamsch
stadhuis heeft Jordaens in 1661 vier schilderstukken geleverd.
Hij werd daartoe vooral uitgenoodigd, omdat hij, evenals de
meeste Vlamingen, zich meer dan de Hollandsche schilders
op decoratieve kunst had toegelegd. Op twee van deze schil-
derijen, die tafreelen uit den Bataa&chen opstand voorstellen,
heeft Jan Vos een bijschrift gemaakt, evenals op het derde,
dat Simson als Filistijnendooder te zien geeft ; doch het vierde,
waarop het gevecht van David en Goliath is afgebeeld, schiJDt
niet door Jan Vos bezongen te zijn.
Welke schilders in de zalen der Amsterdamsche patriciërs
door hunne schilderijen het meest vertegenwoordigd en onder
hen het moest in eere waren, kunnen wij het best te weten
komen door Jan Vos, die steeds bereid was, de kunstschatten
zijner Maecenassen te bezingen, maar die daarin toch vrij
goed overeenstemde met Vondbl, ofschoon deze bij voorkeur
zijne lier besnaarde voor de werken van die schilders, met
wie hij persoonlijk bevriend was.
Voor Vondel is Pieter Lastman (reeds in 1633 overleden)
nog lang de groote schilder gebleven: „de Apelles onzer
eeuw", zooals hij zegt, wiens voorstelling (in 1614) van de
„Offerstaetsie te Lystren" aan Paulus en Bamabas gebracht,
toen (namelijk in 1657) in bezit van Jan Six, nu op Graaf
Stetzki's slot Romanow, door hem als een ongeëvenaard mees-
terstuk tot in kleine bijzonderheden in verzen werd geschilderd.
Oud ABN maakte in 1657 een gedicht op „Lastmans Offerstryd
tusschen Pylades en Orestes" (toen in bezit van Reinier van
der Wolf), dat hij „een weerga" noemde van de door Vondel
bezongen schilderij. Omstreeks denzelfden tijd bezat Marten
Kretser van hem een „Pyramus en Thisbe", „door ongemeene
weelde van konst en verw op 't treurigh gloeyende paneel
uytgebeeld", zooals Lambbrt van dbn Bos zegt, die ook het
„toover-swieren" bewonderde in een „Vrouwken van Sarepta'^
door Lastman geschilderd en ook in Kretser's Konstkabinet
naast een „Eng'len bootschap" van Pynas te bewonderen.
Van Rembrandt's medeleerling bij Lastman, Jan Lievens of
Livius van Leiden, zooals Vondbl hem soms noemt, bezat
VONDBL EN VOS OVBB LIEVBNS, KONINCK, BOL BN FUNCK. 357
Kretser „menigh Landtschap: in leven selver boven 't leven,
wanneer men 't op sijn schoonste siet", zegt Van dbn Bos, die
evenzeer over eene „Maria Magdalena" van Lievens in Kret-
ser's verzameling veiTukt was. vol bewondering voor Lievens
waren ook Vondel en Jan Vos. Diens „Fabius Maximus" in
de burgemeesterskamer op het nieuwe stadhuis werd door
beiden in verzen geprezen, en door Vos alleen eene „Opwek-
king van Lazarus" en een „Christus in 't graf', door hem
geschilderd. Verder vereerden zij eenstemmig Rembrandt's
leerlingen Philips Koninck, Ferdinand Bol en Govert Flinck.
Van Philips Koninck bezong Vondel eene Allegorie van
den vrede, een „Orestes en Pylades", een „Triomf van Bacchus",
en zelfs tweemaal eene „Slapende Venus". Voor Ferdinand
Bol waren Vondel en Vos beiden vol lof over „het heerUjk
stuk", de verpersoonUjking van 'sLands Regeering, waarmee
de Zeeraad door hem de kajuit van het Admiraliteitsjacht had
laten versieren, en ook voor het schoorsteenstuk, waarop Mozes,
de wet aan het volk vertoonend, is voorgesteld in de schepen-
kamer van het stadhuis, nu de troonzaal in het paleis, waar
deze schilderij nu achter den troon verborgen is, en voor een
ander stuk op het stadhuis, dat de onverschrokkenheid van
Fabricius tegenover Pyrrhus' olifant afbeeldt. Vondel maakte
ook nog een gedicht op een stuk van Bol in het Admiraliteits-
gebouw, „het gestrenge krygsrecht van Titus Manlius ïorquatus"
voorstellend, en Jan Vos op een allegorisch schoorsteenstuk
van hem in het vorstelijk verblijf van Hendrik Trip.
Aan Govert Flinck wijdde Vondel een bruilofsdicht bij zijn
tweede huweUjk met Sofia van der Hoeven in 1656, twee bij-
schriften bij zijn portret en een grafschrift bij zijn vroegen
dood in 1660. Hij roemde hem als den schilder van „'tlevens-
groote leven", zooals ook Paolo Veronese dat op doek bracht,
„met kracht en majesteit, door vrou Natuur tot schilderen ge-
dreven". Van die Natuur week hij, volgens Vondel, nooit af:
„altijt volgde hij het leven en de waerheit, 't zy hy Maurits
maelde in het blanke harrenas, of met zijnen Keurvorst praelde,
of, vol y vers bezig was om 't Stadthuis en Aemstelheeren door
den Roomschen Curius zuinigheit en trouw te leeren". Aan
dat laatste stuk wijdde hij, evenals Jan Vos, nog een afzon-
derlijk bijschrift; en zoo wedijverde hij ook met Vos in het
358 JAN vos OYBR GOVBBT FLINCK BN BARTH. VAN DBB HELST.
prijzen van een „Venus en Cupido met gebroken boogpees",
door Flinck geschilderd voor Joan Huydecoper en nu nog in
Teylers museum te zien. Vos en Brandt beiden maakten een
bijschrift op zijn schilderstuk „Salomons gebed" in de Raad-
kamer van het stadhuis, waarop de allegorische voorstelling
der Hemelsche wijsheid of Sophia de trekken van Flinck's
vrouw vertoonde, en Vos schreef er ook nog een op een
„Christus", waarvoor Plinck een Jood tot model genomen had,
toen hij hem voor Joris de Wijze schilderde, en op eene
„Venus", die de schilder in eene „Maria Magdalena" omschiep,
op een „Doop van den Moorschen Kamerling", op eene „Ster-
vende Lucretia" in Huydecoper 's lusthof Goudesteyn, en op
nog meer andere stukken; maar toen Flinck het corporaal-
schap van Joan Huydecoper afbeeldde, dat in 1648 den gesloten
vrede met een schuttersfeest vierde, werd het gedichtje dat
Vos er bij schreef, op de schilderij zelf opgenomen, waar men
het nog, in het Rijksmuseum, kan trachten te lezen.
Nog bekender dan dit fraaie schuttersstuk is de „Schutters-
maaltijd" van Bartholomeus van der Helst, bij dezelfde ge-
legenheid geschilderd. Op den voorgrond ziet men daar eene
trom liggen met een blad papier daarop geschilderd, dat de
bekende versregels van Jan Vos te lezen geeft:
„Belloone walgt van bloedt, ja Mars vervloeckt het daveren
Van 't zwangere metaal ; en 't zwaardt bemint de schee :
Dies biedt de dappre Wits aan d' eedele van Waveren
Op 't eeuwige verbond t de Hooren van de Vree".
Later heeft Vos, die gaarne zijne bijschriften met een soort
van spreuk besloot, daar nog deze regels bijgevoegd:
„Zoo vlecht de strydbre leenw zyn lauwren met olyven.
Wie dat de vree bevecht begeert ook vry te blyven*'.
Nog een derde schuttersstuk (evenals de beide andere m het
Rijksmuseum) vertoont een vijfregelig dichtje, en wel van
Vondel, namelijk het stuk, waarop Joachim Sandrart een
marmeren borstbeeld van Maria de Medicis geschilderd heeft,
omgeven door het corporaalschap van Cornelis Bicker, heer
van Swieten, dat haar bij haar bezoek aan Amsterdam in
1638 tot eerewacht had verstrekt. Met Sandrart, den Prankforter
VONDKL EN JOACHIM SANDRART. 359
schilder, die zich tijdelijk Id Amsterdam vestigde en daar
grooten opgang maakte, was Vondel bijzonder bevriend,
waartoe gemeenschappelijk kerkgeloof misschien bijdroeg; maar
vooral ook zal Vondel hem bewonderd hebben als geleerd
schilder, die de kunstregelen volkomen kende en ook wist
toe te passen, zooals men het best kan zien uit het groote en
belangrijke werk, dat hij in 1675 — 79 uitgaf, „Deutsche Academie
der edlen Bau- Bild- und Malereikunste". Opmerkelijk
is dan ook, dat Vondel in een bijschrift op de afbeelding,
die Sandrart van zich zelf gemaakt had, van hem, die een
„verciersel der Y- en Amstelstadt" was geworden, niet alleen
roemde, dat „Natuur hem 't penseel gaf', maar ook, dat „de
Tiber hem schilderlessen had gegeven", iets wat bij Vondel
blijkbaar even zwaar woog als bij velen zijner tijdgenooten.
Als huisvriend van Sandrart heeft Vondel ook gedichten
gemaakt op verschillende kunstwerken, die hij bezat, marmeren
beelden, teekeningen, zooals van Giulio Romano, en ook schil-
derijen van Rafaël en Paolo Veronese. Verscheidene werken
van Sandrart ielf ook heeft hij bezongen : behalve verschillende
portretten, een groot altaarstuk dat St. Sebastiaan voorstelde
en voor den keurvorst van Beieren bestemd was, eene „Maria
Magdalena", de allegorieën van Dag en Nacht en de aardige
„Verbeeldingen der twaalf maanden", die zich nu in het slot
Schleissheim bij München bevinden, maar waarvan de gra-
vures met Latijnsche bijschriften van Barlaeus in 1645 het
licht hebben gezien.
Toen Sandrart omstreeks 1646 Amsterdam weer verliet en
als hofschilder naar Beieren terugkeerde, deed Vondel hem
uitgeleide met eene dichterlijke klacht. „Wie scheit de blyde
Poëzye en schoone Schilder-kunst, twee susters soet van aerti"
riep hij daarin uit: „Wie scheit de kunst van kunst, soo
minnelijck gepaert, wie scheit penseel en pen, de verwen en
de woorden!" Toch wilde hij Sandrart „syn fortuin en soo
veel grooter eer" niet misgunnen en wenschte hij hem „een
engel als schilt en leitsman op de reis" toe, opdat hij „Bajere
met kunst en schilderyen mocht kleeden; en dat heeft San-
drart niet alleen gedaan, maar hij heeft Vondel ook later de
bewijzen gegeven van zijn voortdurenden werklust en zijne
vriendschap te gelijk, toen hij hem uit Weenen het door hem
360 VONDEL EN VOS OVER STOÜADE EN ANDEBEN.
vervaardigde portret van keizer Ferdinand III toezond, dat
Vondel daarop ook bezong. Een ^Ulysses en Nausikaa", waar-
mee Sandrart den schoorsteen in het huis van Joan Huyde-
coper versierde (nu in het Rijksmuseum ï, werd door Jan Vos
in een gedichtje beschreven.
Een ander gevierd schilder was destijds de Nijmegenaar
Nicolaes van Helt Stocade, die, na hofschilder van Lodewijk
XIII van Frankrijk geweest te zijn, omstreeks 1650 naar
Amsterdam overkwam. Zijne graanuitdeeling door Jozef, op
de tresory van het stadhuis, werd zoowel door Vondel als
door Vos van bijschriften voorzien, en evenzoo eene „Room-
sche Clelia, de gijzeling ontzwemmend". Alle zinnebeelden,
waarmee hij de zolderingen versierde van de beide paleizen,
die de gebroeders Louys en Hendrik Trip in 1664 voor zich
op den Kloveniersburgwal te Amsterdam door Justus en Philips
Vingboons lieten bouwen en die nu het bekende Trippenhuis
uitmaken, beschreef en verheerlijkte Jan Vos in eene geheele
reeks van zesregelige puntdichtjes, die alle door eene kern-
achtige spreuk aan het einde gekenmerkt zijn.
Zoo zou ik kunnen voortgaan met nog tal van bijschriften
van beide dichters te vermelden op schilderijen van minder
op den voorgrond tredende meesters, zooals bv. een op ,De
bocht van de Heerengracht" van Geeraert Berkheyde ^nu in
het Museum-Six), door Vondel nog in 1672 gedicht ; of Von-
dbl's lofdichten op twee groote naaktschilderingen van Dirck
Bleecker, den hooggewaardeerden hofschilder van Prins Willem
II, namelijk eene „Danaê" (voor den Heere van Halteren ge-
schilderd) en eene „Triomfeerende Venus" (voor Prins Willem
II), beide in staat „een Godt te bekooren" en, zooals de dichter
zegt, niet te verachten door de vrouw, omdat haar man haar
nog hartstochtelijker zou omhelzen, wanneer hij vooraf door
„de deugt en netheit van 't penseel" was „aengeterght van
gloet"; maar ook aan een catalogus, zooals ik al druk bezig
ben, er een van de door Vondel en Vos bezongen schilderijen
te maken, moet een einde komen.
Ging ik er mee voort, dan zou men zien, dat onder een
zestigtal namen van schilders, die er op zouden voorkomen,
toch enkele van de beroemdste, bv. Jan Steen en Adriaan van
Ostade, Gerard Dou en Paulus Potter, Dirk en Frans Hals,
SCHILDERS DOOR OUDABN EN AMPZING GEPREZEN. 361
zouden ontbreken. Alleen een broeder van de laatsten, Jan Hals,
zou er onder zijn bentnaam „Joan den Esel"- vertegenwoordigd
zijn door een lofdicht van Vondel (van 1665) op een „Home-
rus", dien Willem Spieringh te Delft bezat. Men moet dan ook
niet vergeten, dat de lofdichters Amsterdammers waren en dus
daar gemaakte of althans daar geziene schilderstukken bezongen,
zoodat wij dan ook met geheel andere schilders kennis maken
in eene reeks van lofdichten van Oüdaen op het schilderijen-
kabinet van Johanna Volkaerts (in 1646), o.a. opeene „Opwek-
king van Lazarus" door A. Willaerts, een „Brand buiten Haer-
lem" door Hans Boulenger, een „Storm op zee" door Johannes
Porcellis en een „Boere-keuken" door Hendrick Maertensz.
Sorgh. Op eene copie door Sorgh van een oud portret van
Huibert Duif huis gemaakt (nu in het Rijksmuseum) is nog
een vierregelig bijschriftje van Oudaen te lezen. Ti'ouwens
ook te Amsterdam kon men toen met schilderstukken van
den Rotterdammer Sorgh kennis maken. Tobias van Domselaer
toch bezat van hem een „Jupiter en Merkuur in de doening
van Philemon en Baucis", waarop Jan Vos, vriend en mede-
schouwburgregent van Van Domselaer, een gedichtje maakte.
In Samubl Ampzing's „Beschryvinge ende Lof der stad Haer-
lem" (1628) ontbreken de namen niet van Frans en Dirk
Hals, „gebroeders in de konst, gebroeders in het bloed, van
eener konsten min en moeder opgevoed", en wordt van den
eerste geroemd, dat liij zoo „wacker de luyden naer het leven
schilderde", terwijl van den ander de „suyv're beeldekens"
geprezen worden. In Ampzing's gedicht worden, behalve allerlei
vroegere Haarlemsche schilders, die de dichter hoofdzakelijk
uit Van Mander's „Schilderboeck" kende, nog verscheidene
jongere geprezen, o.a. Heyndrick Gerritsz. Pot, van wien het
„wonder" heet, „wat hy doet in dese onse dagen", Karel de
Hooch, van wien men „ruwynen kon sien naer 't leven afge-
beeld", Jacob Pynas, Pieter Claeszen, Pieter de Molijn en vele
anderen. Johannes Porcellis wordt er vermeld als „de grootste
konstenaer in schepen", Willem Glaesz. Heda als beroemd
door zijne „banketten", zooals Hans Boulenger door zijne
„bloemen". De naam van Pieter Jansz. Saenredam kon er
reeds hierom niet verzwegen worden, omdat hij aan Ampzino
„in zyn werk getrou de hand bood" door er teekeningen voor
362 SCHILDERS VAN STILLEVKNS; PORTRETTEN VAN VOS.
te maken, in koper gesneden door Jan van den Velde, den
vermaarden calligraaf, die ook als zoodanig door Ampzing
wordt geroemd.
Ook Salomon van Ruysdael wordt er geprezen omdat hij
„goed in landschap" was „en beeldekens daerby", maar ont-
breekt het aan lofdichten op Jacob van Ruysdael en Mein-
dert Hobbema, dan is het, omdat landschappen bf minder in
tel waren, öf althans zich minder leenden tot eene poëtische be-
schrijving, zooals mythologische voorstellingen en historiestuk-
ken. Ook bloemstukken (behalve die van Daniël Seghers) en
stillevens werden maar zelden met lofdichtjes vereerd. Jan
Vos schreef er een op de „Bloemen door [Willem] van Aalst
geschildert" „met een glans, die nimmer zou verflensen" en
die daarom de rozen, door de natuur voortgebracht, nog
overtroffen; Oüdaen vermeldde Maria van Oosterwijk, „die
keur'ge Schilderesse van veld- en bloemgewas", die „yder
plant-ontwerp wel op 't papier bewaarde", zoodat zij „in hare
kunst-stukken t'samen voegde", wat in verschillende jaarge-
tijden bloeide; en Vondel dichtte een schertsend „Raetsel"
tot lof van „Sint Lukas Kalf', d. i. Willem BlalflF, den kunst-
vaardigen schilder van „stilstaende dingen", zooals „banketten,
dischgerecht en brief, limoen, citroen en glas en schael,
cieraet en overdaet en prael". Van Jan Baptist Weenix bezat
Marten Kretser een „wonderstuck", vechtende ooievaars voor-
stellend, dat zijn vriend Lambert van den Bos aanleiding
gaf om uit te roepen, dat hij met zijn „tooverend penseel
Romen self kwam braveeren, als had vóór hem nooyt konst
geweest".
Bij portretten was het natuurlijk in de eerste plaats of zelfe
wel uitsluitend te doen om den afgebeelden persoon te prijzen;
doch wie in dien tijd de gevierde portretschilders waren, kun-
nen wij in elk geval uit die lofdichten en bijschriften leeren.
In den kring van Vondel en Vos stond ongetwijfeld Jan
Lievens als portretschilder bovenaan. Vos zelf werd doorhem
geteekend. Een ander portret sneed later Karel Dujardin van
hem in koper. Voor beide afbeeldingen maakte hij een bfl-
schrift. Niet veel minder aanzien dan Lievens genoot ook
Bartholo'meus van der Helst, die er zelfs in geslaagd was, den
roem van zijn talentvoUen leermeester Nicolaes Elias te ver-
PORTRETTEN VAN VONDEL. 363
diiisteren, en op wiens portretten wij vele bijschriften van
Vos bezitten, geen enkel echter van Vondel, geen althans
waarbij hij met name genoemd wordt. De schilders, op wier
portretten Vondel (evenals ook Jan Vos) verscheidene ge-
dichtjes heeft gemaakt, zijn, behalve Lievens, nog Joachim
Sandrart, Govert Flinck, Philips Koninck en Karel van
Mander de Jonge, die alle vijf tot zijne vrienden mogen ge-
rekend worden, daar zij ook hem zelf hebben afgebeeld.
Het oudste portret, dat wij van Vondel kennen, is in 1641
door Sandrart geteekend omstreeks denzelfden tijd, toen hij
ook CosTBR en Hooft, Vossius en Barlaeüs afbeeldde. Eene
kopergravure daarnaar van Theodoor Matham versiert den
eersten druk van Vondel's „Verscheide Gedichten" van 1644
met een bijschrift van den dichter zelf. Voor den tweeden
druk van 1650 vindt men eene gravure naar een portret, door
Jan Lievens geteekend, die Vondel vroeger ook reeds geötst
had, en van wien misschien ook de geschilderde beeltenis van
1660 is, die wij nog op de Amsterdamsche Universiteit kunnen
zien in de kamer der letterkundige faculteit. Govert Flinck
schilderde Vondel in 1653, toen de dichter „een ring van
zesmael ellef jaeren" sloot en reeds zijn „hooft besneeuwt"
zag. Het portret werd ten geschenke gezonden aan den Directeur-
generaal Gerard Huift in Oost-Indië, met een begeleidend ge-
dicht van Vondel, waaruit groote genegenheid en profetische
bezorgdheid spreekt.
Toen Vondel in 1657 eene reis naar Denemarken maakte,
sloot hij daar ook vriendschap met den hofschilder Karel van
Mander, den kleinzoon van den bekenden dichter, en deze
„wiens penseel zoo rijck begaeft op 's groötvaers spoor en
baen ten hemel draefde", schilderde hem toen als zeventig-
jarige. Uit dankbaarheid daarvoor maakte hij een lofdicht op
den ouden Van Mander en op portretten van verschillende
Denen, door zijn jongen vriend geschilderd. Met eenige andere
gedichten samen gaf hij deze uit in een kleinen bundel, ge-
titeld „De Pamas aen de Belt".
Van hetzelfde jaar 1657 is Vondel's meest bekende portret,
waarop wij hem zien, zooals Cornelis de Visscher „met kryt
en kunstigh yzer syn ouderdom in koper levende af beeldde" ;
en daarop volgen nog verscheidene portretten van Philips
864 vondel's portrettbn; hüygbns over de schilders.
Koninck, die hem „in 't kleen** ook reeds in 1656 had geschil-
derd, terwijl hij Koning Davids „snaren en heiligh harpgezang
en trant vast volgde." Hij „telde vijf en seventigh, toen Koning
hem dus levendigh te voorschijn braght op zyn panneeV',
dichte Vondel in 1662, en daarna schilderde of teekende hij
hem nog vele malen, o.a. in 1665 en 1674 (beide in het Rijks-
museum) en zelfs nog later. Zooals hij er in 1671 uitzag,
vinden wij hem vóór de uitgave zijner „Poëzy" van 1682
door Hendrik Bary gegraveerd met een bijschrift van Brandt.
Zoo heeft dan de schilderkunst, die Vondel zoo hoog ver-
eerde en in menig keurig gedicht verheerlijkt heeft, zich ook
te zijnen opzichte niet onbetuigd gelaten, en kunnen wij ons
nu den grooten dichter voorstellen, zooals hij zich in verschil-
lende tijdperken van zijn leven vertoonde.
XLVI.
Onze dichters tegenover Rubens en Rembrandt.
Van Rubens en Rembrandt hebben wij nog slechts als in
't voorbijgaan gesproken, toen wij over de betrekking van onze
dichters tot de schilderswereld spraken en o.a. zagen, dat
Rembrandt door Jan Vos aan de spits der schilders werd ge-
steld en dat Hüygens met Rubens en Rembrandt in briefwisse-
ling is geweest. Hüygens was het onder onze dichters, die het
eerst Rembrandt als het schildergenie der toekomst heeft weten
te erkennen.
Wij bezitten namelijk van hem eene merkwaardige critiek
op verscheidene schilders van zijn tijd in zijne omstreeks
1630 geschreven fragmentarische autobiographie, en terwijl
hij daarin verschillende anderen slechts terloops vermeldt,
Comelis van Haarlem, evenals Hendrik Vroom, verouderd
noemt en den brutaal-ontuchtigen Johannes Torrentius, wiens
verrassend weergeven van de levenlooze natuur hij prees, slechts
met eene mengeling van weerzin en bewondering bespreekt,
stelt hij er twee jonge schilders op den voorgrond, aan wie
hij eene schitterende toekomst voorspelt: Jan Lievens en
Rembrandt Harmensz. van Rijn. In smaak en levendigheid
van gevoel stelde hij Rembrandt boven Lievens, in stoutheid
HUYOBNS BN BBMBBANDT. 365
en vinding en grootschheid van onderwerpen en figuren
Lievens boven Rembrandt.
Van den laatste had hij toen juist een Judas gezien (die
eenige jaren geleden weer is teruggevonden), vol berouw de
zilverlingen, waarvoor hij Jezus verkocht had, aan de priesters
terugbrengend. Daarvan zegt hij : „Laat geheel Italië hier komen
en al wat er schoons en bewonderenswa€u:digs van de hoogste
oudheid af is overgebleven : het gebaar van den wanhopenden
Judas alleen, die raast en huilt en vergiffenis smeekt zonder
dat zijn gelaat de hoop daarop uitdrukt, dat afschuwelijk
gelaat, de uitgerukte haren, het verscheurde gewaad, de ver-
wrongen armen, de ten bloede toe samengeknepen handen,
de plotselinge kniebuiging en de deerniswekkende ineen-
krimping van dat lichaam onder de hevigste smart: dat alles
plaats ik tegenover de elegantie van het verleden en wensch
ik te laten zien aan die onwetenden, die wanen, dat tegen-
woordig niets gedaan of gezegd kan worden, wat de Oudheid
niet reeds gezegd of gezien heeft. WaarUjk aan geen Proto-
genes, Apelles of PaiThasius is ook maar iets in de gedachte
gekomen van dat alles, wat een baardeloos jongeling, een Hol-
landsche molenaar in ééne figuur, afzonderlijk en met elkaar
heeft weten uit te drukken. Geluk, mijn vriend Rembrandt!
Ilium, ja geheel Azië naar Italië te hebben overgebracht be-
teekent minder dan dit, dat nu door een Nederlander, die
totnogtoe nauwelijks een stap deed buiten de muren van zijne
vaderstad, de hoogste roem van Griekenland en Italië op de
Nederlanders is overgegaan.''
Die woorden van Huygens zijn bewaarheid, zij het ook al
niet in de zeventiende eeuw zelf, dan toch later. Toch was
Rembrandt ook reeds in zijn eigen tijd een schilder van
grooten naam geworden. Huyqbns liet het dan ook niet na,
hem bij Frederik Hendrik aan te bevelen, voor wiens jachtslot
te Honselaarsdijk hij van 1633 tot 1639 vijf tafreelen mocht
schilderen, namelijk eene Kruisverheffing, Kruisafneming,
Graflegging, Opstanding en Hemelvaart. Later leverde hij aan
Frederik Hendrik ook nog eene schilderij, die de „Aanbidding
der herders" voorstelde. Door erfenis zijn al deze stukken naar
Beieren gegaan, waar zij zich nu in de Münchener Pinakotheek
366 VBRBBRDBRS VAN RBMBRANDT ; PENNBKON8TBNAABS.
bevinden. Ook het portret van Huygens' broeder Maurits (nu
in Hamburg) heeft Rembrandt in 1632 geschilderd.
Verder weten wij, dat ook Scbivbrius (wiens portret in
1626 door Frans Hals geschilderd werd) „twee braave groote
stukken van Rembrandt" bezat en dat er zich in de verzame-
ling van Marten Kretser ook Rembranden bevonden, wat
Lambbrt van dbn Bos aanleiding gaf om in zijn gedicht op
Kretser 's Konstkabinet tot Rembrandt te zeggen: „Elck weet
Wat eer dat ghy kont halen, wanneer ick slechts u name
noem." Jan Jacobsz. Hinlopen was in het bezit van een in
1660 geschilderd stuk van den meester, dat zich nu in het
Rumiantzof-museum te Moskou bevindt en Haman voorstelt,
bij Esther en Ahasverus te gast. Voor dat stuk, evenals voor
eenige andere schilderijen in het huis van dien kunstlie venden
Amsterdamschen schepen, heeft Jan Vos een dichterlijk bij-
schrift gemaakt. Hij deed dat ook voor het portret (nu in de
Gemalde Galerie te Cassel), dat Rembrandt in 1632 schilderde
van Lieven van Coppenol, maar de lof geldt hier, zooals
gewoonlijk bij de gedichten op portretten, meer den persoon,
die voorgesteld werd, dan den schilder, die het beeld op doek
bracht.
Trouwens ook Lieven van Coppenol was kunstenaar in zijn
vak, de pennekonst. Hij was zelfs „de fenix aller pennen",
volgens Jan Vos, en heeft zich dan ook als zoodanig door
velen, ook door Vondel, in lofdichten verheerlijkt gezien. In
Daniël de Lange eerden Vondel, Anslo en Vos, in Pranjois
de Bruine en Willem Verjannen De Decker, in Peter en
Johannes Serwouters Vondel en Vos, in Hendrick Meurs
Vondel en in Dirk van Oorschot Vos hunne kunstgenooten,
allen door „'t bexken van de pen" tot hunne bewonderaars
sprekend, evenals „de vier gewijde Bekjens, die met oordeel
't wit papier witter toonden door de trekjens van de vlugge
vederzwier", van wie Tenqwagel spreekt. Van deze vier zijn
ons David en Hendrick Beck ook bekend door verscheidene
gedichten in handschrift, tusschen 1617 en 1634 door hen
gemaakt. De eerste dichtte zelfs vijftig sonnetten voor den
winterkoning van Bohème en in 1622 te 's-Gravenhage, waar
hij toen woonde, eene geestelijk-allegoriseerende uitbreiding
van „Het Hooge-liedt Salomons'* in negen zangen.
DE DECKBR EN VONDEL OVER REMBRANDT. 367
Van onze dichters vereeuwigde Rembrandt er twee duor zijn
penseel : Krul in 1683 en Jbbemias de Decker in 1659. Het
eerste dezer portretten bevindt zich nu te Cassel, het tweede
in de Hermitage te St. Petersburg. De Decker was met het
zijne zeer in zijn schik en er bijna trotsch op, zooals hij zegt,
dat „onzes tyds Apell" zich verwaardigd had, hem af te
beelden, „en dat niet om wat loons daer uit te mogen spinnen,
maer louterlyk uit gunst: uit eenen eed'len trek tot opze
Zanggodinnen, uit liefde tot de kunst" ; en, het een roekeloos
ondernemen achtend, „door rym-pen of gedicht den roem te
willen queken van zyn beroemd penceel", zond hij hem daar-
voor geen lofdicht, maar een rijmend „dank-bewj'^s", dat
nochtans den hoogsten lof inhoudt. Vóór de schilder met
dezen zijn arbeid begon, drukte beider vriend Henrick Wa-
TERLOOS den „wytberoemden schilder" wel op het hart, dat
hij nu geen gewoon mensch, maar „een paerel der poëten*'
te schilderen kreeg en dus nu wel ter dege „zyn grootmeester-
schap" te toonen had door „zyn pinseel in held're hemel-
glansen te dopen".
Voor Waterloos zelf had Rembrandt in 1651 een „Verrezen
Christus" geschilderd, aan Maria Magdalena verschijnend (nu
in 't hertooglijk museum te Brunswijk), en onder de spreuk
„micat inter omnes" schreef De Decker daarop een klinkdicht,
waaruit ons blijkt, dat de dichter vooral getroffen was door
de juistheid, waarmee de geest van het bijbelverhaal was
weergegeven door het levende en uitdrukkingsvolle der figuren
en daarbij ook door „de grafrots hoog in de lucht geleid en
ryk van schaduwen", die „oog en majesteit aen all' de rest
van 't werk" gaf.
In Vondel's werken komt Rembrandt's naam maar eenmaal
voor. Op een portret van den gestrengen leeraar der Water-
landsche Doopsgezinden te Amsterdam, Cornelis Claesz. Anslo,
in 1640 door Rembrandt met rood krijt geteekend (nu in de
Albertina te Weenen), als studie voor het portret, dat hij in
het volgende jaar van hem schilderde (nu in de Gemalde-
Galerie te Berlijn), maakte Vondel dit gedichtje: „Ay,
Rembrant, maal Cornelis stem. Het zichtbre deel is 't minst
van hem: 't onzichtbre kent men slechts door d'ooren. Wie
Anslo zien wil, moet hem hooren". Hoe ongaarne missen wij
368 RUBENS OOK IN NOORD-NEDBRLAND IN BERE.
hier iedere aanduiding, dat onze grootste dichter ook Rembrandt
als onzen grootsten schilder heeft weten te waardeeren I Maar
te vreezen is het, dat de grootheid van Rembrandt's genie
onopgemerkt aan hem voorbij is gegaan.
Wie zich daarover zou willen verwonderen, beginne liever
met zich te ontworstelen aan de tirannie der alledaagsche
kunstdweperij, die slechts in ééne bepaalde richting het
gejiie weet te vinden en te vereeren. Naast Rembrandfs kunst
heerschte er in zijn tijd nog eene andere kunst, die men, in
plaats van haar allereerst met die van Rembrandt te verge-
lijken, veeleer op zich zelf moet leeren begrijpen en be-
wonderen, want ook die andere kunst had hare grootmeesters,
en daaronder, als zonder eenigen twijfel den eersten, Petras
Paulus Rubens, dertig jaar vóór Rembrandt geboren en vijf
en twintig jaar vóór hem overleden.
Dat Rubens bij velen te onzent in de zeventiende eeuw
zeer in eere was, is bekend. Reeds terloops vermeldden wij,
dat Anna Visschbr persoonlijk met hem bevriend was. Hij
schonk haar met een Latijnsch bijschrift een exemplaar der
gravure van Lucas Vorsterman (1620) naar eene zijner Susanna's,
en op zijne (ook door Jonas Suyderhoef gegraveerde) schilderij,
die eene moeder met haar kind voorstelt, was zij zoo „ver-
lieft", dat zij die in 1621 naschilderde, zooals zij aan Rubens
in een gedichtje meedeelde, waarin zij zelfs zijn raad vroeg
over de manier om witte verf te krijgen, die niet geel werd.
Hoopt maakte vijf kleine dichtjes „op Rubens schilderij der
swemmende maeghden": waarschijnlijk de vlucht van Clelia
voorstellende, zooals er van Rubens een in de Dresdener
Galerie te zien is. Huygens was vol schrik en bewondering
voor een „Medusakop" van Rubens, dien hij ten huize van
zijn vriend Sohier te Amsterdam zag, maar te ijselijk vond om
in eene woonkamer opgehangen te worden, ofschoon hij den
schilder „een der wonderen van deze wereld" noemde.
Menigeen onder onze Amsterdamsche patriciërs stelde er
hoogen prijs op, één of meer stukken van Rubens te bezitten.
Op Kommerrust, de in een uitvoerig dichtstuk door Jan Vos
bezongen hofstede bij Naarden, waarin de rijksontvanger van
Holland, Mr. Joan üytenboogaardt (vereeuwigd door tal van
portretten en ook door penseel en etsnaald van Rembrandt) zich
RUBENS GEPRBZBN DOOR JAN VOS KN VONDEL. 369
in de edelste voortbrengselen van natuur en kunst verlustigde^
kon men toen zijn Amazonenstrijd voor Troje bewonderen,
die zich nu in de Pinakotheek te München bevindt, en dien
Jan Vos in het genoemde gedicht aldus beschreef:
„Hier woén de legers om elkander te doen wQken.
Daar trapt de x>aardehoef op leevenden en l\jken.
Gins stort de ruiter van de brug tot in de yloedt.
Het laage water wast en rookt van bruizendt bloedt.'*
Nog een ander stuk van Rubens, dat zich nu eveneens in de
Pinakotheek te München bevindt, namelijk het schrik- en
indrukwekkend tafreel van Saul's bekeering door het verblin-
dend bliksemlicht, werd door Jan Vos in dichtregelen nage-
schilderd. Ook is een van Rubens' martelaarsstukken, een „Sint
Laurens, daar hy gebraaden wordt,'* door hem van een bij-
schrift voorzien; en weer van eene andere zijde kon men
Rubens leeren kennen in de woning van Jan Jacobsz. Hinlopen,
waar „Vrou-Venus koets" zich vertoonde, omgeven door „wolken
vol van dartle minneschaaren", kleine Cupido's, die „hun
stompe pylen wetten", zooals wij al weer weten van Jan Vos,
die ook daarvan eene dichterlijke beschrijving gaf.
Ook voor VoNDEi. was, wij zagen het reeds, „Rubens de glori
der penseelen onzer eeuwe", die in het Noorden, volgens hem,
slechts één „genan" had, Pieter Lastman, door Vondel om
dezelfde deugden, die hij ook in Rubens bewonderde, zoo hoog
vereerd, namelijk om zijne natuurgetrouwheid en de ordi-
nantie of schikking zijner figuren. Op Rubens' „dooden
Leander in d'armen der zeegodinnen" maakte hij, evenals
Jan Vos, een lofdichtje, toen dat stuk in bezit van Pieter Six
was gekomen, nadat het vermoedelijk (maar als „Hero en
Leander" vermeld) van 1637 tot omstreeks 1644 behoord had
tot de door Rembrandt bijeengebrachte kunstschatten.
Hoe goed Vondel het karakter van Rubens' kunst begreep,
hebben wij reeds gezien, toen wij uit de opdracht van het
treurspel „Gebroeders" zijn ontwerp van een, alleen in zijne
verbeelding bestaand, schilderstuk van Rubens aanhaalden.
Vondel's kunst was dan ook ten nauwste aan die van Rubens
verwant. Wat hem bovenal in Rubens aantrok, was hetzelfde
wat wij ook in zijne eigene grootere dichtstukken kunnen
II 24
370 KÜNSTVKRWANTSCHAP VAN RUBENS EN VONDEL.
bewonderen, het was het dramatisch karakter zijner tafireelen
vol leven en beweging, het geweldige, alles aandurvende,
hemelbestormende zijner doeken, de kleurenweelde en de volle
lichtgloed, die ons uit zijne werken tegenstraalt ; en het was,
behalve de natuurgetrouwheid van het schitterend coloriet in
vleeschkleur, kleederdos of wat ook, bovenal de onuitputtelijk-
heid van vinding bij de veelzijdigheid zijner onderwerpen en
de kunstige groepeering der onderdeden, want dat laatste
hield Vondel voor het moeielijkste en daarom ook voor het
hoogste in de kunst.
Daar kwam echter nog bij, dat Rubens, evenals hij zelf,
in alle onderdeden de natuur getrouw volgend, toch tegelijk,
door algemeen geldende schoonheidsregels te huldigen, die
anderen (en Rembrand t zelfs opzettelijk) verwaarloosden, maar
die in Vondel's oog onaantastbaar waren, aan het geheel
zijner tafreden het karakter wist te geven van eene boven-
aardsche schepping der verbeelding. De beeldrijkheid zijner
eigene poëzie vond hij bovendien terug in de allegorieën van
Rubens, die daarbij evenmin mythologie versmaadde als hij
zelf, en die zich een geleerd schilder toonde, zooals hij zelf
een geleerd dichter trachtte te zijn. Bedenkt men daarbij, dat
Rubens de Renaissancekunst wist te vervlaamschen, zoodat de
Romeinsche goden en godinnen in prachtstukken van Vlaam-
sche of Brabantsche mannen en vrouwen met sterke spieren,
mollige vleeschronding en zilverachtigen huidglans werden
omgeschapen, zooals Vondel ook de Oudheid wist te verhol-
landschen, en dat beiden ook hierin overeenstemden, dat zij
die genationaliseerde Oudheid tot dienares wisten te maken
van dezelfde Katholieke kerk, die zij met hunne kunst hebben
verheerlijkt, dan zal men begrijpen, dat voor Vondel Rubens
wel de grootmeester der schilderkunst moest zijn, en niet
Rembrandt.
Rembrandt's groote verdiensten toch liggen elders. Natuur-
getrouw in het weergeven van geest en leven, beeldt hg het
uiterlijke der natuur, het bijkomstige, óf niet altijd even
getrouw af, óf weer wat getrouwer dan verlangd werd door
hen, die het ledijke in de werkelijkheid op ernstige stukken
liefst weggedoezdd of verfraaid wenschten/Poont ook Rembrandt
zich een meester in het groepeeren , het is niet de harmonie
VAB6BLIJKINO VAN BUBBNS EN BBMBBAKDT. 371
Ier lijnen, die de veelheid der figuren en kleuren bij hem
ot eene eenheid maakt, zooals bij Rubens, maar de harmonie
Ier in elkaar overvloeiende kleurschakeeringen onder de
;ooverwerking der btmdels lichtstralen, die het geheel als eene
eenheid beheerschen en waarin ook reeds zijne tijdgenooten
oordeelden, dat zijne kracht gelegen was, zoodat zijn leerling
3amukl van Hoogstbaten in zijne „Inleiding tot de Hooge-
ichool der Schilderkunst" (van 1678) van hem zeide : „wonderlijk
neeft zich dezen Rembrant in refiexeeringen gequeeten, ja
iet scheen of deze verkiezing van 't wederom kaetsen van
^enich licht zijn rechte element was."
En waar is allegorie, waar mythologie bij Rembrandt te
vrinden? De enkelen, die goden bij hem heeten, zijn in 't
^eheel geene goden meer; 't zijn menschen geworden als
iUe andere menschen, die hij schilderde , alsof hij , zooals
soovelen onder zijne Doopsgezinde geloofsgenooten , in echte
mythologie godslastering zag. En is ook zijne kunst bovenal
Bene godsdienstige kunst, evenals die van Rubens voor een
groot deel is, zij is zuiver Protestantsch, reeds hierom, dat
zij uitsluitend bijbelsch is en ons wel meermalen, evenals
Rubens, naar den stal van Bethlehem verplaatst, maar ons
nooit eene Madonna te zien geeft, zooals Rubens zoo dikwijls
deed. Zijn, tegenover de vele tafreelen uit Jezus' lijdensgeschie-
denis, bij Rubens de Oudtestamentische voorstellingen in de
minderheid, juist deze, evenals die van Jezus' gelijkenissen,
trokken Rembrandt bijzonder aan. Martelaars- en Mirakel-
stukken, waarmee Rubens zoovele kerken heeft versierd, zijn
geene onderwerpen voor Rembrandt's penseel.
Oaat Rubens bij zijne opvatting van bijbel en legende altijd
uit van de kerkelijke overlevering, al drukt zijn genie er
ook het stempel der oorspronkelijkheid op, zoodat hij ze ook
voor het vervolg opnieuw getypeerd heeft, Rembrandt kent
geene traditie: hij leest zijn bijbel als een vroom Noordneder-
lander, als voedsterzoon van het vrijgevochten Leiden, dat
om gewetensvrijheid te behouden hongerdood niet vreesde.
Hij is zich bewust van zijn recht om het tafreel der bijbel-
sche geschiedenis te zien, zooals hij het wil zien, met eigen
oogen, met eigen geest; en zoo zeer leeft die geschiedenis
voor hem, dat hij haar niet ziet als op een afstand of in het
VONDEL MET REMBRANDT BEKEND, MAAR NIET GEESTVERWANT.
ver verleden geschied, maar als weer geschiedend op het
oogenblik zelf, met menschen, die hij kent en uit het volle
leven — het leven ook van de Jodenbuurt, waar hij woonde —
als wegpakt om ze in zijne geschiedbeelden eene plaats te
geven.
In Rembrandt, die, zooals Pels het later Samuel van
Hoogstraten nazeide, „alles uit zichzelf te weeten onderwond,
zich aan geen grond en snoer van regels wilde binden" en
alleen op zijne oogen vertrouwde, in Rembrandt openbaart zich
bij alles, en het duidelijkst bij zijne vroom-piëtistische bijbel-
opvatting, dat individualisme, dat hem tot een type maakt
van den Hollander, zoodat wij het dan ook evenzeer
bij andere bijbelschilders zijner dagen aantreffen, bij Jan
Lievens en Jan Steen, om van Rembrandt's eigen leer-
lingen te zwijgen ; maar dat eerst tot het scheppen van mees-
terstukken kon meewerken, wanneer het een individualisme
was van iemand als Rembrandt, met zijne vaardige en geoefende
techniek, zijne onvermoeid arbeidende geestdrift, zijn kleur-
en lichtgevoel en zijn fijnen, helderen geest, die van al wat
hij zag of hoorde of las terstond begreep, wat er het wezenlijke
en ^ wat er het bijkomstige van was. En het beangstigende van
dat individualisme had Vondel juist uit den kring van Rem-
brandt's geestverwanten doen wegvluchten en hem eene veilige
rustplaats doen zoeken aan de voeten der Goddelijke Majesteit
van het kerkgezag, waarvoor hij ook Rubens, zijn genialen
geestverwant, naast zich neergeknield vond.
Dat Vondel overigens niet alleen met Rembrandt*s kunst,
maar ook met den schilder persoonlijk bekend is geweest, valt
moeielijk te betwijfelen. Vooreerst toch toonde hij zich bekend
met Rembrandt's schoonbroeder Wij brand de Geest, die met
Hendrikje Uylenburgh, Saskia's zuster, getrouwd en te Leeuwar-
den hofschilder der Friesche stadhouders was. In een aardig lof-
dicht vergelijkt hij hem bij Prometheus, daar ook hij „de zon
haar heiligh vuur durfde ontstelen en de vingers zengen om
leven in zijn heelt te brengen" en daar ook hij, „om op 't
aardrijck 't licht te malen, den hemel pionderde van zijn stralen".
Vervolgens mag persoonlijke bekendheid van Vondel met
Rembrandt hieruit worden afgeleid, dat beide kunstenaars een
gemeenschappelijken Maecenas bezaten in dien Jan Six of
JAN 8IX, MAECBNAS VAN REMBRANDT EN VONDEL. 873
burgemeester Six, wat hij trouwens eerst in 1691, na beider
iood, geweest is, in wiens „Pandora" hunne werken elkaar
Dntmoetten en wiens naam door hun roem over de geheele
wereld vermaard is geworden. Voor het portret, dat Rembrandt
reeds in 1641 van Six' moeder, Anna Wijmers, maakte, schreef
Vondel een vierling, en een ander voor dat van den zoon,
ien „geleerden en beleefden jongeling*', zooals deze „in 't
bloeienst van zyn jeught, verlieft op kunst en wetenschap en
ieught", was afgebeeld, zonder dat wij weten door wien, want
in 1647, toen Rembrandt hem het eerst schilderde en meester-
ijk etste tegelijk, was Six (14 Januari 1618 geboren) nauwe-
lijks meer een jongeling te noemen, en zeker was hij dat niet
[neer in 1654, zooals Rembrandt hem toen afbeeldde in den
rooden mantel en met den hoed op 't hoofd, in onzen tijd
jnder zoovele andere kunstschatten het prachtstuk in de
«woning van zijn nazaat. Prof. Jan Six te Amsterdam.
Een jaar later zou Vondel een meer van waardeering dan
^an dichterlijke geestverrukking getuigend gedicht aanbieden
„ter bruiloft van Joan Six en Margarite Tulp", de dochter
v&n den, op Rembrandt 's „Anatomische les'* als practisch
geleerde voorgestelden, doctor en lateren burgemeester Nicolaes
Pulp. Ongetwijfeld zal Vondel, evenals wij dat van Rembrandt
weten, Six bezocht hebben op zijne hofstede „Elstbroeck binnen
Hillegom", waarvan hij den lof zong in een allerliefst „danck-
Dffer voor ooft en wiltbraet, hem uit die hofstede toegezonden"
loor Six, die daar toen als joi^g echtgenoot alles te genieten
had wat het leven den fijnbeschaafden, in alles belangstellen-
ien man in zoo rijken overvloed bieden kan.
Wij leeren er Six tevens uit kennen als beoefenaar van
liet „Veltgedicht", en inderdaad mag hij als dichter in onze
litteratuurgeschiedenis ook eene plaats voor zich eischen, al is
sijne dichterlijke nalatenschap niet groot. Vooreerst kennen
wij van hem eenige kleinere Latijnsche en Nederlandsche
«rerzen, en daaronder ook een „Brief aen Cloris" met de ver-
melding van zijn eigen schilderijenkabinet, „daer", zooals hij
segt, „*t gerucht zoo luyt van blaest, daer soo veel voor staen
«^erbaest, die my om 't gezicht soo vryen", en verder een
gedicht op Muiderberg, voor zijn vi'iend Hendrik Hooft ge-
schreven.
374 JAN SIX ALS TOONBBLDICHTBB.
Van meer omvang zijn zijne beide tooneelwerken : een blij-
spel Onschuld (van 1662) en een treurspel Medea (van 1648).
Ofischoon getrouw aan den streng classieken treurspelvorm
naar het model van Seneca, van wien in het tweede bedrijf
zelfs een tooneel geheel is vertaald, is Six bij zijne opvatting
der persoon van Medea afgeweken van de classieke overlevering:
vooreerst omdat hij „geen verwarmde spyse wilde opdisschen",
vervolgens omdat hij te veel realist was, om Medea als toove-
nar es te willen voorstellen, en eindelijk omdat hij met haar,
ials onverdiend door Jason verstooten, te veel medelijden ge-
voelde, om haar in de oogen der toeschouwers hatelijk te
kunnen maken. Inderdaad valt hier een fijner kunstgevoel
dan bij de meeste tooneeldichters te waardeeren, terwijl het
poëtisch gehalte der goedgebouwde alexandrijnen niet zelden
gunstig afsteekt bij het vele middelmatige, dat destijds van
het tooneel af gezegd werd. De uitgave der „Medea" is versierd
met eene ets van Rembrandt, die de bruiloft van Jason en
Creusa voorstelt.
XLVII.
De dichtkunst en hare andere zusterkunsten.
Het gebeurde maar uiterst zelden, dat Rembrandt's etsnaald
de uitgave van een dichtwerk hielp opluisteren. Toch komt
bij het illustreeren der gedichten de samenwerking van dichters
en schilders, die zeer dikwijls ook etsers of graveurs waren,
het meest uit Met het groot aantal emblematabundels van
dien tijd, hun gemeenschappelijk werk, hebben wij langzamer-
hand reeds kennis gemaakt, al nam hun aantal en vooral
hunne kunstwaarde na het midden der zeventiende eeuw ook
merkbaar af. Doch ook voor andere dichtwerken sneden de
graveurs hunne voorstellingen in koper, en inzonderheid ont-
brak het niet aan fraaie en vernuftig bedachte zinnebeeldige
titelprenten, die dan meestal weer op hare beurt door een
gedicht werden verklaard, zooals bv. Vondel deed met de
titelprent voor zijne „Altaer-geheimenissen'^ (in 1645) en met
die van Theodoor Matham voor zijne vertaling van ,Virgilius
flBNRICE QOLTZIUS BN ANDERE PLAATSNIJDERS. 375
Maroos wercken" (in 1646). Daarbij trad dan de dichtkunst
op als dienares van de beeldende kunst, zooals zij dat ook
vroeger reeds had gedaan, wanneer zij de, meestal zinnebeel-
dige, vertooningen op het tooneel in verzen had verklaard,
en zooals zij ook deed, wanneer zij afzonderlijk uitgegeven
groote prenten van dichterlijke onderschriften voorzag. Wij
kennen er van Starter, Cats, Vondel en vele anderen.
Als de grootste graveur gold in den loop der zeventiende eeuw
nog altijd Henrick Goltzius, die in 1628 door zijn stadgenoot
Samuel Ampzing uitbundig geprezen werd als de „Phoenix, die
de bergen, de Alpes overvliegt en durft selfs Romen tergen",
zoodat „de geesten, die wei-eer en noch van name sijn', voor
hem neerknielen". Als glasschrijver, teekenaar en schilder
zwaait Ampzinq hem den hoogsten lof toe, maar als hij ver-
meldt hoe benijdenswaardig kunstig hij in koper sneed, vraagt
hij : „Heeft Durer wel iet fraeys of Lukas oyt gemaekt, dat
door sijn yser niet noch beter is geraekt?" Ook Vondel schreef
nog een lofdicht op zijne „zerck*', lang nadat hij (1 Jan. 1617)
overleden was. De vermaarde roodkrijtportretten (nu in het
Museum-Fodor),die Goltzius van de gezusters Visscher teekende,
had hij ongetwijfeld evenzeer bewonderd als Huyqbns, die in
1630 nog vol vereering voor hem was, doch toen maar weinig
minder lof gaf aan zijn leerling Jacob de Geyn en naast dezen
ook Claes Jansz. Visscher als een uitstekend plaatsnijder
onder de jongeren prees.
In wat later tijd waren het Paulus Pontius, Willem Jacobsz.
Delff, Reinier van Persijn, Theodoor Matham, Gornelis en
Jan de Visscher, Jonas Suyderhoef, Cornelis van Dalen en
Abraham Blooteling, die de meeste portretten graveerden,
waarbij door onze dichters bijschriften gevoegd werden, want
nauwelijks kon destijds een portret in koper gesneden worden,
zonder dat een dichter gereed stond met een Latijnsch of
Nederlandsch epigram, dat daaronder zijne plaats vond en
door den uitgever daar ook verlangd werd.
Verscheidene onzer dichters hebben zulke bijschriften ge-
dicht, maar niemand muntte in deze dichtsoort zoozeer uit,
als Gberaardt Brandt. Vele zijner bijschriften danken hun
ontstaan aan Brandt's wensch, om zijne „Historie der Refor-
matie" met portretten op te luisteren. In de eerste twee deelen
376 brandt's bijschriften bij portretten.
van dat werk vindt men dan ook zeventien portretten, waar-
van alleen dat van Goomhert een distichon van Hooft als
bijschrift heeft, en de andere een vier- of zesregelig gedichtje
van Brandt. Sommige dezer portretten zijn door Hendrik
Bary gegraveerd, o.a. dat van Erasmus, wat den dichter aan-
leiding gaf den plaatsnijder in 1663 aldus in een lofdichtje
toe te spreken: „Toen myn Histori quam in 't licht, verscheen
Erasmus op 't papier, gemaalt met woorden van myn plicht;
maar gy bragt ons den edlen zwier van *t wezen inuwkopre
plaat. Gy volgt de snee van Vorsterman: gy treft dat zedige
gelaat, en wat het yzer geven kan'\ Een ander portret van
Bary was dat van Willem van Oranje, den „verlosser van
ons landt'', zoo juist door Brandt geteekend is dezen keni-
achtigen uitroep: „Wat hebt gy staals gekeert op 't punt van
uw verstandtl" Even bekend is ook Brandt's bijschrift bij
het beeld van Prins Maurits:
„Gy hebt in 't harnas nouit voor yyanden geswicht;
't Gebou der vryheit, door uw vaders handt gesticht,
Doch in den opgangh met syn dierbaer bloedt begooten,
Voltooit: gy hebt den tuin met vestingen geslooten;
Maer ach, de kerk en staet wierdt in uw tydt gescheurt,
Daer Spanje om heeft gejuicht, dat Hollandt noch betreurt."
Tot de pittigste bijschriften bij portretten in de „Historie
der Reformatie'' behooren ook die op Burgemeester Hooft, den
„Christen Kato", den pleiter „voor 't heilig recht van 't dwange-
loos geweten", op Hugo de Groot „ruim soo groot als de
groote Rotterdammer" Erasmus, op Hubert Duif huis, „niet in
geleerdtheit, maer in deucht soo groot als Erasmus", op Fran-
ciscus Junius, die „het valsch door 't waarj den haat door min
bestreedt", op Johannes Uitenbogaerdt, den „Christen Cicero,
den tweden Guldemondt", die „Gode 't sijn, den Staeteu 't
hunne gaf' en op Jacobus Arminius, die zijne „laetste les besloot'
met deze woorden : „Men dring meer op het doen dan op 't
spitsvindig weten".
Ook van andere portretten, dan in de „Historie der Refor-
matie" voorkomen, zijn Brandt's bijschriften zeer bekend
geworden, zooals bv. het epigram op Al va, „dien krygsman
hardt als staal en bitterder dan roet", op Egmont, met wiens
GRAF3CHRIFTBN OP PRAALGRAVEN. 377
„hooft, daar tot tweemaal toe heel Vrankryk voor most beven",
tegelijk „recht en vryheit" getroffen werden, op Cornelis
Tromp, „die als een blixem viel op Karels trotse vloot en
vloog van schip op schip in 't aanzicht van de doot", op
Michiel de Ruiter, „der Staten rechterhand, den redder van
't vervallen vaderlant, die in één jaar twee grote koningryken
tot driemaal toe de trotse vlag deê stryken", op Oldenbarne-
velt, *s lands „vader, 's lands voorspraak, redder, rader", op
Jacobus Taurinus, die vervolgd werd alleen omdat hij „ge-
wetens dwang bestreen, 's lants vryheit voorgestaan" had, op
Christiaan Hartzoeker, „hartzoeker met de naam, hartzoeker
met de daadt", en op verscheidene andere predikanten der
Remonstrants che broederschap.
Nauw verwant aan deze bijschriften op portretten zijn de
grafdichten, die ook in groot aantal door Brandt en anderen
gemaakt zijn, zonder juist bestemd te wezen om op de graf-
zerk te worden uitgebeiteld. Toch kan men er ook nu nog
verscheidene lezen op de praalgraven der gesneuvelde zee-
helden, al prijken sommige daarvan ook alleen met Latijnsch
proza of dicht.
In het eerste gedeelte der zeventiende eeuw hebben wij
Henrick de Keyser reeds als beeldhouwer der voornaamste
praalgraven en Hoopt als dichter van het grafdichtje op
Heemskerk's tombe leeren kennen. Zijn oudste zoon Pieter
de Keyser, die zijn vader als stadsbeeldhouwer van Amsterdam
opvolgde, dankt zijn roem vooral aan het praalgraf voor Piet
Hein in de Oude Kerk te Delft (1630). Misschien is ook van
hem het houten gedenkteeken in de Oude Kerk te Amster-
dam voor Cornelis Jansz. de Haan (1633), dat met een Latijnsch
grafschrift van Barlaeus prijkt en met een Nederlandsch
van Reael, namelijk:
,,Hier rast die Heldt, die van s^jus vyands schepen
In seven mael quam seven vlaggen slepen,
En gaf voor 't laest op twee soo dapper vonck,
Dat 't eene vlood en 't ander b\j hem sonck".
Zijn broeder Willem de Keyser, die hem in 1647 als stads-
beeldhouwer verving, voerde samen met Rombout Verhulst
het ontwerp van Jacob van Campen voor het praalgraf van
378 GRAFSCHRIFTEN OP PRAALGRAVEN VAN VERHULST.
Maarten Harpertsz. Tromp in de Oude Kerk te Delft uit
(16o4). Eene gravure van dat praalgraf door Cornelis van
Dalen heeft een achtregelig grafdicht van Vondel tot onder-
schrift: „Hier rust de Zee-Held Tromp, de dappere bescher-
mer der Zee-vaert en der Zee", enz. Ook voor eene allegorische
voorstelling van Tromp als Neptunus, op een wagen door
zeepaarden voortgetrokken, heeft Vondel een bijschrift gemaakt.
Omstreeks denzelfden tijd vervaardigden Willem de Keyser
en Rombout Verhulst samen ook naar Van Campen's ontwerp
het praalgraf voor Jan van Galen in de Nieuwe Kerk te
Amsterdam, met het bekende grafdicht: „Hier leidt in 't Graf
van Eer de dappere van Gaaien", enz. De Mechelsche beeld-
houwer Rombout Verhulst, die voor deze beide gedenkteekenen
nog met Willem de Keyser samenwerkte, heeft door zijn
meerder talent zijn medearbeider weldra geheel verdrongen
en kan in de tweede helft der zeventiende eeuw beschouwd
worden als de officiëele beeldhouwer der Staten-Generaal. Als
zoodanig beitelde hij in 1665 het praalgraf voor Egbert Meeuwsz.
Kortenaar in de Groote of St.-Laurenskerk te Rotterdam, met
Bbandt's beroemd woordspelend grafschrift:
„De Helt der Maas, verminkt aan oog en rechterhant,
£n echter *t oog van 't roer, de vuist van 't vaderlant,
De grote Kortenaar, de schrik van 's vyants vloten,
d' Ontsluiter van de Zondt,- legt in dit graf besloten".
Daarop volgde van hem in 1670 het gedenkteeken voor
den schout-bij -nacht Willem van der Zaan, met een, G. Stijls
geteekend, grafdicht: „Dit is door 't Landt tot Eer van Van
der Zaan bestelt", enz.; en in 1674 voor Isaac Sweers, met
Latijnsch opschrift, beide in de Oude Kerk te Amsterdam;
maar zijn, in 1681 voltooidj meesterwerk was het praalgraf
voor Michiel Adriaansz. de Ruiter in de Nieuwe Kerk te
Amsterdam, met twee Latijnsche gedichten van Nicolaas
Daniëlsz. Heinsius, waarvan Johannes Vollenhovk de ver-
taling in Nederlandsche verzen heeft gegeven.
Een enkel grafmonument kennen wij ook van den beeld-
houwer Artis de Witt, namelijk voor den vice-admiraal Abra-
ham van der Hulst in de Oude Kerk te Amsterdam (1666)
met het opschrift : „ Hier rust hy, die niet rusten kon, eer hy
DB BBELDWBRKBN VAN ARTUS QUBLLINUB QBROBMD. 379
syn vyand overwon: om hoogh leeft hy in vreughden, in
marmer door syn deughden". Op de door een metalen hek
omgeven zerk onder dit gedenkteeken is een vierregelig graf-
dicht van Vondel uitgehouwen met dit slot: „De faem des
braven helts braveert metael en marmer'*. Eene eenvoudige
grafzerk in de Groote Kerk te Rotterdam wijst door een tien-
regelig grafdicht van Antonides van der Gobs de plaats
aan, waar de vice-admiraal Johan de Liefde, „d'eer der Maes",
in 1673 begraven werd.
Terzelfder tijd dat Rombout Verhulst in Den Haag zijne
praalgraven beitelde, was te Amsterdam door den invloed
van Jacob van Campen een ander Zuidnederlander stadsbeeld-
houwer geworden, namelijk Artus Erasmusz. Quellinus, in
1649 uit Antwerpen naar de Amstelstad gekomen om daar
het beeldwerk voor het nieuwe stadhuis te vervaardigen. „De
Tyber'', zeide Vondel in zijne „Inwydinge van 't Stadthuis t^
Amsterdam" (1655),
„De Tyber had voor hem de hooge school ontsloot en,
Hy staet voor Angeloos noch geen aelout vernuft
In astin beeldhouwerye of tekenkonst verbluft.
Eischt iemant van dien lof een bl^ck en kenbaer teken,
Men vraege elck meesterstuck : de stommen zullen spreecken
£n pleiten voor den man, die zulck een kunstenschat
Als Aertsbeelthouwer van de zegenr^'ckste stadt
Besteede aen 't Kapitool der Amsterdamsche Heeren,
Die hun Stadthuis met kunst, gelyck met schat, stoffeeren".
Wij kunnen niet bhjven stilstaan bij de meesterlijke wijze,
waarop Vondel in dit gedicht alle beeldwerken beschrijft,
door Quellinus — als beeldhouwer evenknie en geestverwant
van Rubens als schilder — voor het stadhuis gemaakt of
door zijne medehelpers naar zijne modellen uitgevoerd, zooals
de „beeldewercken'* der frontispiesen van de beide gevels,
,.daer wy Q.uellyns vernuft en geest zien triomfeeren", de
indrukwekkende vierschaar en de „acht marmeren beelden
van goden omhoogh in d'enden van de lange gaeleryen", en
al wat daar verder door Quellinus in 1655 reeds voltooid was
of binnen weinige jaren afgewerkt zou worden.
In hetzelfde gedicht spreekt Vondel ook van „het heerlijck
orgel*' in de Nieuwe Kerk, bij welks marmeren pilasters
380 DB BEELDWERKEN VAN ARTUS QUBLLINUS GEROEMD.
Quellinus in 1652 kinderfiguurtjes tusschen muziekinstrumen-
ten, bloemen en vruchten beeldhouwde, die in hun soort
onovertroffen zijn, evenals de kinderfiguurtjes van Rubens.
Vondel echter vermeldde ze niet, maar wel de „vier orgel-
deuren", die hij beschreef en waarop door „Bronckhorsts'
tekengeest en schoone schilderkunst, hem van Natuure alleen
miltdaedigh ingegeven,, geen verf maer louter ziel en leven"
te zien was.
Onder de grootere werken, door Quellinus te Amsterdam
uitgevoerd, behoorden ook de frontispiesen der voor- en achter-
gevel van 'sLands Magazijn op Kattenburg, in 1658 „gehou-
wen door Quellijn, des Aemstels beeldehouwer," die het
Zeebewind en de bescherming, daardoor aan handel en scheep-
vaart verleend, allegorisch voorstellen en door Vondel ook
nauwkeurig in zijn groot gedicht „Zeemagazyn" beschre-
ven zijn.
Te midden van zijn omvangrijken arbeid als stadsbeeld-
houwer vond Quellinus nog den tijd om verschillende andere
beelden in marmer te houwen, die door onze dichters niet
onbezongen gelaten werden, bijv. in 1660 een „marmeren
Pallas voor Joan Maurits van Nassau uit het hooft van Fidias
Quellijn door geest en kunst herschapen", zooals Vondel zegt,
die dezen beeldhouwer niet beneden de Grieksche en Italiaan-
sche meesters wilde stellen: immers „de kunsten syn aeneeu
noch tijt gebonden, vernuften gaen en komen op hunn' tijt;
de jongste vint wel dat geen outsten vonden: men schat de
kunst, die hangt aen vroegh noch spa.*' Inderdaad, de zeven-
tiende eeuw scheen recht tot die uitspraak te geven; doch
wie zou haar voor de achttiende durven herhalen!
Onder de gedichten van Jan Vos vinden wij lofdichtjes op
weer andere werken v&n Quellinus, op een „Apollo en de
nege Muzen door Quellinus gebootseert voor de Koningin
van Zweeden", op een anderen „Apollo" van hem en op een
„Kupido uit marmer gehouwen." Reeds vóór zijne komst te
Amsterdam zal Quellinus de beelden van Ignatius de Loyola
en van Franciscus Xaverius voor de Jezuïetenkerk te Ant-
werpen hebben gemaakt, waarop Vondel kleine bijschriftjes
dichtte, maar te Amsterdam maakte hij het, ook door Vondkl
bezongen, marmerbeeld van Dr. Nicolaes Tulp, nu nog in het
LOF VAN QUBLLINÜS KN ALBERT VINCKENBRINCK. 381
Museum-Six te bewonderen. Zoo bezit de familie Huydecoper
op Goudesteyn (onder Maarseveen» nog het marmerbeeld, in
1654 door Quellinus van Joan Huydecoper vervaardigd, waarop
Jan Vos een bijschrift maakte en Vondel een ander, eindigend
met deze woorden: „Het lust den burger hem in marmer-
steen t' aenschouwen, maer schooner staet de man in 't hart
des volx gehouwen."
Vondel en Vos beiden maakten een lofdichtje op Quellinus'
marmerbeeld van Cornelis Witsen, en Vos ook een op dat
van diens echtgenoote Katharina Opcy, terwijl aan het mar-
meren medaillon of, zooals Vondel zegt, „aen den ommetreck
in klaeren marmei*steen gekloncken'* van Cornelis de Graef
gedichtjes van Vondel en Vos gewijd zijn en van Vondel
alleen ook aan het pendant daarvan, het medaillon van De
Graefs echtgenoote Katharina Hooft, beide nu in het bezit
van het Oudheidkundig Genootschap te Amsterdam. Op
Quellinus zelf hebben wij een schertsend lofdichtje van Vos
en op zijn door Van Helt Stocade geschilderd portret een
vierling van Vondel.
Toen Quellinus te Amsterdam kwam, had een ander beeld-
schepper, Albert Jansz. Vinckenbrinck, die echter niet uit
marmer zijne kunstwerken hieuw, maar ze uit stevig eikenhout
sneed, daar juist (in 1649) zijn meesterstuk tot stand gebracht:
den preekstoel van de Nieuwe Kerk, bewonderenswaardig in
al zijne deelen: kuip, trapleuning, de drie paneelen van den
eigenlijken preekstoel, en dat alles bekroond door het sierlijke,
uitvoerig bewerkte, torenvormige klankbord, ten volle wa&rdig
om door onze eerste dichters bezongen te worden. Toch heb
ik te vergeefs naar een lofdicht op dat werk gezocht. Wèl
bezong Jan Vos een meesterwerk van houtsnij kunst, dat toen
in bezit was van Abraham Alewijn en op het eind van de 19^e
eeuw, misschien nog, in dat van C. Becker te Prankfoi-t,
namelijk een palmhouten appel, een „hemels beeldtwerk" van
twee duim middellijn, opengaande als eene doos en waarin van
binnen „de zeven groote werken van barremhartigheidt*' zich
vertoonen in twee tafreelen, wemelend van microscopisch
kleine figuurtjes, in schier ongelooflijke menigte door den
kunstenaar met vaste hand gesneden. Ofschoon Vos den naam
van den kunstenaar niet noemt, weten wij nu toch, dat ook
DB KUNST VAN HOUTSNIJDBN, IVOORDRAAIEN BN WASB0BT8BEREN.
dit een werk is van Vinckenbrinck, die het, toen hij in 1664
overleed, met nog verscheidene andere palmhouten meester-
stukjes van fijne houtsnijkunst naliet.
Zulk soort van kunstig knutselwerk was in de zeventiende
eeuw zeer in eere. Een kerse- of kriekesteentje, waarop eene
Beiersche non den keizer, de zeven keurvorsten, den dood met
zijn zandlooper en eenige honderden doodshoofden gesneden
had, een kunstwerkje zóó klein, dat men „arents oogen moest
leenen'* om het te zien, ja, waarop zelfs ^d'arent zich blint
zag", werd eerst door Vondel in een gedichtje vereeuwigd,
toen het in bezit was van Jan Pietersz. van den Eeckhoudt,
en later nog eens door Jan Vos,, toen het in handen gekomen
was van KAtharina, de echtgenoote van burgemeester Cornelis
de Graef. Een „paternoster van pruimesteenen", of „twalef
keisers aan een snoer'*, omdat ieder „kunstjuweel" een der
twaalf eerste Romeinsche keizers voorstelde, werd bezongen
door Reyer Anslo, die „zich meer verwonderde, hoe hy het
meer bezag."
Dat de kunst van ivoordraaien en beelden-snijden in ivoor
niet verwaarloosd werd, getuigt de lof, door Samuel Ampzing
gegeven aan den Haarlemmer Jacob Hillebrandsz. van
Pruyssen, die door zijn „wonder- werk" bij den hertog van
Ferrara in de gunst kwam, terwijl zijn zoon Lambrecht niet
minder in eere was bij Albertus van Oostenrijk, vóór hij uit
diens landen naar Dieppe verhuisde. „Nu siet het Fransche
volk de vrucht van zijne hand," zegt Ampzing in 1628
van hem.
Ook de kunst van boetseeren in was werd beoefend. Dat
blijkt uit een gedichtje, door Vondel in 1651 gemaakt „op
een gekleurt wassenbeelt". „Hier trof de Kunst haar wit op
't Hooft", zoo besloot Vondel dit gedichtje met eene woord-
speling, want het bekoorlijk wassen kopje met oogen, die
„blaeuwden als turkoizen", met die „weeligh zwierende locken
van het blonde hair, dien zwanenhals en het poezeligh albast"
van den blanken boezem was het sprekend gelijkend beeld
van Baertje Hooft, de schoone weduwe, met wie zijn zoon
Joost een paar jaar te voren een tweede huwelijk gesloten had.
Dat Vondel in 1654 ook op de kunstige boetseersels van
Kathabina Questiers een lofdichtje maakte, hebben wij gezien.
DE GOUDDRIJVERS VAN VIANEN EN LÜTMA. 383
Evenmin ontbrak het destijds aan kunstige goud- en zilver-
smeden, die meesterwerken van drijfwerk leverden en daarvoor
ook bij de dichters vereering vonden. »0p een drinckscheepjen,
Adam van Vianens werck", had Hooft reeds in 1608 een
klein gedichtje gemaakt. Op een ander zijner kunststukken,
,,een zilveren drinkbeker, een paert verbeeldende", schreef
veel later Pieter Verhoek een klinkdicht. Theodorus van
Kessel bracht het meerendeel der werken van dezen kunstenaar
in plaat en Jan Vos maakte een grafschrift voor dien be-
roemden Utrechtschen goud- en zilverdrijver, „die het goudt
een ziel wou geeven" en door den Dood uit wraak daar-
over zelf werd ontzield, „maar in goud", zegt de dichter, „ver-
rijst zyn geest" weder.
Niet minder beroemd en als kunstenaar in hetzelfde vak
nog hooger staande dan Adam was zijn broeder Paulus van
Vianen. Op verzoek van „zommige kunstbeminders van het
goutsmitsgilde" schreef Vondel in 1668 op hem twee gedichten,
het eene op zijn portret, door Johannes Lutma den Jongen
geschilderd, en het andere op zijne „dryfkunst" : de „eeuwigh
even frisch en jongh . blijvende kunst, die hy in schilt en
beker, en kan en schael en bekken klonck", en waardoor hij,
„met hamer en pensoen in weerbarstige metaelen dryvende,
beelden wist uit te haelen, zoo schoon als 't oogh geschapen
zagh" en als Keizer Rudolf II, voor wien hij werkte, „noit
naer heur waerdy en eisch betaelt heeft".
Hetzelfde gedicht diende ook om Joan Lutma, vader en
zoon, te prijzen, in wie „de ziel van Paulus scheen vervaeren",
maar die, ofschoon zij in technische vaardigheid door niemand
overtroffen werden, aan de in hun tijd gezochte gemaniëreerd-
heid en overlading te veel offerden om even smaakvolle en
edele kunstwerken te kunnen scheppen als de beide Vianens.
Sedert 1628 werden aan den ouden Lutma door de Regeering
van Amsterdam herhaaldelijk goudsmidswerken opgedragen,
wanneer er aan vorstelijke personen kostbare geschenken
moesten worden aangeboden. Toen Lutma de Oude in 1669
overleed, schreef Vondel op hem een grafschrift en een ander
op eene afbeelding van den vader door den zoon. Ook Gebraardt
Brandt gaf in vier versregels er zijne voldoening over te
kennen, dat de vader, „wiens edle hamer op het zilvere
384 GEDICHTJES OP PENNINGEN.
panneel verheve schildery en beeltwerck had gedreven, door
hamerslag zijns zoons in koper dus zou leven". Als beeld van
den ouden Lutma kennen wij eene ets van 1656, eeB penning-
beeld van 1659 en eene hamergravure, alles van de kunst-
vaardige hand zijns veelzij digen zoons, die ook eene hamer-
gravure van Vondel maakte en die, evenals zijn vader, be-
roemd was om de door hem gedreven of gegraveerde pennin-
gen. Op één dezer, „ter gedachtenis der Vreede" van 1648
door Joan Lutma op last der Burgemeesteren van Amsterdam
gemaakt, hebben wij een bijschrift van Jan Vos, die in een
ander bijschrift in herinnering bracht, dat de voortreffelijke
gi-aveur Wouter Muller „Tromp door kunst in zilver leeven" deed.
De medailleerkunst bleef dan ook niet buiten aanraking
met de poëzie. Van Vondel hebben wij verscheidene kleine
gedichtjes, hetzij op trouw-, lijk- of andere gedenkpenningen
gegraveerd, bv. op den begrafenispenning voor Govert Plinck
(1660), hetzij ter eere daarvan geschreven. Onder deze ver-
dienen even vermeld te worden de gedichtjes „Matige
Regeering" en „Maghtige Neering" op de beide zijden van
„den Amsterdamschen gedenckpenning", in 1655 vervaardigd
door Jurriaan Pool bij de stichting van het stadhuis, dat op
de voorzijde is afgebeeld, terwijl op de keerzijde het Amster-
damsche koggeschip zich vertoont als eene tweede Argo met
den buit van het guldenvlies beladen. Een tweede gedichtje
„Machtige neering*^, waarin sprake is van Amsterdam's „macht
en ryckdom en de duyzent schepen, waervoor de stad te gelyck
haer paelen open zette", werd door Vondel gemaakt op den
prachtigen, door Jurriaan Pool gegraveerden ,Amsterdamschen
gedenkpenning van 1657 met dezelfde voorzijde als de vorige
penning, maar met eene andere keerzijde, die de met eene
keizerskroon pralende stedemaagd in den HoUandschen tuin
voorstelt, met de stad op den achtergrond en de wapenschilden
der zesendertig raden langs den rand.
De legpenningen, tot den Munsterschen vrede toe, jaar op
jaar van staatswege uitgegeven, met allegorische voorstellingen
en Latijnsche opschriften, zijn evenmin bij onze dichters
onopgemerkt gebleven. Toen de penningkundige Hendrik
d'Acquet in 1658 in het huwelijk trad, herdacht Oudaen in
een bruiloftsdicht ook dat »leg-geld, 't geen het Vaderlandsch
OBDICHTBN OP QLASORAVBURS SN aLASSCHILDBRS. 385
gedenk in spreuken doet herleven, dat in 't geheugen duurt
en stori-wys, staatkundig en bedreven maakt".
Ook de kunst van graveeren op glas vond waardeering bij
de dichters. Onder de oudere glasschrijvers stelde Samüel
Ampzino zijn stadgenoot Jan Bouchorst bovenaan, wiens naam
hij in zijn groot lofdicht op Haarlem hoopte te hebben ver-
eeuwigd, „al mochten syn glazen ook breken", ja zelfs zijn
meesterwerk, de glazen der groote zaal van 't Haarlemsch stad-
huis, waarop door hem bij de wapenschilden der veroveraars van
Damiate een zeer uitvoerig gedicht kunstig gegraveerd was.
Van de andere Haarlemsche glasschrijvers, wier namen Ampzing
vermeldt, prijst hij inzonderheid Pieter Holsteyn als „groot
schryver op het glas" en als schilder met „water- ver wen" te
gelijk.
Onder de latere glasschrijvers leerden wij reeds Willem
DiBCKsz. Hooft en onder de nog latere als den meest be-
roemden den dichter Willem van Heemskerk kennen, wiens
kunstig met diamant beschreven drinkglazen o.a. door Huy-
GENS, Brandt en Oud a en werden bezongen. Onder een fraai
portret van Heemskerk in zwarte kunst door Abr. Blooteling
(naar eene schilderij van Jan van Mieris, 1687) lezen wij een
zesregelig bijschrift van Geertrüid de Graeuw, geb. Gordon,
dichteres van Bergen-op-Zoom, wier eerste gedichten in 1686,
toen zij zesentwintig jaar was, te Rotterdam werden uitgegeven.
Met den naam van glasschrijver werden ook nog in de
zeventiende eeuw evenals voorheen ook die kunstenaars aan-
geduid, die glasschilderijen maakten door een mozaïekwerk
van in lood gevatte stukjes gekleurd glas, waarop dan de
schaduwen werden ingebrand. Ofschoon van deze glasschilderijen
niet zelden ook de vinding, schikking en uitdrukking meester-
Ujk is, bestaat toch de groote schoonheid dezer werken hoofd-
zakelijk in de harmonie der meestal schitterende kleuren.
Soms leverden schilders er de cartons voor, die dan door de
glasschrijvers of glasbranders in glas werden uitgevoerd ; maar
dikwijls waren deze laatsten ook zelf de ontwerpers der glas-
voorstellingen, zooals in het derde kwart der zestiende eeuw
de beroemdste van alle Nederlandsche glasschilders, de gebroe-
ders Dirck en Wouter Crabeth van Gouda, van wie iedereen
de twaalf heerlijke glazen kent, waardoor de St.- Janskerk te
n 26
386 DB CRABBTH's, TTBOUT SN VAN D1EPBN6BECK.
Gouda eene groote vermaardheid gekregen heeft. Ofschoon
in 1661 hun „uurglas" reeds lang „verloopen*' was, schreef
Vondel toch nog bij de toen door Hendrik Bary van hen
gegraveerde portretten korte bijschriften, waarin hij melding
maakte van de verschillende tafereelen uit de geschiedenis
van St. Jan door Dirck Crabeth, en van „Elias' oflFer'' op het
groote raam van den Zuider kruisbeuk der Goudsche kerk (ge-
schenk van Margareta van Parma) en van het „Avondmaal"
op het groote raam van den Noorder kruisbeuk (geschenk
van Koning Philips II), beide het werk van Wouter Crabeth.
Jonger tijdgenoot van de Crabeth's was te Haarlem Willem
Tybout, wiens kunst men ook in de Goudsche kerk kan
bewonderen en van wien Samuel Ampzing uitriep: „Hoe
dapper meesterlijk kon Tybout glasen schrijven I"
Behoorden deze meesters nog tot de zestiende eeuw, ook de
zeventiende eeuw legde zich nog op glasschilderen toe. Zelfs was
toen de vroegere manier om de schilderijen van glasmozaiek
samen te stellen nog niet in onbruik geraakt, maar toch kwam
daarnaast toen ook reeds de nieuwe manier op, om de kleuren
zelf met emailverf op kleurloos glas in te branden. In de
zeventiende eeuw was Abraham van Diepenbeeck, te *s-Her-
togenbosch in 1596 geboren en te Antwerpen in 1675 overleden,
een der bekwaamste glasschilders, zooals men nog kan zien in
verschillende kerken te Antwerpen, waar hij tot Rubens' leer-
lingen behoorde en ook op doek en paneel werk leverde, dat
vooral uitmuntte door „'t welschicken van Natuur." Dat vooral
prees Vondel in hem, toen hij een lofdichtje maakte op het
portret, waarmee de schilder „zich zei ven naer het leven teken-
de." „Print en doeck en koorglas en panneel tuigen van
's mans vernuft", zegt Vondel daar.
Ook nog in de zeventiende eeuw waren glasschilderijen
meest schenkingen aan kerken, en niet gering is zelfs het
aantal glazen, door de Regeering van Amsterdam aan ver-
schillende kerken van HoUandsche steden en dorpen ge-
schonken. Te Amsterdam zelf bevonden zich al sinds lang in
de Oude Kerk zulke glasschilderijen, en daaronder ook een
fraai, maar door den tijd deerlijk gehavend glas, waarop het
kronen van Philips den Schoonen voorgesteld was. Na het
sluiten van den Munsterschen Vrede nu liet de Regeering
OLAS8CHILDKRIJBN EN FLORBNTIJNSCH MOZAÏEK. 387
dat glas door een ander vervangen, waarop het volgende vers
van Vondel werd ingebrand, dat in 't kort weergeeft, wat
er op is voorgesteld: „Philippus toekent met syn handen het
vreeverbondt met seven landen en staet syn recht en tytel
aflf. Dit tuycht het segel, dat hy gaflf/'
Nog een tweede glas werd toen eveneens aan de Zuid-
zijde van den koortrans der kerk aangebracht, waarop boven
twee geharnaste mannen zijn afgebeeld, de een met zegel
en banier van Arasterdam, de ander met het stadswapen
en den vrijheidshoed, en waarop beneden de wapens der
burgemeesters prijken. Op de bovenhelft maakte Jan Vos een
vierregelig bijschrift, op de benedenhelft Vondel, die verder
nog zes versregels dichtte „op de heelkunst" voor een glas in
de toenmalige kamer van het chirurgijnsgilde boven de kleine
Vleeschhal. Een twaalftal glazen, die tafereelen uit de geschie-
denis van Karel den Stouten, Maria en Keizer Maximiliaan
voorstelden, ontvingen elk een bijschriftje van Jan Vos.
Nog eene andere kunst werd in de zeventiende eeuw in
Amsterdam beoefend, of liever was daar „van nieuws her-
booren" door het talent van den Kleefschen goudsmid Dirck
van Rijswijck: de kunst van het zoogenaamd Florentijnsch
mozaiek of het inleggen van een paneel of toetssteenen plaat
met bloemfiguren van paarlemoer. Een „tafelkrans" van zulke
„bloemen, lofwerck en festoen, een schoone regenboogh" van
kleuren en goud vlocht Van Rijswijck in toetssteen, om als
geschenk te dienen voor Gerard Huift, toen deze in 1654 als
Directeur-Generaal naar Oost-Indië vertrok. Vondel heeft toen
dat kunstwerk van onverwelkelijke bloemen in een keurig
gedicht bezongen, en toen in 1660 de kunstenaar op bijna tach-
tigjarigen leeftijd nog eene tweede „toetssteene feesttafel
der goden met den kunstrijcken parlemoerkrans" bevlocht,
wedijverde Oudaen met Vondel, wie haar het best zou be-
schrijven en verheerlijken. Wie beide gedichten onbevooroor-
deeld vergelijkt, zal moeten erkennen, dat Oüdaen ditmaal
zijn grooten leermeester al zeer nabij wist te komen. Met dit
„werkstuk", waarvan de wedergade, volgens Fokkens in zijne
„Beschryvinge van Amsterdam'*, „in de werelt niet meer te
vinden is", overtrof de kunstenaar ook zijn vroegeren arbeid,
en wie de afbeelding, die beide dichters met woorden gaven
388HUTGENS OVBR DBN BOUWMBBSTBR JACOB VAN GAMPEN.
van die rijke verscheidenheid van paarlemoeren bloemen, door
een zwerm van allerlei, als levende, insecten omzweefd, wenscht
te vergelijken met het kunstwerk zelf, heeft daartoe de gele-
genheid in het Rijksmuseum, waar „die tafelzon", sinds een
paar jaar als rijksbezitting, nog „onverdooft flickert", die
„rozengaarde" nog haar ouden glans en luister doet afstralen
„op *t hoofd van den Meester-Konstenaar'*, voor wien zij de
schoonste eerkroon gebleven is.
En nu de bouwkunst, verheerlijkt door de poëzie.
Terwijl in het eerste kwart der zeventiende eeuwHendrick
de Keyser, zooals wij reeds zagen, de gevierde bouwmeester
was, verrijst in het tweede kwart Jacob van Campen als de
groote zon met een glans, waarvoor ieder ander licht ver-
bleekte. Deze kunstenaar, die zich aanvankelijk veel naam
als schilder verwierf en als zoodanig door Ampzing geprezen
werd en o. a. een door Jan van den Velde gegraveerd portret
van Lourens Koster schilderde, vormde zich in Italië, door
bestudeering der bouwwerken van Andrea Palladio te Vicenza,
tot den eersten bouwmeester der Republiek, die consequent
den bouwtrant der latere Renaissance volgde, met gevels uitr
sluitend van gehouwen steen, meest Ionische, maar ook Korin-
thische pilasters, droehoekige frontispiesen en festoenen van
bloemen en vruchten.
Dat was toen de moderne, algemeen geprezen bouwstijl.
HuYGENS, die Van Campen met de technische hulp van
Pieter Post niet alleen in dien stijl in Den Haag het Maurits-
huis voor Joan Maurits van Nassau, en de Oranjezaal voor
Amalia van Solms had zien bouwen, maar hem ook den bouw
van zijn eigen woonhuis in Den Haag en van Hofwijck had opge-
dragen, noemde in het gedicht op die laatste schepping hem
dan ook den „Van Campen, dien die eer voor eewigh toe
sal hooren, van 't blinde Nederlands mis-bouwende gezicht
de vuyle Gotsche schel te hebben afgelicht", en prees hem
bij zijn overlijden in een paar grafdichten als den grooten
„herstelder van wel-bouwens-kunst, die 't Gotsche kruUigh
mail met staetigh Roomsch vermande en dreef ouw' kettery
door ouder waerheit heen".
Het was ook door Hüygens' toedoen en door dat van zijn
neef Nicolaes van Campen, den door Vondel in verzen ge-
vondbl's „inwydingb van 't stadthuis". 389
prezen en in 1638, toen hij overleed, betreurden bouwheer van
den Schouwburg, dat de aandacht der Amsterdamsche burge-
meesters op Jacob van Campen gevestigd werd, om plannen
te ontwerpen voor een nieuw grootsch stadhuis, zooals Amster-
dam dat in plaats van het bouwvallig en te bekrompen oude
stadhuis noodig had. Jaren moest het duren voor die plannen
tot uitvoering werden gebracht, maar in het vredejaar 1648
werden eindelijk de grondslagen van dat nieuwe stadhuis ge-
legd door het inheien van den eersten der 13659 boomen uit
„het Noortsche mastbosch, dat het Raethuis op den rugh nam'',
en in 1655 kon het, naar het ontwerp en onder toezicht van
Van Campen gebouwd, ofschoon toen nog niet geheel gereed,
in gebruik genomen worden. Daniël STi^LPABRT, die in 1648
tot stadsarchitect was aangesteld, was de technische leider van
den bouw, maar gaf zelf in een gedicht „Eerplicht aan myn-
heer en meester Jacob van Campen" aan dezen de volle eer,
die hem als ontwerper toekwam, en weersprak het gerucht,
waardoor hij zelf als mede-ontwerper was aangewezen.
Toch was het niet meer dan billijk, dat Vondel naast Van
Campen ook zijn naam loffelijk vermeldde in het schitterend
gedicht, dat hij in 1655 op de „Inwydinge van 't stadthuis t'
Amsterdam" schreef. Het is de schoonste lofzang, die er ooit
is gezongen voor Amsterdam als brandpunt van den wereld-
handel en tegeUjk als de tooverwereld, waar alle kunsten heen-
snelden om met de pracht harer schoonheid die stad aan Amstel
en IJ te siereu, die „als keizerin de kroon droeg van Europe".
Met den lof der Overheid, die zulk een grootsch raadhuis
behoefde en waardig was, vangt het gedicht aan. Uitvoerig
worden dan de vroegere zetels der Stedelijke Regeering in
aansluiting aan de geschiedenis van Amsterdams opkomst en
vooruitgang beschreven, en ook de brand, die het vorig stad-
huis in 1652 tot een puinhoop maakte. Dan volgt eene schil-
derachtige beschrijving van deu Dam met alle hoofdgebouwen,
die het nieuwe stadhuis omgaven: de St.-Katrynekerk, de
Waag, de Vischmarkt en de Beurs, die met het Stadhuis
samen maakten, dat de Dam in luister „niet behoefde te wijken
voor Sint Markus plaets te Venetië, noch zelfs voor den vroegeren
Campus Martius te Rome". Levendig is het tafereel, dat Vondbl
vervolgens ophangt van het marktgewoel op den Dam, plas-
390 vondbl's „inwydinge van 't stadthuis".
tisch het beeld, dat hij geeft van de bedrijvigheid, waarmee
de bouwstoffen op het Damrak gelost en de bouw van het
stadhuis verricht werd, en ten slotte — slechts afgebroken
door een overzicht van alle andere hoofdgebouwen, die Amster-
dam bezat — nauwkeurig tot in kleine bijzonderheden toe,
maar daarom niet minder dichterlijk, de beschrijving van
Van Campen's grootsche schepping zelf.
Om Vondel's opgetogenheid ten volle te begrijpen, moeten
wij ons dat reusachtig en kostbaar gebouw denken, zooals het
zich voordeed, toen het nog geheel nieuw was: eene statige,
tot een harmonisch kunstwerk met talrijke Romeinsch-Korin-
thische pilasters en festoenen omgeschapen, Bentheimer rots,
met bleekgouden gloed glanzend in 't zonlicht, schitterend
als gedreven zilver door het witmarmeren beeldwerk der van
metalen, door Quellinus gemodelleerde en door de gebroeders
Hemony gegoten, reuzenbeelden omgeven frontispiesen; aan
de hoeken met blinkend vergulde keizerskronen versierd en
aan den voorkant bekroond door den bevalligen toren met
zijn door beelden omringd koepeldak, zijn koggeschip als wind-
wijzer en zijn lieflijk klokkenspel: een overweldigend meester-
werk inderdaad, door Vondel met kunstenaarsliefde verheer-
lijkt ook verheerlijkt, zooals het van binnen door schil-
der- en beeldhouwkunst samen op 't heerlijkst was getooid
met die mythologische en allegorische zinrijkheid, waj^rop de
zeventiende eeuw prijs stelde, omdat voor haar een kunstwerk
zonder gedachte was als een mensch zonder geest. NatuurUjk
verzuimde Vondel ook niet, melding te maken van de mozaiek-
vloer der groote zaal, in drie globekaarten „twee weerelden"
afbeeldend: „de hemelkloot en (de beide halfronden van) de
aerdtkloot", waarop ook Huygens twee puntdichtjes maakte,
maar die, voortdurend „met de voeten getreden", allengs
jammerlijk zijn afgesleten.
De schepping van zulk een grootsch ontworpen en weelderig
uitgevoerd gebouw was in overeenstemming met Amsterdams
vermogen: „'t een is hier 't ander waerdig: de stad een zulk
stadhuis, 't stadhuis een zulke stad", zeide De Decker, en ook
door andere dichters, zooals Rbyer Anslo en Jan Vos, die
zelf als glazenmaker aan den bouw meewerkte, is het stad-
huis bij zijne stichting of zijne inwijding, zelfs in zeer uit-
LOF VAN STADHUIS, ZBBMAGAZIJN EN AMSTERDAMS VERQROOTING.
voerige gedichten, verheerlijkt; maar waar zou het einde zijn,
als wij die alle wilden bespreken?
Alleen mag ik hier niet zwijgen van het bekende gedichtje
van HüYGENS voor de „Doorlnchte Stichteren van 's werelds
Achtste wonder, van soo veel Steens orahoogh, op soo veel
Houts van onder'', dat hun, keurig door Cornelia Kalf gecal-
ligrafeerd, in 1657 uit zijn naam door Jacob van der Burgh
werd aangeboden en hun zooveel genoegen deed, dat zij het
in burgemeesterskamer deden ophangen. Nog een negende
wonder wist Pieter Rixtel in Amsterdam te vinden, namelijk
de afbeelding, die Geeraert Berckheyde van het stadhuis schil-
derde en waarvan hij half schertsend half ernstig zeide: »Het
Aghste wonder staet, van steen gebout, aen 't Y; maer 't
Negende is dat Aghste in dese schildery".
Toen Van Campen in 1657 op zijn buitenverblijf Rande-
broeck overleden en in de St. Joriskerk van hét naburige Amers-
foort begraven was, werd tegen een pilaar bij zijn graf een
gedenkteeken voor hem opgericht, waarop deze vierUng van
Vondel te lezen is: „d' Aerts Bouheer, uyt de stam van
Kampen, rust hier onder, die 't Raadhuys t' Amsterdam ge-
boud heeft, 't achtste wonder".
Wat na Van Campen's dood te Amsterdam van regeerings-
wege verrees (want Philips Vingboons was daar de bouw-
meester der meeste nieuwe woonhuizen in laat-renaissancestijl),
was het werk van Daniël Stalpaert, en daaronder muntte het
Admiraliteitsmagazijn bij de scheepstimmerwerf op Kattenburg
uit, dat in 1658 voltooid was en ook door Vondel in een
uitvoerig, reeds genoemd, gedicht „Zeemagazyn" schilder-
achtig beschreven werd als „'t gezegent Magazyn, door Stal-
paerts kunst gebouwt". Niet lang daarna werd de vierde
uitlegging van . Amsterdam uitgevoerd, de laatste tevens vóór
de kolossale uitbreiding der stad in de tweede helft der negen-
tiende eeuw. De gordel, die Oud-Amsterdam omgeeft, werd
toen geheel voltooid met het doortrekken van de drie hoofd-
grachten van de Leidsche gracht af tot aan de Amstel en,
aan de overzijde daarvan, tot aan de Plantage toe. Jan Vos,
die in 1662 aan deze „Vergrooting van Amsterdam" een uit-
gebreid en verdienstelijk, schoon grootendeels Vondel nagevolgd,
dichtwerk wijdde, prees daarin „de wijsheidt van de krijgs-
392 DB MUZIBK IN DB TWBBDB HBLFT DBB ZBVBNTIBNDB EBUW.
bouwmeester Koek, 't vemufk van Zwaanenburg, vermaart
door zijn gebouwen, en fiere wakkerheidt van Stalpaardt, om
zoo kloek als kunstigh alles naar haar schetsen af te meeten".
Zoowel bij het portret van Gerrit Barentsz. Zwaanenburg, in
wiens „geest men de geesten van all* d'ouwen", namelijk van
„out Atheen en Roomen", zag, als op dat van Daniël Stal-
paert maakte Jan Vos ook nog een bijschrift.
Over de, aan de poëzie nauwer dan eenige andere zuster-
kunst verwante, muziek kunnen wij kort zijn, omdat wij er
in verband tot de poëzie en vooral tot het lied voor de eerste
helft der zeventiende eeuw hier en daar reeds genoeg van
gezegd hebben, en de tweede helft der eeuw alleen van een
treurig verval getuigt. Daarmee wordt niet beweerd, dat de
beoefening van muziek en zang toen allengs zou verwaarloosd
zijn, want aan dilettanten onder leiding van bekwame leer-
meesters ontbrak het ook toen nog niet, vooral niet onderde
jonge vrouwen. In het bijzonder te Dordrecht werd veel werk
gemaakt van muziek en zang onder de leiding van Theodoor
Tegelbergh, „een tweede Amphion", volgens Margarbta van
GoDEWYCK, die „door syn gulde snaren kon droef heyt in de
mensch en soete vreughde baren." Ook bleven vele van de
oude liedboekjes in eere en verschenen er telkens nog weer
nieuwe, als bewijs dat er in gezellige bijeenkomsten en bij
feesten ook toen nog veel werd gezongen. Eene vergelijking
echter van die nieuwe liedboekjes met de oudere valt zoozeer
ten nadeele van het tweede gedeelte der zeventiende eeuw
uit, dat het mij overbodig voorkomt, titels op te geven van
liedboekjes, die bijna alle bekoring missen en waaraan slechts
derden- en vierdenrangsdichters meewerkten.
Daarbij kwam, dat de muziek zoo goed als alle oorspronke-
lijkheid verloren had: de periode van nabloei der groote
Nederlandsche toonkunst was omsti'eeks het midden der zeven-
tiende eeuw afgesloten, toen ook Dirck Sweelinck gestorven
was, die nog eenigen tijd de traditie van zijn grooten vader
had voortgezet, doch meer als uitvoerder dan als schepper op
muzikaal gebied. Fransche, Italiaansche en Engelsche muziek
was bijna het eenige, wat men daarna ten gehoore bracht.
Met zulke muziek werden op den schouwburg ook de niet
zeldzame balletten begeleid; en ook de zangspelletjes, die tegen
componisten; hbmony's klokkenspel. 393
het einde der zeventiende eeuw zich tot ware operettes ont-
wikkelden, hebben geen eigen nationaal karakter. Zij volgen
alle den toon van LuUy.
Verlangt men enkele namen van niet onverdienstelijke
Nederlandsche componisten uit dezen tijd, dan breng ik in
herinnering Anthoni van Noordt, organist eerst van de Nieu-
wezijdskapel, daarna van de Nieuwe Kerk te Amsterdam, die
in 1659 een „Tabulatuur-boeck van Psalmen en Fantasj'^en"
uitgaf, den Amsterdamschen boekverkooper Cornelis de Leeuw,
die „met snaargeluit den geest ten oore uitlokte", zooals het
heet in een „Vreugdezang", dien zijn vriend Willem van
Heemskerk hem bij zijn huwelijk toezong, Remigius Schrijver,
organist en klokspeelder te Middelburg, die voor Oüdaen's
„Psalmen" nieuwe muziek componeerde en bij zijn dood in
1681 door dien dichter in een lijkzang betreurd werd als zijn
vriend en medehelper bij het werk om aan de gewijde ge-
zangen „haar volmaakt geluid" te verschafifen „naar eisch en
zwier van eiken psalm", den Arnhemschen en Kampenschen
organist Gisbert van Steenwick, en eindelijk nog den Deventer,
later Hamburger organist en componist van een „Hortus
Musicus", Jan Adamsz. Reincken.
Afzonderlijke vermelding verdient nog het klokkenspel, met
draaienden „speelton" of krachtig »göbeier", dat destijds eene
groote verbetering had ondergaan door de meerdere voortref-
felijkheid der volkomen toonzuivere klokken, toen gegoten
door Franjois Hemony, „d' eeuwige eer van Loteringen, die
't gehoor verlekkren kon op zijn fclokspijs en zijn nooten, ons
zoo kunstrijk toegegoten", zooals Vondel in 1661 zeide in zijn
gedicht „Op het klokmusyk t' Amsterdam." Met zijn broeder
Pierre had hij zich eerst te Zutfen gevestigd, waar hij in 1644
de klokken van den Wijnhuistoren goot ; maar in 1657 richtte
hij met zijn broeder te Amsterdam op de Keizergracht bij
het Molenpad zijne gieterij op, en daar voorzag deze „klok-
helt", zooals men er maar „eens in duizent jaer" één te zien
krijgt, de voornaamste kerken van Noord- en Zuid-Nederland
en ook den stadhuistoren van Amsterdam van „hemelsch
klockmuzijck, gelyck een luit of Swelings orgelpijpen en snellen
cimbeltoon, met vingeren te grijpen."
De klokken, door hem in 1660 aan de Oude Kerk te
894 DB BBIERAARS 8ALOMON VBRBEBB: BN JACOB VAN NOORDT.
Amsterdam afgeleverd, ter vervanging van de klokken, in
1622 voor die kerk door Hendrick Aelke gegoten, werden
voortrefifelijk bespeeld door den Groninger Salomon Verbeek,
die ook beierman van Hemony's Regalierstorenklokken was
en van wien Vondel schreef, dat hij „met voet en vingren
klanken wist dooreen te slingren" en „d*allereelste kerkkoo-
raelen verdoofde'* door „met klokken als cymbaelen te spelen."
Zoo had dan de uitlegging van Amsterdam als 't ware „op
muzijk van torenklokken" plaats.
Ook de Beurs te Amsterdam bezat, tot 1668 toe, volgens
Melchior Pokkens, „een ongemeen klokgespeel, daar alle daagh
tot vermaak der wandelende kooplieden en andere kunstigh
op gespeelt werd*' en wel door den organist van de Oude Kerk,
Jacob van Noordt, wien Jan Dullaert in 1659 toezong: „Gy
maakt, wanneer gy van de Beurs haar toren uw klokke-spel
met hemelsmaak aan d'Amsterdamsche Jeugd laat hooren,
haar door het zoet geluit zoo tam, alsof zij zaten in een droom."
Zoo vinden wij dan alle kunsten, die zoo ruimschoots heb-
ben bijgedragen om de zeventiende eeuw in onze geschiedenis
tot eene glanspériode te maken, naar verdienste geëerd in de
werken harer zusterkunst, de poëzie, die zich, zooals zij toen
door Vondel en op zijn voorbeeld ook door anderen werd
opgevat, de veelzijdigste aller kunsten toonde, gereed en ook
in staat om het geheele rijke leven der 17de eeuw terug te
tooveren voor onzen geest.
XL VIII.
Vondel als treurspeldichter.
Voor Joost van Vondel was, al van zijn eerste optreden
af, de poëzie geen spel, maar eene ernstige kunst, die zich
öf met het bovenaardsche bezighield öf het aardsche van uit
een hooger oogpunt deed bezien. Er is verheflBng in bijna
alles wat Vondel schreef. Scherts is bij hem, schoon niet te
eenemale ontbrekend, toch eene hooge uitzondering en behoudt
dan nog meestal een edel karakter. Maakt hij eene enkele
maal, zooals in sommige zijner hekeldichten, van de alle-
vondkl's vbblzijdighbid als dichter. 395
daagsche volkstaal gebruik om daardoor te meer den lachlust
te wekken, dan is dat slechts eene krijgslist, die hij aanwendt
om te zekerder te trefifen en niet omdat hij zelf in dien vorm
behagen schept. Ook dan drijft hem verontwaardiging, en
alleen aan die hekeldichten, waarin die verontwaardiging zich
in ernstigen toon uitte, hechtte hij eene blijvende waarde.
Het minnelied, zelfs in den ernstigen hoofschen vorm van
Hooft, heeft hij ter nauwernood beoefend, ofschoon toch de
liefde met den wellust, die haar van nature begeleidt, door
hem naar waarde geschat werd, zooals overvloedig blijkt
uit zijne vele bruilof tsdich ten, toonbeelden van einstige en
kiesche, maar toch onverbloemde dichtbehandeling der huwe-
Ujksliefde, ook van hare zinnelijke zijde.
Sluiten wij den vroolijken, dartelen dichttrant uit, dan
kunnen wij zeggen: er is geene enkele dichtsoort, waarin
Vondel niet zijne krachten beproefd heeft en niet beter ge-
slaagd is dan iemand zijner landgenooten. Als episch dichter
hebben wij hem slechts in een enkel dichtstuk leeren kennen,
maar als leerdichter in verscheidene dichtwerken, aanvankelijk
meest emblemata en later schilderende of lofprijzende bij-
schriften en eerdichten in groot aantal, maar vooral ook
poëtische verhandelingen, waarin de dichterlijke beschrijving
op den voorgrond treedt, doch waarvan ook het lyrisch
karakter niet te miskennen valt. Maar als eigenlijk lierdichter
is hij in zijne volle kracht, ook wanneer de alexandrijnen
zijner lof- en zegezangen elkaar in breede stroomen volgen,
schier zonder ons eenige oogenblikken van rust of verademing
te laten; doch het meest in zijne kortere oden, waarvan de
toon- en maatverscheidenheid ons bewondering afdwingt en
de welluidendheid ons oor evenzeer boeit, als de rijkdom van
denkbeelden onzen geest.
Toch beschouwt Vondel zich zelf niet in de eerste plaats
als lierdichter, maar als treurspeldichter. Hij is het met Ovidius
eens, dat „hoe hoogh men drave in stijl en toon, het treurspel
alleen de kroon spant," en wanneer hij zich zelf teekent in
de bijschriften op zijne afbeeldingen, dan zegt hij, dat hij
„leeft in treurdicht, verslingert op aeloude en blóende treur-
tooneelen," dat hij „Lucifer zijn treurrol leert volspeelen" en
„'t Grieksch en Roomsch tooneel in Neerlant pooght te
396 vondel's ongewijde treurspelen.
stichten". Terwijl hij één herdersspel schreef, heeft hij dan ook
niet minder dan drieëntwintig treurspelen gedicht en er nog
acht vertaald.
Voor dertien zijner oorspronkelijke treurspelen koos hij
bijbelsche onderwerpen, voor de andere tien, waarvoor hij dat
niet deed, werd de stof hem meerendeels door toevallige om-
standigheden aan de hand gedaan : wij hebben ze bijna alle
reeds besproken, namelijk den Oysbreght van Aemstel (yeLU 1&S7),
de Maria Staart (van 1646) en den Zungchin (van 1667), die
onderwerpen uit de nieuwere geschiedenis ten tooneele voeren;
de Maeghden (van 1639) en de Peter en Pauwels (van 1641)
als legendestukken, en de stukken, waarvoor oude geschiede-
nis of mythologie de stof leverden: Hvêrusalem verwoest (van
1620), Palamedes (van 1625) en drie andere, die wij nog niet
behandelden.
Het eerste van deze is de Salmoneus (van 1657), waarin
deze koning van Elis, door hoogheidswaanzin gedreven om
zich als een god te doen vereeren, zijne gerechte straf onder-
gaat, wanneer Jupiters bliksem de paarden van zijn zegewagen
aan 't hollen brengt en „hy doot uut den wagen, de wagen
aen stucken gesmeeten wort**: een stuk, dat Vondel schreef
om den tooneeltoestel van zijn door de Regeering verboden
„Lucifer** nog eens te kunnen gebruiken. In het tweede, den
Faëton (van 1663), is het bekende verhaal van diens „reucke-
loze stoutheit*', om met onervaren hand den zonnewagen te
willen mennen, naar de Metamorphosen van Ovidius gedra-
matiseerd; en in het derde, Batavische Gebroeders (van 1663),
is eene enkele episode uit het leven van Claudius Civilis
(hier Nikolaes Burgerhart geheeten) ten tooneele gebracht,
namelijk zijn gevankelijk wegvoeren naar Rome door Fonteins
Capito na het ter dood brengen van zijn broeder Julius Pau-
lus. Zeer bekend is uit dit treurspel de heerlijke „rey van
Batavische vrouwen'' geworden, waarmee h^t tweede bedrijf
besluit, en waarin de schets, door Tacitus in zijne „Germania"
van het eenvoudig en zoowel geestelijk als lichamelijk door
en door gezonde leven van den nog niet „door vreemde heer-
scHappy'* bedorven Germaan gegeven, door Vondel zoo mees-
terlijk in zijne schilderachtige verzen is overgebracht, dat geene
gouden eeuw ons door eenig dichter ooit dichterUjker is voor-
vondel's bijbelschk treurspelen. 397
getooverd, dan dat „gelukkig leven van den Duitschman"
door Vondel.
Van Vondel's bijbelsche treurspelen hebben wij het Pascha
(van 1612) reeds behandeld; de overige zijn in chronologische
volgorde: Gebroeders (van 1639) of de terdoodveroordeeling
van Saul's zeven nakomelingen door David op raad van den
hoogepriester Abjathar ten einde de bloedschuld te zoenen,
die Saul door zijn moord der Gabaoners op de Israëlieten ge-
laden had; Joseph in Doihan (van 1640) of de verkoop van
Joseph door zijne broeders; Joseph in Egypten (van 1640) of
Joseph's strijd tegen den hartstocht van Jempsar, de vrouw
van Potiphar, geschreven als tegenhanger van Euripides' en
Seneca's „Hippolytus"; Salomon (van 1648) of Salomon's ver-
leiding tot afgoderij door Hiram's dochter Sidonia; Lucifer
(van 1654) of de, eigenlijk niet bijbelsche, opstand van Lucifer
tegen God; Jeptha (van 1659) of de uitvoering van Jeptha's
„offerbelofte" door het slachten zijner dochter Ifis; Koning
David in ballingschap (van 1660) of de tijdelijke nederlaag,
aan David door zijn zoon Absolon toegebracht als straf voor
zijn overspel met Berseba (Bathseba); Koning David herstelt
(van 1660) of David's overwinning op en rouw over zijn zoon
Absolon; Samson (van 1660) of de „heilige wraeck'', die de
mishandelde richter ten koste van zijn leven op de Filistijnen
neemt door hen en zich zelf onder het puin van den instortenden
Dagonstempel te begraven ; Adonias (van 1661) of de mislukking
der samenzwering, uit „rampzalige kroonzucht" door Adonias
tegen zijn broeder Salomon gesmeed; Adam in ballingschap
(van 1663) of „aller treurspeelen treurspel", namelijk de val
der stamouders van het menschelijk geslacht na de door hen
in het Paradijs zoo heerlijk gevierde bruiloft, geschreven onder
den invloed van Hugo de Groot's „Adamus exul", en Noah
(van 1667) of de „ondergang der eerste weerelt" na de ver-
geefsche waarschuwingen, door den gestrengen boetprediker
Noah gericht tot het goddelooze, door Achiman en Urania
als grootvorst en grootvorstin van het Oosten beheerschte,
geslacht van „reuzen en geweldenaeren".
Door nog tot ver in het derde kwart der zeventiende eeuw
bijbelsche treurspelen te dichten, wat toen in Noord-Neder-
land door bijna niemand meer werd gedaan, bleef Vondel
398 DB VBRHBYBNHBID DER BIJBELSTOF.
getrouw aan de liefde zijner jeugd, toen Fransch treurspel en
Latijnsch schooldrama door het dramatiseeren van bijbelstof
de overlevering der middeleeuwen nog bleven handhaven, zij
het ook in moderner vorm. Op deze, zoowel op de stukken,
die hij in zijne prille jeugd te Keulen en te Utrecht had zien
vertoonen, als op die, welke door de bekende geleerden en
erkend vrome protestanten Buchanan, Schonaeus, Heinsius,
Grotius, Van den Honert, Theodorus Beza en, ook reeds veel
vroeger, door Gregorius Nazianzenus geschreven waren, beriep
hij zich in het „berecht" vóór zijn „Salmoneus*', om de keus
zijner onderwerpen als tooneelstof te rechtvaardigen.
Uitgaande van de stelling, dat voor den treurspeldichter de
verhevenste stof de beste is, moest hij wel „liever stof uit
Móses onfeilbare als uit wereltsche historie of eenige heidensche
verzieringe nemen", daar hij meende, zooals hij in de opdracht
van zijn „Joseph in Dothan" zeide, dat „de heilige boven
andere geschiedenissen altijt voor zich brengen een zekere
goddelycke majesteit en aenbiddelycke eerwaerdigheit, die ner-
gens zoozeer dan in treurspelen vereischt worden". Even ver ging
bijbelstof de heidensche fabelen, naar zijne meening, te boven,
als „de zonne des Heiligen Geestes alle Heidensche starren
met haren glans uytdoet", en niemand kon dan ook beweren,
dat zijne onderwerpen niet verheven genoeg waren.
Wèl beweerden zijne tegenstanders, dat „geschiedenissen,
beschreven met die zuivere en sneeuwwitte duiveveder" (d.i. de
pen van den H. Geest), juist al te verheven waren om tot
stof van tooneelspel te mogen dienen. Vondel zelf was er
dan ook wel van overtuigd, dat bij het behandelen van bijbel-
stof „een zonderlinge maetigheid en saechachtige eerbiedigheid
onderhouden diende" en dat men geene wijziging in het bijbel-
verhaal mocht brengen. In het „berecht" vóór zijn „Jeptha"
sloot hij zich daarom ook aan bij Vossius' stelregel: „tgeen
Gods boeck zeit, noodzaeckelijck, tgeen het niet zeit, spaer-
zaem, tgeen hiertegens strijd, geensins te zeggen". Dat was
uit een artistiek oogpunt een nadeel, want dat beperkte de
vrije vlucht der verbeelding van den kunstenaar niet weinig,
zooals Vondel zelf erkende; maar daartegenover stond het
voordeel, dat „de tooneelstof kon vergoeden wat er somsmis-
TREURSPELEN ALS EPISODEN DER WERELDQESCHIBDENIS. 399
schien aen de vereischte hooghdraventheit des styls mocht
ontbreecken".
Voor Vondel nu is de bijbelstof geene reeks van gewijde
verhalen, maar het groote epische verhaal der ontwikkeling
van Gods wereldplan met de menschen, waarvan Lucifers
opstand, de zondeval en de verlossing door Gods menschwor-
ding de hoofdmomenten waren en het jongste gericht bij de
wederkomst van Christus de slotscène zou uitmaken. Van die
hoofdmomenten zijn er door Vondel in zijn „Lucifer** en
„Adam in ballingschap" twee ten tooneele gebracht, en onder
al zijne treurspelen bekleedden deze beide dan ook, naar zijne
meening, wat de behandelde stof betreft, de eerste plaats. Doch
ook in zijne andere treurspelen, evenals in deze twee, wordt
vertoond, hoe de booze geest, in Lucifer en zijne trawanten
verpersoonlijkt en in de menschen gevaren, er naar streeft,
de verwezenlijking van Gods wereldplan te verijdelen, maar
daardoor juist het werktuig wordt in Gods hand, om dat
grootsche plan tot uitvoering te brengen: het is de geest, die
steeds het booze bedoelt en steeds het goede bewerkt. Zooals
men ziet, hebben al Vondel's bijbelsche treurspelen wezenlijk
hetzelfde karakter als het oude mysteriespel, maar in moderner
vorm, zoodat men er hetzelfde van kan zeggen als van Cal-
deron's „autos sacramentales", namelijk dat het mysteriespel
daarin tot zijne hoogste ontwikkeling is gekomen, als de
volmaaktste kunstuiting eener godsdienstige wereldbeschouwing,
die nu echter bezig is in den strijd met eene andere wereld-
beschouwing door deze te worden verdrongen.
Terwijl nu ieder onderwerp uit de bijbelsche geschiedenis
een wezenlijk deel uitmaakt van de geheele wereldgeschiede-
nis, die daarom de kolossale achtergrond is voor elk van
Vondel's treurspelen, is tegelijk ook iedere afzonderlijke ge-
schiedenis, losgemaakt uit het groot geheel, eene afspiegeling
in 't klein van hetgeen de wereldgeschiedenis in het groot te
aanschouwen geeft. Als zulke afspiegelingen of typen hadden
in de middeleen wsche mysteriespelen de Oud-testamentische
verhalen ook reeds dienst gedaan, en bij Vondel bleven zij
denzelfden dienst verrichten.
Dat in het „Pascha" de uittocht der kinderen Israëls uit
Egypte voor Vondel de afspiegeling was van de Verlossing
TYPOLOGISCH BN STICHTELIJK KARAKTER VAN VONDEL'S TREURSPEL.
des menschdoms uit de slavernij der zonde, hebben wij reeds
opgemerkt. Zoo is ook Joseph het zinnebeeld van Christus:
ter dood veroordeeld, verkocht, in den put begraven, maar
verrezen uit den duisteren afgrond als een feniks uit zijne
asch, en den stam der Hebreeën voorgegaan naar het land,
waar hij, als vorst in al zijne heerlijkheid tronende, ook
woonplaats zou verschaffen aan zijne ouders en broeders. Zoo
herinnert David, na zijne overwinning op Goliath feesteUjk
ingehaald door „gansch Jerusalem", aan Jezus' intocht op
Palmzondag, en David, „*s rijx heilant", genoodzaakt in
ballingschap te gaan, omdat „zijn dischgenoot zijnen heer
durfde verraden", aan den Heiland der menschen, door Judas
verraden en naar Golgotha uitgeleid. Zoo „overwint Samson
de vyanden door zyn doot tot een voorbeelt van den beloofden
Verlosser", en sterft ook Ifis, Jeptha's dochter, als zoenoffer,
zooals later ook Jezus sterven zou. Zoo blijkt dan, om met
Vondbl's eigen woorden uit de opdracht van zijn „Jeptha"
te spreken, „het heilighdom des bybels behangen met beelden,
die Messias, hooghgewijt, uitbeelden en gemoeten met ver-
langen, eer hy verschijnt ten offer op zijn tijt".
Als episoden uit het groote werelddrama, waarin God de
eigenlijk handelende persoon is en de menschen de zich vrij
gevoelende werktuigen zijn óm zijne beschikkingen uit te
voeren, hebben VondeVs treurspelen reeds op zich zelf een
stichtelijk en daardoor ook moreelopvoedend karakter. God
zelf treedt (behalve in het „Pascha") bij Vondel niet meer
ten tooneele, zooals in de mysteriespelen, maar wèl treden
daarin zijne vertegenwoordigers in zijn naam op, zooals de
aartsengelen Gabriël, Rafaël en ten slotte Michaël in den
„Lucifer", en eveneens de engelen in den „Adam in balling-
schap", zooals verder Noah in het gelijknamige treurspel en
hoogepri ester of profeet in andere stukken. In „Salomon" en
„Adonias" ziet men de gevolgen van Gods toorn over Davids
misdrijf, door Nathan in naam van God uitgesproken, toen
hij tot dien koning zeide : „Het zwaert zal in der eeuwigheit
van uwen huize niet aflaten. lek zal een ongeluck uit uwen
huize tegens u verwecken^'. Trouwens Davids ballingschap
zelf is reeds eene straffe Gods. In de „Gebroeders" voldoet
David, op raad van den hoogepriester, aan den eisch, dien
DIDACTISCH KARAKTER VAN VONDBL'S TREURSPEL. 401
God door het veroorzaken van langdurige droogte en hongers-
nood had te kennen gegeven. In den „Samson" is het weder
God, die geene andere goden voor zijn aangezicht duldt en
daarom den gevangen Israëlietischen richter met zoodanige
kracht begiftigt, dat hij in staat is, den Dagonstempel der
Filistijnen te verwoesten. Zoo leeren Vondel's treurspelen in
het algemeen „rechtvaerdigheid betrachten en geen godheid te
verachten'*.
Bovendien echter houdt ieder stuk dikwijls nog eene afzonder-
lijke leering in. „Salomon" en „Samson" bv. „waerschuwen
de jongkheit, als met vierbakens, door d' ongelucken en rampen,
waerin zy vervielen, die de wulpsche lusten den vollen toom
gaven": immers, heet het aan *t eind van den „Salomon",
„wie Godt verlaet en eert den Wellust boven Godt, verbeurt
zyn kroon en wort zyn vyants schimp en spot". Van „David
in ballingschap" heet het: „Een goude kroon op het hooft
te willen draegen, als Absolon, of de korte wellust van een
schoon vrouwenbeelt te genieten, als David, wat staenze zoone
en vader dier!" en hét slot van „David herstelt" leert, hoe
„Godts vloeck den zoon treft, die d'ouders durft onteeren".
„Joseph in Dothan" en „Adonias" stellen al de gruwelijkheid
van broedertwist in het licht; zoodat Vondel met recht in
zijne „Inwydinge van 't stadthuis" van den Schouwburg, zooals
hij dien wenschte, mocht zeggen:
„De Schouwburgh plant en stampt de zeden in de jenght,
Ontmomt de weerelt, leert welspreeckentheit en deught
En w^sheit, nitgebeelt door rol en personaedje,
Gelaerst of lichtgeschoeit gevoert op haer stellaedje".
De leerzame episoden uit het stichtelijk en verheven wereld-
drama worden in Vondel's ti*eurspelen ten tooneele gebracht
als „spreeckende tooneelschilderyen", waardoor „al 't weerelt-
lyck beloop naer 't leven afgeschildert" wordt, of als „geestigh
getekent tapytwerck", waarop „hartstoghten, onderling aen 't
barrenen, aen 't woelen, zich ontvouwen gelyck de verwen
met de naelt of schietspoel", zooals de dichter in zijn „Sam-
son" doet zeggen. Daar „beelden de personaedjen, elck volgens
heuren staet ingekleet en gelijck vermomt, door stemmen en
gebaer eene historie uit".
n 26
402 DK VBRTOONINGEN IN VONDEL's TREURSPELEN.
Dat „uitbeelden" kon gedeeltelijk, zooals ook reeds in de
middeleeuwen, in letterlijken zin met levende beelden of
verven geschieden door de in de stukken ingevoegde ver-
tooningen. In den „Sofompaneas" ziet men in het derde be-
drijf „uytnemende schilderyen", door Pharao in de galerij
geplaatst „om Josephs vorige wedervaren, Pharoos droomen
en gesichten en den welgeschickten staet van Egypten, die
anders niet konden op het toonneel komen", voor den geest
te brengen. In het vierde bedrijf van de „Gebroeders" ziet
men „de vertooning daer de gebroeders hangen", ten over-
vloede door eenige versregels verklaard. In het laatste bedrijf
van de „Maria Stuart" zou men, als het stuk vertoond was,
„het lijck door d'opene gordijnen" gezien hebben „en Joflers
daer rondom, die by de lijcktorts quijnen". Dat in den „Sal-
moneus" drie van zulke vertooningen gegeven werden, blijkt
uit het drietal vierregelige versjes, ter verklaring daarvan
door Vondel gemaakt. Ook is het hoogstwaarschijnlijk, dat
nagenoeg dezelfde vertooning, die wij nu nog altijd aan het
eind van het vierde bedrijf van den „Gysbreght" zien, ook
reeds in Vondkl*s eigen tijd daar te zien is geweest.
Het, grootendeels allegorische, „tableau yivant**, dat Ifis'
offer door haar vader in den „Jeptha" voorstelde, was op
Vondel's verzoek door Jan Vos ontworpen en werd door hem
ook beschreven en van een zesregelig bijschrift voorzien. Voor
Vondel 's „Lucifer" ontwierp Jan Vos drie vertooningen, die
de paradijsgeschiedenis voorstelden en die men beweeglijke
tafereelen zou kunnen noemen, omdat er ook op droeve en
blijde muziekwijzen in gedanst werd. Eene beweeglijke ver-
tooning zal in het vierde bedrijf van den „Joseph in Dothan"
het voorbijtrekken van de karavaan der Arabische kooplieden
geweest zijn, en in het vierde bedrijf van den „Salomon" de,
door schrikkelijk gedonder en gebliksem verstoorde, ofFerstaatsie
van Astarthe, voor welk tafereel misschien Lastman's „OflFer-
staetsi van Lystren" het voorbeeld is geweest". In den „Sam-
son" ziet men tegen het eind van het vierde bedrijf „den
grooten ommegangk, ge viert met spel en zangk en in Dagons
naem begonnen", zooals de Aertspriester dien vooraf beschrgft,
vóór hij onder het zingen der „kooraelen" werkelijk plaatsheeft.
Deze en andere pompeuze vertooningen behoorden bij
HET PLASTISCH KARAKTER VAN VONDBL'S TREURSPEL. 403
Vokdkl's treurspelen, waarvan zij den indruk ongetwijfeld
versterkt hebben, zoodat het eene dwaasheid zou zijn, ze weg
te laten bij het opnieuw vertoonen van die stukken in onzen
tijd, waarin de regie over nog zooveel betere hulpmiddelen
te beschikken * heeft, dan in Vondel*s dagen. Kenmerkend
voor die treurspelen echter zijn zij niet, omdat ook zoovele
andere tooneeldichters zich daar toen van bedienden. Terwijl
anderen echter grootendeels aan die vertooningen den bijval
dankten, die door het poëtisch gehalte hunner stukken dikwijls
moeielijk zou kunnen verklaard worden, streefde Vondel er
naar, stukken te schrijven, die ook bij lezing of voordracht
alleen in staat waren indruk te maken en te bekoren, zij het
ook in mindere mate dan bij de vertooning, waarvoor zij
bestemd waren.
Wel was ook hij er van overtuigd, dat „het zien meer de
harten beweeght dan het aenhooren en verhael van het ge-
beurde", maar hij meende toch ook, dat „de toestel destreur-
handels zoodanigh behoorde te wesen, dat die maghtigh ware
alleen door het aenhooren en lezen medoogen en schrick uit
te wercken". Hij is er dan ook vooral op uit geweest, door
den aard zijner poëzie eene zoo groote aanschouwelijkheid aan
zijne treurspelen te geven, dat zij desnoods ook zonder ver-
toond te worden konden genoten worden als tooneelstukken
of, zooals hij het noemt, als „ooghmuzyck", als woordschilde-
ringen. Hij wenscht, dat zijne alexandrijnen zullen zijn „gelyck
uithefiTende schilderyen, rijck gestoffeert en doorwrocht", zoodat
de lezer in zijne verbeelding ziet, wat de toeschouwer op het
tooneel in werkelijkheid te zien krijgt, ja, eigenlijk nog veel
meer, ook wat daar niet vertoond kon worden.
In al zijne stukken kan men grootsche tafereelen geschilderd
vinden, zooals, om slechts enkele voorbeelden te noemen, in
den „Palamedes" het tafereel der steeniging van den onschuldig
veroordeelden held, in den „Gysbreght", de diie tafereelen
van strijd en plundering door Arent, Gysbreght en den Bode
vertoond, in den „Joseph in Dothan" het tafereel van Jacobs
rouw bij het ontvangen van de doodstijding zijns geliefden
zoons, in den „Lucifer" van den heroïschen kamp in het
luchtruim door Michaëls en Lucifers heerscharen gestreden,
in den „Samson" van het Dagonsfeest en het daverend in-
404 yondbl's treurspelen zijn woordtafbrbblen.
eenstorten van den Filistijnschen afgodstempel, in den „Adam
in ballingschap" van den vemikkelijken hof Eden, in den
„Noah*' van den zondvloed, zooals Noah dien als profeet
afschildert, waarop dan in het lied der Joffers een geheel
ander tafereel volgt, het bekende bekoorlijke schilderijtje van
„de swaen, dat vrolyke waterdier, noit zat van kussen".
Wij zien haar vóór ons, zooals zij „nestelt op den vloet en
haere eiers kipt'^ en zooals zij, terwijl „vlieghende jongen mé
zwemmen door stroom en zee, groeit in 't levendigh element,
de veeren wast en spansseeren vaert tot 's levens endt". „Ster-
vende zingt ze noch een vrolyck liet; haer flaeu gezicht zoeckt
noch eens het licht, den bruitschat, van de natuur te leen
aen elk gegeven om bly te leven: zoo vaert ze heen".
Zulke tafereelen, schitterend van coleriet of aanschouwelijk
als marmerreliefs van grooter of geringer omvang, kan men
telkens in een treurspel van Vondel aantreffen : woordtafereelen,
in karakter en kunstwaarde te vergelijken bij de kleurtafereelen
van Rubens' schilderijen en bij de beeldtaf ereelen van Quellinus'
meesterwerken; ja, men zou een treurspel van hem over het
algemeen wel kunnen kenmerken als eene harmonisch aaneen-
geschakelde rij van beeldengroepen, die, elkaar afwisselend,
samen in een groot beweeglijk beeldwerk eene geschiedenis
voorstellen in den letterlijken zin des woords. De kalme rust
en plechtige majesteit, door Vondel daarmee aan zijne stukken
verleend, zou misschien te veel van aandacht en verbeelding
zijner toeschouwers geëischt hebben, indien de dichter geene
afwisseling in zijne treurspelen had weten te brengen door
verschillende tooneeltjes vol beweging en werkelijkheid, uit-
muntend door levendigen, dikwijls geestigen, dialoog; want
Vondel is, ondanks de verhevenheid zijner gedachten, een
realist in merg en been, die niet alleen zijn geest door boeken-
studie voedde, maar ook door opmerkzaam rond te kijken in
het woelig menschenleven, zooals dat in eene bedrijvige stad
als Amsterdam zich in de grootste verscheidenheid voordeed.
Eindelijk zijn ook nog de reizangen een wezenlijk, onmis-
baar bestanddeel van Vondel's treurspelen. Zijne hooge be-
gaafdheid als lierdichter komt nergens meer uit dan daar;
maar toch mag men ze niet op zich zelf, alleen als liederen,
beschouwen, daar eerst in verband tot den geheelen inhoud
DK REIEN IN VONDEL's TREURSPELEN. 405
van het treurspel hunne volle beteekenis kan worden gevoeld
en genoten. Men kan verder gaan en zeggen : wie de reizangen
wegliet, zou den geest der treurspelen niet kunnen begrijpen,
want zij leeren ons, hoe wij de handeling hebben op te vatten.
Slechts nu en dan nemen zij aan de handeling deel, maar
meestal staan zij er naast, om den indruk te vertolken, dien
de handeling op den toeschouwer moet maken, en hem te
helpen om het verloop der geschiedenis uit een hooger oogpunt
te bezien, dan de handelende personen zelf kunnen doen.
Dat zij in Vondel's eigen tijd gezongen zijn, kan niet meer
betwijfeld worden; maar ook bij deze reien heeft Vondel
getracht de poëzie zooveel mogelijk onathankelijk te maken
van de muziek, ofschoon hij er ten volle van overtuigd was,
dat zij, „geoefent door eenen groeten Orlando, onder het
speelen d'aenschouwers eene hemelsche gelyckluydentheit van
heilige galmen laeten hooren, die alle deelen der goddelijcke
zangkunste in hunne volkomenheit zoodanigh bereickt, dat ze
de zielen buiten zich zelve, als uit den lichame, verruckt, en
ten volle met eenen voorsmaeck van de geluckzaligheit der
engelen vergenoeght". Toch, ofschoon de toovermacht van
muziek en zang onvoorwaardelijk erkennend, heeft Vondel
er zich op toegelegd, zijne reien zóó welluidend te maken,
dat zij, ook ongezongen, zouden klinken als muziek.
De reien treden bij Vondel, zooals ook bij anderen, alleen
op aan het eind van ieder bedrijf behalve het laatste. Tot op
het jaar 1639 heeft hij er nog geen bepaald type voor aan-
genomen en worden de reien ook nog door verschillend soort
van personele gezongen, bv. in den „Gysbreght" in het eerste
bedrijf door Amsterdamsche Maeghden, in het tweede door
Edelingen, in het derde door Klaerissen en in het vierde
door Burghzaten. Sedert 1639, voor het eerst met het treurspel
„Maeghden", is het steeds dezelfde rei, die aan het slot van
ieder bedrijf optreedt, zooals in „Maeghden" zelf een rei van
Agrippiners, in „Gebroeders", in „Salmoneus'' en in „Zungchin''
een rei van priesteren, in de beide „Joseph's", in „Adam in
ballingschap" en in „Noah*' een rei van engelen, in „Maria
Stuart'* een rei van staetsjoflFeren en in „Adonias" een rei
van hoQoflFeren, in „Faëton" een rei van „uuren''. Meestal
bestaat die rei uit een zang, een tegenzang en een toezang;
406 * vondel's reien; beneca's invloed.
soms zijn er twee of drie zangen en tegenzangen; meermalen,
vooral in de latere stukken, ontbreekt de toezang. Eene enkele
maal vindt men den rei afgewisseld door of in beurtzang met een
solo, zooals de rei der Batavische vrouwen in de „Batavische
Gebroeders*' en de reien in „Salmoneus" en „Lucifer". In het
laatste stuk treedt tegenover den rei der getrouwe engelen,
maar niet aan het eind der bedrijven, een tweede rei, die der
Luciferisten, op. Bovendien heeft men in sommige treurspelen
lyrische gedeelten, die vermoedelijk als solo of koorzang ge-
zongen of althans met muziekbegeleiding gesproken zijn.
Vondel's reien nfunten niet alleen door rijkdom van ge-
dachten, beeldrijkheid van voorstelling en aan geleerdheid
grenzende kennis uit, maar treffen ons vooral door de groote
verscheidenheid van steeds welluidenden rhythmus en zinrijken
strophenvorm : zinrijk, omdat hij meestal zoo geheel past bij
de gedachten, die er in geuit worden, en bij den geest der
handeling, die door den reizang besloten wordt, zooals inder-
tijd door Nicolaas Beets op overtuigende wijze is aangetoond.
De vereeniging van vertooning en zang hebben Vondel's
treurspelen dus met het oude mysteriespel gemeen; maar
toch valt bij Vondel's reizangen slechts zeer in de verte aan
de koorzangen der mysteriespelen te denken : bij hem besluiten
zij de bedrijven in navolging van hetgeen de tragedie van
Seneca in de Europeesche letterkunde had ingevoerd. Aan
Seneca toch en zijne moderne navolgers, zooals Hooft, heeft
Vondel voor zijne treurspelen tameUjk veel ontleend, vooral
toen hij daarvan studie genoeg had gemaakt om twee stukken
van Seneca, de „Troades" in 1625 onder den titel van De
Amsterdamsche Hecuba en de Hippolytus in 1628 te kunnen
vertalen. Ook in eenige andere stukken van Vondel komen
langere of kortere reeksen van versregels voor, die met meer
of minder vrijheid naar Seneca vertaald zijn ; doch bovendien
was het Seneca*s invloed, die er Vondel toe bracht, in menig
stuk een, ook reeds bij de Grieksche tragici voorkomenden,
Bode in te voeren, namelijk in zijn „Palamedes", zijn „Gys-
breght', zijn „Maeghden", zijn „Koning David in balling-
schap" en zijn „Samson". Op Seneca's voorbeeld deed Vondel
ook eene Voedster optreden in zijn „ Joseph in Egypten" en*in
zijne „Maria Stuart", maar daar onder den naam van kamenier.
sbneca's invloed op vondel, 407
Tot het invoegen van droomverhalen, zooals er door Bade-
loch in den „Gysbreght" en door Jempsar in den „Joseph
in Egypten*' worden gedaan, werd Vondel evenzoo door
Seneca gebracht, die bijzonder ingenomen was met geestver-
schijningen, zooals wij er dan ook vele evenzeer bij Vondel
als bij Shakespeare aantreffen. In „Maeghden" verschijnende
geesten van Sinte Ursel en St. Aethereus, in „Zungchin" de
geest van Franciscus Xaverius en in „Koning David in balling-
schap' ' Urias' geest. Booze geesten, die evenals Seneca's wraak-
godinnen en andere heibewoners uit den afgrond der hel
komen oprijzen, zijn bij Vondel Sisyphus in den „Palamedes",
Simon de toveraer en Elymas in „Peter en Pauwels'', Lucifer
in „Adam in ballingschap" en ApoUion in „Noah". Deze
laatste opent daar het stuk met eene lange alleenspraak, zoo-
als men er ook bij Seneca verscheidene aantreft. Die van
Palamedes, Gysbreght en Dagon (in den „Samson"), die bijna
het geheele eerste bedrijf innemen, zouden wel redevoeringen
in verzen mogen heeten. Ook op het eind van Seneca's en
dientengevolge ook van Vondel's treurspelen komen soms
lange toespraken voor, door goden (zooals Neptunus in „Pala-
medes") of door engelen gehouden om de gevolgen der in het
stuk voorgestelde handeling, meestal de wraak Gods, te voor-
spellen.
Zulke lange toespraken werkten er toe mee om aan de
tragedies van Seneca een rhetorisch karakter te geven, waar-
van Vondel's treurspelen dan ook evenmin geheel zijn vrij
te pleiten, tegenover de stukken der Grieksche tragici, van
welke alleen Euripides soms, maar in veel minder mate, tot
rhetoriek en tot daarmee zoo nauw verwante gezwollenheid en
koude woordenpraal vervalt. Evenals Seneca te groote woorden
gebruikt, is hij er ook op uit, te groote gruwelen te vertoonen,
die meer griezelig dan wezenlijk treffend zijn ; maar door hem
daarin niet te volgen onderscheidt Vondel zich gunstig van
zijne meeste tijdgenooten met hunne inderdaad al te bloe-
derige treurtooneelen. Hij hield er niet van, zooals hij in
het „berecht" vóór zijn „Jeptha" zegt, „wanschape en gruw-
zame wreetheden te vertonen, en misgeboorten en wan-
schepsels door het ontstellen van zwangere vrouwen te
baren." Van alle personen in Vondel's vele treurspelen sterft
408 INVLOED DfiB ORIKKSCHB TRAGEDIE OP VONDEL.
alleen Arent in den „Gysbreght" op het tooneel voor de oogen
der toeschouwers. Met Horatius was hij het eens, dat men het
sterven zelf niet moest vertoonen „om ongeloof waerdigheit te
schuwen." Wel krijgt men in enkele zijner stukken in eene
vertooning de lijken te zien van hen, wier dood niet vertoond,
maar alleen verhaald was.
Om waarheid was het Vondel in zijne bijbelsche treurspelen
dan ook bovenal te doen; en hij kon waar zijn, omdat hij
onvoorwaardeüjk geloofde aan de realiteit der bijbelsche ver-
halen, zooals Sophocles geloofde aan de waarheid der mythen,
die hij ten tooneele bracht, terwijl Seneca, die als Stoïcijn in
de goden niet meer dan ijdele schimmen, in de mythen niet
anders dan ongeschiedkundige fabels kon zien, het gevaar niet
kon ontgaan om overdreven voor te stellen, wat hij toch maar
voor gewrochten van verbeelding hield, en uit ongeloof aan
de grootschheid en verhevenheid zijner dichtstof met groote
woorden en gruwehjke daden zekere schijn-grootschheid te
geven aan hetgeen hij persoonlijk niet meer als verheven kon
gevoelen.
Geen wonder dus, dat, toen Vondel eenmaal kennis ge-
maakt had met de Grieksche tragici, Seneca voor hem niet
meer het groote voorbeeld van den tooneeldichter kon blijven,
al heeft hij ook daarna nog wel het een en ander aan hem
ontleend. De Elektra, door De Groot Sophocles' meesterstuk
genoemd en daardoor reeds op zich zelf bij hem aanbevolen,
schijnt het eerste Grieksche treurspel geweest te zijn, dat hij
meer dan oppervlakkig leerde kennen. Joan Victoryn „prickelde
hem menighmael" het stuk te vertalen, en met de hulp van
Isaac Vossius volbracht hij dat moeielijke werk in 1639.
Jaren gingen er nu voorbij, voor hij zich weder aan het
vertalen van een Grieksch treurspel of althans aan het uit-
geven van zulk eene vertaling waagde. In 1660 verscheen
zijne vertaling van Sophocles' Koning Edipus, en nog eenige
jaren later bracht hij ook een paar stukken van Euripides
over, nameUjk lügenie in Tauren in 1666 en Fenidaensche of
gebroeders van Thebe in 1668, waarop nog in hetzelfde jaar de
vertaling van Sophocles* Herkules in Trojchin de reeks zijner
vertalingen van Grieksche treurspelen besloot.
Afgezien van „Hippolutus den Kroondrager'*, door Jacob
INVLOED DER ORIBKSCHB TRAGEDIE OP VONDEL. 409
ViNCK in 1671, waarvan het laatste gedeelte stukken bevat,
die vrij vertaald zijn naar Euripides, kan men zeggen, dat
in de zeventiende eeuw Vondel de eenige geweest is, die
Grieksche treurspelen in het Nederlandsch heeft overgebracht
en daarmee getoond heeft, hoever hij zijn meesten tijdgenooten
vooruit was. Immers, hij was tot de overtuiging gekomen (of
door Lipsius en Grotius daartoe gebracht), dat de Grieksche
treurspelen als kunstwerken ver boven die van Seneca uitmunten.
Reeds in 1639 had hij van de „Elektra" met het oog op Seneca
gezegd: „walgelijcke opgeblaezenheid, waervan Griecken en
Latynen hoe aelouder hoe vryer zijn, heeft hier nergens plaets ;
oock geen wispeltuurigheid van stijl" ; en later gaf hij meermalen
zijne voorkeur voor de Grieksche treurspelen boven die van Seneca
te kennen, het duidelijkst in de opdracht van zijn „Herkules
in Trachin", waarin hij zeide: „Wie dit treurspel in de weegh-
schaele van een bezadight oordeel tegen den dollen, ook
Eteeschen, Hercules van Seneca naeukeurigh opweeght, zal
wel bevroeden, hoe de Latynsche speelen van geleertheit
gepropt zijn, maer, boven hunne kracht gespannen staende,
met luit roepen en stampen de Griecken poogen te verdooven,
die ondertusschen hunne natuurlijcke stem bewaeren en,
gelijck afgerechte musikanten, met kennisse begaeft, op de
vereischte maet de stem naer den zin der woorden weeten ta
verheffen en te laeten daelen en hierom op den Zangbergh
den prijs by d'allerwijste keurmeesters behouden".
Men ziet hier meteen, wat het was, dat Vondel van de
Grieken geleerd heeft, namelijk eenvoudigheid en natuurlijk-
heid. Allengs was hij aan de gekunstelde school van Ronsard
ontgroeid en meer en meer doorgedrongen in den geest van
het meest classieke der classieke kunst. Naarmate hij ouder
werd, was hij eenvoudiger geworden in het te pas brengen
van zijne omvangrijke kennis en natuurlijker in zijn taalge-
bruik, zonder iets van zijne beeldrijke dichterlijkheid te ver-
liezen, noch tot de platheid van de alledaagsche omgangstaal
te vervallen; want waar men hem later soms platheid van
woordenkeus heeft te laste gelegd, heeft men gewoonlijk ver-
zuimd te bedenken, dat ook de taalkleur zich allengs wijzigt
en dat, wat nu soms plat en alledaagsch klinkt, in vroeger
tijd nog volstrekt niet eveneens behoeft geklonken te hebben.
410 VOMDBL's ONDBRWSRPING aan het OBZAQ van ARISTOTELE8.
Onder den invloed der Grieken is ook de dialoog bij hem
dikwijls levendiger en geestiger, de karakteristiek fijner ge-
worden en is er meer waarheid en natuurlijkheid gekomen
in de manier, waarop zijne personen spreken en zich gedragen,
al bewijzen zijne oudere stukken ook, dat reeds zijne persoonlijke
neiging het hem gemakkelijk maakte, die richting op te gaan.
Vondel was er de man niet naar om, ondanks zijne om-
vangrijke vertaaloefeningen, bij zijne oorspronkelijke werken
de modellen van anderen slaafs na te bootsen, maar evenmin
om uitsluitend op eigen wieken te willen drijven. Ook als
kunstenaar had hij behoefte aan een gezag. Hij hield niet vau
wat hij ergens „meesterlooze schooien" noemt; maar Ue£st
erkende hij een gezag, dat zich in den vorm van een theore-
tisch stelsel voor het verstand wist te rechtvaardigen. Geen
zijner voorgangers of tijdgenooten onder de Nederlandsche
dichters heeft er zich ijveriger op toegelegd dan hij, om zich eene
volledige kunstleer eigen te maken, waarnaar hij kon werken
en waarop hij zich kon beroepen. In de opdrachten of be-
richten vóór zijne treurspelen spreekt hij telkens daarover,
maar nergens uitvoeriger dan in het „berecht" vóór zijn
„Jeptha", waarin hij zijne geheele kunstleer van het treurspel
uiteenzet, omdat hij juist in dat treurspel een voorbeeld wilde
geven van een tooneelstuk, dat volkomen aan alle eischen
der dramaturgie beantwoordde.
In hoofdzaak sloot Vondel zich bij Aristoteles en diens uit-
leggers aan, en wanneer hij van hem afwijkt — wat in zijne
eerste stukken niet zelden gebeurt, omdat hij toen die kunst-
leer nog niet nauwkeurig genoeg kende en wist toe te paasen -
dan geschiedt dat bij zijne latere stukken alleen, omdat hij
Aristoteles te veel als wetgever, te weinig als empirisch ver-
slaggever der bestaande dramatische litteratuur beschouwde
en hem, ook daardoor, niet altijd even goed begreep, of ook
omdat eerbied voor het bijbelverhaal andere eischen aan hem
stelde. Blijkbaar heeft hij Aristoteles' werkje over de poëzie
ook in het oorspronkelijke bestudeerd, maar groot is boven-
dien ook het aantal van door hem vermelde aesthetische
verhandelingen van anderen over Aristoteles, die hij gelezen
heeft, en daaronder in de eerste plaats de werken van Gerard
VONDEL EN DE ARISTOTELISCHE KUN8TLBER. 411
Vossius over de poëzie en de verhandeling van Daniël Hein-
sius „de tragica constitutione".
VoNDBL Ls het geheel eens met de definitie, die Aiistoteles
aldus van de tragedie geeft: „zij is een afgerond geheel
van bepaalde lengte [tegenover het epos, waarvan de omvang
onbepaald is], waarmee in rhythmisch geordende woorden door
ten tooneele tredende personen eene verheven handeling wordt
voorgesteld, die begint met [bij den toeschouwer] deernis [met
den held] en huivering [bij de gedachte aan eigen gevaar] te
wekken, om te eindigen met de verzoening [katharsis] van
deze en dergelijke aandoeningen tot stand te brengen'' ; maar
of hij het laatste gedeelte dezer, inderdaad voor verschillende
uitleggingen vatbare, definitie wel juist heeft begrepen, valt
te betwijfelen, wanneer hij „einde en ooghmerck*' van het
treurspel noemt: „de beide hartstoghten, medogen en schrick,
in het gemoedt der menschen te maetigen en manieren, d' aen-
schouwers van gebreken te zuiveren (1) en te leeren de rampen
dezer weerelt zachtzinniger en gelijckmoediger te verduren".
Blijkbaar heeft Vondel aan het treurspel veel meer eene
zedelijke strekking willen geven, dan Aristoteles bedoelt.
Dat de held deerniswaardiger in ons oog wordt, wanneer
zijn ongeluk aan zijne naaste verwanten te wijten is, zag
Vondel met Aristoteles terecht in, en daarvan maakte hij
dan ook een gelukkig gebruik in zijn „Joseph in Dothan",
zijn „Jeptha'' en de beide spelen van „Koning David". Dat
de held van het stuk die deernis ook waard moet zijn, heeft
Vondel terecht begrepen, al kost het ons ook eene enkele
maal (b.v. bij den „Salmoneus" en den „Zungchin") moeite
hem die deernis waardig te rekenen. Met de zielkundig volko-
men juiste opmerking van Aristoteles, dat de held van een
treurspel niet onder mag gaan zonder eigen schuld, omdat wij
ons anders met zijn ondergang niet zouden kunnen verzoenen,
is Vondel het volkomen eens. Toch gaat in enkele stukken
de held volkomen schuldeloos te gronde, zooals in den „Pala-
medes", en de „Maria Stuart"; doch dóAr is het Vondel's
bedoeling ook niet, ons verzoend den schouwburg te doen
verlaten: veeleer wilde hij bij zijne toeschouwers ergernis
wekken over het gepleegde onrecht. Dat Joseph ondergaat in
de beide stukken, waarvan hij de held is, is niet meer dan
412 VONDEL EN DB ARISTOTELISCHE KUNSTLEER.
schijn, daar immers de toeschouwers wisten en de reizang het
ten overvloede uitspreekt, dat juist Joseph's ongeluk het mid-
del was om hem tot eer en aanzien te brengen. Alleen van
„Gysbreght" en „Batavische Gebroeders" zal men moeielijk
kunnen betoogen, dat zij met de Aristotelische opvatting over-
een te brengen zijn. .
De beide hulpmiddelen, die Aristoteles aangeeft om den
indruk der handeling te versterken, namelijk „herkennis"
(anagnorisis) en „staetveranderinge" (peripetia), worden ook
door Vondel niet versmaad, maar de „herkennis" is bij hem
zeldzaam: in den „Jeptha" komt zij neer op geestelijke erken-
tenis van schuld. De lotsverandering daarentegen is treffend
in den „Gysbreght", den „ Joseph in Dothan" en den „ Jeptha".
Ook in „Koning David herstelt" gaan de zegekreten over in
eene rouwklacht van David over den dood van zijn zoon, in
den „Adonias" „verandert de beooghde bruiloft in een bloet-
bancket, de bruiloftzael in een schavot en de bruitsledekant
in een graf des rampzaligen bruidegoms"; in den „Adam in
ballingschap" volgt de jammerlijke verdrijving uit het Paradijs
op de verrukking van het bruiloftsfeest, en in den „Noah"
maakt de zondvloed een einde aan het meest brooddronken
genot. Voor Vondel was trouwens de geheele wereldgeschie-
denis een spiegel der vergankelijkheid van alle ijdele wereldsche
vreugde.
Tegen de opmerking van Aristoteles, dat de handeling van
een stuk zich geleidelijk vanzelf moet ontknoopen zonder
tusschenkomst van een zoogenaamden „deus ex machina", en
die van Horatius, dat men daartoe alleen dan zijne toevlucht
mag nemen, als de ontknooping zulk een ontknooper waardig
is, heeft Vondel eigenlijk nooit gezondigd: immers, treden
er aan het eind van sommige zijner stukken goden of boven-
aardsche wezens op, dan heeft bijna altijd de ontknooping
der eigenlijke handeling reeds plaats gehad en dienen zij
slechts om, door de toekomst te voorspellen, den toeschouwer
met Gods wereldbestuur te verzoenen ; want daar Vondei/s
treurspelen altijd episoden voorstellen uit de groote wereld-
geschiedenis, zijn zij eigenlijk nooit ten volle afgesloten. Ieder
stuk zou bij hem de inleiding tot een volgend kunnen genoemd
worden.
VONDKL HOOFDVRRTEGENWOORDIGKR DER CLAS8IKKE RICHTING. 413
Wat nu ten slotte de min of meer beruchte eenheidswetten
van handeling, plaats en tijd aangaat, valt nog op te merken,
dat eenheid van handeling bij Vondel niets te wenschen over-
laat. Eenheid van plaats, die door Aristoteles niet genoemd,
maar door de meeste kunstrechters van dien tijd geëischt werd,
heeft Vondel eerst na 1640 in acht genomen. In het „berecht"
vóór zijn „.Jeptha" en in de opdracht van zijne „Ifigenie"
verklaart hij, er een voorstander van te zijn, zonder daarvoor
echter zijne gronden op te geven. Tot den eisch van tijds-
eenheid heeft Aristoteles inderdaad aanleiding gegeven door
te zeggen, dat „de handeling der tragedie dikwijls binnen één
zonsomloop of iets meer afloopt," waarbij men moet bedenken,
dat de Griek sche treurspelen niet in bedrijven afgedeeld waren.
Ook Vondel nu meent, dat de handeling niet langer dan
vier en twintig uur mag duren, en heeft zich in al zijne
stukken stipt aan dien regel gehouden, dikwijls met nadrukke-
lijke vermelding, dat hij dat deed.
Door zich in theorie bij Aristoteles* kunstleer aan te sluiten
en zich ook in de practijk meestal daaraan te houden, althans
voorzoover misverstand hem er niet van deed afwijken, is
Vondel in onze letterkunde de strengste vertegenwoordiger
geworden van het classieke treurspel en wordt hem daarvoor
dan ook door de geleerden onder zijne tijdgenooten uitbundige
lof toegezwaaid.
Vraagt men, wat die geleerden in Vondbl's treurspelen wel
het meest bewonderden, dan kan men, op grond van De
Groot's brieven, over zijn „Gysbreght, Maeghden, Gebroeders
en Elektra" zeggen : zij bewonderden er wel vooral in : belang-
rijken inhoud, vinding en kunstvaardigheid in de samenstelling
der deelen, levendige uiting der hai*tstochten, aangrijpende
schildering van het aandoenlijke, juiste karakteriseering, locale
kleur, verheven en tegelijk leerrijke gedachten, welsprekende
taal, vloeiende en tegelijk schoon gebouwde verzen, Dat alles,
waarvan ook reeds Hooft in zijne treurspelen het voorbeeld
had gegeven, had in Vondel's tragedie, naar het oordeel van
de meest bevoegden onder zijne tijdgenooten, zulk een trap
van volkomenheid bereikt, als men, alles te zamen, nooit
te voren bij eenig ander Nederlandsch treurspeldichter had
aangetroffen; en wij kunnen er bijvoegen, als later ook
414 vondel's „joseph in dothan".
nooit weer bij de modern -classieke tragedie door iemand zou
worden bereikt.
XLIX
Enkele van Vonders treurspelen.
Het aantal van Vondbl's treurspelen is zóó groot, dat schets
en kenmerking van ieder stuk afzonderlijk hier veel te veel
ruimte zou innemen. Ik moet mij dus bepalen tot het bespre-
ken van drie zijner bijbelsche treurspelen als typen van de
overige. Daarvoor kies ik den Joseph in Dothan (van 1640),
als het zuiverste type van een gedramatiseerd bijbelverhaal en
als het meest geliefde van Vondel's stukken, dat — afgezien
van den jaarlijks vertoonden „Gysbreght" — zich het langst
op het tooneel heeft weten te handhaven en ook nu nog voor
een zooveel moderner publiek de meeste aantrekkelijkheid be-
houden heeft; vervolgens den Jeptha (van 1659), als het stuk,
waarmee Vondel zelf een modeltreurspel heeft willen geven;
en eindelijk den Ladfer (van 1654), als in verhevenheid al
zijne andere treurspelen te boven gaande.
De geheele handeling van den Joseph in Dothan geschiedt
onder het zegenend toezicht van een engelenrei. Bij den aan-
vang van het stuk vinden wij Joseph slapende bij een „be-
moschten put, waerlangs de heirbaen loopt naer Dothan*', en
omgeven door de „hemelreien'*, die „door last des hemelvooghts
hem naerstigh gadeslaen" en den toeschouwer mededeelen,
dat zij voor Joseph „door steenrots, ruighte en doren den
wegh baenen naer 's werelts heerschappy" opdat alzoo het
stamhuis van Abraham eenmaal zal kunnen heerschen over
de geheele aarde en (door Jezus) ook over „doot en afgront".
Deze rei trekt zich terug, wanneer Joseph ontwaakt uit den
slaap of liever uit een droom, waarin hij negen slangen had
gezien, die het op zijn leven toelegden, en de stem zijner
overleden moeder had gehoord, die hem had toegeroepen, te
vluchten, omdat zijn leven gevaar liep; maar daarop was het
geweest, zooals hij zegt, als werd hem toegefluisterd: „schep
moedt, o jongeling, Godt zal uw reize zegenen". Getroost door
deze woorden en met het voornemen om aan zijne broeders
vondkl's „josbph in dothan". 415
zoo vriendelijk en onderdanig mogelijk den groet over te
brengen van hun vader, die hem tot hen had afgezonden,
gaat hij nu naar Dothan opweg. Aan het eind van dit korte
bedrijf spreekt de engelenrei het nog eens uit, wat de zin van het
treurspel is, namelijk „door lijden tot heerlijkheid*'. Joseph is als
de ruwe edelsteen, die „slypens waert is en opheldert door 't
schuuren". Nu nog „onvolwassen en zwack", zullen zijne
schouders door het juk der dienstbaarheid te torsen geoefend
worden om later in staat zijn „een rijck te schragen en een
koning zelf te helpen draegen dat onverdraegelijcke pack*'.
De droomen, hem door God gezonden, hadden dat reeds
voorspeld.
Met het tweede bedrijf zijn wij in Dothan. Alle broeders,
behalve Ruben, zijn bijeen en zien daar van verre op den
top eens heuvels iemand naderen. Weldra herkennen zij hem :
het is „de droomer". Hij is tot hen afgezonden, om hen te
bespieden en te verklikken, meenen zij ; maar nu is de ge-
legenheid gekomen om zich op hem te wreken. Als Judas
daartegen nog iets tracht in te brengen en het waagt te vragen,
„wat dat kint misdaen heeft", barst hunne woede eerst recht
los. Is hij niet vaders troetelkind, die te hunnen koste een
wit voetje bij hun vader zoekt te verkrijgen? en is het niet
zijn arglistig plan, om zich op die wijze tot heer en meester
van al zijne oudere broeders te maken ? Wat er in hem omgaat
bewijzen immers zijne droomen, waarin hij alle andere schooven
voor de zijne zag buigen en „de zon en maen en starren met
gebogen hoofden om zich heen zag staen". Dat plan moet
verijdeld, Joseph moet gedood worden, zegt de sluwe Levi,
de hardvochtige Simeon, en Judas alleen kan tegen de anderen
niet op. Hij wijst er echter op, dat zonder toestemming van
Ruben, den oudsten der broeders, niets kan besloten worden,
en als Ruben nu juist aankomt, licht hij hem al van te voren
in. Ruben is verontwaardigd, en of Judas, die zelf weinig ge-
neigd is zich „om Josephs wil in gevaer te steecken", hem
ook waarschuwt, dat het levensgevaarlijk zal zijn zich tegen
de woeste wraakzucht der anderen te verzetten, Ruben heeft
moed genoeg, om tegen hen op te treden. Met moeite brengt
hij hen er toe, naar hem te luisteren, als hij een welsprekend
pleidooi houdt voor zijn onschuldigen broeder, die „bloem van
416 vondel's „joseph in dothan .
zestien jaer of naulix zeventien, een kint zonder gal, gelijck
de simple duiven", en als hij onder het dichterlijk beeld van
„een schrickelijck gedrogh** hun den spiegel voorhoudt, waarin
zij hun eigen „haet en nijt'* aanschouwen. Dat baat hem
echter even weinig, als wanneer hij op hun gevoel tracht te
werken ; en als hij heeft moeten inzien, dat zijn woord Joseph
niet meer redden kan, daar zij hem zelf aangrijpen en met
den dood bedreigen, bedenkt hij eone list. Er is een droge
put: daarin moet men Joseph van honger en dorst doen om-
komen, zegt hij : zoo kunnen zij van Joseph verlost worden
zonder juist broeder bloed te vergieten. Die raad vindt ingang
en de engelenrei besluit het bedrijf met een zang, waarin de
onschuldige knaap, die op het punt is zijn broeders argeloos
te gemoet te treden, vergeleken wordt bij het ree, dat zijn
dorst komt lesschen aan de bron, waarbij de wreede jagers in
hinderlaag liggen. In zijne vlekkelooze reinheid is hij als de
morgenstar, waarvan de glans zelfs bij de zon, „het oogh der
waerheit", niet verbleekt.
Intusschen is Joseph aangekomen en met zijn hartelijken,
vroolijken groet vangt het derde bedrijf aan. Een engel, zoo
vertelt hij, heeft hem den weg naar Dothan gewezen; maar
„stom als beelden^' hooren zijne broeders hem aan, en eerst als hij,
verbaasd en bedroefd, niets meer weet te zeggen, barst de haat
zijner broeders uit in bitteren spot met de door hen gevreesde
eerzucht van den knaap, die zelf aan heerschappij voeren
nooit dacht en er slechts zijns ondanks van droomde. ZeUs
dat hij knielend vergeving vraagt voor hetgeen hij misschien
onwetend tegen hen mocht hebben misdaan, kan hen niet
vermurwen. Onmeedoogend wordt hij naar den put gedreven.
Nu verandert het tooneel. Wij zijn bij den put, waarvan
Ruben onderzoekt, of hij wel waarlijk goed droog is, en als
hij zich daarvan heeft overtuigd en te kennen heeft gegeven,
dat hij van plan is, Joseph daaruit heimelijk te verlossen,
komen de broeders met den knaap aan. Hij verschuilt zich
en ziet nu, hoe Joseph onder schimp en spot van zijn veel-
kleurigen rok, het geschenk zijns vaders, beroofd en met een
touw in den put neergelaten wordt. Is Joseph eenzaam in
. den put achtergebleven, dan slaakt hij droeve klachten in
een welluidenden lierzang, maar het eenig antwoord, dat hij
vondel's „josbph in dothan^'. 4I7
krijgt, is de weergalm van zijne eigen stem. Na verlaat Ruben
zijne schuilplaats en troost hem met de belofte, dat hij, zoodra
de broeders ver genoeg weg zijn en hij een touw zal gehaald
hebben, hem zal komen verlossen. Intusschen hebben de
engelen zich geschaard om den put als om een duister graf,
waarin Joseph als een heerlijke zon is schuil gegaan om straks
met nieuwen glans te verrijzen en na „veel jaeren van bal-
lingschap en bedruckten ondergang met zyn van Godt verlicht
vernuft den gouden troon te beschijnen^', die hem de macht
zal verschaffen om „Jacobs kinderen en knaepen in een gast-
vrij lant te voeren'', waar zij in onbezorgde rust van het
idyllisch herdersleven zullen kunnen genieten.
Bij den aanvang van het vierde bedrijf zijn de broeders
(behalve Ruben) weer bijeengezeten en schijnbaar tevreden
over hetgeen zij verricht hebben. Alleen Judas kan zijne ge-
wetenswroeging niet verbergen : hem klinkt nog telkens Josephs
weeklacht in de ooren, en daarom doet het hem genoegen,
dat hij van verre eene Arabische karavaan ziet naderen,
want nu zal hij Josephs leven kunnen redden door hem aan
den vrachtmeester van die karavaan te verkoopen. De andere
broeders vinden dat wel goed en dragen hem de onderhandeling
op. Weer hebben wij nu in het midden van het bedrijf tooneel-
verandering en hooren wij Joseph in den put zijne klachten
herhalen; maar Judas doet hem naar boven komen en „veilt
hem voor slaef' aan den vrachtmeester in een zóó levendig
tooneeltje, dat de handelende personen van Nieuwmarkt of
Jodenbreestraat schijnen weggeloopen te zijn om op het tooneel
hunne negotie voort te zetten. Veel gedongen wordt er van
Judas' kant niet, „voor tien paer zilverlingen is 't koop". In
een aandoenlijk lied beveelt Joseph zich nu aan bij zijn
nieuwen meester, den aan hem verwanten, ook uit Abraham
gesproten, Ismaëller. „Och, Ismaëller, druck my zacht, gehjck
een telgh van uw geslacht", voegt hij hem toe, en met een
„och vader, Benjamin, och Ruben" volgt hij zijn heer, van
wien Judas met een „geluck met dezen knaep, geluck op uwen
toghtl" naar Semietische wijze afscheid neemt. Hoog verheft
zich Arabië op zijn phenix, zoo zingt de engelenrei nu, en
schildert daarbij dien vogel af met de schitterende kleuren,
die Vondel dankte aan het slot van Lactantius' gedicht „de
n 27
418 vondel's „joskph in dothan".
ave Phoenice", dat hij vertalend overtrof. Maar, zegt de rei,
„den rechten Phenix kent ghy niet, o blinde Arabers", want
„den rechten Phenix, die gewis veel schoener dan uw vogel
is, hebt ghy voor een geringen prijs eerst nu in uw maght
gekregen", en „dien onbekenden schat voert ghy naer Memphis
en naer Zonnestat", waar weldra „de Nyl voor zyné Godtheit,
voor zyn hooft, 't welck aller wyzen glans verdooft, de kroon
met zeven tacken buygen zal". 2k)o zijn dan de afgunstige
broeders, om het gevaar te ontgaan, dat Gods droomen hun
van Joseph spelden, juist de bewerkers geweest van Josephs
toekomstige grootheid door hem daarheen te voeren, waar
zijne schitterende gaven waardeering konden vinden en waar
hij, ten troon geklommen, hun vorst en hun voldoener tevens
zou kunnen worden.
Nog één bedrijf volgt er nu, om ook van den kant der
broeders de handeling. af te sluiten, want de geheele verkoop
is buiten Ruben omgegaan. Deze komt nu bij den put met
het plan zijn broeder te verlossen, en als hij geen antwoord
krijgt op zijne aanmaning om langs het uitgeworpen touw
op te klimmen, daalt hij zelf in den put af om den knaap
te zoeken. Wanneer hij hem niet vindt, barst hij in weeklachten
en zelfverwijt uit. Hij kan niet anders denken, of de gruwelijke
broedermoord heeft toch plaats gehad, en weer naar boven
geklommen, ijlt hij nu naar zijne broeders om zekerheid te
erlangen. „Och, broeders, spreeckt toch: leeft het kint of is
het heen? Ten minste toont my *t lyck, opdat ik 't noch be-
ween", zoo spreekt hij hen aan, wanneer hij hen allen (met
uitzondering van Levi) bij eengevonden heeft, en als hij van
hen vernomen heeft, wat er gebeurd is, stort hij in bittere
en droeve woorden zijne diepe smart daarover uit. Te ver-
geefs tracht Judas hem te troosten met de wisselvalligheid
der fortuin, die reeds „menigh slaef in heer lij ck bewint gezet
heeft"; en als Levi nu aankomt met Josephs rok, dan houdt
Ruben tot die „pluim, waerin het duifken stack, t welck
wreede havicken vervoerden", de beroemd geworden lyrische
toespraak, waarin hij met stijgend zelfverwijt zich zelf het
wilde dier noemt, dat Joseph verslond. Dat de broeders hunne
schuld zuUen kunnen verbergen voor hun vader door hem
te vertellen, dat Joseph door een wild dier is verscheurd, is
VONDRL'8 „J08EPH IN EGYPTKN*'. 419
een listig bedenksel van Levi, die nu zelf den rok met bokken-
bloed bestrijkt en besprenkelt, hem scheurt en sleurt en er
de tanden in zet om meer schijn van waarheid aan het
leugenachtig verhaal te geven. Nadat de broeders onderling
het bloedgeld verdeeld hebben en ook Ruben gedwongen
hebben, zijn aandeel en daarmee een deel van de schuld, die
op hen rust, te aanvaarden, gaan zij naar Jacob op weg;
maar Ruben blijft nog een oogenblik alleen achter en besluit
het stuk met eene uitvoerige, aanschouwelijke en aandoenlijke
schildering van den indruk, dien de tijding van Josephs
dood op den ouden vader moet maken. „Och d' ouders teelen
't kint en maecken 't groot met smart: Het kleene treet op
't kleet: de groote treen op 't hart": met deze woorden ein-
digt het eerste deel van Josephs geschiedenis.
Onmiddellijk na de voltooiing van dit treurspel bewerkte
Vondel in een tweede treurspel, den Joseph in Egypten, het
vervolg der geschiedenis, namelijk de mislukte poging van
Potiphars vrouw, door hem Jempsar genoemd, om den kuischen
Joseph te verleiden, en zijne veroordeeling tot eeuwige ker-
kerstraf door de valsche beschuldiging der teleurgestelde
vrouw. Handeling is er in dit stuk bijna niet. Het eerste
bedrijf teekent ons Joseph als meest vertrouwden en gewaar-
deerden dienaar van Potiphar en tegelijk als beschermeling
zijner schutsengelen, die ook hier den rei vormen. In het
tweede en derde bedrijf hooren wij Jempsars razende minne-
klachten, door hare voedster aan Joseph overgebracht, en in
het vierde bedrijf bereikt de strijd, dien Joseph door zijne
getrouwheid aan zijn meester en zijn eerbied voor de heilige
huwelijkswetten te strijden heeft, zijn hoogtepunt, als Jempsar
hem in persoon eene ontuchtige omhelzing wil afdwingen en
hij genoodzaakt is, haar te ontvluchten met achterlating van
zijn overkleed, dat in het vijfde bedrijf als bewijs voor zijne
schuld wordt gebruikt, zoodat hij naar den kerker gevoerd
wordt om daar (als Christus) te „lijden met gedult, terwyl hy
boet een anders schuit".
Daar het stuk grootendeels bestaat uit pleidooien van Joseph,
worden wij als uitgelokt, het te vergelijken met het groote
pleit van Joseph en Sephyra, door Cats in zijn „Selfstryt'*
geleverd; doch dan blijkt het ons ook, hoever Vondel als
420 DE JOSBPHTRILOQIBËN VAN VONDEL EN TONNIS.
dichter boven Oats staat, niet alleen door het zooveel meer
poëtische van zijne taal, maar bovendien ook door zijn ver-
mogen om zooveel gloeienden hartstocht in Jempsars woorden
te leggen, dat iemand met minder deugd en standvastigheid,
dan Joseph bezat, daartegen allicht niet bestand zou geweest
zijn en geëindigd zou zijn met Jempsars merkwaardige stelling
tot de zijne te maken: „de reden leert het my, 'dat ick u
minnen moet, al schijnt het razemy".
Met dit stuk had Vondel de geheele geschiedenis van
Joseph ten tooneele gebracht, want reeds vijf jaar te voren
had hij De Geoot's Sofompaneas of „Joseph in 't Hof' ver-
taald, waarin vertoond werd, hoe Joseph als onderkoning van
Egypte zijne broeders op de proef stelt en, na zich aan hen
ontdekt te hebben, hun kwaad met goed vergeldt. Zoo vormen
dan deze stukken samen eene trilogie, zooals wij er ook van
de Grieken kennen ; en evenals bij deze de geheele trilogie
op één dag werd vertoond, begon men in 1653 ook Vondel's
drie treurspelen op één avond achter elkaar ten tooneele te
brengen, nadat men er vroeger soms reeds twee op één avond
had gespeeld.
Vóór Vondel was Josephs geschiedenis al meermalen door
de tooneeldichters tot onderwerp van hunne stukken gekozen,
met name in het Latijnsche schooldrama, waarbij dan echter
het geheele verhaal in één stuk was samengedrongen, zoodat
er van kunstige samenstelling geene sprake kon wezen. Dat
Vondel aan deze * schooldrama's iets ontleend heeft of zelfe
heeft kunnen ontleenen, is mij niet gebleken ; maar wel waag
ik het, te vermoeden, dat Vondel voor zijne stukken iets te
danken zal gehad hebben aan „Josephs Droef- en Bly-eind
Spel, niet min stichtelick als Droef en Vermaeckelick om
lesen, in drie bysondere spelen vervaetet'* door Jan Tonnis
(of Johannes Antonisz.), burger van Emden, die zijn eerste
stuk reeds in 't begin van 1636 voltooid had en alle drie, te
Groningen gedrukt, in 1639 opdroeg aan „Borgemeesteren,
Syndicus, Raetsheeren en Secretarissen der wytberoemder
Stadt Embden".
Beide trilogieën onderscheiden zich in 't oog vallend hier-
door, dat Vondel, die tegen de wet van tijdseenheid niet
wilde zondigen, alleen drie hoofdmomenten uit Josephs ge-
VONDEL'S en TONNIS' TRILOGIEËN VERGELEKEN. 421
schiedenis op het tooneel heeft gebracht en al het andere met
groote kunstvaardigheid en schijnbaar ongezocht in verhalen
heeft weten te pas te brengen, terwijl bij Tonnis alles wordt
vertoond, waardoor bovendien ook telkens, veel meer dan bij
Vondel, de plaats der handeling verandert. Een gevolg daar-
van was ook, dat Tonnis bij dezelfde episoden, die Vondel
tot in bijzonderheden heeft kunnen uitwerken, niet zoo uit-
voerig heeft kunnen zijn, al zijn zijne spelen dan ook veel
langer, dan die van Vondel. Tonnis' eerste spel bevat even-
veel versregels, als Vondel's beide treurspelen samen, maar
Tonnis behandelt daarin veel meer, want het eerste bedrijf,
dat bij hem eerst in het dal van Hebron speelt, bij Jacob,
die zijn zoon Joseph naar Dothan zendt, en ons verder Joseph
onderweg en bij zijne broeders vertoont, bevat reeds de ge-
heele stof van Vondel's „Joseph in Dothan". Het tweede
bedrijf doet ons zien, hoe Josephs bebloede rok aan den diep-
bedroefden vader wordt gebracht en hoe de broeders zich
voornemen door hun gedrag tegenover hem weer goed te
te maken, wat zij misdaan hebben. Met het derde bedrijf zien
wij Joseph naar Egypte gevoerd, aan Potiphar verkocht en
bij dezen als hofmeester in de gunst. Het vierde bedrijf ver-
toont den inhoud van Vondel's „Joseph in Egypten", waarbij
wij Tonnis ter eere moeten nageven, dat hij bij zijne voor-
stelling van Syphora's pogingen om Joseph te verleiden het
in levendigheid van handeling op Vondel wint. In het vijfde
bedrijf eindelijk vinden wij Joseph in den kerker, de droomen
van schenker en bakker uitleggend.
Tonnis' tweede spel vertoont ons Pharao, te vergeefs ver-
klaring zijner droomen zoekend en die ten slotte bij Joseph
vindend, die daarna onder den naam Psontonphanechus onder-
koning van Egypte wordt en met Assenat de dochter van den
priester Putiphar, in het huwelijk treedt. Het derde spel
eindelijk geeft ons niet, zooals de „Sofompaneas", eene episode
uit Josephs handeling met zijne, naar Egyptes korenschuren
heengetrokken, broeders te zien, maar vertoont die geschiedenis
volledig. Ook in dit stuk is de handeling veel levendiger
dan bij De Groot- Vondel, wat bovendien in alle stukken van
Tonnis het geval is door het groot aantal personen, dat er in
optreedt, terwijl vondel, in aansluiting aan het zeer geringe
422 VOKDEL'8 en TONNIS' TRILOGIEËN VERGELEKEN.
aantal sprekende personen in de Grieksche treurspelen, van
Josephs broeders er slechts vier sprekende invoert en de zes
of zeven andere alleen „zwygende'' of als figuranten doet
optreden.
Ieder bedrijf (of „handeling") wordt besloten met een „choor",
doch dat is ook nagenoeg het eenige wat Tonnis van den
classieken treurspelvorm heeft overgenomen: want evenmin
als de dichter de eenheids wetten van tijd en plaats heeft in
acht genomen, heeft hij vermenging van ernst en scherts ver-
meden. In zijne beide eerste spelen toch treedt als comische
figjdur Potiphars dienaar Mus op, wiens gemeenzame taal
merkbaar afsteekt bij de taal, die Tonnis zijne personen
overigens doet spreken, ofschoon ook die, in vergelijking van
Vondel's taal,' op den naam van poëtisch allerminst aanspraak
kan maken.
Toch wordt men bij de lezing van Tonnis' spelen telkens
verrast door uitdrukkingen en gedachten, die ook bij Vondel
worden aangetroffen, en al kon gelijkheid van stof en bron
daartoe natuurlijk dikwijls aanleiding geven, meermalen toch
wekken zij het vermoeden, dat Vondel het werk van zijn
voorganger heeft gekend en onwillekeurig heeft gevolgd.
Moeielijk valt het in elk geval louter aan toeval toe te schrijven,
dat in beide stukken Joseph zijne klachten van uit den put
naar boven zendt en dat Rubens woorden, als hij te vergeefs
getracht heeft. Joseph idt den put te verlossen en aan zijne
broeders hunne misdaad verwijt, in beide stukken zoozeer
overeenstemmen. Opmerkelijk is het zeker ook, dat de beide
door ons aangehaalde slotverzen van den „Joseph in Dothan"
in anderen vorm weer te vinden zijn in het tweede bedrijf
van Tonnis' eerste spel, waar Jacob als „spreeck-woort der
voor-ouders" aanhaalt:
„Wanneer een Kindt met d' oaders speelt
En kinderlycke Deankes qaeelt,
Soo treet het Vaeder op die schoot:
Maer als het meerder ende groot
Tot Mannelycken ouder wert,
Soo treet het Vader op het hert'\
Verder stemmen Vondel en Tonnis — zeker niet toevallig —
hierin overeen, dat zij Potiphars vrouw om Joseph te verleiden
vondel's „jbptha'\ 423
juist gebruik doen maken van een godsdienstig feest, waarvoor
haar man met het geheele hofgezin afwezig is, terwijl zij zelve
om te huis te kunnen blijven zich ziek heeft geveinsd. Niet
minder treft het ons, dat Vondel, die als gewoonlijk in
het geheele stuk zijne personen in alexandrijnen doet spre-
ken, in den aanvang van den „Joseph in Egypten" zoowel
aan de voedster als aan Jempsar in den dialoog bij afwis-
seling iambische versregels van vier voeten in den mond
legt en dat ook Tonnis Syphora en Milca, „haer Maeght",
soms in korte versregels doet spreken ter afwisseling van de
(slecht gebouwde en herhaaldelijk tegen den regelmatigen
klemtoon zondigende) alexandrijnen, waarin overigens alle
samenspraken zijner drie spelen geschreven zijn. Natuurlijk
behoeft dat alles niet te kort te doen aan de verdiensten van
VoNDBL, die uitstekend de kunst verstond, ruwe steenen tot
brillanten om te slijpen.
Ook bij het schrijven van zijn Jeptha, dien wij nu gaan
bespreken, ontbrak het Vondel niet aan voorgangers, van welke
hij er twee zeker gekend heeft, namelijk Abraham de Koning,
voor wiens „Jephthahs ende zijn eenighe Dochters Treurspel"
hij in 1615 zelfs een lofdichtje had gemaakt, en George
Buchanan, wiens Latijnsch treurspel „Jephthes sive Votum"
(van 1554) hij ook noemt, doch met de bijvoeging, dat deze
dichter (en van De Koning had hij hetzelfde kunnen zeggen)
„zich te grof vergreepen heeft tegens" de wet van tijdseenheid
en „tegens d' openbaere waerheit der bybelsche historie".
Dat Vondel ook zelf in zijne voorstelling van Jeptha's
geschiedenis niet zuiver bijbelsch is, zullen wij straks zien;
doch de eenheid van tijd heeft hij nauwkeurig kunnen hand-
haven zonder daarmee aan zijne stof geweld aan te doen,
ofschoon hij bij niet-handhaving zeker meer indruk had
kunnen maken.
Nu behoort bij het begin van het stuk het afleggen der
onzalige „offerbelofte" reeds lang tot het verleden en zijn er
ook reeds twee maanden verstreken sinds IQs, Jeptha's dochter,
wier naam Vondel aan Buchanan ontleende, haar over de
Ammonieten zegevierenden vader te gemoet trad en vernemen
moest, dat die begroeting haar het leven zou kosten. Twee
maanden waren haar toegestaan om zich in het gebergte in
424 vondel's „jeptha".
den kring harer vriendinnen (de Maeghden, die den rei
vormen) tot sterven voor te bereiden.
Bij den aanvang van het stuk zijn die twee maanden om en
wordt zij door hare moeder Filopaie, aan wie noch Jeptha noch
iemand anders iets heeft durven zeggen van het beraamde offer,
vol uitgelaten vreugde terug verwacht. „Indien oit vrou van
blyschap sterven kon", zegt zij tot den Hofmeester, zou
zij nu moeten sterven, nu zij hare geliefde dochter op den-
zelfden dag terug zal zien, waarop ook haar man, na eene
tweede schitterende overwinning (op de Ephraïmmers) behaald
te hebben, als zegevierend veldheer zal terugkeeren. De Hof-
meester tracht haar op de droeve „staetsveranderingh" (peripetia)
voor te bereiden door haar aan de wisselvalligheden van het lot
te herinneren en tot gelijkmoedigheid aan te sporen. VergeUjkt
Filopaie hare dochter bij eene schoon e bloem, bestemd om den
bruidegom, die haar zal plukken, overgelukkig te maken, de Hof-
meester wijst op de teerheid der bloemen, 's morgens zoo frisch en
fleurig, 's avonds verwelkt. Maar de Slotvooght komt als Jeptha's
bode uit het leger om een uitvoerig verhaal te doen van de
op Ephraïm behaalde overwinning en daarmee tevens Jeptha
in zijne grootheid als krijgsheld te schilderen. Hoe zwak
echter toont zich diezelfde krijgsheld, wanneer wij den bode
uit zijn naam Filopaie hooren gelasten naar het leger te komen,
daar wij weten, dat hij, die zelf het leger reeds verlaten heeft,
op deze wijze den strijd verijdelt, dien hij ongetwijfeld over
het offer met haar zou hebben moeten voeren, indien zij ge-
bleven was. Jeptha bedriegt hier zijne vrouw, evenals Aga-
memnon Klytaemnestra bedroog in Euripides' „Iphigenia";
maar in dat stuk, dat Vondel bij het schrijven van het zijne
levendig voor den geest stond en dat in menig opzicht ook
door hem is nagevolgd, mislukt Agamemnons list en heeft de
aangrijpende strijd toch plaats; en wij kunnen moeieUjk nalaten
het te betreuren, dat Vondel niet aan een dergeUjken strijd
zijne krachten beproefd heeft. Na eenige aarzeling toch laat
hij Filopaie, die zoo gaarne hare dochter had afgewacht, ver-
trekken, en onmiddellijk daarop komt Ifis met hare Maeghden
uit het gebergte terug. De rei herhaalt dan den zegezang,
eens ter onzaliger ure door Ifis zelve over de nederlaag der
Ammonieten aangeheven, en Ifis, de schoone „roos van Jericho",
VONDELS „jeptha". 425
voegt daaraan toe, dat haar „hart van weelde opluickt, nu zy
dezen dagh het offer naer vaders eisch voltrecken magh, den
vaderlande en 't volck ten zegen, ten prgs van Godt".
Bij het begin van het tweede bedrijf vertelt Ifis, dat zij in
de eenzaamheid van het gebergte met het leven heeft afge-
rekend en zich geheel met haar lot heeft verzoend. Zoo heeft
Vondel het dan versmaad, ons van den hartroerenden en
dramatischen strijd getuigen te doen zijn, waardoor Iphigenia
zulk een diepen indruk op de toeschouwers maakt. Ifis is
reeds bij den aanvang van het stuk de heroïsche figuur, het
beeld der offervaardige gehoorzaamheid, waartoe Iphigenia
eerst op het eind van het stuk, bij het toenemen harer
zedelijke krachten, allengs is opgegroeid. Vandaar bij Vondel
eene betrekkelijke kalmte tegenover de heftige gemoedsbe-
wegingen in het Grieksche treurspel. Toch wenscht Ifis vóór
haar sterven hare moeder nog eens te zien en dreigt zij zelfs
naar het gebergte terug te zullen keeren, indien haar dat
geweigerd wordt ; doch nu treedt de overwinnaar der Ephraïm-
mers zelf op, zegevierend veldheer in schijn, rampzalig vader
inderdaad, die ten volle beseft, hoe duur hem zijne overwin-
ningen te staan komen. In „het eickenbosch" verscholen,
heeft hij zijne vrouw zien voorbijrijden naar het leger, zooals
hij zegt; maar ook al is die list gelukt, toch kost het hem
groote moeite al zijn moed te verzamelen om het zware offer
te brengen. „Een vorst, die meest tot heil van 't algemeen
leeft", heeft voor zich persoonlijk maar één belang, namelijk
voort te leven in zijn nageslacht: en nu zal hij zijn eenig
kind zelf moeten dooden! Vreugde scheppen in de behaalde
overwinningen kan hij niet meer, en wanneer zijne dochter
hem blijmoedig en hartelijk te gemoet komt, kan hij alleen
in zelfverwijt uitbarsten, dat hij door „reuckeloos beloven" zoo
zware schuld op zich geladen heeft. Dat hij zijne belofte, die
hem „zoo dier aen Godt verbint", zou mogen breken, daaraan
denkt hij geen oogenblik, evenmin als Ifis, die gaarne alle
schuld op zich neemt en het eene eer noemt, voor haar
vaderland te mogen sterven. Met eene bede van den rei tot
„Aertevader Jozef' om, uit den dood verrezen, zijne lieve
nakomelinge te redden en daarmee het vorstelijk geslacht van zijn
zoon Manasse voor den ondergang te bewaren, eindigt dit bedrijf.
VONDKL B „JBPTHA .
t derde hedrijf do.t ong getuigen zijn van den droevigen
ijd over de vraag, oi Jeptha vrijheid zou kunnen vinden,
zijne belofte te breken- ,^n,it heb myzelf ten vyant!" mocht
hy wei uitroepen: ,geen vadei '«eft rampzaliger dan ick". De
Hofmeester meent dat het nog tvijelachtig is, of Jeptha wel
verphcht is het oflFer te brengen, fcj heeft immers by zijne
belofte zulk een offer niet bedoeld en ztu in elk geval, vóór
het te brengen, met priestera en wetgeleerden moeten raad-
plegen : zij zullen kunnen uitmaken, of hier de letter of de
zin der belofte gelden moet. Jeptba gevoelt wtl, dat hij de
gunst des volks verliezen zal, als hij dat wreede oB'^r brengt,
maar brengt bij het niet, dan verbeurt hij Gods ze^n en
dat verbiedt hem zijn geweten. Toch wil bij den raad van
Hofpriester en Wetgeleerde wel hooren, die nu optreden om
hem te betoogen, dat hij zijne belofte zelfs niet mag houdtn,
want God beeft immers aan de ouders de taak opgelegd,
hunne kinderen te beschermen, en voor zich zelf eiscbt H^
„gehoorzaembeit en geensins menschevleiscb". Jeptha meent
echter dat zijne gehoorzaamheid hier alleen kan blijken uit
zijne bereidwilligheid om het offer te brengen. Tegenover
God „steeckt hy in schuit: belofte is een verbant; syn heilige ;
eedt is hem een wet geworden", die hem sterker bindt dan
Mozes' wet: gij zult niet dooden. Dat „Godta priester bem
ontslaet" van zijne verplichting, brengt zijn geweten niet tot
rust, en daar hij zich niet gerechtigd acht, het offer nog uit
te stellen, om ook nog den raad van den hoogepriester, den
middelaar tusschen God en den mensch, in te winnen, besluit
Jeptba met deze redeneering: door Gods geest gedreven, heb
ik de belofte gedaan: God wil dus ook, dat ik die houd.
Slechts met moeite weet de Hofmeester den Wetgeleerd© en
den Hofpriester over te halen, bij het plechtig offer tegen-
woordig te zijn: immers Jeptha ia altijd hun beschermer en
weldoener geweest en in dat moeielijk oogenblik behooren zij
bem ter zqde te staan en ook zijne dochter door hunne tegen-
woordigheid te steunen, ofschoon Ifis moedig en gehoorzaam
genoeg is om getroost haar leven te offeren, zelfs nadat haar
vader geweigerd beeft te voldoen aan haar verzoek om vóór
haar dood hare moeder nog eens te mogen zien. Intusschen
is door den Hofpriester een bode naar Filopaie gezonden, en
vondel's „jeptha". 427
nu stort de rei den innigen wensch uit, dat het haar te beurt
moge vallen, hare dochter door Gods beschikking gered te
zien, zooals eenmaal Jochebed haar zoontje gespaard zag.
Dat die wensch ijdel was, leert het vierde bedrijf. Alles is
voor de droeve plechtigheid in gereedheid gebracht. Jeptha
kan niet van inzicht veranderen, maar gevoelt zich diep onge-
lukkig en hoopt, dat er een engel zal afdalen, door God uit
den hoogsten hemel neergezonden, om hem te gebieden het
„slaghzwaert onbloedigh in de scheede te steecken". Alleen
Ifis is getroost. Als de vrome bruid des Heeren, die, wanneer
zij haar offer brengt, tegelijk alle wereldsche banden afsnijdt,
zoo zegt ook Ifis, gereed zich „tot heil van *t vaderlant" blij-
moedig op te offeren, tot haar vader: „Nu kerm, nu klaegh
niet meer. Gy waert dus lang myn vader, myn behoeder; nu
ken ick Godt: geen vader, geene moeder heeft langer deel
aen Ifis, als voorheen: die naem heeft uit. De Godtheit is
alleen myn vader en myn moeder beide t' zamen" ; en zoo
gaat zij voort met eene aandoenlijke en tegelijk verheffende
afscheidsrede, die in menig opzicht herinnert aan den af-
scheidsgroet, door Euripides' Iphigenia aan het leven gebracht,
en die daarvoor in poëtische waarde zeker niet onderdoet.
„Verheught stapt zy nu ten outer op den galm van den
Maeghdenrei", die in een heerlijk lied de deugd der kinderlijke
gehoorzaamheid en de macht der zelfverloochening bezingt.
Als het vijfde bedrijf begint, is het offer gebracht -, maar nu
heeft Jeptha ook zijne laatste krachten uitgeput. Als een
gebroken man staat hij daar voor den Hofpriester. Hij heeft
een afschuw van zichzelf, dien „schelmschen dochterslaghter,
aertsmoordenaer, bloetschender, wetverachter, die naer den
mont der wetgeleerden noch Godts priesters niet wou luisteren.
Ochl ochl Nu gaen te spa, te spa zijne oogen open". Hij
komt tot volledige schulderkentenis (agnitio). In zelfgenoeg-
zamen trots heeft hij gemeend aan God, die vrijmachtig over
alles kan beschikken, te moeten geven, wat hij Hem licht-
vaardig beloofde, ook al handelt hij daarmee in strijd met
Gods wet, en daarbij heeft hij aan de inspraak van zijn eigen
geweten grooter gezag toegekend dan aan de uitspraak der
door God ingestelde priesterschap, waar het gold Gods wil te
leeren kennen. De ware gehoorzaamheid aan hoogere macht,
428 VONDBL s „jbptha".
het verzaken van „eigen zin" voor hoogeT bevel heeft zijne
dochter hem door haar verheven voorbeeld geleerd, en nu is
hij bereid tot iedere boetedoening, die de Hofpriester hem zal
willen opleggen. Voor hem, „die zich wil laeten leeren" en
schuld bekent, zegt de Hofpriester, is er altijd „hoop op Godts
gena". Nu moet Jeptha zich naar den AertsoflFeraer te Silo
begeven, die hem de middelen zal aanwijzen om Gods ver-
giffenis te verwerven. Zelfs is het gewenscht, dat hij onver-
wijld vertrekt, om niet door zijne tegenwoordigheid te ver-
oorzaken, dat de droefheid zijner vrouw, die in aantocht is,
met nog grooter heftigheid uitbarst, wanneer zij den moor-
denaar van haar kind ziet.
Na zijn vertrek treedt dan ook Filopaie op, en geweldig is
de uitbarsting harer smart, als zij verneemt wat er gebeurd
is. Eerst als de gordijn op den achtergrond is opengeschoven,
waar de rei der Maeghden de rouwplechtigheden voor Ifis
vervult, en als haar de „dootbus" met de asch harer dochter
in handen gegeven is, die zij kussen en omhelzen kan, gaat
de bitterheid der droefheid bij haar in zachtzinniger smart-
gevoel over en krijgt zij zelfbeheersching genoeg om ook
zelve in eene lyrische rouwklacht hare dochter te beweenen.
Maar ook hare verbittering op haar echtgenoot moet plaats
maken voor zachter gevoelens, en dat bewerkt ten slotte
de Hofpriester door er vooipeerst op te wijzen, dat „de hemel
dien slagh des doots, indien het hem beliefde, had kunnen
beletten", maar het niet gedaan heeft, omdat hij wilde, „dat
ieder zich aen Jeptha spieglen zou en wachten van dit reuckeloos
beloven", en door daaraan vervolgens nog eene voorspelling
toe te voegen, waarmee Vondel zoo gaarne zijne treurspelen
besloot, omdat hij meende in dien vorm het best de tragische
verzoening (katharsis) van den toeschouwer met Gods wereld-
bestuur tot stand te kunnen brengen. Hier is de voorspelling,
dat Jeptha, na zich te Silo met God en den Aertspriester
verzoend te hebben, later waardig gekeurd zal worden om
„voor ieder op den hoogen zegewagen der Heiligen in 't
midden der Hebreen ten toon gevoert, geviert en aengebeen"
te worden. Immers zijn hoogmoedig vertrouwen op de voor-
treflfelijkheid van eigen inzicht was, nadat hij het lichtvaardige
zijner belofte had ingezien, zijne eenige fout gebleven:
DE „JBPTHA AM MODELTREUR8PKL. 429
toen hij, eenmaal tot inkeer gekomen, zich verootmoedigd
had en hem daarom vergiffenis kon worden geschonken, waren
ook de nevelen weggevaagd, die zijne groote deugden, vooral
zijn onbaatzuchtigen ijver voor God en vaderland, belet hadden
te stralen in haar vollen luister.
Qet komt mij voor, dat dit treurspel behoort tot de meest
persoonlijke, die Vondel geschreven heeft, in dien zin, dat
hij daarin eene episode uit de geschiedenis van zijn eigen
zieleleven bij zijne bekeering heeft behandeld, waarom hij
er dan ook zooveel prijs op gesteld heeft, het te maken tot
„een toneelkompas" voor aankomende dichters om „de
gewenschte haven van de volkomenheit der tooneelkunste in
te zeilen". Blijkbaar heeft hij er de uiterste zorg aan besteed,
en zelfs de alexandrijnen, waarvan hij zich anders bijna altijd
in zijne treurspelen bedient, hier vervangen door „vaerzen van
tien en elf lettergreepen, naerdien" zooals hij zegt, „de edele
heer Ronsard, de vorst der Fransche dichteren, deze dicht-
maet hooghdravender oordeelt en beter van zenuwen voor-
zien en gesteven dan d' Alexandrijnsche van twalef en dertien
lettergreepen, die, zoo veel langer, naer zijn oordeel, flaeuwer
vallen en meer op ongebonde rede trecken". Ook de karakter-
schildering der handelende personen is zorgvuldig door den
dichter overwogen, en dat het stuk in geen enkel opzicht
strijdt met de Aristotelische aesthetica, wordt algemeen erkend.
Natuurlijk is streng in acht nemen van de regels eener
kunstleer alleen nog niet voldoende om een meesterstuk te
scheppen, zelfs niet in het oog der aanhangers van diezelfde
kunstleer. De keus van de stof o a. is niet onverschilUig,
vooral niet wanneer het eene bekende stof is, die wijziging
eischte om den dichter zelf te kunnen bevredigen, want dan
vloeien nit de tweeslachtigheid der stof voor den bewerker
groote moeielijkheden voort; en dat was hier het geval.
Vondel is hier, zonder het te vermoeden, afgeweken van het
op zichzelf eenvoudige en begrijpelijke bijbelverhaal om het —
onder theologischen invloed — in zijne voorstelling te ver-
vormen tot een casuistisch probleem, waarvan het treurspel
eene oplossing tracht te geven, die natuurlijk den Protestant
veel minder zal bevredigen dan den Katholiek.
Zooals het verhaal ons in het Boek der Richteren is
430 CRITIBK OP vondkl's .jeptha
9)
»'
overgeleverd, verplaatst het ons in eene nog ruwe maat-
schappij, die aan den vader het recht over leven en dood
zijner kinderen toekent, en die gelooft, dat de godheid zich
door ofifers kan laten bewegen en menschenofifers niet afkeurt.
Jeptha handelt geheel in overeenstemming daarmee, en uit
niets blijkt, dat zijn volk zijne handelwijze heeft afgekeurd:
integendeel hij heeft godvruchtig gehandeld, en zijne dochter
die zich gewillig laat offeren, eveneens. Dat oflfer heeft het
vaderland gered en daarom gaan dan ook nog jaren later
vrome Israëlietische maagden ter beevaart naar het graf van
haar, met wier dood haar vader de overwinning kocht voor
zijn volk.
Ook zoo kan het verhaal stof zijn voor een aangrijpend
treurspel, wanneer de dichter ons maar voor een oogenblik
weet over te plaatsen op het lager standpunt van zedelijkheid,
dat de Israëlieten toenmaals innamen. Neemt men echter voor
de Israëlieten een hoogeren beschavingstoestand aan, nameUjk
dien van de Christenen der zeventiende eeuw, zoodat hunne
priesters en wetgeleerden wel niet anders kunnen oordeelen,
dan de Christelijke priesters eeuwen later zouden doen bij
eene geheel andere opvatting van het wezen der godheid, dan
zal daarvan van zelf het onaangenaam gevolg zijn, dat de
held den indruk moet maken van onder alle personen in het
stuk de eenige te zijn, die op dat lagere zedelijkheidsstand-
punt is blijven staan. Niet, dat hij zich uitsluitend op zijn ge-
weten beroept, stelt hem laag in ons oog, want ware hij niet
een zedelijk achterblijver geweest, dan zou zijn geweten hem
hetzelfde hebben gezegd wat hij nu van de priesters moet
hooren, en dan had niemand hem een beroep daarop ten
kwade kunnen duiden. Zoo heeft dan Vondel of liever de
Theologie, die in de Israëlieten volstrekt het heilige, uitver-
koren volk en in hun zelfzuchtigen oorlogsgod den lateren,
door Christus verkondigden, Hemelschen vader wilde zien, den
ongelukkigen bijbelschen Jeptha overgeplaatst in eene maat-
schappij, waarin hij niet past en dus wel eene zonderlinge,
onsympathieke en in den grond toch zeer beklagenswaardige
figuur moest worden: het tegenovergestelde van een treur-
spelheld en een heilige.
Vondbl's iMcifer is het tragische voorspel op het hoofd-
STOP BN KARAKTER VAN VONDEL's „I4ÜCIPER". 431
moment in de wereldgeschiedenis: de Mensch wording van
God. De voorstelling van Lucifers opstand tegen God is in
den geest der kerkvaders en daardoor in de kerkelijke over-
levering langzamerhand gegroeid uit enkele bijbelplaatsen, die
onwillekeurig tot de wording der Lucifersmythe aanleiding
gaven. Vondel heeft ze bijeengebracht in zijn „berecht" vóór
het stuk, waarin hij er tevens op wijst, hoe de meening der
godgeleerden verschilt ten opzichte van de nadere uitwerking
dezer voorstelling, zoodat dus aan den tooneeldichter in dezen
groote vrijheid gelaten werd. Van die vidjheid heeft hij, zooals
hij zegt, * inzonderheid gebruik gemaakt om reeds vóór den
opstand Gods mensch wording bedekteUjk te doen aankondigen,
omdat hij daardoor te beter het tragisch karakter van dien
opstand in het oog kon doen vallen. Zóó immers kon hij
doen zien, hoe Lucifer, jaloersch op den mensch, omdat deze
boven de engelen begunstigd zou worden, wanneer God zelf
zich zou verwaardigen de menschelijke gestalte aan te nemen,
door zijne pogingen om dat te verhinderen (eerst zijn opstand
tegen God en vervolgens zijne verleiding van den mensch)
juist de door God gewilde omstandigheden doet ontstaan,
waaronder Gods menschwording uit liefde voor het gevallen
menschdom moest plaats grijpen. Zóó blijkt het dan in Gods
plan te hebben gelegen^, dat Ijucifer door zijn opstand juist
dat zou bewerken, wat hij er mee hoopte te verijdelen. Alleen
door dat in het oog te houden kan men het verheven karakter
van dit treurspel ten volle begrijpen, indien men zich althans
weet te plaatsen op het door Vondel ingenomen orthodox-
kerkelijk standpunt, de verhevenheid der rechtzinnige leer
van zonde en voldoening weet te erkennen en niet blind is
voor de grootsche gedachte, die er gelegen is in de voorstel-
ling der eenheid van 's menschen eindig wezen met het eeuwig
wezen der godheid in den persoon van Christus. Daarbij doet
het niets ter zake, of men het door Vondel als waar aange-
nomen geloofsstelsel veeleer houdt voor het gewrocht van
begrip en verbeelding der voorgeslachten, dan voor de ook
nu nog verdedigbare formuleering eener wetenschappelijke
wereldbeschouwing.
Het tooneel, waarop de „Lucifer" speelt, is de hemel. Daar
treffen wij bij het begin van het stuk Belzebub, „den Raet van
432 vondel's ^lücipbr".
's Hemels Stedehouder" (Lucifer), aan, in afwachting van Belial,
dien hij heeft afgezonden „om uit te zien, waer ons Apollion magh
blijven". Apollion toch was door Lucifer naar de aarde gezonden
om zich met eigen oog te overtuigen van den heilstaat, waarin
Adam, Gods jongste schepping, in het Paradijs verkeert. Spoedig
komt nu Belial de nadering aankondigen van Apollion, die
snel als „een vliegend vier", als eene verschietende ster door
de negen hemelsferen van de aarde naar den hemel komt
opstijgen. Een oogenblik nog en Apollion vertoont zich,
geheel in verrukking over hetgeen hij op aarde heeft aan-
schouwd. „Een gouden tack met ooft van karmozyn en gout*'
brengt hij als eene proeve der aardsche heerlijkheid mede
uit het Paradijs, dat hij vervolgens afschildert als een lusthof,
zóó bekoorlijk, dat de engelen, zooals Belzebub zegt, hun
„Paradys om Adams hof verwenschen zouden'*. Maar in dien
lusthof, is de mensch, de koning eener geheele dierenwereld,
nog het schoonste van alles: een dubbele engel, niet alleen
geest, zooals de engelen des hemels, maar ook lichaam, en
als zoodanig eene harmonische wezenseenheid. En die mensch
zal zich tot in het oneindige kunnen vermenigvuldigen, want
„in een hemel zonder vrouwen kennen de misdeelde engelen
geen gespan van tweederhande. kunne", zooals de menschen,
wier „leven is beminnen en wederminnen met een ouderlingen
lust, onendelyck gelescht en nimmer uitgebluscht". „Natuurs
penseel, geen verf, maer zonnestralen", zegt Apollion, zou het
vereischen, Adams „bruit naer 't leven af te malen", want
„engelen, hoe schoon ze nw oogh behaeghden, zyn slechts
wanschapenheen by 't morgenlicht der maeghden". Toch
waagt Apollion zich aan eene beschrijving, en wel met zóó
goed gevolg, dat er in onze geheele letterkunde maar weinig
is aan te wijzen, wat in poëtisch schoon het hier van Eva
geschilderde beeld evenaart. Als „eeuwigh en onsterflijck"
door de vrucht van den boom des levens te eten is de
mensch reeds aan de „engelen, zijn broederen, gelijck" ; maar
door zijn vermogen om „zijn wezen uit te storten in duizenir
duizenden" is hij, zooals Belzebub opmerkt, ook «rmaghtigh
den engelen over 't hooft te wassen". Duidelijk blijkt het nu:
alleen om den mensch heeft God alles geschapen.
Nog duidelijker blijkt dat, als Gabriël, Gods geheimnistolk,
vondkl's „lücipkr". 4^3
door een breeden rei van engelen omstuwd, optreedt om
Gods bevelen af te kondigen. God bouwde inderdaad, zegt
hij, „*t wonderlyck en zienelyck Heelal der weerelt zich zelf
en oock den mensche ten geval en sloot van eeuwigheit het
Menschdom te verheffen oock boven 't Engelsdom*\ Eenmaal
zelfs, zoo kondigt hij aan, zal „het eeuwigh Woort, bekleet
met been en Aren", als heer en rechter over engelen zoowel
als menschen verschijnen, en als die heer in „menschelyck
gestalt" zegevierend zijn troon in den hemel zal innemen,
„dan schynt de heldre vlam der Serafynen duister by 's men-
schen licht en glans en goddelycken luister". Daarom moeten
ook nu reeds de engelen den mensch dienen, daar „wie Adam
eert, het hart van Adams vader wint". Hoe de engelen „in
dryderhande ry en negenvoudige orden onderscheiden worden",
laat VoNDBL nu, in aansluiting aan de geestenleer van Gre-
gorius den Groeten en Pseudo-Dionysius, door Gabriël uiteen-
zetten, die hun daarop beveelt, elk in de hem aangewezen
sfeer zijne plichten te vervullen en vooral Adam te dienen
en te beschermen, hem op de handen te dragen.
Als Gabriël heeft uitgesproken, valt de rei der engelen in
met den beroemden zang: „Wie is het, die zoo hoogh ge-
zeten, zoo diep in 't grondelooze licht, van tyt nog eeuwigheit
gemeten noch ronden, zonder tegen wight by zich bestaet? en
den tegenzang: „Dat 's Godt, Oneindigh eeuwig Wezen van
alle ding, dat wezen heeft." Inderdaad is in deze zangen van
Hem, dien „verbeelding, tong noch teken kan melden", 'alles
gezegd wat de diepzinnigste wijsbegeerte ooit van God heeft
kunnen uitdenken om van Zijne onuitsprekelijke grootheid
een flauw denkbeeld te geven. Met een „heiligh, heiligh,
driemael heiligh !" besluit de toezang van den rei deze hymne.
Gods ondoorgrondelijk besluit moet voor de engelen „bondigh"
(d. i. verbindende) zijn, Gods bevel moeten zij aanbidden en
hem eeren in Adam, zonder nadere uitlegging van het waarom :
immers „al wat Godt behaeght is wel".
Staande op zijn strijdwagen opent Lucifer het tweede be-
drijf, maar geen lichtglans omstraalt het gelaat van „Godts
Morgenstar". Nu in het menschenpaar eene „dubbele star"
verrezen is, is het met zijn luister gedaan, zegt hij vol spijt
en bitterheid. De engelen zijn door God onherroepelijk ver-
II 28
434 vondbl's „lucifer".
oordeelfl om slaven der menschen te worden: tegenspraak
geldt hier niet. Belzebub geeft hem gelijk en schildert zijne
vernedaring en zijne dienstbaarheid aan dien „aerdtworm, uit
een klomp van aerde en klay gekropen', met zulke schrille
kleuren af, dat Lucifer, daardoor geprikkeld, uitroept: „Dat
zal ick koeren, is het anders in myn maght!" Aan die woor-
den herkent Belzebub den fleren Lucifer, den machtigen stede-
houder Gods. De mensch mag niet boven de engelen verheven
worden. Deze moeten hunne oude rechten weten te hand-
haven, en daarmee stemt Lucifer in: „laet zwichten al wat
wil, ick wyck niet éénen voet. Is 't noodlot, dat ick vall'",
dan wil ik vallen „met deze kroon op 't hooft". Veel liever
ben ik „d' eerste vorst in eenigh lager hof, dan in 't gezalight
licht de tweede of noch een minder", zegt Lucifer, en met
die woorden wacht hij Gabriël af, die reeds vermoedt, wat er
in hem omgaat. Tegenover hem ontkent Lucifer dan ook
geenszins zijn spijt. Gods besluit is hem een raadsel, dat hij
gaarne zou zien uitgelegd, maar „veel weten kan altyt niet
vordren, somtyts schaden", antwoordt Gabriël: „de Hooghste
ontdeckt ons slechts wat hy geraden vint", en Lucifer, die
totnogtoe „zyn kroon voor Godt alleen gebogen" heeft, zal
die nu ook moeten buigen „voor 't besluit der Godtheit".
Maar inet dat besluit, zegt Lucifer, verkleint God zijn eigen
Majesteit, en wanneer hij er zich tegen zou veizetten, zou
het zijn om te „yvren voor Godts eere, om Godt zyn Recht
te geven". Te vergeefs brengt Gabriël nog in herinnering,
dat God „het punt, waerin zyn hoogheit is gelegen", zelf het
best kent: wanneer hij vertrokken is, zegt Lucifer tot Belze-
bub, dat hij vast besloten is, alles op het spel te zetten en
zich door niemand te laten trotseeren. ApoUion, die nu
optreedt, moge ook al wijzen op het gevaarlijke, het hopelooze
zelfs van een opstand tegen God, Lucifer toont zich onver-
vaard. Hij wil ook niet strijden tegen God, maar tegen Gods
veldheer Michaël, zijn gelijke, zegt hij, en draagt nu aan
ApoUion op, met Belial te overleggen, hoe het best het vuur
der ontevredenheid onder de engelen kan aangestookt worden,
zooals deze beide daarop ook doen. De opstand moet van de
nu reeds morrende engelen uitgaan, meen en zij, hunne leus
moet zijn : „den mensch in eeuwigheit ten hemel uit te sluiten",
vondel's «lucifer". 485
9
en, wanneer zij omzien naar een hoofd voor den opstand,
moet Belzebub als schoorvoetend hunne partij kiezen en
Lucifer eerst aarzelend zich aan hun hoofd plaatsen, alsof bij
om hunnentwil zich opofferde. Dan zullen zij hem te beter
steunen. Wanneer zij heengaan om dat plan uit te voeren,
spreekt de rei der getrouwe engelen zijne droefheid uit over
den rossen gloed, dien 's hemels heilig licht verspreidt, nu het
„door woleken en bedroefde nevels" belet wordt in vollen
glans te stralen.
Met het derde bedrijf zien wij de vruchten van ApoUions
en Belials werk. Morrende en weeklagende zitten de ontevre-
den engelen bij elkaar en dof klinkt het „helaes, helaes,
helaes, waer is ons heil gevaren I" uit hun mond als het
geloei eener oproerige menigte, die zich door de aan God
getrouw gebleven engelen niet kan laten tit)osten, nog minder
tot berusting in Gods wil kan laten bewegen. Wanneer de
getrouwen de hulp van Belial en ApoUion inroepen om de
morrenden tot bedaren te brengen, verklaren deze zich daartoe
buiten staat: immers „zij steunen op hun recht!" en zijn niet
ongehoorzaam geworden aan Gods wil, maar God zelf is van
wil veranderd en daarover zijn zij terecht ontevreden. Belzebub,
die nu verschijnt, ziet met genoegen, dat de ontevredenen
„groeien in getal", en ofschoon hij hun gelijk geeft, dat zij
over onrecht klagen, veinst hij hunne oproerige gezindheid
af te keuren. „Met smeecken moght ghy best en eerst uw'
wensch verwerven", voegt hij hun toe; maar zij zien meer
heil in een onverhoedschen aanval en verlangen, dat Belzebub
zich aan hun hoofd zal plaatsen. Hij weigert echter: alleen
verklaart hij zich bereid, hun „voor te treden naer den troon
van 't groot palais" om langs vreedzamen weg naar hun doel te
streven, en bemiddelend treedt hij dan ook voor hen op, als
Michaël verschenen is, om, vóór het oproer uitbarst, de straf
aan te kondigen, die op de misdaad zal volgen. Deze sommeert
hen, de wapens terstond heer te leggen en niet langer muit-
ziek samen te rotten. Als zij zich onwillig toonen en zich op
Lucifer beroepen, vertrekt Michaël met de getrouwe engelen
om bij God z\jn beklag in te dienen.
Nu vertoont zich Lucifer op zijn strijdwagen, en dringend
smeeken de ontevreden engelen hem, zich aan het hoofd van
436 vondel's , lucifer".
n
den opstand te plaatsen. Ook hij erkent, dat zij gegronde
reden hebben om zich gebelgd te toonen, maar hoopt, dat
God hun „dees belleghzucht vergeve". Hun verzoek om hun
aanvoerder te zijn wijst hij aanvankelijk af, maar als Belzebab
het ondersteunt, geeft hij zich, schijnbaar tegen zijn zin, ge-
wonnen; en nu laat hij zich op een troon plaatsen om als
hun vorst gehuldigd te worden, waarop de Luciferisten, „te
gelyck by Godt en Lucifer" zwerend, hem „het wieroockvat"
toezwaaien en hem verheerlijken met „muzyck, bazuinen en
schalmeien", om dan vervolgens ten strijde te trekken onder
het marschlied, dat ons met zijne trochaeïsch-dactylische vers-
maat, door vier iamben besloten, den dreun hunner voet-
stappen bij het tromgeroffel ook in woorden doet hooren:
„Op, treckt op, o ghy Luciferisten, volght dees vaenl Ruckt
te hoop al uw krachten en listen. Treckt vry aen. Volght
dezen Godt op zyn trommel en trant. Beschermt uw Recht
en Vaderlant". Als nu de laatste scharen zijn weggetrokken
onder het zingen der godslasterlijke woorden: „wy met triomf
kroonen Godt Lucifer: Bewieroockt hem, aenbidt zyn sterl"
besluit de rei der getrouwe engelen dit bedrijf met een klaag-
zang over de „Staetzucht", die zoo jammerlijk den vrede in
den hemel verstoort.
Gabriël deelt bij den aanvang van het vierde bedrijf aan
Michaël mee, dat Lucifer, „in zynetrou verandert, trompeten
trom roert en des hemels derde deel" onder zijn standaard
verzameld heeft; en nadat Michaël zich door zijn schildknaap
Uriël de wapenrusting heeft laten aandoen, trekt hij aan de
spits zijner heerscharen op om „Godts oorlogh te voeren".
Een tweede tooneel vertoont ons Lucifer aan het hoofd der
zijnen, vol strijdlust en moed, omdat uit alle rangen der
engelen voortdurend nieuwe aanhangers zijne partij komen
versterken. Vóór den strijd spreekt hij zijne troepen toe. „De
tiranny der hemelen zal verkeeren in eenen vryen Staet", als
zij hem „voor 't hooft van hunnen vrydom kennen", zegt hij,
en nu hernieuwen zij hun eed van trouw aan God en Lucifer
tegelijk. Maar nog eene uiterste poging wordt er gedaan om
den strijd te verhoeden. Rafaël, die Gods Barmhartigheid ver-
tegenwoordigt, zooals Gabriël de Waarheid en Michaël de
Gerechtigheid, treedt op om Lucifer te bezweren, dat hij, nu
vondel's „lucifer". 437
tt
het nog tijd is, den dollen krijgstocht stake. Hij wijst hem op
zijne tegenwoordige heerlijkheid, die hij roekeloos verspeelt
door zijn misdadig opzet: „den olyftack der genade" biedt hij
hem aan. Lucifer echter verontschuldigt zich: hij strijdt niet
tegen, maar onder God; zijne „helden hebben Godt en Lucifer
gezworen" en wenschen alleen tegen Michaël voor de hun
wettig verleende handvesten en rechten te strijden. Dat is
eene valsche leus, waardoor de Alwetendheid zich niet laat
bedriegen, zegt Rafaël : Lucifer en zijne engelen hebben geene
andere rechten, dan die God hun gegeven heeft en ook weer
ontnemen kan ; en als redeneering niet baten mag, dan smeekt
hij Lucifer met hartelijken aandrang, dat hij toch niet blin-
delings zijn wis verderf te gemoet moge gaan. Nog is er ge-
nade te wachten. Rafaël belooft zijn middelaar bij God te
zullen zijn« Die liefdevolle woorden maken op den Stedehouder
diepen indruk, zijn schuldbesef (de anagnorisis) ontwaakt, en
zoodra dat gebeurt, breekt het licht des verstands weer heen
door de nevelen van hoogmoed en nijd, die zijn geest hadden
verblind. „Of ergens schepsel zoo rampzaligh zwerft als ickl"
roept hij uit: „de neerlaegh is zwaer te myden", het was „de
snootste ondanckbaerheit" zijn Schepper af te zweren, en hot
baat hem niet, voor het Goddelijk licht zijne „verwatenheit
te vermommen"; dat ziet hij nu helder in. Een oogenblik
staat hij in twijfel; maar wie zich tot volksleider opwerpt,
houdt daarmee op, zijn eigen meester te zijn: hij denkt de
volksmassa aan te voeren, maar wordt slechts door haar voor-
uit gestuwd. Teruggaan is voor hem onmogelijk geworden:
dat ontwaart hij met schrik. „Hier baet geen deizen: neen,
wy zyn te hoogh geklommen I" roept hij uit, en daar klinkt
het trompetgeschal, waarmee Michaël het sein tot den aan-
val geeft. De Luciferisten hooren dat met opgewondenheid.
Zij wanen zich reeds zeker van de overwinning; maar inder-
daad is de nederlaag al geleden, want Lucifer heeft alle zelf-
vertrouwen verloren, en als ApoUion hem aanmaant ook van
zijn kant het sein tot den aanval te geven, is het alleen de
wanhoop die aan z^'ne besluiteloosheid een einde maakt. Hij
blaast den aanval en trekt met de zijnen ten strijde. Voor
Ra£&ël blijft nu niets anders over dan met den rei van ge-
trouwe engelen neer te knielen en zich in gebed te richten
438 vondel's „lücipbr".
tot den 9 Vader, die geen wieroockvat, noch gout, noch lofzang
waerder schat dan godtgelatenheit en stilte van 't schepsel",
en genade af te smeeken voor den ongelukkige, die zelf weet,
dat alle hoop op genade ijdel is.
Bij het begin van het laatste bedrijf is de geweldige strijd
gestreden en komt Uriël daarvan aan Rafaël verslag geven
in een verhaal, dat van de stoutste dichterlijke verbeelding
en van het machtigste uitbeeldingsvermogen getuigt. Met
zijne driehoekige slagorde (het zinnebeeld der Drieëenheid) is
Michaël, als een adelaar op zijne prooi, van boven neerge-
streken op den boog der halve maan (het zinnebeeld van het
Ongeloof), door Lucifers legerscharen gevormd, en heeft dien
in het midden doorboord. Te vergeefs heeft Lucifer tot
driemaal toe beproefd Michaëls diamanten schild te klooven,
waaruit Gods heilige naam den muiteling tegenschitterde.
Michaël „klinckt den wrevelmoedigen zyn bliksemstrael door
helm en hooft in d' oogen, zoodat hij achteroverstort" uitzqn
met Leeuw en Draak (de zinnebeelden van Hoogmoed en
Nijd) bespannen wagen, die met hem in den afgrond ver-
zinkt, waarin hij neerploft, onderweg veranderd „in een
wanschapenheit", eene mengeling der ledematen van zeven
dieren, die de zeven hoofdzonden vertegenwoordigen. «Dat
leert de Staetzucht Godt naer zyne kroon te steken".
Nu treedt zegevierend Michaël op, begroet door het triomf-
lied van den engelenrei: „Gezegent sy de Held, die 't godde-
loos gewelt, en zyn maght en zyn kracht en zyn standert ter
^eder heeft geveltl" Maar als de laatste klanken van het
„Prys en eer zy den Heere aller Hoeren I" nog nauwelijks
zijn weggegolfd, komt Gabriël de droeve lotverwisseling (peri-
petia) aankondigen met zijn: „Helaes, helaes, helaes, hoe is
de kans gekeerti" „Och, Adam is gevallen!" klinkt het als
„een donderslagh in d' oor en". Belial heeft op Lucifers bestel
ook den mensch tot afval van God verleid. Zóó echter kan
dat groote drama niet eindigen : de verzoening (katharsis) moet
nog volgen. Wel zullen de menschen zich nu niet meer
mogen voeden met de vruchten van den boom des levens en
zullen de booze geesten, in den afgrond der hel gekluisterd,
vreesel^k moeten boeten voor hunne schuld, maar eenmaal
zal „de Godtheit uit het zaet van d' eerste vrou den Siercken
vondel's ^lüciper"; jan jansz. vos. 439
verwecken, die de Slang, den Draeck het hooft zal pletten",
zoo voorspelt GabriëL En de Sterke is, dat weten de toe-
schouwers. God zelf, die de menschelijke gestalte zal aan-
nemen. In hoopvolle verwachting ziet nu de engelenrei de
komst te gemoet van den „Verlosser, die, uit liefde herstellend
wat in Adam wert verloren, 't vervallen menschdom eens
van Adams errefschult zal verlossen" en zoo het mogelijk zal
maken, dat de nakomelingen van het eerste menschenpaar
voor het verloren paradijs „een schooner paradijs hierboven"
zullen innemen om de plaats der gevallen engelen te bekleeden
om den troon van God.
De zondeval, hier slechts door Gabriël verhaald, zou later
door Vondel in een afzonderlijk treurspel, Adam in balling-
9efiap, in bijzonderheden worden uitgewerkt, en had Vondel
in Noord-Nederland Christus ten tooneele mogen brengen,
dan zou hij ongetwijfeld ook zijn Zuidnederlandschen geloofs-
genoot vóór geweest zijn en met het tafereel der „Mensch wording
van het Woort" dit grootsche mysteriespel hebben voltooid.
L.
Jan Jansz, Vos.
Ofschoon alle letterkundigen en voorstanders van het tooneel
Vondel onder zijne tijdgenooten eenstemmig niet alleen als
onzen grootsten dichter, maar ook als onzen eersten tooneel-
dichter erkenden, was er sedert 1641 naast hem een jong
poëet opgestaan, die zich allengs aan den Schouwburg niet
minder gezag en zelfs nog meer invloed had weten te ver-
werven: Jan Jansz. Vos. Voor onze letterkunde was hij dan
ook inderdaad in zijn tijd van zooveel beteekenis, dat hij hier
eene afzonderlijke, opzettelijke behandeling verdient.
Zijn geboortejaar is ons nog onbekend, maar mag bij gissing
omstreeks 1615 worden gesteld. Als ambachtsman opgevoed,
kende hij geene andere taal dan Nederlandsch ; maar als
huisschilder en glazenmaker was hij een gezeten burger en
later ook een der beide stadsglazenmakers, die de Stedelijke
Regeering had aangesteld. Als wijnroeier verdiende hij er
440 DE „ARAN BN TITÜS" VAN JAN VOS.
nog wat big. Het dichten v^xi vensters bracht hem meer op
dan het dichten van verzen, zooals hij zelf meer dan eens
zeide, want hij was prat op zijn beroep: minder uit nederig-
heid dan uit trots op zijn vernuft en andere persoonlijke
gaven, waaraan hij wel wilde weten, dat hij zijn roem en
aanzien uitsluitend verschuldigd was.
In 1639 trad hij in het huwelijk met Grietje Gerrits, die
hem één dochtertje schonk, waarop hij als weduwnaar alle
liefde overdroeg, die hij voor de moeder had gevoeld, zoodat
hij Vondel's raad om te hertrouwen afwees met de op-
merking, dat hij „zyn eenigh kindt geen stiefmoer op te
dringen zocht". Enkele minnedichtjes op Laura behoeven nog
niet te pleiten voor tijdelijke ontrouw aan dit besluit, omdat
zij zeer goed óf op verzoek van een ander kunnen gemaakt
zijn 6f vóór zijn huwelijk tot zijne vrouw gericht kunnen ge-
weest zijn, want veilig mogen wij aannemen, dat hij als dichter
meer oefening dan bekendheid had, toen hij zich in 1641
opeens in de kunstwereld groeten naam maakte met zijn
treurspel „Aran en Titvs of wraak en weer wraak".
Titus Andronicus heeft de Goten overwonnen en komt te
Rome, waar Saturninus nog niet lang geleden tot keizer ge-
kroond is, zoo vangt het stuk aan. Als gevangenen voert
hij Thamera, de koningin der Goten, en hare beide zoons,
Demetrius en Quiro, mede, en ook den Gotischen veldheer,
den Moor (of liever neg